MOHVRUHURVA
PSALM 5.
Tergt, als de snoodste wetverbreker, Den hoogsten Wreker.
7. Maar mij ontmoet uw mededoogen: Ik zal uw woning ingeleid, En, naar' t paleis der heiligheid In ware godvrees neergebogen,
Uw gunst verhoogen.
8. Leid mij in uw geregtigheden, Om mijn verspiedren wil, en rigt Uw wegen voor mijn aangezigt: Dan
zal ik veilig voorwaarts treden, Met vaste schreden.
verderven toe;
9. Al' t regt is van hunn' mond geweken, Zij leggen' t op
Hun keel is nooit verslindens moe; Hun
tong tracht vleijend, ons door treken Naar' t hart te steken. 10. Draagt Gij, o God! hen nog geduldig? Verwoest hunn' raadslag; drijf hen heen, Daar z' uwe wet zoo stout vertreen. Zij tergen U te menigvuldig: Verklaar hen schuldig. 11. Maar geef uw' dierbren gunstelingen, Wier geest in U zijn sterkte vindt, Wier hart uw naam opregt bemint, In U volvrolijk op te springen, En blij te zingen. 12.' t Regtvaardig volk zult Gij beloonen, Terwijl Gij, HEER! hen overdekt, Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekroonen, Ja bij hen wonen. PSALM
9
RAAL


