130
gebogen, En' t eind der aard' erkenn' uw heerschappij!
5. ,, Uw ijzren staf, die al hun magt verplet,
,, eerlang eerbiedig' onderzaten,
,, te buigen voor
E
,, als pottebakkers va- ten!"
PSALM 2.
uw wet;
der wijsheid hooren, Eer gij God zelv' en zijn'
7. Welzalig zij, die,
Hem
Gezalfde hoont: 0 Regters, tot den stoel der eer
wen;
gekoren! Verdraagt zijn tucht, die u zijn liefde toont. 6. Vreest' S HEEREN magt, en dient zijn majesteit; Juicht, bevend op' t gezigt van zijn vermogen, T kust den Zoon, van ouds u
Heer 1
hun
VIV
En noodzaak' hen
gezeid, Eer u zijn
toorn verdelg' voor aller 00- gen; U op uw' weg tot stof doe wederkeeren, Wanneer zijn wraak, getergd
Maak' hen
Of sla z' aan gruis,
door uw gedrag, U, onverhoeds zou door haar'
heil,
0 Vorsten! wilt de wet
gloed verteren, Tot staving van zijn lang gehoond gezag.
naar
9
En
zijn reine leer,
Die Zions Vorst erkennen
In
hun hoogst geluk beschou
voor hunn'
Welzalig zij, die vast op Hem betrou- wen!
PSALM


