400
150. LIED.
hen gaan, Dat eindigt nooit, vangt immer aan.
6. O God! hoe heilig is uw regt! Hoe straft
Gij, Heer! den boozen knecht, Zoo vreeselijk door helsche smarten.' t Kortstondig kwaad op aard' begaan, Is met een eeuw'ge straf belaân, Och zondaars! neemt dit wel ter harten; Betracht dit toch, ô menschen kind! De tijd is kort, de dood gezwind.
7. Ai vliedt toch uit des duivels strik! De wel
lust kan een' oogenblik, En langer niet U wat verblijden: Zoudt gij dan kiezen, dat uw' ziel Daar voor in' s duivels boeijen viel, Om zonder einde smert te lijden? O dwaze keus, beklagenswaard, go Die namaals eeuwig jamm'ren baart!
8. Zoo lang een God hier boven leeft, En om zijn
volk


