16
7. Waar schapen zijn, of ossen in de weiden;
E
Waar eenig vee op bergen zij of heiden; by
' t wild gediert' ook zwerv' in woud en veld:
Gij
8. Wat
ven;
leven;
zee:
9. HEER,
hebt het al in zijne magt gesteld.
vog'len
groote
PSALM 8, 9.
heerlijk
Wat visschen er in
billijk wordt uw groote naam geprezen!
rolt,
door den ruimen luchtkring zwe
naam
En wat de paân doorwandelt van de
Zijn hoog bevel deelt hij aan allen mee.
onze Heer, grootmagtig Opperwezen! Hoe
Waar
stroom en beken
uit aller vromen mond,
door' t gantsche
PSALM 9.
Hoe
Die
wereldrond!
k zal met al mijn hart den HEER, Blij
moedig geven lof en eer; gemoed verzellen, En al
2. Ik zal in U, mijn God! van vreugd Opspringen, in den geest verheugd; Uw naam zal door mijn psalm
Mijn tong zal mijn
uw wonderen vertellen.


