396
149. LIED.
Die hart en nieren kent, Gods en des menschen Zoon,
Komt als uw Regter straks, Op zijn' geduchten troon. 2.00 dolle zekerheid! Vervloekte slapenslust Waak op! waak op! ô mensch, Uit uwe diepe rust, Werk tot uw' zaligheid Met beving in' t gemoed, Op dat g' uw grootsten schat, Uw eedle ziel behoedt. 3. De magt der duisternis, Wordt naauwlijks
hier gezien, De booze stond genaakt; Wie kan, wie zal ontvliên? Och zie!' t verterend vuur
Breekt reeds uit Sion aan; Wie kan toch voor den
glans, Van' s menschen Zoon bestaan?
4. Verduurt een stroohalm dan, Dien ongenaakb'ren gloed? Bestaat een zandgrond voor, Een opgepersten vloed? Zal dan een stoppel, zal, Een
blad,


