2
。 Als in' t
Hij,
L
die
Zal niet
PSALM 1, 2.
gerigt door God wordt wraak genomen:
4. De HEER toch slaat der menschen wegen gå, En wendt
We
van deugd en godsvrucht is ontaard,
alom het oog van zijn genâ Op zulken, die, opregt en
bestaan, daar' t vrome volk vergaart.
rein van zeden, Met vasten gang het pad der deugd EES
betreden; God kent hunn' weg, die eeuwig zal be
staan, Maar' t heilloos spoor der boozen zal vergaan.
staan.
PSALM 2.
at drift beheerscht het woedend heidendom, En
heeft het hart der volken ingenomen? De koningen
,, breken,
verheffen zich alom; De vorsten zijn vermetel zaâm
geko- men, Om God den HEER, zelfs naar de
kroon te steken, En tegen zijn' Gezalfden op te
Zij spreken zaâm: ,, Laat ons hun banden
En van hun juk en touwen ons ontslaan!"
2. Maar d' Opperheer, die zijn' geduchten stoel Op starren sticht, en grondvest op de wolken, Zal lagchen
met


