et en, Ones 1E inte
plaatse
d het gu. leten za: merkefij
anbetalig r fchuld,
Cehuldeis:
ertcher he en wit der
Luit kracht:
den fchul pand voot ‚en mits axecutie
rend goed 0m, bij j het paid f:, is het harfeiiken de che
'
gehoorde
jl fee jar verze grwaatde,
gehel,
C 295 3
of op eenige ândere wijze, eigenaar van het verpande goed wordt; 3
83°. Wanneer de hoofdfchuld door betaling, ovatie, compenfatie, kwijdchelding of fchuldvermenging, of
“op eenige‘andere wijze; gekweten is;
40,“Wanneer wel de hoofdfchuld- blijft beftaan, maar het _ pandrêgt vernietigd wordt het Zij omdat het verpande goed geheel vergaat„het zij‘oindat de fchuldeifcher het pand ontflaat, of uirdrukkélijk, door‘daärvan met name afftand te doen, of ftilzwijgende, door het ver- pande goed aan den’fchulderaar, behoudens zijn pers foneel regt van vordering, terug te geven, of door in de vervreemding van het verpande goed door den fchul. denaar‘uitdrukkelijk’ toe te ftemmen,’ zónder Zich de gevolgen vangzijn pandregt voorste behouden;r-
5°, Wanmeer-het zegt van onvolkomen? of tijdelijken eigen- dom of genot, het welk de pandgever aan het verpan- _de goed had, heeft opgehouden en ten einde gelgo=
22° Door‘hêt verloop van defi‘tijd’,-tot welken zich de so verpandinge bij de overeenkomst-bepaälde”;- en
10, Wannêer een derde bezitter den eigendom van het ver- pande goed door verjaring verkregén heeft,: ee d Art. 1823. î
+“Het pindregt óp écte‘der voorgemielde wijzen‘ontbonden zijnde, heeft de fehuldenaar eene actie tegen den fchuldeifcher, tör teruggave van het verpande goed ,' tevens met dé vruchten en’aarnkomtterr van hetzelvé jen tot vergoeding van alle£chade, die doors des féhuldeifchers toedoen aan het goed: ís--overge- komen, id, “Wederkeerig heêft de fchuldeitcher’ tegen den fchuldenaar eene atië tot vergoeding vârnt noodzakelijke kosten, door hem tot inftandhouding van het goed itgefchöten, ef tot vergoeding van de fchade, die„ter gelegenheid van de verpanding, door des fchuldenaârs- kwade trouw‘of nalatighieid bij deg fchuld-
eifcher geleden zoude mogen zijde Ste
‚ Art, 1825:
Een fchuldeifcher, die niet alleenoeêne hypothecaire{clfuld mar ook bovendien nog eene Fiennes> zonder iens
EBDE EERE NN mie vb


