22
EL
buigt
6. Hij
Valt d' arme bo
geet'
Nog
op;
VAHV
zich,
vleit zich,
keer';
en
PSALM 10.
duikt, en jjlings toegeschoten,
hoop hem
Het aangezigt
immer zie der
dat
Gij ziet het
Bewijs, 0 HEER! d' ellendigen gena;
toon, dat U hun smart ter harte ga:
rouw,
in de sterke poo- ten.
2
de Godheid dit ver
verberg', niet gadesla,
armen nood en leed.
En raad en hulp den armen te verschaffen.
verhef uw hand, om hem te straffen,
7. Waarom ontrooit de lasteraar Gods eer? Wat
vleit hij zich dat God het niet aanschouw'? toch, waar heen hij zich ook
Be
Zie neêr in toorn op
Sta
Want Gij merkt op de moeite, smart
Opdat men' t U in handen geven
zou. Op U verlaat zich d' arme; zou hij vreezen?
Verbreek hunn' arm; dat U
Gij immers zijt een trouwe hulp der wee- zen. 8. Fnuik Gij, o HEER! der goddeloozen kracht;
dit
de booze
ontaard
ducht'!
geslacht,
Of


