149. LIE, D.
blad, dat ras verzwindt, Het buld'ren wederstaan
ooh and Van zulk een wervelwind?
397
it!
doon
5. Waak op dan, ô mijn' ziel! En zoek in Je
zus rust, Wijl gij zijt van dien vloed, En gloed en wind bewust, Vlugt met de tortelduif, Naar dezen Rotssteen heen: Daar leeft g', in eeuwig
heid, Gerust en wel te vreên. noob sin
6. Mijn naasten!' k roep u toe, Bereid u en besef, Wat gij betrachten moet, Eer u de doodschicht treff', Gij weet niets van dien stond, Dat gij dit ondergaat,
God komt eer gij' t verwacht, Beproef dan uwen staat.
IV. Van de eeuwige verdoemenis.£ 150. LIED.
Eeuwigheid! ontzaglijk woord, O zwaard, dat
' s zon


