C 304 3
bezit wijders aanhoudend, onafgebroken, niet gewelddadig, poch heimelijk, noch dubbelzinnig, en onder den titel van eigenaar zijn.
Men wordt altijd veronderfteld voor zich zelven en als
E
eigenaar te bezitten, ten ware bewezen wordt, dat men zijn bezit voor of in naam van een’ ander’ aangevangen heeft. Art. 1861.
Wanneer men zijn bezit voor cen’ ander” aangevangen heeft, wordt men altijd geacht voor een’ ander’ te bezitten, ten zij het tegendeel bewezen wordt.;
Art. 1862. __ Zaken, die enkel facultatif zijn, en blootelijk bij gedoogen of vergunning gefchieden, kunnen geen’ grond voor bezit of efcriptie opleveren. Li i 4 Art 1863.
Ook kunnen daden van geweld geen bezit daarftellen, door hetwelk prefcriptie kan te weeg gebragt worden, 8
Het eigenlijke bezit begint niet, dan nadat het geweld een einde genomen heeft.
Art. 1864.
Indien de tegenwoordige bezitter bewijst, dat hij ook gudtijds het bezit gehad heeft, wordt hij veronderfteld
hetzelve gedurende den tijd, die tusfchen beiden verloopen
is, mede gehad te heben, behoudens het bewijs van het te- gendeel. Art. 1865.
Om den tot prefcriptie vereischte tijd te vervullen, kan men bij zijn eigen bezit dat van den vorigen bezitter, van wien men de zaak verkregen heeft, voegen, hoedanig mert ook aan denzelven, het zij bij algemeenen titel of bijzonde= ren„ het zij bij onereufen of bij lucrativen titel, is gefuc- cedeerd. zee
DERDE HOOFDSTUK.
VAN DE OORZAKEN DIE DE PRESCRIPTIË VERHINDEREN.
Art. 1866. Degenen, die voor of in naam van een’ ander’ bezitten, kunnen nimmer den eigendom bij prefcriptie verkrijgen, dôor welk tijdsverloop zulks ook zoude mogen wezen. Dus kunnen een huurder, bewaarnemer, vruchtgebruiker, en


