TAAAAA
FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL.
29
Heer Christus verordend en in-| Christus en den Apostel Paulns gezet heeft, namelijk, tot zijne gedachtenis.
allen, die zich met deze navolgende ondeugden besmet weten, vermanen: van de tafel des Heeren zich te onthouden; en verkondigen hun, dat zij geen deel in het Rijk van Christus hebben: als daar zijn alle afgodendienaars; allen, die verstorvene heiligen, Engelen of andere schepselen aanroepen; allen, die den beelden eere aandoen; alle toovenaars en waarzeggers, die vee of menschen, mitsgaders aandere dingen zegenen, en die aan zulke zegeningen geloof geven; alle verachters van God en zijn woord, en van de heilige Sacramenten; alle Godslasteraars; allen, die tweedragt, sekten en muiterij in Kerken en wereldlijke regeringen begeeren aan te rigten; alle meineedigen; allen, die hunnen ouderen en Overheden ongehoorzaam zijn; alle doodslagers, kijvers en die in haat en nijd tegen hunnen naaste leven; alle echtbrekers, hoereerders, dronkaards, dieven, woekeraars, roovers, spelers, gierigaards, en al degenen, die een ergerlijk leven leiden; deze allen, zoo lang zij in zulke ondeugden blijven, zullen zich van deze spijze( welke Christus alleen voor zijne geloovigen verordend heeft) onthouden, opdat hun gerigt en hunne verdoemenis niet des te zwaarder worde.
Maar dit wordt ons, zeer ge
liefde Broeders en Zusters in den Heer! niet voorgehouden, om de verslagene harten der geloovigen kleinmoedig te maken, als of niemand tot het Avondmaal des Heeren gaan mogt, dan die zonder eenige zonde ware.
Want wij komen niet tot dit Avondmaal, om daarmede te betuigen, dat wij in ons zelven volkomen en regtvaardig zijn; maar in tegendeel, aangezien wij ons leven buiten ons zelven in Jezus Christus zoeken, zoo bekennen wij daarmede, dat wij mid
De waarachtige beproeving van ons zelven bestaat in deze drie stukken:
de toorn
Ten eerste, bedenke een iegelijk bij zich zelven zijne zonden en vervlocking, opdat hij zich zelven mishage, en zich voor God verootmoedige: aangezien van God tegen de zonde zoo groot is, dat Hij die( eer Hij dezelve ongestraft liet blijven) aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus, met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft.
Ten andere, onderzoeke een iegelijk zijn hart, of hij ook deze gewisse belofte van God gelooft, dat hem al zijne zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus; vergeven zijn; en de volkomene geregtigheid van Christus hem als zijne eigene toegereen geschonken zij; ja zoo volkomen, als of hij zelf in eigen persoon, voor al zijne zonden betaald, en alle geregtigheid volbragt had.
kend
Ten derde, onderzoeke een iegelijk zijn geweten, of hij ook gezind is, voortaan met zijn gansche leven, waarachtige dankbaarheid jegens God, den Heer te bewijzen, en voor Gods aangezigt opregt te wandelen: insgelijks, of hij zonder eenige geveinsdheid, alle vijandschap, haat en nijd van harte afleggende, een naarstig voornemen heeft, om van nu voortaan in waarachtige liefde en eenigheid met zijnen naaste te leven.
Allen, die dan alzoo gezind zijn, wil God gewisselijk in genade
aannemen, en voor waardige medegenooten van de tafel zijns Zoons Jezus Christus houden. Daarentegen die deze getuigenis in hunne harten niet gevoelen, die eten en drinken zich zelven een oordeel. Waarom wij ook, naar het bevel van


