398
150. LIED.
' s zondaars hart doorboort, O aanvang zonder eind
noch palen, O Eeuwigheid, tijd zonder tijd, Dat droefheid vrij die ziel doorsnijdt, Die hier bij God geen troost kan halen. Zulk een door schrik en vreeze
beef, Zijn' tong hem aan' t gehemelt kleef. no
2.0 Geen storm treft ons zoo fel op aard', Dat hij
niet door den tijd bedaart, Hier komt men' t onheil 五 三 二 家
weer te boven, Maar d'Eeuwigheid is zonder end,
Zij heeft geen' perk, waar zij zich wendt, Of ons
een uitkomst zou' beloven: Er is, gelijk de Heiland zeid, Uit haar geen' redding ooit bereid. 3. 0 Eeuwigheid! wat valt gij bang! Dat Eeuwig, Eeuwig is zoo lang, Hier gelt geen spotten, schertsen, schimpen, Wanneer ik dus dien langen nacht, Die


