Timms— nn é= DE. E rear Ee DE ot Pe u vn Te) Verz ER add am Rh | VERTAALD NAAR DE OFFICIELE UITGAVE. TE AMSTERDAM, BIJ JOHANNES ALLART. MPDCCC XX. / iNEB DINE WAN DE AFKONpIGE; DE UITWERKSELEN, EN mi Ì HOEPASSING DER WETTEN IN HET ALGEMEEN, -Wastgefteld den 5den van Lentemaand 1803,#8 afgekondigd den 15den van dezelfde maand. Art. fe De wetten. hebben hare werking over het geheele gtonds gebied van Frankrijk, uit krachte der afkondiging van dezel. ven„ door den Keizer gedaan. Zi werken in ieder gedeelte van het Keizerrijk, zoo dra derzelver afkondiging aldaar bekend kan zijn. De afkondiging, door den Keizer gedaan, zal gehouden worden bekend te zijn, in het Departement, in het welk de Keizer zijne refidentie houdt, een dag na die der afkondie ging, en in ieder der overige Departementen na verloop van het zelfde tijdvak, met bijvoeging van zoo vele dagen, als er tien mijriamêtres(omtrent twintig oude mijlen) zijn tusfchen de plaats, waar de afkondiging gedaan is,en de hoofdplaats van ieder Departement, Art. a. De wet verbindt alleen voor het toekomende; zij heeft geene terugwerkende kracht, , Art. 3. j De wetten van politie en algemeene, veiligheid verbinden allen, die hun verblijf op het grondgebied houden. Onroerende* goederen, zelfs die, Waar van vreemdelingeft bezitters zijn, zijn onderworpen aan de Franfche wetten. De wetten, betreffende den ffaat en de bevoegdheid van A per en td z L Boek, L. Titél, I. Hoofdftuke perfonen, zijn betrekkelijk op alle Franfchen, ook wanneer zij zich buiten’s lands bevinden. Art. 4» De regter, die weigert regt te{preken, onder voorwendfel dat de wet zwijgt, duister of onvolledig ís, zal kunnen aan- geklaagd worden als fchuldig aan regtsweigering. Art. 5. Geen regter vermag bij wege van algemeene dispofitie en reglement regt te fpreken in zaken, die aan zijne beflisfing onderworpen zijn. Art. 6. Men kan, door bizondere bedingen, niet krachteloos maken de wetten„ die op de publieke orde of goede zeden betreke king hebben. BEE Mees BD CN RN VAN PERSONEN. [Wastgefteld den Sften van Lentemaand 1803, en afgekondigd den 18den van dezelfde maand. EER STE Role VAN HET GENOT EN VERLIES DER BURGERLIJKE REGTEN.e EERSTE HOOFDSTUK. Van het genot der burgerlijke regten. Art. 7e De uitoefening der burgerlijke regten hangt niet af van ds betrekking als burger, welke niet dan ingevolge de conflitu- tionele wetten verkregen en behouden wordt. Ë Art. 8. Elk Franschman heeft het genot der burgerlijke regten. zt ate ler GD Een iegelijk, die in Frankrijk uit vreemdelingen geboren is, kan, in het jaar na zijne meerderjarigheid, zijne betrek- king als Pranschman inroepen, mits hij, in Frankrijk wo- gende, zijn voornemen om aldaar zijne woonftede te vesti- gens genot der burgerlijke resten, 4 gen, Verklare; en mits hij, in een vreemd land wonende, zich verbinde om zijne woonftede in Frankrijk te vestigen, en dezelve ook binnen’s jaars, te rekenen na die zijne acte van verbindtenis, aldaar met de daad overbrenge. Arta IO. Elk kind, in een vreemd land uit een Franfche geboten; is Fransch.* Elk kind ín een vreemd land uit een Franfche geboren, die zijne betrekking als zoodanig verloren heeft, kan dezê betrekking altijd te rug bekomen, indien hij aan de voor- fchriftens bij Art. 9 vastgefteld, voldoet. Att SET. Een vreemdeling zal in Frankrijk dezelfde burgerlijke reg- ten genieten, welke voegeltaan zijn of zullen worden aart Franfchen, door de tractaten der natie, waar toe die vreeme deling behoort. Art. 19, Eene vreemde vrouw, met een Franschman getrouwd zijnde, volgt de betrekking van haren man, Att. 13, Een vreemdeling, aan wien bij autorifatie van den Keis zer is toegeltaan om zijne woonplaats in Frankrijk te vestie gen, zal het genot hebben van alle burgerlijke regten, zoo lang hij zijne woonftede aldaar blijft houden. Art. 14. Een vreemdeling, fchoon niet in Frankrijk wonende, kan voor de Franfche regtbanken gedagvaard worden, tot de vervulling van verbindtenisfen, door hem in Frankrijk met een Franschman aangegaan. Hij kan ook voor de Franfche regtbanken aangefproken worden wegens verbindtenisfen, doof hem in een vreemd land met een Franschman aangegaan. Da Een Franschman kan voor eene Franfche tegtbank becroks ken worden wegens verbindtenisfen, door hem in een Vreemd land, zelfs met een vreemdeling, aangegaan. Art. 16, In alle gevallen, uitgezonderd die tot den koophandel be. trekking hebben, zal de vreemdeling, welke eifcher is, ge« houden zijn borg te ftellen voor de“betaling der kosten; fchaden en interesfen ‚ door het proces te veroorzaken, tert ware hij in Frankrijk vaste goederen bezit, welke van eeng voldoende waarde zijn om die betaling te verzekeren. Ag DE and wgn 4 L. Boek, 1. Titel, II, Hoofdftuk. TWEEDE HOOFDSTUK Wan het verlies der burgerlijke regten. EERSTE AFDEELING. Ld Van het verlies der burgerlijke regten door het gemis van de betrekking als Franschman. Art. 17, De betrekking als Franschman wordt verloren: 19. Door naturalifatie in een vreemd land verkregen 3 9°, Door het aannemen van openbare bedieningen, aan hem door een vreemd Gouvernement opgedragen„ zonder tot die aanneming door den Keizer geautoris feerd te zijn3 en eindelijk g°, Door zijne woonplaats te vestigen in een vreemd land, zonder voornemen om te rug te keeren. Het oprigten van kantoren van koophandel, elders gee daan, kan nimmer worden aangemerkt gefchied te zijn zon- der voornemen om te rug te keeren. Art. 18. Een Franschman, zijne betrekking als Franschman verlo- zen hebbende, kan die altijd weder bekomen, door in Frankrijk, op autorifatie van den Keizer, te rug te keeren, en te verklaren, dat hij aldaar zijne vaste woonplaats wil houden, en dat hij afftand doet van alle onderfcheidingen van ftand, welke tegen de Franfche wetten ftrijden. Art. 19. Fene Franfche vrouw, in het huwelijk tredende met een vreemdeling, zal den{taat van haren man volgen. Zoo zij weduwe: wordt, bekomt zij de betrekking als Franfche te rug, mits zij haar vast verblijf in Frankrijk hous de, of dat zij aldaar te rug keere na verkregene autorifatie wan den Keizer„en verklare, dat zij aldaar hare vaste woon- plaats houden wil, Art. 20. Zij, die de betrekking als Franschman hebben te rug bekos men, in de gevallen bij Art. zo, 18 en 19 bepaald, kun- pen dezelve niet laten gelden, dan na alvorens voldaan te hebben aan de voorwaarden, welke hun bij die Artikelen zijn opgelegd, en alleenlijk tot de uitoefening der resten„ na dien tijd, ten hunnen voordeele verkregen. Ait. ar, Van het verlies der burgerlijke regten. 3 Art. ar. Een Franschman, welke zonder autorifatie van den Keizer in vreemden militairen dienst is gegaan, of lid is geworden van een vreemd militair genootfchap, verliest zijne betrek- king als Franschman. Hij kan in Frankrijk niet te rug keeren dan met toeftem- ming van den Keizer, noch de betrekking als Franschman te rug bekomen, dan mits vervullende de voorwaarden, aan een vreemdeling opgelegd om Franschman te“worden 3 alles onverminderd de ftraffen, bij de lijfftraffelijke wetten vastge- fteld tegen de Franfchen, die de wapenen tegen hun vader- land gedragen hebben of dragen zulle ZPEEDE AFDEELING. Wan het verlies der burgerlijke regten als een gevolg van regterlijke veroordeelingen, Art. ag. De veroordeelingen tot ftraffen, waar van het gevolg is; dat de veroordeelde van het genot van alle burgerlijke. reg- ten, hier na bepaald, verftoken worde, zullen de burgerlijke dood veroorzaken, Art. 23. De veroordeeling tot den” natuurlijken dood veroorzaakt den burgerlijken dood, Art. 24, Andere voortdurende lijfftraffen zullen niet verder den bure gerlijken dood veroorzaken, dan voor zoo verre de wet daar aan die uitwerking zoude mogen hechten. Art. o5. Door den burgerlijken dood verliest de veroordeelde den eigendom van alle goederen, die hij bezat; zijne nalzcenfchap flaat open ten voordeele zijner erfgenamen, op welke zijne goederen alsdan op dezelfde wijze vervallen» âls of hij na- tuurlijk en zonder testament gefterven wase ‚Hij kan geene nalatenfchap meer aanvaarden, noch c'nder dien titel de goederen, door hem bij vervolg te verkrijgen, overdragen. Hij kan noch over zijne goederen befchikken, geheel of gedeeltelijk, het zij bij gifte onder de levenden, het zij bij testament, noch ook onder dien titel iets ontvangen, ten zij alleen tot noodzakelijk onderhoud. A Hi Hij kan niet benoemd worden tot voogd, noch de werk- zaamheden, tot eene woogdijfchap betrekking hebbende, mede helpen verrigten. Hij kan bij geene folemnele of autentieke acte getuige zijn„ noch toegelaten worden om in regten getuigenis te geven. E Hij kan in regten niet verfchijnen, noch als verweerders noch als eifcher, dan op den naam en onder het beftier, van eenen bijzondéren curator, daar toe te benoemen door de testbank, voor welke de zaak gebragt is. Hij is onbevoeed een huwelijk aan te gaan, het welk eenig burgerlijk gevolg heeft. Het huwelijk, door hem te voren aangegaan, wordt ont= bonden, voor zoo verre alle burgerlijke gevolgen betreft. Zijne echtgenoote en zijne erfgenamen kunnen, elk voor zoo veel hun aangaat, alle die regten en daden uitoefenen, waar toe hun zijn natuurlijke dood geregtigd maken zoude . Art. 06. De veroordeelingen, na gedane tegenfpraak uitgebragt, weroorzaken den burgerlijken dood niet eerder dan te rekenen van den dag harer executie, het zij die in de daad, het zij flechts in fchijn(in efigie) heeft plaats gehad. Art. 27. De veroordeelingen, bij contumacie uitgebragt, veroorzaken den burgerlijken dood niet eerder dan na verloop van vijf Ì ren, volgende op het vonnis, het welk in fchijn(in efrgie) ter executie gelegd is, en gedurende welken tijd de veroor- deelde zich kan komen verdedigen. Art. 28. De veroordeelden bij contumacie zullen, gedurende die vij jaren„ of tot dat zij zich komen verdedigen, of tot dat zij inmiddels in hechtenis geraken mogten, van de uitoefening der burgerlijke regten verftoken zijn. „Hunne goederen zullen worden beftuurd, en hunne regten uitgeoefend op gelijke wijze, als die van afwezenden. d Art. 29. Wanneer de veroordeelde bij contumacie, binnen de vijf jaren, te rekenen wan den dag der executie, zich vrijwillig komt verdedigen, of dat hij inmiddels gevat€En in hechtenis gebragt zal zijn, zal het vonnis van zelf ver= gietigd zijn; de befchuldigde zal in het bezit zijner goe= deren herfteld, en op nieuw gevonnisd worden: en zoo hij bij dit nieuwe vonnis tot dezelfde ftraffe verwezen wordt, of tot eene andere ftraffe, even zeer den burgerlijken dood ver- oor- Van het verlies der burgerlijke reeten. 7 £ernj 8/ oorzakende, zal dezelve geene plaats hebben, dan van den dag der executie van het tweede vonnis, Art. go, Wanneer de veroordeelde bij contumacie, die eerst na vere loop der vijf jaren zich heeft komen verdedigen, of in hech. tenis geraakt is, door het nieuwe vonnis wordt vrijgefproken„ of tot eene ftraffe veroordeeld, die den burgerlijken dood niet medebrengt, zal hij zijne burgerlijke regten ten vollen te rug bekomen, en zulks voor het toekomende, en te rekenen van den dag, dat hij in regten verfchenen is; doch het eerfte vonnis zal, ten opzigte van het voorledene, de gevolgen behouden, welke de burgerlijke dood in het verloopen tus- fchenvak, zedert het tiijdftip dat de vijf jaren geëindigd wax ren, tot den dag dac hij in regten verfchenen is, veroore zaakt had, Art. sr, Wanneer de veroordeelde bij contumacie fterft binnen den door de wet gunftiglijk toegeftanen tijd van vijf jaren, zonder zich te hebben komen verdedigen, of zonder gevat of gearresteerd te zijn, zal hij geacht worden in het volle genot zijner regten geftorven te zijn. Het vonnis bij contu- macie zal van zelve naar regten vernietigd zijns onvermin= derd nogtans de civiele actie, welke tegen de erfgenamen van den veroordeelden niet dan naar de civiele wijze van regten kan vervolgd worden. Art, 32. In geen geval zal de verjaring der ftraffe den veroordeel- den in zijne burgerlijke regten, voor het toekomende, kunnen herftellen. Art. 33. De goederen, door den veroordeelden verkregen, zedert dat hij tot den burgerlijken dood vervallen is, en in welker bezit hij op den dag van zijnen natuurlijken dood bevonden wordt, zullen behooren aan den Staat, volgens het regt van onterving of verval. Niettemin zal het aan den Keizer vrijftaza om, ten voor- deele van de weduwe, kinderen„ of ouders van den veroor- deelden, daar over zoodanige befchikkingen te maken, als waar toe de menfchelijkheid hem bewegen zal. geeen vene__ En ennnag Pi à& Boek, HI. Titef,£, Hoofdftuks EW Er De Eeke Dale TEE 1 VAN ACTEN VAN DEN BURGERLIJKEN STANDs [Wastgefteld den riden van Lentemaand 1803. dAfgekondigd den orften van dezelfde maand] EERSTE-HOOFDSEDU Ke Algemeene bepalingen. Art. 34. Pe acten van den buirgeiniken ftand zullen inhouden het jaar, den dag, en het uur, wanneer zij ontvangen zijn, de voornamen, de namen, het sjaar, het beroep en de woons plaats van hun, die daar in benoemd worden. Art. 35. De ambtenaars van den burgerlijken ftand zullen in de acten, welke zij ontvangen, niets mogen invaegen, het zij bij aanteekening, het zij door eenige inlasfching, hoegenaamd, buiten het geen door de comparanten daar bij moet verklaard worden. ze Art. 36. In gevalle de belanghebbende partijen niet verpligt zijn in perfoon te compareren, zullen zij zich kunnen laten verte- genwoordigen door eenen en» bij eene bijzondere en autentieke procuratie daar toe benoemd. ot dro AAlEe 97 De getuigen„van welken men bij de acten van den burger« lijken{tand gebruik maakt, 1 en zijn mansperfonen, ten minften een en twintig jaren bereikt hebbende, het zij bloed verwanten of anderen, en zullen daar toe door de belang. hebbende perfonen zelven gekozen worden, Art. 38. De ambtenaar van den burgerlijken ftand zal aan de com-= parerende parten, of aan hunnen gemagtigden, en aan de getuigen, de acten voorlezen. “ Hij zal van het in geht nemen dezer formaliteit in de acte melding maken, : Art. 39. Deze acten zullen geteekend worden door den ambtenaar wanden burgerlijken ftand, door de comparanten, en door de getuigen; of men zal melding maken van de oorzaak, welke de comparanten en getuigen wederhield te teekenen, Art. 4e. menen ee en _m Van acten van den burgerlijken franà, 8 Ärt. 40. De acten van den burgerlijken(tand zullen in elke ge= meente, in een of meer registers, waarvan dubbelde moeten gehouden worden, worden ingefchreven. Arts ár. De registers zullen door den Prefident der regtbank van de eer{te inftantie, of door den Regrer die zijne plaats be- kleedt, op de eerfte en laatfte bladzijde geteekend, en door- gaande op elke bladzijde geparapheerd worden. Art. 42. De acten zullen in de registers gefchreven worden achter elkanderen, zonder eenig wit vak vustchen beiden open te laten, Het uitgefchrapte, of op de kant geftelde, zal goed» gekeurd en gereekend worden, op. gelijke manier als de acte zelve, Er zal in de acte niets bij verkorting gefchreven„ noch eenige dagteekening met cijfer gefteld mogen worden, Art. 43. De registers zullen door den ambtenaar van den burger- lijken(tand op het einde van ieder jaar gefloten en gearre= fteerd worden; en maandelijks zal een der dubbelde affchrif- ten bij de archieven van elke gemeente, en het andere ter grife der regtbank van de eerfte inftantie avergebragt en bea waard worden. Art. 44, De volmagten en andere ftukken, die aan de acten van den burgerlijken(tand vastgehecht moeten blijven, zullen, na alvorens door den perfoon die dezelve vertoond heeft, en door den ambtenaar van den burgerlijken(tand geparapheerd te zijn, ter grife van de regtbank, tevens met het dubbel- de der registers, overgebragt, en in dezelve griffie bewaard moeten worden, LT LE Een ieder kan zich door de bewaarders der registers van den burgerlijken ftand extracten uit die registers doen geven. De extracten, overeenkomtftig de registers uitgegeven, en door den Prefident der regtbank van de eeríte inftantie, of door den Regter, die zijne plaats bekleedt, gelegalifeerd, zul len geloofd worden, tot dat de valschheid daar van geregte- lijk beweerd wordt. Art. 46. Wanneer er geene registers beftaan hebben, of dezelve ver- loren geraakt zijn, zal het bewijs daar van, zoo wel door gefchriften, als door getuigen, aangenomen worden. In zulk ten geval Zullen de huwelijken, geboorten en fterfgevallen Se Vd Pe) A 5 be- 10 Ï. Boek, II. Titel, J. Hoofdfluk. bewezen kunnen worden, zoo wel door de registers en pa- pieren, van overleden vaders en moeders herkomftig, als door getuigen. Art. 47. Elke acte van den burgerlijken ftand, zoo van Franfchen, als van vreemdelingen, in een vreemd land gemaakt, zal tot bewijs ftrekken, zoo dezelve naar den vorm, in dat land daar toe gebruikelijk, ingerigt is. Art. 48. Elke acte van den Franfchen burgerlijken fland zal in een vreemd land van waarde zijn, zoo dezelve, ingevolge de Franfche wetten, door de diplomatieke Agenten of door de Confuls, aldaar is aangenomen. Art. 49e In alle gevallen, wanneer op den rand van eene andere reeds ingefchrevene acte, melding van eene acte betrekkelijk den ftand van burger, gemaakt moet worden, zal zulks ge- Schieden, ten verzoeke der belanghebbende partijen, door den Ambtenaar van den burgerlijken ftand, in de loopende registers, of op die, welke in de archieven van de gemeente ter bewaring overgebragt zijn, als mede door den Griffier der regtbank van de eerfte inftantie in de ter griffie bewaard wordende registers.—- Ten welken einde de ambtenaar van den burgerlijken ftand, binnen drie dagen, aan den Pro- cureur des Keizers van gezegde regtbank daar van zal ken- nis geven, welke zorgen zal, dat deze vermelding, op eene en dezelfde manier, in de beide registers. gedaan worde. Art. 50. Elke overtreding van de voorgaande Artikelen, door de daarbij vermelde ambtenaren gepleegd, zal voor de regtbank van de eerfte inftantie vervolgd, en geftraft worden met eene geldboete, die echter geene honderd francs mag te boe ven gaan. Art. ZT. Een ieder, aan wien de bewaring der registers is toever- trouwd, zal civiliter verantwoordelijk zijn voor de daar in ge- maakte veranderingen, behoudens zijn verhaal, zoo daar toe grond is, tegen de genen, die deze veranderingen gemaakt hebben. Art. 32. Elke verandering„elke wervalfching in de acten van den ftand als burger, elke infchrijving van acten op een los blad, en anders dan in de daar toe beftemde registers ge= daan, zullen, aan partijen regt geven tot het eifchen van fcha- am as Van acten van den burgerlijken Pand. Ir Schadevergoeding, onverminderd de ftraffen, bij het Lijfftraf. felijk Wetboek bepaald. Art. 53. De Procureur des Keizers bij de fegtbank van de eerfte inftantie zal gehouden zijn den ftaat der registers te veri= fieeren, wanneer dezelve ter griffie overgebragt worden, Hij zal een fummier proces verbaal maken wan die verifi- catie, de overtredingen of misdaden, door de ambtenaars van den burgerlijken ftand gepleegd, vervolgen, en tegen hen de veroordeeling tot de boeten vorderen, Art. 54. In alle gevallen, wanneer een regtbank van de eerfte in- flantie van acten betreffende den fland van burger kennis neemt, zullen de belanghebbende partijen zich tegen derzel ver vonnis bij oppofitie of hooger beroep mogen verzetten, AN ke HOOR S PHR Vdn acten van geboorte.„ Art. 55. De verklaringen van geboorte zullen, binnen drie dagen na de verlosfing, aan den plaatfelijken ambtenaar van den bur» gerlijken ftand gedaan worden: het kind zal hem worden ver- toond. Art. 56. De geboorte van het kind zal verklaard worden door den vader, of bij ontbreken van den vader, door de geneeshee- ren of heelmeesters, de vroedvrouwen, de ambtenaren van gezondheid, of andere perfonen, die bij de bevalling zija tegenwoordig geweest. En wanneer de moeder buiten hare woonplaats bevallen is, door den geen, bij wien zij ver- lost is.: De acte van geboorte zal terftond in tegenwoordigheid van twee getuigen worden opgemaakt. Art. 57. De acte van geboorte zal inhouden den dag, het uur en de plaats der geboorte, het geflacht van het kind, en de voornamen, die aan hetzelve zullen gegeven worden,— De voornamen, de namen, het beroep en de woonplaats van vader en moeder, en die der getuigen. Art. 58. Al wie een jonggeboren kind vindt, is gehouden het zelve te nr ee rt Z. Boek, IL Titel, IL, Hoofdfluk. te brengen bij den ambtenaar van den burgerlijken ftand, ges lijk ook de kleederen en andere goederen bij het kind gee vonden, en te verklaren alle omftandighedem van tijd en plaats, wanneer en waar hetzelve gevonden is. Er zal een omftandig proces verbaal van worden opge maakt, het welk buitendien bevatten zal- den waarfchijnlijken ouderdom van het kind, zijn geflacht, de namen, die aan het zelve zullen gegeven worden, de burgerlijke autoriteit„ aan welke het zal uitgeleverd worden: dit proces verbaal zal geregistreerd worden. Art. 50. Wanneer een kind op eene zeereize geboren wordt, moet de acte van geboorte binnen vier en twintig uren worden opgemaakt jn tegenwoordigheid van den vader, zoo hij op het fchip aanwezig is, en van twee getuigen, genomen uit de officiers wan het fchip, of blj ontbreken van dien, uit de fcheepsge- zellen, Deze acte zal in orde gebragt worden, op de Keí- zerlijke fchepen, door den officier, bij de Marine aangefteld, en opde fchepen, toebehoorende aan een kaper of koopman, door den kapitein, den fchipper of bevelkebber van het Schip. De acte van geboorte zal aan het einde van de {cheepsrolle worden ingefchreven. Art. 6o. In de eerfte haven, in welke het fchip zal intoopen, het zij om te ververfchen, het zij om eenige andere oorzaak, behalve die van ontwapening, zullen de officiers bij de Marine aangefteld, de kapiteins, fchippers of bevelhebbers wan het fchip gehouden zijn, twee authentieke affchriften der acten van geboorte, die zij opgemaakt hebben, ter bewan ring over te brengen; te weten: in eene Franfche haven, aan het bureau van den geen, die tot het houden der rol len van het zeevolk is aangefteld; en in eene vreemde has ven, in handen van den Conful. Een dezer affchriften zal blijven berusten aan-het bureau wan de fcheepsrollen, of aan de kanfelarij van het Confu= laat. Het andere affchrift zal gezonden worden aan den Minister der Marine, die eene kopie van elk dier acten, door hem gecertificeerd, zal zenden aan den ambtenaar van den burgerlijken ftand, ter woonplaats van den vader van het kind, of zoo de vader onbekend is, van deszelfs moeder; deze kopie zal dadelijk geregistreerd worden. Art. Óre Bij de aankomst van het fchip in de haven, in welke het moet ontwapend worden, zal de fcheepsrol overgebragt wor- den ES Gt en len PB CT WW en Van acten van geboorte, 13 den aan het bureau van den geen, die tot het houden der rollen van het zeevolk is aangefteld, welke eene kopie der acte van geboorte, door hem geteekend, zal zenden aan den ambtenaar van den burgerlijken fland, ter woonplaatfe van den vader van het kind, of zoo de vader onbekend is, van deszelfs moeder: deze kopie zal dadelijk geregistreerd wore den, Art@l6o. De acte, waar bij een kind erkend wordt, moet volgens des- zelfs dagteekening in de registers geplaatst worden; en op den kant van de acte van geboorte, zoo die aanwezig is, zal daar van melding worden gemaakt. DERPE HOOFDSTUK. Van huwelijks- acten. Art. 63. Voor het voltrekken van het huwelijk zal.de ambtenaar van den burgerlijken ftand twee afkondigingen doen, van acht tot acht dagen, en wel op eenen zondag, voor de deur van het huis der gemeente. Deze afkondigingen, en de acte, die daar van wordt opge- maakt, zullen bevatten de voornamen, de namen, het beroep en de woonplaats der aanltaande echtgenooten, hunne betrek» king van te zijn meerder- of minderjarig, gelijk ook voornamen, de namen, hunne vaders en moed de het beroep en de woonplaats van EIS.—— Deze acte zal buitendien bevatten de dagen, plaatfen en Uren, op welken de afkon- digingen zijn gefchied, en zal voorts ingefchreven worden in een bijzonder register, geteekend en geparapheerd, als bij Art. Ar is bepaald, en het welk, ten einde van elk jaar, ter be- Waring zal overgebragt worden ter griffie van‘de regtbank van het arrondisfement, Arn. 64. Een extract van de acte van afkondiging moet aan de deur van het huis der gemeente, gedurende de acht dagen, die tusfchen- de eerfte en tweede afkondiging verloopen, aange. plakt worden en aangeplakt blijven.— Het huwelijk zal niet kunnen voltrokken worden voor den derden dag daar. na, den dag der tweede afkondiging daar onder niet gere- kend, Art. 65, i4 de Boek’, IL. Titel, HIL, Hoofdfluk, Art. 65. Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen na den afloop der gedane afkondigingen, niet is voltrokken, zal het zelve niet voltrokken mogen worden ‚dan na dat alvorens wederom nieuwe afkondigingen, op de wijze hier voren be- paald, gedaan zijn. à Art. 66. De acten van oppofitie v® een huwelijk, gelijk ook de daar van te maken kopien, moeten door de oppofanten zel- ven, of door hunne bij eéne bijzondere en autentieke procu- ratie aangeftelde gemagtigden, geteekend worden; deze acten zullen, met bijvoeging van eene kopie der volmagt, aan dett perfoon, of ter woonplaatfe der partijen, gelijk ook aan den ambtenaar van den burgerlijken{tand ,die op de oorfpronge= lijke acte zijn vifz ftellen zal, geïnfinueerd worden, Art, 67. De ambtenaar van den burgerlijken ftand zal zonder uit- ftel in het register der afkondigingen eene fummiere melding maken van de gedane oppofitiëns hij zal ook, ter zijde van de geregistreerde oppofitiën, vermelden de vonnisfen of de acten van opheffing, die hem ter uitvaardiging zijn ter hand gefteld. Art. 68, In geval van oppofitie, zal de ambtenaar van den burger= lijken fland, het huwelijk niet eerder mogen voltrekken, dan na dat hem de ate van opheffing der oppofitie is ter hand gefteld, op eene boete van drie honderd francs, en vergoe- ding van alle veroorzaakte fchaden en interesfen. Art. 69. Zoo er geene oppofitie is, zal daar van in de huwelijks= acte worden melding gemaakt, en zoo de afkondigingen in meer dan ééne gemeente gedaan zijn, zullen partijen een cer- tificaat moeten vertoonen, afgegeven door den ambtenaar van den burgerlijken ftand van elke gemeente, ten bewijze dat er geene Oppofitie heeft plaats gehad. Art. 7o. De ambtenaar van den burgerlijken ftand zal zich doen ter hand flellen. de acte van geboorte van elk der aanftaande echtgenooten. Die gene der echtgenooten, welke in de onmos gelijkheid is, om dezelve te vertoonen, zal zulks kuunen aanr vullen door eene acte van bekendheid, afgegeven door den vrederegter van de plaats zijner geboorte, of van de plaats zijner inwoning. Arte 71e Van huwelijks-actens r5 Art, 71. Deze acte van bekendheid zal bevatten eene verklaring, gedaan door zeven getuigen van het mannelijk of vrouwelijk gellacht, bloedverwanten of geene bloedverwanten zijnde, en bevatten de voornamen, de namen> het beroep en de woon- plaats van den aanftaanden echtgenoot, gelijk ook van des. zelfs vader en moeder, zoo die bekend zijns de plaats, en zoo na mogelijk den tijd zijner geboorte, en de oorzaken, die beletten om eene acte daar van over te leggen,—- De getuigen, gelijk ook de vrederegter, zullen deze acte van bekendheid teekenen; en zoo er onder hen zijn„die niet fchrijs ven kunnen, zal daar van melding worden’ gemaakt, Art. 72. De acte van bekendheid zal worden ingeleverd bij de regt. bank van de eerfte inftantie. ter plaatfe alwaar het huwelijk moet voltrokken worden, Deze regtbank zal, na den Pro. cureur des Keizers daar over gehoord te hebben> hare goed- keuring deswegen geven of weigeren, naar mate zij de ver klaringen der getuigen, en de oorzaken» welke beletten eene acte van geboorte over te leggen, zal bevinden voldoende of onvoldoende te zijn, Art. 73. De authentieke acte van toeftemming van vader en moeder, grootvaders en grootmoeders, of bij ontbreken derzelven, van de familie, moet bevatten de voornamen, de namen, het be. roep en de woonplaats van den aanftaanden echtgenoot, en van elk hunner, die de acte mede hebben helpen oprigten, gelijk ook in welken graad van namaagfchap zij beftaan. AE 74. Het huwelijk zal voltrokken worden binnen de’ gemeen- te, alwaar een der beide echtgenooten woonachtig is.— Deze woonftede of domicilie zal, wat het huwelijk aan- gaat, geacht worden plaats te hebben door eene inwoning van zes achter eenvolgende maanden in dezelfde gemeente, Art. 75. Op den dag, daar toe door partijen na den afloop der afkondigingen bepaald, zal de ambtenaar van den burger- lijken(tand, op het huis der gemeente, in tegenwoordig- heid van vier getuigen, bloedverwanten, of, geene bloed. verwanten zijnde, aan partijen voorlezen de hier voren ver melde ftukken, betrekkelijk hunnen ftaat, en de plegtighe- den des huwelijks, gelijk ook het zesde Hoofdftuk van den Titel van het huwelijk ‚handelende over de regten en Pligten betrekkelijk echtgenoten. Hij xó L. Boek, 11. Tisel, III. Hoofdfluk. Hij zal van elk der partijen, de eene na de andere, de verklaring afnemen, dat zi elkander willen nemen tot man en vrouw. Voorts zal hijj,enamens de wet, uitfpraak doen, dat zij door het huwelijk vereenigd zijn, en daar van dadelijk eene acte opmaken. Art. 76. f De huwelijks-acte zal bevatten: 1°, De voornamen, de namen, het beroep, den ouder- dom, de geboorte en woonplaatfen der echtgenooten; a°. Of zij meerderjarig of minderjarig zijn 5 z°. De voornamen, de namen, het beroep en de woon plaatfen van de vaders en moeders, e De toeftemming van de vaders en moeders, groot- svaders en grootmoeders, en van de familie, in ge- valle dezelve vereischt worden; z°, De acten van eerbied, zoo die gemaakt zijn 3 6°, De afkondigingen op de onderfcheidene woonplaats fen; e, De oppofitiën, ZOO die hebben plaats gehad, derzel= ver opheffing, of de vermelding dat er geene oppo- fitie heeft plaats gehad; go De verklaring der contractanten om elkander tot echt- genooten te nemen, en de uitfpraak van hunne echts- vereeniging door den openbaren ambtenaar; 0°, De voornamen, de namen, den ouderdom, het be- roep en de woonplaats der getuigen, en hunne ver- klaring, of zij ouders of bloedverwanten van partijen zijn, en van welke zijde, en in welken graad zij hun beftaan. VIERDE HOOFDSTUK Van acten van overlijden. Ê Att. 77. À Geene begraving mag gefchieden zonder eene autorifatie vrij van zegel en zonder kosten, af te geven door den ambtenaar van den burgerljken(tand, die dezelve niet mag verleenen, dan na dat hij zich in perfoon bij het lijk bege ven heeft, om van het overlijden verzekerd te zijn, en dan nog eerst na verloop van vier en twintig uren na het overlijden; met uitzondering van de gevallen, waarin bij de reglementen van politie voorzien iS. en ee Van acten van overlijden,<7 Art. 78, De acte van overlijden zal opgemaakt worden door den &mbtenaar van den burgerliijjken tand, op de verklaring van twee getuigen. De getuigen zullen, zoo mogelijk, de twee naaste bloedverwanten of geburen zijn, of, zoo ie- mand buiten zijne woonplaats overleden is, de geen bij wien hij is geftorven, en een bloedverwant, of ander pere foon. Art. 79. De acte van overlijden zal bevatten de voornamen, den naam, den ouderdom, het beroep en de woonplaats van den geftorven perfoon; de voornamen en den naam van deszelfs echtgenoot, zoo de overlzdene gehuwd of in den weduwe lijken ftaat geftorven was: de voornamen, de namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der getuigen; en zoo het bloedverwanten zijn, derzelver graad van namaag. fchap. Deze acte zal ook bovendien bevatten, voor zoo verre men zulks kan te weten komen, de voornamen, de namen, het beroep en. de woonplaats van de vader en moeder vam den overledenen, en de plaats zijner geboorte. Art. So. In geval van overlijden in de militaire hospitalen, burgers lijke of andere publieke gebouwen, zijn de hoofden, direc. teurs adminiftrateurs en opzigters dier huizen, verplige daar van, binnen vier en twintig uren, kennis te geven aan den ambtenaar van den burgerlijken ftand, die zich dere waards zal vervoegen, ten einde van het overlijden zeker te Zin, en daar van eene acte zal uitbrengen, overeenkomftig het vorige Artikel, op de verklaringen aan hem gedaan, en op de berigten door hem ingewonnen. In de gemelde hospitalen en huizen zullen bovendien re- gisters gehouden worden, ten einde deze verklaringen en bee rigten daar in te registreren. De ambtenaar van den burgerlijken ftand zal de acte van overlijden zenden aan dien van de laatfte woonplaats wan den overledenen, die dezelve registreren zal. Art. 81. Wanneer er teekenen of aanwijzingen zijn van eenen ge« weldigen dood, of andere omftandigheden, die reden geven om zulks te vermoeden, zal de begraving niet mogen ge- fchieden, voor dat een ambtenaar der politie, met behulp van een geneesheer of heelmeester, een proces verbaal zal hebben opgemaakt vanden(taat van het liijk,en van de daar B toe 15 L. Boek, IL. Titel, IV. Hoofdftuk. toe betrekkelijke omftandigheden, gelijk ook wan de berigten, welken hij omtrent de voornamen, den naam, den ouder- dom, het beroep, de geboorte- eit woonplaats van den overs ledenen heeft kunnen bekomen, , Art. 82. De ambtenaar der politie is verpligt, om dadelijk aan den ambtenaar van den burgerlijken ftand, ter plaatfe alwaar de perfoon overleden is, toe te zenden alle berigten in-ziju proces verbaal vermeld, volgens welke de acte van het Overlijden zal worden opgemaakt. De ambtenaar van den burgerlijken fland zal dezelve. vers zenden aan dien van de woonplaats van den overledenen, zoo die bekend is: deze acte zal aldaar worden geregistreerd. It. 83. De griffiers der crimineele regtbanken zijn verpligt, om; binnen vier en twintig uren na de uitvoering der dondvonniss fen, aan den ambtenaar van den burgerliijjken ftand, ter plaatfe alwaar de veroordeelde geëxecuteerd is, toe te zen- den alle berigten, bij Aitikel 79 bepaald, wolgens welke de acte van het overlijden zal worden opgemaakt. Art. 84. In gevalle van overlijden in gevangenisfen, of tucht- en gevangenhuizen, zal daar van dadelijk door de opzigters dier huizen aan den ambtenaar. van den burgerlijken ftand wor- den kennis gegeven, die zich derwaards zal vervoegen„ zoo als in Artikel 8e bepaald is, et de acte van het overlijden zal opmaken, Art. 85. In alle gevallen van eenen geweldigen dood, het zij in de gevangenisfen en tuchthuizen, het zij door de uitoefening eener doodftraffe, zal van die omftandigheden in de registers geene melding worden gemaakt, en de acten van overlijden zullen eenvoudig ingerigt worden in den vorm, bij Artikel 79 bepaald. Art. 86, In geval van overlijden, gedurende eene reize ter zee, zal binnen vier en twintig uren, in tegenwoordigheid van twee getuigen, genomen uit de fcheeps-officieren, of, bij ont= breken van dien, uit het fcheeps-volk, eene acte daar van worden opgemaakt. Deze acte zal in orde gebragt worden op de Keizerliike fchepen, door den officier bij de Marine aangefteld, en op de fchepen, toebehoorende aan een Koop- man of kaper, door den kapitein, fchipper of bevelheb- ber Pan acten van overlijden. 19 Fi, ber van het fchip. De acte van het overlijden zal aan het vi inde van de fcheeps-rol ingefchreven worden. Art. 87. In de eerfte haven alwaar het fchip aankomt, het zij om EN te ververfchen, het zij om eenige andere oorzaak, buiten die br: van deszelfs ontwapening, zullen de ofliciers, bij de Marine| pl aangefteld, de kapiteins, fchippers of bevelhebbers van het mn fchip, die ‚de acten‘van het overlijden hebben opgemaakt, gehouden zijn daar van twee affchriften ter bewaring achter el te laten, overeenkomftig het 6ofte Artikel. pn Bij de aankomst van het fchip in de haven, alwaar het moet ontwapend worden, zal de fcheeps-rot blijven berus- ten bij het bureau van den geen, die tot het houden der ps rollen van het zeevolk- is aangefteld. Hij zal een affchrift ij van de acte van het overlijden, door hem onderteekend, zen= er den aan den ambtenaar van den burgerlijken(tand, ter „E\__woonplaatfe van den overledenen. Dit affchrift zal dadelijk jn worden geregistreerd. VJEDE HOOFDSTUK, en dier: vore Van acten van den burgerlijken fland, betreffende 0 de militairen, buiten het grondgebied van het Keizerrijk, 8| Art. 88. pl ‚De acten van den burgerliijjken(tand, buiten het grondgee bied van het Keizerrijk gemaakt, en betreffende de militairen, den of andere perfonen, die het leger volgen, zullen ingerigt kel worden, in maniere als hier voren is bepaald; behoudens de uitzonderingen in de volgende Artikelen bevat.| Art. 89e zal De kwartiermeester in ieder corps van één of meer bae wee of eskadrons, en de kapitein-commandant in de te Ovérlge corpfen, zullen de werk-aamheden van ambtenaren an$ Van den burgerlijken(tand waarnemen. Deze zelfde werk- Jen zaamheden zullen, wat aangaat d licieren zonder TYOEpES ii en de bedienden bij het leger, waargenomen worden, door op} den infpecteur der revuen, tor het leger, of een gedeelte ie van het leger behoorende, ij B a Art. ble) Í zo{. Boek, Zl. Titel, W. Hoofdfuk. Art. go. Er zal bij ieder leger-corps gehouden worden een regis= ter voor de acten van den burgerlijken{tand betrekkelijk de perfonen tot dat corps behoorende; en een ander regis- ter bij den ftaf van het leger, of van een gedeelte van het zelve, voor de burgerlijke acten, betrekkelijk de officieren zonder troepes, en de bedienden van het leger, Deze re- gisters zullen op dezelfde wijze bewaard worden als de an- dere registers der corpfeu en van den ftaf, en vervolgens overgebragt worden bij de archieven van oorlog, wanneer de corpfen of het leger op het. grondgebied van het Kei- zerrijk zullen zIjn te rug gekomen. Art. or. De registers zullen geteekend en geparapheerd zijn in ie- der corps door den kommanderenden officier, en bij den ftaf door den chef van den generalen(laf. Art. ga, De verklaringen van geboorte bij het leger, zullen binnen tien dagen na de verlosfing opgemaakt worden. Art. 93. De officier, belast met het houden van het register van den burgerlijken ftand, is verpligt om binnen tien dagen, na de infchrijving der acte van geboorte in het gemelde regis- ter, daar van een extract te leveren aan den ambtenaar van den burgerlijken ftand, op de laatfte woonplaats van den va- der van het kind, of wel van de moeder, zoo de vader enbekend is. Art. 94. _ De afkondigingen van huwelijken van militairen„ en, bediene den die het leger wolgen, zullen gefchieden op de plaats van derzelver laatfte woonftede 3 zij zullen buitendien vijf en twintig dagen voor de voltrekking van het huwelijk geplaatst worden, wat de perfonen aangaat die tot het corps behooren, bij de order van den dag van hetzelve corps, En wat aangaat de ofkcieren zonder troepes, en de bedienden die daar van een gedeelte uitmaken, bij de order van den dag van het legers of van een corps van het zelve. Art. 95. Dadelijk na de registratie der acte van huwelijks voltrek- king, zal de officier, belast met het houden van het register„ daar van een affchrift zenden aan den ambtenaar van den burgerlijken ftand, op de laarfte woonplaats der echtgenoo- ien. Art. 96, Wan acten van den burgerlijken fland voor militairen, ew Art. 96, in De acten van het overlijden zullen in ieder corps door IJK den kwartiermeester worden opgemaakt; en wat aangaat de IS. officieren zonder troepes en de bedienden, door den in= egte let fpecteur van de revuen van het leger, op eene verklaring‘ en van drie getuigen. En het extract uit deze registers zal, [ee binnen tien dagen, aàn den ambtenaar van den burgerlijken I= ftand, ter laatfter woonplaats van den overledenen, gezonden IS worden, E Art. 97. Ele In gevalle van overlijden in de militaire ambulante of plaatfelijke hospitalen, zal de acte daar van door den op- zigter der gemelde hospitalen worden opgemaakt, en gee en zonden aan den kwartiermeester van het corps, of aan den en infpecteur der revuen van het leger, of van het corps van het leger, waar toe de overledene behoorde. Deze officieren zullen er een affchrift van doen toekomen aan den ambtee cn naar van den burgerliijjken ftand, op de laatfte woonplaats van den overledenen. Art. 98. an De ambtenaar van den burgerlijken ftand, op de woone ne plaats der partijen, aan wien een affchrift eener acte van ise den burgerlijken ftand gezonden is, moet dezelve dadelijk H an registreren. Jer N ZESDE HOOFDSTUK,' | Ik an de verbetering van acten van den burgerlijken; an fland. de Art. 09. de Wanneer men de verbetering van eene acte van den bure ai gerlijken ftand verzoekt, zal daar over worden beflist door de daar toe bevoegde‘regtbank, en op de ceaclufiën van: Es den Procureur des Keizers, behoudens hooger. beroep,— De belanghebberrde partijen zullen opgeroepen worden, zoe Ë. de om{tandigheden zulks vorderen.| E i Art. roo. 4 Det vonnis van verbetering zal nimmer kunnen werken tes ij gen de belanghebbende partijen, die het zelve niet geverderd hebben, noch daar over geroepen zijn. ki B 3 Att. rols if du 1. Boek, 11, Titel, VI. Hoofdfluks Art. lot. De vonnisfen van verbetering zullen door den ambtenaar van den burgerlijken ftand geregistreerd worden, zoo dra hem die zijn ter hand gefteld; en zal daar van op den kant vaa de acte van verbetering worden melding gemaakt. DERDE TEAR Ze VAN DOMICILIE OF WOONPLAATS: rWastgefteld den 1qden van Lentemaand 1803. (fgekondigd den oqften van dezelfde maand} Art, ro2, De wóonplaats van ieder Franschman, voor zoo veel bes treft de uitoefening zijner burgerlijke regten„is op de plaats, alwaar hij zijn verblijf voornamelijk gevestigd hecft. Art. 103. De verandering van woonplaats wordt te weeg gebragt door de daad van eene werkelijke inwoning op eene andere plaats, tevens met het voornemen om aldaar zijn verblijf voornamelijk te vestigen. Art. 104 Het bewijs van zoodanig voornemen blijkt uit eene uit- drukkelijke verklaring, zoo aan de Municipaliteit van de plaats, die men verlaat, als aan die van de plaats, wer- waards men zijne woonplaats heeft overgebragt, deswegen gedaan. Art. 105. Bij gebreke van zoodanige uitdrukkelijke verklaring, zal het Bewijs van zoodanig voornemen van de omftandigheden af. angen. Art. 106. Een burger, tot eene openbare tijdelijke of herroepelijke bediening zijnde aangefteld, zal het domicilie of de woon- plaats, welke hij te voren gehad heeft, behouden, zoo hij geen ander voornemen heeft aan den dag gelegd. Art. ro. Het aannemen van eene bediening, het leven lang gedu» rende, zal dadelijk de woonplaats van den ambtenaar doen overbrengen naar de plaats, alwaar hij zijne bediening moet gitoefenen, Art. 108, 5 a Wan domicilie of woonplaats. 23 Art. Toêe Eene getrouwde vrouw heeft geene andere woonplaats, dan die van haren man. Een minderjarige, onder de magt van ouders of voogden ftaande, heeft zijne woonplaats bij zijn wader en moeder of voogd, Een meerderjarige, aan wien het beheer zijner goederen ontnomen is, heeft zijne woonplaats bij zijnen curator. Art. 109. Meerderjarigen, die bij een ander in geftadigen dienst zijn of arbeiden, zullen dezelfde woonplaats hebben, als de geen bij- wien zij dienen of arbeiden, mits zij bij hem in het zelfde huis wonen. Art. z1o, Voor de plaats, alwaar eene nalatenfchâp valt, wordt gée houden des overledens woonplaats. Ärt. III. Wanneer eene acte, aan de zijde van beide partijen, of van eene derzelven, het kiezen van domicilie of woonplaats bevat, ten einde die acte, op eene andere plaats dan die van het ware domicilie, te kunnen executeren, zullen de infinuatiën, eifchen en vervolgingen in regten, betrekkelijk die acte, kunnen gedaan worden aan die, bij overeenkomst bepaalde, woonplaats, en voor den regter van dezelve, SER DB euh BL VAN AFWEZENDENe [Wastgefteld den 15den van Lentemaand 1803 Afgekondigd den s5ften van dezelfde maand.| EERSTE HOOFDSTUK- Wan vermoedelijke afwezendheide Art. T1I2- Wanneer zich noodzakelijkheid opdoet, om 1 de beheee ring van alle, of van een gedeelte der goederen„ achtergela- ten door iemand, dien men vermoedt afwezig te zijn, en die geen’ gevolmagtigden heeft aangefteld, te voorzien, zal B 4 daar 24 Ld. Boek, IV. Titel, TL. Hoofdftuk: daar omtrent, door de regtbank wan de eerfte inftantie, op het verzoek der belanghebbende partijen, befchikking ges maakt worden. Art. 113. De regtbank zal, op het verzoek van den geen, die zich het eerst aanmeldt, eenen notaris benoemen, om de vermoe:= delijk afwezigen te vertegenwoordigen, in het opmaken der inventarisfen, rekeningen, verdelingen en liquidatiën, waar bij zij belang hebben, Art. 114. De publieke Overheid is bijzonderlijk belast, om voor de belangen der perfonen, die vermoed worden afwezend te zijn, te waken, en zal op alle verzoeken, die dezelven bee treffen, gehoord worden, TWEEDE HOOFDSTUK. Van verklaring van afwezendheid. AEO Wanneer iemand opgehouden heeft op de plaats van zijn domicilie of verblijf te verfchijnen, en men, gedurende vier jaren, geene tijding van hem bekomen heeft, kunnen de be= langhebbende partijen van de regtbank ter eerfter inftantie voorziening verzoeken, ten einde hij afwezend verklaard worde, Art. 116. Om de afwezendheid te bewijzen, zal de regtbank, vols gens de overgelegde ftukken en befcheiden, gelasten, dat ers ten overftaan van den Procureur des Keizers, onderzoek ge= daan worde in het arrondisfement van het domicilie, en in dat van het verblijf, zoo dezelve de een van de ander onder- Scheiden zijn. Artes 17e De regtbank, op het verzoek uitfpraak doende, zal bo» vendien moeten letten op de beweegredenen der afwezend- heid, en op de oorzaken, die het ontvangen van tijding van den vermoedelijk afwezenden hebben kunnen beletten. Art. 118. De Procureur des Keizers zal, zoo ras de preparatoire en definitive vonnisfen uitgebragt zijn, daar van aan den Groot-regter, Minister van Juftitie, kennis geven, die de- zelve open!ijk bekend zal maken. Art. 119. edn wak a Ee. } p ed Van verklaring van afwezendheid, e ur Art. 119. Het vonnis, waar bij iemand afwezend verklaard wordt; zal niet eerder dan een jaar nashet vonnis, waar bij het onderzoek bevolen is, worden uitgefproken. DERDE HOOFDSTUK. Van de gevolgen der afwezendheid. EERSTE AFDEELING. Van de gevolgen der afwezendheid met opzigt tot de goederen, welke de afwezende ten tijde van zijn vertrek bezat. Ld Art. 120. In gevalle een afwezende geene volmagt, om zijne goederen te beftieren, heeft achtergelaten, zullen zij, die, ten tijde van zijn vertrek, of dat de laatfte tijding van hem is ingekomen, zijne vermoedelijke erfgenamen zijn, uit krachte van het de- finitief vonnis, waar bij hij afwezend verklaard is, zich in het provifioneel bezit kunnen doen ftellen van de goederen, die aan den afwezenden, ten tijde van zijn vertrek, of dat de laatfte tijding van hem is ingekomen, toebehoorden, mits voor de zekerheid van hunne beheering borg ftellende. Ante, ToT. Zoo de afwezende eene volmagt heeft achtergelaten, zullen zijne vermeedelijke erfgenamen de verklaring van afwezend- ‘heid, en het(tellen in het provifioneel bezit zijner goederen piet eerder kunnen vorderen, dan na verloop van tien jaren, na dat hij vertrokken is, of de laatfte tijding van hem is ingekomen. Art. roo. Het zelfde zal ook plaats hebben, wanneer de volmagt komt te eindigen; in welk geval, in de beheering der goede- ren van den afwezenden voorzien zal worden, op gelijke wijze als in het eerfte Hoofdftuk van dezen Titel gezegd is. Art. 123: Wanneer de vermoedelijke erfgenamen bij provifie in het bezit gefteld zijn, zal het testament, zoo er een beftaat„op verzoek van de belanghebbende partijen, of van den Procu- B 5 reur L. Boek, IV. Titel, TIL Hoofdfluk. reur des Keizers, bij de regtbank geopend worden, en de legatarisfen, de donatarisfen, gelijk ook allen, die op de goe deren van den afwezenden na zijn overlijden eenig regt zou- den gehad hebben, kunnen hetzelve bij provifie en na geftel- de borgtogt uitoefenen. Art. 124. De echtgenoot, die in gemeenfchap van goederen getrouwd is, en verkiest de semeenfchap te laten voortduren, kan het ftellen in het provifioneel bezit, gelijk ook alle provifionele uitoefening van regten, die eerst door den dood van den af- wezenden geboren zouden worden, tegenhouden, en het beheer der goederen van den afwezenden bij voorrang op zich nemen of behouden.— Doch zoo de echtgenoot de provi- fionele fcheiding dier gemeenfchap begeert, zal hij alle zijne eigene goederen, en die gene, waar toe hij uit krachte van de wet of overeenkomst geregtigd is, naar zich nemen, mits borg ftellende voor de goederen, die aan te rug gave onder- worpen zijn. De vrouw, de voortduring der gemeenfchap verkiezende; zal het regt behouden, om bij vervolg van die gemeenfchap afltand te doen. Art. re5. Het provifioneel bezit zal niet meer dan eene bewaarnee ming zijn, welke aan hun, die het zelve bekomen, de be: heering der goederen van den afwezenden geven zal, en hen ten zijnen opzigte verantwoordelijk ftellen, in gevalle hij te rug kwam, of dat men tijding van hem ontving: Art. 126. Zij, die bij provifie in het bezit gefteld zijn, of de echtge- noot, die de voortduring van de gemeenfchap verkozen heeft, zullen eenen inventaris van de roerende goederen, en papie= ren van den afwezenden moeten maken, in tegenwoordigheid van den Procureur des Keizers bij de regtbank van de eer« fte inftantie,of van eenen vrederegter, door gemelden Procu- reur des Keizers daar toe benoemd, De regtbank zal, zoo daar toe redenen dienen, de roeren. de goederen, het zij geheel, het zij gedeeltelijk ,- doen vere koopen. In geval van verkoop, moeten de kooppenningen, en de daar van afkomende renten behoorlijk belegd worden. Zij, die bij provifie in het bezit gefteld zijn, kunnen tot hunne zekerheid vorderen ,dat door eenen deskundigen, door de regtbank te benoemen, onderzoek naar de onroerende goederen gedaan en derzelver gefteldheid omfchreven worden. Zijn rapport zal in tegenwoordigheid van den Procureur des Kei- Tee bee en te Van de gevolgen der afwezendheid, er Keizers geregtelijk bekrachtigd worden: de kosten, daar op vallende zullen uit de goederen van den afwezenden betaald wordere Art. 127. Zi, die ten gevolge van het provifioneel bezit, of van de geregtelijke beheering, het genot der goederen van den af- wezenden gehad hebben, zullen gehouden zijn, alleenlijk het vijfde gedeelte der inkomften aan hem te rug tegeven, zoo hij binnen den tijd van vijftien jaren,te rekenen zedert: zijn ver= trek, te rug komt, en een tiende gedeelte, zoo hij na de vijtien jaren te rug komt. Na eene dertigjarige afwezendheid, zullen de inkomften hun geheel en al toebehooren. Art- 128. Allen, die uit krache van een provifioneel bezit het genot der goederen hebben, kunnen de onroerende goederen van den afwezenden noch vervreemden, noch verpfanden. Art. 129. Wanneer de afwezendheid dertig jaren heeft voortgeduurd na het provifioneel bezit, of na dat de in gemeenfchap van goederen getrouwde echtgenoot de beheerigg der goederen van den afwezenden heeft gevoerd; of zoo er honderd ja- ren verltreken zijn, zedert de geboorte van den afwezenden, zullen de borgen ontflagen zijn; alle geregtigden kunnen als dan de verdeeling der goederen van den aftwezenden vorde- ren, en door de regtbank van de eerfte inftantie zich bij definitive uitfpraak in het bezit doen ftellen, Art. 130. De nalatenfchap van den afwezenden zal, van den dag dat zijn, overlijden bewezen is, bij erfvolging vervallen ten voor- deele van de erfgenamen, die op dat tijd(tip hem de naaste waren; en zij, die van de goederen’ van den afwezenden genot gehad zouden mogen hebben, zullen gehouden zijn dezelven te rug te gevens uitgezondêrd de vruchten, door hun uit krachte van Artikel 127 verkregen. Art. 13r. Zoo de afwezende te rug komt, of zoo gedurende het provie fioneel bezit bewezen wordt, dat hij nog in deven is, zullen de gevolgen van het vonnis, waar bij hij afwezend verklaard was, ophouden, onverminderd, des noodig zijnde„ zooda- nige voorbehoedende middelen, als bij het eerfte Hoofdftuk van dezen Titel, ten aanzien van de beheering zijner goe- deren, zijn voorgefchreven. Art. 132. Je Boek, IV, Titel, II. Hoofdftuk, Art. 132. Zoo de afwezende te rug komt, of zoo hij bewezen wordt nog in leven te zijn, zelfs na dat het bezit definitie velijk is toegewezen, zal hij zijne goederen te rug ontvan- gen, in dien ftaat, waar in zij zich dan bevinden zullen; voorts den prijs van die goederen, welke vervreemd zijn, of wel die goederen, welke uit den koopprijs der verkochte goederen weder zouden mogen zijn aangekocht, Art. 133, De kinderen, en regelregte afltammelingen van den afwex zenden, kunnen insgelijks, binnen dertig jaren, te rekenen ma den dag van ‚het definitief bezit, vorderen te rug gave zijner goederen, zoo als in het vorige Artikel gezegd is, Art. 134. Na den dag van het vonnis, waar bij iemand afwezend werklaard is, zal een ieder, die eenig regt ten lasten van den afwezenden heeft, het zelve alleenlijk kunnen vervolgen tegen hun, die in het bezit der goederen gefteld zijn, of die daar van de wettige beheering hebben. TWPEEDE' AFDEELING. Van de gevolgen der afwezedheid, met betrekking tot de regten, die den afwezenden bij vervolg zouden mogen aankomen. Art. 135. Al wie aanfpraak maakt op eenig regt, het welk op ie= mand, wiens leven of dood niet bekend is, vervallen is, moet bewijzen, dat dezelve in leven was, ten tijde, toen dat regt op hem vervallen is: zoo lang hij zulks niet be- wijst, zal hij verklaard worden in zijnen eisch niet Ontvans kelijk te zijne Art. 136. Indien er eene erfenis vervalt, waar toe iemand geroepen is, wiens aanwezen niet bekend is, zal dezelve bij uitflui- ting overgaan op hun, met wien hij te zamen geregtigd ge- weest zoude zijn, of op de genen, die, bij gebreke van hem, dezelve zouden bekomen hebben. Art. 137. De bepalingen, bij de twee voorgaande Artikelen gemaakt, zullen plaats hebben, onverminderd de actiën tot vordering van Van de gevolgen der afwezendheid. 29 van erfenisfen en andere regten, welke aan den afwezenden of zijne vertegenwoordigers, of zaakwaarnemers, toekomen; welke actiën alleen te niet gaan door het verloop van den tijd, tot verjaring bij de wet bepaald, Art. 139. Zoo lang de afwezende zich niet vertoond, of zijn regt op eigen vaam niet vervolgd zal hebben, zullen zij, die de erfenis aanvaard hebben, de vruchten, door hun ter goeder trouw genoten, behouden, DERDE AFDEELING. o Van de gevolgen van afwezendheid, besrekkelijk het huwelijke Art. 139. De afwezende echtgenoot, wiens mede-echtgenoot op nieuw een huwelijk heeft aangegaan, zal alleen het verm: gen hebben, om of zelf of door eenen gevolmagtigden, voors zien van het bewijs dat hij nog in leven is, zich tegen dat huwelijk te verzetten. Art. 140. Zoo de afwezende echtgenoot geene bloedverwanten heeft nagelaten, welke bevoegd zijn om van hem te erven’, zal de andere echtgenoot mogen verzoeken, om in het provie fioneel bezit zijner goederen gefteld te worden, VIERDE HOOFDSTUK, Van het toevoorzigt over de minderjarige kinderen, wier vader afwezend is. Art. 141.) Zoo de vader van zijne woonplaats vertrokken is, met achterlating wan minderjarige kinderen, uit eenem gemeen- fchappelijken echt geboren, zal de moeder over die kinderen het toezigt hebben, en alle regten van den man uitoefenen, met betrekking tot hunne opvoeding, en de beheering hun- mer goederen. Art. z42, ee een eee 30 L Boek, IW. Titel, IV. Hoofdfink. Art. 142, Zes maanden na het vertrek van den vader, wanneer de moeder, ten tijde van dat vertrek, reeds geftorven was, of vóór dat de vader afwezend werklaard werd, kwam te fter=- ven, zal het toezigt over-de kinderen, met overleg van de nabeftaanden, opgedragen worden aan de naaste bloedver= wanten van de opgaande linie, en bij gebreke van dezelven;, aan eenen provifionelen voogd, Art. 143. Het zelfde zal ook plaats hebben, wanneer één der echt- genooten, die afwezend is, kinderen: nalaat, uit een vorig huwelijk gefproten. o AUT DRT RR VAN HET HUWELIJK, [Wastgefteld den 1yden van Lentemaand 1803. Afgekondigd den ozften van dezelfde maand.) EERSTE HOOFDSTUK, Van de hoedanigheden en-voorwaarden, die vereischs worden om een huwelijk te kunnen aangaan. Art. 144. Een man, den vollen ouderdom van achttien, en eene vrouw, den vollen ouderdom van vijftien jaren niet bereikt hebbende, mogen geen huwelijk aangaan. EADE AS, Niettemin is het den Keizer geoorloofd om, wegens drin= gende redenen, dispenfatie van dien ouderdom te verleenen. Alf. 140: Er beftaat geen huwelijk zonder toeftemming. Art. 147 Men kan geen tweede huwelijk aangaan, voor de ontbin- ding van het eerfte, Art. 148, Van het huwelijks Art. 148, Ii De-zoon, die den wollen ouderdom van vijf en twintig faren, en de dochter, die den vollen ouderdom van een en Ei twintig jaren niet bereikt heeft, kunnen zonder de toeftemming le van hunnen vader en moeder geen huwelijk aangaan; in ge- fe val van verfchil is de toeftemming van den vader voldoende, 1, Art. 149. Zoo één van beiden de ouders overleden is, of in de one mogelijkheid is, om zijnen wil te verklaren; is de toeftem- te ming van den ander voldoende, HD Art. 1508 4 ë Zoo de vader en moeder overleden zijn, of zich-in de onmogelijkheid bevinden, om hunnen wil te verklaren, vere vullen de grootvader en grootmoeder derzelver plaats: zoo er verfchil is tusfchen den grootvader en de grootmoeder van dezelfde lijn, is de toeflemming van den grootvader vol doende. Indien de twee lijnen van elkander in begrip verichillen, zal zulks voor eene toeftemming gehouden worden. Art. IST. De kinderen, die nog tot het huisgezin behooren, doch de meerderjarigheid bij Art. 148 bepaald, bereikt hebben, zijn verpligt, alvorens een huwelijk aan te gaan, om bij eere ú formeele acte van eerbied, te verzoeken den raad van hun- nen vader en moeder, of van hunnen. grootvader en groote Ë - moeder, wanneer hun vader en moeder overleden zijn, of zich in de onmogelijkheid bevinden, om hunnen wil te vere « klaren. b [Art. 152. 153. 154. 155. 156 en 157. Vastgefteld den| 1aden van Lentemaand 1804. Afgekondigd den aoften van dezelfde maand.) ne Art. 152. kt Na de meerderjarigheid bij Art. 148 bepaald, tot den vol- len ouderdom van dertig jaren woor de zoons ‚ en van vijf en twintig jaren voor de dochters, zal de acte van eerbied, E: bij het vorige Artikel gevorderd, en waar op de toeftemming tot het huwelijk niet gevolsd is, nog tweemalen, van maand 6 tot maand, vernieuwd worden; en eene maand na de derde d acte, zal men zonder dezelve met de voltrekking van. het 4 hvwelijk kunnen voortgaan.| de Art. 15%.| Na den ouderdom van dertig jaren, zal men bij ontbreken/ van de toeftemming op eene acte van eerbied, eene maand ii daar na met de voltrekking van het huwelijk kunnen voortgaan.| Art. 1548 nn gen ermee pen vre en 32 Z, Boeks Wa Titel, 1. Hoofdfluk. Art. 154 De acte van eerbied zal aan den geen, of die. genen der bloedverwanten in de opgaande lijn, bij Art. 151 genoemd; door twee notarisfen, of door een notaris en twee getuigen worden bekend gemaakt; en in het proces verbaal, dat daar van moet gehouden worden, zal van het antwoord worden melding gemaakt. Art. 155. In geval van afwezendheid van den bloedverwant in de ope gaandelinie, aan wien eene acte van eerbied had moeten wots den aangeboden, zal men zonder dezelve met de voltrekking van het huwelijk voortgaan, op vertooning van het vonnis ‚ waar bij de afwezendheid verklaard was, of bij ontbreken van dien het vonnis, waar bij het onderzoek naar den afwezenden bes volen werd; of zoo er in het geheel nog geen vonnis. bes ftaat, eene acte van bekendheid, afgegeven door den vredes regter van de plaats, waar die bloedverwant van de opgaans= de linie zijne laatfte bekende woonplaats gehad heeft.— Dee ze acte zal bevatten eene verklaring van vier getuigen, door den vrede-regter ten dien einde ambtshalve geroepen, Art. 156. De ambtenaars van den burgerlijken fland, die een huwee lijk voltrokken hebben, van zoons, welke den vollen ouder: dom van vijf en twintigjaren, of van dochters, die den vol- jen ouderdom van een en twintig jaren nog niet bereikt had- den, zonder dat de toeftemming van de vaders en moeders, van de grootvaders en grootmoeders, en verdere bloedverwanten in geval dezelve vereischt wordt, in de huwelijks-acte is uitgedrukt, zullen op woordragt van de belanghebbende par= tijen, en van den Procureur des Keizers bij de regtbank van de eerfte inftantie van de plaats, waar het huwelijk voltrok= ken is, tot de geldboete bij Artikel 192 bepaald, verwezen worden, en bovendien tot eene gevangenis van niet minder dan zes maanden, Art, 157. Wanneer er geene acten van eerbied gemaakt zijn, ín de gevallen bij de wet woorgefchreven, zal de ambtenaar van den burgerlijken ftand, die Ket huwelijk voltrokken heeft, veroordeeld worden tot gelijke geldboete, en eene gevanger nis van niet minder dan ééne maand, Ârt. 158. De bepalingen, bij Artikel 148 en 149, en bij Artikel rt. 152. 153- 154 en 155. gemaakt, betrekkelijk de acte van eerbied, die aan den vader en moeder, moet worden aangebo. den, Van het Huwelijk, 4 Ben, in de gevallen, bij die: Artikelen vermeld, zijn mede woepasfclijk op onechte kinderen, die volgens de wet erkend zijn. Art. 159. Een onecht kind, het welk niet erkend is, of het welk, na erkend te zijn, vader hi moeder verloren heeft, of waar van de vader en moeder hunnen wil niet verk laren kunnen, zal, vóór den vollen ouderdom van één en twintig jaren; geen huwelijk mogen aangaan, dan na de toeftemming van eenen voogd, tot dat einde bijzonderlijk benoemd, bekomen te hebben, Art. 160. Zoo er noch vader, noch moeder„ noch grootvad ler, noch grootmoeder beftaan of zoo die allen zich in de onmoge. lijkheid, bevinden om hunnen wil te verklaren, zullen‘de zoons en dochters, nog geen één en twintig, jaren oud zijn- de, geen huwelijk mogen aangaan; zonder toeftemming van den familie-raads Arke LO ler In de regte lijn is het huwelijk verboden, tusfchen bloed: verwanten van de opgaande en ned grdatende linie, het zij echte, het zij onechte, als mede die elkander als zoodanig door aanhuwelijken beftaan, Art, 162, In de zijdlinie is het huwelijk verboden tusfchen, broeder en zuster, echte of onechte, en die aan elkander door aan- huwelijken als zoodanig beftaar le Art. 163, Ook is het huwelijk verboden tusfchen oom en nicht, moeie en neef. à Art, 164.° Niettemin{taat het aan den Keizer vrij, om, wegens drin= gende redenen, van het verbod; bijhet vorig Artikel ges daan; dispenfatie te verleenen. TWEEDE HOOFDSTUK. Van de Plegtighe/ BJE de voltrekking van het ijk behoorende. Art. 1658 Het huwelijk zal in„het openbaar, voor den ambtenaar Van den burgerlijken(land, op de woonplaats van een der danftaande echtgenooten ä voltrok ken worden,; à C Art. 166 Dn CL Boek; Va Tuel, TI. Hoof ftak. Art. 166. De twee afkondigingen, bevolen bij Artikel 63 van den Titel van acten van den burgerlijken fland, zullen gedaan worden bij de municipaliceit van de plaats, waar ieder der zich verbindende partijen woonachtig is. Art. 167. Zoo, niettemin, deze woonplaats eerst zedert zes maan- den aldaar gevestigd is, zullen de afkondigingen daarenbo- ven nog gefchieden bij de municipaliteit van de laatfte woon- plaats, Art. 168. Zoo de zich verbindende partijen, of één van hun, met betrekking tot het huwelijk, onder de magt van een ander ftaan, Zullen de afkondigingen ook nog gefchieden bij de municipaliteit der woonplaats van hun, onder wier magt zij zich bevinden, Att, 169, Het ftaat den Keizer, of aan de ambtenaren, welken hij daar toe zal aanftellen, vrij, om, wegens dringende oorza« ken, dispenfatie van de tweede afkondiging te verleenen. Art. 170. Een huwelijk,‘in een vreemd land aangegaan, met eene Franfche, en tusfchen een Franfche en een vreemdeling, zal van waarde zijn, indien hetzelve voltrokken is naar den vorm in dat land gebruikelijk, mits de afkondigingen, bij Artikel 63 van den Titel van acten van den burger= lijken ffand voorgefchreven, zijn voorafgegaan, en de Fran= {che inboorling niet heeft gehandeld tegen de bepalingen, ia het vorige Hoofdftuk vervat. Art. 171. Binnen drie maanden, na de terugkomst-van den Frans fchen ingezeten, op het grondgebied van het Keizerrijk„ zal de acte van de huwelijks-voltrekking, in een vreemd land aangegaan, in het openbaar huwelijks-register zijnes woonplaats geregistreerd worden, DERDE. HOOFDSTUK Van oppofitièn tegen een huwelijk. Art. 172. Het regt, om zich tegen de voltrekking van een huwe lijk te verzetten, komt toe aan den geen, die met een der beide contracterende partijen door huwelijk verbonden is. ° Art. 173e eee Se dee llen EÀ he aa Zj Van oppofitiën tegen een huwelijks A: Art. 178, De vader, en bij ontbreken van den wader, de moeder, En bij ontbreken van vader en moeder beiden, de grootva- ders en grootmoeders, kunnen tegen een huwelijk van hun= ne kinderen en verdere afkomelingen in oppofitie komen 3 zelfs al hebben zij den vollen ouderdom van vijf en twin- úg jaren berejkt. Arts ijá. Bij gebrek van alle bloedverwanten van de opgaande lis nie, kunnen de broeder of zuster, de oom of moei, de volle neef of nicht, meerderjarig zijnde, zich niet verzetten tegen het huwelijk, dán alleen in de twee volgende ge- vallen: 1°. Wanneer de toeftemming wan den familie-raad, bij Artikel 16o vereischt, niet verkregen is. a°, Wanneer de reden, waarom men zich tegen het hu- welijk verzet, gegrond ís op den ftaat van zinne. loosheid van deh danftaanden echtgenoot. Deze oppofitie, welke de regtbank eenvoudig kán doet opheffen, wordt niet anders toegelaten, dan mits de geen 5 die zich tegen het huwelijk verzet, een geregtelijk verbod van het zelve vordere, en tot dart einde binnen den tijd, door den regtef te bepalen, daar over late beflisfen. Art. 175. In de beide gevallen, waaromtrent bij het vorige Ártikel is voorzien, zal een voogd of eurator, gedurende de voogdij of curateele, zich niet tegen het huwelijk mogen verzetten, ten wdre hij door eenen familie-raad, welken hij kan biijéén roepen; daar toe geautorifeerd zal zijn. Art. 176. Alle acte van oppofitie tegen een huwelijk zal moeten inhouden de bevoegdheid van den oppofant, om zich& tegen te mogen verzetten; zij zál ook bevatten de keuze van een domicilie ter plaatfe, waar het huwelijk zoude moe- ten worden voltrokken; insgelijks zal zij, ten ware ze op verzoek van een bloedverwant van de opgaande linie gedaan worde, moeten bevatten de redenen der oppofitie: alles op ftraffe van nietigheid, en eene interdictie aan den ministeris gelen ambtenaar, die de acte van oppofitie geteekend heeft, ALG: Le j De regtbänk van de eerfte inftantie zal, binnen tien das gen, op den eisch tot ophefling der oppofitie ùitfptaak BOeNs aï / | Art. 178. Zoo men daâr van in hooger beroep komt, zal de zaak, binnen tien dagen na de dagvaarding, beflist worden, we Ì Art. 179. het k Zoo de oppofitie is afgewezen, zullen de oppofanten„ Ia met uitzondering nogtans van bloedverwanten in de opgaande linie, kunnen verwezen worden tot vergoeding van fchaden en interesfen.