VALAVAVAVA
AA! A!
/\/\/
VINAVINAAH
30
FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL.
midden in den dood liggen.| re smaadheden geleden heeft, Daarom, al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk, dat wij geen volkomen geloof iebben, dat wij ons ook met zulken ijver om God te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof, en de booze lusten van ons vleesch te strijden hebben nogtans des niettegenstaande, overmits ons( door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken leed zijn, en wij van harte begeeren tegen ons ongeloof te strijden, en naar alle geboden van God te leven; zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geene zonde noch zwakheid, die nog( tegen onzen wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat God ons niet in genade zou aannemen, en alzoo deze hemelsche spijze en drank waardig en deelachtig zou maken. Ten andere, laat ons nu ook| overdenken, waartoe ons de Heer zijn Avondmaal heeft ingezet, namelijk, dat wij zulks doen zouden tot zijne gedachtenis: Maar aldus zullen wij aan hem daar bij gedenken: Eerstelijk, dat wij ganschelijk in onze harten vertrouwen, dat onze Heer Jezus Christus,( naar de beloften, die aan de voorvaderen in het Oude Testament van het begin af geschied zijn) van den Vader in deze wereld gezonden is, ons vleesch en bloed aangenomen, den toorn van God ( onder welken wij eeuwig hadden moeten verzinken), van het begin zijner menschwording tot het einde zijns levens, op de aarde voor ons gedragen en alle gehoorzaamheid der Goddelijke wet, en geregtigheid voor ons vervuld heeft, voornamelijk, toen hem de last van onze zonden, en van den toorn van God het bloedige zweet in den hof uitgedrukt heeft; waar hij gebonden werd, opdat hij ons zou ontbinden; daarna ontelba
opdat wij nimmer te schande zouden worden; onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het gerigt van God zouden vrijgesproken worden: ja zijn gezegend ligchaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat hij het handschrift onzer zonden daaraan zou hechten; en heeft alzoo de vervloeking van ons op zich geladen, opdat hij ons met zijne zegeningen vervullen zou; en heeft zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel, met ligchaam en ziel, aan het hout des kruises, toen hij riep met luide stem: mijn God, mijn God! waar om hebt Gij mij verlaten? opdat wij tot God zouden genomen, en nimmer van Hem verlaten worden; en heeft eindelijk, met zijnen dood en zijne bloedstorting, het Nieuwe en eeuwige Testament, het Verbond der genade en der verzoening besloten, als hij zeide het is volbragt!
nam
En opdat wij vast zouden gelooven, dat wij tot dit Genadeverbond behooren, nam de Heer Jezus in zijn laatste Avondmaal het brood, dankte, brak het en gaf het aan zijne jongeren, en sprak: neemt, eet, dat is mijn ligchaam, hetwelk voor u gegeven wordt: doet dat tot mijne gedachtenis! Desgelijks na het Avondmaal, hij den drinkbeker, zeide dank, en sprak: drinkt allen daaruit: deze beker is het Nieuwe Testament in mijn bloed, hetwelk voor u en voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden; doet dat, zoo dikwijls als gij daarvan drinkt, tot mijne gedachte nis! dat is: zoo dikwijls güj van dit brood eet, en uit dezen beker drinkt, zult gij daardoor, als door eene gewisse gedachtenis en pand, vermaand en verzekerd worden van deze mijne hartelijke liefde en trouw je


