CAVAUHURAVAU VAKAR
PSALM 4.
doet mij nooit van schaamte blozen,
verlegen,
riep, mij bijstand bood. Zijt gij beroerd, ontsteld,
Die, als ik
Zoo zondigt niet; verzaakt uw' wil;
in uw hart; herdenkt uw wegen,
Spreekt
Op' t eenzaam
bedde neêrgezegen; En weest in all' ontmoeting stil. 3. Dan zult gij regt naar' t outer treden, En offren God een rein gemoed, Het offer der geregtigheden, En' t
zuivre reukwerk der gebeden: Betrouwt op Hem, want Hij is goed. Daar velen twijfelmoedig vragen: ,, zal ons' t goede toch doen zien?"
» Wie
Doe Gij, o
HEER! na' t angstig klagen, Ons' t lieflijk licht
uws aanschijns dagen, En wil uw rijke gunst ons bien. 4. Gij hebt m' in' t hart meer vreugd gegeven, Dan andren smaken, in een tijd Als zij, door aardsch geluk verheven, Bij Koorn en most wellustig leven, In hunnen overvloed verblijd. Ik zal gerust in vrede slapen, En liggen ongestoord ter neêr; Want Gij alleen, mijn schild en wapen, Schoon' t onheil schijnt voor mij geschapen, Zult mij doen zeker wonen, HEE
PSALM
VAL