° ei VIERDE HOOFDSTUK. e ij Van eifchen tot. nul-verklaring des huwelijks. Arta 180. kn Het huwelijk, zonder de vrije toeftemming der beide echt- fi air alf genooten„ of ook van een van hun„aangegaan, kan alleen tegengefproken worden door de echtgenooten, of door die van hun, wiens toeftemming niet vrij geweest is. j Wanneer men in den perfoon gedwaald heeft, kan het; huwelijk niet anders tegengefproken worden, dan door dien echtgenoot, die in dwaling gebragt is. Và\ In het geval van het vor in den‘eisch' tot nul-verklaring des huwelij ankelijk, wanneer Ee er eene aanhoudende zamenwoning, 8 ende den tijd vaft ps zes maanden, heeft plaats gehad, zedert dat de echtgenoot Ln zijne volkomene vrijheid bekomen heeft, of de dwaling doof hem ontdekt is. s, Art. 182. is Een huwelijk, zonder toeltemming van vader en moeder, Ee van de bloedverwanten in de opgaande lit ie, of van det 5 Ó familie-raad, aangegaan, in geval die toeftemming noodzake- 5, | lijk was, kan alleen tegengefproken worden door hun, wief ie toeftemming vereischt werd, of van dien der echtgenootens Zi die deze toeftemminge noodig had. Art. 183. De actie tot nul-verklaring des huwelijks kan niet aatige= legd worden, noch door de echtgenooten, noch door de bloedvrienden, wier toeftemming vereischt werd, wanneer«| W het huwelijk uitdrukkelijk, of ftilzwijgende is goedgekeurd door hun, wier toeftemming noodzakelijk was; of, wanneer er een jaar verloopen is, zonder tegenfpraak van hunne zij- de rd Van eifchen tot nul-verklaring des huwelijks, St de, zedert dat zij van het huwelijk kennis gedragen hebben, Zij kan ook niet aangelegd worden door den echtgenoot, wanneer, zonder tegenfpraak van zijne zijde, een jaar, na het bereiken van den behoorlijken ouderdom, om zelf in het huwelijk toe te temmen, verloopen is. Art. 184, Alle huwelijken, aangegaan mer overtreding der bepalin= gen, in Artikel rag, 147, 161, 162 en 163 vervat, küun- nen tegengefproken worden, het zij door de echtgenooten zelven, het zij door een ieder, wien daar aan gelegen ligt, het zij ook, ambtshalven, door den Procureur des Keizers. Art. 185. Niettemin kan een huwelijk, aangegaan door echtgenoo- ten, die den vereischten ouderdom nog niet hadden, of waar van één hunner dien ouderdom nog niet bereikt had, niet tegengefproken worden: 1? Wanneer er zes, maanden verloopen zijn, na dat die echtgenoot of Bchtgenooten den. vereischten ouder- dom bereikt hebben, 2°. Wanneer de vrouw, welke dezen ouderdom niet be- reikt had, vóór den afloop der zes maanden zwanger is geworden. Art. 186, De vader, moeder, bloedverwanten in de opgaande linie, en verdere familie, die in het geval van het voorgaande Ar- tikel hebben toegeltemd, zijn niet ontvankelijk om de nul- verklaring daar van te kunnen vorderen, Art. 187. In alle de gevallen, in welken, overeenkomftig Artikel 184, de actie tot nul-verklaring kan aangelegd worden door de genen, die daar bij belang hebben, kan zulks niet ge= daan worden door de vrienden van de zijdlinie, of door kinderen, uit een ander huwelijk geboren, zoo lang de echtgenooten beiden in leven zijn, doch alleenlijk wanneer Zij daar bij een reeds verkregen en dadelijk belang hebben. Art. 188, De echtgenoot, in wiens nadeel een tweede huwelijk is aangegaan, kan de nul-verklaring daar van vorderen, zelfs bij het leven van den echtgenoot, die met hem verbonden was, Art. 189. Zoo de nieuwe echtgenooten“zich op de nietigheid van het eerfte huwelijk beroepen, moet de wettigheid of onwete tigheid van dat huwelijk vooraf beflist worden. Ca Art. 199, 1. Boek, WV. Titel, IW, Hoofdfluk. Art. 190. De Procureur des Keizers kan en moet in alle gevallen, waar op het 184 Artikel betrekking heeft, en onder de bee palingen in het 185 Artikel vervat; de nul=verklaring des huwelijks bij het leven der beide echtgenooten vorderen, en hen doen verwijzen, om van elkander. te fcheiden, Art, 19t. Alle huwelijken, die niet in het openbaar voltrokken ‚ noch voor den openbaren ambtenaar zijn aangegaan, kunnen door de echtgenooten zelven, door de vaders en moeders, door de bloedverwanten van de opgaande linie, en door allen, die daar bij een verkregen en dadelijk belang hebben, als mede door den Procureur des Keizers, wegens nietigheid worden aangeklaagd. Art, 192 Zoo aan het huwelijk de twee vereischte afkondigingen niet zijn vooraf gegaan, of geene dispenfatie, door de wet toege- {taan daar van verkregen is, of zoo’ de tusfchenvakken van tijd„ die tusfchen de afkondigingen en het voltrekken van het huwelijk verloopen moeten, niet zijn in acht genomen, zal de Procureur des Keizers den openbaren ambtenaar doen verwijzen in eene geldboete, niet te boven gaande drie hon- derd francs; als mede de contracterende partijen, of de ge- nen, op wier gezag zij gehandeld hebben, in eene geldboete, aan hun vermogen geëvenredigd. Art. 193. In de ftraffen, bij het vorige Artikel bepaald, zullen de daar bij gemelde perfonen vervallen, wegens elke overtreding wan de regels, bij Artikel 165 voorgefchreven; ook dan zelfs, wanneer deze overtredingen geoordeeld werden niet voldoen- de te zijn, om het huwelijk nietig te maken, Art. 194. Niemand kan zich op het regt van echtgenoot, en op de burgerlijke gevolgen van het huwelijk beroepen, ten ware hij vertoont eene acte van de voltrekking van het zelve, gere- gistreerd in het register van den burgerlijken ftand, onvere minderd de gevallen, bij Artikel 46 van den Titel van ac- zen van den burgerlijken ffand vermeld, L Art. 195 Het bezit van den huwelijks-{taat, kan de gewaande echt. genooten, die zich daar op van wederzijden mogten beroe- roepen, niet bevrijden, om de acte van het voltrekken van hect huwelijk aan‘den ambtenaar van den burgerlijken{tand te moeten vertoonen. Art. 196. Ge les ch jor die de len en On- Ger e, ng ís, en hte Obe nd Van eifchen tot nul-verklaring des huwelijks.<9 Art. 196. Wanneer men in het bezit van den huwelijks-ftaat is, en de acte van het voltrekken van het huwelijk aan den amb- tenaar van den burgerlijken ftand vertoond is, zijn de beide echtgenooten niet ontvankelijk, om de nietigheid dezer acte te beweren. Art. 197. Zoo, niettemin, in de gevallen bij Artikel 194 en 195 bepaald, kinderen beftaan, gefproten uit twee perfonen, die Opentlijk als man en vrouw te zamen geleefd hebben, en beiden overleden zijn, kan de wettigheid der kinderen niet betwist worden, onder het enkel yoorwendfel, dat men niet in ftaat is de acte van het voltrekken van het huwelijk te vertoonen; mits deze wettigheid bewezen worde door een bezit van den huwelijks-ftaat, het welk door eene acte van geboorte niet wordt tegengefproken, Art. 198. Wanneer het bewijs eener wettige voltrekking van het hu- welijk verkregen is, ten gevolge van een crimineel proces, verzekert de registratie van dat vonnis, in de registers van den burgerlijken ftand, aan het huwelijk, van den dag af dat het zelve voltrokken is, alle burgerlijke gevolgen, zoo wel ten opzigte van de echtgenooten, als van de kinderen, die uit dat huwelijk gefproten zijn. Art. 199. Zoo de echtgenooten, of één der echtgenooten, overle« den zijn, zonder het bedrog ontdekt te hebben, kan de crimineele actie aangelegd worden door alle de genen, die belang hebben om het huwelijk wettig te doen verkla ren, als mede door den Procureur des Keizers. Art. 200. Wanneer de openbare ambtenaar, ten tijde van het ontdeke ken van het bedrog, overleden is, zal de actie, door den Pro» cureur des Keizers, op de gewone burgerlijke wijze aange legd worden, tegen zijne erfgenamen, in tegenwoordigheid der belanghebbende partijen, en op derzelver aanklagte, Art. aar. p; Het huwelijk, het welk nietig verklaard is, brengt nietten min de burgerlijke gevolgen te weeg, 200 wel ten opzigte der echtgenooten, als van de kinderen, wanneer het zelve ter goeder trouw is aangegaan: Art. 202, ú Zoo de goede trouw alleenlijk beftaat van de zijde van een van beiden de echtgenooten, brengt het huwelijk geene bur- o & L Boek, Va Titel, IW. Hooftuk. ij gerlijke gevolgen te weeg, dan alleen ten voordeele van dien echtgenoot, en van de kinderen, uit het huwelijk gefpro-| ten.| VIJFDE HOOFDSTUK. Pan de verpligtingen, die uit het huwelijk voortfpruiten; Art. 203. e De echtgenooten verbinden elkanderen, door de enkele daad d des huwelijks, om hunne kinderen te voeden, tesonderhou=«ff 0 den en groot te brengen. f| Art. 2o4. Een kind heeft geene actie tegen zijnen vader en moeder; tot het geven’ van een huwelijks uitzet, of dergelijke, Art. 205. Kinderen zijn verpligt, hunnen vader en moeder, en andere bloedverwanten van de opgaande linie, die behoeftig zijn, té onderhouden. Art. 206. Schoonzoons en fchoondochters moeten insgelijks, en in dezelfde‘gevallen,‘aan hunnen fchoonvader en f{choonmoe= h der onderhoud verfchaffen; doch deze verpligting houdt op: 1°. Wanneer de fchoonmoeder tot een tweede huwelijk is overgegaan. a°. Wanneer die geen der echtgenooten, door wien de zwagerfchap beftond, en de kinderen, uit deszelfs hu-= welijks-vereeniging met de andere echtgenoot gefpro= ten, overleden zijn. Art. 207. De verpligtingen, uit deze bepalingen voortvloeijende, zijn N wederkeerig. ) p Art. 208. Het onderhoud worde riet toegeftaan, dan naar evenredig- heid van de behoefte van den geen, die het vordert, en het vermogen van den geen, die het verfchuldigd ís.€ s Art. 209, Wanneer hij, die onderhoud geeft, of ontvangt, tot zooda= nigèn ftaat geraakt, dat de een het niet meer geven kan, of de y ander het niet meer noodig heeft, het zij geheel, het zij ge= h deeltelijk, kan de, ontheffing of vermindering daar van gevor= derd worden,' Art. oro, Van de verpligtingen, die uit het huwelijk voortfpruisen. gt el Ait. Sto. 5E ’ Zoo de geen, die onderhoud geven moet, bewijst buiten flaat te zijn, om het geld, daar toe noödig, op te brengen, kan de regtbank, na onderzoek van zaken, gelasten; dat hj den geen, aan wien hij onderhoud verfchuldigd is, bij zich d in huis zal nemen, en denzelven aldaar van het noodige j vóorzien. Art. orn. De regtbank’ za! insgelijks uitfpraak doen, of de vader of moeder, welke aanbieden, om hun kind, aan. wien zij on- ad derhoud verfchuldigd zijn, bij zich in huis te voeden en te Us onderhouden, in zoodanig geval behoort te worden vrijge- fleld, om het geld, tót dat onderhoud noodig, uit te kee- ECile ZESDE HOORDS TUK, Wan de regten en pligten der echtgenooten onderling, Art. aI2. ii De echtgenooten zijn elkander, over en weder, getrouw- je. heid, hulp en bijftand verfchuldigd. í Art. 213. 3 is De man is aan zijne vrouw befcherming, de“ vrouw aan ha- ô ren man gehoorzaamheid verfchuldigd, Art. 214. k le De vrouw is verpligt, met den man zamen te wonen, en Oe hem‘overal te volgen, waar hij dienftig oordeelt zijn verblijf\ te houden: de man is verpligt haar bij zich te ontvangen, en haar al het geen voor de behoeften van het leven noodig in is, volgeus zijnen{laat en vermogen, te verfchaffen. | Art. a15. De vrouw kan geen proces voeren, zonder autorifatie van je haren man, al is zij zelfs eene openbare koopvrouw, of met et haren man buiten gemeenfchap van goederen getrouwd, of eenen afzonderlijken boedel bezit, É Art. 216. 4 De autorifatie van den man is niet noodig, wanneer de E) : vrouw in eene lijfftraffelijke zaak, of die tot de politie be= Be hoort, in regten vervolgd wordt. rn Art. 217. Kink De vrouw, al is zij zelfs buiten gemeenfchap van goede: Hi ren getrouwd, of al bezit zij eenen afzonderlijen boedel,| ; OL kan,| 42 ZL Boek, V. Titel, VI. Hoofdftuk. kan, zonder bijftand van haren man in de acte, of zonder zijne fchriftelijke toeftemming, niets geven, vervreemden, verpanden of verkrijgen, het zij voor niet, het zij onder eenen onereufen titel, Art. 218, Zoo de man weigert zijne vrouw in regten te adfifteren, kan de regter aan haar daar toe de noodige autorifatie vers leenen, Art. 219, Zoo de man weigert zijne vrouw tot het pasferen eener acte te autoriferen, kan de vrouw hem dadelijk dagvaarden voor de regtbank der eerfte inftantie van het arrondisfe- ment van hun beider woonplaats, welke de verzogte autori- fatie kan verleenen of weigeren, na dat de man daar op ge- hoord of behoorlijk voor den raad geroepen zal zijn. Art. 220, De vrouw, eene openbare koopvrouw zijnde, kan, zonder autorifatie van haren man, zich verbinden voor het geen ha- ren koophandel betreft, en in zulk een geval verbindt zij ook haren man; zoo tusfchen hen gemeenfchap van goederen plaats heeft. Zij wordt voor geene openbare koopvrouw gehouden, zoo zij flechts de koopwaren, waar in haar man handel drijft, in het klein verkoopt, maar alleenlijk zoo zij eene afzonder- lijke koopmanfchap uitoefent, Art. 221. Wanneer tegen den man een vonnis geflagen is, inhouden- de eene lijfftraffe of infamerende ftraffe, zelfs al is het vonnis flechts bij contumacie gewezen, kan de vrouw zelve, meer- derjarig zijnde, zoo lang die ftraffe duurt, niet in regten verfchijven, noch eenige.verbindtenis aangaan, dan na alvo- rens daar toe van den regter de noodige autorifatie verkregen te hebben, die in dit geval deeze autorifatie verleenen kan, zonder dat de man er eerst op gehoord of over geroepen is, Att. 222. Zoo aan den man het beheer zijner goederen verboden, of hij afwezend is, mag de regter, na onderzoek van za- ken, de vrouw autôrileren, het zij om in regten te verfchij- nen, het zij om verbindtenisfen aan te gaan. Art. 223. Eene algemeene autorifatie, zelfs bij huwelijks-contract be- dongen, werkt niet verder, dan alleen met betrekking tot de beheering der goederen van de vrouw, ON NVN en RA ld 1 ‚0 wan de regten en pligren der echtgenooten onderling. 43 Art. 224. Zoo de man minderjarig is, heeft de vrouw eene autorifa- tie van den regter noodig, het zij om in regten te verfchijnen„ het zij om eene verbindtenis aan te gaan, Art. 225. De nietigheid, op het ontbreken van zoodanige autorifatie gegrond, kan alleen door de vrouw, den man, of hunne erfgenâmen, worden tegengeworpen. Art. 226. De vrouw kan, zonder autorifatie van haren man, bij ui- tezften wil befchikken. ZEVENDE HOOFDSTUK, Wan de ontbinding des huwelijks. Art. 227, Het huwelijk wordt ontbonden: 1°. Door den dood van één der echtgenooten 3 29, Door echtfcheiding„ bij regterlijk vonnis toegewezen; g°. Door de definitive veroordeling van een der echtge- nooten tot eene ftraffe, die den burgerlijken dood te weeg brengt. ACHTSTE HOOFDSTUK. Van tweede huwelijken. Art. 223, De vrouw kan op nieuw geen huwelijk aangaan, dan na verloop van tien volle maanden, na de ontbinding van het vorig huwelijk, RR L. Boek, VI. Titel, IL. Hoofdfuk, A Bos DAE HeT ei EK VAN ECHTSCHEIDIN Gs WWaostgefleld den orften van Lenten 1803, éx afgekondigd den ziften van dezelfde maand. EERSTE HOOFDSTUK. Van de redenen van echtfcheiding. Art. 299, De man kan echtfcheiding eifchen uit hoofde van overfpel, door zijne vrouw gepleegd. Art. 230. De vrouw kan echtfcheiding eifchen uit hoofde van over- fpel, door haren man gepleegd, wanneer hij zijne bijzit in hun beider gemeene woning gehouden heeft. Art. o3r. De echtgenooten kunnen over en weder echtfcheiding ei fchen, uit hoofde van buitenfporigheden, wreedheden, of grove beledigingen, door den een jegens den ander gee pleegd, Art, 232. De veroordeeling van den eenen echtgenoot tot eene infa= merende flraffe, is woor den anderen echtgenoot eene reden tot echtfcheiding. Art. o33. De onderlinge en ftandhoudende toeftemming der echtge. nooten, vitgedrukt op zoodanige wijze als de wet voorfchrijft„ op de voorwaarden en volgens de bewijzen, welke zij be- paalt, zal tot een genoegzaam bewijs ftrekken, dat de za« menleving voor hun ondragelijk is, en dat er ten hunnen op: zigte eene voldoende reden tot echtfcheiding beftaat. TWEE; En 23 Van echtfeheiding uit hoofde van eene bepaalde oorzaak. a3 TWEEDE HOOFDSTUK, Van echtfcheiding uit hoofde van eene bepaalde oorzaak, EERSTE AFDEELING, Van de manier der echtfcheiding uit hoofde van eene bepaalde oorzaak. Art. 234. Welke ook de aard der daden of misdrijven zij, die grond kunnen opleveren tot het vorderen van echtfcheiding, uit hoofde eener bepaalde oorzaak, kan deze vordering niet anders dan bij de regtbank van het arrondisfement, waar in de echtgenooten wonen, aangelegd worden. Art. 235. Zoo eenige der daden, waar op zich de echtgenoot„de echtfcheiding vorderende, beroept, aanleiding geven tot eene lijf(traffelijke vervolging aan de zijde van den openbaren aan: klager, zal de actie tot echtfcheiding opgefchort blijven. tot na het vonnis van het Hof van criminele juftitie; daar na zal dezelve kunnen hervat worden, zonder dat uit dit. vonnis eenige grond tot niet ontvankelijkheid, of tot, eene prejudi- Cieele exceptie zal mogen afgeleid worden, Art. 236. Alle eisch tot echtfcheiding zal eene omftandige opgave der daadzaken bevatten: hij zal met, de bewijsftukken„zoo er die zijn, ter hand gefteld worden aan den prefident van de regtbank, of aan den regter, die den post van voorzitter waarneemt, door den echtgenoot, die de echtfcheiding vor- dert, in perfoon, tén ware hij door ziekte daar in: verhin- dert wordt; in welk geval de magiltraat, op. het verzoek en de verklaring van twee geneesheeren of heelmeesters, of van twee ambtenaren van gezondheid, zich zal vervoegen ter woonftede van den eifcher, om aldaar. zijnen eisch over te nemen. Ark. 237. De regter zal, na dat hij den eifcher gehoord, en. hem Zoodanige aanmerkingen gemaakt heeft, als hij gepast zal oordeelen, den eisch en ftukken parapheren, en-ee pfoces- 46 Ff. Boek, VI. Titel, IT, Hoofdfuk. verbaal opmaken, dat alles in zijne handen geleverd is.— Dit proces-verbaal zal door den regter en door den eifchet onderteekend worden, ten ware de laatstgemelde niet kan of belet wordt te teekenens in welk gewal daar wan mel- ding gemaakt zal worden. Art. 228 Zò De rester zal, op het flot van zijn proces-verbaal, gelass ten, dat partijen in perfoon voor hem moeteh verfchijnen 3 op zoodanigen dag eu plaats, als daar toe door hem wordt bepaald; en dat, ten dien einde, door hem een affchsift zal worden ter hand gefteld aan dien echtgenoot, tegen wier de echtfcheiding geëischt wordt. Art. 239. Op den bepaalden dag, zal de regtet aan beide de echte genooteh ‚ wanneer zij verfchijnen, of aan den eifcher, wan- neer deze alleen werfchijnt, zoodanige voorftellen doen, als hij gepast oordeelt, om eene verzoening te bewerken: indien hij daar in niet kan flagen, zal hij daar van een proces-vers baal opmaken, en gelasten, dat de eisch, benevens de ftuk- ken, aan den Procureur des Keizers worden medegedeeld, en dat van het voorgevallene aan de regtbank verflag worde gedaan: Att. ead. Binnen de dtie daár op volgende dagen, zal de regtbank, op het rapport van den prefident, of van den regter, die den post van voorzitter waarneemt, en op de conclufiën van den Procureur des Keizers, het verlof tot het doen def dagvaarding toeftaan of opfchorten.—_- Deze opfchorting mag den tijd wan twintig dagen niet te boven gaan, à Art. aátr. De eifcher zal, uit krachte van het aan hem verleend ver- lof van de regtbank, den gedaagden op de gewone wijze doen dagvaarden, om in perfoon te verfchijnen in de regt zaal, met geflotene deuren, binnen den tijd, door de wet bepaald, Hij zal kopie doen geven, aan het hoofd der dag- vaarding, van den eisch tot echtfcheiding, en van de daar nevens overgelegde bewijsftukken. Art. o43. Dezen tijd verftreken zijnde, zal, het zij de gedaagde ver- fchijne of niet, de eifcher in perfoon, geadfilteerd met een praktizijn, zoo hij zulks dienflig oordeelt, de gronden van zijnen eisch openleggen of doen openleggens hij zal de(tuk- ken ,die dezelve bewijzen, aanwijzen, en de getuigen opnoes men; die hij van meening is te doen kooren, Arts 243 ded RS in HE. en Ne an echtftheiding uit hoofde van eene bepaalde oorzaakt. qz Art. 243. Zoo de gedaagde, in perfoon„ of door eenen gevolmagtig- den verfchijnt; mag hij zijne tegen- redenen voorftellen of doen voorftellen, zoo wel op de gronden van den eisch, als op de ftukken,“daar bij door den eifcher overgelegd, en op de door hem genoemde getuigen, De gedaagde zal van zij ne zijde de getuigen noemen, welken hij voornemens is te doen hooren.„ en waar op de eifcher wederkeerig zijne aan- merkingen ter wederlegging zal maken: Art. 244. à Er zal van de comparitiën, de voordragten en aanmerkin= gen van partijen, gelijk ook van de bekentenisfen, welke de eene of andere gedaan zoude mogen hebben, een proces- verbaal worden opgemaak t. Het zelve zal aan partijen wor- den voorgelezen, welke verpligt zijn het te teekenen; en zal uitdrukkelijke melding gemaakt worden van hunne ondertee- kening, of van hunne verklaring„ dat zij niet kunnen of niet willen onderteekenen, Art. 945. De regtbank zal de partijen verwijzen tot de openbare raads-vergadering, met bepaling van dag en uur daar toe. Zij zal gelasten, dat de proces-ftukken aan den Procureur des Keizers worden medegedeeld,‘en eenen rapporteur în de zaak benoemen.— In gevalle de gedaagde niet verfchenen is, zal de eifcher verpligt zijn, binnen den tijd, door de regtbank bepaald, derzelver gegeven last aan den gedaagden te doen infinucerens Att. 246. Op den bepaalden dag en uur zal de tegtbank, op het rappott van den daar toe benoemden regter, en na den enn cureur des Keizers gehoord te hebben, eerst en vooraf ove de redenen van niet ontvankelijkheid, die door den Ee zouden mogen zijn bijgebragt, uitfpraak doen. In’ S6- valle die bevonden worden beflisfende te zijn, zal de eisch tot echtfcheiding ontzegd worden. In het tegenover- geftelde geval, of indien door den gedaagden geene redenen van piet ontvankelijkbeid zijn bijijgebragt, zal de eisch tot echtfcheiding worden toegelaten. Art. 247. Dadelijk, na datde eisch tot echtfcheiding is toegelaten, zal de regtbank, op het rapport van den daar toe benoemden tegter, na gehoord te hebben den Procureur des Keizers, op de zaak zelve vonnisfen. Zij zal op den eisch regt doen, zoo dezelve haar toefchijnt in ftaat te zijn; om be- oor= 48 L Boek, VI. Titel, IL HoofUfüks bordeeld te kunnen wordens zoo niet, zal zij den eifcher toelaten tot het bewijs der afdoende daadzaken; door Kem aangevoerd, en den gedaagden tot het tegenbewijs. Art. 248. Op elke acte van het proces mogen partijen, na dat de regter zijn rapport gedaan, en alvorens de Procureur des Keizers het woord opgevat sheeft, hunne wederzijdfche, gron= den: voorftellen of doen voorftellen, eerst ten aanzien van de niet ontvankelijkheid, en daar na op; de ‚zaak„zelve g doch in geen geval zal de praktizijn vanden eifcher worden toegelaten, zoo de eifcher zelf hiet in. perfoon verfche- nen is. Art. 249, Dadelijk na de uitfpraak van het vonnis, waar bij cen-na= der onderzoek bevolen wordt, zal de griffier van de regt- bank aan. partijen voorlezen dat! gedeelte. van- het proces= verbaal, het welk de reeds gedane benoeming der getuigen die partijen voornemens zijn te doen hooren, bevat,— Zij zullen door den prefident worden verwittigd, dat zij nog anderen kunnen opgeven; doch dat zij vervolgens daar toe niet meer zullen worden toegelaten. Art, 250., Pattijen zullen vervolgens dadelijk, over en weder, hunne reprochen voorftellen tegen getuigen, welke zij willen ver= werpen.—_- De regtbank. za: over deze reprochen oordeee ten, na deswegen den Procureur-des Keizers gehoord te hebben. Art. o5r. De bloedverwanten van partijen, uitgezonderd hunne kins deren, en verdere afkomelingen, zijn niet reprochabei, op grond dat zij nabeftaanden zijn, zoo min als dienstboden der echtgenooten, uit hoofde van deze hunne hoedanigheid; doch de regtbank zal op de verklaringen. van bloedverwans ten en_dienstboden in-zoo verre aanfchouw nemen, als zij oordeelen zal naar regten te behooren, Art. 259, Elk vonnis, het welk een bewijs door getuigen toeftaat; zal de getuigen, die gehoord moeten worden, met. name noemen, als mede den dag en het uur bepalen, wanneer partijen dezelven moeten. doen verfchijnen. Art. 253. De verklaringen der. getuigen zullen door de regtbank met geflotene deuren worden afgenomen„ in tegenwoordigheid van den na me wer Van echtfôheiding uit hoofde van èene bephalde oorzaak. 40 den Procureur des Keizers, van partijen, en derzelver prak. tizijns of vrienden, ten getale van drie van elke zijde. Air. 954, Partijen mogen zelve, of doot hunne praktizijns, aan de getuigen zoodanige aanmerkingen maken» En afvtagingen doen, als zij zullen noodig oordeelen, zonder dat zij hen nogtans, gedurende het afleggen hunner verklaringen, zullen mogen in de reden vallen. je Art. 255. Elke verklaring zal in gefchrifc worden vervat, gelijk ook de gezegden en aanmerkingen, waar tóe zij aanleiding gege- ven heeft.— Het proces-verbaal van het verhoor zal, zob wel aan de getuigen, als aan partijen, worden voorgelezen; beiden zullen verpligt zijn het zelve te onderteekenen5 er men zal van hunne onderteekening, of van hunne verkla- Ting, dat zij niet kunnen of niet willen teekenen, melding maken, Art, 256. Na het fluiten der beide verhoorenh, of van dat väán den eifcher, zoo de gedaagde geene getuigen heeft bijgebragt, zal de regtbank partijen verwijzen tot de openbare raads-vergd- dering, met bepaling van den dag, en het uur derzelve,— Zij zal gelasten, dat het proces aan den Procureur des Kei- zers worde medegedeeld, als mede daar in eenen rapporteur benoemen. Dit bevel zal, ten verzoeke van den ein fcher, aan den gedaagden; binnen den daar toe bepaalden tijd, geïofinueerd worden. Art. a5%, Op den dag, tot het definitief vonnis vastgefteld, zal het fapport door den daar toe benoemden regter worden uit- gebragt: paftijen kunnen vervolgens, of zelve, of door den mond van hunnen praktizijn, zoodanige aanmerkingen maken, als zij tot hunne zaak noodig oordeelen; waar nä de Procureur des Keizers zijne conclufiën zal owérgeven. Art. 258. Het definitief vonnis zal in het openbaar worden uitge. fproken: wanneer de echtfcheiding daar bij wordt toege. ftaan, zal de eifcher geregtigd zijn, om zich bij den ambte. naar van den burgerlijken{tand te vervoegen, ten einde dar van af kondigigg te doen, Art. 259. Wanneer de eisch tot echt{cheiding gedaan is uit hoofde Van buitenfporigheden, wreedheden of zware verongelijkt. Een; zullen de regters; al bevinden zij zelfs den eisch gen D grond zo L Boek, VI. Titel, 1. Hoofdftuk. grond te zijn, de echtfcheiding niet dadelijk mogen toeftaan. In dit geval, zullen zij, alvorens regt te fpreken, de vrouw autoriferen, om de zamenleving met haren man te verla ten, zonder verpligt te zijn, hem bij haar te ontvangen, zoo zij zulks niet geraden vindt, en zullen voorts den man veroordeelen, om haar het noodige geld tot onder- houd’ te geven, Overeenkomftig zijn vermogen, Z00 de vrouwegeene genoegzame inkomften van zich zelve heeftg om in hare behoeften te voorzien. Art. 260. Na een jaar van beproeving, indien partijen inmiddels niet vereenigd zijn, kan de echtgenoot, die eifcher is, den ande: ren echtgenoot doen dagvaarden, om voor de regtbank te verfchijnen, binnen den tijd bij de wet bepaald, ten einde aldaar het definitief vonnis, waar bij als dan de echtfcheiding zal worden toegeftaan, te hooren uitfpreken. Art. 261. Wanneer de echtfcheiding geëischt is, uit hoofde dat een der echtgenooten tot eene infamerende ftraffe verwezen is, zal men geene andere formaliteiten behoeven in acht te ne men, dan dat aan de regtbank van de eerfte inftantie een authentiek affchrift van het crimineel vonnis werde aangebo- den, met bijvoeging eener verklaring van het crimineel gee regtshof, behelzende, dat dit vonnis door geene regtsmiddelen aan hooger beroep kan onderworpen worden. Art.#62. In gevalle men van het vonnis tot admisfie, of van het definitief vonnis, door de regtbank van de eerfte inftantie, in zake van echt{cheiding gewezen, in hooger beroep komt, zal de zaak door het Hof van appél behandeld en uitgewer zen worden, als eene zaak van dringende noodzakelijkheid, Art. 263. Het hooger beroep zal niët aangenomen worden, ten ware het zelve binnen drie maanden, te rekenen van den dag van de infinuatie van het vonnis, na gedane tegenfpraak of bij contumacie gewezen, is aangetekend, De tijd, om bij het Hof van casfatie voorziening te verzoeken, tegen een vonnis in het hoogfte resfort gewezen, zal mede zijn drie maanden, te rekenen van den ddg der infinuatúe. Ammiddels blijft de zaak opgefchort, en in haar geheel. rt. 364 Uit kracht van alle vonnisfen, in het hoogfte resfort ge- wezen, of kracht van ‚gewijsde bekomen hebbende, waar bij de echtfcheiding gewettigd wordt, zal de echtgenoot, die het Zeke MM Kal at, uw rla. En den ICT« de vil, het ie, mt, ewêe eid, wart vail | het onis Jo CN 7 Van echtfheiding uit hoofde van eene bepaalde oorzaak.‘Et gelve bekomen heeft, verpligt Zijn, om zich binnen den tijd van twee maanden te vervoegen bij den ambtenaar van den burgerlijken ftand, ten einde, na dat de andere partij daat toe behoorlijk geroepen is, de echtfcheiding te doen af: kondigen. ATG 263% Deze twee maanden zullen, voor zoo veel betreft de vore nisfen ter eerfte inftantie gewezen, niet eerder beginnen te loopen, dan na dat de tijd van hooger beroep verftreken is 5 en ten opzigte der vonnisfen bij contumacie in appél gewe= zen, niet eerder dan na het verloop van den tijd om in op- pofitie te mogen komen; en ten opzigte der vonnisfens hä gedane tegenfpraak; in het hoogfte resfort gewezen, niet eer- der, dan na dat de tijd, binnen welken men zich aan het Hof van casfatie zoude moeten vervoegen, verftreken is. Art. 266. De echtgenoot, welke eifcher is, en den tijd van twee maanden, hier boven bepaald, heeft läten verloopen, zonder den anderen echtgenoot voor den ambtenaar van den burgerlijken ftand te hebben doen roepen, zal verftoken zijn van het voorregt van het vonhis, door hem bekomen; en kan zijné actie tot echtfcheiding niet hervacten, dan om eene nieuwê reden, in welk geval hij nogtans zijne oude redenen zal mos gen doen gelden. TWEEDE AFDEELING. Van provifionele maatregelen, waar toe de eisch tod echtfcheiding ‚ uit hoofde eener bepaalde oorzaak; aanleiding geven kan. Art. 267. De provifionele beheering der kinderen zal aan den mats het zij hij eifcher of gedaagde is in zake van echtfcheiding 3 verblijven, ten ware door de regtbank, op verzoek, het zij van de moeder, het zij van de familie, of van den Procus teur des Keizers, uit hoofde van het dringend belang det kinderen, deswegens anders werd verftaai, Art. 268. De vrouw, eifcheresfe of verweerderesfe in geval van echte fcheiding zijnde, mag; gedurende den loop van liët proces 3 de woonplaats van den man verlaten;ën het noödigë geld toe Da ens 52 ZT. Boek, VI. Titel, IÌ. Hoofdfluk. onderhoud vorderen, geëvenredigd aan het vermogen van den man. De regtbank zal bepalen het huis, alwaar de vrouw gehouden zal zijn te verblijven, en zal des noods‘het provi- fioneel onderhoud, het welk de man verpligt is aan haar uit” te keeren, bepalen. Att. 260, De vromw zal verpligt zijn, van haar verblijf in het aan- gewezen huis te doen blijken, zoo dikwijls zulks van haar zal gevorderd worden, bij gebrek van dit bewijs, kan de man aan. haar het onderhoud weigeren, en zoo de vrouw de echtfcheiding eischt, haar niet ontvankelijk doen verklaren tot het verder voortzetten van het proces. Art. 270. De vrouw, in gemeenfchap van goederen getrouwd, eifche= resfe of verweerderesfe zijnde in zake van echtfcheiding, kan, in welken flaat de zaak ook zij, van den dag der gegevene order, bij Art. 238 vermeld, of tot behoud van haar regt, vorderen, dat de roerende goederen, tot de gemeenfchap be= horende, verzegeld worden. Er zal geene ontzegeling plaats hebben, dan na het maken van eenen inventaris, met waardering der goederen, en mits de man de geïnventarifeerde goederen te woorfchijn brenge, of voor derzelver waárde, als een geregtelijke bewaarder, infta. Art. 271. Alle verbindtenis door den man, ten laste van de gemeen= fchap aangegaan, alle vervreemding van onroerende goede- ren, die daar toe behooren, door den man gedaan, na den dag, waar op de order, bij Artikel 238 vermeld, gegeven is, zal nietig verklaard worden, indien van elders bewezen wordt„ dat zulks gefchied of aangegaan îìs tot padeel van het regt van de vrouw. DERDE AFDEELING. Van de redenen van niet ontvankelijkheid tegen de actie tot echtfcheiding, uit hoofde eener be= paalde oorzaak. Art. 972, De actie tot echtfeheiding gaat te niet, door de verzoening der echtg&nooten, het zij die voorgevallen is, na de daadzae ken, die den grond tot deze actie zouden hebben kunnen Ope Sa er 8 pa€ SP PA Van echtftheiding uit hoofde van eene bepaalde oorzaak. 53 opleveren, het zij na dat reeds eisch tot echt{cheiding was gedaan. Art. 273. In beide die gevallen, zal de eifcher verklaard worden in zijnen eisch niet ontvankelijk te zijns niettemin zal hij eene nieuwe actie kunnen aanleggen, op grond van eene nieuwe oorzaak, na die verzoening opgekomen, en als dan van die oude redenen gebruik maken, om zijnen nieuwen eisch daar mede nader aan te dringen, Art. 274, Zoo de eifcher, in zake van echt{cheiding, ontkent, dat er verzoening heeft plaats gehad, zal de gedaagde zulks moeten bewijzen, het zij door gefchrift, het zij door getui= SED, op zoodanige wijze, als in de eerfte afdeeling van het tegenwoordig Hoofdftuk ís voorgelchreven, DERDE HOOPDSTUR, Van echtfcheiding door onderlinge toeftemming. Art. 275. De onderlinge toeftemming der echtgenooten zal niet wor- den aangenomen, indien de man jonger is dan vijf en twins úg jaren, of de vrouw jonger is dan één en twintig jaren. Art. 276. De onderlinge toeftemming zal niet worden aangenomen, dan na dat de echtgenooten twee jaren te zamen zijn gee huwd geweest. Art. 977. Deze toeftemming kan geene plaats meer hebben, wanneer de echtgenooten twintig jaren te zamen gehuwd zijn gee weest, noch ook wanneer de vrouw vijf en veertig jaren bereikt heeft, Art. 278. In geen geval, zal de onderlinge toeftemming der echtgee nooten voldoende zijn, ten ware zij door hunne vaders en moeders, of door hunne verdere nog in leven zijnde bloëta Verwanten van de opgaande linie, bekrachtigd is, volgens de regels bij Art, 15o,in den Titel van het huwelijk, voors gefchreven. D 3 Art. 2794 54 Z. Boek, VI. Tisel, HIL. Hoofdfluk. Art. 279. De echtgenooteng welke voornemens zijn om eene echts fcheiding door onderlinge toeftemming te bewerkftelligen, zullen verpligt zijn, alvorens eenen inventaris en begrooting van alle hunne gereede en ongereede goederen te maken, en hunne wederzijdfche regten te regelen, waar over het hun nogtans vzij zal ftaan, zich onderling bij accord te vere ftaan. Art. 280. Zij zullen insgelijks verpligt zijn, fchriftelijk overeen te komen over de drie volgende punten; I°, Aan wien de kinderen, uit hunnen echt geboren, zullen worden toevertrouwd, het zij gedurende den tijd der proefneming, het zij na het uit(preken van bet vonnis van echtfcheiding. e°, Naar welk huis de vrouw zich zal moeten begeven, en waar zij zal moeten verblijven, gedurende den tijd der beproeving. 3°, Welke fomme gelds de man aan zijne vrouw, gêdu- ‘rende dien tijd, zal moeten betalen, zoo zij geene genoegzame inkomften heeft, om in hare behoeften te voorzien. Art. 28r,. De echtgenooten zullen zich te zamen, en in perfoon, bij den prefident van de burgerlijke regtbank wan hun arrondisfes ment ‚of bij den regter,die deszelfs post als voorzitter waar- neemt„, vervoegen, en hem hun voornemen te kennen ges ven, in tegenwoordigheid van twee notarisfen, ten dien eine de door hun medegebragt. Art. 282, De regter zal aan. de beide echtgenooten, zich aldaar te zamen bevindende, en aan cen ieder van hun in het bijzon- der, in tegenwoordigheid der beide notarisfen, zoodanige woorftellen én aanmaningen doen, als hij noodig zal oordee- len; hiij zal hun het vierde Hoofdftuk van den tegenwoore digen Titel, het welk de gevolgen van de echtfcheiding bea paalt, voorlezen, en hun alle de gevolgen hunner onderne= ming voor oogen ftellen, de Art. 023. Wanneer de echrgenooten in hun befluit volharden, zal hun door den regter eene acte gegeven worden ,behelzende, dat Zij eene echtfcheiding verzoeken, en onderling daar in soeftemmen. En zullen zij gehouden zijn om, behalve de ace Van echsfcheiding door onderlinge toeftemming._ 55 acten, bij Art. 279 en 280 gemeld, dadelijk te vertoonen, en in handen der notarisfen over te leveren: 19. De acten: van hunne geboorte en huwelijk; 8 1E 2°, De acten van de geboorte van alle de kinderen, uit en hunnen echt gefproten; In 3°, De aurentieke verklaring van hunnen vader en moe- fe der, of andere in leven zijnde bloedverwanten van de opgaande linie, houdende, dat, om redenen aan hun bekend, zij hem of haar, hunnen zoon of dochter, ( kleinzoon of kleindochter, gehuwd met dusdanig man of vrouw, magt geven, om de echtfcheiding te ver n zoeken, en daar in toe te ftemmen. De vaders, id moeders, grootvaders en grootmoeders der echtge- van nooten, zullen geprefumeerd worden in leven te zijn, zoo lang geene acten. van hun overlijden worden : overgelegd. 1 Art. 284. „ie De notarisfen zullen een omftandig proces-verbaal opma- ken, van het geen ingevolge de voorgaande Artikelen voor- SU» gedragen«en verrigt iss de minute daar van zal onder den ne oudften der twee notarisfen blijven berusten, gelijk ook de en| overgelegde ftukken, die aan het proces-verbaal zullen vast- gehecht blijven, waar in melding zal worden gemaakt van de gedane herinnering aan de vrouw, om zich, binnen vier len en twintig uren, te begeven naar het huis, tusfchen haar en fee haren man daar toe bij overeenkomst bepaald, en aldaar te ats verblijven, tot dat het vonnis van echtfcheiding zal zijn gee uitgefproken. ine Art, 285. Ni Deze verklaring, alzoo gedaan zijnde, zal, binnen de eerfte veertien dagen van de vierde, zevende en tiende opvolgende te maanden, met in achtneming van de zelfde formaliteiten ver- one nieuwd worden. Partijen zullen vwerpligt zijn, om ige telken reize, door eene openbare acte te bewijzen, dat hun- cêe ne vaders, moeders, of andere in leven zijnde bloedverwan= jor. ten van de opgaande linie, in hun eerfte befluit volharden 5 ber doch zij zijn niet gehouden, om de overlegging van eenige jee andere acte te herhalen. fi Art, 236. Binnen veertien dagen, na verloop van een jaar, te reke- zl nen, na den dag der eerfte verklaring, zuílen de echtge- de, nooten, elk van hun geadfifteerd met twee vrienden,«als in faufoenlijke lieden jn het arrondisfement bekend zijnde, vijf- de D 4 tig r - 56 tig jaren bereikt hebbende, zich te zamen en in perfoon vere voegen, bij den prefident van de regtbank, of den regter, die den post van voorzitter waarneemt, en hem de authentieke affchriften van de procesfen verbaal, behelzende hunne on= derlinge toeftemming, gelijk ook van alle acten, die daar aan gehecht zijn, overhandigen, en zullen de echtgenooten, ieder afzonderlijk, in tegenwoordigheid hogtans van elkander, en van de gemelde vier fatfoenlijke lieden, wan den magiftraat toelating tot echtfcheiding verzoeken. Art, 987. Na dat de regter, en bijzijnde perfonen, hunne aanmerkin- gen aan de echtgenooten gemaakt hebben, en deze in hun voornemen volharden ,zal aan dezelven worden gegeven ecne acte ven het geen zij verzogt hebben, en dat zij de noodige bewijsftukken hebben ingeleverd: de griffier van de regtbank zal daar van een proces-verbaal opmaken, het welk niet alleen door partijen(ten ware zij verklaren niet te kunnen teekenen, in welk geval daar van melding gemaakt zal worden), maar L. Boek, VI. Titel, HIT. Hoofdfruk: ook door de vier bijzijnde perfonen, den regter, en den grif. fier, zal onderteekend worden. Art. 288. De regter zal terltond onder het proces-verbeal zijne order plaatfen, houdende, dat binnen drie dagen door hem van al- Jes aan de regtbank in de raadzaal rapport zal worden gedaan, op de fchriftelijke conclufiën van den Procureur des Keizers, aan wien ten dien einde de ftukken door den grif- fier zullen worden medegedeeld. Art. 289, Zoo de Procureur des Keizers door de ftukken bewezen vindt, dät de beide echtgenooten„de man den ouderdom van wijf en twintig jaren, en de wrôuw die van één en twintig jaren bereikt hadden, toen zij hunne eerfte verklaring gedaan hebben; dat zij op dat tiijdftip reeds twee jaren gehuwd wa- ren geweest; dat het huwelijk niet boven de twintig jaren beftaan bad; dat de vrouw nog geene vijf en veertig jaren oud was; dat de onderlinge toeftemming vier malen in den loop van het jaar herhaald is, met alle de woorafgaande en bijkomende formaliteiten, hier voren, en in het tegenwoor dige Hoofdftuk voorgefchreven, voornamelijk met de autos rilatie van de vaders en moeders der echtgenooten, of van hunne andere nog in leven Zijnde bloedverwanten van de op- gaande linie, in gevalle de waders of moeders vooroverle- den mogten zijn: zijne conclufiën overgeven in deze bewoor= dingen: ss, De wee veroorlooft:” in het tegenovergeftelde on val, ES Van eahtfcheiding door inderlinge toeftenming.—_ 8 val, zullen zijne conclufiën in deze bewoordingen zijn:„De wet. veroorlooft niet” Art. 290, De regtbank kan,op het gedaan rapport, geene andere be- wijsftukken vorderen, dan die bij het vorige Artikel zijn ge- meld. Zoo daar uit volgt, dat naar het oordeel van de regte bank partijen voldaan hebben aan de voorwaarden, en aan de formaliteiten bij de wet voorgefchreven, zal zij de echtfchei- ding toeftaan, en partijen verwijzen naar den ambtenaar van den burgerlijken(tand, om daar van afkondiging te doen; in het tegenovergeftelde geval, zal de regtbáhk verklaren 5 dat er geen grond is om de echtfcheiding toe te laten, en zal de redenen van die bellisfing opgeven, Art. ogr. Men zal niet bevoegd zijn om van het vonnis, waar bij verklaard is, geen grond.te zijn om de echtfcheiding toe te ftaan, in hooger beroep te komen, dan wanneer het appél door beide partijen werd aangeteekend, en dat wel bij twee afzonderlijke acten, ten vroeg{ten binnen tien, en ten lang(ten binnen, twintig dagen na den dag, dat het vonnis ter eerfte inftantie gewezen is. d Art. 290, De acten van appél zullen wederzijds, zoo wel aan de andere echtgenoot, als aan den Procureur des Keizers, bij de regtbank van de eerfte inftantie geiofinueerd worden,; Art. 293. Binnen de tien dagen, te rekenen na dat aan den Procus reur des Keizers bij de regtbank van de eerfte inftantie, de tweede acte van appél geinfinueerd is, zal hij een affchrift van het vonnis, en de ftukken, waar op het zelve gewezen is, overzenden aan den Procureur generaal des Keizers, bij het Hof van appèl. De Procureur generaal des Keizers bij het Hof van appél, zal binnen tien dagen na de ontvangst der(tukken, zijne con- clufiën ia gefchrift overgeven; de prefident of de regter, die zijne plaats bekleedt, zal Zijn rapport deswegen doen, in de raadzaal van het Hof van appél, en de zaak, zal binnen tien dagen na het inleveren der conclufiën van den Procureur gen neraal des Keizers, bij definitief vonnis worden afgedaan. Art. 294. Uit kracht van het vonnis van het Hof, waarbij de echt. fcheiding wordt toegeftaan,- zullen partijen binnen twintig dagen na deszelfs dagteekening zich te zamen en in perfoon Jervoegen bij den ambtenaar van den burgerlijken fland,. ten Ds Cina "aa add Ed een ee nd 58 IL, Boek, VI, Titel, HIT. Hoofdfluk. einde de echtfcheiding te doen afkondigen. Deze tijd verftre-” ken zijnde, zal het vonnis geacht worden niet gewezen te zijn. VIERDE HOOFDSTUK. Van de gevolgen der echtfcheiding. ® Art. 295. De echtgenooten„ welke gefcheiden zijn, uit welke oorzaak die fcheiding ook moge plaats gehad hebben, zullen niet wee der met elkander kunnen trouwen. Art. 296. In gevalle van‘echtfcheiding„ wegens eene bepaalde oor« zaak, zal de vrouw„ die gefcheiden is, niet eerder kunnen herhuwelijken, dan na verloop van tien maanden, na dat het vonnis tot echtfcheiding is uitgefproken. Art. 297. In geval van echtfcheiding door onderlinge toeftemming;, zal geen der beide echtgenooten een ander huwelk mogen aangaan, dan drie jaren na dat het vonnis der echtfcheiding js uitgefproken. Art. 208. In gevalle echtfcheiding, uit hoofde van overfpel, in reg- fen is toegeftaan, zal de fchuldige echtgenoot nimmer kun- nen huwen met zijne medepligtige,— De overfpelige vrouw zal bij het zelve vonnis, Op voordragt van den openbaren aan- klager, veroordeeld worden, tot opfluiting in een verbeter- huis, voor eenen bepaalden tijd, welke niet minder zal mo- gen zijn dan drie maanden, en piet langer dan twee jaren. Art. 209. Uit welken hoofde ook de echtfcheiding plaats heeft, buie ten bet geval van onderlinge toeftemming„ zal de echtgenoot, tegen wien de echtfcheiding verleend is, alle voordeelen„ welke de andere echtgenoot, het zij bij huwelijks-contract„ het zij daar na, aan dezelve gedaan heeft, verliezen. € Art. 300. De echtgenoot, welke de echtfcheiding verkregen heeft, zal de voordeelen behouden, hem door de andere echtgenoot gedaan„ zelfs al waren zij van wederzijden bedongen, doch pe wederzijds niet hadden plaats gehad, Art. sor, re Waa de gevolgen der echtfcheiding. Art. gol. Zoo de echtgenooten geene’ voordeelen. aan elkander gedaan hebben, of indien de bedonge voordeelen niet toereikende fchijnen te zijn, om aan den echtgenoot, die de echtfcheiding verkregen heeft, een genoegzaam onderhoud te verfchaffen, zal de regtbank hem eene fomme gelds tot onderhoud, uit de goederen van den anderen echtgenoot mogen toeleggen, welke fomme echter geen derde gedeelte der inkomften van den anderen echtgenoot zal mogen te boven gaan. Dit onderhoud zal herroepelijk zijn, bij aldien de noodzakelijkheid r daar van ophoudt. @ 4 Art. 302. De kinderen zullen worden toevertrouwd aan den echtges noot, die de echtfcheiding bekomen heeft, ten ware de regt- bank ,op verzoek der nabeftaanden of van den Procureur des Keizers, tot bijzonder nat der kinderen gebiedt, dar ale of eenige van hun, aan de zorg, het zij van den anderen echt= genoot, of van een derden perfoon, zullen worden toevere trouwd. E Art. 303. Wie ook de perfoon zij, aan wien de kinderen worden toevertrouwd, zullen nogtans de vader en moeder, jeder voor ú zich, het regt behouden,om op het onderhoud en de opvoe- ding hunner kinderen toezigt te hebben, en zullen verpligt Ö zijn daar toe, naar evenredigheid van hun vermogen, bij te_ 3 dragen. ì ed Art. 301. # De ontbinding des huwelijks door eene echtfcheiding, in b regten toegeftáan, zal de kinderên, vit dat huwelijk geboren, Ki van geene voordeelen; die hun door de wetten of door de wt huwelijks-bedingen van hunnen vader en moeder verzekerd wa- ren, ontzetten; echter zullen die kinderen van deze regten p „ geen genot hebben, dan op dezelfde manier,@n ín dezelfde né omftandigheden, als of er geene echtfcheiding had plaats ge. 8 had. d, Art. so5. Cly In gevat van echtfcheiding door onderlinge toeftemming, zal de eigendom van de helft der goederen van elk der beie J de echtgenooten met den dag, dat zij hunne eerfte verkla- ring tot echtfcheiding gedaan hebben, naar regten verkregen| 5 worden door de kinderen, uit dat huwelijk geboren; de va-| ders en moeders zullen niettemin net genot van die helft tot Hf aan de meerderjarigheid hunner kinderen behouden, met last ik af nogtan$ om in het voedfel, het onderhoud en de opvoeding der| Nd 1 Ci 6o. Boek, VI. Titel, IV. Hoofdftuk. der kinderen te voorzien, overeenkomftig hunne bezittingen en ftaat, Alles onverminderd de verdere voordeelen, die aan gemelde kinderen, bij huwelijks-bedingen van hunnen vader en moeder, zouden mogen toegezégd zijn. VIJEFDEHDOFDS EK Van de fcheiding van tafel en bed. Art. 306. In gevalle er grond is om wegens eene bepaalde oorzaak echtícheiding te eifchen, zal het aan de echtgenooten vrij ftaan, om eisch te doen tot fcheiding van tafel en bed. ARE 2307. Deze eisch zal aangelegd, voortgezet, en uitgewezen worden op de zelfde wijze, als alle andere burgerlijke actiën 5 zij kan enkel op grond van de onderlinge toeftemiming der echtgenooten geene plaats hebben; Art. 308. De vrouw, tegen wien een vonnis tot fcheiding van tafel en bed, uit hoofde van overfpel, gewezen is, zal bij het zelve vonnis, en op voordragt van den openbaren aanklager, veroordeeld worden tot op{luiting in een verbeterhuis, ge- durende eenen bepaalden tijd, welke niet minder kan zijn dan drie maanden, noch langer dan twee jaren. Art. 30g. De man blijft meester, om de uitvoering van dit vonnis te doen ophouden, door toe te ftaan om zijne vrouw weder bij zich te nemen, Art. gro. Wanneer de fcheiding van tafel en bed, waar van het vonnis om eenige andere reden, dan om overfpel van de vrouw, gewezen is, drie jaren geduurd heeft, zal de echt- genoot, die oorfpronkelijk gedaagde was, van den regter echtfcheiding kunnen vorderen, die dezelve zal toeftaan, wanpeer de oorfpronkelijke eifcher, tegenwoordig, of behoore lik opgeroepen zijnde, niet dadelijk toeltemt om de fcheis ding te doen ophouden.« 5 Art. gIr. De fcheiding van tafel en bed heeft altijd de Scheiding van goederen ten gevolge, Z E- mn Van het vaderfchap, en de afBamming der kinderen. Gt EAB VOREN DIE ik Tuuk ne VAN HET VADERSCHAP, EN DE AFSTAMMING DER KINDEREN. @ [Wastgefteld den asften van Lentemaand 1803 Afgekondigd den oden van Grasmaand.] EERSTE HOORDS TEN f Van de afflamming van wettige kinderen, of die flaande huwelijk geboren zijn. Altes ata, Het kind, het welk ftaande huwelijk ontvangen is, heeft den man tot vader. Deze zal nogtans kunnen ontkennen» dat het zijn kind is, indien hij bewijst, dat hij, zedert den drie Honderdften tot den honderd tachtigften dag, vóór de geboorte van dat kind, het zij uit hoofde van afwezendheid, het zij door de | gevolgen van eenig toeval, in de volffrekte onmogelijkheid geweest is, om met zijne vrouw gemeenfchap te hebben. Art. 313./ De man kan, door zich op zijne natuurlijke onmagt te beroepen, niet ontkennen, dat het kind het zijne is. Hij kan zulks ook niet ontkennen op grond van overfpel, ten ware de geboorte voor hem erborgen is gehouden; in welk geval hij zal worden toegelaten om alle Zoodanige daadzas ken bij te brengen, welke gefchikt zijn tot bewijs, dat hij er de vader niet van is en Tenge Art. 314. h Het kind, het welk voor den honderd tachtigften dag ij des huwelijks geboren is, kan door den man in de navol.| gende gevallen niet ontkend worden: 1°. Zoo hij van de zwangerfchap, vóór zijn huwelijk,|, kennis heeft gedragen; 2°. Zoo hij bij de acte van geboorte tegenwoordig ge- ij weest is, en deze acte door hem is onderteekend, of| de 1. Boek, VII. Titel, 1. Hoofdftuk: de door hem gegevene verklaring inhoudt, dat hij niet kon teekenen. o, Zoo het kind verklaard is niet te hebben kunnen blijven leven. Art. 315: De wettigheid van een kind, drie honderd dagen na de ontbinding des huwelijks geboren, kan betwist worden. Art. 316. In de onderfcheiden gevallen, waar in de man geregtigd is, om de wettigheid van het kind te ontkennen, zal hij zulks moeten doen binnen eene maand, indien hijj zich op de geboorteplaats van het kind bevindt, Binnen twee maanden na zijne te rug komst, zoo hijj ten tijde van die geboorte afwezend is. Binnen twee maanden na de ontdekking van het be» drog, zoo men de geboorte van het kind voor hem verbor= gen had gehouden. Art. 317. Zoo de man geftorven is, vóór dat hij zijn tegt ten dezen opzigte heeft doen gelden, maar terwijl de tijd daar toe nog loopende was, zullen zijne erfgenamen twee maanden tijd hebben, om ‚de wettigheid van het kind te betwisten; te rekenen van het tijdftip, dat dit kind zich in het bezit van de goederen van den man gefteld zoude mogen hebben, of van het tijdttip, dat de erfgenamen door het kind in dat be« zit geftoord zouden mogen zijn. Art. 318. Alle extra-judicieele acte, inhoudende de ontkentenis van den man of van zijne erfgenamen, zal gehouden worden als niet gedaan, zoo zij niet binnen eene maand achtervolgd is door eene geregtelijke actie, die tegen eenen voogd, tot dat einde bijzonderlijk aan het kind gegeven, en in tegenwoore digheid wan deszelfs moeder, moet worden aangelegd. Üi b Van de bewijzen der affBamming van wettige kinderen. 63 FWEENENHOOFDS TU EK Van de bewijzen der afflamming van wettige kinderen. Art. 319. De afftamming van wettige kinderen wordt bewezen door | de acten van geboorte, welke in het register van den bur- j gerlijken{tand geregistreerd zijn, D Art, 320. Bij ontbreken van dit bewijs, is het ongeftoord bezit van 1 den{taat van wettig kind voldoende. Att. 32Ts ' Het bezit van dien flaat wordt bewezen, door eenen ze. - noegzamen zamenloop van omf{tandigheden, die de betrek= king van afltamming en vaderfchap tusfchen een bepaald perfoon, en de familie, tot welke hij beweert te behooren 3 t aantoonen. De voornaamfte van deze omftandigheden zijn: À Dat die-perfoon altijd den naam van den vader, tot wien d hij beweert te behooren, gedragen heeft. 8 Dat de vader hem als zijn kind behandeld heeft, en als ) zoodanig ín zijne opvoeding, onderhoud en kostwinning K f voorzien heeft, « Dat hij aanhoudend als zoodanig in de maatfchappij ers N\ kend is,| Dat hij als zoodanig door de familie erkend is, A t Art. 322. 5 Niemand kan zich op eenen{taat beroepen, die ftrijdig is| 8 met den ftaat, welke zijn bewijs van geboorte, en het be- t zit, met dat bewijs overeenkomende, hem geven. á En wederkeerig kan niemand den ftaat van hem„die een F bezit heeft, overeenkomftig met zijn bewijs van geboorte,| betwisten. Art. 323. Bij ontbreken van zoodanig bewijs en onafgebroken bezit, Á of zoo het kind onder valfche namen, of als geboren uit e een vader en moeder, die onbekend zijn, in de registers is ingefchreven, kan de afftamming door getuigen bewezen wor=| d den,—— Dit bewijs kan nogtans niet worden toegelaten,| pr dan wanneer er een begin is van bewijs door gefchrift, of wanneer de vermoedens en aanwijzingen, voortvloeijende hik uit daden, die reeds onbetwistbaar zijn, zwaarwigtig genoeg ke C5 zijn om als bewijzen te worden toegelaten. ij : Art» 324. Ó4 d. Boek, WIZ. Titel, II. Hoofdfluk, Art. 324. Het begin van bewijs door gefchrift vloeit voort uit familie-papieren, uit registers en huisfelijke papieren van den vader òf moeder, uit openbare, en zelfs uit onderhänd- fche acten, voortkomende van iemand, die in het gefchil betrokken was, of, nog in leven zijnde, daar bij belang gehad zoude hebben. Art. 325. Het tegetibewijs kan beftaan in alle zoodanige middelen, die gefchikt zijn om aan te toonen, dat de geen, die zich op zijne afftamming beroept, de zoon niet is van de moeder, welke hij voorgeeft te hebben, of ook, het moe- derfchap bewezen zijnde, dat hij het kind niet is van den man van die moeder. Art. 326. De burgerlijke regtbanken zijn alleen bevoegd om over de actiën, waar bij men zich op eenigen ftaat beroept, te oordeelen. À Art. 327. De liijfftraffelijke actie, wegens de misdaad van verduis- tering van laat, kan eerst beginnen,“na dat het definitief vonnis over het gefchil van dien ftaat gewezen is. es Art. 328. de De actie tot inroepen van den{taat verjaart niet ten op= zigte van het kind, Art. 329. Deze actie kan door de erfgenamen van een kind, het welk zijnen ftaat niet heeft ingeroepen, niet worden aange- legd, ten ware het kind minderjarig, of binnen vijf jaren na zijne meerderjarigheid overleden mogt zijn. Art, 330. De erfgenamen kunnen deze actie voortzetten, wanneer zij door het kind begonnen is, ten ware het zelve daat van formeel heeft afgezien, of drie jaren, zedert de laate fte proces-acte; onvervolgd gelaten heeft, lit An | ui ril oa Van onechte kinderen, DERDE HOOFDSTUK é Van onechte kinderen, BERSTE AFDEELING, Van de wertiein van onechte kinderen: 8 Ärt. 331. Kinderen, buiten huwelijk geboten, behalve de zulk in bloedfchande of overfpel geteeld zijn, kr opgevolgd huwelijk van hunnen vader en worden, wanneer deze hun, vóór het ddngaan des huwes lijks, als wettig erkend hebben, of bij de acte der vol- ttekking van het huwelijk als Zoodanig erkennen. Art. 332. De wettiging kan plaats hebber, zelfs ten voorde geftorvene kinderen, die af komelingen hebben en in zulk een geval(trekt zij ten voordeele v komelingen. en; dië Innen door ee moeder gewettigd ele van nagelaten 4 an die af« Arts 333, Kinderen, door opgevolgd huw dezelfde regten, äls of zij uit d fen. elijk gewettigd, hebben at huwelijk gebore was TWEEDE AFDEELING Van het erkennen van onechte kinderefìs Art. 334. Het erkenrien vân een onecht kind gefchiedt bij ééne Wtentieke acte, wanneer zulks niet reeds bij de acte vat geboorte gedaan is, ‚en ; atie 335: Deze etkenning kan Seen plaats hebbet ten wóordeelg r EN 7 1) E van kinderen, uit bioed{chande of overfpel geboten, rn” CEN & 66 Z, Boek„VIT. Titel, TIL. Hoofdfluk. Art. 336. De erkenning door den vader, zonder de aanwijzing en toeftemming van de moeder, heeft geen ander gevolg; dan alleen met opzigt tot den vader. rik De erkenning, gedurende het huwelijk, gedaan door één der echtgenooten, ten voordeele. van een onecht kind, het welk dezelve vóór zijn huwelijk, bij een ander perfoon dan zijn echtgenoot, gehad heeft, kan noch aan dien echtge- noot, noch ook aan de kinderen, uit dat huwelijk gebo- ren, fchade toebrengen. Niettemin zal die erkentenis hare gevolgen hebben, na de ontbinding van dat huwelijk, zoo daar uit geene kinderen overblijven. Art. 338. Een erkend onecht kind kan de regten van een wettig kind voor zich niet inroepen. De regten van onechte kinde« ren zullen in den Titel: Wan erfvolgingen; bepaald wors den. Art. 339. Alle erkenning aan de zijde van den vader of moeder, ge« lijk ook alle inroeping van ftaat aan de zijde van het kind, kan betwist worden door alle de genen, die daar bij belang hebben. Art. 340. Het onderzoek, wie de vader van een kind is, is verbo- den. In geval van fchaking, kan de fchaker, op de daar toe gedane vordering der belanghebbende partijen, verklaard worden vader van het kind te zijn, wanneer de tijd der fcha- king met dien der zwangerfchap overeenkomt. Art. 34I. Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toe- geftaan. Het kind, het welk zich op iemand, als zijne maeder zijnde, beroept, is verpligt te bewijzen dat hij volmaakt dezelfde is met het kind, waar van zij bevallen is, Hij zal niet toegelaten worden om dit door getuigen te be- wijzen, dan alleen, wanneer hij reeds een begin van een bee wijs door gefchrift heeft. Art. 342 Een kind zal nimmer toegelaten worden te onderzoeken, wie zijn vader of zijne moeder is, in de gevallen, in welken volgens Artikel 335 de erkenning niet geoorloofd is. ACHT: Van adoptiës 67 B ES de dink de En VAN DE ADOPTIE, EN OFFICIEUSE VOOGDij. Wastgefteld den, asften van Lentemaand 1803»€» afgekondigd den aden van Grasmaand.] EERSTE HOOFDSTUK Van adoptie: EERSTE AFDEELING: Van adoptie en hare gevolgen: Art. 343- Ädoptie is alleen geoorloofd aan perfonen van ‚het manné. lijk of vrouwelijk geflacht, boven de vijftig jaren oud zijnde; die ten tijde der adoptie, noch kinderen, noch wettige na« komelingen hebben, en ten minfte vijftien jaren ouder zijn Üan de genen, welken zij voornemens zijn te adopteren: Art. 344. Niemand kan door meer dan één perfoon, bekialve door twee echtgenooten, geadopteerd worden. Buiten het geval, bij Art. 366 bepaald, kan een echtge- noot niet dan met toeftemming van zijnen mede-echtgenoot adopteren. De magt om te adopteren kan alleenlijk uitgeoefend worden ten opzigte van iemand, aän wie ijne mine 1 oken bij= n men gedurende Z derjarigheid, en ten minften zes jaren lang, onafgebr ftand en onderfteuning verfchaft heeft of ten opzigte van iemand, die in den ftrijd, of bij brand of overftroomings het leven van den adoptant gered heeft. Het is, in dit tweede geval, genoeg, dat de adoptant is meerderjarig, ouder dan de geadopteerde, geene wettige kin= deren, noch derzeiver afkomelingen hebbende; en, zoo hij getrouwd is, dat zijn echtgenoot in de adoptie toefltemt. E 2 Art. 3466 a3 L. Boek, VII, Titel, IL. Hoofdfluk. Art. 346, Adoptie kan in geen geval plaats hebben, voor de meers derjarigheid van den geadopteerden. Indien de geadop. teerde, nog vader en moeder of een van beïden hebbende„ zijn vijf en twintigfte jaar. niet bereikt heeft, moet hij van de toeftemming van zijnen vader en moeder, of van den langstlevenden doen blijken; en zoo hij ouder is dan vijf en twintig jaren, moet hij hun om raad vragen. Art. 347. Door de adoptie zal de naam van den adoptant op den eadopteerden overgaan, en bij den eigen naam van den gee dopteerden gevoegd worden. Art. 348. Be geadopteerde zal in zijne geboorte-familie blijven, en in dezelve alle zijne regten behouden: niettemin is het huwelijk verboden tusfchen den adoptant, den geadopteerden en des- zelfs afkomelingen; tusfchen de geadopteerde kinderen van denzelfden perfoon; tusfchen den geadopteerden en de kinde- ren, welke de adoptant nog zoude mogen krijgen; tusfchen den geadopteerden, en den echtgenoot van den adoptant, en wederkeerig tusfchen den adoptant en den echtgenoot van den geadopteerden. là e a MD a 1 al en É Art. 349. De natuurlijke verpligting, die tusfchen den geadopteerden en zijnen vader en moeder blijft beftaan, om elkander be de gevallen, bij de wet bepaald, van het noodig onderhoud te voorzien, zal geacht worden even zeer, en wederkeerig te beftaan tusfchen den adoptant en den geadopteerden, Art. 350. De geadopteerde verkrijgt geen regt van erfvolging in de goederen van de bloedverwanten van den adoptant, doch hij zal op de nalatenfchap van den adoptant gelijke regten hebe ben, als kinderen in echt geboren, al waren er zelfs anden re kinderen uit des adoptants huwelijk na de adoptie gebo Ten, Art. 35T, Wanneer de geadopteerde fterft, zonder wettige afkomelin= gen na te laten, zullen de goederen, door den adoptant aan den geadopteerden gefchonken,. uit deszelfs nalatenfchap verkregen, of in zijne erfenis gevonden, en die bij het overlijden. van den geadopteerden nog dadelijk aanwezig zijn, aan den adoptant of zijne afkomelingen te rug keeren, onder den last om in de fchulden wan den overledenen te moes. Pan adoptie, 65 moeten dragen, en zonder benadeeling wan het regt van derden, f De verder overfchietende goederen van den geadopteerden zullen aan zijn eigene bloedvrienden behooren, en deze zullen altijd, zelfs met opzigt tot de goederen, in dit Artikel op= genoemd, alle andere erfgenamen van den adoptant, buiten zijne afkomelingen, uitfluiten. Art. 352. Zoo bij het leven van den adoptant, en na den dood van den geadopteerden ‚ de kinderen of afkomelingen, door laatst= genoemden nagelaten, ook zelve kinderloos ftierven, zal de adoptant bij erfvolging verkrijgen, het geen door hem gege- Ven was, zoo als in het vorige Artikel gezegd iss doch dit regt bepaalt zich eeniglijk tot den perfoon van den adoptant, Eu gaat niet over op zijne erfgenamen> zelfs niet in de nes derdalende linie, TWEEDE AFDEELING. Han den vorm der adoptie. Art. 853. De geen, die voornemens is‘te adopteren, en hij, die gean dopteerd wil worden» Zullen zich moeten vervoegen bij den Vrederegter van des adoptants Woonplaats, om aldaar eene acte Van hunne wederzijdfche toeftemming uit te brengen, Art. 354. Een affchrift van deze acte zal, binnen de tien daar op volgende dagen, door de Partij, die in dezen den meesten fpoed maakt, ter hand gefteld worden, aan den Procureur des Keizers bij de regtbank van de eerfte inftantie, in het res« fort, waar onder de Woonplaats van den adoptant gelegen is, ten einde door die regtbank bekragtigd te worden. Art. 355. De regtbank, in hare raadzaal vergaderd zijnde, en na zich de noodige onderrigtingen te hebben doen geven, zal ondere zoeken: 1°, Of alle voorfchriften van de wet zijn in acht genos men 5 2°. Of de geen, die voornemens is te adopteren, is een man{taande ter goeder naam, E 3 Art. 356. zo JZ. Boek, VIJL. Titel, F« Hoofdftuk. Art. 356. De regtbank zal, na den Procureur des Keizers hebben, zonder eenigen anderen vorm van proces der bijvoeging der beweegrede gehoord te ‚ en zon= nen,’'in deze bewoordingen uit= fpraak doen: Zr is grond, of er is geen grond tot adoptie. Art. 357 Dit vonnis van de regtbank van de eer nen de eerstvolgende maand, fte inftantie zal bin= ten verzoeke van die gene der partijen„ die zich het eerst daar over beklaagt, onderworpen zijn aan hooger beroep voor het Hof van appél, zaak op dezelfde wijze zal behandele het welk de n, als de regtbank van de eerfte inftantie, en zonder vermelding van deszelfs beweeg redenen in dezer voegen uitfpraak doen:„Mez vounis is be- krachtigd,” of»‚ het vonnis is veranderd,” en gevolglijk is er grond of geen grond tot adoptie” Art. 359 Alle vonnisfen van het Jof van appél, waar bij eené adop= tie wordt toegeft ken, en aangeplakt op zoodanige plaatfen, en te zoo vele exemplaren, als de r te zijne Art. 359., Binnen de drie maanden, welke op dit vonnis de adoptie, ten verzoeke van een van beide de aan, zullen in de regtzaal worden uitgefpro= n getale van egtbank zal oordeelen dien(tig volgen, zal partijen, in het register van den burgerlijken(tand van de plaats, waar de adoptant woonac vertooning van een authentiek affchrift van het Hof van appél, en de adoptie zal geen evolg ’ p geen 8 Pps zoo zij binnen dezen tijd niet geregistreerd iSe Art. 360. Zoo de adoptant kwam te fterven wan zijnen wil bleek, om€en contract van a gaan, door den vredereg de regtbanken’ gebragt» tivelijk gevonnisd hadden, hebben, en de adoptie wor denen dienen. De erfgenamen van den adoptaft, oordeelende tie geene plaats behoort te hebben» memoriën en aanmerkingen op dit ftuk bij den Keizers, vervoegen. htig IS, geregistreerd worden, Deze registratie zal niet anders plaats hebben, het vonnis van dan op hebben, na dat deacte, waar bij doptie aan te ter is aangenomen, en ter kennis van en voor dat de laatstgemelde defini= zal de zaak niettemin voortgang den toegeftaan, zoo daar toe ré- ‚dat de adop- kunnen zich met hunne Procureur des TWEE an lie a zal in op van en, Van de oficieufe voogdije TWEEDE HOOFDSTUK. Van de oficieufe voogdij Art. 361. Een ieder, den ouderdom van vijftig jaren bereikt heb= bende, en zonder kinderen of. wettige af kotnelingen zijnde die den een of ander perfoon, gedurende deszelfs minder- jarigheid„ door eenen wettigen titel aan zich verbinden wil, kan zijn officieufe voogd worden, na bekomene toe= lemming van den vader en moeder van het kind, of van de langstlevende van hun, of, bij ontbreken van dezelve, van eenen familie-raad, of eindelijk, zoo het kind geene beken= de bloedverwanten heeft, Met toeftkemming van de beftier- ders van het opvoedings-huis, in het welk dit kind’ inge- nomen is, of van de municipaliteit van de plaats zijner woonftede. Art. 362. ot kan geen officieufe voogd worden, dan jaen mede-echtgenoot. Art. 363. De vrede-regter der woonplaats van het kind zal een proces-verbaal opmaken van de verzoeken en toeflemmingen, betrekkelijk de officieufe voogdij. Art 364. Deze voogdij kan geene plaats hebben, dan ten voordeeie wan kinderen„ nog geene vijftien jaren oud zijnde. Zij zal, onverminderd alle bijzondere bedingen, medebren- gen de verpligting, om den pupil te onderhouden, op te in ftaat te ftellen om zijn kost te kunnen Een echtgeno met toeftemming van Z voeden, en winnen. Art. 365. Zoo de pupil eenig goed bezit, en zoo hij te voren onder voogdij geftaan heeft zal de beheering zijner goede- ren, gelijk ook die van zijn perfoon, overgaan aan den officieufen voogd, die nogtans de kosten der opvoeding op de inkomften van den pupil niet kan toerekenen. Art. 366. Zoo de officieufe voogd, na verloop van vijf jaren, ze- dert het aanvaarden van die voogdij, en in het vooruitzigt dat hij, vóór de meerderjarigheid van den pupil, mogt ko E 4 men 72£. Boek, WII. Titel, II, Hooflftuk, men te fterven, hem bij testament adopteert, zal die bes fchikking van waarde zijn, mits de oflicieufe voogd geene wettige kinderen nalaat.: Md Art. 367. In geval de officienfe voegd, het zij vóór de vijf jaren, het zij na dien tijd, kwam te flerven, zonder zijnen pupil geadopteerd te hebben, zal aan den laatstgemelden, gedu- rende zijne minderjarigheid, het noodig onderhoud verfchaft moeten worden, waar van de hoeveelheid en foort, indien daaromtrent bevorens bij eene formele verbindtenis niet voors zien is, bepaald moeten worden, het zij in der minne„ tusfchen de wederzijdfche vertegenwoordigers van den voogd en den pupil, of, ingeval van verfchil, door den regtere Art. 368. Indien, bij de meerderjarigheid van den pupil, zijn ofli= cieufe voogd hem wil adopteren, en de eerstgemelde daar in toeftemt, zal de adoptie gedaan worden in den vorm, bij het vorige Hoofdftuk voorgefchreven, en de gevolgen daar van zullen in allen opzigte dezelfde Zijn. : Art. 369. Zoo, binnen de drie maanden, welke op de meerderja= righeid van den pupil volgen, de aanzoeken, door hem aan zijnen officieufen voogd tot adoptie gedaan, zonder gevolg gebleven zijn, en de pupil zich niet in{taat bevindt om zijn kost te winnen, kan de officieufe voogd verwezen wor-= den, om den pupil, wegens deszelfs onvermogen, om zelf in zijn onderhoud te kunnen voorzien, fchadeloos te ftellen, Deze fchadeloosftelling zal zich bepalen tot den noodigen onderttand om hem eene kostwinning te bezorgen; alles onverminderd de bedingen, die, in vooruitzigt van-dit ges val, gemaakt zouden mogen zijn, Art. 370. De officieufe voogd, die de beheering van eenige goede. sen van den pupil gehad zoude mogen hebben, moet: daar van in allen gevalle rekening doen, N E« _ Van de vaderlijke magt, 23 ERO DENDE TT BREE VAN DE VADERLIJKE MACT, [Wastgefteld den aaften van Lentemaand 1803, dfgekondigd den zden van Grasmaand.] Art. 371. Een kind, van welken ouderdom ook, is eer en ach. ting aan zijnen wader en moeder verfchuldigd, Art. 372. Hee blijft onder hunne magt, tot aan Zijne meerderjarig heid of emancipatie, Art. 573. De vader alleen oefent, gedurende het huwelijk, deze magt uit, Art. 374. Het kind kan het ouderlijk huis niet verlaten zonder toellemming van den vader, ten zij het, na den ouderdom van achttien jaren bereikt te hebben, zich vrijwillig in den krijgsdienst begeven heeft, Art. 375, De vader, die gewigtige redenen van misnoegen wegens het gedrag van zijn kind heeft, zal de navolgende middelen van kastijding hebben. Art. 376. Zoo het kind nog niet in Zijn zestiende jaar getreden is, kan de vader. het zelve eenigen tijd, mits niet langer dan eene maand, doen gevangen zetten, en ten dien einde” moet de prefident van de regtbank van het arrondisfement, ten verzoeke van den vader, eene order tot arrest geven. Art. 377. Het kind in zijn zestiende jaar getreden zijnde, tot des. zelfs meerderjarigheid of emancipatie, mag de vader alleenlijk Verzoeken, dat zijn kind, gedhrende ten lang{ten zes maan- den, in gevangenis gezet worde.