VOORBERIGT.
overige 224 gezangen, die ten minsten in sommige Hoogduitsche gemeenten van dit Graafschap gebruikt worden, en die door den Heer OTTERBEIN vertaald zijn, hebbe zoeken intevoeren? Tot antwoord dient, dat zulks is nagebleven, ten deele uit hoofde van kostbaarheid voor den gemeenen man, ten deele om den altegrooten ballast te vermijden. Want, dewijl men tot het drukken dezer liederen met volle nooten bij elk vers, heeft moeten besluiten, omdat de Nederduitsche gemeenten daaraan gewoon zijn, zoo zoude zulk een groot boek, als 374 liederen moesten uitmaken, een onaangenaam bezwaar zijn; te meer daar sommige gemeenten zoo ver uit elkanderen liggen, dat vele huislieden één ja bijna twee uren ver van de Kerk wonen, dien het reeds lastig valt den Bijbel mede te dragen, doch die nu deze gezangen zonder beletsel bij zich steken kunnen.
VII
Zoude, eindelijk, veelligt iemand vragen, waarom men die liederen, welke reeds uit het hoogduitsch vertaald, en wel zoo fraai berijmd achter de Psalmen staan, bij voorbeeld, den Bedezang lied 1, de Lofzangen lied 11 en 12, de tien Geboden lied 39 en den Avondzang lied 136, er niet uitgelaten of andere daarvoor in de plaats gesteld hebbe: zoo gelieve men te bedenken, dat soortgelijke veranderingen hebben moeten nablijven, zoo wel om' t geheele niet te schenden, als voornamelijk, om de zoo aanstonds betoogde, noodzakelijke overeenstemming met het Hoogduitsch te behouden; ook zal de verscheidenheid hier niet onaangenaam zijn.
A 4
Ont


