VIII
VOORBERIGT.
Ontvangt dan, dierbare gemeenten! deze gezangen met dankerkentenis aan den grooten Verlosser, wiens aanbiddelijke Voorzienigheid u dezelve beschikt; zingt dezelve bij uwe statelijke Godsdienst, en maakt er gebruik van in uwe bijzondere bijeenkomsten en gezelschappen. Tot hiertoe heeft het God, naar den oneindigen rijkdom zijner ontferming behaagd, niet alleen de zuivere leer van het Evangelie onder u te bewaren, zoodat gij, boven vele andere landen, het voorregt moogt hebben, te roemen, dat al uwe leeraren zonder uitzondering dezelve van harten toegedaan zijn; maar onder u mag ook het innig Christendom nog bloeijen, en een aantal zielen onder u gevonden worden, die God in geest en waarheid dienen. Is er sedert eenigen tijd eenige meerdere geesteloosheid doorgebroken, mogten de ware Vereerders van God dit met schaamte gevoelen, slappe handen en struikelende knieën weder oprigten, en het overige, dat sterven zoude, versterken! De HEERE make daartoe, onder andere gezegende middelen, ook deze gezangen dienstbaar! Mogt een nieuwe lust en ijver in uwe statelijke Godsdienst herleven; en Gij opgewekt worden, om zoowel in de openbare, als bijzondere bijeenkomsten, den HEERE met Psalmen, Lofzangen en Geestelijke Liederen te verheerlijken!
VAART WEL!
VER