— Hij zal zich daar toe moeten vervoegen bij den prefident van gemelde regtbank, die, na daar over met den Procureur des Keizers geraad. Pleegd te hebben, de order tot het arrest zal afseven of 5 wei. gen Ee enen== manana than en amer Z. Boek, IX. Titel. 74 weigeren„ en‚ in het eerfte geval, den tijd van gevangenis s door den vader verzocht, kunnen verkorten, Art. 278. Noch in het eene, noch in het andere geval, zaler geen gefchrift of vorm van regten plaats hebben, behalve de or= der tot het arrest, waar in de uitgedrukt. De vader zal alleen gehouden teekenen tot betaling van alle de van het noodig onderhoud, Art. 279: 5 den tijd der door hem be= Indien het in nieuwe ongeregeldheden vers De vader is altijd meester on wolene of verzochte gevangenis te verkorten. kind, na deszelfs loslating, valt, kan op nieuw eene gevangenis bevolen worden„ wijze in de vorige Artikels vermeld, Art, 300, redenen niet zullen worden eene werbindtenis te kosten, en tot ezorging op de Wanneer de vader hertrouwd is, zal hij verpligt zijn, om, zijn kind van het eerfte bed in gevangenis ten’, zich te gedragen overeenkomftig het bepaa ge Aa> willenc e zele ide bij Artie kel 377, al was het zelfs nog geene zestien jaren oud. De moeder, de langstlevende en zal een kind niet kunnen toeftemming van twee der en mits daar toe verzoek doende Art. 362. Wanneer het kind goederen bezit, foonlijk toebehoorende, of wanneer oefent, zal deszelfs gevangenis, geene zestien jaren oud is, geene plaats naaste vad aan het het, eenig 1 xs ret senm{ti overeensOmLrr niet hertrouwd zijnde, doen gevangen zetten, dan met bloedverwanten s g Art. 377 zelve per- beroep uit- ook dan, wanneer het nog kunnen hebben, dan door middel van zoodanig verzoek, als bij Art. 377 is voorgefchreven. Het in gevangenis geftelde kind zal den Procureur-generaal des Keizers bij| mogen inleveren.—— Deze des Keizers bij de regtbank de toedragt der zaak doen inlichten„ den Prefident van het Hof van appél na daar en van aan den vader kennis te hebben gegeven, eene memorie aan zet Hof van appél zal zich door den Procureur van de eerfte inftantie, nopens daar van aan rapport doen, die; en alle onderrigtingen nopens de zaak te hebben ingewonnen; de order, door den prefident van de vierfchaar van de eer- fte inftantie verleend, zal mogen intrekken of matigen. Art. 393, Van de vaderlijke magt Art. 383. Het 376, 377» 378 en 319 Artikel zijn mede toepasfe= lijk op de vaders en moeders van onechte, en volgens de wet erkende kinderen. Art. 384. De vader heeft, gedurende het huwelijk, en na de onte binding van het zelve, heeft de langstlevende vader of moeder, het genot van de goederen, welke hunne kinderen toebehooren ‚ tot dat zij den vollen ouderdom van achttien jaren bereikt hebben, of tot hunne emancipatie, die vóór het achttiende gaar kan plaats hebben. Art, 385 Met dit genot zijn de volgende lasten verbonden: 19, Die gene, waar toe de vruchtgebruikers verpligt zijne oe, Het voedfel, onderhoud en de opvoeding der kinde= ren„ overeenkomftig hun vermogen. g°. De betaling der achterftallige fchulden, of de renten van dezelven, De begrafenis-kosten, en die der laat{te ziekte. Art. 386. Dit genot zal geene plaats hebben ten voordeele van een vader of moeder, tegen wien een vonnis van echtfcheiding is gewezen; en zal ophouden ten aanzien van de moeder, wanneer zij tot een tweede huwelijk is overgegaan. Art. 387. Het zal zich niet uitftrekken tot goederen, kinderen door afzonderlijken arbeid en vlijt verkrijgen mog- ten, noch ook tot zoodanige goederen, die hun gegeven of bij uiterften wil gemaakt zijn, onder de bepaalde voorwaar- De, dat de wader en moeder er geen genot van zouden hebben. 4°. welke de 6 EL. Boek, X. Tiel, L, Hoofdftuk, B ICE NUDE T, Vo rs VAN DE MINDERJARIGHEID, VOOeDIJ EN EMANCIPATIE, [astgefteld den a6ften van Lentemaand 1803, en afgekondigd den sden van Grasmaand. EERSTE HOOFDSTUK. Van de minderjarigheid. Art. 388, Een minderjarige is zoodanig perfoon van het mannelijk of vrouwelijk geflacht, die den ouderdom van één en twine tg jaren nog niet bereikt heeft, TWEEDE HOOFDSTUK. Van de voogdij. EERSTE AFDEELING., Van de voogdij van vader en moeder. Art. 389. De vader heeft, gedurende\ het huwelijk, het bewind over de goederen, aan zijne minderjarige kinderen perfoonlijk toe- behoorende, Hij is verantwoordelijk, zoo voor den eigen- dom, als voor de vruchten van zoodanige goederen, waar van hij het genot niet heeft; en voor den eigendom alleen ten aanzien. van zoodanige goederen, waar van de wet hem het vruchtgebruik toeftaat, Árt. 390. Na de ontbinding van het huwelijk, door den natuurlijken of burgerlijken dood van één der echtgenooten veroorzaakt, behoort de voogdij der minderjerige en niet geëmancipeerde kinderen, van ïestswege, aan den langstlevenden vader of moeder, Art. sor. J7 Y and Á geven on rigter BT | IJ den, 10 n° 7 8 Vrouw | oer B Van de voogdij, P7 éé Art. 391. De vader kan, des niettemin, aan de langstlevende moee der en voogdesfe eenen bijzonderen raadgever toevoegen, zonder wiens goedvinden zij geene daad; de voogdij betref. fende ‚ verrigten kan. Zoo de vader de handelingen opgeeft, waar toe die raad- gever benoemd is, zal de voogdesfe het vermogen‘hebben, om de verdere handelingen zonder zijnen bijftand te ver rigten. " Art. 392. Deze benoeming van eenen raadgever kan niet gefchie- den, dan op eene der volgende manieren: 19. Bij uiterften wil. 2°, Bij eene verklamng, of voor den vrede-rester en des- zelfs griffier, of voor notarisfen gedaan. Art. 303, Wanneer, ten tijde van het overlijden van den man, de Vrouw zwanger is, zal door den familie-raad een Curator over het nog ongeboren kind benoemd worden. Bij de geboorte. wan dat kind, wordt de moeder deszelfs voogdesfe, en de curator is van TEStsSWege toeziende voogd, Art, 304. De moeder is niet gehouden de voogdij-a echter moet zijs ook in seval van o an te nemen; weigering, de pligten van voogdesfe waarnemen, tot dat zij eenen voogd heeft doen benoemen. Art. 395. Indien de moeder, voogdesfe Zijnde, zich ten tweeden huwelijk wil begeven, zal zij, vóór het aangaan des huwe. lijks, den familie-raad moéten zamenroepen, om te bepalen, of zij de voogdij behouden moer, Bij ontbreken van deze bijéénroeping, van zelf verliezen; en haar tweede man is voor het geheel aanfprakelijk, Wegens alle de gevolgen der voogdij, welke zij onbevoegdelijk behouden heeft. à Art. 306. Wanneer de familie-raad, behoorlijk zamengeroepen zijn zal zij de voogdij €, befluit, dat de moeder de voogdij behouden zal, moet noodzakelijk de tweede man aan haar tot mede-voogd wor. den toegevoegd, en zal deze, benevens zijne vrouw, voor het geheel verantwoordelijk zijn wegens alle Verrigtingen, na het aangaan van het huwelijk, L Boek, X. Titel, IL. Hoofdfluks TWEEDE AFDEELING. Wan de voogdij, doór vader of moeder opgedragen. Art. 597. If Het regt om eetien voogd te benöemen, het zij uit de | bloedverwanten, of ook een vreemde, behoort alleen per= foonlijk aan den langstlevenden vader of moeder. ij Art. 398. l Dit regt kan niet anders worden uitgeoefend, dan op de wijze, bij Arts 392 voorgefchreven, en onder de hier na té melden uitzonderingen en wijzigingen. Àrt. 399./ De moeder hertrouwd, en in de voogdij over de kinderen uit haar eerfte huwelijk niet gebleven zijnde, kan voor de- zelven geenen voogd verkiezen. : Art. 400; Wanneer de moeder, hertrouwd en in de voogdij geblee eenen voogd over de kinderen van haar eerfte kozen heeft, zal deze keuze niet van waarde or zoo verre die door den familie-raadsbekrachs wen zijnde, huwelijk ver zijn, dan vO tigd wordt. Art. 4or. De voogd, die door wader of moeder werkozen is, is niet houden die voogdij aan te nemen, ten Ware hij behoort ij onder die foort van perfonen, welken de familie-raad„ bij il ontbreken van die bijzondere keuze, met de voogdij zoude hebben kunnen belasten. t DERDE AFDEELING. van de voogdij der bloedverwanten in de opgaande linie Art. 402. Wanneer de langstlevende vaaer of voor den minderjarigen verkozen heeft, van regtswegen aan deszelfs grootvader van v bij ontbreken wan dien, aan zijnen zijde; en zoo bij opklimming, in voege dat de moeder geenen voogd behoort de voogdij aders zijde; en bloedverwant der men De grootvader van moeders$ in de opgaande linie, die van vaders zijde beflaat, altijd|| | | | If | | í EN nn saas ogd en lers rank tijd del Van de voogdij. og den voorrang heeft boven eenen gelijken bloedverwant van moeders zijde, in denzelfden graad beftaande, Art, 403 Indien, bij ontbreken van den grootvader van vaders zijs de, en den grootvader van moeders zijde van den minderja- rigen, tot de voogdij te zamen zouden komen twee bloed- werwanten van eenen hoogeren graad. in de opgaande linie, beiden aan den minderjarigen van vaders zijde beftaande, zal de voogdij van regtswege toekomen aan dien van hun beïden, welke de vaderlijke grootvader ís van des minderja» rigen vader. Indien op dezelfde wijze tot de voogdij zamenkomen twee overgrootvaders van moeders zijde, zal de benoeming door den familie-raad gedaan worden, die echter flechts één van die beide overgrootvaders kiezen kan. 1 VIERDE AFDEELING. Van de voogdij„ door dem familie-raad opgedragen, Art. 405.| Wanneer een minderjarig, en niet geëmancipeerd kind overblijft, zonder vader of moeder, en zondergvoogd, door zijnen vader of moeder verkozen, gelijk ook zonder manne lijke bloedverwanten van de opgaande linie, mitsgaders waus neer de voogd, onder eene der opgenoemde foorten. behoo. rende, zich bevindt onder de genen, die van voogdijen uit- gefloten zijn, waar van hier na zal worden gefproken, of zich op goede gronden van de voogdij verfchoonen kunnen, zal door den familie-raad ia de benoeming van eenen voogd voorzien worden. Art. 406. Deze raad zal zamengeroepen worden, het zij op het vere zoek en den aandrang van de bloedverwanten van den min- derjarigen, van zijne fchuldeifchers, of andere. belanghebben= de perfonen, het zij ook van ambtswege en op aanhouden van den wrederegter der woonplaats van, den minderjarigen. Een iegelijk vermag aan dien vrederegter de omftandigheden opgeven, welke het benoemen van eenen voogd vorderen, le) ì: Art go' Le Boek, X. Titel, IT, Hoofdftuk. Art. 407, De familie-raad zal beftaan, buiten den vrederester,. vit zes vrienden, door bloedverwantfchap of aanhuwelijken be= ftaande, genomen, zoo uit de gemeente, waar de voogdij valt, als binnen den omtrek van twee mijriameters,(omtrent vien oude Franfche mijlen), voor de eene helft van waders á en voor de wederhelft van moeders zijde, daar in volgende de orde van naaste bloedverwantfchap in elken lijn. De bloedverwant zal den voorrang hebben boven def aan- gehuwden in gelijken graad, en onder de bloedverwanten van gelijken graad, de oudere boven de jongere, Art. 408. De volle broeders van den minderjarigen, en de mans var volle zusters, zijn alleen uitgezonderd van de bepaling om- trent het geftelde getal van het vorige Artikel. Wanneer er zes of meerder gevonden worden, zullen zij allen leden van den familie-raad zijn, welken zij alleen zul- len uitmaken met de weduwen der bloedverwanten van de opgaande linie, en met die bloedverwanten van deze, linie„ die zich op goede gronden van de voogdij verfchoonen kuns nen, zoo er die zijn. Zoo zij minder ín getal zijn, zullen de verdere bioedvere wanten flechts geroepen worden, om den familie-raad voltal lig te maken. Art. 409, Wanneer de bloedverwanten of aangehuwden van de eene of andere linie, zich daar ter plaatfe of in den omtrek bij Artikel 407 bepaald, niet toereikende in getal bevinden, zal de vrederegter zulke bloedverwanten of aangehuwde vrienden roepen, die op eenen verderen afftand wonen, of wel in de gemeente zelve, zoodanige burgers, van wien bekend is, dat zij, met den vader of moeder van den minderjarigen betrek kingen van dagelijkfche vriendfchap gehad te hebben. Art. 4Io. De vrederegter zal, al is er zelfs op de plaats een genoeg= zaam aantal bloedverwanten of aangehuwden, mogen toeftaan, om bloedverwanten of aangehuwden, nader in graad, of ook in gelijken graad als de tegenwoordig zijnde bloedverwanten en aangehuwden beftaande, op hoe verren afltand die ook woe nen mogen, te doen oproepen; zoodanig nogtans, dat als dan eenige der laatstgenoemden worden weggelaten, en het get„al bij de vorige Artikelen bepaald, niet worde overfchres den, Art. art. En gat vak zoe ‚van Wo eu We Ách Van de voogdij. Art. 411. De tijd der bijeenkomst zal door den vrederegter, tegen eenen bepaalden dag, vastgefteld worden, zoodanig nögtans, dat altijd tusfchen het doen der oproeping,en den dag, tot de bijeenkomst van den,familieerdad bepaald, een tusfchert= vak van ten minften drie dagen zij, wanneer alle de opge- roepene perfonen binnen de gemeente, of binnen den afftand van twee mijriameters(omtrent vier oude Ftanfche mijlen), woonachtig zijn. Zoo dikwijls onder de opgeroepene perfonen eenigen zijn 3 die verder dan den voorfchreven afftand wonen, zal die zijd verlengd worden met één dag voor elke drie mijtiameters(zes oude Franfche mijlen). Art. 412. De bloedverwanten, aangehuwden of wrienden, alzoo za mengeroepen zijnde, zullen verpligt zijn, zelve in perfood te verfcliijnen, of Zich door eenen daar toe bijzonderlijk gö- volmagtigden te doen vertegenwoordigen.[Deze gevolmage tigde zal niet meer dan één perfoon mogen vertegenwoot= digen; Art. 413. Elke bloedverwant, aangehuwde, of vriend, opgeroepen; ed zonder wettige reden tot verfchooning; niet verfchenen zijn- de, zal eene geldboete verbeuren, welke niet hooger dan vijftig francs zal mogen zijn, en waar in hij door den vredere é zonder hooger beroep, zal verwezen worden, : Art. 414. Zoo er eene voldoende reden tot verfchooning is, en het gefchikt kan worden ,om of hiet afwezeride lid af te wâchten 3 of het zelve door een ander te doen vervangen, zal de vrè- deregter in dit geval; geliijk’ook in alle andere gevallen, in gier 4 Ei Be NE.. ai, welke het voordeel van den minderjarigen zulks zal fchijner te vorderen, de bijeenkomst of tot eenen anderen dag Schuiven, of tot eenen nader te bepalen tijd uitftellen; Art. 415. Deze bijeenltomst zal van regtswege gehoude vrederegter; ten ware deze daar toe eene andere pla bepalen. De tegenwoordigheid van, ten minften dr der opgeroepene leden zal noodig zijn, om met elkande kunnen raadplegen, ka) bd Art. 416. In den familie-raad zal de wredèregter voorzitter zijn, die daar ín eene beraadflagende, en wanneer de ftemmen flake &ene beflisfende ffem zal hebben; hand d mp nn 82[. Boek, X. Titel, HI. Hoofdftuk. Art. 41/7. Wanneer de minderjarige, zijne woonplaats in Frankrijk hebbende, goederen in de koloniën bezit, of omgekeerd, zal de beheering dier goederen gegeven worden. aan eenen daar toe bijzonderlijk benoemden voogd., In dit geval zijn de voogd, ef deze bijzonderlijk benoem- de voogd, van elkander onafhankelijk, en de een is aan den ander wegens hunne wederzijdfche verrigtingen niet verant woordelijk. o Art. 418. De voogd zal in deze zijne betrekking handelen en beftu- ren, van den dag zijner benoeming af, zoo die in zijne ter genwoordigheid gedaan is, en_anders van den dag, dat des zelve aan hem is bekend gewórden. Art. 419. De voogdij is een perfoonlijke last, die op de erfgenamen van den voogd niet overgaat. De laatstgemelden zijn alleen verantwoordelijk voor het geen door hunnen voorzaat verrigt is; en zijn zij meerderjarig, zijn zij verpligt de voogdij zoo lang waar te nemen, tot dat een nieuwe voogd benoemd is, PIJFDE AFDEELING. Van den toezienden voogd. Art. 490. In elke voogdij zal een toeziende voogd zijn„door den fa« milie-raad benoemd, Zijne verpligtingen zullen beftaan in de belangen van den minderjarigen waar te nemen, wanneer de- zelve met het eigenbelang van den voogd ftrijden. Art. 421, Wanneer de post van voogd is te beurt gevallen aan ie- mand, die eenegder hoedanigheden bezit, in het eerfte, twee de en derde Hoofdftuk van dezen Titel hitgedrukt, zal deze voogd, alvorens zijnen post te aanvaarden, den familie-raad, zamengefteld volgens het voorfchrift der vierde Afdeeling, moeten doen bij één roepen, om eenen toezienden voogd te benoemen. s „Zoo hij zich de beheering heeft aangematigd, zonder aan dit vereischte voldaan te hebben, zal de familie-raad, het zij op verzoek der bloedverwanten, fchuldeifchers of andere be. langhebbende perfonen, het zij ambtshalve door den vrede- Van de voogdij. 8 tegter bijééngeroepen, den gemelden voogd, zoo er van zijne zijde bedrog heeft plaats gehad, de voogdij kunnen Ontnemen, onverminderd de actie tot fchadevergoeding aan den minderjarigen. Art. 420. In andere voogdijen, zal de benoeming van den toeziendeit voogd dadelijk na die van den voogd zelven plaats hebben. Art. 423. In geen geval, zal de voogd eene fltem hebben in de bè-= noeming van den toezienden voogd, welke, ret uitzonderin# Van het geval dat er volle broeders zijn, zal genomen wor- den uit die der twee lijnen, tot welke-de voogd niet bee hoort. Art. 424. De toeziende voogd zal van regtswegen den woosd niet vervangen ‚ wanneer de voogdij open(taat, of door des vooeds afwezendheid verlaten is, maar hij moet in zulk een geval de benoeming van eenen nieuwen voogd bewerkftelligen, op ftraffe van de fchaden en interesfen; die de minderjgrige daar door zoude mogen lijden; te moeten vergoeden. Art. 425: De post van toezienden voogd eindigt; op het zelfde tijd. flip, op het welk de voogdij eindigt. Art. 426. De bepalingen; vervat in de zesde en zevende Afdeelingen van dit Hoofdftuk, zijn ook toepasfelijk op toeziende voog- den. Echter kan de voogd de afzetting van den toezienden vooed hiet vorderen, noch ook in den familie-taad, ten dien einde biijfén geroepen, eene ftem uitbrengen. ZESDE AFDEELING: Van de redenen, die van de vooedij verfchoonen: Art. 427. Van de woogdij zijn verfchoond: De perfonen, in de 3, 5, 6, 8, 9, roen 11 Titels van de acte van conftitutie,„”van den 18den van bloeimaand des jaars 18045 opgenoemd, De regters van het Hof van casfätie, de Procureur gerie- taal des Keizers bij het zelve Hof, en Zijne fabftitüten. 4 4. Boek, X. Titel, II. Hoofdfluke De commisfarisfen, die wegens het beftuur der geldmide delen van het Keizerrijk verantwoordelijk zijn. De prefecten. Alle burgers, welke eene openbare bediening in een ander departement bekleeden, dan in het welk de voogdij valt: Art. 428. Insgelijks zijn van de voogdij verfchoond: De“militairen, in wêrkelijken dienst zijnde, en alle andere burgers, die buiten het grondgebied van het Keizerrijk„ na= mens den Keizer, eene zending hebben, Art. 429, Zoo deze zending niet blijkbaar is, maar betwist wordt 3 zal het ontflag niet verleend worden, dan na dat de geen, die zich op deze zending beroept, eene verklaring zal heb- ben overgelegd van den Minister, tot wiens ministerie de zending behoort, welke men als eene reden tot verfchooning heeft bijgebragt, Art. 430. De burgers, eenige hoedanigheid bezittende, in de vorige Artikelen uitgedrukt, welke de voogdij hebben aangenomen„ na dat zij de ambten, bedieningen of zendingen, die daar van verfchoonen; reeds bezaten, zullen uit dien hoofde niet tot eenige verfchooning mogen worden toegelaten, Art. 431. Zij, daar en tegen, aan wien de gemelde ambten, bedie- ningen, of zendingen worden opgedragen, na dat zij reeds eene voogdij aangenomen en aanvaard hebben, zullen, zoo ‘ zij die voogdij niet willen behouden, binnen eene maand, den: familie-raad mogen doen bijéénroepen, ten einde een ans der in hunne plaats“werde gefteld. Indien, bij het eindigen van deze ambten, bedieningen, of zendingen, de nieuw aangeftelde voogd zijn ont{lag be- geert, of ook de oude voogd de voogdij te.rug vordert, zal ezelve aan hem door den familie-raad mogen worden terug. gegeven. Art. 432. Een burger, geen bloedverwa mt, noch aangehuwde zijnde, kan* niet gedwongen worden de voogdij aan te nemen, dan alleenlijk in het geval, dat binnen den afftand van vier mijria- meters Comtrent acht oude Franfche mijlen ,) geene bloed- verwanten of aangehuwde vrienden gevonden worden, om de voogdij op zich te nemen, Art. 433e ie Ben Van de voogdij. 85 à Art. 433. leder, die den vollen ouderdom van vijf en zestig jaren bereikt heeft, kan weigeren voogd te zijn. Hij, die, vóór het bereiken van dezen ouderdom, daar toe benoemd is, kan, met zijn zeventigfte jaar, zich van de voogdij doen ontflaan. Art. 434. Jeder, die aan eene zware, aanhoudende ziekelijkheid kwijnt, mits behoorlijk bewezen zijnde, wordt verfchoond van de voogdij. Hij kan er zich zelfs wan doen ontflaan, wanneer deze bijblijvende ziekelijkheid hem, na de benoeming als voogd, is aangekomen, Art. 435. De last van twee voogdijen is voor een ieder eene wettie ge reden tot verfchooning, om eene derde voogdij niet aan te nemen. Al wie, echtgenoot of vader zijnde, reeds met eene vooge dij belast is, kan niet verpligt’ worden eene tweede aan te nemen, uitgenomen die van zijne kinderen. Art. 436. o Zij, die vijf wettige kinderen hebben, zijn verfchoond van elke andere voogdij, behalven die van gemelde kinderen. Kinderen, die in werkelijken dienst, in des Keizers legers, het leven gelaten hebben, worden altijd mede gerekend, om deze verfchooning te bewerken. Andere overledene kinderen worden niet mede gerekend, dan voor zoo verre zij zelve kinderen hebben nagelaten, die nog werkelijk in leven zijn. Art. 437. De geboorte van kinderen, gedurende de voogdij, levert geene reden op, om de voogdij neder te leggen.- Art. 438. Indien de benoemde voogd bij het befluit, waar bij hem de voogdij wordt opgedragen, tegenwoordig is, zal hij dadelijk„sen op ftraffe van tot alle verder beroep op redenen van verfchooning niet ontvankelijk te zijn, zijne redenen van verfchooning moeten voorftellen, waar over de familie- raad zal raadplegen. Art. 439. Zoo de benoemde voogd bij het beftuit, waar bij hem de voogdij wordt opgedragen, niet is tegenwoordig ge- weest, kan hij den familie-raad doen bijéénroepen, om over zijne redenen van verfchooning te raadplegen. F 3 Zijn 85£. Boek„ X, Titel, HI. Hoofdfluke Zijn aanzoek tot dit einde moet plaats hebben binnen den tijd van drie dagen, te rekenen van den dag, dat de benoe ming ter zijner kennis gekomen is: deze tijd zal vermeerderd worden met één dag voor elke drie mijriameters(omtrent zes oude Franfche mijlen) afftands van zijne woonplaats, tot die waar de voogdij gevallen is: na verloop van dien tijd zal hij niet meer tot verfchooning ontvankelijk zijn, Art. 440. Zoo zijne redenen van verfchooning verworpen zijn, kan hij zich bij de regtbanken vervoegen, om die redenen ge- grond te doen verklaren; hij zal echter, hangende het pro- ces, gehouden zijn, middelerwijl de voogdij waar te nemen. Art. 441. er Zoo het hem gelukt, om het ontflag van de voogdij te bekomen, kunnen de genen, die zijne redenen van verfchoo- ning verworpen hebben, in de kosten van de inftantie vere wezen worden. Zoo hij in* ongelijk gefteld wordt, zal hij zelf daar ir verwezen worden. ZEVENDE AFDEELING. Wan de onbevoegdheid tot, en de uitfluiting en afzetting van de voogdij. Art. 442. Voogden of leden van den familie-raad mogen niet zijns 19. Minderjarigen, uitgenomen vader of moeder; 2%. Zij, aan wien het beheer hunner. goederen ontno- men is5 3°. Vrouwen, uitgenomen de moeder, en vrouwelijke bloedverwanten van de opgaande linies 4°. Allen, die zelf, of wier vadêr of moeder, met den minderjarigen een proces hebben, waar in, de flaat van den minderjarigen, zijn fortuin„of een aanmerke« lijk gedeelte zijner. goederen, betrokken zijn. Art. 443. De veroordeeling tot eene lijtftraf, of tot eene infameren- de{lraf, brengt van regtswege de witfluiting van de voog- dij mede,—- Zij veroorzaakt zelfs de ontneming van de voogdij, zoo die aan den veroordeelden te. voren was op= gedragen. Art. 44, Van de voogdij.$7 Art. 444. Oak zijn van de voogdij uitgefloten, en kunnen zelfs, zoo zij die voeren, daar van ontzet worden: 19. De genen, die een bekend flecht levensgedrag hou- dens, 29, Zij, die in de waarneming der voogdij hunne onbee kwaamheid of ontrouw aan den dag leggen. Art. 445. pi leder, die van de voogdij uitgefloten of daar van ontzet is, kan geen lid zijn van eenen'familie-raad. Art. 446.° Zoo dikwijls er grond is om eenen voogd af te zetten, zal daar over geoordeeld worden door den familie-raad, tot dat einde, door den toezienden voogd, of ambtshalve door den vrede-regter, bijééngeroepen. Deze kan zich aan deze bijéénroeping niet onttrekken, wanneer dezelve behoorlijk verzocht wordt door één of meer bloedverwanten, of aangehuwde vrienden van den min-= derjarigen, tot den graad van vollen neef, of ook in nade- ren graad beftaande. Arte 447. Alle befluiten van den familie-raad, waar bij een voogd uitgefloten. of afgezet wordt, zullen met redenen bekleed moeten zijn, en kan zoodanig befluit niet- genomen wor- den, dan na alvorens den voogd gehoord of geroepen te hebben. 9 Art. 448. Indien de voogd in het befluit berust, zal daar van mel- ding worden gemaakt, en de nieuwe voogd zal dadelijk zijne bediening aanvaarden. Indien hij er zich tegen verzet, zal de toeziende voogd de bekrachtiging van het befluit bij de regtbank van de eerfte inftantie verzoeken, die daar over uitfpraak zal doens behoudens hooger beroep. De voogd, die uitgefloten of afgezet is, kan, in dit ge- val, zelf den toezienden voogd doen dagvaarden, ten einde hij in de voogdij gehandhaafd worde. Art. 449. De bloedverwanten of aangehuwde vrienden, die de bij éénroeping gevorderd hebben, kunnen zich in de zaak voe- gen, welke behandeld en uitgewezen zal worden, als eene zaak, die dringenden fpoed vereischt, F 4 ACHT: 83 L. Boek, X. Titel, II, Hoofdftuk, ACHTSTE AFDEELING. KO Van het beftuur van den voogd. Art. 450. De voogd zal voor den perfoon van den minderjarigen zorg dragen, en denzelven in alle burgerlijke handelingen vertegenwoordigen. Hij zal zijne-“goederen befturen, zoo als het een goed huisvader past, en verantwoordelijk zijn voor de fchaden en interesfen, die uit eene verkeerde handelwijze zouden kunnen voortvloeijen. Hij kan de goederen van den minderjarigen noch koopen, noch huren, ten ware de familie-raad den toezienden voogd gemagtigd heeft, om met hem eene huur-cedul daar van aan te gaan; noch ook de overdragt van eenig regt, of in= fchuld op zijnen pupil, aannemen. Art. 451. Binnen de tien dagen, op zijne benoeming volgende, na dat dezelve behoorlijk ter zijner kennis gekomen is, zal de voogd de ontzegeling der goederen, zoo die verzegeld zijn geworden, vorderen, en dadelijk met het inventariferen der goederen van den minderjarigen, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, doen voortgaan. Indien de minderjarige‘hem ‚iets verfchuldigd is, moet hij zulks bij den inventaris opgeven, op ftraffe van zijne fchuldvordering te verliezen, en zulks op de aanvrage, wel« ke de openbare ambtenaar verpligt zal zijn hem deswegen te doen, waar van in het proces-verbaal melding zal worden gemaakt. Art. 452, Binnen eene maand, na het fluiten Van den inventaris, zal de voogd, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, bij verhooging of opflag, door eenen openbaren ambtenaar op te nemen, en na gedane aanplakkingen en af« kondigingen, waar van in het proces-verbaal mélding zal worden gemaakt, alle de roerende goederen doen verkoopen, behalven die gene, welke de familie-raad hèm gemagtigd heeft in natura te bewaren. Art. 453. De vader én moeder, voor zoo verre zij zelve het genot éer goederen van den minderjarigen volgens de wet hebben, br 5 zijn, h dk Van de voordij. 85 zijn wrijgelteld van het verkoopen der roerende goederen, zoo zij verkiezen dezelve te bewaren, om ze naderhand vatura te rug te geven. In dit geval zuilen zij, ten hunnen kosten, die goederen naar derzelver opregte waarde doen waarderen door eenen deskundigen, die door den toezienden voogd zal benoemd worden, en de deugdelijkheid zijner begrooting. voor den vrede-regter zal beëedigen. Zij zullen de begroote waarde van zoodanige roerende goederen, welke zij niet in natura kunnen opleveren, moeten voldoen. Art. 454. Bij het aanvaarden van elke voogdij, uitgenomen die, welke door wader en moeder gevoerd wordt, zal de fami- lie-raad, naar eenen algemeenen, overflag, en naar de aan gelegenheid der goederen, die beftuurd moeten worden, het beloop der fomme, welke de minderjarige jaarlijks zal kun= nen verteeren, gelijk ook de kosten voor de beheering zij ner goederen, bepalen. Dezelve acte zal ook bepalen, of de voogd gemagtigd is, om in zijne beheering één of meer bijzondere loon- trekkende adminiftrateurs, die alles onder zijne, verantwoore delijkheid verrigten, bij zich tot medehelpers te nemen. Art. 455. Deze familie-raad zal(tellig bepalen, hoe groot de fomme moet zijn, welke den voogd onder de verpligting ftelt, om het geen van de inkomften, na aftrek der vwerteering, overfchiet, ten nutte van den minderjarigen te moeten be= leggen: deze belegging zal: moeten gedaan worden binnen den tijd van zes maanden; na verloop van. welken-de voogd, die gelden niet belegd hebbende, de renten daar van zelf zal verfchuldigd zijn. Art. 456. Zoo de voogd door denefamilie-raad niet heeft doen be- palen de fomme; welke belegd moet worden, zaf hij, na den tijd, bij het vorige Artikel bepaald, de renten van al het geld, het welk hij niet belegt, hoe weinig het zelve ook wezen moge, verfchuldigd zijn. Art. 457. De voogd, zelfs de vader of moeder, kan ten behoeve van den minderjarigen geen. geld opnemen, noch zijne. ons roerende goederen vervreemden of verpanden, zonder daar toe door den familie-raad gemagtigd te zijn. Deze magt moet niet verleend worden, dan uit hoofde eener volftrekte noodzakelijkheid, of een klaarblijkend voor- deel, F 5 In 9e L. Boek, X. Titel, IJ. Hoofdfluk. In het eerfte geval, zal de familie-raad deszelfs toefteme ming niet verleenen, dan na dat bij eene fummiere rekening, ten dien einde door den voogd overgelegd, bewezen is, dat de gelden, roerende goederen, en inkomften van den minder- jarigen„ ontoereikende zijn. De familie-raad zal, in allen gevalle, de onroerende goe= deren aanwijzen, die bij voorkeur moeten ‚verkocht worden; als mede de voorwaarden, op welken die verkoop geoordeeld wordt‘het voordeeligst te kunnen gefchieden, Art. 458. De befluiten van den familie-raad, betrekkelijk dit onder= werp, zullen niet ten uitvoer worden gebragt, dan na dat de voogd de goedkeuring van de regtbank der eerfte in {tantie ten dien einde verzocht en bekomen heeft, die daar over in de raadzaal, en na den Procureur des Keizers des= wegen gehoord te hebben, uitfpraak zal doen. Art. 459, De verkooping zal gefchieden in het openbaar, in tegen- woordigheid van den toezienden voogd, en zulks bij ver- hooging of opflag, door een lid van de regtbank van de eerfte inftantie, of door eenen notaris, ten dien einde be noemd, op te nemen, en na dat, op drie achtereen vols gende zondagen, op de gewone plaatfen van het canton, daar van drie aanplakkingen zijn gedaan. Elk dezer aanplakkingen zal gevifeerd en verklaard wor= den door den maire der gemeenten, in welken zij gedaan zijne Art. 460. De formaliteiten, bij Art. 457 en 458 gevorderd, tot de vervreemding der goederen van den minderjarigen, zijn niet toepasfelijk op het geval, dat bij een vonnis, op aanhou- den van één der onverdeelde mede-eigenaars, de verkooping bevolen was. Alleenlijk zal de verkooping, in zoodanig geval, niet an- ders mogen gedaan worden, dan op de wijze, bij het vo« rige Artikel bepaald: vreemden moeten ook tot die verkoo« ping toegelaten worden. Art. 46T. Een voogd kan eene erfenis, op den minderjarigen ver- vallen, noch aanvaarden, noch verwerpen, zonder vooraf gaande autorifatie van den familie-raad. De aanvaarding zak geene plaats hebben, dan onder beneficie van inventaris. Art. 469, Van de voogdij. or Art. 462. In geval de erfenis, die namens bean minderjarigen ver- worpen is, door een ander niet aanvaard wordt, zal zij weder aangenomen kunnen worden, het zij door den voogd„ daar toe bij een nieuw befluit van den famil ie- raad geautorifeerd’, het‘zij door den minderjarigen, meerderjarig geworden zijn- de, echter in zoodanigen taat, ch op het. tijd(tip, dat zij weder aangenomen rn an ki, en zonder de verkoopingen en andere handelingen, die, gedurende den tijd dat zijn, te kunuen die erfenis open ftond, betwisten. gedaan, kan door den op autorifatie van gifte, aan den min ye iet worden aangenomen, nilie-raad. Zij zal, ten je re ar van den minderjarigen, dezelfde gee volgen hebben, als ten opzigte van eenen meerderjarigen. Art. 44. Geen voogd mag eene actie aanleggen, betrekkelijk de onroerende regten van den minderjari 3 noch ook berus- ten in eenen eisch, tot dezelve betrekkel ijk, zonder: de au- torifatie van den familie-raad. Art. 465. Deze autorifatie heeft de lg ook noodi om fcheiding of verdeeling te eifchen; doch hij ke deze autorifatie, antwoorden op eenen eisch tot a a tegen den minderjarigen gedaan. Art. 466.: ar met betrekking tot den minderjarigen, alle. gevolgen bekomen, die tusfchen meerderjarigen plaats hebben, de verdeeling geregtelijk moeten gefchieden, en voorafgegaan worden door eene begrooting van deskundigen, daartoe 4 bij de regtbank van de eerfte in(tantie, ter plaatfe waar de erfenis gevallen is, benoemd. Deze| lieden zullen, na alvorens dén eed in handen van den prefident van dezelve regtbank, of van een ander reg- ter, door hem daar toe benoemd, te hebben afgelegd, dat ij hunnen. post wel en getrouwelijk zullen waarnemen E EE à eeling van de erfenis, en de bepaling der loten overgaan„ zullende die loten in tegenwoordigheid, het zij van een lid van de regtbank, of van eenen. notaris, door denzelven benoemd, die dezelve zal uitdeelen, getro okker Bd a) 3 op) L Boek, X. Titel, II, Hoofdfluk. Alle andere verdeeling wordt niet anders aangemerkt, dan als bij provifie gedaan te zijn, Af. 4Ope 1e De voogd zal geene transactie, namens den minderjari» ‘gen, mogen aangaan, dan na daar toe alvorens door den familie-raad geautorifeerd te zijn, en op het advijs van drie regtsgeleerden, daar toe door den Procureur des Keizers bij de regtbank van de eerfte inftantie benoemd. De transactie zal alleenlijk van waarde zijn, wanneer zij door de regtbank van de eerfte inftantie, na daar over den Procureur des Keizers gehoord te hebben, bekrachtigd is, Art. 468, Een voogd, die zware redenen van misnoegen heeft over het gedrag van den minderjarigen, zal zijn beklag kunnen doen aan eenen familie-raad, en, bijaldien hij daar toe door denzelven wordt geautorifeerd, de opfluiting van den min- derjarigen in de gevangenis kunnen vorderen, overeenkomftig het geen, ten dien opzigte, in den Titel, van de vaderlijke magt, bepaald is. NEGENDE AFDEELING. Van rekening en verantwoording der voogdij. Art. 469. Elke voogd is, bij het eindigen der voogdij, verpligt tot het doen van rekening en verantwoording. Art. 470. Elke voogd, behalve vader en moeder, kan ook vers pligt worden, zelfs gedurende den loop der voogdij, om aan den toezienden voogd eenen ftaat van zijne vwerrigtin- gen ter hand te flellen, op zoodanige tijden, als de fami- lie-raad noodig zoude mogen oordeelen te bepalen, zonder dat nogtans de voogd kan genoodzaakt worden, om zulks meer dan éénmaal in het jaar te doen. Deze ftaten zullen opgemaakt en overgeleverd worden, zonder daar voor eenige kosten te mogen berekenen, op ongezegeld papier, en zonder eenige formaliteit van regten. Art. 471.' De eindelijke voogdij-rekening zal gedaan worden ten kos- ten van den minderjarigen, wanneer hij zijne meerderjarig- heid neen Van de voozdif. 93 heid bereikt, of zijne emancipatie bekomen zal hebben, waar toe de voogd de kosten zal voorfchieten. Men zal daar in aan den voogd goeddoen alle voor= fchotten, die behoorlijk bewezen zijn, en een nuttig doel hadden, Art. 472. Elke handeling, die tusfchen den voogd en den minder- jarigen, meerderjarig geworden zijnde, plaats zoude mogen hebben, zal nietig zijn, zoo niet vooraf door den voogd eene omf{tandige rekening en verantwoording, met overleg- ging der noodige bewijsftukke n, gedaan is: van dit alles moet blijken door eene fchriftelijke erkentenis van den geen, aan wien de rekening gedaan is; ten minften tie dagen vóór de handeling afg gegeven. Art. 473. Zoo deze rekening en_ verantwoording posten inhoudt, die betwist worden, zal het gefchil deswegen behandeld en uitgewezen worden, even als alle andere burgerlijke regtza= ken. Art. 474 Het flot van de rekening en verantwoording, door den voogd verfchuldigd, zal, zonder dat zulks geë sischt wordt, renten geven van den dag af, dat gemel ide rekening geflo- ten ís. De renten, van het geen de minderjarige aan den voogd fchuldig blijft, zullen niet loopen, dan van den dag der fommatie tot betaling, na het fluiten van de rekening en verantwoording gedaan. Art. 47 5e Alle actie van den minderjarigen„tegen zijnen voogd, be- trekkelijk de verrigtingen der voogdij, verjaart met tien ja= fen, te rekenen van den dag der meerderjarig gheid, DRO UEDS CUE. Wan emancipatie, of ontflag uit de magt van ouders of voogden, Art. 476. De minderjarige wordt naar regten, door het aangaan van sen huwelijk, geëmancipeerd. Art. 477 B d k O4 Z. Boek, X. Titel, II. Hoofdftuk. Art. 477. Een minderjarige, zelfs die ongehuwd is, kan door zijneft vader, of, bij ontbreken van den vader, döbr de moeder; geëmancipeerd worden, wanneer hij volle vijftien jaren bes reikt heeft. Deze emancipatie gefchiedt door de enkele verklaring van den vader of moeder, voor den vrede-regter, in het bijwes zen van deszelfs griffier, gedaan. Art. 478. De minderjarige, zonder vader of moeder achtergebleven zijnde, kan ook, wanneer hij flechts den wollen ouderdom van achttien jaren bereikt heeft, geëmancipeerd worden, zoo de familie-raad hem daar toe bekwaam oordeelt, In dit geval, zal de emancipatie volgen uit het befluit; het welk hem daar toe autorifeert, en uit de verklaring van den vrede-regter, als prefiedent van den familie-raad, bij dee zelve acte gedaan, dat de minderjarige geëmancipeerd is. Art. 479. Wanneer de voogd geen aanzoek gedaan heeft, om dert minderj jarigen, van wien in het vorige Atl gefproken is 4 te emanciperen, en één of meer der bloedverwanten, of aan- gehuwde vrienden van den minderjarigen, in den graad var vollen neef, of ook in eenen naderen graad beftaande, den- zelven bekwaam oordeelen, om geëmancipeerd te worden; kunnen zij den vrede-regter verzoeken, om den familie-raad bijéén te roepen, ten einde daar over te raadplegen, IJ je De vrede-regter zal aan dat verzoek moeten voldoen, Art. 490. De rekening en verantwoording van de voogdij zal aar den minderjarigen, die geëmancipeerd is, met adfiftentie vant eemen curator, aan hem door den familie-raad toegevoegd; gedaan worden. Art. 481. De minderjarige, die geëmancipeerd is, mag huur-contrac- ten aangaan, mits niet langer dan voor negen jaren; hj zal zijne inkomften ontvangen, en daar voor kwitantie geven; en el: alle daden mogen verrigten, die alleen de zuivere ad- niniftratie betreffen, zonder tegen deze- daden eenigzins irt zijn geheel herfteld te kunnen worden, in zoodanige geval- len, in welken de meerderjarige niet herftelbaar zijn zoude, Art. 482, Hij zal geene actie, betreffende ontoerende goederen, mo= gen aanleggen; hoch zich daar tegen verdedigen, zelfs geen kapitaal, tot roetend goed betrekkelijk, mogen ontvangen, nocli daar Van emancipatie. vs daar voor kwitantie geven, zonder bijftand van zijnen cura= tor, die, in het laat{te geval, zal zorgen, dat het ontvan. gen kapitaal behoorlijk belegd worde, Art. 483. De minderjarige, welke geëmancipeerd is, mag geene gelda leeningen doen, onder welk voorwendfel ook, zonder toe ftemming van den familie-raad, door de regtbänk vande eerfte inftantie, na daar over den Procureur des Keizers gea hoord te hebben, bekrachtigd. Art. 484. Hij zal ook zijne onroerende goederen niet togen verkoo- pen, noch vervreemden, noch eenige andere daad verrigten 4 dan die van zuivere adminiftratie, zonder dat hij-daar bij in acht neme de formaliteiten, aan eenen minderjarigen,‘die niet geëmancipeerd is, voorgefchreven. Ten opzigte der verbindtenisfen, welke hij, bij wege van koop of anderzins, zoude mogen hebben aangegaan, deze zullen vernietigd kunnen worden, bijaldien zij buitenfporig zijn; de regtbanken zullen ten dien opzigte in aanfchouw nemen het vermogen van den minderjarigen, de goede of kwade trouw der genen, die met hem gehandeld hebben, en het nut of de nutteloosheid der uitgave. Art, 485. Een minderjarige, die geëmancipeerd is, en wiens aange- gane verbindtenisfen, uit krachte van het vorige Artikel, zijn teniet gedaan, kan van het voorregt der emancipatie ontzet worden, het welk hem zal ontnomen worden, met in achtneming van dezelfde formaliteitën, die bij het doen der emancipatie hebben plaats gehad. Art. 486. Van den dag af, dat de emancipatie is ingetrokken, zal de minderjarige onder de voogdij te rug komen, en daar onder blijven, tot dat hij zijne meerderjarigheid ten vollen bereikt zal hebben, Art. 487. De minderjarige, die, geëmancipeerd zijnde, koophandel drijft, wordt geacht meerderjarig te zijn in alle handelingen, die tot den koophandel betrekking hebben. 3 Boek, XI, Titel, 1. Hoofdfuk. EIL EDE TIE POR VAN MEERDERJARIGHEID, CURATEELE;) EN GERECS{ 8 8 TELIJKE ADSISTENTIE. [Wastgefteld den ooften van Lentemaand 1803, en afgekondigd den Sften van Grasmaand.] EERSTE HOOFDSTUK | Van meerderjarigheid.| odio middag: él De meerderjarigheid wordt bepaald op den volkomen ou=| derdom van één en twintig jaten: op die jaren is men be= Î kwaam tot alle handelingen van het burgerlijk leven, onvet= Ï minderd de bepaling, in den Titel van het huwelijk vervats il TWEEDE HOOFDSTUK Van curateele. ) Art. 489: De meerderjarige, die zich in eenen gedurigen ftaat van Onnoozelheid, dwaasheid, of krankzinnigheid bevindt, moêt van het beftuur zijner goederen ontzet worden, al is het, dat hij tusfchen beiden verftandige oogenblikken heeft. \ Art. 490. \Elk bloedverwant is bevoegd, om curateele over zijnen bloedverwant te verzoeken, Het zelfde heeft ook plaats in den eenen echtgenoot ten opzigte van den anderen, Art. 491. In geval van krankzinnigheid, indien de curateele noch door den echtgenoot, noch door de bloedverwanten ver- zocht wordt, is de Procureur des Keizers daar toe verpligt dt @.v Van curateele,& 9% die, in geval van onnoozelheid of dwaasheid, dezelve ook mag vorderen tegen iemand, die noch echtgenoot, noch echtgenoote, noch bekende bloedverwanten heeft, Art. 492. Alle verzoek tot curateele“zal gedaan worden aan de regtbank van de eerfte inftantie. Art. 493. De daden van onnoozelheid, dwaasheid, of krankzinnig heid, zullen artikelswijze in gefchrift moeten vervat worden. Zij, die- curatecle verzoeken, zullen de getuigen en de bewijs-ftukken moeten overleggen. Art. 494. De regtbank zal gelasten, dat de familie-raad, te zamen» gefteld op de wijze, bij de vierde Afdeeling, van het tweede Hoofdftuk, van. den Titel vag minderjarigheid, voogdij en emancipatie, bepaald, deszelfs gedachten opgeve, omtrent de gefteldheid van den perfoon, over wien curateele verzocht wordt. Art. 495, Zij, die curateele verzocht hebben> kunnen geene leden van den familie-raad zijn: nogtans kunnen de man of vrouw, en de kinderen van den geen, tegen wien curateele verzocht wordt, daar bij toegelaten worden, zonder eene raadplegende ftem te hebben. Art. 406. De regtbank, het begrip wan den familie-raad ingewonnen hebbende, zal den verweerder in de raadzaal ondervragen 3 zoo hij aldaar niet komen kan» Zal hij in zijne woning door één der regters, tot dat einde benoemd, in bijwezen van den griffier, ondervraagd werden,— En zal de Procureur des Keizers, in allen gevalle, bij de ondervraging tegen« woordig zijn. Art. 497. Na de eerfte ondervraging, zal de regtbank, zoo daar toe redenen dienen, eenen provifionelen beftuurder aanftellen, om den perfoon en de goederen van den verweerder gade te flaan. Art. 498. Het vonnis, op een verzoek van cyrateele, zal moeten uitgefproken worden in de openbare gehoorzaal, partijen daar op gehoord, of daar toe geroepen zijnde, Art. 409. Offchoon het verzoek van curateele wordt van de hafd gewezen, kan de regtbank niettemin, wanneer de omftan= G ë 613» 98 7. Boek, XL Titel, Ie Hoofdffuk. digheden, het vereifchen, gelasten, dat de verweerder bij vervolg niet meer zal mogen proces voeren, tranfigeren; geldleeningen doen, kapitalen, tot zijne roerende goederen behoorende, ontvangen, noch daar voor kwitantie geven; noch ook zijne goederen vervreemden, bezwaren of verpane den, zonder bijftand van eenen raadsman, die hem bij hete ‘zelve vonnis zal toegevoegd worden. Art. 500. In geval van het vonnis, ter eerfte inftantie gewezen, geap= pelleerd wordt, mag het Hof van appél, zoo hetzelve zulks noodzakelijk oordeelt, den geen, tegen wien curateele ver- zocht wordt, op nieuw ondervragen, of door eenen com misfaris doen ondervragen. Art. sor. Alle vonnisfen, waar bij eene curateele verleend, of een raadgever benoemd wordt, zullen, op danhouden der vere zoekers, geligt, aan partijen geïnfinueerd, en, binnen tien dagen, worden ingefchreven op de tabellen of borden, wel- ke in de gehoorzaal mosten worden aangeplakt, als mede op de kantoren der notarisfen van het arrondisfement. Art, 5o2. De curateele, of benoeming van eenen raadgever, zal hare werking hebben, van den dag van het vonnis.— Alle han- delingen, die daar na door den genen, die onder curateele gefteld is, of zonder den bijftand van den raadgever, verrigt zijn, zullen naar regten nietig wezen. Art. 503. De handelingen, welke vóór de cugateele hebben plaats gehad, kunnen vernietigd worden, wanneer de oorzaak der curateele blijkbaar beftond op het tijdftip, dat die handelin- gen gedaan zijn. Art. 504. Na iemands dood, kunnen de-door hem gedane handelin= gen, op grond van zijne krankzinnigheid, niet betwist wars den, dan in geval de curateele vóór zijn overlijden was ver- leend of verzocht; ten ware, het bewijs der krankzinnigheid voortvloeit uit de handeling zelve, die betwist wordt. Att, 405. _ Indien van‘het vonnis van curateele, ter eerfte inftane tie gewezen, niet geappelleerd is, of het zelve in ap+ pél bekrachtigd is, zal, in het benoemen van eenen voogd ‚ En van eenen toezienden voogd over den ge nen, die onder curateele gefteld is, voorzien worden, Over= eenkomftig de regels, in den Titel, van minderjarigheid, voog. À ë p: kg is le re Ne ef ts er Van curateelt, 03 voogdij en emancipatie, voorgefchreven. De bij provifie aan. gefielde beftuurder zal zijnen post nederleggen, en aan den voogd rekening doen, zoo hij zelf niet tot voogd benoemd is. Art. 506. De man is, van regtswege, de voogd vän zijné vrouw s die onder curateele gefteld wordt. Art. 507. De vrouw kan beroemd worden tot woogdesfe over haren man. ln dit geval, zal de familie-raad den vorm en de voorwaarden der beftiering regelen, behoudens het regt var de vrouw„ om zich aan de regtbanken te beklagen, zoo zij vermeent, door het befluit var den familie-raad benadeeld te zijn. Art. 508. Niemand, uitgezonderd echtgenooten, en bloedverwanten van de opgaande of nederdalende linie, is verpligt de voog- dij van iemand, die onder curateele gefteld is, langer dan tien jaren te behouden.— Na verloop van dien tijd, kan de voogd verzoeken, dat een ander in zijne plaats gefteld worde, en dit verzoek moet aan hem worden verleend; Art. 5og. Hij; die onder curateele gefteld is, ftaat gelijk met eenen minderjarigen, ten, aanzien van zijn perfvon en van zijne goederen. De wetten omtrent de voogdij van minderjarigen,* zijn toepasfelijk op de voogdij over perfonen;, die onder curateele gefteld zijn, Art. 51e. De inkomften van iemand, die onder curateele gefteld is 3 inoeten noodzakelijk befteed worden, om zijn lot te ver- zachten, en zijne geneezing te bevorderen. Volgens den aard Van zijne ziekte, en den ftaat zijner bezittingen, mag de fas milie-raad befluiten, dat hij in zijne woning zal worden vers zorgd, of in een zieken-huis, of zelfs in een hospitaal zal worden geplaatst. Art. Str. Wanneer een kind van iemand, die onder curateële gefteld is, zich ten huwelijk zal begeven, zal de bepaling van het hu- welijks-goed, of de uitkeering van zijn aanbeftorvenn goed, ex verdere-huwelijks-bedingen, geregeld wotden doot een befluit van den familie-raad, het welk door de regtbank 3 op de conclufiën van den Procureur des Keizers, bekrach- tigd wordt, G 2 Aù. 513 | | t[ 109 ZL Boek, XI. Titel, IT. Hoofdftuk. Art. 51e. De curateele. eindigt, wanneer de oorzaken ophouden, die dezelve bewerkt hebben. Nogtans zal de opheffing van de- zelve niet verleend worden, dan met in achtneming der for maliteiten, bij de wet voorgefchreven, om curateele te beko- men, en zal de geen, die onder curateele gefteld is, de uitoefening zijner regten niet weder kunnen hervatten, dan na dat het vonnis tot opheffing is uitgefproken. DERDE HOOFDSTUK, Van de regterlijke adfiftentie. Art. 513. Aan verkwisters kan verboden worden, ín regten te ftaan; te tranfigeren, gelden ter leen op te nemen, een kapitaal, tot roerend goed betrekkelijk, te ontvangen, en daar voor kwitantie te geven, hunne goederen te vervreemden, of met hijpotheken te bezwaren, zonder den bijftand van eenen raadgever, die hun door de regtbank toegevoegd is, Art. 514. Het verbod„om niet zonder den bijftand van eenen raadgever te handelen, kan door de genen, die het regt hebben om curateele te verzoeken, verzoeht worden; hun verzoek wordt op dezelfde wijze behandeld en beoordeeld, Dit verbod kan niet opgeheven worden, dan met in achte neming van dezelfde formaliteiten. Art. 515. Geen vonnis, in zaken van curateele, of van benoeming van eenen raadgever tot adfiftentie, kan, het zij ter eerfte inftantie, het zij in appél, gewezen worden, dan op de conclufiën van den openbaren aanklager. TWEE: zaag (le t c nn Kn AW EBD Boer--0O Belk VAN GOEDEREN, EN DE VERSCHILLENDE WIJZIGIN= GEN VAN EIGENDOM, © MAB are ReBneReleT EL. VAN DE ONDERSCHEIDENE SOORTEN VAN GOEDEREN, [Wastgefteld den a5ften van Louwmaand 1804, en afgekondigd den aden van Sprokkelmaand.] Art. 516. Alle goederen zijn roerende of onroerende, EERSTE HOOFDSTUK, Van onroerende goederen, Art. 517, Goederen zijn onroerende, of uit hunnen aard, of door hunne beftemming, of door het onderwerp, waar op zij wors den toegepaste Art. 518. Landerïien en gebouwen zijn uit hunnen aard onroerende goederen. Art. 519. Wind- en watermolens, op palen ftaande, en een gedeel. te van het gebouw uitmakende, zijn ook uit hunnen aard onroerende goederen, Art. 520, Veldgewasfen, die met hunne wortels in den grond vast zijn, en boomvruchten, die nog niet geplukt zijn, worden mede voor onroerende goederen gehouden, G 3 Zoo zor II. Boek, 1. Titel,£. Hoofdfluk. Zoo ras de granen afgemaaid, en de vruchten afgeplukt zijn, worden zij, offchoon nog niet weggevoerd zijnde, als roerende goederen aangemerkt. Indien flechts een gedeelte van de veldgewasfen gemaaid is, is dat gedeelte ook.alleen roerend goed, Art. 52. Het gewone fchaarhout van kapbosfchen, of wan hoog: ftammige boomen, in hoopen verdeeld, wordt niet eerder roerend goed, dan in zoo verre en naar mate het hout is afgehakt, ò Art. 522. Beesten, doer den eigenaar van land, aan den pachter of meijer tot het bearbeiden van het land gegeven, het zij gewaardeerd of niet, worden voor onroerende goederen ge- houden, zoo lang dezelve, uit hoofde der gemaakte over- eenkomst, aan dat landgoed verbonden zijn. De. beesten, welken de eigenaar aan andere perfonen, dan aan den pachter of meijer verhuurt, behooren onder roeren- de goederen, Art. 523 n Buizen of goten, die tot waterleiding in een huis of an- der erf dienen, zijn onroerende goederen, en maken een ge= deelte uit van het erf, waar toe zij behooren, Art. 524. Zulke dingen, welke de eigenaar van een erf daar op ge= plaatst heeft, ten dienfte en ter bearbeiding van het zelve, behooren, uit hoofde van hunne beftemming, tot onroeren= de goederen. Dienvolgende zijn de nagemelde zaken, uit hoofde van derzelver beftemming, onroerende, wanneer zij door den eigenaar, ten dienfte en ter bearbeiding van het erf, op het zêlye geplaatst zijn: De beesten, tot de bebouwing gebruikt wordende. Bouw-gereedfchappen. De zaden, die aan de pachters of aan deelhebbende landbouwers gegeven zijn. De duiven der duiventillen of duivenvlugten, De konijnen in de konijnbergen. De bijenkorven, De visfchen, die zich in de vijvers bevinden. De perfen, ketels, disteleer-ketels, kuipen en vaten. Dez noodige gereedfchappen, tot fmederijen, papiermä- kerijen en andere fabrijken, r Het ftroo en de mest, Ook Pan onroerende goederen. 103 Ook worden voor onroerende, door’ hunne beftemming, houden alle zoodanige goederen, welke de eigenaar tot een blijvend gebruik bij zijn erf gevoegd heeft. Art. 525. De eigenaar wordt geachts zoodanige goederen tot een blijvend gebruik bij zijn erf gevoegd te hebben, wanneer de- zelve daar aan gehecht zijn met pleifter, kalk of. cement; of wanneer zijdaar van niet kunnen, losgemaakt worden, zonder dezelven te breken en te befchadigen, of zonder een gedeelte van den grond, waar aan zij vastgehecht zijn, te breken of te befchadigen. De fpiegels in een kamer worden geoordeeld daar in tot een blijvend gebruik geplaatst te zijn, wanneer de lijst, waar in dezelve zitten, een gedeelte uitmaakt van het befchot. Het zelfde heeft plaats omtrent fchilderijen en andere fies radiën. Beelden worden voor onroerende goederen gehouden, wan- neer zij in ene nis, opzettelijk voor dezelve gemaakt, ge- plaatst zijn; al ware het, dat men zoodanige beelden daar uit konde nemen, zonder dezelven te breken of te befcha- digen. Art. 526. Uit hoofde van het onderwerp, waar op dezelve worden toegepast, zijn onroerend: Het vruchtgebruik van onroerende goederen. Servituten op gebouwen en erven. Actiën, dienende om onroerende goederen te rug té eifchen. TWEEDE HOOFDSTUK. Van roerende goederen. Art. 527. Goederen zijn roerende, of uit derzelver aard„ of volgens de bepalingen van de wet. Art. 528. Roerende goederen uit derzelver aard zijn zoodanige lig- chamen, die van de eene plaats naar de andere kunnen ver- voerd worden; het zij ze zich zelven bewegen, als de beesten3 het zij ze niet anders van plaats kunnen veranderen, JEL dan door eene van buiten aankomende kracht, gelijk leven- looze zaken. G 4 Art. 529 * n roa IL, Boek, 1. Titel, HI. Hoofdfluk. 8 Art. 52g. Door de bepalingen van de wet zijn voor roerende goedes ren te houden alle verbindtenisfen en actiën, die ten onder= werp hebben verfchuldigde geldfommen, of roerende goeden ren, actiën of aandeelen in compagniefchappen van geld, koophandel of arbeid, zelfs wanneer de onroerende goederen, tot die ondernemingen betrekkelijk, aan de Compagniefchappen toebehooren. Deze actiën of aandeelen Worden geacht roe- rende te zijn, alleenlijk ten“opzigte van een ieder. der com. Pagnons, zoo lang de gemeenfchap duurt, Gok zijn door bepaling van de wet roerende, de altijddu« rende renten en lijfrenten, het zij ten laste van den ftaat, het zij van bijzondere perfonen. LArt. 530. vastgefteld den 2Iften van Lentemaand 1804. en afgekondigd den ziften van dezelfde maand.) Art. 530, Alle renten, die tot betaling van den koopprijs van onroe- tend goed, of bij de overdragt van een onroerend goed, het zij onder eenen anereufen titel, het zij voor niet, gevestigd worden, zijn uit haren aard losbaar. Niettemin is het aan den fchuldeifcher geoorloofd, om de bedingen en‘voorwaarden der losfing of afkoop te bepalen. Het is hem ook geoorloofd te bedingen, dat de rente hem niet kan afgekocht worden, dan na een bepaald verlo: P van tijd, mits niet langer dan dertig jaren: alle bedingen, hier tegen flrijdende, zijn nietig, AAnbe 53I. Schepen, ponten, vaartuigen, molens en badkuipen, op fchuiten gebouwd, en in het algemeen alle werktuigen, tot fabrieken behoorende, die niet op palen ftaan, en geen ge- deelte van het gebouw uitmaken, zijn roerende goederen, en het doen wan arrest op eenige van deze dingen, kan nogtans, uit hoofde van derzelver groote waarde, onderworpen zijn aan bijzondere vormen, gelijk zulks in het wetboek op de Manier van proeederen nader ontvouwd wordt; Art. 532. Bouwftoffen, komende van de afbraak van eenig gebouw, en de zulken, die‘beltemd zijn om eén nieuw gebouw te maken, zijn roerende goederen, tot dat zij door den werke baas tot aanbouw gebruikt zijn. Art. 523. W; anneer de Ípreekwijze Van roerende goederen, alleen en!zon= der eenige andere bijvoeging of aanwijzing„in de wet of in de Dè. Wan roerende goederen. ro ur befchikkingen der menfchen gebruikt wordt, zijn daar ons der niet begrepen gereed geld, edele gefteenten, infchuiden, boeken, gedenkpenningen, werktuigen tot konften, weten- fchappen en ambachten behoorende, linnen tot kleeding van het ligchaam, paarden, rijdtuigen, wapenen, granen, wijn, hooi en andere levensmiddelen; ook is daar onder niet bes grepen het geen het onderwerp van koophandel is, Art. 534. Onder de benaming van meubelen wordt alleen begrepen zoodanig huisraad, als tot gebruik en verfiering der vertrek= ken dient, als tapijten, bedden, ftoelen, fpiegels, pendu= les, tafels, porceleinen, en andere dingen van dien aard. Schilderijen en beelden, welke een gedeelte van de meube- len van een vertrek uitmaken, zijn ook daar onder begre- pen, maar geenszins de verzamelingen van fchilderijen, die op gaanderijen hangen, of afzonderlijke ftukken. Het zelfde heeft plaats omtrent porceleinen; alleen de zoo. danige, welke een gedeelte uitmaken van de fieradien van een vertrek, behooren onder de benaming van meubelen. Art. 535. De fpreekwijze van mobilaire goederen, die van mobilair of mobilaire effecten, bevatten in ‚het algemeen al het geen ge- oordeeld wordt roerend te zijn, volgens de hier voor geftelde regelen. De verkoop of fchenking van een gemeubileerd of geftof- feerd huis, bevat alleenlijk het huisraad, Art, 536. De verkoop of fchenking van een huis, met al het geen daar in gevonden wordt, bevat geen gereed geld, noch infchulden, of andere regten, waar, van de papieren en be- fcheiden in dat”huis ter bewaring zouden mogen berusten; alle overige mobilaire effecten zijn daar onder gerekend, DERNE HOORDS TU EK Van de goederen, met betrekking tot derzelver bezitters, Art. 537. Een ieder heeft de vrije befchikking over de goederen, die hem in eigendom toebehooren, onder de wijzigingen, door de wet vasigelteld, G 5 De 106 LI. Boek, 1. Titel, UF. Hoofdftuk. De goederen, welke niet aam bijzondere perfonen toebe- hooren, moeten beheerd worden, en kunnen niet vervreemd worden, dan naar de vormen en regelen, die aan dezelven bijzonder eigen zijn. Art, 538. De wegen, rij- en gangpaden, die tot lasten van den ftaat zijn, de bevaarbare of ftroomende rivieren en wateren, de oevers of ftranden, de gronden, waar de zee op en afloopt, de havens, de reeden, en in het algemeen alle gedeelten van het Franfche grondgebied, die voor geenen uitfluitenden eigen- dom vatbaar zijn, worden geacht te behooren tot de publieke domeinen, Art. 539. Alle onbeheerde goederen, als mede de goederen van hun, die zonder erfgenamen fterven, of wier nalatenfchappen ver« laten zijn, behooren tot de publieke domeinen. Art. 540. De poorten, muren, grachten en wallen van vestingen of verfterkte plaatfen, maken ook een gedeelte der publieke do- meinen uit. Art. 541. Het zelfde heeft plaats omtrent gronden, vestingen en wal- len, op plaatfen, die geene verfterkte plaatfen meer zijns deze behooren aan den ftaat, zoo zij niet op eene wettige wijze vervreemd zijn, of zoo de eigendom daar van niet verjaard is. Art. 54%. Gemeente-goederen zijn dezulke, op wier eigendom of in- komften de inwoners van een of meer gemeenten een wettig verkregen regt hebben.: Art. 543. Men kan op de goederen hebben, of een regt van eigen- dom, of een enkel regt van genot,of alleenlijk een regt van erfdienstbaarheid of fervituut. TWEE. Van eigendom. 107 BWB B Let T E Le VAN EIGENDOM, Wastgefteld den aften van Louwmaand 1804,€% afgekondigd den 6den van Sprokkelmaand van het zelfde jaar] Art. 544» Figendom is het regt om van eenige zaak het vrij genot te hebben, en daar over op de volftrekt{te wijze te befchik- ken; mits men er geen gebruik van make, ftrijdende tegen de wetten en reglementen. Art. 545. Niemand kan genoodzaakt worden afftand te doen van zijnen eigendom, dan ter zake van het algemeen belang, en tegen voorafgaande billijke fchadeloosftelling. Art. 546. De eigendom van eenê zaak, het zij roerende, het zij on- roerende„ geeft regt tot al het geen die zaak voortbrengt; en tot het geen daar mede natuurlijk of door konst vereenigd iso Dit regt wordt genoemd het rege#47 accesfie. EEBS TE HOOFDSTUK. Van het regt van accesfie, betrekkelijk het geen door de zaak wordt voortgebragt- Art. 547. De vruchten der aarde, door de natuur all met menfchenhulp, voortgebragt; Alle civiele of burgerlijke vruchten; En eindelijk de jongen, die uit iemands beesten geboren worden, behooren door het regt van accesfie aan den eige= naar. d Art. 548. De vruchten eener zaak behooren niet anders aan den eige= paar, dan onder den last om de kosten van ploegen en arbeiden, door derden daar aan verrigt, aan dezelven te vergoeden. Art. 549. een, of gepaard 108 II. Boek, ZI. Titel, 1. Hoofdfuk. Art, 549. Die enkel het bezit eener zaak heeft, wordt geen eigenaar van de vruchten, dan wanneer hij de zaak bezitster goeder trouw; in het tegenovergefteide geval, is hij verpligt aan den eigenaar, die het goed te rug eischt, het zelve, tevens met alle de vruchten, te rug te geven. Art. 550. Men wordt geacht iets ter goeder trouw te bezitten, wan= neer men het goed bezit als eigenaar, uit krachte van eenen titel, gefchikt om eigendom over te dragen, waar van men de gebreken niet weet, Hij hondt op ter goeder trouw te bezitten, van het oogen= blik, dat die gebreken aan hem kennelijk zijn, WEEDE HOO F Des-TuKi Van het regt van accesfie, ten aanzien van het geen 7 8 7 7. zich met de zaak vereenigt, en met dezelve een geheel uitmaakt, Art. 55t. Al het geen met eene zaak vereenigd is, of met dezelve een geheel uitmaakt, behoort aan den eigenaar, volgens de regelen, welke hier na bepaald worden. EERSTE AFDEELINC. Pan het regt van accesfie, met betrekking tot ope roerende goederen. Art. 552, De eigendom van den grond bevat in zich den eigendom van het geen op en Onder den grond is. De eigenaar kan op den grond alle beplantingen doen, en gebouwen ftellen, welken hij goedvindt, behoudens de uit- zonderingen, onder den Titel, van fervituten of erfdienst. baarheden ‚ bepaald. Onder den grond mag hij bouwen en graven, zoo veel hij goedvindt, en uit dit; graven alle vruchten trekken, wel= ken Van het regt van atcesfie, enzo 109 ken hetzelve kan opleveren, behoudens” de wijzigingen, uit de wetten en reglementen, betrekkelijk de mijnen, en de wetten en reglementen van politie, voortvloeijende. Art. 553. Alle gebouwen, beplantingen, en andere werken op of binnen den grond, worden geoordeeld door den eigenaar op zijne kosten gefchied te zijn, en aan hem toe te behooren„ indien het tegendeel niet bewezen wordt; onverminderd nog= tans den eigendom, Welken een derde door verjaring verkres gen zoude mogen hebben, of nog zoude mogen verkrijgen, het zij op een onderaardsch gewelf of gang, onder eens an ders gebouw, het zij op eenig ander gedeelte van het ge= bouw zelve, Art. 554. De eigenaar van den grond, die gebouwen, beplantingen, of andere werken, gemaakt heeft uit ftoffen of materialen, die hem niet toebehooren, moet de waarde daar van betalen; hij kan ook verwezen worden tot vergoeding van fchaden en interesfen, zoo daar toe redenen dienen; doch de eigenaar van die ftoffen of materialen heeft geen regt om dezelven weg te halen. Art. 555. Wanneer die beplantingen, gebouwen en werken, door een derden gemaakt zijn uit ftoffen en materialen, hem toe= behoorende, heeft de eigenaar van den grond het regt, of om dezelven voor zich te behouden, of om den derden te verpligten dezelven weg-te nemen, Wanneer de eigenaar van den grond de wegruiming dier beplantingen en gebouwen vordert, moet zulks gefchiedea ten koste van den geen, die dezelven gemaakt heeft, zon- der daar voor eenige fchadevergoeding te vorderen. Zelfs kan hij verwezen worden tot vergoeding van fchaden en in- teresfen, zoo daar toe redenen dienen, uit hoofde van het nadeel, het welk de eigenaar van den grond daar door gele- den zoude mogen hebben. Zoo de eigenaar verkiest, deze beplantingen en gebouwen te behouden, moet hij de waarde der ftoffen of materialen, en het arbeidsloon voldoen, zonder te letten op de vermeer- dering of vermindering van waarde, welke de grond daar door bekomen zoude mogen hebben. Niettemin, zoo die beplantingen, gebouwen en werken gemaakt zijn door een derden, van wien het goed gerecla- meerd is, doch die, in aanmerking zijner goede trouw. tot geene teruggave van vruchten verwezen is, zal de eigenaa 3 u D mi 11e Ï. Boek, Il. Titel, IL. Hoofdfluk. de wegruiming van gemelde werken, beplantingen of gebous wen niet kunnen eifchen, doch de keuze hebben, om, of de waarde der ftoffen, of materialen„en het arbeidsloon te be= talen, of ook- om te voldoen eene geldfomme, gelijk aan de waarde, tot welke de grond geftegen is. Arts-556. De aanwerpingen en aanwasfen, welke langzamerhand en ongemerkt aan den oever of de kanten van een vloed of tivier aanfpoeleh, noemt men a//uvie„° of aanfpoeling. Het aangefpoelde konft ten voordeele van den eigenaar van den oever, het zij zulks eene bevaarbare rivier of ftroo- mend water zij, het zij niet, mits dat, in het eerfte geval; een voet- of jaag-pad volgens de reglementen worde vrijge= laten. Art. 557. Het zelfde heeft plaats omtrent affpoelingen, welke cen ftroomend water ongemerkt van den eenen oever aftrekt, en aan den tegen-oever aanwerpt. De eigenaar van den oever, die door aanfpoeling land ge» wonnen heeft, behoudt het voordeel van die aanfpoeling, zonder dat de eigenaar van den tegen-oever, het land, het welke hij verloren heeft, kan te rug eifchen. Dit regt heeft geene plaats omtrent aanfpoelingen van de Art. 558. Aanfpoeling heeft geene plaats ten aanzien van meren en vijvers, welker eigenaar altijd den grond behoudt, die door het water bedekt wordt, wanneer het tot die hoogte gekos men is, dat de vijver zich daar van ontlast, offchoon ook de hoeveelheid van het water naderhand weder vermindert. Zoo ook, omgekeerd, verkrijgt de eigenaar van den vij- ver geen regt op landen, aan den oever gelegen, die doof zijn water, bij buitengewone hoogte van het zelve; overdekt worden, Art. 559. Indien een riviet of ftroomend water, bevaarbaar zijnde of niet, door geweld van den ftroom, een aanmerkelijk en her- kenbaar gedeelte van een ftuk land, aan den eenen oever gelegen, affcheurt, en het zelve aan een land, dat meer be- nedenwaarts, of aan den tegen-oever gelegen is, aanwerpt;, kan de eigenaar van het ftuk land, dat door het geweld van den ftroom is afgefcheurd, zijnen eigendom op het zelve in- roepen; doch hij is verpligt, zijnen eisch binnen’s jaars te doen: na dien tijd is hij daar toe niet meer ontvankelijk, ten rm seg OD ln EE ne pr Wan het regt van accesfië, enz rij ten wâre de eigenaar van het land, waar mede het afge« fcheurde ftuk vereenigd is, nog geen bezit van het zelve genomen had, Art. 560. Eilanden, eilandjes, en door aanfpoeling droog gewordent plaatfen, die zich op de beddingen van bevaarbare rivieren of ffroomende wateren ter nederzetten, behooren aan den ftaat, zoo daar mede geen bewijs van eigendom of verjaring ftrijdig is. Art. 56rs De eilanden, en door aanfpoeling droog gewordene plaat- fen, die zich in rivieren, welke niet bevaarbaar en_niët ftroomende zijn, ter neder zetten, behooren aan de“éige. naars der oevers, aan de zijden, waar het eiland zich heeft ter neder gezet: zoo het eiland niet nader aan den eenen dan aan den anderen oever zich heeft opgeworpen, behoort het zelve aan de eigenaars van de beide oevers, te rekenen van de lijn, die men veronderftelt in het midden van de rivier getrokken te zijn. Art. 562. Zoo een rivier of.ftroom, door eenen nieuwen loop of arm te maken, het land van eenen eigenaar, het welk aan den oever gelegen is, doorfnijdt, en een eiland daarftelt, behoùdt deze eigenaar den eigendom van zijn land, zelfs ook, wanneer dat eiland zich in eene bevaarbare rivier of ftroomend water geplaatst hadde, Art. 563. Zoo een ftroomend water of rivier, bevaarbaar of niet; eenen nieuwen loop aanneemt, en zijne oude beddingen ge- heel verlaat, nemen de eigenaars van de gronden, welke zij hier door zijn kwijt geraakt, bezit van de oude verlate- ne beddingen, am zich op die wijze f{chadeloos te ftel= len, een iegelijk naar evenredigheid van den grond, dien hij verloren heeft, Art. 564 Duiven, konijnen, visfchen, die naar eene andere duiven- vlucht, konijnenberg, of vijver overgaan, behooren aan de eigenaars van dezelven, mits Zij die duiven, konijnen of visfchen, door geen kunst of list daar naar toe gelokt hebben. be Ns Nie el LD 8 112 1D, Boek, II. Titel, II. Hooflfluks TWEEDE AFDEELING. Van het regt van accesfie, betrekkelijk roerende g08 deren. Art. 565. Wanneer het rest van accesfie tot onderwerp heeft twee roerende goederen, aan twee verfchillende eigenaars toebe» hoorende, wordt het zelve eenig en alleen naar de grond- beginfels van natuurlijke billijkheid beoordeeld. De volgende regels zullen aan den regter ten voorbeelde verftrekken, om zich, in onvoorziene gevallen, overeen= komftig de bijzondere omftandigheden te bepalen. Art. 566. Wanneer twee zaken, aan onderfcheiden eigenaars toebee hoorende, fchoon op zoodanige wijze vereenigd zijnde, dat zij een geheel uitmaken, nogtans wan elkander kunnen ge- fcheiden worden, zoo dat de eene kan beftaan zonder de andere, behoort het geheel aan den eigenaar van de zaak 3 welke het voornaamfte deel vitmaakt, onder den last van aan den ander de waarde van de zaak, die met dezelve vereenigd is, te moeten voldoen, Art. 567. Voor de principale zaak wordt gehouden die gene, waar mede de andere zaak alleen tot gebruik, fieraad of aanvulling vereenigd is. Art. 568, Zoo niettemin de vereenigde zaak weel kostbaarder is, dan de principale zaak, en wanneer dezelve zonder medeweten van den eigenaar gebruikt is, kan deze eifchen, dat de ver- eenigde zaak daar van werde afgefcheiden, om aan hem te worden te rug gegeven, zelfs al werd daar door eenige ver= mindering van waarde aan de zaak, waar mede zij vereenigd geweest is, veroorzaakt. Art. 569. Wanneer van twee zaken, die te zamen vereenigd zijn, om een geheel uit te maken, de eene niet kan aangemerkt worden als een accesfoir van®de andere, wordt die gene van beide geoordeeld de principale zaak te zijn, welke de voor- naamíte is in waarde of in grootte, mits de waarde van beiden bijna gelijk ftaat IN Att. 5704 Des FD et CD ED et ss Van het vegt vaù actesfse, ènz, zij Art. 570, Indien een kunftenaar, of iemand anders; van eene floffe 3 die hem niet toebehoorde, eene nieuwe foort van zaak ge. maakt heeft, het zij die ftoffe zijne vorige gedaante kan te rug bekoïnen, of niet, heeft de eigenaar der(toffe het rest 3 om de zaak, welke daar van gemaakt is, als zijn eigendom te vorderen, mits het daar aan beftede arbeidsloon vergoe: dende. Art. srt, Vanneer nogtans hét arbeidstoon zoo groot wäs, dat het de waarde van de gebruikte(toffe zeer ver te bovei moet de kunst geoordeeld worden de principale zaak te Zijn; en heeft de kunftenaar het regt„ om de door hert bes werkte zaak voor zich te behouden, mits de waarde van de {toffe aan den eigenaar vergoedende, Art. 572, Wanneer iemand, tot het maken var eene eene(toffe gebruikt heeft; gedeeltelijk hem z deeltelijk aan een aner toebehoorende, eene, noch de andere van beide die ftoffen gantfchelijk ver. nietigd zijn, doch nt weder gevoeglijk van elkander kun. nen worden afgefcheien, is de zaak tusfchen beiden de ei. genaars gemeens nar evenredigheid, wat den een betreft 3 van de(toffe, welk hem toebehoorde, en wat den ander betreft, naar evenredheid, zoo van de ftofe, die hem toe. behoorde, als van he arbeidsloon; Art. 572: Wanneer eene zaalvemaakt is k verfcheidene{tofFen, in verfchillend de, doch van welke sene als de principale ftoffe kan wor: den aangemerkt: kane geen, zonder wiens weten de ftof- efen vermengd zijn, dverdeeling daar van eifchen, mits die ftoffen van elkander eefcheiden, kunnen worden. Doch zoo dezelveniet gevoeglijk afgefchieiden kunn: nijeuwe zaak 3 elven; en gee zonder dat noch de door Zamenmenging wan € eigenaars toebehooren- a DAs dif Worden, verkrijgen«z den eigendom daar van in het ge- meen, naar evenredig wan de hoeveel hoedanigheid en waarde der(toffen an elk hur Art. 574. Indien de ftoffe, amen der eigenaars toebehoorende, díe van den ander verre uoevêelheid en waarde overtreft, kar in dit geval de eigenader kostbaarite ltofle, de zaak, dia door die vermenging taakt is, ais Zijnen eigendom vorides fen. mits aan den er de waarde way Zijne Îoffe vers goedende; H Á ananas Antennes ereen 114 JZ, Boek, IJ. Titel, ZI. Hoofdffuk. Art. 575 er de zaak, tusfchen de ergenaars van de ftoffen; zij zamengefteld is, gemeen blijft, moet dezelvey, le, bij opveiling verkocht worden. Art. 576. In alle gevallen, in welken een eigenaar, wiens ftoffe, buiten zijn weten, gebruikt is, om eené andere foort van zaak te maken, den eigendom van die zaak voor zich kan inroepen, heeft bij de keuze, om de teruggave van zijne {toffe in dezelfde aard, hoeveelheid, zwaarte, maat€ deugdzaamheid, of wel de waarde daar van te vorderene Art. 577« Die eenige ftoffen, aan anderen toebehoorende, buiten derzelver weten gebruikt hebben, kunnen ook verwezen worden tot vergoeding van fchaden eninteresfen, zoo daar toe redenen dienen, onverminderdede vervolgingen door buis tengewone middelen„ indien de omftanligheden van het gez wal daar toe aanleiding geven mogten. Wanne waar uit ten gemeenen voordee Dr EER DE re et ie VAN VRUCHTGEBRUIK, VAN GELUIK, EN VAR BEWONING [Wastgefleld den 3often van Louvaand 1804, en afgekondigd den gden van Spkkelmaand.] EERSTE HOOF ST U Ke Van vruchigebrte ne Art. 578. Vruchtsebruik is het regt, om vruchten te trekken wan goederen, waar van een ander\ eigendom heeft, als of men zelf eigenaar daar van warêloch onder den last, wan de goederen zelve in ftand te mû houden, Art. 579e t Ur ke Vr EN - Ad KJ he) En Miz LN ad EN KN = . bet md Lan Vruchtgebruik wordt of door de wet, of door den wil der menfchen, daargefteld, Art. 580, “Vruchtsebruik kan worden‘daargefteld, of zuiver, of voor eenen zekeren tijd, of onder zekere voorwaarde, Art. 581. Het zelve kan worden daargefteld, ten aanzien van allé foorten van goederen, roerende of onroerende, EERSTE AEDBELELING. Van de regten van den vruchtgebruiker: Art. 339. De vruchtgebruiker heeft be regt, om alle foorten varì Vfuchten te gênieten, die van het goed, waar van lij het Vruchtgebruik heeft, kunnen voortkomen, het zij de na- tuurlijke, het zij de vruchten. van nijverheid, het zij de burgerlijke, E Art. 583 .. ….. 