8
150
PSALM 5.
eem, HEER! mijn bange klagt ter ooren; Zie, als' t aan
woorden mij ontbreekt, Wat d'overdenking in mij spreekt; Verwaardig U, uit' s hemels koren, Mijn stem te hooren 2. Sla ieder zucht, mijn hart ontgleden, Opmerkend gå; schenk mij' t genot Uws heils, mijn Koning en mijn God!
PSALM 5.
Ik zal tot U, met mijn gebeden,
3. Ik zal, door ijvervuur aan' t blaken,
*
scheemrend morgenlicht, Mij stellen E
zigt; Opregte boezemzuchten slaken, En biddend waken.
4. Gij, die geducht zijt in vermogen,
U durft gaan,
Eerbiedig treden.
O HEER! bij' t
deloosheid niet; Gij zult, o God, die' t al doorziet!
voor uw aange
Den boozen voor uw heilig' oogen, Geenszins gedoogen.
五
5. Wie zinloos, zonder t' overwegen Wat hem betaamt, tot
Zal voor uw aanschijn niet bestaan; Gij
haat, en staat hun billijk tegen, Die onregt plegen. PAUZE.
hand met bloed bevlekt,
Verdraagt de god
6. Gij, HEERI verdelgt den logenspreker. Hij, die zijn
En gruwlen met bedrog bedekt,
Tergt,


