Druckschrift 
Het Boek der Psalmen : nevens de gezangen, bij de Hervormde Kerk van Nederland in Gebruik : door last van de hoog mogende Heeren Staten Gerneraal der vereenigde Nederlanden ; uit drie berijmingen, in het Jaar 1773 gekozen, met de noodige daarin gemaakte veranderingen ; ingerigt overeenkomstig de thans meest gebruikelijke Taal en Spelling / bij de Nederlandsche Bijbel-Compagnie
Entstehung
Einzelbild herunterladen

AVAVA

AVIVAVAVAVAVAUVAV

VOINNINA

26

FORMULIER VAN DEN H. DOOP.

FORMULIER,

om den heiligen Doop te be­dienen aan de kleine kin­deren der geloovigen.

De hoofdsom van de leer des heiligen Doops is in deze drie stukken begrepen:

Eerstelijk, dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren, en daarom kinde­ren des toorns zijn, zoodat wij in het rijk van God niet mogen komen, tenzij wij van nieuwsge­boren worden. Dit leert ons de ondergang en besprenging met het water, waardoor ons de on­

reinheid onzer zielen wordt aan­gewezen, opdat wij vermaand worden, een mishagen aan ons zelven te hebben, ons voor God te verootmoedigen, en onze rei­nigmaking en zaligheid buiten ons zelven te zoeken.

Ten tweede betuigt en verze­gelt ons de heilige Doop de af­wassching der zonden door Je­zus Christus. Daarom worden * wij gedoopt in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en ver­zegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade oprigt, ons tot zij­ne kinderen en erfgenamen aan­neemt, en daarom van alle goed verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of te onzen beste keeren wil. En als wij in den naam des Zoons gedoopt wor­den, zoo verzegelt ons de Zoon, dat hij ons wascht in zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap zijns doods en zij­ner wederopstanding inlijvende, alzoo dat wij van al onze zon­den bevrijd, en regtvaardig voor God gerekend worden. Desge­lijks als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Gees­tes, zoo verzekert ons de Hei­

lige Geest door dit heilig Sacra­ment, dat hij bij ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zonden, en de dagelijksche ver­nieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeu­wige leven onbevlekt zullen ge­steld worden.

Ten derde. Overmits in alle verbonden twee deelen begrepen zijn, zoo worden wij ook weder van God door den Doop ver­maand en verpligt tot eene nieu­we gehoorzaamheid, namelijk, dat wij dezen eenigen God, Va­der, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en lief­hebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden, en in een nieuw godzalig leven wandelen. En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfe­len, noch in de zonde blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ongetwijfelde getui­genis is, dat wij een eeuwig verbond der genade met God

hebben.

En hoewel onze jonge kinderen deze dingen niet verstaan, zoo mag men dezelve nogtans daar­om van den Doop niet uitslui­ten, aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzoo ook weder in Christus tot gena­de aangenomen worden, gelijk God spreekt tot Abraham, den Vader van alle geloovigen, en overzulks mede tot ons en onze kinderen: Gen. XVII; 7, zeg­gende: Ik zal mijn verbond oprigten tusschen Mij en tus­schen u, en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond om voor u te zijn tot eenen God, en voor uw zaad na u.

Dit