1 bd PA| Natuurlijke„vruchten gel die gene, welke de áarde var zelf voortbfengt.. Het geen de beesten voortbrengen, als mede derzelver jon gen, ole” ook natuurlijke vruchten. Vruchten van nijverheid, die uit den grond getrokken worden; zijn de zulke; welke men door bebeuwing ver= krijgts Ärt. 534. Burgerlijke vruchten zijn de huren van huizen, de intes resfen van verfchuldigde geldfommen, mitsgaders de achtere ftallige renten. ‘ Landhüren worden ook gefangfchikt onder de burgerlijke vtuchtens Art. 585. „De sahi vruchten én v REEent van A tre in He väst zin 5 debet aan den v uchtget ruikers Vruchten, die nog aan de boomen of wortels vast zijn„ op het oogenblik dat het vruchtgebruik eindigt; bekooren aard den eigendar, zonder dat deze iets wegens de‘koster van het bearbeiden of zaaijen verplig t is te vergoeden$ onvertninderd nogtans dat gedeelte der vruc hten, het wiëlk, an ded hüuts Ha er) 116 1, Boek, II. Titel, 1. Hoofdfluk. der, die voor het genot van een gedeelte der vruchten het Jand bebouwd had, zoude mogen toekomen, indien er zoo-= danig een bij het begin of einde van het vruchtgebruik wes zen mogt. Art. 586, De burgerlijke vruchten worden gerekend van dag tot dag verkregen te worden, en behooren aan den vruchtgebruiker= paar mate zijn vruchtgebruik duurt,—— Deze regel is ook toepasfelijk op landhuren, huishuren, en andere burgerlijke vruchten. Art, 587. Indien een vruchtgebruik bevat zaken, waar van men geen gebruik kan hebben ti dezelven te verteren, als geld, koren, dranken, heeft de vruchtgebruiker het regt om zich daar van te bedienen; mits hij bij het eindigen van het vrucht- gebruik eene gelijke hoeveelheid, hoedanigheid en waarde, of wel den prijs van dezelve, te rug geve, Art. 588. Het vruchtgebruik van eene lijfrente geeft ook aan den vruchtgebruiker, gedurende het vruchtgebruik, het regt om de agterflallige renten te ontvangen, zonder tot. eenige te TUS gave“verpligt te zijn. Art. 589, Indien het vruchtgebruik bevat zaken, die, zonder dade= lùk te niet te gaan, door het gebruik langzamerhand vermin= deren of verflijten, als linnen, meubelen, heeft de vruchtge= bruiker het regt om dezelven te gebruiken tot het einde, waar toe zij beftemd zijn, en kan volftaan met dezelven bij het eindigen van het vruchtgebruik te rug te geven in zoodanis gen taat, als zak in zij zich bevinden, mits niet door kwa= de trouw of fchuld van den vruchtgebruiker verfleten of ver- minderd zijnde, Art. 590. Indien het vruchtgebruik kapho ut bevat, is de vruchtge- bruiker verpligt, de orde en hoeveelheid van het kappen in acht te nemen, overeenkomf{tig de befcheidenheid en het ftandvastig gebruik der eigenaars zonder dat de vruchtge- bruiker of zijne erfgenamen eenige fchadeloosftelling vorderen mogen, WEGENS ie gewoonlijk kappen, het zij van kaphout, rijshout of hoogftammige boomen, het welk bij gedurende het vruchtgebr EE zoude mogen hebben nagelaten. De boomen, welke uit eene boomkweekerij getrokken kun- nen worden, zonder dezelve te beder ven„ maken ook een gedeelte van het vruchigebruik uit, mits de vruchtgebruiker ZIC h Van vruchtgebruik. 117 zich omtrent de weder-aanvulling naar de plaatfelijke gewoone ten gedrage. Art. 591. De vruchtgebruiker, mits zich gedragende naar de vaste tijden, en het gebruik der oude eigenaars, geniet ook die partijen hout van opgaande boomen, die regelmatig gehakt worden, het zij dit hakken gefchiedt op vaste tijden, over zekere uitgeftrektheid lands, het zij van eene zekere hoeveel heid boomen, zonder onderfcheid van welke foort, over de geheele oppervlakte van het land. Art. 5g2. In alle andere gevallen, mag de vruchtgebruiker geene op- gaande boomen vellen; hij kan flechts de uit den grond ge- rukte, of bij toeval afgebrokene, boomen, gebruiken tot het doen der reparatiën, tot welke hij gehouden is; hij kan zelfs ten dien einde, indien het noodig is, boomen doen omhakken, mits hij in de noodzakelijkheid daar van met den eigenaar overeenftemme.: Art. 593e Hij kan uit de bosfchen ffaken nemen voor de wijngaar- den; hij kan ook jaarlijks, of op vastgeftelde tijden, van de boomen vruchten trekken: alles overeenkomftig het lands gee bruik of de gewoonte der eigenaars. Art. 504. De vruchtboomen, die fterven, en ook die, welke bij toe= val uit den grond zijn gerukt, of afgebroken, behooren aan den vruchtgebruiker; mits hij daar voor andere boomen in de plaats ftelle. Art. 595. De? vruchtgebruiker mag van zijn vruchtgebruik zelf het genot hebben, het zelve aan een ander verhuren, verkoopen; of voor niet afftaan. Wanneer hij het goed verhuurt, moet hij zich fchikken, ten aanzien van den tijd, op welken de huurcedullen moeten vernieuwd worden, en den tijd dat ze duren mogen, naar de regels, voor den man, ten opzigte van de goederen, die de vrouw toebehooren, vastgefteld in den Titel: Wan het huwelijks-contract, en de wederzijdfche regten der echtges nooien. Art. 506. De vruchtgebruiker heeft het genot van de vermeerdering, welke aan het goed, waar van hij het vruchtgebruik heeit, door aanwas is aangekomen. Hs Art, 597 II. Boek; III. Titel, FL. Hoofdftuk: 118 Art. 597. Hij geniet de regten van dienstbaarheden, overgang, en in het algemeen, alle regten, waar van de eigenaar het genot heeft, op gelijke wijze, als of hij de eigenaar zelf was. Art. 598. Hij heeft ook, op dezelfde wijze als de eigenaar, het ge got van de mijnen, en fteen- of koolgroeven, die bij den aanvang van het vruchtgebruik reeds uitgegraven werden 5 ij doch indien zulk eene uitgraving niet gefchieden mag, zon- ik der daar toe vooraf verlof verkregen te hebben, zal de vrucht- Kit gebruiker daar van geen genot kunnen trekken, dan na dat fe hij alvorens van den Keizer zoodanig verlof bekomen heeft. B Hij heeft geen regt, hoe ook genaamd, op mijnen, fteen= ERN. of koolgroeven, die nog niet geopend zijn noch ook op eenderijen, waar van de uitveening nog niet begonnen is» noch opeenen fchat, die gedurende het vruchtgebruik gevon- ij den zoude mogen worden. ° Art. 599. De eigenaar kan, noch door daden, noch ook op eenige andere wijze, hoe ook genaamd, de regten van den vruchtgee bruiker benadeelen. De vruchtgebruiker kan daar en tegen van zijne zijde, bij het eindigen van het vruchtgebruik, geene fchadeloosftelling vorderen, wegens verbeteringen, welke hij beweeren mogt gemaakt te hebben, al is daar door ook de waarde van het if goed vermeerderd. Hul Des niettemin kan hij, of kunnen zijne erfgenamen, de lj fpiegels, fchilderijen en andere fieraden, welke hij daar in heeft doen plaat{fen, wegnemen, mits zij die plaatfen in haren vorigen ftaat herftellen, We yv TWEEDE AFDEELING. Was de verpligtingen van den vruchtgebruikere Art. 6oo. De vruchtgebruiker neemt de goederen over in den ftaat, waar in dezelve zich bevinden; doch kan daar van geen ge- not trekken, dan na alvorens, in tegenwoordigheid van den gigenaar, of na dar dezelve daar toe behoorlijk geroepen is, te hebben doen maken eenen inventaris van de roerende en On me Pe Van vruchtgebruik. 19 1 Ander onroerende goederen, die aan het vruchtgebruik onderwore en zijne 4: Art. Óor. Hij moet borg ftellen, dat hij de goederen als een goed huisvader gebruiken zal, ten zij hij daar van bij de acte, waar bij het vruchtgebruik gevestigd is, is vrijgefteld 5 nogtans zijn vader en moeder, uit krachte van de wet het vruchtgebruik hebbende van de goederen hun- ner kinderen, gelijk ook die zijn goed aan een ander verkogt of gefchonken heeft, onder voorwaarde van het vruchtgte bruik van dat goed te blijven genieten, niet verpligt tot het ftellen van borg. Art. 6o2. Zoo de vruchtgebruiker geen borg kan vinden, worden de onroerende goederen verhuurd of onder fequeftratie gefteld. De geldfommen, die onder het vruchtgebruik begrepen zijn, worden belegd. De koopwaren worden verkocht,en de koopprijs daar van komende, insgelijks belegd. De renten van deze geldfommen, en huren, behooren in dit geval aan den vruchtgebruiker. Art. 603. Indien de vruchtgebruiker in gebreke blijft borg te ftellen, kan de eigenaar vorderen, dat de roerende goederen, die door het gebruik verminderen, verkocht worden, ten einde de prijs daar van, even als van de verkochte koepwaren„ werde belegd. En geniet de vruchtgebruiker als dan, gedu= rende het vruchtgebruik, de renten, welke dezelve opleveren: nogtans kan de vruchtgebruiker vorderen, en de regter kan gebieden, dat, naar omftandigheid van zaken, een gedeelte der roerende goederen, het welk hij tot zijn gebruik noodig heeft, aan hemm werde overgelaten, onder eene enkele door hem te ftellen juratoire cautie, en voorts onder den last om dezelve goederen, bij het eindigen van het vruchtgebruik 3 weder op te leveren, Art. 6o4. De vertraging in het ftellen van borg, Ontzet den vruchte gebruiker niet van de vruchten, waar toe hij geregtigd was dezelve zijn hem verfchuldigd van het oogenblik, dat he vruchtgebruik een aanvang genomen heeft Art. 6o5. De vruchtgebruiker s alleenlijk verpligt de gewone repara= e doen, tiën tot onderhoud t Buitengewone zware reparatiën blijven ten lasten van den H 4 ein ne ed nn É {ao 1, Boek, HL Titel, L Hoofdftuk. genaar, ten ware dezelve veroorzaakt zijn door verzuim var het gewoon onderhoud, zedert den aanvang van het vrucht gebruik, in welk geval de vruchtgebruiker daar toe ook gee houden is, ì Art. 606. Buitengewoon groote reparatiën zijn die van zware mureu en gewelven, het herftellen van balken en geheele daken. De geheele reparatie van dijken, en van fteun- en fcheidse muren. Alle andere reparatiën worden voor gewoon onderhoud gerekend, Art, 607. Noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker, zijn verpligt te herbouwen, het geen, door ouderdom is ingeftort, of door een onvermijdelijk onheil vernield is. Art. 608, De vruchtgebruiker is gehouden, gedurende het vruchtges bruik, voor zijne rekening te nemen alle jaarlijkfche lasten„ waar mede het goed bezwaard is, als van opbrengften en anderen, die in het gemeene leven als lasten der vruchten worden aangemerkt. Art. Gog. De lasten, gedurende het vruchtgebruik op den eigendom van het goed gelegd, worden door den vruchtgebruiker en ‚tigenaar gedragen, in maniere als volgt: De eigenaar is verpligt de betaling dezer lasten te doen, doch de vruchtgebruiker moet hem de interes fen vergoeden. Indien de vruchtgebruiker de voorfehreve betaling gedaan heeft, kan hij, bij het eindigen van het vrucht= gebruik, de hoofdfom te rug eifchen, Art. Óóro. Legaten, door een testateur gemaakt, van eene lijfrente of jaargeld tot onderhoud, moeten door den univerfelen legataris van het vruchtgebruik, in hun geheel voldaan worden, en door den legataris, die het vruchtgebruik onder eenen univer- felen titel heeft, naar evenredigheid van het genot, het- welk hij van die goederen trekt, zonder eenige te rug vordering van hunne zijde, Art. Órr. Die het vruchtgebruik onder eenen bijzonderen titel heeft, is niet verpligt de fchulden te voldoen, waar voor de grond of het erf gehypothekeerd is; zoo hj gedwongen wordt om dezelve te betalen, heeft hij zijn verhaal op den eigenaar, on- Van vruchtgebruik, ar pfivêrminderd het geen gezegd wordt in Artikel roao, in den Titel: van giften onder de levenden, en van testamenten. Art, 612. Die het univerfeel vruchtgebruik, of ook onder eenen unis verfelén titel heeft, is werpligt om met en benevens den ei- genaar de fchulden te betalen, in maniere als volgt: Men begroot de waarde van den grond, die aan het vruchtgebruik onderworpen iss en bepaalt vere volgens, naar evenredigheid van die waarde, het geen tot de betaling der fchulden moet worden opgebragt. Zoo de vruchtgebruiker het geld, het welk van den grond of erf moet worden opgebragt, wil vwoorfchies ten, wordt bij het eindigen van het vruchtgebruik de hoofdfom, zonder eenige renten, aan hem weder te Tug gegeven. Zoo de vruchtgebruiker dit woorfchot niet wil doen, heeft de eigenaar de keuze, om, of de fomme te be- talen, in welk geval de vruchtgebruiker de interes= fen gedurende het vruchtgebruik met hem verrekent, of om een gedeelte der goederen, aan het vruchtge. bruik onderworpen, tot het beloop der fomme, die opgebragt moet worden, te doen verkoopen, Art. Ó13. De vruchtgebruiker is alleenlijk verpligt te voldoen zooda. nige kosten van procedures, die het vruchtgebruik betreffen, gelijk ook andere regterlijke vonnisfen, tot welke dat proces aanleiding zoude mogen geven, Art. Ór4. Indien, gedurende het‘vruchtgebruik, een derde zich den grond aanmatigt, of eenige andere aanfpraak op de regten van den eigenaar maakt, is de vruchtgebruiker verpligt, om daar van aan den eigenaar kennis te geven; dit niet doende, is hij verantwoordelijk voor alle fchade, welke daar uit voor den eigenaar zoude mogen ontftaan, even als of hij zelf het nadeel had toegebragt. Art. 615. Indien het vruchtgebruik toegeftaan is van een beest, het welk buiten toedoen van den vruchtgebruiker fterft, is hij niet verpligt een ander in plaats van het geftorvene te rug te geven, noch er de waarde van te betalen, Art. 616. Wanneer eene kudde of troep beesten, waar van een vruchtgebruik toegeftaan is, geheel verloren gaat, door toe- H 5 val bk 4 1eë II. Boek, II. Titel, ZL Hoofiftuke wal of ziekte, en buiten de fchuld van den vruchtgebruiker; js dezelve alleenlijk verpligt, om-aan den eigenaar verant- woording te doen van de huiden of vellen van die beesten; of wan derzelver waarde, Zoo de troep of kudde niet geheel verloren gaat, is de vruchtgebruiker gehouden, de beesten, die geftorven zijd. 1e doen aanvullen, tot het getal van de genen, die aanwezig zijn ge weest. DERDE AFDEELING, Hoe vruchtgebruik eindigte ARE OI Vruchtgebruik eindigt: Door den natuurlijken en burgerlijken dood van den vruchtgebruiker. Door het verloop wan den tijd, voor welken het vruchtgebruik is toegeftaan. Door vermenging of vereeniging van de twee be- trekkingen van vruchtgebruiker en eigenaar in den zelfden perfoon. Wanneer de vruchtgebruiker, gedurende dertig jaren, van zijn regt geen gebruik heeft gemaakt. Door den geheelen ondergang der zaak, waar op het vruchtgebruik gevestigd is. Art. 618, Het vruchtgebruik kan ook eindigen door het misbruik, het welk de vruchtgebruiker van zijn genot maakt, het zij door het goed te befchadigen, het zij door het zelve, bij gebrek van genoegzaam onderhoud, te laten vervallen. De fchuldeifchers van den vruchtgebruiker kunnen, tof behoud van hunne regten, in de gefchillen deswegen, als interveniënten opkomen; zij kunnen aanbieden, om de vere oorzaakte nadeelen te herftellen, en voor het toekomende vrijwaring belovene De regters kunnen, naar het gewigt der omftandigheden„ of de geheele vernietiging van het vruchtgebruik toewijzen, of bevelen, dât de eigenaar het genot van de goederen, die met vruchtgebruik bezwaard zijn, mag te rug bekomen, One Van vruchtgebruik. 128 onder den last, om jaarlijks aan den vruchtgebruiker, of aan de genen, die hem vertegenwoordigen, eene bepaalde fomme gelds, tot den tijd toe, dat het vruchtgebruik een einde genomen zoude hebben, uit te, keeren. Art. 619. Vruchtgebruik, het welk niet aan bijzondere perfonen is toegeftaan, duurt niet langer dan dertig jaren, Art. 620. Vruchtgebruik, aan iemand ‚ tot dat een derde ft tot dien tijd bepaalden ouderdom bal PEN zekeren ouderdc nm Zal voortduren, fchoon. die derde mogt overleden zijn. Art. 6er. De verkoop van het goed, aan vruchtgebruik onderhevig, maakt geene verandering in het regt van den vruchtgebrui- ker; hij blijft zijn vruchtgebruik genieten, zoo hij daar van geenen uitdrukke lijken afftand gedaan heeft. Art. 622. De fchuldeifchers van den vruchtgebruiker kunnen den 5 afftand, welke in hun nadeel gedaan ol doen vernietigen. Art.“623. Zoo flechts een gedeelte van het gaed, het welk aan het vruchtgebruik onderworpen is, verloren of te niet gegas is, blijft het vruchtgebruik, ten aanzien van het vene gedeelte, voortduren. Art. 624. Indien het vruchtgebruik alleen op een gebouw geve stigd is, én dit gebouw door brand of een ander toeval vernield is, of door ouderdom inftort, heeft de vruchtgebruiker geen regt van genot, noch op den grond, noch op de bouw. ftoffen. Zoo het vruchtgebruik gevestigd is op een ftuk goed, waar van het gebouw een gedeelte uitmaakte, blijft de vruchtgebruiker in het genot van den grond, en van de bouwftoffen, TWEE bk Een eee en Il, Boek, II), Titel, IL, Hoofdftuk. TWEEDE HOOFDSTUK; Van gebruik en bewoning. Art. 628. De regten van gebruik en bewoning worden verkregen en verloren op dezelfde wijze, als het vruchtgebruik. Ärt. 626. Men kan daar van, even als in geval van vruchtgebruik, geen genot hebben, dan na bevorens zekerheid of borg ge= fleld, en ftaat en inventaris gemaakt te hebben. Art. 627.) De gebruiker, en hij, die het regt wan bewoning heeft, zijn verpligt, zich te gedragen als goede huisvaders, : Art. 628, De regten van gebruik en van bewoning worden gere- geld door den titel of acte, waar bij dezelve zijn toege. ftaan, en hebben, ingevolge de daar bij gemaakte bepalin= gen, eene meerdere of mindere uitgeltrektheid. Art. 629, Indien er bij gemelden titel of acte geene bepalingen om- trent de uitgeftrektheid dezer regten gemaakt zijn, worden dezelve geregeld op de volgende wijze, Art. 630. Die het gebruik heeft van de vruchten van een grond of erf, kan niet meer vorderen, dan hij voor zijn eigen nood. druft, en die van zijn huisgezin, noodig heeft. Hij kan die vruchten ook vorderen, tot nooddruft van ‘kinderen, welke hem geboren zijn, na den tijd, dat het gea bruik hem is toegeftaan. Art. Ó3r. De gebruiker kan zijn regt aan een ander noch afftaan„ noch verhuren.| ude GRO. Hij, die het regt van bewoning van een huis heeft, kan hetzelve bewonen mer zijn huisgezin, al ware het, dat hij ten tijde, toen dit regt hem werd toegeftaan„ Ongehuwd ge= weest was. Art. 633. Het regt van bewoning bepaalt zich tot dat gene, het welk ter bewoning noodig is, zoo voor hem, aan wien dat regt is toegellaan, als van zijn huisgezin. Art. 634. hu W K vaneen Pan gebruik én bewoning: Art. 634. Het regt van bewoning kan noch afgeftaan, noch vere huurd worden, Art. 635. Wanneer hij, die het gebruik heeft, alle vruchtetr, wel- ken de grond oplevert, gebruikt, of wanneer hij het geheele huis bewoont, is hj verpligt, om de kosten van bebous wing, de reparatièn tot onderhoud, en de betaling der op= breng{ten, even als een vruchtgebruiker, te dragen. Zoo hij flechts een gedeelte der vruchten gebruikt„of een gedeelte van het huis bewoont, is hij verpligt, die lasten en kosten te dragen, naar mate van het geen hij geniet, Art. 636. Het gebruik van bosfchen en wouden is bij bijzondere wetten bepaald. NR he DB ll FE ke VAN SERVITUTEN OF ERFDIENSTBAARHEDEN4 [Wastgefleld den ziffen van Louwmaand 1804, en afgekondigd den roden van Sprokkelmaand.] Art. 673. Een fervituut of erfdienstbaarheid is een làst, welke op het eene erf gelegd is, tot gebruik en nuttigheid van een ander erf, toebehoorende aan eenen anderen eigenaar. Art. 638. Servituut geeft geenen voorrang aan het eene erf boven het andere, Art. 639. Servituten nemen hunnen oorfprong, of uit de natuurlijke ligging der plaatfen, of uit verpligtingen, door de wet opge. legd, of uit overeenkomf{ten, tusfchen de eigenaars aange. gaan, ir wegner ESR On Fi Î ne ZL Boek, IV. Tivel. HoofdBuk. EERSTE HOOFDSTUK, Pan fervitúten, die hunnen oorfprong hebben üit de ligging der plaatfen. Art. ó4o. Gtfonden of erven, die lager liggen, zijn aan de genens, die hooger liggen, verpligt, om het water te ontvangen het welk van die hooger liggende erven natuurlijk afloopt; zonder dat zulks door menfchen toedoen veroorzaakt wordts De eigenaar van de lager liggende gronden of erven mag geen dijk opwerpen, waar door de afloop van dat watet belemmerd wordt. De eigenaar van de hoogef liggende gronden of erven nag niets te werk tellen, waar door het fervituut van den lager liggenden gtond of erf verzwaard wordt, Ärt. 64 Ts Hij, die eene waterbron op zijn grond of erf heeft, kan daar van, naar zijn goedvinden, gebruik maken, behoudens het regs, het welk de eigenaar van den grond, die lager ligt, daar op, door eenigen titel o mogt hebben, Art. 642. k … De verjaring kan, ín dit geval, niet verkregen worden; dan door een onafgebroken genot, gedurende den tijd van dertig jaren, te rekenen van het oogenblik, dat de eigenaar van het lager liggende erf werken gemaakt en voltooid heeft, blijkbaar ftrekkende, om den val en loop van het water, op zijn eigen erf, gemakkelijker te makers Art. 643. De eigenaar van eene waterbron mag den loop daar van niet veranderen, wanneer dezelve aan de inwoners van eene gemeente, dorp, buurt, of gehucht, het voor hun noodige water oplevert; doch bijaldien de inwoners het gebruik van dien waterloop niet door eenigen titel, of door verjaring verkregen hebben, kan de eigenaar eene fchadeloosftelling vorderen, die door deskundigen bepaald moet worden, Art. 644 Hij, wiens eigendom of grond aan den oever van een flroon mend water gelegen is, het welk niet behoort onder de puls blieke domeinen, volgens Artikel 538 van den Tiel, van &£ f verjaring, bekomen- en, Van fervituten, uit de ligging der plaatfen. va mk: de onderfcheidene Joorten van goederen, kan van dat water gebruik maken, om zijne erven daar mede te befpoelen. Hij, Wiens grond of erf door dat water Haerden wordt, mag ook in de n tusfchentijd, dat het door het elve heen. loopt, daar van gebruik maken, mits hij ter“ie tfe, waar zijn erf eindigt, aan het water zijnen vrijen loop late. B Art. 645e Zoo er tusfchen: de eigênaars, welke van die wateren gebruik mogen maken, gefchil ontftaat, moeten de regtbans ken. zoo wel aänfchouw nemen op het belang van den landbouw, als op dp onfchendbaarheid van het regt van ms; en in allen geval eh moeten es bijzondere en e reglementen;“betrekkelijk den loop en het gen wateren, worden in acht genomen, Art. 646. eigenaar kan zijnen nabuur verpligten, om de naast der liggende erven behoorlijk van elkander af te fchei« ffcheiding moet op gemeene kosten. gedaan wordens Art. 647. ï eigen jaar kan zijnen grond of erf af{luiten, behoudens bij Artikel 682 bepaald, Art. 648. ' Een eigenaar, die zijn erf wil affluiten, verliest zijn rest, om zijne beesten op de onbebouwd liggende landen te doen weidens, paar evenredigheid van den grond, dien hij daar door aan de gemeene weide onttrekt, WEEDE: HOOP BST OI Van fervituten door de wet vastgefteld. Art. 649. Î De fervituten, door de wet vastgelteld, hebben tot oog- merk het algemeene voordeel, of het voordeel van de ge= meente, of dat van bijzondere perfonen, Art. 65e. De fervituten, die het algemeene voordeel of het voordeel der gemeente ten doel hebben, zijn betrekkelijk tot de woet- of jaag-paden, langs de bevaarbare of{troomende rivieren, het Ed 128 1. Boek, IW. Titel, II, Hoofdftük. het maken of herftellen van wegen, en andere openbare wets ken, of werken van gemeenten. Al het geen deze foort van fervituten aangaat, is bij bij= zondere wetten of reglementen bepaald, Art. 651. De wet onderwerpt de eigenaars van erven of grondetì aan onderfcheidene verpligtingen, ten opzigte van elkander„ zonder dat daar toe eenige overeenkomst noodig is. Art. 65a. Een gedeelte van deze verpligtingen«is’bij de wetten op de veld-politie(code rural) bepaald. ‚# De verdere hebben hare betrekking tot gemeere fcheids= muren, en grachten, in gevalle het ftellen van een tegen= muur te pas komt, tot het licht of gezigt, op of over het erf van den buurman, tot drop of waterloop van daken, en tot het regt van over-pad, EERSTE AFDEELING Van gemeeiie Jcheidsmuren en grachten, Art. 653. In de fleden, ett op het platte land, wordt elke muür„ dienende tot feheiding tusfchen gebouwen, tot aan het hoog. fte gedeelte van dezelve, of tusfchen opene plaatfen en‘tùïe nen, en zelfs tusfchen omgemuurde plaatfen in velden, ge« oordeeld een gemeene muur te zijn, zoo er geen bewijs of blijk van het tegendeel is, Art. 654. Het is een tecken, dat het geen gemeene muur is, wanneer het bovenfte van den muur aan den eenen kant regt eù was terpas met deszelfs voerftuk ligt, en aän den anderen kant fchuins afloopt. pn Insgelijks, indien flechts van de eene zijde of een kap, of fleene lijsten, of vooruit{tekende{leenen gevonden worden, die bij het bouwen van den muur aldaâr geplaatst zouden mogen zijn. In deze gevallen, wordt de muur geacht bij uitfluiting toe te behooren aan den eigenaar van dien kant, waar zulke kappen, lijsten, of uitftekende fteenen gevonden worden. Art. 655, ee dl Van fervituten, door de wet vastgefteld. Art. 655. De reparatie en herbouwing van eenen gemeenen fcheids muur komen ten laste van allen, die regt rot den muur hebben, en zulks naar evenredigheid van eens ieders regt. Art. 656. Echter kan elk mede-eigenaar van eenen gemeenen fcheids= muur zich ontheffen van het dragen in de kosten van repa« ratie en herbouwing, door zijn regt van gemeenen ei igendom te laten varen, mits de fcheidsmuur niet diend tot onderfteuis ning van een gebouw, aan hem toebehoorende, Art. 657. Elk mede-eigenaar kan tegen eenen gemeenen{cheidsmuut aanbouwen, en in denzelven balken of ribben doen plaatfen, door de geheele dikte van den muur, op vier en vijftig mil- limètres(twee duimen) na, onverminderd het rest van den bhaurman om den balk tot op de helft van den muur te doer inkorten, ingeval hij-zelf op die plaats balken wilde infchictens of er een ot a tegen aan maken. Àrt. 659. Elk mede-eigenaar kan den gemeenen fcheidsmuur later verhoogen3 doch hij moet alleen dragen de onkosten der wers hooging, de kosten van het onderhoud van het verhoogde, en niet gemeen zijnde gedeelte van dea muur, en bovendien aan zijnen gebuur de fchade vergoeden, die doer de. zwaarte aan den ondermuur veroorzaakt wordt, raar evenredigheid der verhooging, en derzelver waarde, Ärt. 659, Indien de gemeene fcheidsmuur niet in ftaat is om de vera hooging te kusnen, dragen, moet hij, die den muur verhoo: gen wil, denzelven geheel op zijne kosten doen herbouwen, en de meerdere dikte moet van den‘grond aan zijnen kant pn Ee wyardar afg enomen worden. d Art, 6650: De gebuur, die tot de verhooging niets betaal 1 beeft, kan de gemeenfchap van het verhoogde gedeelte verkrijgen, mits betalende de helft van de daar aan beftede onkos ten, en de helft der waarde van den gSror dik die door de verd! kking van den muur is weggenomen, indien sdit laat{te plaats heeft; Art. 6ór. Elk eigenear, wiens erf tegen eenenemuur van zijnen buurman vergr heeft.insgelijks het vermogen, cm dien muut geheel of gedeeltelijk gemeen te maken, doot ax dert eigenaar van den muur te betalenrde helft van deszelfs waar de, of de helft der waarde va Ì 1 mn u n het gedeelie, het welk hi de Eeen eeen ae 130 II. Boek, IV. Titel, II. Hoofdfluk. gemeen wil maken, en de helft der waarde van den grond, op welken de muur gebouwd is. Art. 662. Een der geburen magin eenen gemeenen muur geene diepten of gaten maken, noch daar in plaatfen, of daar op doen rusten eenig werk, zonder toeft-mming van den ander, of zonder, bij deszelfs weigering, door deskundigen de noodige middelen te hebben doen daarftellen, ten einde het nieuwe werk aan hét regt van den ander geen nadeel toebrenge. Art. 663. Een ieder kan zijnen buurman in de fleden en voorfteden noodzaken, om in de kosten tot opbouwing en reparatie van muren of heiningen, waar door hunne huizen, Hoven en tuinen in die fteden en voorfteden van elkander worden af- gefcheiden, te helpen dragen: de hoogte van zulk een’ muur of heining wordt door bijzondere reglementen, of door vaste en erkende gebruiken bepaald; en bij ontbreken van die ge- ruiken en reglementen; môet elke muur, die tot affcheiding tusfchen geburen dient, en bij vervolg gebouwd of herbouwd wordt, eene hoogte hebben ten miniten van twee en dertig decimètres(tien voeten), de kap van den muur daar onder gerekend, in de fteden uit vijftig duizend zielen en daar bo- ven beftaande, en van zes en twintig decimètres(acht voe: ten) op atdere plaatfen. Art. 664. Wanneer de onderfcheidene verdiepingen van een huis aan verfchillende eigenaars toebehooren, en de bewijzen van eigen= dom de manier van reparatie en herbouwing niet bepalen 4 moet zulks op de volgende wijze gedaan worden: De groote muren en het dak komen ten lasten van alle de eigenaars, elk naar evenredigheid van de waaï= de der verdieping, die-hgm toebehoort. De eigeraar van elke verdieping drfagt de kosten van de vloer, waar cp hij gaat. De eigenaar van de eerfte verdieping draagt de kos- ten van den trap, die daar heen loopt. De eigenaar der tweede verdieping draagt de koss ten van den trap; die raar hem heen leidt, van de eerfte verdieping af gerekend, en zoo vervolgens. Art. 665. Wanneer men eenen gemeenen muur of een huis herbouwt, blijven de dadelijke en lijdende fervitucen, ten aanzien van den hin on) ns a 5 Van fervituten, door de wet vastgefteld. ist den nieuwen muur, of van het nieuwe huis voortduren, zon= der dat zij echter verzwaard mogen worden, voor dat eene verjaring plaats heeft. Art. 666. Alle grachten of flooten tusfchen twee erven worden vere onderfteld gemeen te Zijn, indien er geen bewijs of blijk van het tegendeel is. Het is een blijk> dat de gmcht of floot hiet gemeen is; alike is zel 1 p worpene aarde Alieensijk aan. Wanneer de 1 70 3 1 de ééne zijde ‚ Ü van a€ Art. 608: Eene gracht of floot wordt re che bij uitfluiting toe te kant, waar de opgewor- behooren aan den eigenaar van dien péne aarde gevonden wordt. Art. 669. De gemeene gracht of floot moet op gemeene kosten on= derhouden worden, Art. 670. Alle heggen, die de erven‘van elkander cheiden, worden voor gemeen gehouden, ten ware flechts één der erven in ftaat is om afgefloten te worden, of indien er een voldoende bewijs voor, of bezit van het tegendeel is. Art. 671. Het is niet geoorloofd, hoog opfchiete nde boomen te plan- de 9 sid n 2 ten, dan op den aflland, die bij de thans be eftaande bijzon= ; dere reglementen„of door vaste en erkende gebruiken bepaald is; en bij ontbreken van die reglementen en gebruiken; op den afftand van twee mètres wan den affcheidslijn der twee erven, voor zoó veel de hooge boomen betreft, en«op den afftand van eene hal ve mètre, ten aanzien van andere boo-= men en levertdige heggen. Art. 672. „ De buurman kan vorderen, dat de oane en heggen; op eenen kpn, afftand geplant, worden‘uitgeroe eid, Hij, over wiens erf de takken der boomen van zijn buure man overhangen, kan den laatst odzaken, om die takken af te houwen. Indien de wortels der boomen op zijn erf doorfchieten, heeft hij regt om die zelf we Art. 673, De boomen, die in de gemeene heggen gevonden worden, zijn even als de heggen, gemeen, en elk der twee eigenaars heeft tegt om te vorderen, dat zij gefnoeid worden, hg TWE Es aa lr Ir x te hakken. Ca C UI. Boek, IV. Titel, II, Hoofdftuk: TWEEDE AFDEELING.: Van den offland, en tusfchen beiden te maken werken 3‘ die tot zekere gebouwen vereischt worden,| Art. 674. Die een waterput, of een put tot een fecreet in de nabij-\ heid van eenen muur, het zij gemeen, het zij niet gemeen, laat graven, Die aldaar een fchoorfteen, of ftookplaats, eene fimederij, een bak- of andere oven wil metfelen, Er eene ftal tegen aanbouwen, Of tegen dien muur eene verzamelplaats van zout of bijs tende ftoffen aanleggen, Is verpligt, om op dien afftand te blijven, welke bij de bijzondere reglementen of gebruiken ten dien opzigte is voor- gefchreven, of om die werken te maken, welken dezelve reglementen en gebruiken gebieden, ten einde alle{chade voor de geburen voor te komen. DERDE AFDEELING. Wan uitzicht over het erf van zijnen buurman. Art. 675. i Een der geburen mag, zonder toeftemming van den ander EH in eenen gemeenen muur geen vengfter of opening maken, op welke manier ook, al ware het ook van glas, waar door KM men niet kan heen zien. 0 Art. 676, De eigenaar van eenen muur, die niet gemeen is,en waar 4 tegen het erf van een ander onmiddelijk aanligt, mag in dien If muur lichten of vengtters maken van glas, waar door mer | niet kan heen zien, en met ijzeren traliën voorzien. Á De‘traliën, waar mede die vengfters voorzien zijn, mogen | ten hoogften eene tusfchen-ruimte van eene decimòtre(om- trent drie duimen en acht lijnen) hebben„en het vengfterraam moet zijn van glas, waar door men niet kan heen zien. Art. 677. Van fervituten, door de wet vastgefteld. 133 Art. 677. Deze vengfters of lichten mogen niet gemaakt worden, dan zes en twintig decimètres(acht voeten) boven den vloer of grond van het vertrek, waar men licht wil fcheppen, ine dien het zelve met de gemeene fttaat gelijk is, en negentien decimètres(zes voeten) boven den vloer van hoogere verdies pingen. Art. 678. Men kan geene regtftreekfche lichten of vengfters, noch balcons, of andere diergelijke uitftekende timmeragiën, heb- ben, over het gefloten of ongefloten erf van zijnen buurman, ten ware tusfchen den muur, waar in men dezelven maakt, en het gemelde erf, een afftand is van zestien decimètres (vijf voeten). Art. 679. Men kan, noch ter zijde, noch in de fchuinte, over dat erf uitzicht hebben, ten ware tusfchen beiden een afftand is van zes decimètres(twee voeten). Art. 680. De afftand, waar van in de twee voorgaande Artikelen ge= fproken is, wordt gerekend van de buitenkant van den muursg in welken de opening gemaakt wordt, en zoo er een balcon of foortgelijke uitftekende timmeragie is, van derzelver bui- ten(ten rand tot aan de fcheidslinie der beide erven, Dd VIERDE AFDEELING. Van drop of waterloop der daken. Art. 681. Elk eigenaar is verpligt zijne daken zoo te maken;dat het regenwater op zijn erf, of op den gemeenen weg of ftraat afloope; bij mag hetzelve niet laten loopen op den grond van zijnen buurman. JL. Boek, WW. Titel, II. Hoofdftuk. VIJFDE AFDEELING, Van het vegt van overgang of uitweg, Art. 682. De eigenaar, wiens land tusfchen andere landen is ingeflo- ten, en die geenen toegang hoegenaamd tot den gemeenen weg heeft, is bevoegd om over den grond van zijne geburen eenen overgang te vorderen, ten dienfte van zijn erf, onder den last van vergoeding te moeten doen,- naar evenredigheid van de fchade, welke hij zoude mogen veroorzaken, f Art. 683. Deze overgang of uitweg moet gemeenlijk genomen worden aande zijde, waar de toegang van dit ftuk land tot den gee meenen weg de kortfte is. Art. 684. Echter moet dezelve bepaald worden op de plaats, daar die toegang de minfte{chade kan toebrengen aan het land, waar over de uitweg toegeftaan is. Art. 685. De actie tot fchadevergoeding, in het geval bij Artikel 632 bepaald, is aan verjaring onderworpen, terwijl de overgang of uitweg blijft voortduren, offchoon men in de actie tot fchadevergoeding niet meer ontvankelijk is, DERDE HOOFDSTUK Van fervituten of dienstbaarheden, door den wil der menfthen daargefteld. EERSTE AFDEELING. Van de onderfcheidene foorten van dienstbaarheden, die op goederen kunnen gevestigd worden. Het Art. 686. À Het is aan de eigenaars geoorloofd, om op hunne eigen- dommen, of tén voordeele van dezelven, zoodanige dienst- baar- cri DS Van vergunde dienstbaar heden. 135 paarheden te leggen„ als zij zullen goedvinden, mits echter deze diensthaarheden, noch op een perfoon, noch ten voordeele van een perfoon, maar alleen op een grond of erf, en ten voordeel: van een grond of erf gelegd worden,. en mits cok die dienstbaarheden voor het overige niets in zich bevatten, het welk tegen de publieke orde ftrijdt. Het gebruik en de uitgeftrektheid der alzoo vastgeltelde dienstbaarheden worden geregeld naar den titel, waar uit zij haren oorfprong hebben; indien zondanige titel niet beftaat„ worden zij naar de volgende regels bepaald, Art. 687. b Dienstbaarheden worden daargelteld, of ten voordeele van gebouwen, of ten voordeele van landerijen. Die tot de eerfte foort behooren, worden genoemd huis dienstbaarheden, het zij de gebouwen, waar toe zij behooren, in eene ftad of op bet land gelegen zijn. Die tot de tweede foort behooren; worden genoemd velde dienstbaarheden. Art. 638. De dienstbaarheden zijn, of altijd voortdurende, of niet altijd voortdurende. Altijd voortdurende dienstbaarheden zijn-de zoodanige, welker gebruik altijd voortduurt of kan voortduren, zonder dat daar toe de daad van een mensch noodig is: dusdanige zijn de waterloopen, de gooten, lichten, en andere foortge= lijke. Niet altijd voortdurende dienstbaarheden zijn.de zoodanige, welke de daad van een mensch tot derzelver uitoefening ver- eifchen: dusdanige zijn het regt van overgang of uitweg, om water te putten, om beesten te weiden, en andere diers gelijke. Art. 689. De dienstbaarheden zijn of zichtbare of onzichtbare. Zichtbare dienstbaarheden zijn de zoodanige, welke zich door uitwendige‘ werken doen blijken, gelijk eene deur, een vengfter, eene waterleiding, Orizichtbare dienstbaarheden zijn- de zoodanige, welke geen uitwendig teeken van haar beftaan heoben, als bij voorbee!d ‚ het verbod om op een erf te mogen bouwen, of om flechts tot eene zekere hoogte te mogen bouwen, EEE men { II. Boek, Wa Titel, II, Hoofiftuk, TWEEDE AFDEELING. Op hoedanige manier de diensthaarheden worden daargefteld., Art. 6go. De altijdvoortdurende en zichtbare dienstbaarheden worden verkregen door eenen.titel, of door een bezit van dertig jaren. Art. 6or. De altijd voortdurende onzichtbare dienstbaarheden, en de niet altijd voortdurende, het zij ze zichtbaar of onzichtbaar Zijn, kunnen alleenliijk door titels of acten van vergunning worden vastgefteld, Zeifs een bezit van onheugelijke jaren is niet voldoende om eenige dienstbaarheid daar te ftellen, zonder dat men nogtans tegenwoordig kan betwisten de dienstbaarheden van' dien aard, welke door bezit verkregen zijn, in de landen, alwaar zij op die wijze verkregen konden worden; BAE: 692,© De beftemming van eenen huisvader geldt voor‘eenen titel, ten aanzien\der altijd‘voortdurende en zichtbare dienste baarheden, be Art. 693. Zulk eene beftemming van eenen huisvader beftaat niet, dan wanneer het bewezen is, dat de twee erven» die thans verdeeld zijn, aan denzelfden eigenaar hebben toebehoord, en dat deze de zaken in dien flaat gebragt heeft, waar uit de dienstbaarheid voortvloeit. Art. 604. Indien de eigenaar van twee erven, tusfchen welken een zichtbaar teeken van dienstbaarheid beftaat, over één dier erven befchikking maakt, zonder dat het contract eenige overeenkomst bevat betrekkelijk de dienstbaarheid, blüft die dienstbaarheid, het zij heerfchende, het zij lijdende, beftaan ten voordeele of ten laste van het vervreemde erf. Art. 695. De titel, waar bij eere dienstbaatheid„ die door verjaring miet verkrijgbaar is, wordt daargefteld, moet beftaan in eene acte, waarbij de dienstbaarheid door den eigenaar van het dienstbaar erf erkend wordt, Art. 696. Wan vergunde diensthaarheden, Art. 696. Wanneer men eene dienstbaarheid daarftelt, wordt men geacht te hebben toegeftaan, al het geen tot het gebruik daar van noodig is. Zoo bevat de dienstbaarheid, om water uit eens anders bron‘te fcheppen, noodzakelijk in zich het regt van over- gang of uitweg. DERDE AFDEELING. Van de regten van den eigenaar van het erf, waar aan eene dienstbaarheid verfchuidigd ts. Art. 697. De geen, aan wien eene dienstbaarheid verfchuldigd is, heeft het regt, om alle werken te maken, die tot het ge- bruik en onderhoud dier dienstbaarheid noodzakelijk zijn. Art. 698. Deze werken worden ten zijnen kosten, en niet ten kos- ten van den eigenaar van het dienstbaar.erf gemaakt, ten wars de acte van vergunning der dienstbaarheid het te- gendeel gebiedt. Art. 699. In geval zelfs de eigenaar van het dienstbaar erf bij die acte belast wordt, om ten zijnen kosten de noodige werken tot het gebruik of het onderhoud der dienstbaar- heid te maken, kan hij zich altijd van dien last bevrijden, door het dienstbaar erf af te ftaan aan den eigenaar van het erf, waar aan de dienstbaarheid verfchuldigd is Art. 700. Wanneer hee erf, ten welks behoeve de dienstbaarheid is daargefteld, verdeeld wordt, blijft de dienstbaarheid vere fchuidied, woor elk- gedeelte, mits nogtans de gefteldheid van het diensbaar erf daar door niet verzwaard wordt, Wanneer dus, bij voorbeeld, gehandeld wordt over het regt van overgang of uitweg, zijn alle mede-eigenaars verpligt dat regt langs een en denzelfden weg te gebruiken, 1 Art. Zoll. De eigenaar van het erf„ het welk de dienstbaarheid ver= fchuldied is, kan niets doen, het welk tot vermindering van het gebruik dier di ienstbaarheid, of om het zelve ongemakke- lijker te maken, ir ekken zoude. {5 Zoo 138 IL Boek, IV. Titel, Zil. Hoofifuk. Zoo kan hij de ligging der plaarfen niet veranderen, noch het gebruik der dienstbaarheid verlegegen- vaar eene plaats„ verfchillende van die gene, alwaar die dienstbaarheid oor- fpronkelijk opgelegd is, Doch, des niettegenftaande, indien de oorfpronkelijke bee ftemming dier plaats voor den eigenaar van het dienstbaar erf meer bezwarende was geworden, of dat dezelve daar door belemmerd werd dienftige reparatiën aan dat erf te doen, meg hij aan den eigenaar van het andere erf eene plaats aanbieden, welke tot het gebruik van zijn regt even gefchikt is, en de eigenaar van dat andere erf mag hem zulks niet weigeren. Art. 702, Daarentegen kan ook van zijne zijde, de geen, die een regt van dienstbaarheid heeft, daar van geen ander gebruik maken, dan volgens zijne acte van vergunuing, zonder noch in het dienstbaar erf, noch in dat, waar aan de dienstbaar. heid verfchuldigd is, eenige verandering te mogen maken, waar door de gefteldheid van het eerstgemelde erf bezwaard zoude worden. VIERDE AFDEELING. 7- 2 Op hoedanige wijze de dieustbaarheden te niet gaan. Art. 7o3. De dienstbaarheden houden op, wanneer de zaken zich in zoodanigen ftaat bevinden, dat men van dezelven geen ge bruik meer maken kan, Art. 704, Zij herleven, wanneer die zaken zoodanig herfteld zijn, dat en daar: van gebruik kan maken; ten ware reeds een ge= noegzame tijd verloopen is, welke de vernietiging der dienst- baarheid doet veronderfteilen, gelijk in Artikel 7o7 gezegd Wordt.* Art. 705% Alle dienstbaarheden gaan te niet, wanneer het erf, waar aan dezelve verfchuldigd zijn, en het dienstbaar, erf in dee zelfde hand vereenigd worden. Pe] Ai Es 706, Van vergunde diensthaarheden. 139 Art. 706. | De dienstbaarheid gaat te niet, wanneer daar van in dertig | jaren geen, gebruik gemaakt is. Art. 707. Deze dertig jaren beginnen te loopen, naar de onderfchei- dene foorten van dienstbaarheden, of van den dag dat men heeft opgehouden daar van gebruik te maken, ten opzichte van niet altijd vgertdurende dienstbaarheden,of vanden dag, dat men eene da%ü verrigt heeft, ftrijdig tegen de dienstbaar- heid, ten opzichte van altijd voortdurende dienstbaarheden. Art. 708. De wijze, op welke men van eene dienstbaarheid gebruik maakt, verjaart even als de dienstbaarheid zelve, en op gelij- ke manier. … Art. 709. Zoo het erf, ten welks voordeel eene dienstbaarheid is daar- gefteld, aan vele eigenaars onverdeeld toebehoort, belet het gebruik van een der eigenaars de verjaring ten opzichte van alle verdere eigenaars. Art. 710. Zoo onder de mede-eigenaars zich een bevindt, tegen wien de verjaring niet heeft kunnen loopen, bij voorbeeld, een minderjarige, zal daar door het regt van alle verdere mede- eigenaars behouden blijven, neen dn nd Khan. vo on mn nn nn DERDE» ong VAN DE ONDERSCHEIDENE MANIERENW\OP WELKEN MEN EIGENDOM VERKRIJGT, ALGEMEENE BEPALINGEN. [Wastgefteld den 19den van Grasmaand 1803, ez afgekondigd den ooften van dezelfde maand.) Art. zi. De eigendom der goederen wordt verkregen, en gaat over door erfvolging, door gifte onder de levenden, of bij testa- ment, en ten gevolge van aangegane verbindtenisfen, Art. 719, Eigendom wordt mede verkregen door accesfie of inlijving, en door verjaring. Art. 713. De goederen, die geenen eigenaar hebben, behooren aan den ftaar. Art. 714. ie Er zijn zaken, die aan niemand toebehooren, en waar van het gebruik aan allen gemeen is. De wetten van politie regelen de manier om er genot van te hebben. Art. 7is. Het regt van jagen of visfchen is insgelijks door bijzondere wetten geregeld, Arts i6. De eigendom van eenen fchat behoort aan den geen, die denzelven op zijnen eigen grond vindt: indien de fchat op eens anders grond gevonden wordt, behoort hij voor de helft aan den geen, die hem ontdekt heeft, en voor de weder- helft aan den cigenaar van den grond, Een Algemeene bepalingen. I4ï Een fchat ís alle zoodanige verborgene of begravene zaak, waar op niemand zijnen eigendom bewijzen kan, en die door een louter toeval ontdekt is. dns 7173 De regten op goederen, in zee geworpen, op dingen, wel. ken de zee opwerpt, van welken aard zij ook zijn mogen, op de planten en kruiden, welke aan de zee-oevers groeien, worden al mede door bijzondere wetten geregeld. Het zelfde heeft plaats ten aanzien van verlorene goede ten, waar van de eigenaar niet te voorfchijn komt. B BNS TEE Dele BE, VAN ERFVOLGINGEN,s (Wastgefteld den 19den van Grasmaand 1803, en afgekondigd den ooften van dezelfde maand.) ERS EB HOORD EU Be Van het vervallen der erfenisfen, en de aanvaarding door de erfgenamen. Art. 719 De erfenisfen vervallen door den natuurlijken en door den burgerlijken dood. Art. 719. De erfenis vervalt door den burgerlijken dood, van het oogenblik, dat men dien dood ondergaan heeft, overeenkom- ftig de bepalingen van de tweede Afdeeling van het tweede Hoofdftuk, in den Titel: Wan het genot en verlies der bur- gerlijke regten. Art. 720, Indien verfcheiden perfonen, die refpectivelijk de een tot des anders erfenis geroepen zijn, bij een en het zelfde voor- val omkomen, zonder dat men weten kan, wie het eerst geftorven is, wordt de prefumtie van overleving bepaald door de … ee 14d HIL Boek, L Titel, Ll Hoofduk. de omftandigheden van het geval, en bij ontbreken war dien door de kracht van jaren en kunne, dEfs Jore: Indien zij, die gezamentliijk zijn omgekomen, nog geen vijftien jaren bereikt hadden, zal de oudfle geprefumeerd worden den anderen overleefd te hebben, Indien zij allen boven de zestig jaren oud waren, zal de jongfte in jaren geprefumeerd worden het langst geleefd te hebben. Indien eenigen beneden de vijftien, en de anderen boven de zestig jaren oud waren, zullen de eerften geprefumeerd worden het langst geleefd te hebben, Art. 722,« gezamentlijk zijn omgekomen, vijftien voll jaren, maar nog geen zestig jaren bereikt hadden, wordt de man altijd geprefumeerd het langst geleefd te hebben, wan- C Ì neer er gelijkheid van jaren is, of indien het beftaande vere fchil geen jaar te boven g d Indien zij, die ge a aat, „Indien zij lieden van dezelfde kunne waren, moet de pre= tumtie van overleving, die de erfenis naar de orde der natuur doet vervallen, toegelaten worden: dus wordt de jongfte geprefumeerd den ouderen overleefd te nebben. Art. 723, De wet regelt de orde van erfvolging tusfchen de wettige erfgenamen: bij ontbreken van dezelven gaan de goederen over aan de onechte kinderen, vervalgens aan den langstles venden echtgenoot, en zoo er die niet is, aan den ftaat. / Art. 724. De wettige erfgenamen treden van regtswege in het bezit def goederen, regten en actiën van den overleden, onder de verpligting om alle de lasten der nalatenfchap te voldoen: de onechte kinderen, de overblijvende echtgenoot, en de ftaat, moeten door den regter in het bezit gefteld worden; op zoodanige wijze, als nader zal bepaald worden. TWEEDE HOOFDSTUK. Van de vereischten, die tot erfvolzing noodig zijn, 6 Art. 725. Î Om iemands erfvolger te kunnen zijn, is het noodig, dat men op het tiijdftip van het vervallen der erfenis aanwezig zijs Dus 7,, j, rr PEEL Van de vereischten, die tot erfvolging noodig zijn. x43 Dus zijn onbevoegd om te kunnen opvolgen: 1°. Die nog niet ontvangen is; a°, Een kind, het welk bij deszelfs geboorte niet in flaat js om in leven te kunnen blijven; 3°. Die den burgerlijken dood ondergaan heeft. Art. 726. Een vreemdeling is niet bevoegd erfvolger te zijn in de goederen, welken zijn bloedverwant, het zij hij vreemdeling of Franschman is, op het grondgebied van het Keizerrijk bezit, dan alleen in de gewallen en op dezelfde wijze, als een Franschman aan zijnen bloedverwant, goederen in het land van dien vreemdeling bezittende, opvolgt, oveteenkomf(tig de bepalingen in Af 11 van den Tires: Van het genot en verlies der burge recten rt. 727. Onwaardie om erfvolgers te zijn, en, als zoodanig van de erfenis uitgefloten, zijn de volgende: 1°, Die veroordeeld is, om cat hi den overleden omgen bragt heeft, of gecracht heeft omtebrengen, e°, Die den overleden befchuldigd heeft van eene misdaad„ waar op de doodflraf(taat, doch welke betchuldiging bevonden is verdicht te zijn. s°, De meerderjarige erfgenaam, die, van het vermoorden van den overleden kennis dragende, daar van geene aangifte aan de justitie gedaan heeft, Art. 728. Het nalaten van zoodanige aangifte kan niet worden têgen- geworpen aan bloedvrienden van den moordenaar in de op= gaande of nederdalende linie, noch aan zijne aanbehuwd vrienden in denzelfden graad, noch aan zin echtgenoot of echtgenoote„ noch aan zijne broeders of zusters, noch aan zijne oomen en moeijen, noch aan zijne neven en nichten. De erfgenaam, die uit hoofde van onwaardigheid van de erfenis wordt uitgefloten, is gehouden tot te rug gave van alle vruchten en inkomften, waar van ‚hij zedert het verval. len der erfenis het genot gehad heeft. ATE. 730. De kinderen van den onwaardigen erfgenaam, uit eigen hoofde, en zonder behulp van pluatsvervulling tot de erfenis k mende, worden niet uirgefloten om de misdaad van hun- nen vaders doch deze kan in geen geval aanfpraak maken op 144 ZIT. Boek, 1. Titel, II. Hoofdpuk. op‘het vruchtgebruik van de goederen dezer nalatenfchap, het welk de wet aan vaders en moeders, ten aanzien van de goederen hunner kinderen, toeftaat. DERDE HOOFDSTUK. Van de onderfcheidene. orden van erfvolging. EERSTE AFDEELING. Algemeene bepalingen. Art. 731. li De erfvolging wordt opgedragen aan de kinderen en ver- ARN dere afkomelingen van den overleden, aan zijne bloedvrien= den in de opgaande en zijdlinie, volgens de orde, en overs eenkomftig de regels, hier na bepaald. Art. 732. De wet neemt in het regelen der erfvolging geen aanfchouw, goch op den aard der goederen, moch van wien zij afkoms ftig zijn Art. 733 | Alle erfenisfen, die aan bldedvrienden van de opgaande of EE zijdlinie vervallen, worden verdeeld in twee gelijke deelen: ij het‘eene voor de vrienden van de vaderlijke, en het andere ij voor die van de moederlijke tinie. ij Vrienden, die alleen van vaders of van moeders zijde be- Á ftaan, worden niet uitgefloten door vrienden, van beiden zij= | den beftaande, maar zij genieten alleenlijk een aandeel in hun ne linie, behoudens het geen bij Art. 752 gezegd zal wor- AU den. Bloedverwanten, van beide zijden beftaande, deelen in | de beide linien. Ei Er heeft geen overgang van de eene lijn tot de andere plaats, dan wanneer in een van de beide linien geen bloede | verwant van de opgaande of zjdlinie gevonden wordt, HE Art. 734 | Wanneer deze eerfte werdeeling tusfchen de vaderlijke en moederlijke lijnen gedaan is, heeft geene onderdeeling plaats, ‚__tusfchen de verfchillende takken der, linie; maar de helft, die Hi op elke linie vervallen is, behoort aan den erfgenaant of de erfs Van de bnderfcheidene orden van erfvolging. t48 erfgenamen„ de naaste in graad zijnde, behoudens het geval van plaatsvervulling,zoo als hier na gezeed zal worden. Art. 735. De betrekking der bloedverwantfchap wordt berekend naar het getal der generatiënz iedere generatie maakt een graad uits Art. 736: De opvolging van graden maakt de Zinie: men noemt eene vegte linie de opvolging vans graden tusfchen perfonen, die de een van den anderen afftammen; zijd/inie de, opvolging van graden tusfchen perfonen; die niet van elkander af= ftammen, maar die eenen gemeenen ftamvader hebben. De regte linie. word onderfcheiden in de regt nedergaande en regt opsaande linie, De eertte maakt het. verband tusfchen den, ftamvader, en die van hem afltammen, de laatfte verbindt éen’ perfoon met die genen, van welke hij afftamt. Att. 737. In de repte linie rekent men, dat er tusfchen de perfonen zoo vele graden zijn, als er generatiën beftaan:, derhalve ftaat een zoon, met betrekking tot zijnen vader; in den eer« ften graad; een kleinzoon in den tweeden, en zoo ook we= derkeerig de vader en de grootvader, met betrekking tot zoa nen en kleinzonen. «Att. 738. Ep In de zijdlinie worden de graden gerekend naar de genes ratiën, van den eenen bloedverwant af naar boven, tot der gemeenen(tamvader, welke echter niet mede geteld wordt„ toe, en van deze af weder naar beneden tot aan den anderen bloedverwant Derhalve beftaan twee broeders elkanderen in den tweeden, graad, oom en neef in den derden, volle rieven in den viet= den graad, en zoo vervolgens, TWEEDE AFDEELING. Van rebrefentatie of plaatsvervilling. Art. 7e R es A, Andere Reprefentatie is eene fictie van de wet, ten gevolge hèbbens He, dat de plaatsvervullers in de plaats, in den graad, en in, AN 4 8 Sj Au K ER ie 146 ZL. Boek, I. Titel, HIT. Hoofdftuk. de regten optreden van den geen’, wien zij vertegenwoore digen. À Art. 740. Reprefentatie heeft plaats in de regte nedergaande linie tot in het oneindige,, Zij wordt in allen gevalle toegelaten, het zij de kinderen van den overledenen te zamen komen tot de erfenisfe, met de afkomelingen van een voor-overleden kindg het zi dat alle de kinderen van den overledenen voor hem geftorven zijn= de, de afkomelingen van die voor-overledene kinderen, onders ling in gelijke of ongelijke graden betaande, aanwezig zijn. Art. 741. Reprefentatie heeft geene plaats ten Voordeele van naastbe- fraanden in de opgaande linie; de naaste in ieder der twee lijden fluit altijd den genen uit, die verder in graad iss Art. 742. In de zijdlinie wordt de reprefentatie toegeftaan, ten voors deele der kinderen en afkomelingen van broeders of zusters wan den overledenen, het zij dezelve te zamen met hunne oomen en moeïijjen erven, het zij bij voor-overlijden van des overledens broeders en zusters, de erfenis. overgaat Op dere zelver afkomelingen, in gelijke of ongelijke graden aan el kander beftaande. Art. /743- In alle gevallen, waar in reprefentatie plaats heeft, gefchiedt de verdeeling der erfenis bij ftaken: zoo dezelfde ftaak ver- fcheiden takken heeft voortgebragt, gefchiedt de onderdeeling &aar van weder in ieder tak, bij ftaken, en onder de leden in denzelfden tak gefchiedt de verdeeling der erfenis bij hoofden. Art. 744 Men vervult nimmer de plaats van perfonen, die nog in leven zijn, maar alleen van de zoodanigen, die den natuure lijken of burgerlijken dood ondergaan hebben. Men kan iemand reprefenteren, wiens boedel men niet heeft willen aanvaarden. Dre ne des ere el. ad Lu ing den bij Van de onderfcheidene orden van erfvolging. r4ï DERDE AFDEELING: Van erfvolging of fuccesfie in de nedergaande linië bij verfterf. Art. 745. De kinderen of derzelver afkomelingen erven van hunnen vader en moeder, grootvaders en grootmoeders, of verdere bloedverwanten in de opgaande linie, zonder onderfcheid van gellacht of eerstgeboorte, en fchoon zij uit onderfcheidene huwelijken zijn voortgefproten. Wanneer zij allen in den eerften graad beftaan, en uit ei« gen’ hoofde geroepen worden, erven zij voor gelijke deelen; en bij hoofden; doch wanneer zij allen of een gedeelte van hun bij plaatsvervulling komen, erven zij bij ftäken, VIERDE AFDEELING, Van erfvolging in de opgaande linie bij verfterf, Art. 746. Indien de overledene noch nakomelingen, noch broeders; noch zusters, noch afkomelingen van dezelven nagelaten heeft, wordt zijne nalatenfchap in twee deelen verdeeld, waar van de eene helft komt aan de bloedverwanten in de op= gaande linie van vaders zijde, en de andere helft aan die van moeders zijde, De naaste in graad in de opgaande linie verkrijgt de helft; aan zijne linie toekomende, met uitfluiting van alle ande= ren. Bloedverwanten in de opgaande linie, in gelijken graad bes ftaande, erven bij hoofden. Art. 747. De bloedverwanten in de opgaande linie erven; met uitflui= ting van alle anderen, dät gene, het welk door hen aar hunne zonder nakomelingen overledene kinderen, of verdere descendenten gegeven is, indien de gegevene zaken in nattúrd nog in de nalatenfchap aanwezig zijn. K a War. {48 Zi, Boek, L. Titel, III. Hoofdftuk. Wanneer deze zaken vervreemd zijn, ontvangen de bloëd= verwanten in de opgaande linie den koopprijs, die daar voor zoude mogen verfchuldigd zijn.—-= Zij erven ook de actie tot te rug neming, die de begiftigde zoude mogen hebben. Art. 748. Wanneer de vader en moeder van iemand, die zonder na-= komelingen overleden is, hem overleefd hebben, zal, zoo die perfoon broeders, zusters, of derzelver afkomelingen na= gelaten heeft, de erfenis verdeeld worden in twee gelijke deelen, waar van alleenlijk de helft toekomt aan den vader en aan de moeder, die dezelve onder zich gelijkelijk ver- deelen. De andere helft behoort aan de broeders, zusters of dere zelver afkgmelingen, zoo als in de vijfde Afdeeling van dic Hoofdftuk zäl worden uitgelegd. Art. 749. In geval de geen, die zonder nakomelingen overleden ís; broeders, zusters, of afkomelingen van dezelven achterlaat, zal, wanneer de vader of moeder voor-overleden is,het deel, het welk volgens het voorgaande Artikel op hem of haar zoude vervallen zijn, gevoegd worden bij de helft, die aan de broeders, zusters, of derzelver plaatsvervullers toekomt, zoo als in de vijfde Afdeeling van dit Hoofdftuk zal worden uitgelegd. VIJFDE AFDEELING. Van erfvolging in de zijdlinie bij verfterf. Art. 750, Bij vooroverlijden van vader en moeder van iemand, die zonder nakomelingen overleden is,worden deszelfs’ broeders; zusters, of derzelver afkomelingen, tot de nalatenfchap ge» roepen, met nitfluiting van alle andere bloedverwanten, zoo in de opgaande als zijdlinie. Zi erven, of uit eigen hoofde, of bij plaatsvervulling op de wijze, welke bij de tweede Afdeeling van dit Hoofdítuk bepaald is. Art. 751 Indien de vader en moeder van iemand, die zonder afko» melingen geltorven is, denzelven Overleven, worden zijne DIOë« Wan de onderfcheidene ordent van erfvolging. 149 broeders, zusters, of derzelver afkomelingen bij plaatsver- vulling, alleenlijk geroepen tot de helft der nalatenfchap. Indien alleenlijk de vader of moeder hem overleefd heeft, dan worden zij geroepen om drie vierde te erven. Arte. 7 52e De verdeeling van de helft of het drie vierde gedeelte der erfenis, aan de broeders of zusters toekomende, in de geval len bij het voorgaande Artikel gemeld, gefchiedt onder hun bij gelijke deelen, indien zij allen wan het zelfde bed zijn doch indien zij uit onderfcheidene huwelijken zijn voortge- fproten, wordt het geen zij erven in twee gelijke deelen, tusfchen de vaderlijke en moederlijke lijnen wan den overlede: nen gedeeld; die van heelen bedde hebben hun aandeel in de beide lijnen; die van halven bedde worden alleenlijk ieder in zijne lijn toegelaten, naar mate zij uit denzelfden vader of uit dezelfde moeder gefproten zijn: indien er geene andere dan broeders of zusters, die flechts in eene en dezelfde linie aan den overledenen beftaan, aanwezig zijn, worden deze, met uitfluiting van alle de bloedverwanten van de andere linie, tot de geheele nalatenfchap geroepen, Art. 753e Bij gebreke van broeders of zusters, of derzelver afkomee lingen, en bij gebreke van adscendenten in de eene of an- dere lijn, komt de nalatenfchap voor de eene helft aan de in leven zijnde adscendenten, en voor de wederhelft aan de naaste bloedverwanten van de eerstgemelde lijn. Indien zijdmagen van denzelfden graad te zamen erven, deelen dezelve bij hoofden. Art. 754. In het geval bij het vorig Artikel vermeld, heeft de langst- levende vader of moeder het vruchtgebruik van een derde der goederen, waar van hij den eigendom niet erft. Art. 755. Bloedverwanten, verder dan in den twaalfden graad aan den overledenen beftaande, erven niet bij vertterf. Wanneer in eene der lijnen bloedverwanten, die volgens de wet bij verfterf kunnen erven, ontbreken, erven de bloedverwanten van de andere lijn het geheel, III, Boek, L. Titel, IP. Hoofdfluk. VIERDE: HOOFDS D/K: Wan onregelmatige erfvolging bij verfderf. EERSTE AFDEELING, Van de regten der onechte kinderen op de goederen van hunnen vader of moeder, en van de erfa f volging aan onechte kinderen, die zonder nakomelingen flervene Ni| Att. 756. | Natuurlijke of onechte kinderen zijn geene erfgenamen, en de wet vergunt hun geen regt op de goederen van hun- [El nen overledenen vader of moeder, dan wanneer zij wettiglijk erkend zijn,—— De wet geeft hun geen het minfte regt op de goederen der bloedverwanten van hunnen vader of moe- ON: der. ij Art. 757. EEN ‚__ Het regt van een onecht kind op de goederen van zijnen Hul Overleden vader of moeder, wordt geregeld als volgt: hk Zoo de vader of moeder wettige afkomelingen i heeft nagelaten, beftaat dit regt in een derde gedeelte Ì van het erfdeel, het welk het onechte kind gehad zoude hebben, wanneer het wettig geweest was; het / beftaat in de helft, wanneer de vader of moeder gee- Ik ne wettige afkomelingen achterlaten, maar wel bloed- KE: verwanten in de opgaande linie„ of broeders of zus- vagen eere_ ters: het beftaat in drie vierde gedeelten, wanneer de vader of moeder geene bloedverwanten in de nederda» lende of opgaande linie, noch ook broeders of zus- ters nalaten, Art. 759. Het onecht kind is geregtigd tot de geheele nalatenfchap» wanneer zijn vader of moeder geene bloedverwanten nalaten die volgens de wet bij verfterf kunnen erven. a eee Van onregelmatige erfvolging bij verfterf. 