iviviviviviviviviviVAVINAVINNS
KANVIVIVA
CHRISTELIJKE GEBEDEN.
20
belijden voor U, gelijk de waarheid is, dat wij niet waardig zijn onze oogen op te slaan ten hemel, en ons gebed voor U te brengen, indien Gij aanzien wilt onze verdiensten en waardigheid; want onze gewetens beschuldigen ons, en onze zonden geven getuigenissen tegen ons. Wij weten ook, dat Gij regtvaardig Regter zijt, straffende de zonden dergenen, die uwe geboden overtreden. Maar, o Heer! naardien Gij ons bevolen hebt, U in allen nood aan te roepen, en uit uwe onuitsprekelijke barmhartigheid beloofd hebt onze gebeden te verhooren, niet van wege onze verdiensten die geene zijn, maar om de verdiensten van onzen Heer Jezus Christus, dien gij ons tot een' Middelaar en Voorspreker voorgesteld hebt; zoo verzaken wij alle andere hulp, en hebben onze toevlugt alleen tot uwe barmhartigheid.
ook, o Heer! bij die kastijdin gen, die Gij ons dagelijks zij toeschikkende, dat Gij u te regt over ons vertoornt. Want aangezien dat Gij regtvaardig zijt, zoo straft Gij niemand zonder oorzaak; en wij zien ook nog uwe hand verheven, om ons nog meer te straffen. Maar al ware het, dat Gij ons nog veel harder straftet, dan Gij tot nog toe gedaan hebt, ja al vielen al de plagen over ons, waarmede Gij de zonden van uw volk Is raël bezocht hebt, zoo zouden wij nogtans moeten bekennen, dat Gij ons geen onregt doen zoudt.
een
Maar, o Heer! Gij zijt onze God, en wij zijn maar aarde en stof; Gij zijt onze Schepper, en wij zijn het werk uwer handen Gij zijt onze Herder, en wij zijn uwe schapen; Gij zijt onze Verlosser, en wij zijn het, die g verlost hebt; Gij zijt onze Va der, en wij zijn uwe kinderen en erfgenamen. Daarom, straf
Eerstelijk, o Heer! benevens ons toch niet in uwen toorn, de ontelbare weldaden, die Gij maar kastijd ons genadiglijk. En in het gemeen aan alle menschen onderhoud veel meer het werk, op aarde bewijst, hebt Gij ons dat Gij in ons door uwe barminzonderheid zoo vele genade hartigheid begonnen hebt, opdat gedaan dat het ons onmogelijk de gansche wereld wete en be is, die te bedenken of uit te kenne, dat Gij onze God en Za spreken namelijk, dat gij ons ligmaker zijt. Uw volk Israel verlost hebt uit de jammerlijke heeft U zoo menigmaal ver dienst des duivels en alle afgo- toornd, en Gij hebt hen te reg derij, waarin wij gevangen la- gestraft, maar zoo dikwijls zu gen, en hebt ons gevoerd tot het bich wederom tot U bekeerden, licht uwer waarheid, en tot de hebt Gij hen altijd in genade aankennis van uw heilig Euange- genomen. En hoe zwaar ook lium. hunne zonden en misdaden wadoor onze ondankbaarheid deze ren, zoo hebt Gij nogtans die uwe weldaden vergeten, wij plagen, welke hun toebereid wa zijn van U afgeweken, en heb- ren, afgewend van wege het ver ben onze eigene begeerlijkheden bond, hetwelk Gij gemaakt hebt gevolgd, U niet eerende, ge- met uwe dienaren, Abraham, lijk wij schuldig waren. Daarom Izak en Jakob, en hebt alzoo hebben wij gruwelijk gezondigd, het gebed uws' volks nooit van o Heer! en U grootelijks ver- U verstooten. Nu hebben w toornd, dat wij, zoo Gij met ons door uwe genade even dat zelf wildet handelen, naar dat wij de verbond, hetwelk gij in de verdiend hebben, niet anders hand van Jezus Christus onzen zouden hebben te verwachten, Middelaar tusschen U en alle dan den eeuwigen dood en de geloovigen hebt opgerigt: ja Ja wij merken het is nu zoo veel heerlijker en
Verdoemenis.
hiach


