150.
LIED.
*
399
Die nooit volleden pijn bedacht, Voeld' ik mijn
hart van vreeze krimpen. Zoo ver de Zon haar' stralen spreidt, Is niets zoo naar als d' Eeuwigheid. 4. Zou nog der doemelingen pijn, Zoo lang als al die eeuwen zijn, Die van' t begin zijn afgeloo
pen; Al waren dan hun smerten meer, Dan' t nooit
getelde starrenheer Of' t kruid der aard, dan mogt
men hopen, Dat voor hen uit die helsche pijn
sw
Nog eind'lijk zoud' een uitkomst zijn.
5. Maar nu, als die verdoemde schaar, Veel hon
derd duizend duizend jaar, Die pijn zal hebben ondervonden, Terwijl des duivels wreed geweld, Haar op het ijs'lijkst heeft gekneld, Zijn nog haar banden niet ontbonden, Dat lot zal nimmer van hen