155 Art. 759. In gevalle van vooroverlijden van het onechte kind, kuns nen deszelfs kinderen of verdere afkomelingen de regten, bij de vorige Artikelen bepaald, inroepen. Art. 760. Het onecht kind of deszelfs afkomelingen zijn verpligt om op het geen zij regt hebben te vorderen, zich te laten toerekenen of afkorten al het geen zij te voren van den va- der of de moeder, wiens nalatenfchap vervallen is, ontvans gen hebben, en het geen voor collatie of inbreng vatbaar is„ volgens de regels, bepaald in de tweede Afdeeling van het zesde Hoofdítuk van dezen Titel. Art. 7Ór. Alle regt van aanfpraak is hun ontnomen, wanneer zij s bij het leven van hunnen vader of moeder, de helft van het geen aan hun bij de vorige Artikelen is toegekend, ontvan- gen hebben, met uitdrukkelijke verklaring, door hunnen vas der of moeder gedaan, dat hunne bedoeling is, om het on- echt kind af te zetten met het gedeelte, door hun reeds aan het zelve bewezen. In gevalle dit gedeelte minder bedraagt dan de helft van het geer op het onecht kind zoude hebben moeten komen, zal het zelve kind niets meer kunnen vorderen, dan het geen tot aanvulling van die helft noodig is. Art. 762, De bepalingen, bij Art. 757 en 758 gemaakt, zijn niet toepasfelijk op kinderen, in overfpel of bloedfchande geboe Iene De wet verleent hun alleen het noodig onderhoud. Art. 763. Dit onderhoud wordt bepaald overeenkomftig de gegoede heid van den vader of moeder, en naar het getal en de hoes danigheid der wettige erfgenamen. Art. 764. Wanneer de vader of moeder van een kind, in overfpel of bloedfchande geboren, aan het zelve een ambacht hebben laten leeren, of wanneer één van hun aan het zelve, gedu- rede zijn leven, een vast onderhoud gemaakt heeft, kan zoodanig kind geene de minfte vordering maken op de nala- tenfchap van zijne ouders. Art. 765. De nalafenfchap van het onecht kind, het welk zonder afkomelingen na te laten overleden is, vervalt op den vader of de moeder, die het-zelve erkend heeft, of voor de helt K 4 op ISN ee i52 ZIE Boek, 1. Titel, IV. Hoofdstuk. op beide de ouders, indien het zoo wel door den vader als door de moeder is erkend geworden. ii Arts 766.- In geval van vooroverlijden van den vader en de moeder van een onecht kind, vervallen de goederen, die het van dezelven ontvangen had, op de wettige broeders of zusters„ Zoo namelijk die goederen zich in natura in de nalatenfchap nog bevinden; de actien tot terugvordering, zoo die beftaan, of de prijs der vervreemde goederen, Wanneer dezelve nog verfchuidigd is, keeren insgelijks tot de wettige broeders en zusters terug, Alle de verdere goederen gaan over aan de onechte broeders en zusters, of derzelver‘af komelingen, TWEEDE AFDEELING. Van de regten van den langstlevenden der echtgenoo- 4 ten ‚en van den flaai. Ärt. 767. Indien de overleden geene bloedverwanten, die volgens de wet’ bij verlterf kunnen erven, noch ook onechte’ kinderen halaat, behooren de goederen der nalatenfchap_ aan der Jangstlevenden echtgenoot; ten ware het huwelijk te voren door echtfcheiding vefnietigd ware.’ e P Art. 768. Bij ontbreken van eenen overblijvenden echtgenoot, vere valt de nalatenfchâp dán‘den ftaat. k Art. 769, De langstlevende echtgênoot, en de adminiftrateurs der domieinen, die tegt vermeenen: te hebben op de nalatenfchap, zijn verpligt, de goederen te doen verzegelen, en daar van inventaris ‚te doen maken, op de wijze, bepaald bij het Aanvaarden der nalatenfchappen ónder beneficie van‘inven- taris./ Art. 770. Zij moeten bij de regtbank van de eerfte inftantie, onder welkers resfort‘ de nâlatenfchap gevallen is, verzoeken om n het bezit daar van gefteld te worden.—-' Deze regt bank kan het verzoek niet toeftaan, dan na het, doen van drie afkondigingen en aanplakkingen naar de gebruikelijke manier, en na alvorens daar over den Procureur des Kei« sers gehoord re hebben. Hr _ A4 et pm we bij E\ d, Va Van ovregelmatige erfvolging bij verfterf. 153 Art, 771. De langstlevende echtgenoot is ook verpligt, om de roerende goederen te verkoopen en het geld te beleggen, of om een voldoende borg te ftellen, tot zekerheid van de terúggave, in gevalle zich erfgenamen van den overle= denen, binnen een tijdvak wan drie jaren, mogten opdoen: na verloop van dien tijd is de borg. ontflagen. Art. 772. De langstlevende echtgenoot, of de adminiftrateurs der domeinen„ die de formaliteiten, bij dee wet aan ieder van hun voorgefchreven, niet zouden mogen hebben in acht genomen, Kunnen verwezen worden tot vergoeding van fchaden en interesfen, ten behoeve dererfgenamen, indien zich dezelve opdoen. ATG IT Ge De bepalingen, bij Artikel 769, 770, 771 en 772 ges maakt, zijn mede betrekkelijk op onechte kinderen, die, bij gebreke van bloedverwanten, tot de erfenis geroepen zijn. VIJFDE HOOFDSTUK, Van het aanvaarden en verwerpen eener erfenis, EERSTE AFDEELING. Van het aanvaarden eener erfenis. Art. 774. Eene erfenis kan, of zuiver en eenvoudig, of onder bes neficie vên inventaris, aanvaard worden, Art. 775. Niemand is verpligt eene hem opgekomene erfenis te aanvaarden. Art. 776, De getrouwde vrouwen kunnen geene erfenis naar resten aanvaarden, dan met toeftemming van haren, man, of op autorifatie van den regter, overeenkomftig de bepatingen van her zesde Hoofdítuk van dên Titel: van hee hu- welijk, K Er- 154 HI. Boek, L. Titel, V. Hoofdfuk. Erfenisfen, opgekomen aan minderjarigen, en aan de ge- nen, die onder curateele gefteld zijn, kunnen niet anders aanvaard worden, dan met in achtneming van het geen dienaangaande bij den Titel: van minderjarigheid, voogdij en emancipatie, Of ontflag wit de magt van ouders of voog= den, bepaald is, Art. 777. De gevolgen van het aanvaarden eener erfenis worden gee rekend te beginnen van den dag af, dat dezelve aan iee mand opgekomen is. Art. 778. De aanvaarding kan uitdrukkelijk, of ftilzwijgende gefchies den. Zij gefchiedt uitdrukkelijk, wanneer men in eenig aul- thentiek of onderhandsch gefchrift den titel of hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; zij gefchiedt ftilzwijgende, wanneer de erfgenaam eene daad verrigt, dewelke zijne meening, om de erfenis te aanvaarden; noodwendig aan den dag legt, en waar toe hij alleen in hoedanigheid als erfgenaam bevoegd Was. Art. 779. De daden, enkel dienende tot provifioneele bewaring, Op- zigt en beheering, worden voor geene daden van ftilzwijgen= de aanvaarding gerekend, ten ware men daar bij den titel of hoedanigheid van erfgenaam mogt hebben aangenomen. ZTL 700. Een mede-erfgenaam, die zijn regt op eene nalatenfchap bij donatie, verkoop of overdragt, het zij aan vreemden„ het zij aan alle zijne mede-erfgenamen, of aan een’ van dezelven overgeeft, wordt geacht de erfenis ftilzwijgende aanvaard te hebben. Het zelfde heeft plaats 5 1°. In geval van afftand, zelfs om niet, door één der erfgenamen gedaan, ten behoeve van één of meer der mede-erfgenamen. e°, In geval van afftand van één der erfgenamen, ten choeve van alle zijne mede-erfgenamen zonder one derfcheid, zelfs wanneer hij voor dien zijnen afftand eenen uitkoop geniete Art. 731. Wanneer iemand, aan wien eene erfenis opgekomen iS overleden is, zonder dezelve, het zij uitdrukkelijk, het zi ftilzwijgende, aanvaard of verworpen te hebben, kunnen de erfgenamen dezelve uit‘eigen hoofde of aanvaarden of ver werpen. Art. 782, Tales en 3 Ma A era ann EE a Peet ve a 5 rn St U da 3 Wan het aanvaarden en verwerpen eener erfenis. 155 Art. 782. Indien deze erfgenamen oneens zijn over het al of niet ganvaarden der erfenis, moet dezelve aanvaard worden on= der beneficie van inventaris. Art. 783. Een meerderjarige, eene erfenis uitdrukkelijk of ftilzwijgen- de aanvaard hebbende, kan tegen deze zijne aanvaarding niet opkomen, dan in gevalle dezelve mogt gefchied zijn ten gevolge van een tegen hem gepleegd bedrog. Hij kan zich pimmer beroepen op het voorgeven, van door die aanvaar- ding benadeeld te zijn, uitgengmen alleen, wanneer een tes- tament mogt te voorfchijn gebragt worden, het welk. aan hem te voren onbekend was, en waar door de nalaten{chap tot niet gebragt„of voor meer dan de helft verminderd werd, TWEEDE AFDEELING. Van de repudiatie of affland eener erfenis. Art. 784. De repudiatie of afftand eener erfenis wordt niet geprefu- meerd: zij kan niet anders gefchieden,dan ter griffie van de regtbank van de eerfte inftantie van het arrondisfement, in het welk de erfenis gevallen is, in een bijzonder register; ten dien einde gehouden wordende, Art. 785. Die eene erfenis verwerpt, of daar van afltand doet, wordt gerekend nimmer erfgenaam geweest te zijn. Art. 786. Het verworpene of afgellane gedeelte wordt door het regt van aanwas verkregen door zijne mede-erfgenamen; Z00 hij, die repudieert, de eenige erfgenaam is, vervalt de erfenis aan den geen, die het naast op hem volgt. Art. 787. Men kan niemand reprefenteren„© of deszelfs plaats vervul- len in eene erfenis, die hij verworpen heeft: indien hij, ie eene erfenis verworpen heeft, alleen ín zijnen graad erfges naam is, of wanneer alle zijne mede-erfgenamen de erfenis verwerpen„, erven de kinderen uit eigen hoofde, en bij ge- lijke deelen, Art. 783. 15 MIL, Boek, L. Titel, V. Hoofdfluk, Art. 788. De fchuideifchers van den genen, die van eene erfenis ten nadeele van hun regt, af{tand doet, kunnen zich door den regter doen autoriferen, om de erfenis, in naam van hunnen fchuldenaar, in zijne plaats en voor hem te aanvaare den. In zulk een geval, wordt de afftand der erfenis niet ver- der dan ten voordeele der fchuldeifchers, en alleenliijk ten beloope van hun achterwezen, vernietigd 3 doch niet ten voordeele van den erfgenaam, die afftand gedaan heeft. Art 789. De bevoegdheid, om eene erfenis te aanvaarden of te ver= werpen, verjaart door het verloop van zoodanigen tijd, als vereischt wordt tot de langfte verjaring van regten op on- roerende goederen. Bak Art, 790. ij Zoo lang geene verjaring van het regt van aanvaarding Hi| verkregen is tegen de erfgenamen, die van-de erfenis afftand | gedaan hebben, behouden zij de bevoegdheid, om de erfenis als nog te aanvaarden, zoo die niet reeds door andere erfe genamen aanvaard ís; onverminderd nogtans de regten, wel» ke door een derde op de goederen der nalatenfchap intus« fchen mogten verkregen zijn, het zij door verjaring, het zij door wettige handelivgen met den curator, die de beheering van de vacerende erfenis gehad heeft, | Art. 791, | Men kan, zelfs niet bij een huwelijks-contract, van de Akin erfenis van iemand, die nog leeft, afftand doen, noch het | toekomftig regt, het welk men op zoodanige erfenis zoude mogen hebben, wervreemden. Art. 792.} Erfgenamen, die eenig goed van de nalatenfchap. mogten weggemaakt of verzwegen hebben, verliezen de bevoegdheid KA om de erfenis te verwerpen: zij worden geacht de erfenis Kd| zuiver en eenvoudig aanvaard te hebben, niettegenftaande hunne verwerping, zonder eeníg deel in het weggemaakte of verzwegene te mogen eifchen. zl eea deense msmmmmmmmmntttn Mar an ar peen eee geen neer DER. nn pand r F le Is | Van het aanvaarden en verwerpeh eener érfenis, 8 DERDE AFDEELING. Wan beneficie van inventaris, deszelfs gevolgen, en de verpligtingen van den erfgenaam, die de nalaten- ’ fchap alzoo aanvaard heeft. 5 Art. 703. De verklaring van eenen erfgenaam, dat hij die hoedanig= heid niet dan onder beneficie van inventaris wil aannemen, moet gefchieden ter griffie van de regtbank vande eerfte inftantie van het arrondisfement; alwaar de erfenis gevallen is: dezelve moet worden gefchreven in het register, tot' de acten van repudiatie of afftand beftemd, Art. 794. Deze verklaring heeft geene kracht, dan voor zoo verre zij is voorafgegaan of gevolgd van eenen deugdelijken er naauwkeurigen inventaris van de goederen der nalatenfchap, ingerigt in den vorm, bij de wet op de manier van proce= deren bepaald, en binnen den tijd hierna voorgefchreven. Art. 795. De erfgenaam heeft drie maanden tijd tot het maken van eenen inventaris, te rekenen van den dag, dat de erfenis vervallen is. Bovendien heeft hij den tijd van veertig dagen, om zich te beraden, of hij de erfenis wil aanvaarden of verwerpen; deze tijd begint te loopen van den dag, dat de drie maan- den, die tot het maken van den inventaris gefteld zijn, zijn verloopen, of van den dag van het fluiten van den inventa= ris, indien’ dezelve binnen drie maanden voltrokken is. Art. 796. Indien echter in de nalatenfchap goederen zijn, aan bederf onderworpen, of die niet zonder aanmerkelijke kosten. bee waard kunnen worden, kan de erfgenaam in de betrekking, die hem tot de erfvolging regt geeft, en zonder dat daar uit van zijne zijde eenige aanwaarding der erfenis kan wor= den afgeleid, door den regter zich doen autoriferen, om die goederen te verkoopen. Deze verkooping moet gefchieden door eenen openbaren ambtenaar, na gedane aanplakkingen en afkondigingen, bij de“ wetten op de manier van procederen bepaald. Art. 797» 158 HIT. Boék, 1. Titel, WV. Hoofdftuk. Art. 797. Gedurende den loop des tijds, die tot het maken van inventaris, en het nemen van beraad, verleend is, kan de erfgenaam niet genoodzaakt worden, om de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen, en men kan tegen hem geen vonnis bekomen: indien hij, na het verloop van dien tijd, of ook eerder, van de erfenis afftand doet, komen®de door hem wettiglijk gemaakte kosten; tot dien tijd toe, ten laste van de nalatenfchap. Art. 798, 6 Na het verloop van den hier voren bepaalden tijd, kan de erfgenaam, in geval hij vervolgd wordt, een nieuw uitftel vragen, het welk de regtbank, waar voor het gefchil dan= hangig is, naar de omftandigheid, toeftaat of weigert. Art. 799. De proces-kosten, in het geval bij het vorig Artikel bee paald, komen ten laste der nalatenfchap,‘indien de erfge- naam bewijst, of dat hij geene kennis heeft gehad van het overlijden, of dat de geftelde tijd niet voldoende is geweest s het zij uit hoofde van de ligging der goederen, het zij uit hoofde van opgekomene gefchillen:— zoo hij hier van niets bewijst, blijven de kosten ten laste van den erfgenaam in het bijzonder. Art. 800. De erfgenaam behoudt, niettemin, na verloop der tijd vake ken, bij Artikel 795 bepaald, gelijk ook van die genen, welke door den regter, overeenkomftig Artikel 798, toege- ftaan worden, de magt, om als nog eenen inventaris te mar ken, en zich als erfgenaam onder beneticie van inventaris te gedragen, zoo hij voor het overige geene daad als erfge= naam verrigt heeft, of zoo tegen hem geen vonnis beftaar 5 het welk kracht van gewijsde bekomen heeft, waar bij hij enkel en eenvoudig als erfgenaam gevonnisd wordte Att. Sos De erfgenaam, die zich aan het verbergen van eenig goed fchuldig heeft gemaakt, of die wetens en ter kwader trouw heeft nagelaten, om op den inventaris eenige goederen te brengen, tot de nalatenfchap behovrende, is verltoken van het beneficie van inventaris. Art. 802, Het gevolg van het beneficie van inventaris is, dat aan den erfgenaam het voorregt gegeven wordt: 1°. Dar bij niet verder gehouden is tot betaling der fchulden van de erfenis, dan tot het beloop van de waar- Wan het aanvaarden en verwerpen eener erfenis. 159 waarde der goederen, die hij ontvangen heeft, en dat hij zelfs zich kan ontflaan van de betaling der fchul den, indien hij alle de goederen der nalatenfchap aan de fchuldeifchers en legatarisfen overlaat, a°, Dat hij de goederen, die hem perfoonlijk toebehoo= ren, niet behoeft te vermengen met die der nalaten- fchap, en daar tegen het regt behoudt, om het geen aan hem uit den boedel verfchuldigd is, te rug te eifchen. Art. 803, De erfgenaam, die eenen boedel onder beneficie van inven- taris aanvaardt, is belast met de beheerilig van de goederen der nalatenfchap, en moet van die zijne beheering aan de fchuldeifchers en legatarisfen rekening doen. De goederen, hem in perfoon toebehoorende, kunnen daar voor niet worden aangefproken, dan in geval hij, na gereg- telijke aanmaning, in gebreke blijft om aan zijne verpligting, tot het overleggen zijner rekening, te voldoen, Na dat de rekening gezuiverd en gefloten ís, kunnen zijne hem in perfoon toebehoorende goederen niet worden agngee fproken, dan alleen ten beloope van zoodanige gelden, wel« ke hij bij flot van rekening is fchuldig gebleven. Art. 804. Hij is niet gehouden, dan wegens zeer grove misflagen in de beheering, waar mede hij belast is, Art. 805, Hij kan de onroerende goederen der nalatenfchap niet dan door tusfchenkomst van eenen openbaren ambtenaar doen ver- koopen aan de meestbiedenden, en na de gewone aanplakkin- gen en afkondigingen. Zoo hij die goederen in natura te woorfchijn brengt, is hij alleen gehouden tot vergoeding der vermindering van waarde, of veroorzaakte fchade door zijne onachtzaamheid. Art. 806. Hij kan de onroerende goederen niet verkoopen, dan op zoodanige wijze, als bij de wet op de manier van procede- ren is vastgefteld: hij is gehouden om den koopprijs aan de hijpothecaire{chuldeifchers, die zich bekend gemaakt heba ben, bij delegatie aan te wijzen. Art. 807. Hij is verpligt, indien de fchuldeifchers of andere belang- hebbende perfonen zulks vorderen, eenen. genoegzaam gegoe. den borg te ftellen, voor de waarde van de roerende goede- ten, in den inventaris begrepen„en voer het gedeelte van de waars End Ba vób ak UL Boeke Le Tna, P. Hobfiduis waarde dèr onroerende goederen, het welk aan de hijpothe« caire fchuldeifchers niet aangewezen is. Wanneer hij in gebreke blijft dezen borg te ftellen, wor: den de roerende goederen verkocht, en derzelver koopprijs, gelijk ook het niet aangewezene gedeelte vâan den: koopprijs der onroerende goederen, worden gebruikt, om daar uit de fchulden der nalatenfchap te voldoen; Art. 808. Wanneer een of meer fchuldeifchers in oppofitie komen kan de erfgenaam, die onder beneficie van inventaris de na= latenfchap aanvaard heeft, geene betalingen doen ‚dan volgens de orde, en op de*wijze, door den regter te bepalen. Zoo er geene fchuldeifchers in oppofitie komen, doet hij de betalingen aan de fchuldeifchers en legatarisfen, naar mate zij zich opdoen. Arts So0.rius De fchuldeifchers, die niet in oppofitie gekomen zijn, en zich eerst na het fluiten der rekening, en de betaling van het flot derzelve opdoen, hebben geen verhaal, dan alleen op de legatarisfen. In beide die gevallen, verjaart deze actie door het verloop van drie jaren, te rekenen van den dag van het fluiten def rekening, en de betaling van het flot derzelve. Ant Sos; De kosten der verzegeling, indien die heeft plaats gehad, van het maken van den inventaris,en het doen der rekening„ komen ten laste van de nalaten{íchaps VIERDE AFDEELING: Van vaceerende erfenisfen. Art. 811: Wanneer na verloop van den tiijd tot het maken van in= ventaris, en den tijd van beraad, zich niemand opdoet, die op eene nalatenfchap aanfpraak maakt; en er geen bekende erfgenaam is; of de bekende: erfgenamen daar van hebben afftand gedaan, wordt deze nalatenfchap: gehouden voor va= ceerende. % Se > 9 a je (a Id fl zin het aanvaarden en verwerpen eener erfenis.— vt Art. 812. De regtbank van de eerfte inftantie„ in het arrondisfement waar de erfenis gevallen" is,* benoemt op-verzoek van de belanghebbenden, of op’ de vordering van’ den Procureur des Keizers, eenen curator. Art, 813. De curator over eene vacéerenhde etfenis is verpligt Om; woor alles, den ftaat der natatenfchap op te maken door eenen inwentaris3 hij oefent de regten der nalateofchap uit, en vere volgt dezelve3 hij antwoordt op de eifchen, die regen dezelve gedaan worden; hij beheert dezelve, onder voorwaarde, dat hij het gereede geld, het welk zich in de nalatenfchap bevindt, als mede de penningen, uit den” prijs der verkochte roerende en onroerende goederen voortkomende, doet(torten in de kas van den ontvanger van de Keizerlijke domeinen, tot be» houd van deszelfs regt, en mits hij rekeníisg doet aan den genen, wien de nalatenfchap zal toebehooren. Art. 814. De bepalingen, vêrvat in dederde Afdeeling van dit Hoofd. ftuk, nopens den vorm van den inventaris, dewijze van be- heering, en het doen van rekening‘door den erfgenaam, die den boedel onder beneficie van inventaris aanvaard heeft; zijn voor het overige mede betrekkelijk op de curators vaa vacerende erfenisfen, LESDE“HOOFDSTUK. Van boedelfcheiding,en van collatie of inbreng, ERSTE‘AFDEELING. Van de actie tot boedelfcheiding„en derzeiver. vorm, ; Art: 815. ‚ Niemand kan gedwongen worden, on in eenen onverdeelderi boedel te blijven, en boedelfcheiding kan altijd gevorderd worden, niettegenttaande eenig daar mede flrijdig verbod of overeenkomst‘aanwezig zoûde mogen zijne Men kan echter bij overeenkomst“de boedelfcheiding voor eenen bepaalden tijd opfchorten: deze overeenkomst heeft niet lans RN ren pre eene enmen nem ms ntt 162 HIT. Boet, L Titel, VI. Hofifuk. Janger eene verbindende kracht, dan gedurende vijf jaren; maar Zij kan vernieuwd worden.$ Art. 816, De boedelfcheiding kan geëischt worden, zelfs wanneer een der mede-erfgenamen afzonderlijk het genot heeft gehad van een gedeelre der goederen van de erfenis, zoo er geene daad van boedelfcheiding, noch een voldoende bezit om daar door verjaring te verkrijgen, heeft plaats gehad, Art. 817, ft De actie tot boedelfcheiding kan, ten aanzien van mede- erfgenamen, die minderjarig zijn, of onder curateele ftaan, door hunne voogden,daar toe in het bijzonder door den fami« lie- raad geautorifeerd, worden aangelegd, Ten aanzien van afwezende mede-erfgenamen, behoort de- ze actie aan de bloedverwanten„die in het bezit der nalaten- fchap gefteld zijn, Art. 818. De man kan, zonder. tusfchenkomst van de vrouw, de boedelfcheiding vorderen van de roerende of onroerende goederen, die op haar vervallen zijn, en tot den gemeenen boedel behooren; ten aanzien wan de goederen, die niet in de gemeenfchap komen, kan de man daar wan-geene boedelfchei- ding, zonder tusfchenkomst van de- vrouw, vorderen; hij kan alleenlijk, bijaldien hij het regt heeft om het genot tè hebben van die goederen, eene provifionele verdeeling eis fchen. De mede-erfgenamen wan de vrouw, kunnen de eindelijke boedeifcheiding niet eifchen, dan door te gelijk ,zoo wel den mam, als de vrouw, daar toe op te roepen. Art. 819. Wanneer alle mede-erfgenamen tegenwoordig en meerderja= rig zijn, wordt de verzegeling der goederen van de nalaten- fchap niet vereischt; en kan de boedelfcheiding als dan ge- fchieden in zoodanigen vorm, en bij zoodanige acte, als de belanghebbende partijen oordeelen meest gepast te zijn. Wanneer alle de erfgenamen niet tegenwoordig zijn, of wanneer zich onder hun minderjarigen bevinden, of zoodani» gen, die onder curateele ftaan, moet de verzegeling binnen den kortst mogelijken tijd getchieden, het zijten verzoeke van de erfgenamen, het zij op aanhouden van den Procureur des Keizers bij de regtbank van de eerfte inftantie, het zij ambts- halve door den vrederegter in het arrondisfement, alwaar de nalateu{chap gevaien is. Art, 820, Ip ee van gad jor d lara nf a? sg seh van colitis of thbreng, 163 Kan beedelfthein Art. 820. Pe fchuldeifchers kunnen mede de verzegeling der nalaten. fchap vorderen, uit kracht van het regt vän executie ,of van ëen bekomen verlof van den regter. Art. Ber. Wanneer de nalatenfchap verzegeld is, kunnen alle fchuúld- eifchers daar tegen in oppofitie komen, zelfs al hebben zij geen-rest van executie, of geen verlof van den regter. De formaliteiten tot het ontzegelen en tot het maken wan den inventaris, zijn bij de wetten op de manier van proces deren bepaald, Art. 822. De actie tot boedelfcheiding, en de gefchillen,die zich ge= durende de boedel-beredding opdoen, zijn onderworpen aan de regtbank van de plaats, waar de nalatenfchap gevallen is. Ten overftaan wan deze regtbank moeten ook de verkoos pingen der onroerende goederen gedaan, en de eifchen be= trekkelijk de guarantie der loten tusfct hen de deelgenooten, ert die tot vernietiging eener boedelfcheiding ftrekken, behandeld worden. Art. 823. Zoo eef der mede-erfgenamen weigert om in de fcheiding toe te(temmen, of indien gefchillen ont{tgan, het zij over de wijze van derzelver inrigting, het zij over derzelver vol wekking,; doet de regtbank daar omtrent uitfpraak, als in fammiere zaken, of benoemt des noods een regter tot het regelen der boedelfchéiding, op wiens rapport de regtbank de'gefehüllen, deswegens gerezen, beflist. Art. 824. De begrooting der onroerende goederen wordt gedaan doot deskundigen, door de belanghebbende partijen gekozen, of indien deze zulks weigeren, door den regter benoemd Het proces-verbaal van deskundigen moet inhouden, op welke gronden de begrooting door hen is gedaan, het zelve moet mede aanwijzen, of het gewaardeerde goed gevoegelijk, en op welke wijze, verdeeld kan worden; en eindelijk bepalen„ in- geval van verdeeling,elk der bijzondere gedeelten„ die daar van te- maken zijn, als mede derzelver waarde, N Art. 825. De begrooting der roerende goederen, zoo dezelve bij het maken van den inventaris niet gewaardeerd zijn, moet ges fthieden door deskundige lieden, naar derzelwer juiste waarde, en zonder eenig opgeld daar bij te berekenen, Lg Arte 8264 164 ME Boek, L. Titel; VI Hoofdfiuk. Art. 826. Elk der. mede-erfgenamen kan zijn aandeel in- de roerende en onroerende goederen ‚der nalatenfchap, in natura eifchen 5 niettemin, indien er fehuldeifchers zijn, die arrest. gedaan: hebben, of in oppofitie gekomen zijn, of indien de meer= derheid der mede-erfgenamen den verkoop noodzakelijk oór- deelt, tot voldoening der fchulden en lasten van de. nalaten- fchop, worden„de roerende goederen. in het openbaar, en naar den gewonen. vorm verkocht, Art, 827. Indien de onroerende goederen niet gevoegelijk„werdeeld kunnen worden, moet men tot des openbare verkooping der- zelven, ten overftaan van de regtbank„ overgaan, Nogtans mogen partijen, wanneer„zij alle, meerderjarig zijn„ overeenkomen„dat de verkooping. der onroerende. goe» deren. gedaan worde ten overftaan van eenen notaris, met gemeen goedvinden door hen daar toe gekozen. Art. 828. Na dat de roerende en_ onroerende. goederen. begroot en verkocht zijn, verwijst de commisfaris uit de regtbank, des; noods, partijen aan eenen notaris, dien zij te zamen goedvin: den, of van ambtswege benoemd, indien„zij, het„omtren de keuze niet eens zijn. Ten overftaan van dezen ambtenaar moeten de rekeningen, welke ‚de mede-erfgenamen elkander. zouden mogen verfchul- digd zijn, gedaan worden, als mede de opmaking van den geheelen ftaat des boedels, de verdeeling der loten, en het geen aan ieder der deelgenooten, tot gelijkftelling der loten betaald moet worden. Art. 829. Elk mede-erfgenaam moet iu de nalatenfchap. inbrengen de giften, die hij ontvangen heeft, en de penningen, welke.hij verfchuldigd is5 alles volgens de regels, die hier na, bepaald worden. Art. 830. Indien deze inbreng niet in natura is gefchied ‚nemen de mede-erfgenamen, waar aan dezelve verfchuldigd is, vooraf uit de geheele masfa des boedels, een gelijk gedeelte, naar zich. Het geen men alzoo uit den boedel vooraf neemt„ moet» zoo veel mogelijk, beftaan in goederen van denzelfden aard; hoedanigheid en deugdzaamheid, als de goederen, die. niet in natura zijn ingebragt, Art. 83e e van hoedelftheiding; en van collatie of inbreng. 165 Art. S3te Na dat-ditvalzoo' vooraf uie den boedel genomen is, gaat men“ voort om van de„overige masfa des boedels zoo vele joter’te maken, als errierfgenamen, of ftaken zijn, die de nae Jatenfchap onder elkander verdeelen moeten. Art. 832. In‘het‘maken én‘zämenftellen der loten moet men, zóo weel” doenlijk, vermijden, dat de erven niet in al te ge= ringe deelen worden gefplitst„ noch de landhoeven in ftukken verdeeld; ven hetis voegzaam, dat in ieder lot,“zoo moge- lijk, eene gelijke hoeveelheid roerende en onroerende goederen, regten en infchulden van dezelfde’ natuur en waarde, gebragt worden. Art. 633. De’ ongelijkheid der loten, uit goederen in natura beftaane de, wordt vergoed door’ eene' teruggave, het zij in rentens hetzij in geld, Art. 834- De loten worden gemaakt door een der mede-erfgenamen„ZOO zij het onderling omtrent de keuze kunnen eens worden, en hij,’ die daar toe„gekozen is, deze benoeming op zich neemt: in het tegenovergelteld geval, worden de loten ge- maakt door eenen deskundigen, door: den commisfaris uit de regtbank daar toe benoemd. Vervolgeiis worden dezelve bij het lot getrokken, Art. 835- Voor dat men tot de trekking der loten overgaat, is ieder der deelgenooten bevoegd, zijne aanmerkingen op de opma- king der loten voor te dragen, Art. 836. Dazelfde regels, omtrent de verdeeliag der te fcheidene boedels‘vasteefteld, worden mede in acht genomen in‘de onder-verdeelingen,‘welke tusfchen de mededeelende-ftaken moetên plaats’ hebben, Art. 837. é Indien in’de boedel-beredding, waar mede partijen naar eenen notaris verwezen zijn, gefchillen ontftaan, moet de potaris van die, gerezene gefchillen, en de gezegden der on- derfcheidene partijen, een proces-verbaal opmaken, en hun verwijzen naar den commisfaris, die tot de verdeeling of fchei- ding benoemdviss en voor het overige zal daar inge handeld worden, overeenkomftig de bepalingen, bij de wer- ten op de manier van procederen gemaakt. L 3 Art. 833. MN en— danste 166 UIT. Boek, le Titel, VI. Hoofijtuk. Art. 838. Indien alle de mede-erfgenamen niet tegenwoordig zijn, of zóo er zich onder hun bevinden, die onder curateele gefteld zijn, of minderjarigen, of ook die uit de magt van ouders of woogden ontflagen zijn; moet de boedelfeheiding gefchie: den ten overftaan van den regter:, overeenkomftig de regels, bij Arcikel 819 en volgende tot Attikel„837 ingefloten, be- paald. Zoo er verfcheiden minderjarigen zijn, die in de vers deeling een tegen elkander overgefteld belang hebben, moet aan ieder van hun een bijzondere en bepaalde voogd toeges voegd worden, Art. 839, Zoo de omftandigheden eene verkooping van de onraerens de goederen, in het geval bij hee vorig Artikel bepaald, véreifchen, kan dezelve niet anders gedaan worden, dansten overftaan van den regter, met in achtneming, der tormalitei- ten, ten aanzien der vervreemding van goederen van mindere jarigen voorgefchreven;— en wordt tot die verkooping een ieder, fchogn vreemd zijnde, altijd toegelaten. Art. 840. n of boedelfcheidingens overeenkomftig de gels, gedaan zijnde, het zij door de voogden, met van den familie-raad, het zij dobr de minderjarigen, die uit de magt van hunne ouders of voogden ontflagen zijn, met hunne curators geadfifteerd, het zij namens afwezende of niet tegenwoordig zijnde erfgenae men, Zijn-definitief 3 indien de voorgefchrevene regels niet zijn in acht genomen, zijn die verdeelingen of boedelfcheidingen flechts provifioneel, MD Art. 841. Een ieder, al is hij zelfs een bloedverwant van den over- ledenen, doch geen regt van erfvolging in deszelfs boedel hebbende, en aan wien een mede-erfgenaam zijn regt tor de erfenis heeft afgeftaan, kan van de boedelfcheiding geweerd worden, het#ij door alle de. mede-erfgenamen, het zij door één van dezelven alleen, mits hem de waarde van het afge. ftane aandeel te rug betalende. Art. 842. Na de gedane verdeeling of boedelfcheiding, moeten aan jeder der deelgenooten alle titels of bewijzen van eigendom, behoorende tot de goederen, die aan denzelven zijn te beurt gevallen, worden afgegeven. De titels of bewijzen van eenen verdeelden eigendom blijven bij den genen, die het grootfte gedeelte daar van be- zit van boedelftheiding„ en van collatie of inbreng. 167 zit, mits dat hij zijne mede-deelgenooten, wien daar aan ge- jegen ligt, toegang daar toe verleene, wanneer zulks van hem gevorderd wordt. De titels of bewijzen, tot den gemeenen boedel behooren- de, blijven in bewaring bij den genen; dien alle de erfge- namen daar toe verkozen hebben, mits dat hij de mede-deel» genooten, bij de eerfte vordering, toegang daar toe verleene. Zoo er eenig verfchil omtrent de keuze van dezen perfoon, is, wordt dezelve door den regter bepaald, TWEEDE AFDEELING Wan collatie of inbreng. Art. 843. Jeder erfgenaam, zelfs die den boedel onder beneficie van inventaris aanvaard heeft, tot eene erfenis komende, ís ver- pligt, om aan zijne mede-erfgenamen in te brengen, al het geen hij van den overledenen, bij gifte onder de levenden, regelregt of zijdelings ontvangen heeft: hij kan de ontvange giften miet voor zich behouden, noch de legaten, aan hem door den overledenen gemaakt, vorderen, ten ware deze gif. ten en legaten hem uitdrukkelijk bij vooruitmaking, en bo- ven en behalve het hem toekomend erfdeel, of met vrijftel- ling van inbreng, gemaakt zijn. Art. 844. In gevalle zelfs de giften en legaten vooruit, of met vrijs flelling van inbreng, gemaakt zijn, kan de erfgenaam, die mede in de erfenis deelt, dezelven niet voor zich behouden, dan ten beloope van de fomme, waar over de overledene be- fchikken konde: het meerdere is aan inbreng of collatie ons derworpen. Art. 845. Die van eene erfenis afftand doet, kan nogtans de gifte onder de levenden, aan hem gedaan, voor zich behouden, of de legaten, aan hem gemaakt, vorderen, ten beloope van het gedeelte, waar over door den overledenen befchikt konde worden. Art. 846. De donataris, die, ten tijde van het doen der gifte, geen waarfchijn!ijke erfgenaam was; maar die tot de nalatenfchap L 4 het r68 UIT. Bock, L Titel„Wie Hoofdük. het regt van erfvolging heeft, ten tijde wan: het vervallen der erfenis, is insgelijks aan inbreng onderworpen, ten ware de donateur hem daar van heeft vrijgefteld, Art. 847. De giften en legaten, gedaan en gemaakt aan den zoon van: den‘geen, die ten tijde van het vervallen der erfenis, het regt van erfvolging heeft, worden altijd geacht gefchied. tte zijn, met vrijftelling van inbreng. De vader, komende tot de erfenis van den donateur, is niet: verpligt de giften in te brengen. Art. 848. Insgelijks„ is de zoon, die uit eigen hoófde tot de erfenis van den gever komt, niet verpligt, de gifte, die aan zijnen vader gedaan is, in te brengen; doch zoo de zoon tot die erferis alleen bij reprefentatie of plaatsvervulling komt, moet hij inbrengen het geen aan zijnen wader gegeven is, zelfs in geval hij van de erfenis van zijnen vader afftand gedaan, of . dezelve verworpen had, Art. 849. De giftenen legaten, gedaan en gemaakt aan den echtgenoot van iemand, die het regt van erfvolging heeft, worden gehouden gefchied te zijn met vrijftelling van inbreng. Zoo:de giften en legaten gezamenlijk aan beide echtges nooten gedaan en gemaakt zijn, terwijl{lechts een wan hun het regt van erfvolging had, moet de ánder daar van de helft inbrengen; zoo deze giften gedaan zijn aan den echt- genoot, die het regt van erfvolging heeft, moet hij die geheel inbrengen, Art. S50. Deze collatie of inbreng gefchiedt alleen in de nalatenfchap van den donateur. Art. 85r. Collatie of inbreng is verfchuldigd van al het geen befteed is, om aan een der mede-erfgenaten een beftaan te bezor= gen, of om zijne fchulden te betalen. Art. 852. De kosten van voedfel, onderhoud, opvoeding en onder= wijs, de gewone koster” van uitzet, die der bruiloft en gee bruikelijke gefchenken, zijn geen inbreng onderworpen. 3 Art. 853 Het zelfde heeft plaats omtrent voordeelen, welke de erf« genaam hecft kunnen trekken uit verbindtenisfen, met den overledenen AAngegaan, wanneer deze verbindtenisfen, on tijdé De Mr— mer zn boedelfcheiding ‚en van collatie of inbreng. 169 tijde dat zij zijn aangegaan ,egeem het minfte voordeel, zelfs giet: van ter, zijde, beloofden. Art. 854. Insgelijks is men geen inbreng verfch uldigd uit hoofde van asfociatiën, w welke zonder bedrog tusfchen den overledenen en een zijner erfgenamen waren aangegaan, mits de voors waarden. van: die asfoeiatiën. bij eene, authentieke, acte bepaald zijn. „855. Onroerende Pre die door een onvoorzien toeval, en buiten toedoen van den dapâr aris, zijn te niet gegaan, zijn aan” geen inbreng onderworpen. Art. 856. De vruchten-en renten van goederen, die aan inbreng ons derworpen. zijn, zijn. niet eerder- verfchuldigd dan van den dag, dat de erfenis vervallen is. Art. 857. Inbreng is alleen door.-den eenen mede-erfgenaam aan den anderen verfchuldigd; men“behoeft dezelve niet te doen aan legatarisfen of fchuldeifchers van den boedel. Art. 858. Tabreng gefchiedt„ of door, het genotene in natura weder in „den boede[ te brengen, of door zoo veel minder dan de an- deren te genieten. Art. 859. Dezelve kan in natura gevorderd worden, ten aanzien. van onroerende goederen, wanneer het onroerende goed door den donataris niet. vervreemd is, en in de erfenis geene onroeren- de goederen van denzelfden aard, waarde en deugdelijkheid aanwezig Zijn. waar van men loten zoude Aelen maken, bijkans gelijk(taande mest die der mede-erfgenamen. Art. 860 Inbreng door minder dan: anderen. te. genieten, heeft alleen plaats„ wanneer de donataris het onroerende goed vervreemd heeft, voor dat de erfenis vervallen is; dezelve moet gefchie- den naar de waarde, die het onroerende goed, op het tijde flip, toen de erfenis vervallen. was, gehad’ heeft. Art. 861. a allen. gevalle moeten de kosten, die tot verbetering van het goed«betteed zijn, aan den donataris verantwoord worden, en wel naar mate. van de meerdere waarde, welke het goed, ten tijde der boedelfcheiding, daar door verkregen heeft. L 3 Art. 862, 170 MIT, Boek, Z. Titel, VA. Hoofdftuk. Art. 862. Insgelijks moeten aan den donataris verantwoord worden de noodzakelijke kosten, die hij tot inftandhouding van de zaak befteed heeft, zelfs al was het goed daar door niet vere beterd, Art. 863. Daarentegen moet de donataris van zijne zijde vergoeden de fchaden en nadeelen, die het goed door zijn toedoen, of door zijn verzuim en nalatigheid, in waarde hebben doen verminderen. Art. 864.‘ In gevalle het onroerende goed door. den donataris vers vreemd is, moeten de verbeteringen. en verminderingen door den genen, die hetzelve verkregen heeft, veroorzaakt, overeen= komftig de drie voorgaande Artikelen berekend worden, Art. 865. Wanneer de inbreng gefchiedt in natura, worden de goe- deren gevoegd bij de masfa des boedels, zuiver en vrij van alle lasten, door den donataris veroorzaakt; doch de fchuld- eifchers, welke een regt van hijpotheek op die goederen heb- ben, kunnen zich bij de boedelfcheiding bekend maken, om te belerten, dat de inbreng niet gefchiede tot benadeeling van hun regt. Art. 866. Wanneer de gifte van eenig: onroerend goed, welke aan femand, die het regt van erfvolging heeft, met vrijftelling van jabreng gedaan is, het gedeelte, waar over door den overle= denen befchikt heeft kunnen worden, te boven gaat, zal de in- breng van het meerdere gedeelte gefchieden in natura, indien het zelve gevoegliijk van het geheel kan worden afgefcheis den. ín het tegenovergeftelde geval, wanneer het meerdere ge- deelte beftaat in meer dan de helft der waarde van het on= roerend goed, moet de donataris het goed in zijn geheel in den boedel inbrengen, behoudens zijn regt, om uit de masfa der nalatenfchap voor uit te genieten de waarde van het ge= deelte, waar over door den overledenen befchikt heeft kunnen worder wanneer dit gedeelte beftaat in meer dan de helft van het onroerend goed, kan de donataris het onroerend goed in zijn geheel voor zich behouden, mits hij daar voor zoo veel minder uit den boedel ontvange en zijne mede-erf* genamen daar voor in geld, of op eene andere wijze, vergoe ding geve, Art. 867. de sl q de: Van boedelftheiding, ern van collatie of inbreng. E al el Arts 367, De mede-erfgenaam, die de inbreng vaneen onroerend goed in natura doet, kan het bezit daar van behouden ,tot dat de penningen, die. hem wegens befteede kosten en verbeteringe verfchuldigd zijn, werkelijk zijn uitbetaald, Art. 868. De inbreng van roerende goederen gefchiedt alleenlijk door zoo veel minder te nemen, dan de andere erfgenamen.— Dezelve gefchiedt op den voet van de waarde, die. het roer. rend goed gehad heeft, op it tijdflip van de‘gedane gifte, ingevolge den ftaat van tauxatie, aan de acte vastgehecht 5 en bij ontbreken. van, dezelve, ingevolge eene tauxatie van des Hi naar derzelver echte waarde„ en zonder eenige und vermeerdering daar: bij te voegen. Art, 369. De inbreng van. gegeven geld gefchiedt, door zoo veel min. der gereed geld uit den boedel te nemen, dan de andere me de- erfgenamen. In gevalle het gereed geld, in den boedel aanwezig, daar toe niet genoegzaam is kan‘de dopataris zich van de inbrens van gereed geld ontheffen, eta ten rije van het geen hj verfchuldigd is, van het roerend goed, en bij ontbreken van het zelve, van de onroerende goederen der nalatenfchap afftand te doe 3 DERDE AFDEELING, Wan de betaling der fchuyidene Art. 870. De mede-erfgenamen brengen onderling, tot het betalen der fchulden en lasten der nalatenfchap, zoo veel toe, als in evenredigheid ftaat met het geen ieder uit de nalaten. íchap ontvangt. Art. S7te Een legataris. onder eenen nerd eelen titel draagt daar in te zamen met de erfgenamen„ naarrevenredigheid: vam het voordeel, dat hij geniet; doch ean legataris: van-een: bi zon der ftuk goed is gehouden in de fchulden: en laste onverminderd allee nl jk de hijpothecaire zere, waar mede het onroerend gelegateerd goed bezwaard is, Art. 672, 172 HIT. Boek, 1. Titel, WT. Hoofdftak. Art. 379. Wanneer de onroerende goederen’ wan’ eene' nalatenfchap belast zijn„met een bijzonder hijpotheek voor daar op ge- vestigde renten, kan ieder der mede-erfgenamen eifchen, dat de renten worden afgelegd, en de onroerende goederen van het hijijpotheek ontlast, voor dat men tot het maken der loten overgaat.‘Indien de‘mede-erfgenamen de nalatenfchap onderling verdeelen,‘in den flaat, wâar in dezelve zich be= ‚windt, moet het belaste onroerend goed begroot worden op dezelfde waarde, als de andere onroerende goederen; van de waarde: van‘het’ geheel, wordt de‘hoofdfom der’ renten afgetrokken: de erfgenaam, in wiens Jot dit onroerend goed valt, blijft alleen“metde betaling der renten belast, én moet zijne medeverfgenamen deswegens vrijwaren. Art. 873, De erfgenamen zijn, elk in hunne perfonen„ naar de grootte van hunne erfportiën,‘en onder hijpothecair werband voör het geheel, gehouden tot voldoening van de fehulden er lasten. der’ nalatenfchap, behoudens hun verhaal, het zij op hunne mede-erfgenamen, het zij op de legatarisfen onder eenen algemeenen titel, naar evenredigheid van het aandeel, het welk zij daar in dragen moeten. Art. 874. De legataris van een bijzonder ftuk goed, die de fchuld, waar mede het onroerend gelegateerd goed belast was, be- taald heeft, treedt in’ de regten, welken de fchuldeifcher op de erfgenamen, en opvolgers onder eenen algemeenen titel, gehad heeft. Art. 875. De mede-erfgenaam of opvolger onder eenen algemeenen titel, die vit hoofde van het bijjpothecair verband, waar mede de boedel voor de fchulden belast is, meer betaald heeft, dan hij woor zijn gedeelte in de gemeene{chuld be- hoefde te dragen, heeft flechts in zoo verre verhaal op de andere medeserfgenamen of opvolgers onder eenen algemee- nen-titel, als‘het aandeel bedraagt, het welk ieder van hut daar in voor zijn perfoon dragen moet, zelfs in geval de mede-erfgenaam, die de fchuld betaald heeft, cesfie van actie van de fchu'deifchers genomen had; onverminderd nogtans de regten van eenen mede-erfgenaam, die, ten gevolge van het“beneficie van inventaris, de magt«aan‘zich behouden had, om de betating van zijne perfoneele{chuldvordering te gifchen, even geliijk elk ander fchuldeifcher. Van boedelfcheiding; en van collatie. of inbreng. 173 Art, 876. In geval van. onvermogen. tot betaling„van. een der mede erfgenamen of opvolgers onder eenen algemeenen titel, moet zjn gedeelte in de hijpothecaire fchuld, over alle de anderen ponds-ponds gelijke oimgeflagen worden. Art. 877. De fchulden, die tegen. den overledenen executabel waren, zijn ook executabel tegen den erfgenaam in zijn perfoon 5 echter zullen de fchuldeifchers de execurie niet kunnen voort= zetten„dan acht dagen na dat zij de bewijzen van die fchule den aan den perfoon, of aan de woonplaats van. den erfge- naam zullen hebben doen infinueren. Art. 878. Zij mogen in allen. gevalle, en tegen elken fchuldeilcher 4 vorderen, dat de boedel van den overledenen van dien, van den erfgenaam worde afgefcheiden, Âtte 979» Dit regt kan evenwel niet. meer, worden uitgeoefend, zoo dra er novatie of fchuldvernieuwing inde fchuldvordering tegen den overledenen plaats heeft, door den. erfgenaam tor fchuldenaar aan te nemen. Art. 860. Dit regt verjaart’, ten opzigte van roerende goederen, door het verloop van drie jaren. Ten opzigte van onroerende goederen, kan deze actie, zoo Jang die goederen in handen van den erfgenaam zijn, wor den. uitgeoefend, Art. 881. De fchuldeifchers van den erfgenaam hebben geene bevoegd- heid, om die affcheiding des boedels tegen de{chuldeifchers der nalateufchap te vorderen. Art. 982. De fchuldeifchers van eenen mede-deelgenoot kunnen, tet vermijding, dat de verdeeling niet tot benadeeling van hun. regt gefchiede, tegenhouden, dat daar mede, buiten hunne tegenwoordigheid, zoude worden. voortgegaan. Zij hebben het regt, om ten hunnen kosten dezelve. bijvewonen; doch, zij kunnen zich tegen eene reeds voltrokkene verdeeling niet verzetten, ten ware dat men daar mede, buiten hun, en in weerwil eener door hun gedane oppofite, was voortgee gaan. Po VIE D 174 HL Boek, L Titel, VI. Hoofdfink, VIERDE AFDEELING. Van de gevolgen van boedelfcheiding, en van vrijwaring : van het aanbedeelde. Art. 883. leder mede-erfgenaam wordt geacht alleen en onmiddelijk opgevolgd te zijn in alle de goederen, die in het hem aanbedeelde begrepen, of bij opveiling aan hem te beurt gevallen zijn; en nimmer eenigen eigendom aan de verdere goedeten der nalatenfchap gehad te- hebben. Art. 884. De mede-erfgenamen zijn verpligt elkanderen onderling te vrijwaren jegens alle ftoornisfen en evictiën, doch die al- leen uit eene oorzaak, voor de verdeeling plaats gehad hebs bende, haren oorfprong’ hebben. Vrijwaring heeft geene plaats,. wanneer de foort van oné dergane evictie, bij eene bijzondere en uitdrukkelijke claufule in de acte van boedelfcheiding is uitgezonderd; dezelve houdt op, indien de mede-erfgenaam, door zijne eigene {chuld, de evictie ondergaat. Art. 885, Jeder der mede-erfgenamen is perfoonlijk- verpligt„ naar evenredigheid van zijn erfdeel, om zijnen mede-erfgenaam fchadeloos te ftellen woor het nadeel, het welk hem‘door de evictie veroorzaakt is. Indien één der mede-erfgenamen zich niet in flaat bevindt, om te kunnen betalen, moet het door hem verfchuldigde gedeelte gelijkelijk tusfchen hem, dien men moet vrijwaren, en alle de mede-erfgenamen, die in ftaat zijn om- te kunriern betalen, verdeeld worden, Art. 836. De vrijwaring, dat de fchuldenaar van eene rente in{taat zal zijn om te kunnen betalen, kan niet langer, dan gedu- rende vijf jaren, op de boedelfcheiding volgende, gevorderd Worden, m_— Er heeft geene vrijwaring’ plaats uit hoofde dat een fchuldenaar niet kan betalen, wanneer de reden‘daaf van eerst na het voltrekken der boedelfcheiding is opgeko- mene heden CD Bman et gen Van toedeifcheiding ‚en van collatie of inbreng. 178 VIJFDE AFDEELING, ® Pan vernietiging of rescisfie van aangegane boedels jcheiding, Art; 887. Boedelfcheidingen kunnen worden te niet gedaan ter zake van geweld of bedrog.: Die vernietiging heeft ook plaats, wanneer één der meden erfgenamen bewijst, dat hij voor mever dan een wierde bij de fcheiding benadeeld is.—_— Het enkel overllaan van eenig goed, tot de erfenis behoorende, geeft geen grond voor eene actie tot vernietiging, maar alleen om de acte van boedel. fcheiding met dat overgeflagene an te vullen, Art. 889. De actie totvernietiging of rescisfie- heeft plaats ten aan= zien van alle acten, die ten oogmerk hebben, om de ges meenfchap tusfchen de mede-erfgenamen te doen ophouden, al gefchiedde dit ook onder de benaming van verkoop, ruis ling en transactie, of op eenige andere manier. Doch na de gedane verdeeling„of de äcte die dezelve vera vangt, wordt geene actie tot vernietiging of rescisfie toege. laten tegen eene transactie, welke aangegaan is uit hoofde van ontftane bedenkingen, waar toe-de eerfte acte aanleiding gaf, zelfs al was daar over nog geen proces begonnen. Art. 889. De actie tot rescisfievof vernietiging wordt niet toegelaten tegen eene verkooping van een regt tot erfvolging, welke zonder bedrog aan één der erfgenamen, en ten zijnen bate en fchade,door de overige medererfgenamen of één van hun gedaan is. Art. 890, Om te beoordeelen, of er benadeeling: plaatsheeft, moeten de goederen, ingevolge derzelver waarde, die-zzij op het tijd(tip der verdeeling hadderi, begroot worden. Act. 89 Te De verweerder, tegen wien de eisch totrescisfie of ver. pietiging gedaan is, kan het proces doen: eindigen, en het maken van eene nieuwe fcheiding voorkomen: door den ei- fcher aan te bieden en dadelijk op te leggen, het geen aan zijn TOEN Et A 176 Um Boek, K°Titel, VT Hoofdpak; zijn erfdeel ontbreekt, het zij in gereed geld, het zij in natura. Art. 892. De mede-erfgenaam, die zijn gedeelte geheel of ten deele vervreemd heeft, is niet meer in eene actie tot rescisfie of vernietigitig, wegens bedrog of geweld'’,' ontvankelijk wan- neer de door hem gedane: vervreemding later is, dan de ont- dekking van het bedrog, of de ophouding van het geweld. PERRE DE Ter TE VAN GIFTEN ONDER DE LEVENDEN, EN VAN TESTA« MENTEN OF UITERSTE WILLEN, [Wastgefteld den 3den van Bloeimaand 1803, et afgekondigd den 13den van dezelfde maand] EERSTE HOOFDSTUK, Algemeene bepalingen. Art. 893. Men kan over zijne goederen, zonder daar voor iets té genieten, niet anders befchikken, dan bij gifte onder de le« venden„ of‘bij‘uiterften wil of testament, op de wijze hier na vastgefteld. Art. 894. Gifte onder de levenden:sis cene acte, waar bij de dona teur zich- dadelijk: em- onherroepelijk’ ontdoet van de zaak, welke hij geeft, ten voordeele van’ den” donataris, die dezêlve aanneemt of ontvangt, Art. 895, fi > lË hiet Algemeene bepalingen, 159 Art. 895 Testament of uiterfte wil is eene acte, waar dóor de tes= tateur, of erflater„over het geheel of een gedeelte zijner goe= deren befchikt, tegen den tijd, wanneer hij niet meer in leven zijn zal, en welke hij kan herroepen, Art. 896. „De fubftitutiën of erfftellingen over de hand, zijn verbo= le befchikking, waar bij de donataris, de c erfget of de legataris, belast wordt, om het geen hij ontv: heeft te bewaren, en aan een derden uit te es zal tUg zijn, zelfs ten aanzien wan den donataris, den erfge haam, of legataris. Niettemin mogen de onbezwaarde goe deren, dienende dotatie van eenen erfelijken“titel, door den Keizer daarg eld, ten befideve vân eenen Prins, of hoofd, van eene fan milie, erfelijk worden overgedragen, zoo als zulks, bij de Keizerlijke acte van den goften van lentemaand 1806, en door het fenatus-confult van‘den t4den vàn oogstmaand daaraanvolgende, bepaald is. Art. 897. bi Van de twee eerfte leden van Het voorgaande Artikel Zijn raitgezónderd de befchikkingen, die aan vaders en moede Is Ò en aan broeders en zusters, in het zesde Hoofdftuk van de- zen Titel, zijn toegeftaan, Art. 898. De befchikking, waar door‘een derde geroepen wordt; om gifte, erfenis, of legaat te genieten, in geval de dona: taris, de erfgendam, of de legataris, dezelve niet geniet, zal niet aangemerkt worden als eene fubftitutie, en zal vän waat» de zijn: Ärt. 899 Het zelfde heeft plaats omtrent eene befchikking ondet de levenden, of bij uiterften wil, waar bij het wruchtge. bruik gegeven wordt aan den eenen, en dè bloote eigendom aan den anderen, Art. goo. In àlle befchikking onder de levenden, of bij uiterften wil, worden de voorwaarden, die onmogelijk zijn, of met de wetten en goede zeden ftrijden, den voor niet ge- {Chreven; Ee, LIL. Bock, Il. Titel, IT, Hoofdfuk: TWEEDE HOOFDSTUK: Van de bekwaamheid om te befchikken of voors deel te genieten, bij gifte onder de len venden, of bij witerften wil. Art. gors p Tot het doen eerter gifte onder de levenden, of om uiter= ften wil te maken, moet men zijn verftand en zinnen’ mag- tig zijn. Art. go2./ Alle perfonen kunnen befchikken en voordeel genieten; het zij bij gifte onder deslevenden, het zij bij testament, uitgezonderd de zoodanigen, welken de wet daar toe vers klaart onbekwaam te, zijne Art. 903. Een minderjarige, geene zestien jaren bereikt hebbendes kan op geenerleije wijze over zijne goederen befchikken, on- verminderd het geen bij het negende Hoofdítuk van dezen Titel wordt bepaald. Art. 9o4e Een minderjarige, den ouderdom van zestien jarert bereikt hebbende, kan alleenliijk over zijne goederen‘befchikken bij testament of uiterften wil, en niet verder, dan ten beloope wan de helft der goederen, waat over de wet aan den mine derjarigen het regt van befchikking toeftaat. Art. 905. Eene getrouwde vrouw kan geene gifte onder de leven= den doen, zonder de adfiftentie of bijzondere toeftemming van haren man, of zonder daar toe door den regter geauto» tieerd te zijn, overeenkomftig het geen bij Artikel er7 en 219 van den Titel, van het huwelijk, bepaald is. Zij hee toeftemming van den man, moch de autorifatie van den reg- ter noodig, Art. go6. Om bij sifte onder de levenden iets te kunnen genietens is het voldoende, wanneer men op het oogenblik der gifts ontvangen„ fchoon nog miet geboren ís, Om fe tot eene befchikking bij uiterften wil noch de! ER Vin dè bekwaamheid om te befchikken enz, ijd Om bij testament iets te kunnen genieten, is het voldoens de, wanneer men ohtvangen is op hettijditip, dat de testateur overlijdt. Echter heeft de gifte of testament geene kracht, dan voor zoo verre het geboren kind in dien ftaat ter wereld komt 5 dat het zelve leven kan. Art. go7. Een minderjarige, fchoon den ouderdom van zestien jared bereikt hebbende, mag zelfs niet bij uirerften wil ten voor- delà van zijnen voogd eenige befchikking maken, Een minderjarige, meerderjarig geworden zijnde, kan noch by gifte onder de levenden, noch bij testament, ten voor« deele van den geenen, die zijn voogd geweest is, eenige bee fehikking maken, zoo lang de eindelijke voogdij- rekening niet gedaan en gefloten is, Van de twee hier voren geftelde gevallen zijn uitgezonderd 5 bloedverwanten in de opgaande linie van de minderjaris gen, die derzelver voogden zijn, of geweest zijn. Art. 909. Onectite kinderen künnen noch bij Bie Onder de levere den, noch bij testament iets meer genieten, dan het geed hun bij den Titel, van erfvolging, is toegeftaan. Art. Gog. Genees- of heelmeesters, of oflicieren van gezondheid, en apothekers„ welke iemand gedurende zijne ziekte, waar aart hij overleden is, bediend hebben, kunnen üit de befchikkin= gen onder de levenden of bij testament, welke zoodanig pere foon, gedurende den loop dier ziekte, ten hunnên voordeele gemaakt mogt hebben, niets genieten. Hier van E uitgezonderd: hikkingen, tot vergelding van gedane dienftert rekkende, en onder eenen biijzonderen. titel gemaakt, aanfchouw genomen zijnde op de gegoedheid van den maker, en op de dienften aan denzel lven bewezen. 29. De algemeene befchikkingen; gedaän aan bloedverwan= ten tot den vierden graad ingefloten, mits nogtans de overledene geene erfgenamen heeft in de regte linieg ten ware de 1e tel wiens voordeele de befchikking geer gemaakt is, zelf onder het geral dier@rfgenamen bee hoort. Dezelfde regels zullen worden in acht genomen, tên aan- Zien van bedienaars van den godsdienst, M 2 Att. 919: 180 ZI. Boek, ZI, Titel, II, Hoofdftuk, Art. gro. De befchikkingen onder de levenden of*bij testament, tot voordeel van gästhuizen, van de armen van eene gemeente„ of van eenige ftichtingen, ten algemeenen nutte ingerigt hebben geene kracht, dan voor zoo verrezij door een Keizers lijk decreet bekrachtigd zijn. Art. II. Alle befchikking, gedaan ten voordeele van iemand, die onbevoegd is om te erven, zel nietig zijn, het zij men de= zelve verberge onder de gedaante van een contract, onder eenen onereufen titel aangegaan, het zij dezelve gefchiede op den naam van tusfchen beiden komende perfonen. Voor tusfchen beiden komende perfonen worden gehouden, de vader en moeder, de kinderen en afftammelingen, en de echtgenoot van den geen, die onbevoegd is om te erven. Art. gro. Men kan niet befchikken ten voordeele van eenen vreeme deling, dan in geval die vreemdeling ten voordeele vaa een Franfchen zoude kunnen befchikken, DERDE HOOFDSTUK. Van het gedeelte der goederen, waar over men befthike ken mag, en van de reductie of vermindering van het te veel befchikte. \ EERSTE AFDEELING. Van het gedeelte der goederen, waar over men’ befchikken mag. Art. 913. De giften of fchenkingen, het zij bij acte onder de leven- den, het zij bij testament gedaan, kunnen de helft der goe- deren van den gever of erflater niet te boven gaan, zoo hij bij zijn overlijden flechts één wettig kind nalaat; een derde, zoo hij twee kinderen nalaat; en een vierde, zoo hij drie of een grooter getal van kinderen nalaat. Art. Oi4. er Ra= on sem 3 CB en Van de goederen, waar over men befthikken mag. 18% Art. 914. In het vorige Artikel worden onder den naam van inden ven begrepen de afftammelingen, in welken graad zulks ook zij; echter worden zij alleen gerekend in plaats van het kind, het welk zij in de nalatenfchap van den gever of erf- later vertegenwoordigen. Art. 915. De giften of fchenkingen bij acte onder de levenden, of bij testament gedaan, kunnen de helft der goederen niet te boven gaan, indien, bij ontbrëken van kinderen, de overle« dene een of meer bloedverwanten in de opgaande, zoo va= derlijke, als moederlijke, linie nalaat; en drie vierde gedeels ten, wanneer hij{lechts bloedverwanten in eene van die liniën nalaat. De goederen, alzoo ten voordeele der bloedverwanten in de opgaande linie overbiijvende, zullen door dezelven in de orde, in welke de wet hen roept, genoten worden: zij zullen tot die overblijvende goederen alleen geregtigd zijn, in alle die gevallen, in welken eene verdeeling, gezamenlijk met bloedverwanten in de zijdlinie, hen zoo veel niet zoude doen genieten, als waar op die overblijvende goederen bij de wet bepaald zijn. Art. 916. Bij ontbreken van bloedverwanten in de opgaande en neder- dalende linie, mogen de giften bij acte onder de levenden, of bij uiterften wil gedaan, het geheele beloop der goederen van de nalaténfchap bevatten. Art. 917. Wanneer de befchikking, bij acte onder de levenden of bij testament gedaan, beftaat in een vruchtgebruik of eene lijfrente, waar van de waarde meer bedraagt, dan de hoe= veelheid, waar over men befchikken mag, hebben de erfgena« men, tot wier voordeel de wet een gedeelte der goederen buiten befchikking ftelt, de keuze, of om deze befchikking geftand te doen, of om van den eigendom van zoo vele goederen, als waar over men befchik! mag, aan den be- voordeelden afftand te doen. Art. 918, De waarde van den vollen eigendom der vervreemde goe- deren, het zij onder den last van eene lijfrente, het zij van etne perpetueele rente, of met woorbehouding van het vrucht= gebruik, aan iemand, die het regt van erfvolging in dê reste linie heeft, zal op het gedeelte, waar over men befchikken mag, toegerekend, en het meerdere, zoo er dat is, in de M 3 masfa 782 HL Boek; HI. Titel, ZEE Hoofifuk. masfa des boedels ingebragt worden, Deze toereke= ning en inbreng zulien niet gevorderd mogen worden door de verdere perfonen ig de regte linie, tot de erfvolging ge= regigd zijnde, welke in die verwreemdingen hebben toege- ftemd3z en in geen geval, door bloedverwanten in de zijde linie, die het regt van Erfvolging hebben, Art. 19. De hoeveelheid, waar over men befchikken mag, kan of geheel of gedeeltelijk weggefchonken worden, het zij bij acte onder de levenden, het zij bij testament, aan de kinderen “ot andere perfonen, die tot de erfvolging aan den donateur geregtigd zijn, zonder aan inbreng door den donataris of legataris, die tot de nalatenfchap komt, onderworpen te zijns mits de befchikking gefchied zij uitdrukkelijk, onder den titel van vooruitmaking, of bowen het erfdeel. Je verklaring, dat de gifte of legaat gefchiedt onder den titel van vooruitmaking, of boven het erfdeel, kan gedaan Worden, of bij de acie, welke de befchikking bevat, of nas derhand in den vorm van befchikkingen onder de levenden 3 of bij uiterften. wil, TWEEDE AFDEELING. Van reductie of vermindering van giften en legaten. At. 930, De befchikkingen, het zij onder de levenden, het zij tex zake des doods, welke de hoeveelheid, waar over men bee {chikken mag, te boven gaan, zullen mogen verminderd en gebragt worden tot de behoorlijke hoeveelheid, zoo als die was ten tijde van het vervallen der erfenis. Art. Q2Ie De vermindering der befchikkingen onder de levenden kan alleen gevorderd worden door de genen, tot wier voors deel de wet een zeker gedeelte buiten befchikking houdt, door hunne erfgenamen of regtverkrijgenden; de donataris- fen legatarisfen, en fchuldeifchers van den overledenen, Kunnen deze vermindering niet eifchen, noch daar uit voorr deel trekken. he Art, 4 anim Game Wan de goederen, waar over men Defchikken mag. 183 Art. 929. De vermindering wordt te werk gefteld door eene masfa op te maken van alle de goederen, die op het tijdftip van bet overlijden’ van den donateur of erflater aanwezig wa- zen.—_— Men voegt daar bij, door eene fictie, die goe- deren, waar over bij giften onder de levenden befchikking gemaakt is, zoodanig als dezelve ten tijde der gedane giften gefteld waren, en naar derzelver waarde ten tijde van het overlijden van den donateur. Men berekent over alle die goederen, na er de fchulden te hebben afgetrokken, hoe veel, in aanmerking van de hoedanigheid der nagelatene erfgenamen, het beloop is, waat over hij heeft mogen befchikken. Art. 923. De giften onder de levenden zullen nimmer verminderd mogen worden, voor dat de waarde van alle de goederen, welke onder de befchikkingen van uiterlten wil begrepen zijn, is uitgeput; en wanneer deze vermindering of reductie plaats heeft, zal dezelve gefchieden, door met de laatst gedane gìfte te beginnen, en vervolgens, door van de laatfte tot de oudfte gifte op te klimmen, Art. 924. Indien de gifte onder de levenden, die aan vermindering onderhevig is, gedaan is aan één der perfonen, die het regt van erfvolging hebben, kan hij van de gegevene goede- zen voor zich inhouden de waarde van dat gedeelte, het welk hem, als erfgenaam in de goederen, waar over befchikt kan worden, zoude toebehooren, mits dezelven van gelijken aard zijn. Art. 925. Wanneer de waarde der giften onder de levenden te bo- ven gaat of gelijk ftaat met de hoeveelheid, waar over be- fchikt kan worden, zullen alle befchikkingen, bij uiterften wil, vervallen. Art. 926. Wanneer de befchikkingen, bij uiterften wil gedaan, te boven gaan, het zij de hoeveelheid, waar over men befchik- ken kan, het zij het gedeelte dier hoeveelheid, het welk, na aftrek der waarde van de gifte onder de levenden, zoude overblijven, zal de reductie of vermindering gefchieden, ponds ponds gelijke, zonder eenig onderfcheid tusfchen de ten of makingen onder eenen algemeenen of bijzonderen M 4 Art. 927. 184 HI. Boek, IF. Titel, HI. Hoofdfuk. Art. 927. Niettemin zal, in alle gevallen, in welken de testateur uitdrukkelijk verklaard heeft, dat hij begeert, dat zoodanig legaat, bij voorkeur, boven de anderen zal worden voldaan, deze voorkeur of preferentie plaats hebben; en dusdanig les gaat zal niet verder mogen verminderd Worden, dan voor zoo verre de waarde der. andere legaten onvoldoende zijn zoude, om het gedeelte, door de wet buiten befchikking gelleld, uit te maken. iis Art. 928. De donataris zal de vruchten van het geen de gifte meere der bedraagt, dan het gedeelte, waar over befchikt kon worden, te rug geven, te rekenen van den dag, dat de do- nateur overleden is} indien de eisch tot vermindering gedaan is binnen het jaar; zoo niet, van den dag, dat de eisch gedaan is, Art. 929, De onroerende goederen, die, uit krachte van vermindering of reductie, moeten wederkeeren, gaan over zonder de fechulden of hiijpotheeken, door den donataris daar op ge legd, Art. 9go. De actie, tof reductie of reclame, kan door de erfgena- men vervolgd worden, tegen derde bezitters van de onreerende goederen, welke een gedeelte van het gegevene uitmaken, en door de donatarisfen vervreemd zijn, op dezelfde wijze„en in dezelfde orde, als tegen de donateurs zelven, en nadar vooraf hunne goederen zijn uitgewonnen. Deze actie moet te werk gelegd worden, volgens de orde van de dag» teekeningen dier vervreemdingen,' en door te beginnen met die gite, welke. het laatst gedaan is. j ú Van giften onder, de Jevendens 8 VIERDE HOOFDSTUK: le) Van giften onder de levenden. EERSTE AFDEELING Van den vorm der giften onder de levenden ALE OSE Alle acten, waar bij eene gifte onder de levenden gedaan wordt„ moeten gepa led worden voor notarisfen, in den gewonen vorm der contracten; en zal daar van eene minute moeten berustende blijven, op ftraffe van nulliteit. Arte 932 Eene gifte onder de levenden zal den donateur niet eer. der verbinden, noch eenige kracht hebben, dan van den dag, dat zij met uitdrukkelijke woorden door den donataris is aangenomen. Die aanneming kan gedaan worden bij het leven van den donateur, door eene latere en authentieke acte, waar van de minute zal blijven berusten; maar dan zal de gifte geene kracht hebben, ten aanzien van den dónateur, dan van den dag, op, welken de acte, waar uit van die aanneming blijkt, hem kenbaar zal zijn geworden. Art. 933. f Indien de donateur meerderjarig is, moet de aanneming Zävs der gifte door hém gedaan worden, of, in zijnen naam, door jemand, die daar toe volmagt van hem heeft, het zij onder, om oi gedane gifte aan te nemen het zij neen, om aan te nemen alle giften, die reeds ges waren, of nog ade mogen gedaan worden. ze volmagt moet gepasfeerd worden voor eenen notaris, en inl daar van een affchrift moeten gehecht worden aan de minute der acte van donatie, of aan de minute der acte: van aanneming, die bij eene afzonder! lijke acte gedaan zoude mogen zijn. M 5 Art. 934, 136 HIL Boek, Dl. Titel, IV. Hoofdftuk. Art. 934. Eene gehuwde vrouw kan geene gifte aannemen, zonder de toeftemming van haren man, of, im gevalle de man zulks weigert, zonder de autorifatie van den regter, overeenkom- flig het geen bij Artikel 217 en 219 van den Titel, van het huwelijk„ bepaald is. Art. 9%5e Eene gifie, gedaan aan eenen minderjarigen, die niet uit de magt van ouders of voogden ont{lagen is, of aan iemand die onder curateele gefteld is, moet door zijnen voogd aan- genomen worden, overeenkomftig het 463fte Artikel van den‘titel, van minderjarigheid, voogdij en emancipatie. Een minderjarige, die’ uit de magt van zijne ouders of voogden ontflagen is, kan eene gifte aannemen, met adfiften- tie van zijnen curator. Niettemin kunnen de vader en moeder. van den minderja- rigen, het zij hij uit hunne magt ontflagen is, of niet„ of de verdere bloedverwauten in de opgaande linie, zelfs bij het leven van den vader en moeder, fchoon zij noch voog= den, noch curators over den minderjarigen zijn, eene gifte voor hem aannemen. Art. 936, Iemand, die doof en ftom is, doch fchrijven kan, mag elf, of door eenen gemagtigden, eene gifte aannemen. Zoo hij piet fchrijven kan, meet de aanneming gedaan ‚n door eenen curator, ten dien einde benoemd, vol- gens de regels in den Titel, van minderjarigheid, voogdij en emancipatie, vastgefteld. Art. 937» Giften, gedaan ten voordeele van gasthuizen„armen eener gemeente, of fligtingen ten algemeenen nuttes zullen door de beftuurders wan die gemeente of ftigtingen aangenomen worden, na daar toe behoorlijk geautorifeerd te- zijn. ni u Art. 938, aangenomen zijnde, vordt voltroke sens Eene gifte, behoorlijk ken door de enkele toeftemming van partijen„en de eigendom der gegevene goederen gaat op den donataris over, zonder dat daar toe eenige andere overgifte of levering noodig is. Art. 939. Wanneer eene gifte gedaan is van goederen, die gehijpo- thekeerd kunnen worden, zullen de acten van donatie en aanneming, als mede’ de kennisgeving der aanneming, die bij eene afzonderlijke acte gedaan zoude mogen zijn, N ate ETS SCA td de Ja Van giften onder de levendethe 187 kantore der hijpotheken, in het arrondisfewent waar die goe. deren gelegen zijn, geregistreerd moeten worden. Art. 940, Deze registratie zal gedaan worden, ten verzoeke van den man, wanneer de goederen aan de vrouw gegeven zijn, en indien de man deze formaliteit niet in acht neemt, kan de vrouw, zonder autorifatie van den man, die registratie laten Wanneer de gifte gedaan is aan minderjarigen, aan perfonen onder curatele gefteld, of aan openbare seftigten, zal de registratie gedaan worden ten verzoeke van de voogden, cu- rators of beftuurders. Art. o4r. nalaten der registratie kan tegengeworpen worden door een ieder, wien daar aan gelegen ligt, met uitzondering nogtans van hun, die verpligt geweest waren die registratie te laten doen, derzelver regtverkrijgenden, en van den donateur zelven. Art. 94%. Minderjarigen, die onder Seen ftaan,en getrouwde wrou- wen, zullen niet in hun geheel erfteld” worden tegen het nalaten der aanneming of bss der giften, behoudens hun verhaal op hunne voogden of mannen, naar mate der-o mftandigheden, en zonder dat herftelling plaats ken hebben, al is het zelfs, dat de gemelde voogden en man-= nen buiten ftaat zouden mogen zijn, om te kunnen be- taiclle Art. 943. Eene gifte onder de levenden kan alleen bevatten de goe- deren, welken de donateur op dat tjdftip bezits indien zij toekomende goederen bevat, zal de gifte ten“dien opzigte nietig zijn. Art. 944. gifte onder de levenden, gedaan onder voorwaarden, de uitvoering van den enkelen wil des donateurs St, zal nietig zijn. 4 Art. 945. Zij zal insgelijks nietig zijn, indien zij gedaan is onder voorwaarden om‘andere fc fchulden of lasten te voldoe: je dan die ten tijde der gifte beftonden, of in de acte van donatie, of in len(taat, die daar aan moet vastgehecht zijn, uitge- drukt zijne 188 HI, Boek, IL, Titel, IW. Hoofdftuk. Art. 946. In geval de donateur zich de vrijheid heeft voorbehouden, om over een ftuk goed, in de gifte begrepen, of over eene bepaalde fomme gelds, op de gegevene goederen gevestigd, te befchikken, zal het gemelde ftuk goed, of de gemelde fom= me gelds toebehooren aan de erfgenamen van den donateur, niettegenftaande alle claufulen en bedingen daar tegen ftrijdende. Art. 047. De vier voorgaande Artikelen zijn niet toepasfelijk op gif- ten, waar van in het acht{te en, negende Hoofdftuk van de- zen Titel melding gemaakt wordt. Art. 048. Alle acte van gifte van roerende. goederen zal alleen van waarde zijns ten aanzien van die goederen, waar van een fltaat van begrooting, door den donateur en donataris, of door de genen, die voor hem de gifte aannemen, aan de minute der acte van donatie is vastgehecht. Art. 949. Het is aan den donateur geoorloofd, om het genot of het vruchtgebruik der gegevene roerende en onroerende goe= deren, ten zijnen eigen voordeele te behouden, of daar over ten behoeve van een ander te befchikken. Art. 950. Wanneer de gifte van roerende goederen met voorbehou= ding van het vruchtgebruik gedaan is, zal de donataris ver- pligt zijn, om bij het eindigen van het vruchtgebruik de ge- gevene goederen aan te nemen, voor zoo verre zij nog in natura aanwezig zijn, en in den ftaat,‘waar in zij zich dan bevinden; en hij heeft eene actie tegen den donateur of zij ne erfgenamen, ter zake van de niet meer aanwezige goede=" zen, ten beloope der waarde, welke aan dezelve bij den gee tauxeerden ftaat toegekend ís. Art. ost. De donateur kan bedingen het regt, dat de gegevene goe= deren aan hem zullen te rug keeren, het zij in geval van vooroverlijden van den donataris alleen, het zij in geval van vooroverlijden van den donataris en zijne af komelingen.' Dit reet kan alleen ten voordeele van den donateur bedone gen Worden. fe) Art. 952.$ ‚ Het gevolg van dit regt van retour of te rug keering«zal daar ín beftaan, dat alle verwreemdingen der gegevene goe deren ontbonden worden, en dat die goederen aan den do- nateur te rug komen, vrij en zuiver van alle lasten en hijs po= Ean ane kan en, Van giften onder de levenden. 120 potheken; behoudens niettemin het hijpotheek of pandreat van het huwelijks goed en de huwelijks voorwaarden, indien de verdere goederen van den echtgenoot, aan wien de gifte gedaan is, niet voldoende zijns en alleenlijk in gevalle de gifte aan hem3s bij het zelfde huwelijks-contract, waar uit deze regten en hiijjpotheken hun corfprong hebben,‘ge- gaan 1S. o TWEEDE AFDEELING: Van de uitzonderingen van den regel, dat giften onder de levenden onherroepelijk zijn, Art. 953. Eene gifte onder de levenden kan niet herroepen wore den, dan alleen uit hoofde, dat de voorwaarden, waar op dezelve gedaan is niet zijn ten uitvoer gebragt, voorts uit Ja ca hoofde van ondankbaarheid, en van opkomende geboorte van kinderen. Art. 954. In. geval van herroeping der gifte, ae hoofde dat de voor= waarden niet zijn nagekomen, zullen de goederen te rug keeren in handen van den donateur, vi van alle lasten en hijpotheeken, door den donataris daar op gelegd, en zal de donateur, tegen de derde bezitters van gegevene onroerende goederen al het zelfde regt hebben; het welk hij tegen dok donataris zelven gehad zoude hebben. Art. c 955: Eene gifte onder de levenden kan, uit hoofde: van ondanks baarheid, alleen herroepen worden in de volgende. gevallen: 19. Indien de donataris eenen aanflag op het leven van den donateur gedaan heeft. 9, Indien hij zich aan wreedheden, misdaden, of zware verongelijkingen tegen den donateur heeft[chuldig gé« maakt, Indien hij weigert hem onderhoud te geven, Art. 956 De herroeping, uit hoofde dat de voorwaarden der oifte niet vervuld zijn, of uit hoofde van ondankbaarheid, heeft mimmer vanzelf uit krachte van de wet plaats, Átt. 957. EEN 5 ij en ers EEE: RE En 199 Jil. Boek, ÏI. Titel, Wi Hoofdftuk. Art. 957. De eisch tot herroeping, uit hoofde wan ondankbaarheid; moet binnen een jaar aangelegd worden, te rekenen van den dag, dat het misdrijf door den donateuraan den donataris is te last gelegd, of van den dag,-dat het misdrijf ter kennis van den donateur heeft kunnen komen, Deze herroeping kan niet geëischt worden door den dona: teur tégen de erfgenamen van den donataris, noch goor de erfgenamen van den donateur tegen den donataris, ten ware in het laatstgemelde geval, de actie door den donateur is aange- legd, of dat dezelve geftorven is binnen het jaar na het begaan van het misdrijf, Art. 958. De herroeping, uit hoofde van ondankbaarheid, zal tot geen nadeel vertrekken, noch aan de vervreemdingen, door den donataris gedaan, noch aan de hijijpotheeken en andere teëele lasten, welken hij op het gegeven goed zoude mogen gelegd hebben, mits dit alles gefchied zij voor de infchrije ving van het extract van den eisch tot hefroeping, ter zijde van de geregistreerde acte ván donatie, bij Art. 939. voorge- fchreven. In geval van herroeping, zal de*donataris verwezen wor- den, om de waarde der vervreemde goederen te rug te ge ven, zoo als die waarde, was ten tijde van den eisch, als mede de vruchten,te rekenen van den dag, dat die eisch ges daan is, Art. 959. Huwelijksgiften zijn, uit hoofde van ondankbaarheid, niet herroepelijks Art, 960. Ì Alle gifteiì; onder de levenden gedaan, door perfonen, die geene kinderen of afkomelingen werkelijk in leven hebben„op het tijjdftip dat de gifte gedaan is, van welke waarde die giften ook zijn mogen, en onder welken tjrel zij ook’ gedaan zijn, en al waren zij ook wederkeerig en tot belooning van bewezene dienften gedaan, of zelfs huwelijksgiften, gedaan door andere perfonen, dan die, welke aan de echtgenooten in de opgaande linie beftaan, of door den. eenen. echtgenoot aan den anderen, zullen uit krachte van de wet herroepen worden, door de geboorte van een wettig kind van den do- nateur, al was dat kind ook eerst geboren nia den dood van den donateur, of door de legitimatie of wettiging van een onecht kind door een opgevolgd huwelijk indien het zelve na de gedane gifte geboren ide teile Art. 961; Van giften onder dè levenden, 1t © Art. oór. Deze dee zal plaats hebben, ook dan, wanneer het kind van den donareur of de donartrice,op het tijdftip van de gifte ontvangen; fchoon nog niet geboren was. Att. 962, Insgelijks zal de gifte herroepen zijn, wanneer de donata- tis getreden is in het bezit der gegevene goederen„en hij in dat bezit, door den donateur, na de. ge boorte van het kind, gelaten is, zonder dat nogtans de donataris gehouden is te rug te geven de vruchten, door hein ens van welken aard die ook zijn mogen, dan alleen en dag, dat aan hem de gehoorte van het kind; of wettiging«door opgevo olgd huwelijk, door eene geregreli og of op eenige andere behoorlijke x wijze, kenbaar is geworden; al is het zelfs, dat de eisch, om in het bezit“der gegevene goederen te tug te keeren, eerst na die bekendmaking is aangelegd. Art. 963. De goederen, begrepen onder de gifte, die uit krachte van de wet herroepen is, zullen tot de bezittingen van den donateur te rug keeren, vrij van ale lasten en hijpotheeken, door den donatatis daar op, gelegd, zonder dat zij, zelfs niet in fubfidie„ verbonden kunnen blijven voor de terugga= ve van het huweli jksgoed van de vrouw van den donataris, of van het geen zij weder naar zich neemt, of 5 voor de na koming van andere overeenkomften, huwelt jk aangegaan; en Wanneer die gifte als eene hus den diaries‘gedaan, en daar net-co1 tract melding gemaakt is, en dat de donateur zich, bij de acte van donatie, voor, de nakoming van het bt namtutesleonrrade als borg verbonden had. hepben Ek: dan, rit an h nagae| Skil, ten bet O8VE var Teen Art 964 De giften, alzoo herroepen zi of op nieuw van kracht zij: kind van den donateur, noch de gifte bekrachtigd is; goederen aan den zelfd voor of na den dood van, gifte herroepen is, zal dan bij eene nieuwe ae donatar:s ichen het kind, door welks geboorte: d hij zulks niet anders mogen doen, kking. \rt. 065. Alle claufulen of overeen ikomtften; waar bij de donareur van de herroeping der gifte, wegens‘ opkomende gebo amar en eenen eg 102 1IT. Boek, Il. Tetel, IP. Hoöfdftuk.' © van een kind, afftand gedaan zoude mogen hebben, zal aangemerkt worden als nietig, en van geene de minfte kracht zijne  Art. 966. De donataris, zijne erfgenamen of regtverkrijgende, of ane dere bezitters der gegevene goederen, kunnen zich niet op eene verjaring beroepen, om de gifte, welke door de ge= boorte van een kìnd-herroepen is, van waarde te doen zijn, dan na een bezit van dertig jaren, die eerst beginnen te loopen van den dag der geboorte van het jongfte kind van den donateur, al is hetzelve ook na zijnen dood gebo= ren; en zulks onverminderd de interruptiën der verjaring 3 als naar regten. VIJFDE HOOFDSTUK. Van de béfchikkingen bij testament of uiterften wil. EERSTE AFDEELING. Algemeene regels omtrent den vorm der testamene ten of uiterfle willen. Eh Art. 9675 Een ieder kan bij testament of uiterften wil befchikken 4 het zij onder den titel van erfltelling, het zij onder den titel van legaat, het zij onder zoodanige andere benaming, als gefchikt is; om zijnen wil te kennen te geven. Art. 966. Een testament kan niet gemaakt worden in eene en de- zelfde acte, door twee of meer perfonen, het zij ten voordeele van eem derden, het zij onder den titel van eene wederkeerige of onderlinge befchikking. Art, 969. Een testament kan, of door den testateur zelven ge= fchreven worden, of gemaakt worden bij eene openbare nete, of in beflotene forme, Art. 9704 Van de hefchikkingen bij testament of uiterflen wit. 19% Att, 970. Een testament, door den testateur zelven gefchreven, zal niet van waarde zijn, zoo hetzelve niet met de hand van den testateur geheel gefchreven, gedagteekend en onderteen kend is; het is aan geene andere formaliteit onderworpen. Art. 971. Een testament bij openbare acte wordt gepasfeerd voor twee notarisfen, in tegenwoordigheid wan twee getuigen, of voor één notaris, in tegenwoordigheid van vier getuigen. Art. 972. het testament gepasfeerd is voor twee notarisfen; jet aan hun door den testateur opgegeven, en door n die notarisfen, zoodanig als het opgegeven is, in ifc gebragt worden. r(echts één notaris is, moet het insgeli teur opgegeven, en door den notaris gefc moet 1 cen en Zoo e den testa worden. In heide gevallen, moet hetzelve aan den testateur, in te= genwoordigheid der getuigen, worden voorgelezen. Van alles moet uitdrukkel lijk e melding worden gemaakt. Art. 073. Dit testament moet onderteekend worden door den testa- teur: en wanneer hij verklaart, dat hij niet kan fchrijven, of belet wordt te Giderteekenert, zal van zijne verklaring, als mede van de oorzaak, die hem belet te teekenen, in de acte uitdrukkelijke melding gemaakt worden. “Art. 074. estament moet“door de getuigen onderteekend wore= 3 niettemin zal het op het‘platte land voldoende zijn veer flechts één der twee getuigen hetzelve onderteekent, indien het testament ten overftaan van twee notarisfen gepas= feerd wordr, en dat twee van de vier getuigen teekenen 4 indien het testar ent voor één notaris gepasfeerd is.| Art, 975. Tot getùigen van een testament, bij openbare acte;gée maakt, kunnen niet genomen worden 3 noch de legatarisfen onder welken titel de legaten ook-aan hun gemaakt mogeri zijn, noch derzelver bloedverwanten of aangehuwden, tot in n vierden graad ingelloten, noch de klerken der notaris fen, voor welken de acten gepasfeerd worden: Art. 976. Vanneer de testateur een befloten of geheim testament vrl maken, zal hij verpligt zijn, zijne befchikkingen te on- derteekenen, het zij hij die zelf gefchreven heeft; het zij hij N did s door ch k fchreven de UCL EE 5 104 HIL Boek, II. Titel, VP. Hoofdftuk. die door een ander heeft laten fchrijven.—= Het papier; het welk zijne befchikkingen‘bevat, of het papier, het welk tot. een omflag dient, indien er een omflag toe gebruikt wordt, zal gefloten en verzegeld worden. De testateur zal hetzelve, alzoo gefloten‘en verzegeld zijnde, aan den notaris, en ten minften aan zes getuigen aanbieden, of hj zal het in hunne tegenwoordigheid doen fluiten en verzege- len en hij zal verklaren, dat in het gemelde papier zijn tes+ tament of uiterfte wil begrepen is, door hem gefchreven en geteekend, of door een ander gefchreven en door hem ge- teekend: de notaris zal daar van eene acte van fuper{criptie opmaken, die op dat papier, of op het papier, tot omflag dienende, zal gefchreven worden.« Deze acte zal zoo wel door den testateur, als door den hotaris, benevens. de getuis gen, onderteekend worden.—- Al het bovenftaande. zal gedaan worden achter elkander, zonder intusfchen tot eenige andere acte over te gaanz en in geval de testateur; door eenige verhindering, die na de onderteekening van het testa- ment is opgekomen, de acte van fuperfcriptie niet kan ons lerteekenen, zal van de deswegen door hem gedane verklas ring melding gemaakt worden, zonder dat het in dit geval noodig is, om het getal der getuigen te vergrooten, Art. 977: Indien de testateur niet kan onderteekenen, of zoo hij zulks niet heeft kunnen doen, toen hij zijne befchikkingen heeft laten fchrijven, zal tot de acte van fuperferiptie een getuige meer„, boven het getal bijhet vorige Artikel bepaald, geno= men worden, welke de acte, benevens de andere getuigen„ onderteekenen zal, en zal van de oorzaak, waarom deze ge- tuige genomen is, melding gemaakt worden. Art. 978. Zij, die niet kunnen lezen, of daar in belet worden, zullen geene befchikkingen bij befloten testament mogen maken. Art. 979. In grval de testateur niet kan{preken, maar wel fchrijven, zal hij een befloten testament kunnen maken; mits dat hetzelve met zijne hand geheel gefchreven, gedagteekend en ondertee- kend worde, dat hij het zelve aan den notaris en de getui- gen aanbiede, en hij boven de acte ‚van fuperfcriptie, in hunne tegenwoordigheid fchrijve, dat het papier, het welk hij hun aanbiedt, zijn testament is: waar na de notaris de acte van fuperfcriptie fchrijven zal, en daar in melding ma- ken, dat de testateur die woorden in tegenwoordigheid van den notaris, en van de getuigen, gefchreven heeft; en zol bo= sd Wah de befch Rkingen bij testament Öf ttiterften wil. IDS Cn bovendien wotden in acht genomen al het geen bij Artikel 976 bepaald is. Art. 980. el ges geroepen om bij het maken van testamenten te zijn, moeten zijn van het mannelijk geflacht cerderjarig, en onderdanen van den Keizer, de burgerlijk tegten genietende: 5 jen} 9 (5 TWEEDE AFDEELING. ones Bijzondere regels omtrent den vorm van zeker zestamenten. Art. O8, Testamenten van krijgsl ieden, en van BERGE in de le- gers gebruikt wordende, kunnen, if welk land zij zich ook bevinden, gepasfeerd worden voor eenen chef van het bataillort of escadron, of voor een. ander officier van hoogen rang, it tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee commis« farisfen van oorlog, of voor een van die comimisfarisfen, in tegenw ordigheid van twee getuigen. ' Art. 982. Deze testamenten kunnen ook, indien de testateur ziek of gewond is, gepasfeerd worden voor den opperften ambten van gezondheid„ì in tegenwoordigheid van den militairen com« maridant, met het toezigt over het hospitaal belast. Art. 983. De bepalingen der vorige Artikelen zullen geene plaats heb» ben„dan tén behoeve van de genen„die op e&nen krijgstogts of in kwartier, of in garnifoen buiten het Franfche grond gebied, of bij‘den vijand gevangen zijn zondef dat zij, dië binnen’ lands in kwartier of in garnifoen zijn, daar van gebruik kunnen maken, ten ware Zij zich in eene belegerde plaats bevinden, C of in eene vesting en andere plaatfen, waar {lk van de poorten gefloten zijn, en de ge eenfchap met dezelvens uit hoofde van den oorlog, geft emd is. Arte 984. Een testament in den vorm, hier voren opgegeven ‚ gemaa kt, zal nietig zijn na verloopvan zes maanden, na dat de testateut te rug gekomen op eene plaats, waar hij de vaji Na RecEL 3 J mr ne en nnn pe___—_—" 196 JIL, Boek, II. Titel, V. Hoofdftuk. heeft, om de gewone formaliteiten tot het maken van een testament te gebruiken. Art. 985. De testamenten, gemaakt op eene plaats, met welke alle gemeenfchap ‚uit hoofde van de pest of andere befmettelijke ziekte geflremd is, kunnen gemaakt worden voor den vredes regter, of voor één der leden van de municipaliteit der ge meente, in tegenwoordigheid van twee getuigen. Art. 986. Deze bepaling zal plaats hebben, zoo wel ten opzichte van hun, die door voorfchrevene ziekte aangetast zijn, als van huns die zich op de befmette plaatfen bevinden, fchoon zij zelve nog niet dadelijk ziek zijn. Art. 997. De testamenten, in de twee voorgaande Artikelen vermeld„ zullen nietig worden na verloop van zes maanden, na dat de gemeenfchap met de plaats, waar de testateur zich be= vindt, herfteld zal zijn; of na zés maanden, na dat hij zich naar eene andere plaats, met welke die gemeenfchap niet is afgebroken, zal begeven hebben. Art, 988. De testamenten, gedurende den loop eener reize, op zee gemaakt, kunnen gepasfeerd worden, als volgt: Aan boord der Keizerlijke oorlogfchepen en andere vaartuís gen, voor den officier', die het gebied op het fchip voert 3 of bij ontbreken van denzelven, voor den genen, die zijne plaats in den dienst vervult, de een of andere te zamen met den officier van adminiftratie, of met den genen, die zijne bediening waarneemt. En aan boord wan koopvaardijfchepen, voor den fchrijver van het fchip, of den genen, welke die bediening waarneemt, de een of andere te zamen met den fcheepskapitein of fchipa per, of bij ontbreken van denzelven„door hun, die derzelver plaats vervullen. In allen gevalle moeten dez» testamenten gemaakt worden in tegenwoordigheid van twee getuigen. Art. 089. Op de Keizerlijke fcheper kan het testament van den feheepskapitein, of van den oficier, die het beftuur heeft, en op de koopvaardij-fchepen het testament van den fcheeps-kapitein, van den fchipper, of van den fchrijver gepasfeerd worden voor hun,die op dezelven in de orde van den dienst volgen, zich voor het overige naar de bepaline gen van het vorige Artikel gedragende. Art, 990. Pan de. befthikkingen bij testament of uiterflen wil. AT Art. 990. In allen gevalle zal van het oorfpronkelijk testament, in de twee vorige Artikelen vermeld, een dubbeld gemaakt wor den. Art. 991. Indien het fchip in eene vreemde haven, waar zich een Eranfche Conful bevindt, binnen loopt, zullen zij voor wien het testament gepasfeerd is,een der oorfpronkelijke testamen= ten, gefloten of verzegeld, in handen van dien conful ter be- waring geven, die het zelve aan den minister der marine zenden zal; en deze zal het zelve in bewaring geven ter griffie van den vrederegter van de woonplaats van den testateur. Art. 993. Bij de terugkomst van het fchip in Frankrijk, het zij in de haven, waar het uitgerust is, het zij in eenige andere haven„ dan die der uitrusting, moeten de twee oorfpronkee lijke testamenten, insgelijks gefloten en verzegeld, of het overgebleven oorfpronkelijk testament, indien, overeenkom- ftig het voorgaande Artikel, het andere, gedurende de reize, in bewaring gelegd is, gebragt worden aan het bureau van den geen, die tot het houden der rollen van het zeevolk is aangefteld; deze ambtenaar zal hetzelve onverwijld zenden aan den minister der marine, die de noodige orde tot het in bewaring leggen van het zelve geven zal, zoo als in het voorgaande Artikel gezegd is. Art. 993. In de fcheeps-rol, op den kant, zal melding gemaakt wore den van den naam des testateurs, en van de uitlevering der oorfpronkelijke testamenten, het zij in handen van eenen conful, het zij aan het bureau van den genen, die tot het houden dervrollen van het zeevolk is aangefteld, Art. 994. Geen testament zal geacht worden op zee gemaakt te zijn, fchoon hetzelve gedurende de reize gemaakt is, wan- neer, ten tijde der making, het fchip in een vreemd land, of in een land onder de Franfche heerfchappij behovrende, of waar zich een openbaar Fransch ambtenaar bevond, was binnen geloopen, in welk geval het zelve dan alleen van waarde zal zijn, in zoo verre het, overeenkomf{tig den vorm in Frankrijk voorgefchreven, of volgens den vorm in dat land gebruikelijk, gemaakt is, N 3 Art, 995e 198© HL Boek, ZI, Tivel, V. HoofdfBuke \ Art. 995. De voorgemelde bepalingen zijn mede toepasfelijk op tes- tamenten, gemaakt door pasfagiers, die onder het fcheepst volk niet behooren. Art. 906. Een testament, op zee gemaakt, in den vorm, bij Art. 988 voorgefchreven, zal dan alleen van waarde zijn, wan- neer de testateur op zee komt te fterven, of, binnen drie maanden, na dat hij aan land zal zijn gekomen, en wel op eene plaats, waar hijj het testament in den gewonen vorm heeft kunnen hermaken. Art. 997. Een testament, op zee gemaakt, zal geene befchikking mogen inhouden ten woordeele der ofticieren van het fchip, zoo dezelve geene bloedverwanten van den testateur zijn. Art. 998. De testamenten, in de voorgaande Artikelen van deze Af. deeling vermeld, zullen door de testateurs of erfitellers, en door de genen, voor wien zij gepasfeerd zijn, onderteekend worden. Indien de testateur verklaart, dat hij niet fchrijven kans of belet wordt te teekenen, zal van die zijne verklaring melding worden gemaakt, als mede van de oorzaak, welke hem belet te onderteekenen, In geval de tegenwoordigheid van twee getuigen vereischt wordt, zal het testament, ten minften door één van hun, onderteekend worden, en men zal melding maken van de oorzaak, waarom de andere getuige niet geteekend heeft, Arte 999. Een Franfche, die zich in een vreemd land bevindt, zal zijne uiterfte, wils befchikkingen maken bij acte, onder zijt ne eigene gewone shandteekening, zoo als zulks bj Artikel g7o is„vastgelteld} of bij eene authentieke acte, in den vorm, op de plaats, waar die, acte gepasfeerd wordt, ge= bruikelijk. 1 Art. 1ooo. De testamenten, in een vreemd land gemaakt, hebben gees ne kracht ten aanzien van goederen, in‘Frankrijk gelegen, dan na aan het bureau van des testateurs woonplaats gere- gistreerd te zijn, indien hij eene woonplaats behouden heeft; zoo niet, aan het bureau van zijne laatfte, in Frankrijk be- kende, woonplaats 5 en in geval het testament befchikkingen bevat over de onroerende goederen, die aldaar gelegen zou den mogen zijn, zal her zelve, bovendien, geregistreerd moe- Û d wan de Wefcnikkingen bij testament of uiterfben wil. 199 moeten worden aan het bureau‘van de plaats, waar die pnroerende goederen gelegen zijn, zonder dat daar voor een Jubbeld regt kan gevorderd worden. Art. zool. De formaliteiten, waar aan de onderfcheidene testamenten, volgens de bepalingen van de tegenwoordige en voorgaande Afdeelingen, onderworpen zijn, moeten worden in acht ges nomen, op ftraffë van nietigheid. DERDE AFDEELING. Van de erfPellingen en legaten in het algemeen. Art. Ioo2. e wils befchikkingen zijn of algemeen, of onder onder eenen bijzonderen titel. Elk dezer befchikkingen, het zij dezelve gedaan is onder de benaming van erfitelling, het zij onder de benaming‘van legaat, zal kracht hebben ,- volgens de regels, hier na vast- gefteld, omtrent de algemeene legaten, omtrent de legaten onder eenen algemeenen, en OmLrent die onder eenen bijzone deren titel, De uiterft eenen algemeenen, of VIERDE AFDEELING, Van algemeene legaiene Art. 1003» Een algemeen legaat is eene uiterfte wils befchikking; waar bij de testateur aan één of meer perfonen alle de goe= deren geeft, welken hij op zijn overlijden zal nalaten, Art. 1004. Wanneer, bij het overlijden van den testateur, erfgenamen zijn, tem wier behoeven een gedeelte zijner goederen door de wet buiten befchikking gefteld is, komen die erfgenamen, door zijnen dood, uit krachte van de wet, in het bezit van alle de goederen der nalatenfchap; en de algemeene legataris is mgee en_ Kos UI. Boek; IL. Titel, V. Hoofdtak. is gehouden, om de uitkeering van de goederen, in het tess fament begrepen, van hun te eifchen.— Art. 1005. ‚ Niettemin heeft de algemeene legataris, in dezelve geval. len, het genot der goederen, in het testament begrepen, té rekenen van den dag van het overlijden, indien de eisch tot wiekeering, binnen een jaar na dien tijd, gedaan is: zoo niet, zal dit genot eerst beginnen van den dag, dat de eisch in regten gedaan is, of van den dag, dat men vrijwil lig in de uitkeering zal hebben toegeftemd. Art. 1006. Wanneer, bij het overlijden van den testateur, geene erf- genamen aanwezig zijn, ten wier behoeVe een gedeelte zijner goederen door de wet buiten befchikking gefteld ís, zal de algemeene legataris, uit krachte van de wet, door den dood van den testateur, in het bezit der nagelatene goee deren komen, zonder verpligt te zijn, om de uitkeering te vorderen. Art. roo7. Elk testament, dat geheel door den testateur gefchreveu is, moet, alvorens het eenige werking hebben kan, worden aangeboden aan den prefident van de regtbank van de eerfte inftantie van het arrondisfement, alwaar de nalatenfchap ge- wallen is. Dit testament zal, zoo het verzegeld is, geopend worden. De prefident zal, van het aanbie- den, de openifg, en de gefteldheid van het testament, een proces-verbaal opmaken, het welk hij in handen van eenen notaris, door hem daar toe benoemd, ter bewaring geven zal. Zoo het een befloten testament is, zal de aanbieding, opening, affchrijving en bewaring van het zelve, op gelijke wijze plaats hebben; doch de opening kan niet gedaan wor- den, dan in tegenwoordigheid van die notarisfen en getui. gen, welke de acte van fuperfcriptie onderteekend hebben, die zich daar ter plaatfe bevinden, of daar toe geroepen Zijn. Art.“1oo8. In het geval, bij Artikel roo6 bepaald, indien het testas ment geheel door den testateur gefchreven, of in beflotene forme gemaakt is, zal de algemeene legataris gehouden zijn, om zich in het bezit te doen ftellen, door een bevel van den prefident, onder her daar toe ingediend rekwest gefteld, waar aan Ge acte van bewaargeving gehecht zal worden. Art. Toog. > „eb wan de befihikkingen bij testament of uiterften wil. zot Art. 1o0g. É De algemeene legataris, die te zamen met eenen erfges naam, ten wiens behoeve de wet een gedeelte der goederen buiten befchikking gefteld heeft, tot de nalatenfchap komt, zal voor zijn aandeel perfoonlijk; en voor‘het geheel uit krachte van hijjpotheek„ voor de fchulden en lasten der na- latenfchap aanfprakelijk zijn; en zal mede verpligt zijn, alle legaten te voldoen, behoudens het regt van reductie of wermindering, zoo als het zelve bij Art, 926 en 927 onts vouwd is, VIJFDE AFDEELING Wan legaten onder eenen algemeenen titel. Art. 1elo, Een legaat onder eenen algemeenen titel heeft plaats, wanneer de testateur een gedeelte zijner goederen, waar over de wet hem de befchikking toeftaat, als de helft, een derde, of alle zijne orroerende goederen, of alle zijne roe- rende goederen, of een bepaald gedeelte van alle zijne roe- rende of onroerende goëderen, maakt of legateert. Alle andere legaten of makingen zijn flechts befchikkingen onder eenen bijzonderen titel, Art. TOIle De legatarisfen onder eenen algemeenen titel zijn verpligt, om de uitkeering te eifchen van de erfgenamen, ten wier behoeven een gedeelte der goederen door“de wet buiten be- fchikking gefteld is; en bij ontbreken van dezelven, van de algemeene legatarisfen, en dezen mede ontbrekende, van de erfgenamen, zoo als die, volgens de orde, bij den Titel van erfvolgingen bepaald, geroepen worden.: Art. org. De legataris ofrder eenen algemeenen titel is, even gelijk de algemeene legataris, voor zijn, aandeel perfoonlijk, en voor het geheel uit krachte van hijpotheek, voor de fchul- den en lasten van des testateurs nalatenfchap aanfprakelijk, Art. 1013. Wanneer de testateur flechts befchikt heeft over een ge- dzelte der goederen, waar ovér hij befchikken kon, en N 5 zulks zoa UI. Boek, IL. Titel, V. Hoofdftuks 4 zulks onder eenen algemeenen titel, zal deze legataris ges houden zijn, om de bijzondere legaten te zamen met de nae tuurlijke erfgenamen, ieder naar evenredigheid, te voldoen. ZESDE AFDEELING, Van bijzondere legaten. Art. 1014. Alle zuivere en eenvoudige legaten geven aan den legae taris, van den dag van het overlijden des testateurs af, een regt tot de gelegateerde zaak, welk regt op zijne erfgenamen of regtverkrijgenden overgaat. Echter kan de bijzondere legataris zich niet in het bezit ftellen van de gelegateerde zaak, noch daar van de vruchten of interesfen vorderen, dan met en zedert den dag van het doen van zijnen eisch tot uitkeering, op den voet van het geen bij Art. rorr is vastgelleld, of van den dag, waar op hem de uitkeering vrijwillig is toegeftaan. ’ Art. 1015. De interesfen of vruchten van de gelegateerde zaak loo- pen ten voordeele van den legataris, van den dag van het overlijden, en zonder dat hij in regten eisch gedaan heeft 2 1°, Wanneer de testateur zijnen wil daaromtrent in het testament uitdrukkelijk verklaard heeft, 2%, Wanneer eene lijfrente of een jaargeld, onder den tie tel van onderhoud, is gelegateerd. Art. 1016. De kosten wan den eisch tot uitkeering komen ten laste van de nalatenfchap, zonder dat nogtans, uit dien hoofde„ iets gekort kan worden aan het gedeelte, het welk de wet buiten befchikking gefteld heeft. De kosten van registratie zijn door den legataris verfchul« digd, Dit alles heeft plaats, indien bij testament hieromtrent niet anders befchikt is, Elk legaat kan afzonderlijk worden geregistreerd, zonder dat die registratie eenig voordeel aan iemand, buiten dea legataris of zijne regtverkrijgenden, kan te weeg evers rt, IOI7e Van de Jefchikkingen bij testament of uiterflen wil, 203 Art. 1oI7e De erfgenamen van den testateur of andere fchuldenaars van een legaat, zijn tot voldoening daar van perfoonlijk ver- bonden, elk in evenredigheid van het gedeelte, het welk zij van de nalatenfchap genieten. Zij zijn hijpothecair voor het geheel aanfprakelijk, ten bee Joope van de waarde der onroerende goederen van de nala- tenfchap, welken zij bezitten. Art. 1018, De gelegateerde zaak zal uitgekeerd worden, met al het geen daar toe noodwendig behoort, en in den ftaat, waar in zij zich op den dag van des donateurs overlijden bee vindt. Art. roïg. Wanneer hij, die den eigendom van eenig onroerend goed gelegateerd heeft, het zelve goed naderhand door aanwinften vermeerderd heeft, zullen deze aanwinften, al waren dezelve aan het goed aanpalende, zonder eene nieuwe befchikking, niet geoordeeld worden een gedeelte van het legaat uit te maken. Het tegendeel heeft plaats omtrent verfraaïngen of nieu- we opbouwingen, op den gelegateerden grond gemaakt, of van eenen ingefloten grond, waar van de testateur den om- trek vergroot heeft. Art. 1o2o, Indien vóór of na het maken van het testament, de gele- gateerde zaak voor eene fchuld van de palatenfchap„ of ook voor de fchuld van eenen derden, bij hijpotheek verbonden is, of belast met een vruchtgebruik, is de geen, die de legaten moet uitkeeren, niet gehouden, om het goed van dat vere band te ontheffen, ten ware hem, bij eene uitdrukkelijke befchikking van den testateur, belast is zulks te doen. Art. 1o2I. Wanneer de testateur het goed van een ander gelegateerd heeft, zal dit legaat nietig zijn, het zij de testateur„ al dan niet, geweten heeft, dat dit goed hem niet toebehoorde, Art, 1022. Nanneer het legaat in eene onbepaalde zaak beftaat» is de erfgenaam niet verpligt het beste te geven, maar hij kan ook met het flechtfte niet volftaan. Art. 1023. Een legaat, aan eenen fchuldeifcher gemaakt, kan met des- zelfs fchuldvordering niet gecompenfterd worden, zoo min ais ‚ houden tot betaling der fchulden wan de nalate 204 AIT. Boek, IL Titel, V, Hoofdftuks als een legaat, aan dienstboden gemaakt, met derzelver vers diend loon in compenfatie komen kan. Art. ro24. De legataris onder eenen bijzonderen titel is niet ge C 1 Ì nfchap, on« verminderd de reductie of vermindering van het legaat, zoo als hier voren gezegd is, en behoudens de hijpothecaire actie der fchuldeifchers, ZEVENDE AFDEEL ING. Van executeurs van uiterfle willen. Art. ro2s. De testateur kan één of meer perfonen tot executeurs van zijn testament benoemen. Art. 1026. Hij zal hun het regt kunnen geven, om van alle zijne roerende goederen, of alleenlijk van een gedeelte derzelven, eze te nemen; maar dit bezit zal niet langer mogen duren, an jaar en dag, te rekenen van zijn overlijden af, Indien de testateur hun dit regt van bezitneming niet goe geven heeft, mogen zij zulks niet eifchen. Arte: 1027. De erfgenaam zal deze bezitneming kunnen doen ophou- den, door aan de executeurs van het testament eene vol- doende fomme, tot uitkeering van de legaten, in roerend goed beftaande, ter had re flellen, of door de gedane uite keering derzelven behoorlijk te bewijzen, Art. 1028.' Die onbevoegd is om verbindtenisfen aan te gaan, kan ook geen executeur van een testament zijn. Art. 1029. Eene getrouwde vrouw kan geen executeurfchap van een testament aannemen, dan met toeftemming van haren man. id Indien er tusfchen haar en haren man geene gemeenfchap Bn S0Ederen plaats heeft, het zij uit hoofde van het huwe- ijks-coun Ì act, het zij van een vonnis, zal zij zulks mogen doen met toeflemming van haren man, of indien haar man zijne zij Jit zin. Pato] Van de befchikkingen bij testament of witerflen wil. 205 Ve zijne toeftemming weigert, kan zij door den regter daar toe geautorifeerd. worden„ overeenkomftig het woorfchrift, bij Art. 217 en 219, in den Titel, van het huwelijk, bepaald, ge Art. Io3o. One Een minderjarige mag geert executeur van een testament zoo zijn, zelfs nietgmet toeltemming van zijnen voogd of cu- alte zator. Art. 1031e De executeuts van een testament zullen de goederen doen verzegelen, indien er minderjarige onder curateele geftelde, of afwezende erfgenamen zijn. Zij zullen, in de tegenwoordigheid van den vermoedelijken erfgenaam, of denzelven daar toe behoorlijk geroepen zijnde, eenen inventaris van de goederen der nalatenfchap doen op- maken. Zij zullen de roerende goederen kunnen verkoopen, indien geene genoegzame gelden. tot betaling der legaten, voor handen zijn. Zij zullen toezien, dat des overledens uiterfte wil ter uit= van voer gebragt worde, en zuilen, in geval van verfchil over deszelfs uitvoering, kunnen tusfchen beiden komen, om de beftaanbaarheid daar van te handhaven, Zij zijn gehouden, na verloop van één jaar, zedert des testateurs overlijden, rekening en verantwoording van hunne beheering te doen. Art. 1032. 76 De post van executeur van een testament gaat niet over op zijne erfgenamen, Arts-1033e Indien er verfcheiden executeurs van eem testament zijn> die dezen post aangenomen hebben.-kan één alleen, bij ge= breke van de anderen, werkzaam zijn; en zij zullen ieder voor’t geheel aanfprakelijk zijn,-om het roerend goed; het welk hun is toevertrouwd, te verantwoorden, ten ware de testateur hunlieder werkzaamheden verdeeld heeft, en elk van hun zich binnen den kring van de hem aanbevolene werkzaamheden gehpuden heeft. Art. 1034 De onkosten, gemaakt door den executeur van een testâ» ment, tot de verzegeling, den inventaris, de rekening en andere onkosten, tot zijne werkzaamheden betrekkelijk, zul- len ten laste van de nalatenfchap komen. ACHT- JIL, Boek, Jl. Titel, V Hoofdftuk. ACHTSTE AFDEELING. Van het herroepen der testamenten, en het verval. len van dezelven: © Art. 1032, De testamenten kunnen niet herroepen worden, noch ges heel, noch ten deele, dan door een later testament, of door eene acte voor notarisfen gepasfeerd, eene verklaring vanden veranderden wil des testateurs bevattende, Art. 1036: Latere testamenten; waar bij de voorgaande niet op eene uitdrukkelijke wijze herroepen worden, vernietigen alleen de befchikkingen, in die eerdere testamenten vervat, welke met de nieuwe befchikkingen niet zijn overeen te brengen, of daar mede ftrijdens Art. ro37. De herroeping„bij eenlater testament gedaan, zal hare vols komene kracht hebben, offchaon die nieuwe acte onuitgevoerd blijft, door de onbevoegdheid of weigering van den geftelden erfgenaam of legataris, om de erfenis te- genieten. Art. 1038. Alle vervreemding, zelfs bij verkoop, met vermogen van weder-inkooping, of bij verruiling, welke de testateur van het gelegateerde goed, geheel of gedeeltelijk, doet, zal de herroeping van het legaat, ten aanzien van al wat vervreemd is, met zich brengen, al is het, dat de naderhand gedane vervreemding nietig zij, en het goed alzoo in de hand var den testateur is te rug gekeerd. Art. 1039. Alle befchikking, bij testament gedaan, vervalt, indien de geen, ten wiens voordeele dezelve gemaakt is, den testateur niet overleefd heeft. Art. 1040. Alle befchikking, bij testament gedaan, onder eene voorwaar de, van eene onzekere gebeurtenis afhangende, en van Zoo- danigen aard, dat de testateur gerekend moet worden, aan het al of niet voorvallen dier gebeurtenis de uitvoering zijner befchikking verbonden te hebben, zal vervallen, indien de geftelde erfgenaam of legataris voor de vervulling der voors waarde komt te overlijden, Art, ro41. wan de befehikkingen bij testament of uiterflen wil. ao7 Art. To4r. Wanneer"de voorwaarde, volgens de bedoeling van den testateur, alleen de uitvoering der be efchikking opfchort, be» let dezelve niet, dat de geft(telde erfsenaam of legataris een verkregen regt heeft, heet welk hij aan zijne erfgenamen Over. draagt. Art. 1042. Een legaat vervalt, wanneer het gelegateerde goed, bij het o o o o ì ge leven wan den testateur, geheel te niet gegaan is. Ul Het ze heeft ook plaats, indien het goed, na zijnen den dood„ der toedoen of fchuld van den erfgenaam is te niet gegaan,< fehadn deze mogt verzuimd hebben, dat goed op zijnen tijd uit tekeeren, wanneer het, in handen, van den legas taris geweest zijnde, eveneens zoude zijn te niet gegaan, Art. 1043. testament gedaan, vervalt, wanneet a legataris de erfenis of het legaat ver= oeg sd bevonden wordt, om het zelve te ge. Eene befchikking, bij werpt„ of onbe nieten. VOt Art. TO44« oerd Er zal aanwas plaats hebben ten vwoordeele van de legata- lder en, in geval het legaat aan verfcheiden perfonen gezaments iijk gemaakt is, Het legaat zal geacht worden gezamentlijk gemaakt te zijn 3 wanneer het gemaakt is bij ééne en dezelfde befchikking, en [ de“testateur riet aan elk der medelegatarisfen ziju aandeel in de het. gelegateerde goed heeft aangewezen. Art. 1o4: zal de testateur mede geacht worden gezamentlijk erd te hebben, wanneer eene zadk, die, zonder na- ijden, niet voor verdeeling vatbaar is,gegeven is bij acte aan verfcheiden perfonen, al ware het dan ook Art. ro46. Dezelfde redenen, die volgens Art. 954,en de twee eerfte bepalingen van Art.955,regt geven tot den eisch ter herroe= ping eener gifte onder de levenden, zullen ook toepasfelijk zijn op den eisch ter herroeping van befchikkingen bij uiters ften wil. Art. 1o47. Indien deze eisch gegrond wordt op eene zware veronge. lijking, aan de nag Henis van den testateur aangedaan, moet dezelve inged worden binnen’s jaars, te Teken n van den dag, dat die verongelijking isvaangedaan. AT 4V. $ gog Zl, Boek, ll, Titel, VI. Hoofdftuk, ZESDE HOOEFDS TURK: Pan geoorloofde befchikkingen ten voordeele van klein kinderen van den donateur of testateur, of van kinderen van deszelfs broeders en zusters. A Arft. 1049. De goederen, waar over de vaders en moeders het regt van befchikking hebben, kunnen door hun, geheel of gedeel- telijk, gegeven worden aan één of meer van hunne kinde- ren, bij acte onder de levenden, of bij testament, met last om deze goederen uit te keeren aan de kinderen van gemelde donatarisfen, reeds geboren, of nog geboren zullende worden„ doch niet verder dan ín den eerften graad, Art. 1049. In geval van kinderloos overlijden, zal de befchikking bes ftaanbaar zijn, welke de overledene bij acte onder de leven- den, of bij testament gemaakt heeft, ten voordeele van één of meer zijner broeders of zusters, over het geheel of een gedeelte der goederen, die bij de wet niet ten hunnen behoes ve buiten befchikking gehouden zijn, met last, om die goe= deren uit te keeren aan de kinderen van gemelde gedonateer= de broeders of. zusters, reeds geboren, of nog geboren zule lende„worden, doch niet verder dan ín den eerften graad. Art. ro5o. De befchikkingen, bij de twee voorgaande Artikelen geoore loofd verklaard, zullen niet anders geldig zijn, dan voor zoo verre de last van overgifte(trekt, ten woordeele van alle de kinderen van den bezwaarden perfoon, die reeds geboren zijn, of nog geboren zuilen worden, zonder uitzondering of voorrang van ouderdom of kunne, Art. 1o5rs Indien, in de hier boven vermelde gevallen, de geen, die met de overgifte ten voordeele zijner kinderen belast is, fterft met agterlating van kinderen in den eerften graad, en afko- melingen van een vooroverleden kind, zullen deze laatfte bij plaatsvervulling het aandeel van het vooroverleden kind ge- nieten. Art. 1o52. Ì Indien het kind, de broeder of de zuster, aan wien eenl- ge goederen bij acte onder de levenden, zonder last van pe gifte„ ‚Be 4 ae Jen Hat (fel wid, Wal mio Wit én en jee ie 09 Van gevorloofde befthikkingen enz. 209 gifte, gegeven zouden mogen zijn, eene nieuwe gifte bij acte onder de levenden, of bij uiterften wil gedaan, aanne. men, onder voorwaarde dat de te voren gegevene goederen met dien last bezwaard zullen blijven, is het hun niet meer geoorloofd, om de twee ten hunnen voordeele gemaakte bee Schikkingen van elkander te fcheiden, en van de tweede af. ftand te doen, om zich aan de eerfte te houden, al boden zij zelfs aan, om de goederen, in de tweede befchikking bes grepen, te zullen overgeven, Art. to53. De regten der verwagters zullen ingaan op het tijdftip, dat het genot van het kind, van den broeder of van de zuster, met de uitkeering belast, door eenige oorzaak„ hoe ook ges naamd, zal ophouden: de af{tand, van“het genot, voor dien tijd ten voordeele van de verwagters gedaan, zal geen nadeel kunnen toebrengen aan de fchuldeifchers van den bezwaarden perfoon, wier fchuldvorderingen ouder dan deze afftand zijn. Arte 1054. De vrouwen van de bezwaarde perfonen mogen op de over te gevene goederen„ingeval de vrije goederen onvoldoen= de zijn, bij fubfidie geen verhaal hebben, behalven voor de hoofdfom der gelden ten huwelijk aangebragt, en alleenlijk in geval de testateur zulks uitdrukkelijk zoude mogen bevo= Jen hebben. T Art. 1055. Hij, die befchikkingen maakt, volgens de voorgaande Artis kelen geoorloofd zijnde, mag, bij dezelfde acte, of bij eene latere authentieke acte, eenen voogd benoemen, om deze bee fchikkingen ter uitvoer te brengen: deze voogd zal zich daar aan niet mogen onttrekken, dan om eene der oorzaken, uite gedrukt bij de zesde Afdeeling van het tweede Hoofdftuk van den Titels van minderjarigheid, voogdij en emancipas zie. Art. 1056. Bij ontbreken van zulk eenen voogd, zal er een benoemd wors den op aanhouden van den bezwaarden perfoon, of van zij= nen voogd, zoo hij minderjarig is, binnen den tijd van eene maand, te rekenen van den dag van het overlijden van de donateur of testateur, of van den dag dat, na dit overlij den, de acte, welke de befchikking inhoudt, ter zijnêr kene uisfe gekomen is, i Art. ros. „De bezwaarde perfoon, die aan het voorgäande Artikel niet voldaan zal hebben, zal wan ket voordeel der pn: OQ KING 2Io HI Boek, IL. Titel, VI. Hoofdffuke king vervallen zijnz en in dit geval zal verklaard mogen worden, dat het regt ten voordeele der geroepenen vervatlen is, en zulks ten verzoeke, het zij van de geroepenen, 200 zij meer lerjarig zijn, het zij van derzelwer voogd of curators zoo zij minderjarig of onder curateele gefteld zijn, het zij wan elken bloedverwant der geroepene meerderjarige, minder« jarige„ of‘onder curateele geftelde perfonen;, of zelfs, ambtse tralve, op voordragt van den Procureuf des Keizers,’ bij de regtbank van de eerfte inftantie, ter plaatfe, waar de nala tenfchap gevallen is, Art. 1059. Na het overlijden van den geen, die onder den last van teruggave der goederen befchikt heeft, zal, in den gewonen vorm, een inventaris gemaakt worden van alle goederen en latenfchap uitmakende, uitgezonderd nogtans, effecten, de nalate in geval het gemaakte alleen in een bijzonder legaat beftond. Deze inventaris zal de begrooting der roerende goederen, en van effecten, onder roerend goed behoorende, naar derzelver juiste waarde bevatten. Art. 1059. Deze inventaris: zal gemaakt worden ten verzoeke vat met de uitkeering belast is, en binnen deù tijd, in den Titel, van erft Igingen, bepaald, in tegeriwoore digheid van den voogd, die tot de uitvoering benoemd is. De kosten zullen gevonden worden uit de goederen, waar over de befchikking gaat, 2 den geen, die Art.«1060, Indien de inventaris niet gemaakt is ten verzoeke van den bezwaarden perfoon, en binnen den hier boven vermelden tijd, zal daar mede in de volgende maand worden voortgegaan, ten verzoeke van den voogd, die tot de uitvoering benoemd is, in tegenwoordigheid van den bezwaarden perfoon of van zijnen voogd, Art. Ioót. Indien aan de twee voorgaande Art zal men met het maken van den inventaris voortgaan, tel verzoeke van de perfonen, in Artikel 1057 opgenoemd, mits daar bij roepende. den bezwaarde perfoon, of zijnen voogd, en den voogd, die tot de uitvoering benoemd is. Art. 1062. Hij, die met de teruggave bezwaard is, zal gehouden zijn, om alle de meubilen en effecten, in de befchikking be= grepen, na gedane aanplakking, bij opveiling te doen hee KOOe ikelen niet voldaan is s Ut s Lel er … tér van die goederen waar melding getnaakt wordt, Ärt. 1063. Meubiten„ to dd nde, en andere roerende goes deren, die in ikking begrepen zouden mo jn de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij in be- onde Ô waard moeten blijven, zullen overgegeven moeten w rden in t e der teruggave bevinden waar ín zij zich ten t taat, zullen. Art. Io64. Het vee en de gereedfchappen, dienende om de landen te bebouwen, eacht worden begrepen te zijn ins de guten Van Cit ke onder de levenden, of bij testament ge Jaan; en de De zwaarde perfoon zal all k sehsúden zijn, om dezeive doen waardeeren en te begrooten, om daar van eene gelijke waarde uit te k g Art. roó5. Binnen den tijd van ze s maa rd das dat de inventaris gefloten 9 den. en die van den is der verkochte meubiler foon Wi yrden aang leed. Dege tijd zal verlengd mogen worden; indien daar toe res denen dienen, dn Xx wl bleeke a á ze. w e pertoon L Insgell ZIN 3 OM de van naderhand tnkomende B ien. en f 3 d hal y. 1 7| afgekoch ï en„ voortgekomen 5 te beleggen 4 en …ZUIKS de ontvangst dier gels ed led overeenkomftig het geen Rae dan bevolen ziju,“indien hij den aard det effecten, in welken de belegging gedaan moet soing zal gedaan wot T worden, heeft aangewezen; zoo niet, zal zij alleen mogen gedaan en in onroerende goederen, of in hüpotheker op onroerende goederen, met regt van preferentie. Art: 1068: De belegging, bij de bovenftaande Artikelen bevolen, zal gedaan worden in eega en ten verzoeke van den voogd, die tot de uitvoering benoemd isa Oa Art. Tc69e die HI. Boek, II. Titel, VI. Hoofdftuk. Art. ro6g. De befchikkingen, bij acten onder de levenden, of bij tese ‘tament onder den last van teruggave gemaakt, zullen, ten verzoeke, het zij van den bezwaarden perfoon, het zij van den voogd, die tot de uitvoering benoemd is, openbaar ge- maakt worden te weten, voor zoo veel de onroerende goe= deren aangaat, door infchrijving der acten in de registers wan het bureau der hijpotheken, ter plaatfe, waar de goe- deren gelegen zijn; en voor zoo veel de geldfommen aan- gaat, die op de onroerende goederen met regt van prefee rentie gevestigd zijn, door eene aan'eekening, ten aanzien der goederen, die voor die preferentie ‚‘rbonden zijn. Art. 1070.: De fchuideifchers en derde bezitters kunnen zich beroepen op het nalaten van de infchrijving der acte, waar in de be- fchikking begrepen is, zelfs tegen minderjarigen of die onder curateele gefteld zijn; behoudens het verhaal tegen den bee zwaarden perfoon, en tegen den voogd, die tot de uitvoe= ring benoemd is, en zonder dat de minderjarigen of die on= der curateele gefteld zijn, tegen dit verzuim van infchrijving kunnen gereleveerd worden, al werden zelfs de bezwaarde perfoon, en de voogd, bevonden buiten flaat te zijn om te betalen. Art. ro7ï. Het verzuim der infchrijving kan niet aangevuld, noch als» werbeterd befchouwd worden uit hoofde, dat de fchuldej- fchers, of derde bezitters, kennis van de befchikking gehad zouden mogen hebben door andere middelen, dan door de infchrijving. Art. 1072. De donatarisfen, de legatarisfen, noch zelfs de wettige erfgenamen van den geen, die de befchikking gemaakt heeft, insgelijks niet hunne donatarisfen, legatarisfen of erfgena- men, mogen, in geen geval,het verzuim der infchrijving aan de geroepenen tegenwerpen. Art. 1073 De voogd, die tot.de uitvoering benoemd is, zal in zijn “foon verantwoordelijk zijn, indien hij zich niet, in alles, gen heeft overeenkomftig de hier voren vastgeftelde re- ele, ten aanzien van het inventariferen der goederen, de verkoopiog van de roerende goederen, het beleggen der gel- den, de registratie en infchrijving, en, in’t algemeen, in- dien hij niet alle noodige vlijt heeft aangewend, ten einde de tast der teruggave wel en getrouwelijk vervuld worde. Art. 1074 Van geoorloofde befchikkingen enz, a13 Art. 1074. Indien de bezwaarde perfoon is minderjarig, kan hij niet zelfs niet in geval zijn voogd buiten ftaat is te betalen» ge- releveerd worden jegens het niet naarkomen der regelen, die hem bij de Artikelen van dit Hoofdftuk zijn woorgefchre= Vere ZEVENDE HOOFDSTUK. Van boedel-verdeelingen, door den vader, moeder of andere bloedverwanten in de opgaande linie, tusfchen hunne afkomelingen gemaakt, Art. to75. Vader en moeder, en andere bloedverwanten în de op- gaande linie, mogen, tusfchen hunne kinderen en afkomelin- gen, de verdeeling en fcheiding hunner goederen maken, Art. 1076. Deze verdeelingen kunnen gemaakt worden bij acten onder de levenden, of bij uiterften wil, met in achtneming der formaliteiten, voorwaarden en regelen, die, ten aanzien der giften onder de levenden en der uiterfte willen, zijn voorge- fchreven, 4 De deelingen, bij acten onder de levenden gemaakt, moe gen niets anders ten voorwerp hebben, dan de tegenwoordi- ge goederen. Art. 1077. Indien alle de goederen, welke de bloedverwant in de ope gaande linie, op den dag van zijn overlijden nalaat, in de deeling niet begrepen zijn geweest,‘zullen. die goederen, welke daar onder niet begrepen zijn, verdeeld worden vol gens de wet, Art. 1078, Indien de deeling niet gemaakt is tusfchen alle de kinde. ren, die ten tijijde van het overlijden in wezen zijn, en de af komelingen der vooroverledenen, zal de verdeeling geheel en al nietig zijn.—- Er kan eene nieuwe verdeeling in be- hoorlijken vorm gevorderd worden, het zij door de kinderen of afkomelingen, die daar bij geheel geen aandcel gekregen hebben, het zij zelfs door de genen, tusfchen welken de verdeeling gemaakt was. O0 3 Art, 1079: 214 ZI Boek, II. Titel, WIFE. Hoofdf?uk. Art. 1079:| De afge door eenen bloedverwant in de opgaande linie gedaan, kan be twist worden, uit hoofde van benadeee ling, meer dan ten wierde bedragende: zij kan al‘mede be= ze twist worden, indien, door de verdeeling en gedane voor= veroorzaakt zoude worden,“dat één der mede= een grooter voordeel hebb en zoude, dan hem uitmakingen s deelgen( oren de wet toeltaat. Árt. ro8o. vind. het welk om ééne der redenen, in het voors Een k giteedrukt, de verdeelings zaet eenen der gaande Art ikel C bloedverwanten in de opgaande linie gemaakt, betwist, zal C de kosten der begrooting moeten voorfchieten 3 en hij zal in C f vonnis verwezen worden„ als mede dezelven bij definitief in de kosten van het proces, indien zijne vordering niet ge= grond bevonden wordt. Í Á HEE ACHTSTE HOOFDSTUK ij Ii Bi;ij huwelijks-contract gedaan, aan@ ij d il“en aan kinderen, ate uit het 4 Art. ro8t. jj oe gif onder de levenden van tegenwoordige goe: Ki in rin‘of eerde aan echtgenooten,. | ij, éér“van hun gedaan, Z uilen-ouderworpen Zi eff|I lj meene regelen, omtrent giften, onder dien titel ted KEEK al voorgefchreven. EERE Zù kan geene plaat hebben ten voordeele van kinderen | Ì die nog{taan geboren te worden,’ dan in de hen in ' ik het zesde Hoofdftuk- van dezen Titel vermeld. Hi hi Art. 1oë2, || De vaders en moeders, en de gerdere bloedverwanten in |: de opgaande en in de zijdliniën der echtgenooten, en zelfs bl vreemden, mogen bij huwelijks-contract befchikken, over alle| of over een gedeelte der goederen, die zij bij hun ovc zuilen nalaten, Zoo wel ten voordeezle der gemelde echt nooten, als ten voordeele der kinderen, die uit hunlic Van giften; bij huwelijks-contract gedaan, enz. o18 huwelijk ftaan gebogen te worden„ in geval de donateur den bevoordeelden« genoot mogt overleven. Eene dergelijke he hoewel alleer gedaan ten voordeele der echtgenooten of van één derzelven, zal in het gemelde geval, dat de don ateur den donataris overleeft, altijd veron- teld worden gedaan te zijn ten voordeele der kinderen en iünsen, die uit het huwelijk ftaan geboren te wore Art. 1083. den in het voorgaande Artikel bepaalden zijn, alleenliijjk echter in lien zin, dat de donate eur niet meer over de goederen, in l hikken„ be ehalven d zal mogen b over geringe fommen, tot draperen of anderzins. Art. 1084» ijks-contract kan gee ï komende goeder n deele, mits dat aan de acte van den de e J Ja aan word zZame nlijk. eer of EA ï BEA zich en let bij het overlijden van houden aan de te ige goederen van aan den donataris n don vrijftaan„ zich woordige goederen, en van de ove donateur afftand te doen. Ä gt, Indien de(taat of BEN vermeld, aan Gen acte, en toekomende le verf ge he te nemen, of ge kan hij niet mee r eifchen, dan de gc ederen van des donateurs overlijden, bevot nden zulle d in wezen te zijns en hij zal tot betaling van alle fchulden er lasten der nalatenfchap verpligt zijn. pre Io Eene gifte bij huwelijl ten voordeele der echt= genooten, en der kinde en, die uit hun huwelijk(taan gebon ren te worden, kan ook gedaan worden, onder, voorwaarde van alle fchulden en lasten van des donateurs nälatenfchap te betalen, of onder andere voorwaarden, welker uitvoering van zijnen wil afhangt, door wien ook de gifie ge daan zou- de mogen zijn: de dona taris is gehouden er voorwa: arden ten zij hijj liever verkiest, van de gif en, in geval de donateur bi huwel O 4 afst€ dd[6 Da à 216 JIL. Boek, IF, Titel, WIJN. Hoofdftuk. tract zich de vrijheid heeft voorbehouden, om over eenig ftuk, onder de gifte zijner tegenwoordige goederen begre- pen, of over eene bepaalde geldfomme, uit dezelve goederen te nemen, te befchikken, zal dat ftuk, of die geldfomme, indien hìj, zonder daar over befchikking gemaakt te hebben, flerft, gerekend worden onder de gifte begrepen te zijn, en zal aan den donataris, of zijne erfgenamen, toebehooe ren. Art. 1087. Giften, bij huwelijks-contract gedaan, kunnen niet betwist, noch nietig verklaard worden, op grond, dat geene aanne-, ming van dezelven gedaan is. Art. 1089. Alle-huwelijks-giften zullen vervallen; indien het huwelijk er niet op volgt. Art. 1089. Giften, aan één der echtgenooten gedaan, vallende ín de ‘bepalingen der bovengemelde Artikelen ro82, 1084 en 1086, zullen vervallen, indien de donateur den bevoordeelden echte genoot en deszelfs af komelingen overleeft. Art, 1ogo. Alle giften, aan echtgenooten bij hun huwelijks-contract ‘gedaan, zullen, bij het vervallen van des donateurs erfenis, verminderd moeten worden tot op het gedeelte, waar over de wet hem veroorloofde befchikking te maken, NEGENDE HOOFDSTUK, Wan befchikkingen tusfchen echtgenooten, het zij bij huwelijks-contract, het zij fraande huwelijk. Art. rog. De echtgenooten mogen bij huwelijks-contract aan elkan- der wederkeerig„of één van beiden aan den anderen, zooda- nige gifre doen, als zij voegzaam oordeelen zullen, onder “de bepalingen, hier na uitgedrukt. Art. 1092. Alle giften onder de levenden van tegenwoordige goede- ren, tusfchen echtgenooten bij huwelijks-contract gedaan, zullen niet geacht worden gedaan te zijn onder de tdk — em Ca û Wan befchikkingen tusfchen echtgenooten, enz. eiy dat de donataris den donateur overleve, indien deze voor- waarde niet met zoo vele woorden is uitgedrukt: en dezelve zullen aan alle de regels en formaliteiten, hier boven nopens deze foorten van giften voorgefchreven, onderworpen zijn. Arts 1093. De gifte van toekomende goederen, of van tegenwoordige en toekomende goederen, tusfchen echrgenooten bij huwe= lijks-contract gedaan, het zij van de eene zijde, het zij van wederzijden, zal onderworpen zijn aän de regels,.bij het vorige Hoofdftuk vasrgefteld, ten opzigte van zoortgelijke giften, die hun door derden gedaan worden; behoudelijk dat zij niet overgaat‘op de kinderen, uit dat huwelijk gefproten, in geval de bevoordeelde echtgenoot vóór den donateur komt te overlijden, Art. 1094. De echtgenoot mag, het zij bij huwelijks-contract, het zij ftaande huwelijk, in het geval dat hij geene kinderen, noch afkomelingen zal nalaten, befchikking maken ten voordeele van den anderen echtgenoot, in eigendom, van al het geen, waar over hij, ten voordeele van eenen vreemden, zoude mogen befchikken, en bovendien van het vruchtgebruik van het geheele gedeelte, waar over de wet de befchikking, ten nadeele der erfgenamen, verbiedt. En war betreft het geval, dat de echtgenoot, die de gifte doet, kinderen of afkomelingen mogt nalaten, zal hj aan den anderen echtgenoot mogen geven, of een vierde gedeelte in eigendom, en een ander vierde gedeelte in vruchtgebruik, of de helft van alle zijne goederen in vruchtgebruik alleen. Art. 1095. Een minderjarige echtgenoot mag bij huwelijks- contract aan zijnen mede-echtgenoot, noch bij eene enkelvoudige, noch bij eene wederkeerige gifte, niets fchenken, zonder toeftemwing en bijftand van hun, wier toeftemming, tot de wettigheid van zijn huwelijk, vereischt wordt; maar van deze toeltemming voorzien zijnde, mag hij alles fchenken„ het geen de wet aan eenen meerderjarigen echtgenoot toes Klaat, om aan zijnen mede-echtgenoot te geven, Art. 1096. Alle giften tusfchen echtgenooten, ftaande het huwelijk gee daan, offchoon onder de benaming van giften onder de le- wenden, zullen altijd herroepelijk zijn, De herroeping derzelven zal door de vrouw kunnen gee daan worden, zonder daar toe door haren man, of door den regter geautorifeerd te zijn. Os Deze 218 ZI, Boek, IL Titel, IX. Hoofdftuk. Deze giften zullen niet herroepen worden, tit, hoofde van e geboorte van kinderen. Art. 1097. De echtgenooten mogen, ftaande huwelijk, noch onder de levenden, noch bij uiterften wil, aan elkander geene weder= zijdfche gifte doen bij ééne en dezelfde acte, Art. 1098. De man of vrouw, die, kinderen hebbende, uit een eer- der bed, een tweede of volgend huwelijk aangaat, zal aan deszelfs nieuwen echtgenoot niets meer Mogen geven, dan het minfte gedeelte, het welk één der wettige kinderen ge= niet, en zonder dat, in eenig geval„ die giften het vierde deel van den boedel mogen te boven gaan, Art. Yo99e De echtgenooten mogen elkander, door zijdelingfche wee gen, niet meer geven, dan hun, bij de hier voren gemaakte bepalingen, is toegeftaan. Alle giften, onder eenen verdichten titel bewimpeld, of aan tusfchen beiden komende perfonen gedaan, zullen nieug eene daar op gevolgd zijne Art. 1100. aan tusfchen beiden komende perfonen ge- Voor giften, worden alle zoodanige, welke door daan, zullen gehouden één der echtgenooten aan< ren van den mederechtgenoot;, uit een eerder g fproten, gedaan worden, als mede' die gedaan worden door den donateur aan bloedverwanten, van Wien de andere ech genoot, ten tijde der gifte, de vermoedelijke erfgenaam zijn zal, al ware het ook, dat de laatstgemelde den bloedvera want, aan wien de gifte gedaan is, niet heeft overleefd. le kinderen, of aan één der kindee huwelijk gee Ne ors ge DD B= Algemeene bepalingen. 19 DERDE Ep B VAN CONTRACTEN;. OF VERBINDTENISSEN 9 BIJ WEGE VAN OVEREENKOMST IN HET ALGEMEEN. [Wastgefteld den 7den van Sprok kehn aand 1804, ef8 afgekondigd den inden van dezelfde maand. EERSTE HOOFDSTUK Algemeene bepalingen. Art. IIoï. Een contract is eene overeenkomst, waar bij één of meer perfonen zich aan één of meer anderen verbinden, om iets te geven, te doen of niet te doen, Art. 1IO2 Een contract is wederkeerig,(/9: nallagmatiek;, of Zilates vaal) wanneer de contractanten zich over en weder aan el- kander verbinden. Art. rro3. Het zelve is eenzijdig,(unilateraal) wanneer één of meer perfonen. zich aan één of meer anderen verbinden, zonder det de Jaatstgemelde van hunnen kant tot iets gehouden zijn. Art. rro4. Het zelve is vergeldende of verwis felende(commutatief) wanneer ieder der contracterende par! ien zich verbindt, om eene zaak te doen of te geven, welke ab wordt als! een evenwiet van het geen aan hem gegeven, of voor hem gedaan wordt Wanneer dit evenwigt, voor ieder der partijen, beftaat in de kans van winst of verlies, van eene onzekere gebeurtenis afhangende, is deze verbindtenis een kazs-contract. ed 2ao ZI, Boek, ZIT. Titel, 1. Hoofdftuk. Art. rrog. deel doet toekomen. Art. rro6. úng brengt, om iets te geven of te. doen. Art. 1roz. welke het onderwerp van dezen Titèl uitmakens betrekkelijk den koophandel, ET TWEEDE HOOFDSTUK Rete heid der overeenkomften. sd ed teen ij Art. 1108. | wezenlijke vereischten; nen aangaan; tenis uitmaakt; a° Eene wettige oorzaak van verbindtenis. Een contract uit weldadigheid is, wanneer eene der par tijen aan de andere, geheel en al om niet, een zeker voors Een contract, onder eenen onereufen titel aangegaan, is zoodanig een, het welk ieder der partijen onder de verplig- De contracten, het zij dezelve eene eigene benaming heb= ben, dan niet, zijn aan algemeene regels onderworpen„ De bijzondere regels, ten aanzien van bepaalde contrac- ten, worden opgegeven in de Titels, in welke van ieder derzelven’ gehandeld wordt; en de bijzondere regels omtrent handelingen van koophandel zijn bepaald bij de wetten, Ú Van de wezenlijke vereischten tot de beftaanbaar= Tot de beftaanbaarheid der overeenkomften behooren vier, 1°, De toeftemming van den genen, die zich verbindt; 2°. Deszelfs bekwaamheid, om eene verbindtenis te kune 3°, Een zeker onderwerp, het welk de ftoffe der verbind- Wan de wezenlijke vereischten der overeenkomften. raa EERSTE AFDEELING. Van de toefemminge Art. Irog. Geene toeftemming is van waarde, wanneer dezelve door dwaling is gegeven, of‘door geweld afgeperst, of door be- drog verkregen. Art.-I1Io. Dwaling is geene oorzaak om eene verbindtenis nietig te doen zijn, dan wanneer dezelve plaats heeft omtrent het wezen zelven der zaak, die het onderwerp der overeenkomst uitmaakt. Zij is ook geene oorzaak om eene verbindtenis nietig te doen zijn, wanneer zij alleenlijk plaäts heeft omtrent den perfoon, met wien men voornemens is te handelen, ten zij de overeenkomst voornamelijk uit aanmerking van dezen per- foon is aangegaan. Art, IIIe Geweld, gepleegd tegen den genen, die eene verbindtenis heeft aangegaan, maakt de overeenkomst nietig, ook dan, wanneer het zelve gepleegd is door eenen derden, ten wiens behoeve de overeenkomst niet gemaakt is, Art. IIt2, Geweld heeft plaats, wanneer het zelve wan zoodanigen aacd is, dat het indruk maakt op iemand, die wél redeneert, en hem de vreês kan inboezemen, dat hij zijn perfoon of goederen aan een merkelijk en dadelijk nadeel blootftellen zoude. k In het beoordeelen daar van, moet op de jaren, de kun- ne, en den{taat der perfonen, acht gegeven worden. Art. 1113. ‘Geweld is eene oorzaak, om eene overeenkomst nietig te maken, niet alleen wanneer het zelve gepleegd‘wordt tegen eene der contracterende pattijen, maar ook tegen een der echtgenooten, of tegen bloedverwanten in de nedergaande of opgaande linie, Art. 1rr4, De vrees, alleen uit eerbied, jegens vader, môeder, of pgens eenen anderen bloedverwant in de opgaande linie, Zon 222 UIT. Boek, II. Titel, II. Moofdffuk zonder dat eenig dadelijk geweld gepleegd is, is tot vermie tiging der overeenkomst onvoldoende, Arts 1115. Men kan tegen een contract, op grond van geweld, niet opkomen, indien, na het ophouden van het geweld, het contract is goedgekeurd, het zij uitdrukkelijk, het zij flik zwijgende, het zij om dat men den tijd, om in zijn geheel herfteld te worden, door de wet bepaald, heeft laten voor bij gaan.€ Art. 1116, Bedrog levert eenen grond op tot vermfietiging der over eenkomst, wanneer de kunstgrepen, door één der contrac tanten gebezigd, van dien aard zijn, dat het klaarblijkelijk is, dat de ander, zonder zoodanige bedriegelijke kunstgre pen, niet zoude gecontracteerd hebben. _ Bedrog wordt niet geprefumeerd, maar moet bewezen wond den. Árt, 1117: Eene overeenkomst, door dwaling, geweld of bedrog aang gegaan, is niet van zelf naar regten nietig; doch geeft alleen aanleiding, om eene actie tot vernietiging aan te leggen; in de gevallen, en op zoodanige wijze, als bij de zevende Af deeling‘van het vijfde Hoofdftuk vàn dezen Titel ont vouwd wordt. Art. 1118, Enkele benadeeling vernietigt de overeenkomften niet, dan contracten„ of ten opzigte van zeke. ten aanzien van zekere zelfde Afdeeling bepaald ze perfonen, zoo als zulks in de zal worden. Art. 1119. r In het algemeen kan men zich niet verbinden, noch iets bedingen 9 op zijnen eigen naam, dan voor zich zelven. Art. 1120, Niettemin kan men zich voor eenen derden fterk maken, door te beloven, dat dezeive Iets zal doen; zijnde hij, die zich voor eenen derden fterk gemaakt, of beloofd heeft hem jets te doen bekrachtigen, tot fchadeloosftelling gehouden, in geval die derde weigert, het beloofde na te komen. EGT Io. Men kan eok, ten behoeve van eenen derden, iets bê dingen, wanneer eene overeenkomst, welke men voor zich zelven maakt, of eene gifte, die men voor€enen anderel doet, zulk eene voorwaarde of beding in zich bevat. Det zoodanig beding gemaakt heeft„ kan hetzelve niet herroepen, Walle wan de wezenlijke vereischten der overeenkomfien. 243 wanneer die derde verklaard heeft, van het beding te willen gebruik maken. Art. rr22. geacht bedongen te hebben voor zich zelven, namen en regtverkrijs jgenden, ten ware het bepaald is, of uit den aard der overe Men wordt en voor zjjn el tegendeel uitdrukken ijk eenkomst v boarietoelt. TWEEDE AFDEELING wan de bekwaamheid der contracterende partijen. Art. 1193 Fen ieder is bevoegd om contracten aan te gaan, indien hìj daar toe door de wet niet is onbekwaam verklaarde Art. t I24e Onbekwaam om te contracteren zijn: Mi nn derj g Die onder curateele gefteld zijn 5 Getrouwde vrouwen; in de gevallen bij de wet be- paald 5 En in het algemeen, alle de. genen, aan wien de wet het aangaan van zekere contracten verboden ft Art. 1125, De minderjarige, die onder curatetle gefteld is, en eene getrouwde vrouw, Kunn en, uit hoofde van onbekwaamheid, zich tegen hunne. w lenisfen niet verzetten, dan in de ve gevallen, waar in en heeft. Perfoven, mu nn om zich te kune nen verb» kunnen de or aamheid van den mindere jarigen, van den genen die onder curateele gefteld is, of van rouw, met wien gecontracteerd hebben, |= 5 de getrouwde vx ZIT, Boek, MIL, Titel, Il, Hoofdftuk. DERDE AFDEELING. Van het onderwerp der verbindtenisfen, Art. 1126. Alle contracten hebben tot onderwerp eene zaak, welke men zich verpligt te geven, of welke men zich verpligt te doen of niet te doen, Art, 1127. Het enkel genot, of het enkel bezit van eene zaak, kan, zoo wel als de zaak zelve, het onderwerp van het contract uitmaken. Art. 1128. Alleenlijk kunnen dië zaken, welke in den handel der menfchen zijn, het onderwerp der contracten uitmaken. Art. 1129. De verbindtenis moet tot onderwerp hebben eene zaak,- welke, ten minften ten aanzien van hare foort, bepaald is. De hoeveelheid der zaak kan onzeker zijn, mits zij maar tot eene bepaalde zekerheid gebragt kan worden. Art. 1130, Toekomftige zaken kunnen het onderwerp eener verbindte- nis uitmaken. Men kan echter geenen afftand doen van eene erfenis, die nog niet vervallen is, noch over zoodanig eene nalatenfchap eenig beding aangaan, zelfs niet met toeftemming van den genen, over wiens, nalatenfchap gehandeld wordt, VIERDE AFDEELING. Van de oorzaak der verbindtenisfen. f Art. 1131. Eene verbindtenis, zonder oorzaak, of uit eene valfche oorzaak, of uit eene ongeoorloofde oorzaak aangegaan, kan van geene kracht zijn, Art. 1132, Ö üé fr Li p en Van de wezenlijke vereischten der vvereenkomften. aa5 Art. 1132. Fene overeenkomst is niettemin krachtig, offchoon de porzaak niet bij het contract is uitgedrukt. Art. 1133. Eene ongeoorloofde oorzaak is, welke bij de wet verbo= den, met de goede zeden, of met de maat{chappelijke orde° ftrijdig ise DERDE HOOFDSTUK. Van de gevolgen der verbindtenisfen, EERSTE AFDEELING: AS Ian Algemeeng bepalingen. Art. 1134.- f Alle wettiglijk aangegane overeenkomften ftrekken aan dé eontracterende partijen tot eene wet. „Zij kunnen niet herroepen worden, dan met wederzijd{che toeftemming, of om redenen, door de wet tot die herroeping voldoende verklaard. In de nakoming derzelyve moet ter goeder trouwe worde te werk gegaan, he Art ITS: Overeenkom(tén verbinden niet alleen tot het geen bij de. zelve uitdrukkelijk bedongen is, maar ook tot het geens maar den aard van dezelve overeenkomen, door de billijks heid, het gebruik, of de wet gevorderd wordt li, TW be ea6 UL Boek, HI, Titel, Tl HoofdRuk, TWEEDE AFDEELING, Van de verbindtenisfen om iets te geven. Art. 1136. De verbindtenis, om iets te geven, bevat in zich de vers pligting, cm het goed te leveren, en voor het behoud van het zelve te zorgen, tot de levering toe, op flraffe van, bij nalatigheid, de fchaden en interesfen aan den fchuldeifchetf te moeten vergoeden. Art. 1137. De verpligting, om voor het behoud wan het goed te zor= gen, het zij de overeenkomst alleen het voordeel van één, of wel van beide de contracterende partijen ten onderwerp heeft, ftelt den genen, die daar mede belastsis, in de ver- pligting, om voor het goed, als een oplettend huisvader, zorg te dragen. Deze verpligting is meerder of minder uitgeftrekt, ten aanzien van zekere contracten, waar van de gevolgen, ten dezen opzigte, in de titels, die daar toe betrekking hebben, ontvouwd worden, Art. 1138. De verbindtenis, om eene zaak te leveren, beftaat volko« men door de enkele toeftemming der contracterende partijen. Zij maakt den fchuldeifcher tot eigenaar, en ftelt de zaak voor zijne rekening, van het’ oogenblik, dat dezelve heeft moeten geleverd worden, offchoon de levering nog niet ge= daan is, ten ware de fchuldenaar in de levering van het goed nalatig iss in welk geval de zaak blijft voor rekening van den laatstgenoemden. Art. 1139. De fchuldenaar wordt in. verzuim gefleld, het zij door eene fommatie of andere foortgelijke acte, hetzij uit krach- te van de verbindtenis zelve, wanneer die-inhoudt, dat de {chuldenaar in verzuim zijn zal, zonder dat daar toe eenige acte noodig is, en door het“enkel verloop van den bepaal Art. 1140» De gevolgen der verbindtenis, om een onroerend goed te geven of te leveren, zijn bepaald in den Titel, van verkoops en in den Litel, van preferentiën en hypotheken. je rt. II41. van er es fen bari ED Van de gevolgen der verbindtenisfen. 12 E) eJ Art. 1I4I. Indien de zaak, welke men op twee onderfcheiden tijden 3 en aan twee onderfcheidene perfonen„ zich verbonden hert ft te geven of te leveren, een zuiver roerend goed is, heeft die geen van lun beiden, welke in het dadelijk bezir daar van gefteld is, den voorrang en blijft daar van eigenaar 3 fchoon zijn titel van eene latere dagteekening is, mits ech» ter het bezit zij ter goeder trouwe. DERDE AFDEELING, Van de werbindsenis om iets te dóen, of niet te doen; Art. 1142. Alle verbindtenisfen om iets te doen, of niet te doen} loopen ik op eene vergoeding van fchaden en interesfen 3 in geval de fchuldenaar in gebreke blijft, aan zijne verplig- ng te Whe, Art. 1143. Niettemin heeft de fchuldeifcher het regt, om te worde- ren de vernietiging van het geen, tegenftrijdig aan de overe eenkomst, gedaan is; en hij kan zelfs zich door den regter doen autoriferen, om het geen gedaan is, te niet te doen 3 ten kosten van den fchuldenaar, onverminderd zijn regt toc ig van fchaden en interesfen, zoo daar toe“grond us Art. 1144. De fchuldeifcher kan ook, in geval de fchuldenaar aan Zijne verpligting niet voldoet, geautorifeerd worden, om zelf, ten Kosten van den fchuldenaar, de verbindtenis ter Uitvoer te doen brengen. I Wanneer de verbindtenis beftaat in iets niet te doen; is de geen, die daar tegen handelt, alleen uit hoofde van die onbevoegde daad, tot vergoeding van fchaden en interesfer gehouden; Pa VIER HIL Boek, HI. Titel, III. Hoofdfuk. VIERDE AFDEELING. Van vergoeding van fchaden en interesfen, voorb vloeijende uit het niet nakomen eener verhindtenis _ Arts 1146. De vergoeding van fchaden en interesfen is dan alleen verd fchuldigd, wanveer de fchuldenaar in gebreke blijft, om zijs ne werbindrenis na te komen; uitgezonderd nogtans, wan neer‘de zaak, welke de fchuldenaar zich verbonden häd te geven of te doen, niet gegeven of gedaan kon worden, dan binnen eenen zekeren bepaalden tijd, welken hij heeft laten voorbij gaan. 4 b Att zrA, De fchuldenaar wordt, zoo daar toe grond is, verwezen tot de betaling van fchaden en interesfen, het zij uit hoofde dat de verbindtenis niet is ten uitvoer gebragt, het zij uit hoofde van vertraging in die uitvoering, zoo dikwijls hij niet bewijst, dat het niet uitvoeren der verbindtenis voortkomt uit eene vreemde oorzaak, die aan hem niet kan geweten worden, al heeft er zelfs geene kwade trouw van zijne zij de plaats. Art. 1148, Geene vergoeding van fchaden en interesfen heeft plaats, indien de fchuldenaar, door onvermijdelijk geweld, of bij toeval, buiten zijn fchuld of verzuim, verhinderd is iets te geven of te doen, waar toe hij verpligt was geweest, of iets gedaan heeft, het welk hem verboden was. Art. 1149. Schaden en interesfen, welken men aan eenen fechuldeifche verfchuldigd is, beftaan in het algemeen in het verlies, het welk hij geleden heeft, en in de winst, welke hij heeft moes ten derven, behoudens de uitzonderingen en wijzigingen, hier na vermeld, Art. 1150, Een fchuldenaar is alleen gehouden tot vergoeding der fchaden en interesfen, welke voorzien zijn of voorzien had- den kunnen worden, ten tijde van het aangaan van het COU- tract« Van de gevolgen der verbindtenisfen, 853 tract, wanneer hij niet door bedrog oorzaak heeft gegeven, dat de verbindtenis niet ten uitvoer is gebragt. ì Art. 1151, In het geval zelfs, dat het niet nakomen der overeenkomst een gevolg is van des fchuldenaars bedrog, moeten de fcha- den en sinteresfen, met betrekking tot het verlies, door den fchuldeifcher geleden, of de winst, welke hij heeft moeten derven, alleenlijk dat geen bevatten, het welk een onmiddee lijk en dadelijk gevolg is van het miet nakomen der overeen- komst. Art.-1152. Vanneer de overeenkomst medebrengt, dat de geen, die in gebreke blijft de overeenkomst na te komen, eene zekere fomme gelds zal betalen, tot vergoeding van fchaden en in= teresfen, kan aan de wederpartije geene grootere of mindere fomme, dan de bedongene, worden toegewezen. i Art. L153- In verbindtenisfen, die zich tot de betaling van eene zekee re geldfomme bepalen, beftaan de fchaden en interesfen, uit de vertraging in het niet nakomen der verbindtênis voort- fpruitende, nooit anders, dan in de betaling van intêresfen, zoo als die bij de wet bepaald zijn 5 onverminderd de bij- zondere regels, die in het ftuk van koophandel, en omtrent jorgtogten plaats hebben, Deze fchaden en interesfen is men verfchuldigd, zonder dat de fchuldeifcher behoeft aaa te toonen, dat hij eenig verlies geleden heeft. Men is dezelven niet verfchuldigd, dan van den dag, dat daar toe eisch is gedaan, uitgenomen in het geval, dat de wet de interesfen van zelf doet loope Art. 1154. De vervallene interesfen van hoofdfommen Kunnen wee derom interesfen voortbrengen, of uit hoofde van eenen geteg-= telijken eisch, of van eene bijzondere overeenkomst; mits dat de eisch of de overeenkomst betrekkelijk is tot interess fen, ten minften over een geheel jaar verfchui igd. 3 pe Nogtans brengen de verval inkomften, als huren, hten, achterftaliige renten, het zij perpetueele, het zij lijfrenten, interesfen voort, van den dag, dat de eisch gee daan, of de overeenkomst gefloten is. De zelfde regel is toepasfelijk op teruggaven van vruchten, en op interesfen, die door eenen derden aan den fchuldei- {cher tot ontlasting van den fchuldenaar, betaald zijn, Dea IJE . 830 ZI, Boek, HIT. Titel, TIL Hoofdfluf. VIJFDE AFDEELING. s Van de uitlegging der overeenkorften, Art. 11560/ Men moet in de overeenkomften veeleer nagaan, welke de gewone bedoeling der contracterende perfonen geweest is, dan zich aan den letterlijken zin der woorden binden, Art. 1157. Wanneer een beding voor twee Arean zin vatbaar ís, moet men fiet veeleer opvatten in en zin, waar in het eenige uitwerking kan hebben, dan in dien zin, waar in het zelve geene de minfte uitwerking kan te wege rengen. Art, 1158. Woorden, die voor tweederleijen zin vatbaar zijn, moeten verftaan worden jn dien zin, die met den aard van het cone ract het meest overeenkomt. Art, 1159. Het geen twijfelachtig is, wordt uitgelegd door het geen gebruikelijk ís in het land, waar het contract is aangegaan. Art. 1160. Men moet in een contract aanvullen de claufulen die aldaar in gebruik zijn, fchoon zij in het contract niet, ftaan uitged rk t. Alle bedingen in een contract moeten het eene door het andere worden. uitgelegd, door aan elk dien zin te geven, welke uit het geheele beloop der acte voortvloeit, Art. 1162. In geval van twijfeling, wordt de overeenkomst uitgelegd in nadeel van den geen, die iets bedongen heeft, en ten voordeele van hem, die zich bij het contract verbonden heeft. Art. 1163. Hoe algemeen ook de bewoordingen zijn, waar in eene overeenkomst ingerigt is, bevat dezelve echter alleen die za- ken, waar omtrent het blijkt, dat partijen voornemens wa= ren te contracteren. Art. 1164. Wanneer men in een contract een geval heeft uitgedrukt, tot uitlegging der verbindtenis dienende, wordt men niet ge- acht, wan de gevolgen der verbindtenisfen. 22ï acht, daar door den meer uitgeltrekten zin, welken de overeenkomst, in de niet uitgedrukte gevallen, naar regten heeft, te hebben willen beperken, ZESDE AFDEELING. Wan de gevolgen der overeenkomften, ten aanzien van derden, Art. 1165. Overeenkomften zijn alleen van kracht tusfchen de com- cterende partijen.—- Dezelve kunnen het regt van eenen len niet verkorten, noch denzelven eenig voordeel aans brengen, dan in de gevallen, bij Artikel raor vermeld. Art. 1166. Niettemin kunnen de fehuldeifchers alle regten en actiën wan hunne fchuldenaren uitoefenen; uitgezonderd de zooda= nige, die bij uitfluiting den perfoon van den fchuldenaar bee LC Art. 1167. De fehuldeifchers kunnen ook, op hunnen eigen naam, opkomen tegen de daden, welke hun fchuldenaar, ter ver- korting van hun regt, gepleegd heeft, Niettemin moeten zij, ten aanzien van hunne regten, in den Titel, van erfvolgingen, en inden Titel, van het hw- swelijks-contracts en van de onderlinge regten der echtgenoo= gen, vervat, zich gedragen naar de regels, welke aldaar zijn wonrsefchreve voorgefchreven, P 4 VIER: : 252 DA Boek, ZIT, Titel, B Hoofdfuk: VIERDE HOOFDSTUK: Van de onderfcheidene foorten van verbindtenisfen. EERSTE AFDEELING. Fan conditioneele of voorwaardelijke verbindtenisfen SL Van voorwaarden in het algemeen, en.…derzelver verfchillende foortene Art. 1168. Eene verbindtenis is conditioneel of voorwaardelijk, wan- neer men dezelve doet afhangen van eene toekomftige en onzekere gebeurtenis, het zij door de verbindtenis op te fchorten, tot dat zoodanige gebeurtenis plaats heeft, door zich aan de verbindtenis te onttrekken, naar gebeurtenis al of niet voorvalt. Art. 1169. Rene cafvele of toevallige voorwaarde is, welke van een Sotiter toeval afhangt, en“geenszins in de magt is van den fchuldeifcher, noch van den fchuldenaar, Arts IO. Eene potestative woorwaarde is, welke de uitvoering der verbindtenis doet afhangen van eene gebeurtenis, welke de eene of de andere der contracterende partijen in zijn‘vermo« gen heeft, om te doen gebeuren of te beletten. Art. 117Ie Eene gemengde voorwaarde is eene zoodanige, die zoo wel van den wil van eene der contracterende partijen, als van den wil van eenen derden afhangt. Art. 1172, Alle voorwaarde, die iets inhoudt, dat onmogelijk, met de goede zeden ftrijdig, of door de wet verboden is, is nietig, en enen Van de onderfcheidene foorten van verbindtenisfèn, 233 en maakt de overeenkomst, welke men daar van heeft doen afhangen, van onwaarde. Art. 1173. e voorwaarde om iets niet te doen’, het welk onmogelijk is, maakt de overeenkomst, onder die voorwaarde aange. gaan, niet van onwaarde, Art. 1174. Alle verbindtenis îs nietig, wanneer zij is aangegaan onde eene voorwaarde, die enkel afhangt van den wil van den ges die zich aan eenen anderen verbindt. Art. 1475. Alle voorwaarden moeten vervuld worden op zoodanige wijze, als de contracterende partijen waarfchijnlijk gewild„en geoordeeld hebben te bedoel! Art. 1176, Wanneer eene verbindtenis aangegaan is, onder voorwaar- de zekere gebeurtenis binnen eenen bepaalden tijd zal voorv wordt die voorwaarde gehouden te ontbreken, als de tijd verloopen-is, zonder dat die gebeurtenis heeft plaats Bed Bijaldien de tijd niet bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden, en dezelve wordt niet ge rekend te ontbreken,‘dan wanneer het zeker is, dat de ge- beurtenis geene plaats zal hebben. Art. 1177. Wanneer eene verbindtenis aangegaan‘is, onder voorwaar= de, mits zekere zaak binnen eenen bepaaldeu tijd niet ge. beure, wordt de voorwaarde gehouden voor vervuld, wanneer die tijd verloopen is, zonder dat de bedoelde zaak gebeurd is. Het zelve heeft insgelijks plaats, indien het vóór het verloop des tijds zeker is, dat de, gebeurtenis geene plaats zal hebben Geen tijd bepaald zijnde, is de voorwaarde niet vervuld, eer het zeker is, dat de bedoelde zaak niet zal ge« beuren, Art. 11784 D: voorwaar: le wordt gehouden voor vervuld, wanneer de fehuldenaar,* die zich onder dezelve verbonden heeft, de jorzaak is, dat zij niet is vervuld geworden. Art. 1179. De voorwaarde vervuld zijnde, heeft eene te rug werkende t, tot den tijd, dat de overeenkomst is aangegaan. In« diea de felfuldeifcher voor de vervulling der voorwaarde gee ftorven is, gaan zijne regten over op zijnen erfgenaam. Pp 5 Art, 1180, 234 MT. Boek, HI. Titel, IV. Hoofdtuks Art. 1180, De fchuldeifcher kan, vóór de vervulling der voorwaarde, die middelen in het werk ftellen, welke tot behoud van zijn tegt noodig zijne 4 S IL Van de opfchortende voorwaarde, Art. 1181. Fene verbindtenis, aangegaan onder eene opfchortende voor= waarde, is die gene, welke afhangt, of van eene toekom» flige en onzekere gebeurtenis, of van eene reeds gebeurde, doch aan de contractanten nog onbekende zaak. In het eerfte geval, kan de verbindtenis niet ten uitvoer gebragt worden, dan na dat de gebeurtenis heeft plaats ge- had. in het laatfte geval, heeft de verbindtenis kracht van den dag af, dat dezelve is aangegaan. Art. 1182. f Wanneer eene verbindtenis is aangegaan, onder eene op» Schortende voorwaarde, blijft de zaak, welke het onderwerp der. overeenkomst uitmaakt, voor rekening van den fchulde- naar, die zich verbonden heeft die zaak niet eerder te leve- ren, voor dat de gebeurtenis heeft plaats gehad, welke bij de ‚ voorwaarde bepaald is. Indien de zaak geheel en al vergaan is„ buiten toedoen van den fchuldenaar, is de verbindtenis te niet. Indien dezelve verërgerd is buiten toedoen wan den fchul- denaar, heeft de fchuldeifcher de keus, om of de verbindte- nis te verbreken, of de zaak te eifchen in dien ftaat, in welken zij zich bevindt, zonder eenige vermindering van den uitgeloofden prijs. Indien de zaak verërgerd is door toedoen van den fchulde= naar, heeft de fchuldeifcher het regt, om, of de verbindte- nis te verbreken, of de zaak te eifchen in dien ftaat, in welken zij zich bevindt, met vergoedlag van fchaden en ins teresfen, út Van de onderfcheidene foorten van verbindtenisfen. S HIL Van de ontbindende voorwaarde: Art. 1183, Eene ontbindende voorwaarde is die gene, welke na hare “vervulling de herroeping of vernietiging der verbindtenis te weeg brengt, en de zaken weder in den vorigen ftand brengt, even als of er geene verbindtenis beftaan had. Deze voorwaarde fchort de nakomirg der verbindtenis niet op, zij verpligt alleen den fchuldenaar, om het ontvangene te rug te geven, in geval de bij de voorwaarde bedoelde ge- beurtenis plaats* heeft. Art. 1184. Eene ontbindende voorwaarde wordt in contracten, die we. derzijds verbindende zijn, altijd weronderfteld plaats te grij- pen, in geval ééne der contracterende partijen aan de vers bindtenis niet mogt voldoen, In dit geval, wordt het contract uit krachte van de wet zelve niet ontbon den. De geen, ten wiens opzigte de ver« s niet nagekomen is, heeft de keus, om‘ef den an« bInaten En se deren tot nakoming der overeenkomst te noodzaken, indien zulks mogelijk is,‘of om de ontbinding van het contract te eifchen, met vergoeding van fchaden en interesfen. ontbinding moet in regten geëischt worden, en kan in dat geval aan den verweerder, naar gelang der omftandighe- den, eenig uitftel verleend worden. TWEEDE AFDEELING. y KT Van verbindtenisfen op tijde Art. 1185, Eene tijdsbepaling verfchiit van eene voorwaarde daar in, dat de eerstgemelde de verbindtenis niet opfchort, maar de uitvoering flechts verfchuift. Art. 1 186. 236 WI, Boek, HI. Titel, IV. Hoofdfluk, Art. 1186. 7 Het geen alleen op tijd verlchuldigd is, kan niet geëischt worden, voor dat de bepaalde tjd verfchenen is; doch het geen bij voorraad betaald is, kan niet te rug geëischt wore den, Art. 1187. De tijdsbepaling wordt altijd weronderfteld, bij cene overe eenkomst gevoegd te zijn ten voordeele van den fchuldenaar, ten ware uit den aard van het beding zelve, of uit de om. ftandigheden voortvloeit, dat de tijdsbepaling ook ten voor« deele van den fchuldeifcher gedaan is. dart. IGOn Een fchuldenaar kan het voorregt eener bijgevoegde tijds- bepaling niet meer inroepen, wanneer hij bankbreukig gewor- den is, of wanneer door zijn toedoen, de door hem, vole gens contract, voor de voldoening der fchuld geftelde zeker- heid verminderd is. DERDE AFDEELING. Van alternative verbindtenisfens Art, 1189. De fchuldenaár van eene alternative verbindtenis wordt be= vrijd door de levering van eene der beide zaken, welke inde verbindtenis vervat zijn. . Art. 119o, De keus behoort aan den fchuldenaar, zoo dezelve niet uits drukkelijk aan den fchuldeifcher is toegeftaan, Art. 119r. De fchuldenaar kan zich bevrijden, door eene der beloofde zaken te leveren; doch hij kan den fchuldeifcher niet dwin= gen, om een gedeelte van de eene, en een gedeelte van de andere zaak aan te nemen, Art. 1192. Eene verbindtenis is zuiver en eenvoudig, fchoon dezelve op eene alternative wijze is aangegaan, indien eene van de twee beloofde zaken geen onderwerp van de vwerbindtenis heeft kunnen zijn, Art. 1193. a OD Wan de onderfcheidene foorten van verbindtenisfen. 937 Art. 1193. Eene alteraative” vefbindtenis, wordt. zuiver em eenvoudig, wanneer eene der beloofde zaken vergaan is, en niet meer geleverd kan worden, al ware het ook door toedoen van den fchuldenaar, De waarde der vergane zaak Kan in derzelvet plaats niet aangeboden worden. Indien beide zaken vergaan zijn, en de fchuldenaar ten aanzien van eene derze Ive in verzuim is, moet hij de waarde betalen van die zaak, welke het laatfte te niet gegaan is. ENDE: I194e Indien, in de gevallen bij het voorgaande Artikel vérmeld, bij overeenl omst, de keus aan den fchuldeifcher gelaten is, moet de fchuldeifcher, wanneer flechts eene der zaken ver- gaan is, en zulks buiten toedoen van den fchuldenaar, de zaak hebben, die overge bleven is; doch als de fchuldenaar in verzuim is, kan de fchuldeifcher de zaak vorderen, die overgebleven is, of wel de, waarde van de zaak, die vers gaan is. Wapneer beide zaken vergaan zijn, en de fchuldenaar, ten aanzien van die beiden, de zelfs ten aanzien van eene van beiden, in verzuim is, kan de fchuldeifcher de waarde van de eene of van de andere zaak vorderen, naar zijne keuze, Art. 195. Wanneer beide de beloofde zaken, zonder toedoen van den {chuldenaar, en eer hij in de levering nalatig was, vergaan zijn, is de verbindtenis vervallen, overe enkom{tig Artikel 1302. ’ Art. 1196. 8 Dezelfde grondbeginfelen zijn toepasfelijk op de-gevallen; dat meer dan twee zaken in eene alternative verbindtenis zijn vervat, … III. Boek, HIL. Titel, IV, Hoofifuk, VIERDE AFDEELING, Van folidaire verbindtenisfens SL Pan de kracht van folidatre verbindtenisfen cc opzigse der fchuldeifchers. Art. 1197. Eene folidaire verbindtenis heeft tusfchen verfcheiden fchuld- tifchers plaats, wanneer de titel of het contract uitdrukkelijk aan een ieder der fchuldeifchers het regt geeft om de voldoe- ning der geheele fchuld te eifchen, en wanneer de voldoe- ning, aan één van hun gedaan, den fchuldenaar bevrijdt, of« fchoon het voordeel der verbindtenis tusfchen de verfcheiden fchuldeifchers deelbaar zij. Art. 1198. Het ftaat aan de keuze van den fchuldenaar, om aan eef? of ander der fchuldeifchers te betalen, zoo lang hij niet doot een van hun tot voldoening in regten is aangefproken. Echter bevrijdt de kwijrfchelding, door één der folidaire fchuldeifchers gedaan, den fchuldenaar niet verder, dan voor het aandeel van den fchuldeifcher, die de fchuld kwijt gee Scholden heeft: Árt. 1199: Alle daden„ waar door verjaring ten aanzien van een def folidaire fchuldeifchers geftuit wordt, flrekken tot voordeel der verdere fchuldeifcherss er IE Wan de onderfcheidene foorten van verbindtenisfen. u 39 SIL Van de kracht van folidaire verbindtenisfen ten op. zigte der fchuldenaars, Art. reoo. Solidaire de zijde der fchuldenaren heeft plaats, wanne verpligt zijn tot eene en dezelfde zaak, zoo hun voor het geheel ter voldoening Ì] en worden, en dat de voldoening, door één leen gedaan, de overige Tebuldentlar s ten aanzien :huideifcher bevrijdt. Art. 1aor. Eene folidaire vetbindtenis beftaat, alhoewel een der fchuts denaars op eene verfchillende wijze, dan de andere, tot beta« ling van dezelfde zaak verbonden is: bij voorbeeld; wanneer de eene der fchuldenaars onder voorwaarde verbonden is terwijl de verbindtenis van den ander zuiver en eenvoudi ig is of wanneer de eene heeft genomen eene tijdsbepaling gs welke aan de andere niet is toegeftaan. Art. 1203, Eene folidaire vwerbindtenis wordt niet geprefumeerd; de= zelve moet uitdr piste bedongen worden. Deze regel lijdt geene uitzondering, dan in de gevallen, waar in eene verbi ndtenis van zelf; uit krachte van eene bepaling der wet, voor folidair gehouden wordt. Art. 1903. De fchuldeisfcher van eene folidaire verbindtenis kan zich vervoegen aan dien genen der fchuldenaren, welken hij wil verkiezen, zonder dat deze em het voorrest van fchulde {plitfing tegenwerpen kan. lernt ® De 9 je vervolgi al ï fch huldenaren onder nomen, verhi leren den fchuldeifcher niet, om ook tegen de ander; doen gelden. Indien de verfchuldigde de de nalati of geduren. ghei ai fchuldenaren, vergaan Fn zi de andere me chuldenaa ars niet ontflagen istis hèt” voldoen van de waarde de ef iet gehouden tot vergoeding er zaak 5 doch fchaden en inj ee, = 240 ZIT, Boek, HIL, Titel, IP Hoofdfluk:„ De fchuldeifcher kan flechts de vergoeding der fchaden en interesfen verhalen, zoo op de fchuldenaren, door wier toe« doen de zaak vergaan is, als op de genen, die in de vols doening nalatig zijn geweest. Art, 1206, Eene vervolging of aanfpraak, tegen één der folidzire fchuldenaren gedaan, fluit de verjaring ten aanzien van alle de overigen. Art. reo7. Fe De eisch tot interesfen, gedaan tegen éénen der olidaïre fchuldenarens maakt, dat de interesfen loopen tegen alle de mede-fchuldenaren, Art. 1208. Een folidaire mede-fchuldenaar, door den fchuldeifcher i regten aangefproken zijnde, kan zich bedienen van alle ex- ceptiën, die uit den aard der verbindtenis woortfpruiten; zoo wel die hem perfoonlijk eigen zijn, als die, welke aaf alle de mede-fchuldenaren gemeen zijn. Hij‘kan geene exceptiën tegenwerpen, ‚die enkel aan de perlonen van fommigen der andere mede-fchuldenaars eigen zijne Art. 1209. Wanneer één der fchuldenaars eenige erfgenaam wordt van den fchuldeifcher, of wanneer een fchuldeifcher eenige erfgenaam wordt van éénen der fchuldenaren, doet deze vere menging de folidaire fchuld niet vervallen, dan alleen voor zoo veel het aandeel en de portie van den fchuldenaar of fchuldeifcher betreft. Art. 1210, De fchuldeifcher, welke in de verdeeling der{chuld, ten aanzien van één der folidaire fchuldenaren, toegeltemd heeft; behoudt zijne folidaire actie tegen de overige fchuldenaren, doch onder aftrek van het aandeel van dien fchuldenaar 4 welken hij van de folidaire verbindtenis ontflagen heeft. Art. I2ile Fen fchuldeifcher, die het aandeel van één der fchuldena, ren afzonderlijk ontvangt» zonder, bij zijne gegevene quitan= tie, zijne regten op de folidaire fchuid, of ook ín het alge- meen, voorbehouden te hebben, ziet niet af van zijn regt op de folidaire fchuld, dan alleen met betrekking tot dezen fchuldenaar. Een fchuldeifcher wordt niet geacht van zijn folidair regt 4 ten behoeve van eenen fchuldenaar, afgezien te hebben; wanneer hij van denzelven tene gelijke fomme ontvangt als zijn zij tl SS ien en 5 CD et ten Van de oitderfcheidene fourterd Van berbinttenisfen. Hat zijn Aandeel in de fchuld bedraagt, indien de gegevene kwi- tantie niet inhoudt, dat het tot voldoening van zijn aandeel in de fchuld verftrekken zoude. Ì Het zelfde heeft plaats omtrent den eisch tegen één der mede-fchuldenaars, enkel woor zijn aandeel gedaan, indiert de fchuldenaar in den eisch niet berust heeft, of daar op geene regterlijke coudemnatie gevolgd is. Ke] Art. 1a1s,. E cher, die het aandeel van eenen der medè- fchul de achterftaliige renten of interesfen van de fchul onderlijk en zonder voorbehouding Ontvangt, ver= liest, met opzigt tot dezen fchuldenaar, het folidaire regt niet, dan voor zoo veel de achteiffallige renten en interesfen Betreft, en niet ten aanzien der renten én intereslen, welke nog uiet verfchenen zijn, nóch ten aanzien van de hoofd- fom, ten ware die afzonderlijke voldoening, gedurende den tijd van tien achteteen volgende jaren, miogt hebben voorts geduurd. Art. 1913. Eené verbindtenis, fchoon folidair aangegaan zijnde ten aanzien van den fchuldeifcher, is noëtaus uit haren aard tusfchen de fchuldenaren deelbaar, welke onder elkander niet verder, dan ieder woor zijn aandeel en portie in dezelve, ge. houden zijn. ATG nod De mede-{chuldenaar van eene folidaire fchuld, die dezelve geheel voldaan heeft, kan van de overigen niet meer terug vorderen, dan het aandeel en de portie van ieder hunner bedraagt, e Indien één der mede-fchuldenären infolvent is, wordt het verlies, door zijne infolwentie veroorzaakt, bij omflag vere deeld, tusfehen de overige folwente imede-fchuldenâren, en den genen, die de geheele fchuld. voldaan heeft. Alte Tors. Ingeval de fchuldeifcher, ten aanzien van eenen der fchuie denaren, van dé folidaite actie afltand gedaan heeft, en één of meer van de overige imede-fchuldenaren infolvent wordens wordt het aandeel der infolventen bij omflag verdeeld tis: fchen alle de fchuldenaren; zelfs tusfchen die gcuen; welke bevorens door den fehuideifcher van de folidaîre verbindténis Ontflagen-waren. Art. í216. Indien de zaak, wâar Omtrent de fchuld fotidir gecontrac- teerd is,(lechts Één van de folidaire mede. verbondenen aans Q gaat 5 en EN nr 3$ ER nn vim Ne NN : zr HIT. Boek, II. Titel,[V. Hoofdftuk. gaat, zal deze gehouden zijn voor‘de geheele fchuld, ten aanzien der andere mede-fchuldenaren, die ten zijnen ops zigte befchouwd worden als zijne borgen, VIJFDE AFDEELING. Wan deelbaare en ondeelbare verbindtenisfen.l Art. 1217. Eene verbindtenis is deelbaar of ondeelbaar, naar maté dezelve ten onderwerp heeft, of eene zaak, die in hare leve- ring, of eene daad, die in de uitvoering, al of niet vatbaar is woor verdeeling, het zij dezelve ligchaamlijk of onlig= chaamlijk zij. Art. 1218. Eene verbindtenis wordt voor ondeelbaar gehouden, ofs fchoon de zaak of de daad, welke zij tot onderwerp heeft, uit haren aard deelbaar zij, indien de natuur. der verbindtenis dezelve niet vatbaar maakt voor eene gedeeltelijke uitvoering, Art. 1219. Het folidaire eener verbindtenis geeft aan dezelve geenszins het kenmerk van ondeelbaarheid, ze gd,. Wan de gevolgen der deelbare verbindtenise Art. 1220, De verbindtenis, die voor verdeeling vatbaar is, moet teù uitvoer gebragt worden tusfchen den fchuldeifcher en den fchuldenaar, even als ware. dezelve ondeelbaar. De deel- baarheid kan alleen tvegepast worden ten opzigte van hunne erfgenamen, die geene fchuld eifchen mogen, en niet vere pligt zijn te betalen, dan voor het aandeel, waar van zij in het bezit zijn of waar toe zij, als den fchuldeifcher of den Schuldenaar vertegenwoordigende, gehouden zijn. Art. reesà Van de onderfcheidene foorten van verbindtenisfen, 248 ] 85 CAJ ten Ank. Taal. Kf Het grondbeginfel, in het vorig Artikel vastgefteld, lijde uitzondering ten opzigte van de erfgenamen van dên fchul. denaar: 1°. Ingeval de fchuld hijpothecair is 3 2°, Wanneer zij in een zeker bepaald goed beftaat 3 39, Ten opzigte van eene aiternative fchuld van goede= ren ter keuze van dên fchuldeifcher, waarvan de eene onverdeelbaar is 4°. Wanneer één der erfgenamen alleen belast is, bij den 4 titel, met de uitvoering van de verbindtenis 5 Mie 5° Wanneer het blijkbaar is, het zij uit de natuur van AE het contract, het zij van de zaak, die er het ondere gak werp van uitmaakt, het zij uit het oogmerk, dat men q zich voorgefteld heeft in het contract, dat de bedoe. ling der contraCtanten geweest is, dar de fchuld niet bij gedeelten zoude kunnen voldaan worden, é In de drie eerfte gevallen mag de erfgenaam, die in het at bezit is. der verfchuldigde zaak, of vän het goed, dat voor de Schuld verpand is, vervolgd worden woor het geheel op de ‘verfchuldigde zaak of op het verpande, goed 3 behoudens het verhaal tegen zijne. mede-erfgenamen. In het vierde geväl mag de erfgenaam alleen met de fchuld belast, en ín het vijfde geval, elke erfgenaam ook vervolgd worden voot het geheel; behoudens zijn verhaal tegen zijne mede. erfge« namen. S IL. Van de gevolgen eener ondeelbare verbindtenis. teld Art. 122. den© Een iegelijk der genen, die gezamenlijk eene ondeelbare eel Pfchuld aangegaan hebben, is aanfprakelijk voor het geheel mé fal ware het zelfs, dat de wefbindtenis niet folidair aangegaan i WaSe Art. 1223, Het zelfde heeft ook plaats, ten opzigte der erfgenamen van den genen, die eene dergelijke verbindtenis aangegaan heeft, d: Q a Art. 12244 244 HIL. Boek, IÌL. Titel, IP, Hoofdftuk. Art. I224. Elk erfgenaam van den fchuldeifcher kan in zijn geheel de uitvoering vorderen der ondeelbare verbindtenís. Hij kan alléén geene kwijtfchelding doen van het geheel der fcvuld; hij kan alleen de waarde, in plaats van de zaak, niet ontvangen. Indien één der erfgenamen alleen de fchuld heeft kwijtges fcholden, of de waarde der zaak ontvangen heeft, mag zijn mede-erfgenaam de ondeelbare zaak niet eifchen, dan mits rekening doende van het aandeel van den mede-erfge- naam, die de“kwijtfchelding gedaan, of de waarde ontvan gen heeft. Art. 1225. De erfgenaam van den fchuldenaar, voor de geheele ver- bindtenis gedagvaard zijnde, kan uicftel vragen, om zijne mede-erfgenamen in het proces te brengen, ten zij de fchuld van dien aard is, dat zij niet voldaan kan worden, dan door den gedagvaarden erfgenaam, die alsdan alleen tot de voldoening kan verwezen worden; behoudens zijn verhaal tot fchadevergoeding tegen zijne mede-erfgenamen. ZESDE AFDEELING. Van verbindtenisfen, met beding van penaliteit. Art. 1226. Het beding van pcenaliteit is zoodanige voorwaarde, waat door iemand, tot zekerheid van de uitvoering eener Over: eenkomst, zich, in geval van nalatigheid, tot iets verbindt. Art. 1227. De nietigheid der hoofd-verbindtenis maakt ook het be: ding van pcenaliteit nietig. Doch de nietigheid van het beding van, poenaliteit heeft geenszins de nietigheid der hoofd-verbindtenis ten gevolge. Art. 1228. De fchuldeifcher kan, in plaats van de bedongene poenar liteit tegen den fchuidenaar, die nalatig is, te vorderen, de nne der hoofd-verbindrenis van den fchuldenaar ek chen. Art. 1229 ee van erbin De zis,€ den t van He vatte want te le doen D Kef. Van de onderfcheidene foorten van verbindterisfen. aas Art. 1229. Het beding van poenaliteit ftrekt in plaats van vergoeding van kosten, fchaden en interesfen, welke de fchuldeifcher lijdt, door het achterblijven der voldoening van de hoofd: verbindtenis. De fchuldeifcher kan de voldoening der hoofd-verbindte- 8 nis, en de voldoening der pcenaliteit niet te zamen, en bes U gen te gelijk vorderen, ten zij deze op de enkele vert | van de hoofd-verbindtenis gefteld was. Art, 1230, racin va ‚ Gal VN Het zijde oorfpronkelijke verpligting bevatte, of viet be- vatte eene tijds-bepaling, binnen welke dezelve moest ver- vuld zijn, kan de pcenaliteit niet gevorderd worden, dan kWh wanneer de geen, die zich verbonden heeft, het zij om iets te leveren, het zij om iets te nemen, het zij om iets te UE doen, daar in nalatig gebleven is. Bi Art. ro3t. De pcenaliteit kan verminderd worden door den reg- UA ter, wanneer de hoofd-verbindtenis ten deele is ten uitvoer ge bragt. Art. 1232. 3 Vanneer de oorfpronkelijke verbindtenis, met beding van cenaliteit aangegaan, eene ondeelbare zaak ten onderwerp € r beelt, is de pcenaliteit verfchuldigd door de overtreding van én der erfgenamen van den fchuldenaar, en zij kan gevor- derd worden, het zij voor het geheel van den geen, die tegen de verbindtenis gehandeld heeft, of van elk der mede- erfgenamen voor zijn aandeel en portie, en uit krachte van hijpotheek voor het geheel, behoudens hun verhaal op den geen, die oorzaak gegeven heeft, dat de pcenaliteit vere beurd ís, Art. 1233. Wanneer de oorfpronkeliijke verbindtenis, met beding van peenaliteit aangegaan, deelbaar is, wordt de pcenaliteit alleen verbeurd door‘den genen der erfgenamen yan den fchuldes naar, Welke tegen die verbindtenis*handelt, en alleen voor the zoo veel zijn aandeel in de hoofd-verbindtenis betreft, zon- oee der dat er eenige actie tegen de genen, die de werbindtenis nagekomen hebben, beftaar. «Deze regel lijdt uitzondering, wanneer het beding van f'pcenaliteit bij de verbindtenis gevoegd zijnde, met oogmerk, dat de betaling niet anders, dan gedeeltelijk konde gedaan worden, één der mede-erfgenamen de nakoming der ver- biodtenis in deszelfs geheel verhinderd heeft, In dit gevat E Q 3 kan 246 ZIT. Boek, III. Titel, U. Hoofdftuk, kan de geheele poenaliteit van hem geëischt worden, eén van de andere mede-erfgenamen, alleenlijk voor derzelver aan= deel, behoudens hun regt van verhaal. VIJFDE HOOFDSTUK, Op welke wijze verbindtenisfen te niet gaan. Art. 1234. Verbindtenisfen gaan te niet Door betaling; Door novatie of fchuldvernieuwing 3 Door vrijwillige kwijtfchelding van fchuld; Door compenfatie; Door confufie of fchuldvermenging 5 Door het vergaan van de verfchuidigde zaak 3 Door vernietiging of rescisfie; Door de werking, of ten gevolge eener ontbindendef_ voorwaarde, welke in het vorige Hoofdftuk is uite gelegd 5 Door prefcriptie of verjaring, welke het onderwerp| van eenen afzonderlijken Titel zal uitmaken, wi Op welke wijze verbindsenisftn te niet gaan, 247 EERSTE AFDEELING, Van betaling, SL Art. 1235. Alle betaling veronderltelt eene fchuld: het geen onver= betaald is, kan te rug geëischt worden. De terugvordering wordt niet toegelaten, ten opzigte van natuurlijke verpligtingen, waar aan men vrijwillig woldaan heeft. Art. 1236, Eene verbindtenis kan voldaan worden do oor een ieder, die. daar bij belang heeft, gelijk een mede-fchuldenaar of cen borg« Eene fchuld kan zelfs voldaan worden door eenen dere den, die daar bij geen belang heeft, mits deze handelt in paam en tot kwijting van den fchuldenaar, of, indien hij in zijn eigen naam handelt, zonder cesfie van actie van den fchuldeifcher tegen den{chuldenaar te. nemen. Art. 1937. Eene verbindtenis om iets te doen, kan door eenen der- den niet voldaan worden tegen wil en dank van den fchulde eifcher, indien deze belang heeft,-dat de verbindtenis door den fchuldenaar zelve voldaan worde. Art. 1238. Om betaling van waarde te doen zijn, rif men eigenaar zi n van de zaak, die in betaling gegeven wordt,en bevoegd om dezelve te vervreemden. Niettemin kan de betaling van eene fomme, beftaande in gereed geld, of in eenige andere zaak, die door het gebruik te niet gaat, niet te rug gevorderd worden wan den fchuld- eifcher, die het mm voldoening gegevene. ter goeder trouw verbruikt heeft: offchoon die betaling gefchied is door ie» mand, die van het gegevene geen eigenaar was, en niet be« voegd om hetzelve te vervreemden, Q 4 Art. 1239 se eder <48_ HE Boek, HI Túsel, W. Hoofduk. NEE 120 De betaling moet gedaan worden aan den fchuldeifcher, of aan iemand, die valgnat van hem heeft, of die door den regter of door de wet geautorifeerd is, om voor hem te ontvangen. 5} De betaling, gedaan aan iemand, welke de magt niet had om voor den fchuldeifcher te ontvangen, is van waarde, wanneer de fchuldeifcher dezelge goedkeurt of daar bij bes voordeeld is. Art. 1240. De betaling, ter goeder trouw gedaan aan iemand, die in het bezit is der infchuld, is van waarde, ook zelfs, wanneer deze naderhand, door den waren eigenaar, uit dat bezit geftooten wordt. Art. Teár. De betaling, aan den fchuldeifcher gedaan, is niet van waarde, indien deze onbevoegd is, om dezelve te ontvan- gen; ten zij de fchuldenaar bewijst, dat het betaalde tot voordeel van den fchuldeifcher ge(trekt heeft, Art. 1o42. De betaling, door den fchuldenaar aan den fchuldeifcher gedaan, in weerwil van een arrest of oppofitie, is niet van waarde ten aanzien van de fchuldeifchers, die het arrest of de \oppvfitie gedaan hebben: dezelve kunnen, naar aanleiding van hen regt, hem noodzaken, om op nieuw te beralen; be= houdens, in dit geval alleen, des fchuldenaars verhaal op den fchuldeifcher. Art. roqg. Geen fchuldeifcher kan verpligt worden, iets anders in betaling aan te nemen, dan het geen hem verfchuldigd is, offehoon het aangebodene van gelijke of zelfs van meerdere waarde zij, Art. 1244» Geen fchuldenaar kan den fchuldeifcher verpligten; om de betaling van eene fchuld bij gedeelten te ontvangen, zelfs niet wanneer de fchuld deelbaar is. Niettemin mogen de regters, in ek van des fchuldenaars gefteldheid, en mits zij van dit vermogen met gese groote omzichtigheid gebruik maken, een matig uitftel tot het doen der betaling toeftaan, en de executie der vere volging in regten fchorsfen; alles nogtans blijvende in den gelfd den flaat, Art. 1245. Op welke wijze verbindtenisfon te niet gaan. a4g Art. roas. de fchuldenas a akere en bepaald ait ee Je 1CNUIaenaar van eene zekere en vEPaAlde Zaak Is van zijne fchuld ontheven, door die zaak over té geven in dien ftaat, waar in zij zich ten tijde der levering bevindt,“mits de verminderingen, welke dezelve ondergaan mogt hebben, niet door zijn toedoen of verzuim veroorzaakt zijn, noch ook door de fchuld of het verzuim van zodanige perfonen, voor wien hij verantwoordelijk is, of na dat hij in het doen der overgifte nalatig gebleven was. ' Art. 1246. Indien de zaak, welke verfchuldigd is, alieenlijk ten aan- ) zien van hare foort bepaald is, is de fchuldenaar, om zich van de fchuld te ontheffen, niet, verpligt het beste in beta- ling te geven; maar hij kan aok niet volltaan met he flechtfte te geven. Art. 1247. De betaling moet gedaan worden op de plaats, bij de overeenkomst bepaald. Geene bepaling omtrent de plaats gemaakt zünde, moet de voldoening, ten aanzien van eene zekere en bepaalde zaak, gedaan worden ter plaatfe, waar ( 1 F t dezelve zich bevond, toen de overeenkomst gefloten werd. 1 Buiten deze twee gevallen moet de betaling gedaan wore N den op de woonplaats van den fchuldenaar. Art. 1048. De kosten, op de betaling vallende, komen tot laste van den fchuldenaar. ij SI. Van betaling met furrogatie. Art. 1o4g. De furrogatie in de resten van: den fchuldeifcher, ten 5 voordeele van eenen derden perfoon, die denzelven betaalt, f geïchiedt of bij overeenkomst, of uit kracht van de wet, Art. I250, Deze furrogatie gefchiedt bij overeenkomst Ln en 19. Wanneer de fchuldeifcher, zijne betaling van eenen derden ontvangende, denzelven furrogeert in de reg- ten, actiën, preferentien, of hijpotheken, welke hij 5 tot wamre vee geene ene Uit De zoo wel plaats ten aanzien van de borgen, denaars: zij kan den fchuldeifcher in zijn regt niet verkore ten js hij bevoegd zijn regt, ten aanzien van het te kort ko- mende, uit te oefenen, bij preferentie boven den genen, vn wien hij flechts cerne gedeeltelijke voldoening bekomen heeft. {IL Boek, III. Titel, V. Hooflfluk. tot laste van den fchuldenaar heeft: deze furrogatie moet uitdrukkelijk en gelijktijdig met de betaling ge= {chieden; Wanneer de fchuldenaar eene fomme gelds opneemt, ten einde zijne fchuld daar mede te voldoen, en te- vens den geldfchieter in des fchuldeifchers regten te furrogceren. Om deze furrogatie van waarde te doen zijn, moeten de acte van geldopneming en de quitan- tie voor notarisfen gepasfeerd worden; in de acte van geldopneming moet verklaard worden, dat de fomme ter leen is opgenomen, om daar mede de betaling te doen, en de quîtantie moet inhouden, dat de beta- Jing gedaan is uit de'penvingen;, die tot dat einde door den nieuwen fchuldeifcher zijn voorgefchoten. Deze furrogatie kan gefchieden, zonder dat de fchuld= eifcher zijne toeftemming daar toe geeft. Art. 1251. krachte van de wet heeft furrogatie plaats: Ten behoeve van den genen, die, zelf fchuldeifchet zijnde, eenen anderen fchuldeifcher, die, uit hoofde van preferentie of-hijpotheek, een beter regt heeft; voldoet 5 Ten behoeve van den genen, die eenig onroerend goed door koop bekomende, den prijs daar van befteedt tot betaling der fchuldeifchers, aan vien dat goed door hijpotheek verbonden was; Ten behoeve van den geen, die, met anderen of voor anderen gehouden zijnde tot voldoening van eene fchuld, belang had om dezelve af te doen; Ten behoeve van eenen erfgenaam, die, eene erfenis onder beneficie van inventaris aanvaard hebbende, de fchulden der nalatenfchap met zijne eigene penningen voldaan heeft. Art. 1252. furrogatie, bij de voorgaande Artikelen bepaald, heeft als van de fchule vv wanneer hij(lechts gedeeltelijk voldaan is; in dit geval S IL Op welke wijze verbindrenisfen te nies gaan, 253 Ss. UL Van toerekening der betaling. Art. 1053, De fchuldenaar van verfcheideu fchulden heeft het regt; ym bij het doen der betaling zich te verklaren, tot voldoe- ning van welke dier fchulden hij de betaalde fomme wil doen verftrekken, a Art. 1254. De fchuldenaar van eene fchuld, die op interesfen loopt, of 1 achterftallige renten oplevert, kan, zonder de toeftemming van den fchuldeifcher, de betaling, welke hij doer, niet tot aflosfing van de hoofdfom, bij voorkeur boven de achter« ftallige tenten of inte eresfen, doen vertrekken: betaling Op de hoofdfom en de interesfen en zijnde, maar waar me le de geheele fchuid niet wordt fgedaan, wordt Birch in de eerfte plaats tot voldoening TE verfchul ldigde” interes» fen gedaan te zijn, Art. 1255. _ Wanneer de fchuldenaar van verfcheiden fchulden eene ie aangenomen heeft, waar bij de fchuldeifcher ver- klaa rd heeft, dat het bij hem ontwangene tot voldoening van ééne der fchulden in het bijzonder verftre ekt, kan die fchul denaar niet meer vorderen, dat de betaling gerekend wordt, in betaling van eene andere fchuld gedaan te zijn, ten zj er, van de zijde van den genua bedrog of verrass fching mogt hebben plaats gehad, Art. 1256. Indien de kwitantie niet inhouit, tot voldoeni Ung van wel. ke fchuld de betaling gedaan is, moet de betaling gerekend worden gedaan te zijn in voldoening van die fchuld, welke de fchuldenaar, onder de te gelijk vervalleve Cchulden, des- tijds het meeste belang had te voldoen; doch, indien de Í denaar daar bij geen bijzonder belang mogt hebben, wordt de betaling geacht gedaan te zijn in voldoening der fchuld, die vervallen was, boven de noe niet vervallene; offchoon deze eerfte minder bezwarende zijn mogt, dan de andere, p schi ich u Ine ez ZIJ. Boek, HIL. Titel, V. Hoofdftuk. Indien de fchulden ván gelijken aard zijn, moet de toeres kening op de oudft: gedaan worden; doch‘alles gelijk(taan= „de, gefchiedt de toerekening op elke fchuld, naar evenre= digheid, S IV. Van aanbod van betaling en confignatte. Art. 1257. Wanneer de fehuldeifcher weigert de voldoening te ont= vangen, kan de fchuldenaar hem dadelijk het verfchuldigde aanbieden, en bij weigering van den fchuldeifcher, om het zelve aan te nemen, de aangebodene fomme gelds, of zaak configneren. Een dadelijk aanbod, gevolgd van eene confignatie, bee vrijdt den fchuldenaar, en ftrekt ten zijnen opzigte tot vole doening, mits het zelve op eene wettige wijze gedaan is 5 blijvende het als dan in confignatie gebragte voor rekening van den fchuldeifcher. Art. 1258. Op dat zoodanige dadelijke aanbiedingen wan waarde zijn, is het noodig: 19, Dat dezelve gedaan worden aan eenen fchuldeifcher, die bekwaam is om te ontvangen, of aan den geen, die volmagt heeft om voor hem te ontvangen; e°. Dat dezelve gedaan worden door iemand, die be- voegd is om te betalen; 8°, Dat dezelve gedaan worden van de geheele verfchul- digde fomme, van de achterftallige renten of interess fen, van de kosten, die opgemaakt en vereffend zijn en van eene zekere fomme gelds voor de kosten, die nog niet opgemaakt en vereffend zijn; behoudelijk 9 dat die fomme, tot effenheid gebragt zijnde, werde aangevuld; 4°. Dat de tijd van betaling verfchenen is, indien de bes paling daar van ten voordeele van den fchuldeifcher gemaakt is; 5% Et 5%, 6°, Op welke wijze verbindtenisfen te nies gaan,_ 933 Dat de voorwaarde, onder welke de fchuld is aange. gaan, vervuld zijs Dat de aanbiedingen gedaan worden ter plaatfe, op welke men is overeengekomen, dat de betaling zou- de gefchieden, en indien er geene bijzondere overe eenkomst wegens de plaats der betaling gemaakt is, dat als dan die aanbiedingen, of aan den perfoon van den fchuldeifcher, of ter zijner woonftede, of aan de woonftede, welke tot de voldoening aan de overeen. komst gekozen is, gedaan worden. arl Dat de aanbiedingen gedaan worden door cenen amb- tenaar van de juflitie,‘welke tot die foorten van werkzaamheden bevoegd is. Art. 1259. Om eene confignatie van waarde te doen zijn, wordt de autorifatie van den regter niet vereischt; het is genoeg- zaam 1° 4°, Dat dezelve voorafgegaan zij van eene fommatie, aan den fchuldeifcher geïnfinueerd, en inhoudende de aanwijzing van den dag, het uur,en de plaats, waar de aangebodene zaak in bewaring zal gefteld wor- den 5 Dat de fchuldenaar zich van het aangebodene ontdaan hebbe, door het zelve ter plaatfe, bij de wet, tot het ontvangen van geconfigneerde zaken bepaald, in bewaring te brengen, met de interesfen tot den dag der confignatie toe; Dat er door den ambtenaar der juftitie een proces- verbaal worde opgemaakt, behelzende den aard der aangebodene zaken, de weigering des fchuldeifchers, om dezelve te ontvangen, ot dat hij tot die ontvangst niet verfchenen is, en eindelijk, heet doen van de confignatie zelve 5 Dat, bijaldien dà fchuldeifcher tot de ontvangst van het aangebodene niet verfchenen is, aan hem het pro= ces-verbaal der confignatie geïnfinueerd worde, met aanmaning, om het geconfigneerde uit de confignatie te ligten. Art. 1260. De kosten op zoodanig dadelijk aanbod, en op de config= natie gevallen, komen ten lasten van den fchuldeifcher, ins dien dezelve weuig is gefchied, Art, 1261, o54 ZIT. Boek, ZIJ. Titel, V. Hoofdfluk. Art. 1261. Zoo lang de fchuldeifcher het geconfigneerde goed niet maar zich genomen heeft, kan de fchuidenaar het zelve te rug nemen; en zoo hij het zelve te rug neemt, worden zijne me- de-fchuldenaren of borgen niet bevrijd, ke Art. 1262. Wanneer de fchuldenaar zelf een regterlijk vonnis verkregen heeft, hect welk in kracht van gewijsde gegaan is, waar bij zijn gedaan aanbod en confignatie goed en van waarde ver- klaard zijn, kan hij, zelfs niet met toeftemming van den fchuldeifcher, het geconfigneerde uit de confignatie te rug nemen„ ín nadeel zijner mede-fchuldenaren of borgen. Art. 1263, De fchuldeifcher, die toegeltaan heeft, dat de fchuldenaar het geconfigneerde goed terug neemt, na dat de confignatie bij een regterlijk vonnis, dat kracht van gewijsde bekomen heeft, was verklaard van waarde te zijn, kan niet meer, om betaling van die fchuld te bekomen, van het regt van pres ferentie of hijpotheek, het welk daar aan vwerknogt was, ge= bruik‘maken; hij heeft geen regt van hijpotheek meer, dan van den dag, waar op de acte, welke de toeltemming inhield; om het geconfigneerde goed te rug te nemen, met de noodige formaliteiten tot het vestigen van cen hijpotheek is voorzien geworden. Art. 1264. À In geval de verfchuldigde zaak beltaat in een zeker goed, het welk geleverd moet worden op de plaats, alwaar het zich bevindt, moet de fchuldenaar den fehuldeifcher doen fommeeren, om het zelve te ontvangen, bij eene acte, die aan zijn perfoon of woonttede, of aan de woonttede, welke tot de volbrenging der verbindtenis gekozen is, geinfinueerd wordt. Déze fommatie gedaan zijnde, en de fchuldeifcher die zaak niet naar zich nemende, kan de fchuldenaar, wanneer hi de plaats noodig heeft, alwaar die zaak zich bevindt, van den regter verlof bekomen, om die zaak op een&@ anderé plaats in bewaring te leggen; Op welke wijze verbindtenisfen te niet goan. 255 S V. Van cesfie of boedel-affland. Art. 1265. Cesfie van goederen, is de afftand, welke een fchuldenaar; ten behoeve zijner fchuldeifchers, van alle zijne goederen doet, wanneer hij zich buiten ftaat bevindt, om zijne fchulá den te betalen. Art. 1266. Boedel-afftand is, of vrijwillig of gere Art. 1267. Een vrijwillige boedel-afftand is die gene, welke de fchulds eifchers vrijwillig aannemen, en die geene andere gevolgen heeft, dan welke uit de bedingen zelve, bij contract tusfchen hun en den fchuldenaar gemaakt, voortfpruiten. Art. 1268, Een geregtelijke boedel-afltand i$ een woorregt, het welk de wet tos Baar: aan eenen fchuldenaar, die ongelukkig is, en ter goeder trouw gehandeld heef}, waar bij hem wordt toe- geltaan, om tot beveiliging van zijn perfoon voor den regter„ ten behoeve van zijne fchuldeifchers, afltand van zijne goe- deren te doen, en zulks niettegenftaande eenige daar tegen ftrijdende bedingen. Art. 1269. Een geregtelijke boed el-afftand geeft aan geenen eigendom; dezelve goederen ten hunuen voorr daar van te trekken tot den Art. 1270» De fchuldeifchers kunnen den niet weigeren, dan in de gevallen die bij de wet zijn uitge. he fchuldeifchers regt, om de en de vruchten toe, zonderd. Dezelve heeft de bevrijding van alle perfoneel arrest of e ij zeling ten gevolge. Voor het overige wordt de fchuldenaar daar door niet vere der bevrijd, dan tot het beloop van de waarde‘der a fgeftane goederen; en ingevalle dezelve onvoldoende zijn gewee st, en ga de(chul enaar la andere goederen verkrijgt, is ge ver- pligt dezelve aan de fchuldeifchers af te ltaan, tot dat de & at chuld ten vollen TWEE. ZI. Boek, II. Titel, V. Hoofdftuks TWEEDE AFDEELING. Van novatie of fchuldvernieuwing. Art. 1a7r. Novatie of fchuldvernieuwing wordt op drieërlije wijze te weeg. gebragt: 1’, Wanneer een fchuldenaar, ten behoeve van zijnet fchuldeifcher, eene nieuwe fchuldverbindtenis aangaat, welke in de plaats gefteld wordt van de oude, die daar door vernietigd wordt; 2®, Wanneer een nieuwe fchuldenaar gefteld wordt in plaats van den ouden, die door den fchuldeifcher onte flagen wordt 5 Be Wanneer, ten„gevolge van eene nienwe overeenkomst, een nieuwe fchuldeif fcher gefteld wordt in de plaats van den vorigen, ten opzigte van welken de fchulde= naar van zijoe verbindtenis ontflagen wordt, Art. 1272. Novatie of fchuldvernieuwing kan alleen plaats hebben tusfchen perfonen, die bekwaam zijn, om met elkander te contracteren. Arts 1273. Novatie of fchuldvernieuwing wordt niet veronderfteld; het is noodig, dat de wil, om dezelve dáár te ftellen, duidelijke uit de acte blijke, Art. 1274 Novatie of fchuldvernieuwing, door het in de plaats ftel- len van eenen nieuwen fchuldenaar, kan gefchieden zonder medewerking van den eerften fchuldenaar. Ait. 1275. Delegatie, waar bij een fchuldenaar aan zijnen fchuldeifcher eenen anderen fchuldenaar geeft, die zich ten behoeve van den fchuldeifcher verbindt, brengt geene novatie te weeg, ZOO de fchuldeifcher niet uitdrukkelijk verklaard heeft, dat het zijne meening is,om zijnen fchuldenaar, die de delegatie ge daan heeft, van deszelfs verbindtenis te ontflaa, Art. 1276. Ee EE ET ES Ji Op welke wijze verbindtenisfen-te niet gaan. 2 er mnl Art. 1276, De fchuldeifcher, zijnen fchuldenaar, die een’ ander gede legeerd heeft, van deszelfs verbindtenis ontflagen hebbende, heeft geen verhaal op denzelven, ingevalle de gedelegeerde fchuldenaar infolvent wordt; ten ware zulks bij de acte van delegatie uitdrukkelijk is voorbehouden, of dat de gedele= geerde(chuldenaar bereids in het openbaar als infolvent be= kend was geweest, of bankbreukig was geworden, op het tijdftip der delegatie. Art. 1277. ing, door den fchuldenaar gedaan, van ies Enkele aan a( Mand, die voor hem betalen moet, brengt geene novatie te weeg. Het zelfde heeft plaats omtrent eene enkele aanwijzing, r door den fchuldeifeher gedaan, van iemand, die voor hem moet ontvangen. Art. 1278. De regten van preferentie en hijpotheek, dan eêne oude fchuld verbonden, gaan niet over op den genen, die in de plaats van den vorigen fchuldenaar gefteld is,ten zij de fchulde eifcher die regten uitdrukkelijk mogt voorbehouden hebben: Art. 1279. Wanneer novatie of fchuldvernieuwing wordt te weeg ge- bragt, door eenen nieuwen fchuldenaar in de plaats van den vorigen te flellen, kunnen de regten van preferentie en hijpo- theek, die oorfpronkelijk aan de infchuld verknocht waten, niet overgaan op de goederen van den nieuwen fchuldenaar. Art. 1280. Wanneer novatie of fchuldvernieuwing tusfchen eenen fchuldeifcher, en één der folidaire fchuldenaren gemaakt is, kunnen de regten van preferentie en hijjpotheek, aan de oude fchuld verknocht, niet voorbehouden worden, dan alleen ep de goederen van den geen, die de nieuwe fchuldverbindtenis aangaat. Art. 1081. Door novatie of fchuldvernieuwing tusfchen den fchuld- eifcher, en één der folidaire fchuldenaren gemaakt, worden de mede-fchuldenaren van hunne verbindtenis ontflagen. Novatie of fchuldvernieuwing, ten aanzien van den pririe cipalen fchuldenaar gemaakt, ontflaat de borgen. Indien echter de fchuldeifcher gevorderd heeft de toetre- ding van de mede-fchuldenaren in het eerfte geval, of die van de borgen in het tweede, blijft de oude fchuldverbind- ) R tenis 958 UL Boek, HIT. Titel, Ve Hoofdftuk. tenis beflaan, indien de mede-fchuldenaars of borgen weiger ren tot de nieuwe fchikking toe te treden. DERDE AFDEELING. Van kwijtfchelding der fchuld, Art. 1282, De vrijwillige te rug gave van een oorfpronkelijk bewijs der fchuld, door eenen fchuldeifcher aan eenen fchuldenaat gedaan, bewijst de kwijtfchelding of bevrijding der fchuld. Art, 1283. De vrijwillige te rug gave van de grosfe van het bewijs der fchuld levert een vermoeden op, dat de fchuld kwijt- gefcholden of voldaan is, onverminderd nogtans het bewijs van het tegendeel. Art. 1984. De te rug gave van een oorfpronkelijk onderhandsch bewijs der fchuld, of van de grosfe daar van, aan één der folidai= re fchuldenaren, heeft het zelfde gevolg, ten voordeele van deszelfs mede-fchuldenaren. Art. 1085. De kwijtfchelding of het ontflag. bij overeenkomst, ten voordeele van eenen der folidaire mede-fchuldenaren toege ftaan, bevrijdt alle de overigen, ten ware de fchuldeifcher uitdrukkelijk zijn regt tegen de laatstgemelden mogt hebben voorbehouden. In dit laatfte geval, kan de fchuldeifcher de voldoening der fchuld niet verder vorderen, dan onder aftrek van het aan« deel van den geen, aan wien hij de fchuld kwijtgefcholden heeft. Art. 1286. De' te rug gave van de zaak, welke voor eene fchuld tot pand der minne gegeven is, is niet genoegzaam, om één kwijtfchelding van fchuld te doen vermoeden, Art. 1287. De kwijtfchelding of het ontflag bij overeenkomst, toege ftaan aan den principalen fchuldenaar, bevrijdt ook de bore gen. Kwijtfchelding of ontflag, aan de borgen toegeftaans bee wrijdt den principalen fchuldenaar niet. en Kwijte Op welke wijze verbindtenisfen te hiet gaon \Q gee Kwijtfchelding ‚of ontflag aan eenen der borgen toegeftaan, ontlast de overige bôrgen niet. Árt. 1288. Het geen een fchuldeifcher van eenen borg ontvangen heeft 4 tot afdoening van zijne borgtogt, moet op de fchuld afgere. kend worden„ en verftrekken tot ontlasting, zoo van den Principalen fchuldenaar, als van de overige borgen. VIERDE AFDEELING: Van compenfatiëé, î" Art. 1289. 4 Waneer twee perfonen wederke erig elka nders fchuldendars zijn, heeft tusfchen dezelven compenfatie pl aats, door welke de beide fchulden worden vernietigd, op de wijze; en in de gevallen, hier na vermeld. Art. EEE Compenfatie heeft alleen uit krachte van de wet van zefve plaats; ook buiten weten der{chuldenaars; de beide fchulden vernietigen elkander over en weder;op het oogenblik, dar zij te gelijk beftaan, ten beloope van derzelver wederkeerig bee dragen: Art. regi. Compenfatie heeft alleenlijk plaats tusfchen twee EE den, die beïde ten onderwerp hebben eene geldfomme, of eêne zekere hoeveelheid van zaken, die door het Beh ziik al vergaan, van dezelfde zoort, en wederzijds liquide en vera OE y allen zijn. De leveringen van granen of eetwaren, welke niet betwist | worden, en waar van de prijs bij de pr! iijjs-couranten bepaald he ik kunnen gecompenfeerd worden met geldfommen, die liá en guide en vervallen zijn. Art. 1292, Bekomen uitftel van betaling verhindert geene compené /À{aties be) Aa ed Fî ee 5 bed jn > € ' dóg ZI. Boek,[IL Titel, V. Hooflfuks Art. 1293. Compenfatie heeft plaats in alle foorten van fchuldens zonder onderfcheid, uit welke oorzaak dezelve woortfpruis ten; uitgezonderd 1°, Wanneer eisch gedaan wordt tot teruggave van ceneé zaak, waar van de eigenaar wederregtelijk ontzet is; o°, Wanneer eisch gedaan wordt tot teruggave van iets„ het welk in bewaring, en ten bruikleen gegeven is 3%. Van eene fchuld, fpruitende uit hoofde van onders houd, het welk verklaard is niet arrestabel te zijn. Art. 1204. Kes Een borg kan in compenfatie brengen, het geen de fchulds eifcher aan den principalen fchuldenaar verfchuldigd is. Maar de principale fchuldenaar kan niet in compenfatie brengen, het geen de fchuldeifcher aan den borg verfchul= digd is. De folidaire fchuldenaar kan insgelijks niet in compenfatie brengen, het geen de fchuldeifcher aan zijnen mede-{chuldes naar verfchuldigd is. Art. 1295. Een fchuldensar, die zuiver en eenvoudig heeft aangeno- men de cesfie of den afftand, welke een fchuldeifcher van zijne regten aan eenen derden gedaan heeft, kan niet meer aan den cesfionaris in compenfatie brengen, het geen hj, vóór die aanneming, had kunnen inbrengen tegen hem, die zoodanige regten afgeftaan heeft. î Ten aanzien van eene cesfie of afftand, welke door den fchuldenaar niet is aangenomen, maar aan denzelven is ge- infinueerd, verhindert dezelve alleenlijk de compenfatie der infchulden, welke, na die gedane infinuatie, zijn aange- gean. Art. 1296,; Wanneer de wederzijdfche fchulden niet op dezelfde plaats betaalbaar zijn, kan de compenfatie niet anders te flade kor men, dan met vergoeding van de kosten der overmaking, Art. 1297. Wanneer verfcheiden fchulden, waar van compenfatie valt, door denzelfden perfoon verfchuldigd zijn, worden, omtrent het doen dier compenfatie, de regels gevolgd, welke oms gn toerekening van betaling, bij Art. 1256, zijn vastge: Elie Art. 1909, Op welke wijze verbindtenisfen te niet gaan. 261 Art. 1298. Compenfatie heeft geene plaats ten nadeele van regten, door derden verkregen. Dus kan hij, die, fchuldenaar zijns de, fchuldeifcher geworden is, na dat door eenen derden onder hem arrest gedaan is, ten nadeele van den arrestant, geene compenfatie inbrengen. Art. 1209. Die geen, welke eene fchuld betaald heeft, die naar reg- ten door compenfatie vernietigd was, kan, door het invore deren van zijne fchuld, welke hij niet in compenfatie gee bragt heeft, zich geenszins, ten nadeele van eenen derden, bedienen van de preferentiën en hijpotheken, die daar aan verknocht waren; ten zij hij eene wettige reden had, om onkundig te zijn van de fchuld, die tegen zijne{chuld iu compenfatie komen moest, VIJFDE AFDEELING. Van confufie of fchuldvermenging. Art. 1300. Wanneer de betrekkingen van fchuldeifcher en fchuldenaar zich in denzelfden perfoon vereenigen, heeft, uit krachte van de wet, confufie of fchuldvermenging plaats, die de beide{chulden vernietigt. Art. 13oï. De confufie vof fchuldvermenging, welke in den perfoon van den principalen fchuldenaar plaats heeft, ftrekt ook ten voordeele van zijne borgen. Die in den perfoon van den borg plaats heeft, heeft geenszins de vernietiging van de principale verbindtenis ten gevolge. Die in den perfoon van den fchuldeifcher plaats heeft, ftrekt niet verder tot voordeel zijner folidaire mede-fchuldee naars, dan voor het aandeel in de fchuld, waar voor hij zelf fchuldenaar was. Ce) = TEE MIL, Boek, HI. Titel, W. Hoofdftuks ZESDE AFDEELING. Van het vergaan der verfchuldigde zaak, Art. 1302. Wanneer de verfchuldigde zaak, die het bepaald onder- werp der verbindtenis uitmaakt, vergaat, buiten den handel der menfchen geraakt, of verloren gaat, zoodanig, dat men van derzelver beftaan ten eenemaal onkundig is, vervalt de verbindtenis, mits de zaak vergaan of verloren zij zons der toedoen van den fchuldenaar, en vóór dat hij in de les vering der zaak nalatig gebleven was. Doch ook zelfs, wanneer de fchuldenaar nalatig gebleven is, en voor geene onvermijdelijke toevallen heeft ingeltaan, vervalt de verbindtenis, indien de verfchuldigde zaak, zoo zij den fchuldeifcher geleverd was, even zeer bij hem zoude zijn vergaan geweest. De fchuldenaar is gehouden, het onvermijdelijk toeval te bewijzen, waar op hij zich beroept. Wanneer eenig goed, geftolen zijnde, vergaan of verloren is, ontflaat dit verlies den ontvreemder geenszins van de verpligting, om de waarde te vergoeden, Art, 1303, Wanneer de verfchuldigde zaak, buiten toedoen van den fchuldenaar, vergaan, buiten den handel der menfchen ge- raakt, of verloren is, zal de fchuldenaar gehouden zijn, aan zijnen fcholdeifcher afteftaan alle regt en actie tot fchade- loosftelling, welke hij te dier zake hebben mogt, Op welke wijze verbindtenisfen te niet gaan, 26% ZEVENDE AFDEELING. Van de actie tot nul-verklaring of vernietiging van gangegane overeenkomften, Arte 1304 In alle gevallen, in welken de actie tot nul-verklaring of vernietiging van eene overeenkomst niet door eene bijzondere wet tot eenen korteren tijd bepaald is, duurt deze actie tien jaren. In geval van gepleegd geweld, begint die tijd niet eerder te loopen, dan van den dag, waar Op dat geweld heeft op= gehouden; in geval van dwaling of bedrog, van den dag, dat dezelve ontdekt zijn; en ten a? nzien van acten door ge- trouwde vrouwen, zonder autorifatie van den man gepas- feerd, van den dag, dat het huwelijk ontbonden is. Met betrekking tot handelingen van perfonen, die onder curateele ftaan, begint die tijd eerst te loopen van den dag, dat de curateele opgeheven is; en ten opzigte van handelin- gen, door minderjarigen gedaan; alleenlijk van den dag hune ner meerderjarigheid. Art, 1305. Enkele benadeeling levert eenen grond op tot vernietiging van alle foorten van overeenkomften, ten voordeele van eenen minderjarigen, die niet uit de magt van zijne ouders of voogden ontflagen is; en ten voordeele van eenen mine derjarigen, welke uit die magt ontflagen is, tot vernietiging van alle zoodanige verbindtenisfen, welke zij hebben aange. zonder daar toe de bevoegdheid te hebben gehad, zulks bepaald is in den Titel: van minderjarigheid; Zee gdij en emancipatie. Art. 1306. Een minderjarige kan wegens benadeeling niet herfteld worden, wanneer dezelve enkel door eene toevallige en on= voorziene gebeurtenis veroorzaakt EN Art. 1307« De enkele verklaring van meerderjarig te zijn, door eenen minderjarigen gedaan, is geen hinderpaal om ín. zijn geheel heifteld te worden, K 4 Art. 1308. 64 LL Boek, HIL Tier, Da Boopdhk: Art. 1308, Et Een minderjarige, koophandel drijvende, of een bankier z handwerker zijnde, kan niet in zijn geheel herfteld worden jegens verbindtenisfen, welken hij, uit hoofde van zijnen handel of handwerk, heeft aangegaan. Bn Art. 1309. Een minderjarige kan niet in zijn geheel herfteid worden jegens verbindtenisfen, in zijn huwelijks-contract begrepen„ wanneer dezelve gemaakt zijn met toeftemming en adfiften- tie van hun, wier toeftlemming tot de beftaanbaarheid van zijn huwelijk vereischt wordt. Art. 13ro. Hij kan piet in zijn geheel herfteld worden jegens verbind- tenisfen, fpruitende uit eene door hem gepleegde misdaad of quafi-misdaad. Art. 1311. Hij is niet ontvankelijk om zich te verzetten tegen eene verbindtenis, welke hij, minderjarig zijnde, onderteekend, en tot meerderjarigheid gekomen zijnde, bekrachtigd heeft, het zij die verbindtenis nietig is, ten aanzien wan derzelver vorm, het zij dezelve alleen gefchikt was> om teruggave te vorderen, Art, 1312. Wanneer minderjarigen, onder curateele geftelden, of ges trouwde vrouwen, als zoodanig, zijn toegelaten, om zich, jegens hunne verbindtenisfen ‚ in hun geheel te doen herftel- len, kan de teruggave wan het geen, uit hoofde dier vera bindtenisfen, gedurende de minderjarigheid, ftaande de cura« teele, of, ftaande het huwelijk, betaald zoude mogen zijn niet geëischt worden, ten ware bewezen werd, dat het bee taalde ten hunnen voordeele geftrekt heeft. | Art. 1313. De meerderjarigen worden niet in hun geheel herfleld jen gens benadeeling, dan in de gevallen en onder de voorwaare den, uitdrukkelijk bij dit Wetboek vastgefleld, ; Art, 1314. Wanneer de formaliteiten zijn in acht genomen, welke vereischt worden tot de vervreemding van onroerende goe- deren, of tot de verdeeling van eene nalatenfchap, ten aan« zien van minderjarigen, of die onder curateele{laan, wor= den dezelve met opzigt tot die handelingen befchouwd, als of zij dezelven in hunne meerderjarigheid of vóór de curae teele verrigt hadden, ZE S- Hoe verbindtenisfen bewezen worden: 265 ZESDE HOOFDSTUK, Toe verbindtenisfen, en de voldoening aan dezelven bewezen worden, Art. 1315. Hij, die de nakoming van eene verbindtenis vordert, moet die verbindtenis bewijzen. En wederkeerig, moet hij, die vermeent van eene ver= bindtenis bevrijd te zijn, de betaling of de daad, welke de vernietiging der verbindtenis heeft te wege gebragt, bewijs zen. Art. 1316. De regels, nopens het bewijs door gefchrift, het bewijs door getuigen, door prefumtiën, door bekendtenis van de tegen-partije, en door den eed, worden in de volgende Af- deelingen bepaald, EERSTE AFDEELING. Van bewijs door geftchrifte SL Van authentieke titels of befcheiden. Art. 1917. Eene authentieke acte is de zoodanige, welke met de ver= eischte plegtigheden gepasfeerd is voor openbare ambtena- ren, die daar toe, ter plaatfe, waar de acte is opgemaakt, bevoegd zijn. Rs Art. 1318, Bn ons ee 266 MI. Boek, MIL. Titel, VI. Hoofdfinke Art. 1318, Eene acte, welke uit hoofde van onbevoegdheid of onbe« kwaamheid van den ambtenaar ‚of uit hoofde van een gebrek in den vorm, niet voor authentiek kan gehouden worden, heeft de kracht van een onderhandsch gefchrift,«indien dezelve door partijen geteekend is. Art. 1319, Eene authentieke acte levert, ten aanzien van de contrac- terende partijen, en hunne erfgenamen of regtverkrijgenden, een volledig bewijs op van de overeenkomst, welke daar bij aangegaan is. Niettemin zal de nakoming van eene acte, welke van walschheid, ten aanzien van derzelver hoofdpunten, wordt befchuldigd, worden opgefchort door de befchuldiging, die deswegen voor den regter gebragt is; en in gevalle de be- fehuldiging van valschheid alleen bijkomende omftandigheden betreft, kunnen de regtbanken, maar mate van de omftan« digheden, de nakoming der acte provifioneel opfchorten. Art. 1320. Eene acte, het zij op eene authentieke wijze, het zij on- der de hand aangegaan, levert tusfchen partijen een volledig bewijs op, zelfs omtrent het geen daar bij als een bloot te kennen geven voorkomt, mits het te kennen geven in een dadelijk verband{taat met de verbindtenis, welke bij de acte gemaakt is. Doch het geen daar bij als een bloot te kennen geven voorkomt, en geene betrekking heeft op de verbindte= nis zelve, kan alleen dienen tot een begin van bewijsy Art. 192Ie Renverfalen zijn alleen tusfchen de contracterende partijen, en geenszins tegen eenen derden van kracht, SI. Wau onderhandsch gefchrift. Art, 1322. Een onderhandsch gefchrift, het welk door den geen, te= gen wien men zich daar op beroept, erkend is, of door de wet voor erkend gehouden wordt, levert, ten aanzien det onderteekenaars, en hunne erfgenamen of regtverkrijgenden s het zelfde bewijs op, als eene authentieke acte. Art. 1323 RP OCT Hoe verbindtenisfen bewezen worden, 267 Art. 132 ai Hij, tegen wien men zich op een onderhandsch gefchrift beroept, is verpligt zijn gefc chrift of zijne naamteekening ftel= lig te erkennen of te ontkennen 3 zijne erfgenamen of regt= verkrijg enden kunnen volftaan met te verk laren, dat zij het gefchrift of dé naamteekening van hunnen voorzaat niet ken- nelle Art, 1324. In geval de partijije zijn gefchrift of zijne handteekening tkent, en in geval zine erfgenamen of regtverkrijgenden verklaren, het gefchrift of de handteekening niet te kennen, elast de regter„, dat de echtheid bewezen worde, Art. 1325. Onderhandfíche acten, welke, wederkeerige verbindtenisfen in zich bevatten, zijn van geene Kracht, ten zij daar van zoo vele oorfpronkelijke acten zijn opgemaakt, als er par= tijen zijns die ieder daar bij een afzonderlijk belang heb- ben. É éne oorfpronkelijke acte is voldoende voor allen, die het zelfd deren hebben. Bij e ke acte moet worden melding gemaakt van het getal er oorfpronkelijke acten, die daar van“gemaakt zijn. Niettemin kan het nalaten der vermeldin ing, dat er twee, drie of meer oorfpronkelijke acten gemaakt zijn, niet tegen- geworpen worden door den genen, die van zijne zijde de nakoming der verbindtenis, in de acte begrepen. gevorderd ze Art. 1326. Een onderhandsch billet of belofte, waar bij de eene partij alleen zich aan een ander verbindt, om aan denzelven eene fomme gelds, of eene zaak, welke op eene bepaalde waarde kan gefteld- worden, te voldoen, moet geheel en al gefchree ven worden met de hand van den genen, die het zelve on- derteekend heeft; of ten minften moe rt, behalve de naamtee kening ‚ met de hand des om: dertkekenaacs gefchre- jen word ze goed, of eene g sring, hou dende, met ge el uits geichrevene letteren, de fomme of de hoeveelheid der ct aaar Ol ; zaak. Hier van zijn uitgezonderd de acten, die gemaakt worden door kooplieden, handwerkers, landbouwers, wijngaarde. oners en dienstboden. Arte: 1397 Wanneer de fom, welke bij de acte zelve ver rmeld is, ij de daar onder ftaande goedkeu ring verfchilt van die, welke 268 HIT. Boek, LIL Titel, WI, Hoofdftuk; ring is uitgedrukt, wordt de verbindtenis gerekend aanges gaan te zijn voor de fomme, welke de minfte is, ook dan zelfs, wanneer de acte, benevens de goedkeuring ‚ geheel en al gefchreven is met de hand van den genen, die zich daar bij verbonden heeft, ten zij men bewijzen kan, in welke wan beiden de misfläg begaan is, Art. 1398. Onderhandíche acten zijn, ten aanzien van hare dagteeke- ning tegen derden, van geene kracht, dan van den dag, dat dezelve zijn geregistreerd, of van den dag van het overlijden van den genen, of van die genen, die de acten ondertee- kend hebben; of van den-dag, dat derzelver beftaan bewe- zen. wordt door acten, door openbare ambtenaren opge- maakt, als proces-verbalen van verzegelingen, of inventaris- fen. Art. 1329. De registers van kooplieden leveren tegen perfonen, die geene kooplieden zijn, geen bewijs op van de leveran- tiën, daar bij aangeteekend; onverminderd het geen ten op- zigte van den eed zal gezegd worden, Art. 1330. De boeken van kooplieden leveren bewijs op tegen hen zelven 5; doch hij, die, uit het geen daar bij aangeteekend is, eenig voordeel wil trekken, kan dezelven niet fplitfen van het geen in die boekén, ftrijdig met zijne vordering, gevon- den wordt. Art. 1331. Huisfelijke boeken en papieren leveren geen bewijs op ten voordeele van den geen, die dezelven gefchreven heeft; doch zij leveren, ten nadeele van den fchrijver, bewijs op: 1°, in alle gevallen, wanneer dezelve uitdrukkelijk melding maken van eene ontvangene betaling; 2°. wanneer dezelve uitdrak- kelijk vermelden, dat de aanteekening gefchied is, om het gebrek van het bewijs aan te vullen, ten voordeele van den geen, ten wiens behoeve zij eene verbindtenis aanduiden. Art. 1332. Het gefchrift, door eenen fchuldeifcher, aan den voet, of ter zijde van, of achter op de oorfpronkelijke titels of be- fcheiden, welke altijd in deszelfs bezit gebleven zijn, ge- field, levert bewijs op, offchoon het zelve door hem noch onderteekend, noch gedateerd is, wanneer zoodanig gefchrift ftrekt tot bevrijding van den fchuldenaar. “_ Hetzelfde heeft plaats ten aanzien van het gefchrift, het welk de fchuldeifche: kier. op; of ter zijde, of aan den Hoe verbindtenisfen bewezen worden. 269 goet van het dubbeld van den titel of het befcheid, of van de kwitantie gefteld heeft, mits hetzelve dubbeld in handen van den fchuldeifcher zij. S III. Van, kerfflokken. Art. 1333- Kerfftokken, van welken wederzijds een dubbeld, met el kander overeenkomende, wordt afgegeven, leveren een bewijs op tusfchen de genen, die gewoon zijn om de leverantiën, welke zij in het klein gedaan en ontvangen hebben, door middel van dezelven te bewijzen. Van copiën of affchriften van titels of beftheiden; id Art. 1334. Copiën of affchriften leveren, wanneer de oorfpronkelijke titel of.acte aanwezig is, geen verder bewijs op, dan alleen van het geen in den titel of de acte vervat is, waar van de vertooning altijd kan gevorderd worden. Art. 1335. Wanneer de oorfpronkelijke titel niet aanwezig is, leveren de affchriften een bewijs op, met de volgende bepalingen: 1°. De grosfen of eerfte uitgegevene acten leveren het zelfde bewijs op, als de oorfpronkelijke acte: het zelfde heeft plaats omtrent affchriften, welke op reg- terlijk gezag, partijen daar bij tegenwoordig, of daar toe behoorlijk geroepen zijnde, gemaakt zijn, of om= trent de zulken, welke gemaakt zijn in tegenwoordig- heid van partijen, en met derzelver wederzijdfche goedkeuring; 29. De JI, Boek, HIL Titel, PI. Hoofdftuk. a°, De affchriften, welke, zonder tusfchenkomst van reg= terlijk gezag„ of zonder toeltemming van partijen, en na de uitgifte der grosfen of eerfte affchriften„ vols gens de minute van de acte, gemaakt zijn door den notaris, voor wien dezelve gepasfeerd zijn, of door één van zijne opvolgers, of door de openbare ambte« naars, welke, in die hunne betrekking, die minuten onder hunne bewaring hebben, kunnen, in geval de oorfpronkelijke acte verloren geraakt is, een bewijs opleveren, wanneer zij van eene oude dagteekening zijn. Zij worden geacht van oude dagteekening te zijn; wanneer zij ouder zijn dan dertig jaren. Doch wan- neer zij minder dan dertig jaren oud zijn, kunnen zij alleen verftrekken tot een begin van bewijs'door ge= fchrift 5 g°. Wanneer de affchriften, die naar de minuut eener ac= te gemaakt zijn, niet vervaardigd zijn door den no- taris, voor wien dezelve zijn gepasfeerd, of door één van zijne opvolgers, of door openbare ambtenaren; die, in deze hunne betrekking, die’ minuten onder ik hunne bewaring hebben, kunnen dezelve, hoe oud ll ook van dagteekening, nimmer anders, dan tot cen ‚begin van bewijs door gefchrift verftrekken; 4°. De affchriften, naar affchriften, kunnen, naar de Omftandigheden van zaken, befchouwd wor- ij den als eenvoudige aanduidingen, tot onderrigting ij dienende. t Art. 1936. De overfchrijving van eene acte in de openbare registers kan alleenlijk tot een begin van bewijs door gefchrift ver- flrekken 3 en daar toe is het zelfs noodig: 1°. Dat het zeker is, dat alle de minuten van den nota ris over dat: jaar, waar in de acte blijkt gepasfeerd te zijn, verloren zijn geraakt, of dat bewezen wordt; dat de minuut van deze acte, door een bijzonder toe« val, verloren is gegaan; Je 2°. Dat er een behoorlijk prothocol van den notaris in wezen is, het welk aantoont, dat de acte op dien zelfden dag gepasfeerd is. nn ents EE oe Ee EE e et oren En wa EERE Hi Wanneer, door eer zamenloop van beide deze omftandig- Ii heden, het bewijs door getuigen wordt toegelaten, moeten 8 Hoe verbindtenisfen bewezen worden, evt de genen, die als getuigen over de acte geftaan hebben, des- wegen, indien zij nog in leven zijn, gehoord worden. Sv, Wan acten van erkentenis en bekrachtigings Art. 1337, Acten van erkentenis ontflaan niet van de verpligting, om den oorfpro titel of befcheid te vertoonen, ten zij derzelver inhoud daar bij bepaaldelijk opgegeven wordt, Het geen daar in meerder of anders„ dan in den oorfprona kelijken titel, gevonden wordt, heeft geene de minfte kracht. Niettemin, indien men in het bezit was wan onderfcheiden acten van erkentenis, met elkander overeenkomende, en eene k eene dagteekening van dertig jaren had, kan de cher ontflagen worden, om den‘eerften oorfpronkee el of befcheid te vertoonen. Art. 1338. De acte, waar bij eene verbindtenis, tegen welke volgens lijken tite 1 sg de wet vernietiging verzogt kan worden, bevestigd of be» krachtigd wordt, is niet van waarde, ten zij daar in de hoofdzakelijke inhoud der verbindtenis, als mede de reden, waarom vernietiging zoude kunnen geëischt worden, en het oogmerk om het geb rek, waar op de eïsch van vernietiging berustende is, te‘verbeteren, vermeld wordt, Bij gebrek van eene acte van bevestiging of bekrachtiging, js het voldoende, wanneer de verbindtenis vrijwillig is nage- komen, na het tijijdftip, waar op de verbindtenis op eene beftaaúbare wijze had kunnen bevestigd of bekrachtigd wor- den. De beve stiging E bekra: illige nakoming, in door de wet verei ischt, gedaan, h ulpmiddel en en exceptiën mede, wel- e men anders tegen die acte, Oil? het regt van derde en, zoude hebben kunnen tegenwerpen. Art. 1339. Een donateur kan door gene acte van bevestigt le xebreken eener gifte onder de“levenden, die nietig. ie den Jen hee en op aen C 3 en| à we 272 MI. Boek, HI. Titel, VI. Hoofdftük. vorm is, verbeteren; dezelve moet op eene wettige wijze; op nieuws gemaakt worden,, Art. 1340. De vrijwillige bevestiging, bekrachtiging, of nakoming van ‘eene gifte, door de erfgenamen of regtverkrijgenden van den gever, na deszelfs overlijden gedaan, verfteekt dezelven s Omg het zij eenige gebreken in den vorm, het zij eenige andere exceptie tegen te werpen, hd TWEEDE AFDEELING, Van bewijs door getuigen: Art. 134. Er moet eené acte voor notarisfen, of bij onderhandsch ge= fchrift gepasfeerd worden, van alle zaken, welke de fom of waarde van honderd en vijftig francs te boven gaan, vrijwil lige bewaarnemingen niet uitgezonderd; en wordt geen be= wijs hoegenaamd door getuigen toegelaten, van het geen boven of tegen den inhoud der acte gevorderd wordt, noch van het geen men beweert, dat gezegd zoude zijn„vóór, ten tijde, of na het maken der acte, zelfs wanneer er over eene fom of waarde, geen honderd en vijftig francs bedragende, gehandeld. wordt. Alles onverminderd het geen bij de wets ten, den koophandel betreffende, bepaald is, Art. 1342. De hier vorenftaande regel is mede toepasfelijk, wanneer bijde actie, buiten de hoofdfom, ook interesfen gevorderd wors den, welke met de hoofdfom vereenigd, de fom van honderd en vùftig francs te boven gaan. Art. 1343. Die eenen eisch gedaan heeft, honderd en vijftig francs te boven gaande, kan Be meer tot het bewijs door getuigen worden toegelaten„al wâre het, dat hij zijne eerst gedane vors dering tot die fomme verminderde, Art. 1344. Het bewijs door getuigen in eene zaak, waar in minder dan honderd en vijftig francs geëischt worden, wordt niet toegelaten, wanneer blijkt, dat de gevorderde fom het over- fchot, of een gedeelte eener grootere infchuld is, welke niet door gefchrift bewezen wordt, Art. 1345e wei KE Da D B E van ch BAN aan ar Hoe werbindsenisfen bewezen wôrdene 273 Att. 1345. Wanneer iemand, in dezelfde“llama, ond deringen doet, waar voor hij geenen fel befcheid heeft„en di lie te zamen genomen en vijftig francs te boven gaan, kan het bewijs door getui= gen niet worden toegelaten, zelfs niet wanneer de eifeher bes weert, dat zijne fc huld en pik verfchillende oorzaken; pro= ten, en op verfchillende tijden gemaakt zijn, ten ware het van-vordering door ervan gifte, of anderzins van llende perfonen afkomftig mogt zijn. Ärt. 1346. Alle eifchen, uit kracht van welken titel of befcheid ook; welke niet volledig door gefchrift bewezen zijn, moeten in eene. en Je dagvaarding vervat worden, waar na de vers dere eilchen, voor welken geen fchriftelijk bewijs aanwezig is, niet worden toegelaten. Art. 1347. De hier voren geftelde regels den| uitzondering, wanneef een begin van bewijs door gefchrift aanwezig is. Men noemt aldus elke gefchrevene acte die voortgekomen is van den genen, tegen wien de eisch gedaan is, of van den genen, dien vertegenwoordi gt,en welke dé bijgebrage te daad waarfchijnsijk maa akt. Art. Ak Ook lijden de opgegevene regels t zondering, wanneer het aan den dci deifcher niet mogelijk geweest is, om zich een Schriftelijk bewijs der verbindreriis, welke ten zijnen behoeve aangegaan iss te bezorgen. Deze tweede uitzondering is toepasfelijk: 1°. Op verbindtenisfen, welke uit quafi-contracten en mië- daden, of quafi-misdaden haren oorfprong hebben. 2°. Op vds, g uit nood Izaak eed bij gelegerie heid va brand, inftorti ing of vernieling van gebou- wen opfoe r of fchipbreuk„en oi bewaargey oving, wel ke door reizigers in de herl n, waar zij hun vere blif houden, gedaan wordt, alles naar mate van de hoedanigheid der perfonen, en de omftandigheden van zaken. Op de rphs welke bij onvoorziene toevals len, waar bij men geene fchriftelijke acte heeft kuns gegaan zijne derfcheidethe vor elijken titel of {om var is derd est L Pool En r a) Be nen maken, aang 5 4°. In 274) Zil, Boek, HIL Titel, VI. Hoofdfluks 4°. In geval een fchuldeifcher zijnen titel of befcheid, het welk hem tot£chriftelijk bewijs dienen moest, door een onvoorzien en van hooger hand komend toeval ver= toren heeft, e DERDE AFDEELING.. Van prefumtiën of vermoedens. Art. 1349. Prefumrtiën of vermoedens zijn gevolgtrekkingen, welke de wet of de magiftraat uit eene bekende of onbekende daad afleidt. SL Wan weitelijke prefumtiën of vermoedens. Art. 1350. Wettelijke prefumtie is een zoodanig vermoeden, het welk door eene bijzondere wet aan zekere handelingen of zekere daden verknocht is. De zoodanige zijn: 12°. De hafdelingen, welken de wet nietig verklaart, als enkel, uit hoofde van haren aard en inrigting, ver- moed wordende gepleegd te zijn tot verijdeling van Ki de bepalingen, bij de wet gemaakt; d IN 2°, De gevallen, in welken de wet verklaart, dat de eí- |: gendom of bevrijding van fchuld, uit zekere bepaalde | il omf{tandigheden wordt afgeleid; bii 3°, Het gezag, het welk de wet geeft aan een vonnis; LE KEE et het welk kracht van gewijsde bekomen heeft5 || Ei b A°. De kracht, welke de wer aan de bekentenis van ééné Hi # Hi der partijen, of aan deszelfs eed toekent. Ï h Art. 135Le | Een vonnis, het welk kracht van gewijsde bekomen heefts IN werkt niet verder, dan ten opzigte van dat geen, het welk , FI (at is ä w Ji Hoe verbindtenisfen bewezen: wordens 535 het onderwerp van het regtsgeding heeft uitgemaakt. Het noodig, dat de zaak, welke geëischt. wordt, deze! dat de eisch op de zelfde oorzaak van fchuld berust; d eisch tusfchen de zelfde partijen plaats hebbe, en“gedaan worde in de zelfde betrekking, door en tegen de zelfde pere fonen. Art. 1352, Eene wettelijke prefumtie ontflaat den genen, in wiens voordeel dezelve is, van alle bewijs. Geen bewijs wordt tegen eene wettelijke prefumtie of. ver= moeden toegelaten, in geval de wet, op grond van deze prefumtie, zekere bepaalde handelingen nietig verklaart, of den ingang van regten weigert; ten zij de wet zelve het tegenbewijs mogt hebben vrijgelaten, en onverminderd het geert omtrent den, geregtelijken eed en bekentenis gezegd zal wore den, S. IL Van pPrefumtiën of vermoedens, welke niet door de wet düdrgefteld worden. : Art. 1353. ‚ Prefumtiën of vermoedens, welke niet door de wet wor- den dáárgefteld, worden overgelaten aan het verlicht oordeet en aan de voorzigtigheid van den regter, welke geene ande. re prefumtiën of vermoedens moet toelaten, dan“di e gewig- tig, naauwkeurig bepaald, en éénftemmig zijn, en alleenlijk in gevalle de wet het bewijs door getuigen toelaat 5 ten ware de handeling, uit hoofde van kwade trouw of bèdrog, bée twist wordt. La heg Dn È fr zi, Boek, HIT. Titel, VI. Hoofdfluk: VIERDE AFDLEELING. Wan confesfie of bekentenis van partijes Art. 1354 Eene confesfie of bekentenis, welke aan iemand wordt tegengeworpen„ is of extra-judicieel of judicieel. Art. 1355. Het beroepen op eene extra-judicieele bekentenis, die ale {een in woorden beftaat, is vruchteloos, zoo dikwijls de eisch van dien aard is, dat geen bewijs door getuigen wordt toegelaten. Art. 1356. Eene judicieele bekentenis is eene verklaring, welke de partij, of zijn bijzondere gevolmagtigde, voor den regter afs legt. Zij levert een volledig bewijs op tegen de genen; die des zelve heeft afgelegd. Zij mag niet ten zijnen nadeele gefplitst worden. Zij kan niet herroepen worden, ten zij men bewijze, dat dezelve een gevolg is geweest van eene dwaling omtrent: eene daad. Zij kan niet herroepen Wot gene dwaling omtrent het regt. VIJFDE AFDEELING, Wan den eed. Art. 1357- De judicieele eed is van tweederleïjen aard: 1°, Die door de eene partije aan de andere wordt gedefe- reerd, om de beflisfing der zaak daar van te doen afhangen, Deze wordt gemoemd decifdir of beflis- fende. 8 s° Die den, onder voorwendfel van, Hoe verbindtenisfen bewezen wordene ur Die door den regter aan eene der beide partijen ambtshalve wordt opgelegd, SL « Wan den beflisfenden ced, Art. 1358. De beflisfende eed kan gedefereerd worden, over welké le foort van gefchillen het ook zijn moge,= Art. 1359. Dezelve kan niet gedefereerd worden, dan omtrent eene daad, welke perfeonlijk verrigt is door den genen, aan wien de eed ter beflisfing wordt overgelaten. Art. 1360. ls Dezelve kan in allen ftaat van het regtsgeding gedefereerd worden„ al is er geenerlei begin van bewijs voor den eisch, of voor de exceptie, ten aanzien van welke men die delatie van eede doet, Art. 136 61. Aan. hem, wien een eed gedefereerd is, en die dezelve wei- nt gert, of niet toeftemt, dat“dezelve aan zijne tegenpartije werde overgelaten, of ook aan de tegenpartij, aan wien dezelve over- BT: gelaten is, en die den eed weigert, moet zijn eisch of excep« tie ontzegd worden, Art. 1362. De eed kan aan de tegenpartije niet worden overgelaten, Wanneer de daad, welke daar van het onderwerp is, niet de daad is van beide partijen, maar eene zuiver perfpneele daad van den genen, aan wien de eed gedefereerd was. Art. 1363. Wanneer de gevorderde of aangenomene eed is afgelegd, is de tegenpartije niet ontvankelijk, om de valschheid daar van te bewijzen. Art. 1364. De partije, welke den eed gedefereerd, of aan zijne tegene partje overgelaten heeft, kan zijne overgifte deswegen niet vfé weder intrekken, wanneer de regenpartije verklaard heeft, dat hij bereid js dien eed af te legzen, “» 278 HI. Boek, HIL Titel, WI. Hoofdfzuk: Art. 1365e De eed, afgelegd zijnde, levert geen ander bewijs op dan ten voordeele of nadeele van den genen, die denzelven gedefereerd heeft, en ten voordeele of nadeele van zijne erf- genamen of regtverkrijgenden. Niettemin wordt een fchuldenaar, aan wiens eed de be- gisfing door één der folidaire fchuldeifchers is overgelaten, daar door niet verder bevrijd, dan, voor het aandeel van den fchuldeifcher. De eed, aan den principalen fchuldenaar gedefereerd, bee vrijdt insgelijks de borgen. De eed, aan één der folidaire fchuldenaren gedefereerd, firekt ten voordeele der mede-fchuldenaren. En de eed, aan den borg gedefereerd, ten voordeele van den principalen fchuldenaar. é In deze twee laatstgemelde gevallen, ftrekt det-eed van den folidairen medefchuldenaar, of van den borg, niet, ten voordeele van de andere medefchuldenaren, of van den prin= cipalen fchuldenaar, dan wanneer die eed omtrent de fchuld zelve, en niet omtrent het beftaan der folidaire verbindtenis 4 of van de borgtogt, gedefereerd iso SIL Wan den eed, ambishalve opgelegde Art. 1366. De regter is bevoegd, om aan eene der partijen den eed op te leggen, het zij om daar van de beflisfing der zaak te doen afhangen, of om alleenlijk daar door de hoegrootheid der te vallene condemnatie te bepalen. Art, 1367 De regter mag den eed ambtshàlve niet opleggen, het zij met opzigte tot den eisch, het zij tot de exceptie, welke ís tegengeworpen, dan onder de twee navolgende voorwaar- Het is noodzakelijk: 1°, Dat de eisch of exceptie niet volledig bewezen zij; EP no dat dezelva«s an zij a°. Dat dezelve niet geheel van bewijs ontbloot zije Ruir Lif Hoe verbindtenisfen bewezen worden, 270 Buiten deze twee gevallen, moet de regter den eisch of toewijzen of ontzeggen, zuiver en eenvoudig. Art. 1368, Wanneer de eed ambtshalve door den regter aan eene der partijen is opgelegd, mag dezelve zich daar van, niet ont= flaan, door de zaak over te laten aan den eed, door zijne te= genpartij te doen, Art, 1369. De eed tot bepaling der waarde van eene geëischte zaak, kan door den regter aan den eifcher niet opgelegd worden, dan wanneer het buitendien onmogelijk is, om die waarde op eene andere wijze te bepalen, De regter moet zelfs, in zulk een geval, de fomme bepa- len, tot het beloop van welke de eilcher op zijnen eed zal geloofd worden, Voboke ha DR bakt Le TWastgefteld den oden van Sprokkelmaand 1804, en afgekondigd den 19den van dezelfde maand] VAN VERBINDTENISSEN, DIE AANGEGAAN WORDEN BUITEN OVEREENKOMST. Art. 1370. Zekere verbindtenisfen ontftaan, zonder eenige voorafge- gane overeenkomst, noch van de zijde van den genen, die zich verbindt, noch van de zijde van den genen, ten wiens behoeve de vwerbindtenis gefchiedt. Zommige derzelven worden alleenlijk déárgefteld uit krach- te van de wet; andere vloeijen voort uit eene perfoonlijke daad van den genen, die daar door verbonden wordt. De eerfte zijn zoodanige verbindtenisfen, wike tegen ies mands wil aangegaan worden, als tusfchen naburige eige= naars, of werbindtenisfen van voogden en andere adminiftra= teuren, welke! de hun opgedragene voogdij of adminiftratie niet weigeren kunnen. S 4 De 98e II. Boek, IV. Titel, Z. Hoofdftuk. De verbindtenisfen;, die door eene perfoonlijke daad van den genen, die daar door verbonden wordt, geboren wor: den, ontftaan of uit quafi-contracten, of uit misdaden, of quafi-misdaden, en maken het onderwerp van dezen Titel uit, E k Ei RSTE HOOFDSTUK Van guaft-contracten. Art. 137Le Quafi-contracten zijn iemands louter vrijwillige daden, vit welke eene verbindtenis ont(taat ten behoeve van eenen derden, en fomtijds eene wederkeerige verbindeenis van beide partijen. Art. 137% Wanneer men vrijwillig eens anders zaak waarneemt en werrigt, het zij dat de eigenaar van die verrigting kennis draagt„ of er onkundig van is, verbindt de zgak-waarnemer zich daar door ftilzwijgende, om met die beheering voort te gaan, tot dat de eigenaar in(taat is, om in die zaak zelve te voorzien; hij moet zich insgelijks belasten met al het geen tot die zelfde zaak in eenige betrekking(taat, Hij onderwerpt zich aan alle de verpligtingen, welke hij zoude moeten hebben nagekomen, indien hij bij eene uit- drukkelijke lastgeving van deh eigenaar was gemagtigd ge weest. Art. 1373 Hij is verpligt, om met die beheering voort te gaan„ of- fchoon de eigenaar komt te overlijden, vóór dat de zaak ten einde gebragt is, en zelfs tot tijd en wijlen de erfgenaa de beheering der zaak op zich nemen kan. Ârt. 1374e Hij is gehouden, omtrent die beheering alle de zorgen wan een goed huisvader aan te wenden. Niettemin kan de regter de-kosten, fchaden en interesfens die door de fchuld of nalatigheid. van zoodanigen onder- winder mogten veroorzaakt zijn, matigen, naar gelang der omftandigheden, welke denzelven tot die beheering bewogen hebben, je f dAIte I 75° LSD) pn Ben Wan quafi-conträsten. 23 Art, 1375. De principaal, wiens belangen door een’ ander behoorlij zijn waargenomen, is verpligt, om de verbindtenisfen, Beide den onderwinder ín is li naam aangegaan, te vervullen, d fchadeloos te houden wegens alle perfoonlijke„ d verbindtenisfen;‘en aan denzelven alle noodzakelijke gedane uitfchotten te rug te geven, I 1 weten, iets ontvangt het Hi verpligg om het zelve te vien hij het verfchuldigde vorderen. temin houdt dit rest op, in geval de fchuldeifcher de {xc bekendtenis, ten gevolge van die betaling, vernietigd heeft; behoudens, in dat geval, het verhaal van den gen die betaald heeft; tegen den waren fchuldenaar. Art. 1378. Wanneer aan de zijde van den genen, die de betaling ontvangen heeft, kwade trouw heeft plaats gehad, is dezel. ve gehouden tot teruggave, zoo van de hoofdfom, als van de renten of vruchten, gerekend zedert den dag der voldoe- mg Alie 5 î Art. 1379. Indien het onverfchuldigd ontvangene een onroerend, of roe= rend ligchamelijk goed is, is hij, die het zelve ontvangen heeft, verpligt, dat IE in natura, indien het nog in we= Ï f de wa aar van, indien het door zijn toes an of verminderd ís, te rug te gevens hij is zelfs k voor een toevallig verlies, indien hij hef goed trouw ontvangen heeft. “Art. 1380. onverfchuldigd is, ter goeder trouw ve verkocht heeft, behoeft niets an- S, te rug te geven, Art. 138I. ee c Hij, aan wien eene zaak is te rug gegeven, moet zelfs aan snen., die de zaak ter kwader trouw bezeten heeft, decdckel ike en nuttige uitgaven vergoeden, welke tor behoud der zaak gedaan zijn. S 5 T WE E- LI, Boek, IW. Titel, Il. Hoofdfluk. TWEEDE HOOFDSTUK. Ven misdaden en quafi-misdaden, Art. 1382. Elke daad, hoedanig en van welken aard ook, waar door aan een ander fchade toegebragt wordt, ftelt den genen, door wiens fchuld die daad veroorzaakt is, in de verplig- ting om dezelve te vergoeden. Art. 1393. Een ieder is verantwoordelijk, niet alleen voor de fchade, welke hij door zijne daad, maar ook voor die, welke hij door zijne nalatigheid of onvoorzigtigheid veroorzaakt heeft. Art. 1384. Men is verantwoordelijk, niet alleen voor de fchade, wel ke men door zijne eigene daad veroorzaakt, maar ook voor die, welke veroorzaakt wordt door de daad van perfonen, voor welken tnen aanfprakelijk is, of door zaken, welke men onder zijn opzigt of beheering heeft. De vader, en ook de moeder, wanneer de man overleden is, zijn aanfprakelijk voor de fchaden, die door hunne min- derjarige kinderen, bij hen inwonende, veroorzaakt zijn. De meesters, en de genen,die anderen tot de waarneming hunner zaken aanftellen, zijn verantwoordelijk voor de fcha- den, door hunne dienstboden en aangeftelden veroorzaakt in dewerkzaamheden, waar toe zij dezelven gebruikt hebben; De fchool-onderwijzers en werkbazen zijn verantwoorde= lijk voor de fchaden, door hunne leerlingen en kweekelin- gen’,“gedurende den tijd, dat dezelve onder hun toezigt ftaan, veroorzaakt, De hier voren vermelde verantwoordelijkheid heeft plaats, en zij de vader en moeder, de fchool-onderwijzers en werke bazen zouden kunnen bewijzen, dat zij de daad, voor welke zij aanfprakelijk zouden zijn, niet hebben kunnen beletten. Art. 1385, ó g De eigenaar van een beest, of de geen, die het zelve in zijnen dienst heeft, is verantwoordelijk voor de fchaden, door het beest veroorzaakt, het zij het zelve dadelijk onder zijn opzigt of bewaring, dan wel verdwaald, ontfnapt of doorgegaan zij. À 55 Art. 1396. Of Wan misdaden en quaft- misdaden. 283 Art. 1386. De eigenaar van een gebouw is verantwoordelijk voor de fchaden, veroorzaakt door de inftorting van het zelve, in. dien deze inftorting een gevolg is van het verzuim van onder« houd, of van een gebrek in deszelfs bouwing of inrigting, KMR Belk. 1 Lenk [Wastgefteld den roden van Sprokkelmaand 1804, en afgekondigd den 2often van dezelfde maand.] VAN HET HUWELIJKS-CONTRACT 3 EN DE WEDER=- ZIJDSCHE REGTEN DER ECHTGENOOTENe ie EERSTE HOOFDSTUK, Algemeene bepalingen. Art. 1387. De wet regelt nimmer de huwelijks-verbindtenis, voor zoo veel de goederen betreft, dan wanneer de echtgenooten geene bijzondere overeenkomften deswegen gemaakt hebben, welke zij met den anderen, naar hun onderling goedvinden, kun- nen dáárftellen, mits die overeenkomften niet met de goede zeden ftrijdig zijn, en bovendien onder de navolgende bepas lingen. Art. 1388. De echtgenooten kunnen niet afwijken, noch van de reg. ten, welke uit de magt van den man over dà perfboon var de vronw, en de kinderen, haren oorfprong hebben, noch van de regten, welke aan den man, als het hoofd, toebehoos ren, 284 ZIE. Boek, WV. Titel; 1. Hoofdftuke ren, noch van zoodanige regten, welke aan den langstleven- den der echtgenooten zijn opgedragen bij den Titel, wan de vaderlijke magt, en bij den Titel, van minderjarigheid, voogdij en emancipatie, noch van de verbiedende bepalingen van dit Wetboek, Á Art. 1389. Zij kunnen geene verbindtenis aangaan, noch ook eenigen afftand doen, waar van het onderwerp(trekken zoude, om de wettige orde der erfvolgingen. te veranderen, het zij met betrekking tot hun zelven in de nalatenfchap van hunne kin- deren of afkomelingen, het zij met berrekking tot hunne kinderea onderling; onverminderd de giften onder de le- venden, of bij uiterften wil, welke volgens den vorm„en in de gevallen bij dit Wetboek bepaald, gedaan kunnen wore den. Art. 1390. Het is aan de echtgenooten al mede niet geoorloofd om, op eene algemeene wijze, te bedingen, dat hunne verbindte- pis zal geregeld worden door eene der costumen, wetten of plaatfelijke keuren, welke te voren, in de onderfcheiden ge- deelten van het Fransch grondgebied, plaats hadden, en die door dit Wetboek zijn afgefchaft. Art. 139. Niettemin mogen zij, op eene algemeene wijze, verklaren dat zij van meening zijn hun huwelijk, of in gemeenfchap van goederen, of met uitfluiting van dezelve, en onder het beftuur van der vrouws huwelijks-goed door den man, aan te gaan. In het eerfte geval, wanneer gemeenfchap plaats heeft, worden de regten der echtgenooten, en die-van hunne erf= genamen, geregeld door de bepalingen, in het tweede Hoofd= luk van dezen Titel voorkomende. In het tweede geval, en onder het beftuur van der vrouws huwelijks-goed door den man, worden derzelver regten gee regeld door de bepalingen, in het derde Hoofdftuk vervat. Arts 1202. Het enkel beding, dat de vrouw eenig huwelijkt-goed zal aanbrengen, of voor haar aangebragt zal worden, is niet voldoende, om die goederen aan het beftuur van den man te onderwerpen, zoo niet in het huwelijks-contract deswe- gen eene uitdrukkelijke bepaling gemaakt is. De onderwerping aan’ de befturing van het huwelijks-goed door den man, volgt ook niet uit de enkele verklaring, door de echtgenooten gedaan, dat zij buiten gemeentchap var goe: Ja ale Algemeene bepalingen. e8s deren hun huwelijk aangaan, of dat hunne goederen van el. kanderen zullen gefcheiden zijn. Er Hú 1393.- Bij ontbreken van uitdru KE ijke bedingen, waar door de en geheel wegget of beperkt wordt, zullen de rege bij het eerfte RN ds van het twee de Ho ofdftuk uitmake Nes Alle 1 huwelij worden. en, vóór het aangaan des bij acte vooreenen notaris„moeten» gepasfeerd Zij kunnen, na het aangaan des huwelijks, geene verande. AAL Le be bd DR| ‚ die daar in voorhet voltrek ven des hus De 2 le eik emaa mogen worden, moeten bewezen worden door eene acte, gepasfeerd in denzelfden vorm, als het huwelijks-contract. Geene veranderingen of gefchrifren Van eenen tegenftrijdigen Ì bovendien van waarde, zonder. de tegenwoor- pnt en de gelijke toeftemming van alle de perfonen, die in het huwelijks- contract partijen geweest zijn, ATEA. Alle veranderingen en tegenftrijdige gefchriften, zelfs die voorzien zijn van de formaliteiten, bij het vorige andtkek be- paald, zullen tegen derden. krachteloos zijn, ZOO dee niet als een gevolg van het huwelijks-contract Ch» is ite van het zelve gefteld zijn; en mag de notaris ftraffe van vergoeding van fchaden en interesfen aan p 1„sent, Zelfs op zwaardere ftraffen, indien daar toe aanle noch de grosfe,«noch eenig affchrifc van het contract útgeven, zonder aan het einde der acte die veranderingen of tegenftrijdige gefchriften mede te laten Art. 1398. Een minderjarige, die bekwaam is om een huwelijk aan te gaan, is ook bekwaam om toe te(temmen in alle overeen- komften, welke het huwelijl s-contract bevatten mags en zijn alle overeenkomften en giften, door hem daar bij gemaakt en gedaan„van waarde, mits hij bij het maken van het contract is geadfifteerd geweest door die genen, wier toeftemming tot de beftaanbaarheid van het huwelijk noodzakelijk was. T W E E. 236 HI Boek, D. Titel, Ú. Hoofapuk. TWEEDE HOOFDSTUK: Van de gemeenfchap van goederen, np Art. 1399. Gemeenfchap van goederen, het zij uit krachte van de wet; het zij uit hoofde van overeenkomst, neemt aanvang met den dag, dat het huwelijk voor den ambtenaar van den burgerlij- ken ftand voltrokken is: men kan niet bedingen, dat dezelve op een ander tijdftip aanvang nemen zal, EERSTE DEEL Wan de gemeenfchap. van goederen uit kracht van de wet. Art. 1400. S De gemeenfchap van goederen, welke dfárgefteld wordt doof de enkele verklaring, dat men het huwelijk in gemeenfchap aangaat, of bij ontbreken van een huwelijks-contract, is on- derworpen aan de regels, welke bij de zes volgende Afdee« lingen zijn vastgefteld: Pan de gemeenfchap vann goederen. 287 EERSTE AFDEELING. Van het geen de gemeenfchop actief en pasfief uitmaakt. S Is Wan het geen actief tot de gemeenfchap behoorts Art. I4ot. Het active van de gemeenfchap beftaat: 1°, In alle roerende goederen, welke de echtgenooten op den dag van’ de voltrekking des huwelijks bezaten, en de goederen, welke op hun, ge= tevens in alle roerenc durende het huwelijk, vervallen onder den titel van erfvolging, of ook van gifte, zoo de donateur het tegendeel niet bepaald heeft; 2°, In alle vruchten, inkomften, interesfen en achterftalli= ge renten, van welken aard die ook zijn mogen, ge- durende het huwelijk vervallen of genoten, en voort- komende van de goederen, welke aan de echtgenooten bij de voltrekking des huwelijks toebehoorden, of uit zoodanige goederen, welke aan hun, gedurende het huwelijk, onder welken titel ook, opkomen; g°, In alle onroerende goederen, die gedurende het huwes= lijk verkregen worden. Art. 14oo, Alle onroerende goederen worden geacht een aanwinst der gemeenfchap te zijn, ten ware bewezen worde, dat één der echtgenooten daar van den eigendom, of het wettig bezit ge- had heeft, voór het aangaan van het huwelijk, of dat het zelve daar na bij nalatenfchap of gifte is opgekomen. Art. 1403: Gekapt hout,en de afkomf{ten van fteengroeven of mijnen, vallen in de gemeenfchap, voor zoo verre al het zelve als vruchtgebruik kan worden aangemerkt, volgens de regels„ bij den Titel van vruchtgebruik, gebruiken bewoning opgegeven, In- 188 HIT. Boek, Vi Titel, IL. Hooflftulk Indien de kapping van het hout, welke, volgens die teà gels, gedurende de gemeenfchap. zoude hebben kunnen ge- fchieden, niet gefchied is, zal deswegen aan dien genen det echtgenooten, die geen eigenaar van den grond is, of aan deszelfs erigenamen, vergoeding moeten worden gedaan. Indien de fteengroeven en mijnen gedurende. het huwelijk geopend zijn, vallen de afkomften daar van niet in de ge, meenfchap, dan tegen vergoeding of fchadeloostftelling aan dien genen der echtgenooten, aan wien dezelve mogt verfchuls digd zijns Art. 1404. De onroerende goederen, welke de echtgenooten bezitten op den dag van de voltrekking des huwelijks, of die gedurende het zelve onder den titel van erfvolging aan hun opko= men, komen niet in de gemeenfchap. Zoo niettemin één der echtgenooten eenig onroerend goed. verkregen heeft, zedert het huwelijks-contract, waar bij de gemeenfchap bedongen is, en voor de voltrekking van het huwelijk, zal het onroerend goed, in diën tusfchentijd ver« kregen, in de gemeenfchap konten, mits die aanwinst nief gefchied zij ten gevolge van eenig beding, bij het huwelijks= contract bepaald, in welk geval men zich naar die overeen= komst gedragen zal. Art. 1405. Giften van ontoerende goederen, die gedurende het huwes lijk alleen aan één der echrgenooten gedaan zijn, komen niet in de gemeenfchap, en behooren aan den donataris alleen 5 mits die gifte niet uitdrukkelijk behelze, dat het gegevene aan de gemeenfchap behoort. Att. 1406. Een onroerend goéd, het welk door den vader„de moeder; of eenen anderen bloedverwant in de opgaande linie, aafr één der echtgenooten is overgelaten of afgeftaan, het zij om het geer hij aan denzelven verfchuldigd-is aftedoen, het zij on= der. den last om de fchulden van den donateur aan derden te betalen, komt niet in de gemeenfchap, behoudens de vergoes ding of fchadeloosftelling. Art. 1407. Een onroerend’ goed, het welk gedurende het huwelijk, onder den titel van ruiling, tegen een onroerend goed, aan één der beide echrgenooten toebehoorende, verkregen is, komê niet in de gemeenfchap, en blijft in de plaats van het goed, het welk vervreemd is; behoudens de vergoeding» indien bij die tuiling uit den gemeenen boedel iets is toegegeven. de 1408, de) Pian de gemeenfchop van goet Jore 23 Art. 1408. Het aandeel in eeh, ortroerend goed; waar van één de echtgenooten onverdeeide mede- eigenaar was, gedurende het huwelijk, onder den titel van opveiling of anderzins verkre- gen zijnde, maakt geene aanwinst uit; behoudens dat áan de gemeenfchap vergoed moet worden de fom, welke dezelve voor de verkrijging van dat aandeel heeft uitgefchoten. In geval de man älleen en op zijn eigen naam verkrijgt 4 of aan hem toegewezen wordt, een aandeel in, of het ge- heele onroerend goed, in onverdeel de gerneenfchap à dan zijne 1 nahe ouw toebehoorende,, heeft. deze, wanneer de gemeen- hap ontbonden wordt; de keuze om; of het goed aar de 2 mer ef over te laten, welke als dan aan de vrouw vef- íchuldig ordt het gedeelte, aan haar in den prijs toebehoo- rende, of om het onroerend goed te rug te neme en, mits aan de gemeen{chap betalende den prijs, bij de werkrijgi ing uitges lu 5 {choten, $ Ih Van het geen pasfief tot de gemeenfthap behoort} en van, de actiën, die daar uit tegen de gemeenfchap voortfpruiten. Art. 1459. Het pasfive def gemeentchap beftaat: 1°, In alle, de fchulden, onder de rogfehde En eren Behode teride, Waär mêde de echtgehooten, ten tijde van hèt voltrekken van hun huwelijk,| bezw aard wäre ren; of wadr mede de nglatenfchappen, aan hun ftaande huwelijk te Beurt gevällën,- zich betast bevondèn, behoüdens de vergoeding ten aarizien vän die fchulden, welke bê« trekkelijk zijn tot de ontoêrende goederen, San éen vaii beïde de echtgenooten in eigendom toebéhöofende: a°, In de fchulden,zob in Hoofdfomaren, als in achterf laf len of interesfe n beftaande, door BE man„ taande de gemeenfchap, of door de vrouw met toeltemming van den man gemaakt, behoudens de vergoeding in de k gevallen„ waar in ezelve plaats heeft. 800 III, Boek, V. Titel, ZI. Hoofdftak. 29, In de achterftallen en interesfen., alleenlijk van renten of pasfive fchulden,die aan de beide echtgenooten pere foonlijk eigen zijn. In reparatiën, die een lijftogtenaar verfchuldigd is, ten aanzien van onroerende goederen, welke in de gemeen- fchap niet komen. #9, In het onderhoud der echtgemooten„ de kosten tot de opvoeding en het onderhoud der kinderen ,en verdere lasten van het huwelijk. Art. 1410. De getneenfchap is niet aanfprakelijk voor de fchulden, one der roerend goed behoorende, voor het huwelijk door de vrouw gemaakt, dan voor zoo verre dezelve voortfpruiten uit eene authentieke acte, die ouder is dan het huwelijk, of voor dien tijd eene zekere dagteekening bekomen heeft, het zij door regiftratie, het zij door het overlijden van één of meer der genen, die dezelve acte geteekend hebben. De fchuldeifcher van de vrouw kan, uit krachte eener ace te, waar van het niet zeker blijkt, dat zij vóór het huwelijk geteekend is, geene betaling in regten van haar vorderen, dan op den blooten eigendom der onroerende: goederen, haar perfoonlijk toebehoorende, De man; die beweren mogt eene fchuld van dien aard voor zijne vrouw betaald te hebben, kan deswegen geene vergoes ding, noch van zijne vrouw, noch van hare erfgenamen, vorderen, 4°. Art. 14IIs De fchulden van nalatenfchappen, enkel uit-roerende goe= deren beftaande, die ftaande huwelijk aan de echtgenooten zijn te beurt gevallen, komen voor het geheel ten laste van de gemeen{chap. Art. 1412» De fchulden wan eene nalatenfchap, enkel uit onroerende goederen beftaande, die aan eene der echtgenooten{taande huwelijk te beurt valt, komen niet ten laste van de gemeen: fchap; behoudens het regt het welk de fchuldeifchers hebben„ om hunne betaling te vervolgen op de onroerende goederen van gemelde nolatenfchap. Niettemin„indien de nalatenfchap aan den man is te beurt gevallen, kunnen de fchuldeifchers der nalatenfchap hunne betaling vervolgen; het zij op de goederen, die den man in eigendom toebehooren, het zij ook op de goederen der gee mees ETEN :€ is) oct p 9 Pan de gemeenfchap van goederen.° \0 Pae meenfchap; behoudens in dit tweede geval de vergoeding aan de vrouw of aan hare erfgenamen verfchuldigd. Art. I4I3e Indien de nalatenfchap, enkel uit onroerend goed beftaana de, aan de vrouw is te beurt gevallen, en zij dezelve aans waard heeft met toeftemming van haren man, kunnen de fchuldeifchers der nalatenfchap, hunne voldoening vervolgen op alle de goederen, die aan de vrouw perfoonlijk toebehoo- ren 5, maar indien de erfenis door de vrouw aanvaard is uit | te van eene regterlijke autorifatie, aan haar uit hoofde des mans weigering verleend, kuanen de fchuldeifchers val de onroerende’ goederen der nalateufchap onvoldoens= regt. vervorderen alleen op den. blooten eigen- ederen, aan de vrouw perfoonlijk toebe« Art. 1414. ‚Wi eer de naletenfchap, aan een der echtgenooten te beurt evallen, gedeeltelijk uit roerend, gedeeltelijk uit onroerend goed beftaat, komen de fchulden, waar mede die’ nalatenfchap bezwa: ard is, niet verder ten laste der gemeenfchap, dan ter eloope van het aandeel, het welk het roerend goed in de fchul len dragen moet, naar mate van de waarde van dat nd goed, in vergelijking van de waarde der onroerende goederen. Dit aandeel, het welk het roerend goed in de fchulden agen moer, AE zich naar den inventaris, welken de man } J 5 te) 7 dr moet doen opmaken, het z fl uit eigen hoofde a ludien de nalatesfchap hem ‚pe rfoonlijk betreft, het zij als ap ®D n autoriferende de regten en actiën zijner huisvrouw„indie de nalatenfchäp aan haar is.te beurt gevallen. Art. 1415. ï Bij ontbreken van eêpen inventaris, en in alle gevallen in welken dit ontbreken de vrouw benadeelt, mogen zij of hare erfgenamen, bij de, ontbinding der gemee nfchap, van regtswegen op vergoedingen aanfpraak maken„ en zich tot bewijs bedienen, zoo wel van fchrif ftelijke bewijzen en huis- felijke€: Papier, als van getuigen, en des noods van het al- gemeen gerucht, om aan te toonen, waar in het niet geine ventarifeerd roerend goed beftaan heeft, en deszelfs waarde. De man is nooit bevoegd, om zich van dit bewijs te bee dienen. Es EKC IL Art. 1416, De bepalingen van Art. 1414 beletten, niet, dat de fchulda @ilchers eener nalatenfchap, welke, deels in roerende; deels in, Ts din za HI, Boek, W. Titel, IL. Hoofdfluk, Onroerende goederen beftaat, hunne betaling vervolgen op dé goederen der gemeenfchap, het zij de erfenis aan den man is te beurt gevallen, het zij aan de vrouw, wanneer deze de nalatenfchap met toeftkemming wan haren man aanvaard heeft, alles onverminderd de vergoedingen, in het eene en andere geval plaats hebbende. Het zelfde heeft ook plaats, indien de nalatenfchap door de vrouw, uit krachte van eene regterlijke autorifatie, aanvaard is, en dat niettemin het roerend goed vermengd is met dat van de gemeenfchap, zonder dat vooraf een inventaris is ge= maakt geworden, Art. 1417. Indien de nalaten{chap door de vrouw piet anders aanvaard is, dan uit krachte eener regterlijke autorifatie, aan haar uit hoofde van des mans weigering verleend, en indien er een inventaris gemaakt is, kunnen de fchuldeifchers hunne betas ling vervolgen, alleen op de roerende en onroerende goedz= ren der gemelde nalatenfchap, en dezelve niet voldoende zijnde, op den blooten eigendom der verdere goederen, welke perfoonlijk aan de vrouw toebehooren. EL. 1418. De regels, bij Artikel 141r. en volgende vastgefteld, zijn even zeer betrekkelijk tot de fchulden, welke uit eene gifte {pruiten, als die uit eene nalatenfchap voortkomen. Art. 1419e De fchuldeifchers kunnen de betaling der fchulden, welke de vrouw met toeftemming van den man gemaakt heeft, ver« volgen, zoo wel op de goederen van de gemeenfchap„als op die van den man of van de vrouw; behoudens de vergoe- ding aan de gemeenfchap,of de fchade- vergoeding, aan den man verfchuldigd. é p Art. 1420, Alle fchulden, die door de vrouw alleen, uit hoofde vart eene algemeene of bijzondere volmagt van den man, gemaakt zijn, komen ten laste van de gemeenfchap,en kan de fchuld= eifcher tot de betaling daar van, noch de vrouw, noch de, aan haar perfoonlijk toebehoorende goederen, aanfpreken. ec Van de gemeenfthap van goederen 20% Lt TWEEDE AFDEELING Van de beheering der gemeenfthap, en de kracht der handelingen, door een der heide echtgenooten met betrekking tot de huwelijks-gemeenfthap aangegaan. Art. raor. De man beftuurt alleen de goederen van de gemeenfchap, Hij kan dezelve verkoopen, vervreemden en verpanden„ zonder tusfchenkomst van de vrouw, Art. 1422; Hij kan onder de levenden, bij wege van fchenking, niet befchikken over de onroerende goederen der gemeenfchap, noch over het geheel, of over een gedeelte der roerende goe deren, dan alleen om aan de kinderen, uit hun beider hue welijk gefproten, eene kostwinning te bezorgen, Hij kan echter over de roerende goederen, bij wege van fchenking, en onder eenen bijzonderen titel, ten voordeele van een ieder befchikken, mits hij zich het vruchtgebruik daar aan niet voorbehoude, Art. 1423. De gifte bij uiterften wil, door den man gedaan, kan zijn aandeel in de gemeenfchap niet te boven gaan. Indien hij op deze wijze eenig goed uit de gemeenfchap aan iemand heeft gefchonken, kan de donataris het zelve niet in natura vorderen, dan woor zoo verre dat goed, bij eene te doene verdeeling, onder het toegefcheiden aandeel der erf. genamen van den man valt; indien dat goed in het aandeel van die erfgenamen niet valt, bekomt de legataris eene ver. goeding voor de geheele waarde der gefchonkene zaak, uit het aandeel der erfgenamen van den man in de gemeenfchap„ en uit de goederen, aan den laatstgemelden Ferfoonlijk toebee hoorende. Art, 1424. De geldboeten, door den man verbeurd wegens eene misdaad, die den burgerlijken dood niet te weeg brengt, kunnen verhaald worden op de goederen der gemeen{chap, behoudens de vers T goe: ID. Boek, V. Titel, II. HoofdfBake goeding, aan de vrouw verfchuldigds geldboeten, door de vrouw: verbeurd, kunnen alleenlijk verhaald worden aan den blooten eigendom der goederen, aan haar perfoonlijk toebe- hoorende, zoo lang de gemeenfchap duurt. IE Art. 1425. Regrerlijke vonnisfen, tegen een der beide echtgenooten uit- gefproken wegens eene misdaad, die den burgerlijken dood te weeg brengt, kunnen alleen op het aandeel van dien echt- genoot in de gemeenfchap, en op de goederen aan denzelven zoebehoorende, ter executie gelegd worden, L Art. 1426. De handelingen, door de vrouw. zonder toeftemming van den man verrigt, al is het zelfs op autorifatie van den reg: ter, verbinden de goederen van de gemeenfchap niet, ten ware zij zich verbonden heeft als openbare koopvrouw, tér zake van haren koophandel. Art. 1427. De vrouw kan zich niet verbinden, noch ook de goederen van de gemeenfchap verpanden, zelfs niet om haren maa uit de gevangenis te verlosfen, of om bij afwezendheid van den nan aan hare kinderen eene kostwinning te bezorgen, dan ra dat zij alvorens daar toe door den regter is geautorie feerd. \ Art, 1428. De man heeft de beheering van alle goederen„aande vrouw, perfoonlijk toebehoorende. Hij kan alleen alle actiën, tot roerende goederen,of bezit, regt betrekkelijk, en aan de vrouw toebehoorende, vervol» en. Hij kan de onroerende goederen, aan zijne vrouw perfoon- lijk toebehoorende, zonder hare toeftkemming niet vervreem- den. Hij is verantwoordelijk voor alle vermindering der goede. ren, aan de vrouw perfoonlijk toebehoorende, veroorzaakt door het niet behoorlijk zorgen voor derzelver bewaring en on derhoud. Art.(1400. De huurcedullen, welke de man alleen nopens de goederen van zijne vrouw voor langeren tijd dan negen jaren gemaakt heeft, zijn, wanneer de gemeenfchap ontbonden wordt, ten danzien van de vrouw of hare erfgenamen niet verder verbin- dende voor den tijd, die nog te loopenis, het zij van het eerfte ijdvak van negen jaren, wanneer partijen zich daar in nog bevinden, het zij van het tweede tijdvak„en zoo vervolgens C v ed ab Pan de gemeenfchap van goederens 205 in dier voegen, dat de huurder alleenlijk het. regt heeft, om genot van het gehuurde te hebben tot het einde van het tijde vak van, negen jaren. Art. 1430» De huurcedullen van negen of meer jaren, welke de man alleen heeft aangegaan of vernieuwd, nopens de goederen van zijne vrouw, meer dan drie jaren voor dat de loopende huur geëindigd is, voor zoo verre die goederen in landerijen beftaan, en meer dan twee jaren voor het zelve tijdftip, voor zoo verre die goederen in huizen beftaan, zijn krachteloos, ten ware zij voor de ontbinding der gemeenfchap waren ingegaan. Art. 1431. De vrouw, welke zich met haren man folidair verbindt 3 voor zaken de gemeenfchap of haren man betreffende, wordt geacht zich ten opzigte van denzelven{lechts als borg ver- bonden te hebben: zij moet fchadeloos gefteld worden voor de verbindtenis, welke zij heeft aangegaan. Art. 1432 De man, welke, het zij folidair, of op eene andere wijze; wrijwaring belooft voor den verkoop, door zijne vrouw van een aan haar perfoonlijk toebehoorend onroerend goed gedaan, heeft insgelijks op haar zijn verhaal, het zij op haar aandeel in de gemgenfchap, het zij op de aan haar perfoonlijk toe= behoorende goederen, indien hij ter zake van dien verkoop door iemand ontrust wordt. Art, 1433e Indien een onroerend goed, aan één der echtgenooten toe= behoorende, verkocht is gelijk ook wanneer men grondlasteng verfchuldigd aan erven, welke aan één der echtgenooten eisen waren, voor gereed geld heeft afgekocht, en de prijs of waarde daar van in de gemeenfchap is ingekomen, zon= der dat dit geld wederom belegd is, moet het zelve eerst uit de gemeenfchap genomen worden, ten voordeele van den chtgenoot, die eigenaar was, het zij van het verkochte on= roerend goed, het zij van de afgekochte grondlasten. Art. 1434 Ten aanzien van den mans wordt dat geld geacht weder belegd te zijn, wanneer hij bij het verkrijgen van eenig goed, verklaard heeft, dat het zelve verkregen was voor gelden, van de vervreemding van het onroerend goed, hem perfoon= lijk toebehoord hebbende, afgekomen, en Om alzoo tot die weder-belegging te dienen. er 1 4 Art. 14350 a nen e tente nee 296 HK Boek, Pi Titel, IL, Hoofdfinks Art. 1435. De verklaring van den man, dat zoodanig goed verkregen is uit penningen, welke waren voortgefproten uit den vere koop wan een onroerend goed van’ de vrouw, en om haar fot die weder-belegging te dienen, is miet voldoende, ten Ware de vrouw die weder- belegging uitdrukkelijk heeft aan. genomen; indien zij dezelve niet aangenomen heeft, heeft zij Eenvoudig het regt, om bij ontbinding der gemeenfchap, ver= goeding van den koopprijs van haar verkocht onroerend goed te vorderen., Art. 1436. De vergoeding van den koopprijs vaneen vervreemd goed, aan den man toebehoorende,‘gefchiedt uit de masfa der ge- meenfchap; de vergoeding van den koopprijs wan een onroe- rend goed, het welk aan de vrouw toebehoorde ‚ gefchiedt Uit de goederen, aan den man perfoonlijk toebehoorende, in= dien de goederen van de gemeenifchap daar toe niet toercie kende zijn. In allen gevalle heeft die vergoeding plaats op gen voet van den gedanen verkoop, zonder dat sin aanmer- king kan komen, het geen men omtrènt de waarde van het vervreemde onroerende goed zoude willen bijbrengen, ARE gee Zoo dikwijls op goederen van de gemeenfchap gelden zijn opgenomen, het zij om eenige perfoonlijke fchulden of lasten van een der echtgenooten te voldoen, als bij voorbeeld den geheelen of gedeeltelijken koopprijs van een onroerend goed, aan denzelven in eigendom toebehoorende, of. de afkoop van eenige grondlasten, het zij om zijne eigene goederen te rng te bekomen, te behouden ofte verbeteren, en in’ algemeen zoo dikwijls een der beide echtgenooten eenig perfoonlijk voor= deel uit de goederen der gemeenfchap getrokken heeft, is de _wergoeding daar van verfchuldigd. Art. 1438, Indien de vader en moeder te zamen aan een kind, uit hun huwelijk geboren, een huwelijksgoed gegeven hebben, zonder uit te drukken het gedeelte, waar voor zij daar in be- geerden te dragen, worden zij geoordeeld ieder woor de helft dat huwelijksgoed. gegeven te hebbe, het zij het zelve ge- geven of beloofd is uit goederen, tot de gemeenfchap behoo= tende, het zij uit goederen, welke perfoonlijk aan een der_ heide echtgenooten toebehoorden. In het laatfte geval heeft de echtgenoot, wiens onroerend gf ander. goed, hem perfoonlijk toebehorende„ ten huwelijk ge- eee is, op de goederen van den anderen echternost HAER » (cl va 7 Pan de gemeenfchap van goederen. 297 getje tot fchadeloosftelling voor de helft van dat huwelijks: goed; in aanmerking genomen zinde de waarde, welke het gegeven goed ten tijde der gifte had, Art. 1439. Het huwelijkssoed, door den man alleen aan een kind, door hem aan zijne vrouw verwekt, gegeven, in goederen, die tot de gemeenfchap behoorden, komt ten laste van de gemeen- {chap; en in geval de gemeenfChap door de vrouw aangeno= men is, moet deze de helft in het huwelijksgaed dragen, ten zij de man uitdrukkelijk verklaard heeft, dat hij het geheel Feen gedeelte, meerder dan de helft bedragende, ten zijnen t 2 nale Art. 1440. De vrijwaring van het huwelijksgoed is verfchuldigd door ieder een, die het zelve beloofd heeft; en de interesfen daar van loopen van den dag des huwelijks, offchoon er een tijd tot de betaling bepaald was, indien het tegendeel niet bedons DERDE AFDEELING, Wan de ontbinding der gemeenfchap, en eenige gevolgen van dezelve, Art. 1441. De gemeenfchap wordt ontbonden: 1°. door den natuur- lijken dood, 2°. door den burgerlijken dood, 3°. door echt- fcheiding, 4°. door fcheiding van tafel en bed, en 5% door affcheiding van goederen. Art. 1442. Het ontbreken van eenen inventaris, na den natuurlijken of burgerlijken dood van één der echtgenooten;, geeft geenen grond tot voortduring der gemeenfchap 3 behoudens de actiën der belanghebbende partijen om uittemaken, waar in- de ge- meene goederen beftaan hebben, het welk, zoo door fchrif telijk befcheid, als door een algemeen gerucht, bewezen kan worden. Indien er minderjarige kinderen zijn, doet het ontbreken yvan eenen inventaris den overgebleven echtgenoot het genot wan derzelver inkomften verliezen; en de toeziende voogd, die denzelven niet genoodzaakt heeft eenen inventaris te ma- T 5 ken, 298 ZIN. Boek, V. Titel, II. Hoofdftuk. ken, is benevens hem folidair verbonden tot voldoening dan alle vonnisfen, die ten voordeele der minderjarigen zous den mogen worden uitgefproken.} Art. 1443. De affcheiding van goederen kan alleenlijk in regten ge- eischt worden door de vrouw, wier huwelijksgoed in gevaar geraakt, en wanneer de wanorde der zaken van den man grond geeft om te vreezen, dat zijne goederen niet toereis kende zijn, om aan de vrouw te voldoen het geen haar naar fegten toekomt, en door haar terug geëischt kan worden, Alle vrijwillige affcheiding van goederen is nietig. Art. 1444. De affcheiding van goederen, fchoon‘bij regterlijk vonnis: toegewezen, is nietig, indien zij niet tor dadelijke betaling van het geen de vrouw naar regten toekomt, en door haar te rug geëischt kan worden, ter uitvoer gebragt is, blijkens eene daar van zijnde authentieke acte, ten beloope van de goederen van den man,of ten minften wanneer, binnen veers ten dagen na het vonnis, daar toe geene geregtelijke vervol« gingen begonnen, en onafgebroken voortgezet zijn. Art. 1445. Alle affcheiding van goederen moet, voor dat die ten uite voer gebragt wordt, worden bekend gemaakt, bij aanplak« king op een daar toe gefchikt bord, in de hoofdzaal van de regtbank van de eerfte inftantie; en bovendien in de hoofdzaal van de regtbank van koophandel, indien de man een koopman, bankier of handel-drijvend perfoon is, op ftraffe, dat de executie nietig zijn zal, Het vonnis, waar bij de affcheiding der goederen toege« wezen is, heeft eene achteruitwerkende kracht van den dag„ dat daar toe eisch gedaan is, f Art. 1446. De perfoonlijke fchuldeifchers van de vrouw kunnen, zon. der hare toeftemming, de fcheiding der goederen niet vra: gen. Niettemin mogen zij, wanneer de man bankbreukig of ges heel infolvent is, de regten van hunne fchuldenaresfe, tot het beloop van het bedragen hunner fchuìdvorderingen,in regs ten vervolgen. Art. 1447- De fchuldeifchers van den man kunnen zich verzetten ter gen de affcheiding van goederen, welke tot benadeeling van hunne regten is toegewezen, en zelfs ter uitvoer gebragt* zelfs kunnen zij zich in de inftantie op den gedanen eisch gal n( an de gemeenfchap van goederen. 299 sot affcheiding bekend maken, om‘die affcheiding te betwisn tene Art. 1448. De vrouw, welke de affcheiding van goederen bekomen heeft„moet, naar evenredigheid van haar vermogen, en da van haren man, dragen zoo wel in de kosten der huishou- ding, als vàn de opvoeding der kinderen, door haren man aan haar verwekt. Indien de man niets overhoudt, moet zij die kosten alleen Art. 1449. zuw, welke van haren man gefcheiden is, het zij 1, bed en goederen, het zij van goederen alleen, be- komt de vrije beheering daar van te rug. j ka„hare roerende goederen befchikken,«en die Zij kan hare onroerende goederen niet vervreemden, zone der toeftemming van den man, of indien hij zulks weigert, zonder autorifatie van den regter. Art. 1450. De man is tot geene vrijwaring gehouden, indien de gefchei- den zijnde vrouw nalatig is geweest, om den koop-prijs van een onroerend goed, het welk zij op autorifatie van den regter vervreemd heeft, weder te beleggen, ten ware hij het con= tract mede heeft helpen tot ftand brengen, of bewezen is, dat de penningen door hem ontvangen zijn, of ten zijnen voordeele geftrekt hebben. Hij is tot vrijwaring wegens het verzuim van die beleg- indien de verkoop in zijne tegenwoordigheid eftemming gedaan is; hij is echter niet vere en, dat die belegging ten nutte is gedaan. Art. 1451. De gemeenfchap ‚die, het zij door fcheiding van tafel, bed en goederen, het zij door fcheiding van de goederen alleen, is, kan mer toeftemming der beide partijen her- ontbonc fteld worden. Zulks kan niet anders gefchieden, dan door eene acte, voor notarisfen gepasfeerd, waar van de minute onder dezelven berustende blijft, en een affchrift moet worden aangeplakt, zoodanig als bij Arte 1445 bepaald is. In dit geval herneemt de herftelde gemeenfchap hare kracht van den dag des huwelijks af; de zaken worden herfteld denzelfden ftaat, als of er geene fcheiding had plaats gehad s onverminderd nogtans de nakoming van zoodanige har Ii 1 En mn> pe nn & / goe ZIT, Boek, Pa Titel, IL. Hoofuk. gen, als, gedurende dien tusfchentijd, door de vrouw zouden hebben mogen verrigt zijn, overeenkomftig Art. 1449| Alle overeenkomst, waar door de echtgenooten de gemeen. fchap zouden herftellen op andere voorwaarden, dan waar op zij bevorens plaats had, is nietig. Art. 1452. Ô De ontbinding der gemeenfchap, door echtfcheiding of door Scheiding van tafel, bed en goederen, of van de goederen. alleen, veroorzaakt, doet de regten van de vrouw, die zij bij overleving zoude gehad hebben, niet vervallen; maar zij behoudt de magt om dezelve uit te oefenen, wanneer de man natuurlijk of burgerlijk dood is, VIERDE AFDEELING. Van het aannemen der gemeenfthap, en den afftand, die daar van gedaan kan worden, benevens de voorwaarden, daar toe betrekkelijk, Ld Art. 1453, Na de ontbinding der gemeenfchap, hebben de vrouw, of hare erfgenamen en regt verkrijgenden, de magt om de ge-« meenfchap aantenemen, of daar van afftand te doen: alle overeenkomst, daar tegen ftrijdende, is nietig. Art. 1454.” De vrouw, welke zich in de goederen der gemeenfchap gee mengd heeft, kan daar ven geenen afftand doen. Daden, die alleen de beheering of het behoud der goede- ren betreffen, hebben niet ten gevolge, dat men daar door geoordeeld wordt zich in de gemeenfchap gemengd te heb- ben. Art. 1455, De vrouw, welke, meerderjarig zijnde, bij eene handeling zich heeft voorgedaan, als in gemeenfchap getrouwd zijnde, kan daar van geenen afftand doen ‚nog zichtegen het aanne- men van die qualiteit in haar geheel doen herftellen, al had zij zelfs die qualiteit aangenomen vóór het maken van den inventaris, ten ware van de zijde der erfgenamen van den man bedrog had plaats gehad, Art. 1 m6, Ok) ha ûf to 19 Dg kad Pun de gemeenfchap' van goederen; zó Art. 1456» De vrouw, de langstlevende zijnde, en de magt willende behouden, om van de gemeenfchap afftand te doen, moer binnen drie maanden na den dag van. haar mans. overlijden„ eenen getrouwen en naauwkeurigen inventaris doen maken van alle de goederen der gemeenfchap, gezamenlijk, met de erfgenamen van c„ of dezelven daar toe behoorlijk geroepen zijnde. Deze inventaris moet zij„ bij het fluiten van denzelven„voor den baren ambtenaar, ten wiens overltaan dezelve gee pasfeerd is, bevestigen opregt en waarachtig te zijn. Arts I457e Binnen drie maanden en veertig dagen na het overlijden van den man, moet zij ter grilie van de regtbank der eerfte inftante van het arrondisfement, alwaar de man zijne woon= jlaats had, haren afftand van de gemeenfchap dege acte móet worden ingefchreven in het register, het welk ge= houden wordt om de acten van afftand van nalatenfchappen daar in te boeken. man Art. 1458. De weduwe kan, naar mate van de omftandigheden, bij bank van de eerfte inítantie verzoeken eene verlenging van den termijn; bij het vorige Artikel. tot. het doen van haren afftand bepaalds. deze verlenging wordt, indien. daar toe redenen dienen,na verhoor der erfgenamen van den man, of dezelven daar toe behoorlijk geroepen zijnde, bij vonnis toegewezen. Da Art. 1459. De weduwe, die geenen afltand wan de gemeenfchap, bin- nen den hier voor bepaalden tijd, gedaan heeft, is niet ver= ftoken van de magt om afftand te doen, zoo zij zichr niet ín de gemeenfchap gemengd heeft, en zoo zij eenen inventaris heeft gemaakt; zij kan alleenlijl pi k worden-aangefproken als in gemieenfchap zijnde, tôt dat zij afltand gedaan heeft, en is gehouden tot vold 7 ten, welke tegen haar tot op het doen der afftand gemaakt zijn. Zij kan insgelijks worden aangefproken na verloop der weertig dagen, zedert het fluiten van den inventaris, indien dezelve voor de drie maanden gefloten is. Art. 1460. De weduwe, welke genige goederen van de gemeenfchap heeft weggemaakt of verborgen, wordt verklaard in gemeen- fchap te zijn, niettegenftaande haren gedanen afftand: het zelfde heeft plaats omtrent hare erfgenamen, di ening der kc Ì Att. I40E, zoë UI, Boek, V. Titel, IT. Hoof. Art. 14Ór. Wanneer de weduwe flerft voor het verloop der drie maan- den,zonder den inventaris gemaakt of voltrokken te hebben 4 hebben de erfgenamen, tot het maken of voltrekken wan den inventaris, eenen nieuwen termijn van drie maanden, te re- kenen van den dag van het overlijden der weduwe, en veer- tig dagen om zich te beraden na het fluiten van den inven- arise Zoo de weduwe fterft na den inventaris voltrokken te heb= ben, hebben hare erfgenamen eenen nieuwen termijn van veertig dagen om zich te beraden, te rekenen van den dag van haar overlijden, ‚{Zij kunnen bovendien van de gemeenfchap afftand doen, op de wijze hier voren bepaald; en is het bij Art. 1458 en 1459 vastgeftelde op hun toepasfelijk. Aft. 1469, De bepalingen van Artikel‘1456 en volgende zijn toepasfe- Ik op de vrouwen van perfonen. die burgerlijk dood zijn, te rekenen van den dag, dat die burgerlijke dood een aanvang genomen heeft, It, 1463. De vrouw, welke van haren man geheel, of flechts van tafel en bed gefcheiden is, en binnen drie maanden en veer tig dagen, na dat die echt{cheïding of feparatie bij eindelijk vonnis bepaald is, de gemeenfchap niet heeft aangenomen, wordt geacht daar van afftand te hebben gedaan, ten ware zij, den termijn nog loopende, verlenging van denzelven van den regter verkregen heeft,na verhoor van den man, of denzelven daar toe behoorlijk geroepen zijnde. Art. 1464. De fchuldeifchers van de vrouw kunnen zich tegen den afftänd verzetten, welke door haar, of hare erfgenamen, tot benadeeling hunner fchuldvorderingen gedaan is,en uit eigen hoofde de gemeenfchap aannemen. Art. 1465. De weduwe, het zij ze de gemeenfchap aanneemt, of daar wan afftand doet, heeft het regt, om, binnen drie maanden én veertig dagen, welke haar tot hêt maken van den inven. taris, en om zich'te beraden, zijn toegeltaan, uit den voor handen zijnde voorraad,en,die ontbrekende„door eene geld- léening voor rekening van den gemeenen, boedel, zich van het noodig onderhoud voor haar en hare dienstboden te voor= zien, mits daar van een, matig gebruik makende. Zij is geene huur verfchuldigd, uit hoofde der inwoning, ij Ho d hi D kan A4 en 5 ses hed KN T og Se S, Cy De - 3 Ë 7 termijgen heeft kuunen nemen in eer of aan de erfde hand es en indien het huis, het welk de edliege: man beh OOrenc nooten, op het tijdítip eenfchap ontbonden is, oe b Ì RE PA AN aeher 4 bewoonden, een huur- zal de vrouw, gedurende dezelve termijnen, U) er huupenningen niet dra» gen, maar zullen dezeive ten laste van den gemeenen boedel ‚ 1466. ap door den dood van de vrouw kunnen hare erfgenamen van de gemeen= ontl Y„ binnen den tijd en in den vorm ‚ welker J f e wet voorfchrijijft aan eene vrouw, die de langstlevende VIJFDE AFDEELING. an de verdeeling der gemeenfchap, na derzelver AANNEMINE'e é Na dat de Bemeenfichap d door de vrouw of hare Pr den BE aangenomen„ worden de baten verdeeld„ en de lasten ge- ‚ek rA ragen, op de wijze hier na bepaald, SL CC GR geen b_ actief tot dé fe) Wan de verdeelt De echtgenooten of hun brengen in den boe- del, zoo als dezelve bev beftaan, al het door hun verfchuldigde aan de gemeenfc uit, hoofde.„van-ver- goeding of Gchadeloostft elling, volgens de ‚regels hier vo zod ÍIL Boek, WV. Titèl, IT. Hoofifik: vastgelleld in de tweede Afdeeling wan het eerfte gedeelte van het tegenwoordig Hoofdftuk, Art. 1469. Ieder echtgenoot; of zijn erfgenaam; brenet insgelijks in de gemeenfchap de geldfommen, die daar uit genomen zijns of de waarde der goederen; welke de, echtgenoot daar uit geno- men heeft, om aan een kind, uit een ander huwelijk gebo ren, een huwelijksgoed te geven, of om het kind, uit hug beider huwelijk geboren, perfoonlijk uit te huwelijken. Art. 14708 Uit den gemeenfchappelijken boedel geniet ieder der echt genooten, of zijn erfgenaam, voor uit: 1°, Zijne hem perfoonlijk toebehodrende goederen; welké in de gemeenfchap niet gekomen zijn, wanneer dië if natura beftaan, of zoodanige goederen, welke doot weder= belegging verkregen zijn. i &°, Den koopprijs zijnêr onroereùde goederen, die gedu- rende de gemeenfchap vervreemd, doch niet weder aangelegd zijn. Î 89, De fchadeloosftellingen; welken de gemeenfchap hem verfchuldigd is. Art. 1471. Het geen de vrouw uit de gemeénfchap vooruit geniet; gaat eerst uit den boedel, en vervolgens het geen de man geniet. He Wat de goederen betreft, die niet meer in natura beftaan; verhalen de echrgenooten- dezelven, eerst aan het gereed geld, vervolgens aan het roerend goed, en bij ontbreken van dien aan de onroerende goederen van de gemeenfchap: in het Jaatstgemelde geval, wordt de keuze der onroerende goede. ten aan de vrouw en hare erfgenamen overgelaten: / Art. 1472. De man kan, het geen hij te rug neemt, alleenlijk verhalen aan de ‚goederen der gemeenfchap. De vróuws en hare erfgenamen, verhalen hun fegt op de goederen, den man perfoonlijk toebehoorende, wanneer de gemeenfchap niet toereikende is. Art. 1473. De weder-beleggingen en vergoedingen, door de gemeenfchap aan de echtgenooten vêrfchuldigd, en de vergoedingen en fchadeloosftellingen door hun aan de gemeenfchap verfchul- digd; moeten, uit krachte wan de wet; voldaan worden met ds interesfen, van den dag dat de gemeenfchap ontbonden is, ë Art, 14744 2 É ) geno ruf Moo Pan de gemèenfchap van goederen, Aad Art. 1474. Na dat de beide echtgenooten: uit den boedel, hebben. uita genomen„. het geen. zij vooruit genieten, wordt het overfchor tusfchen de echtgenooten, of-de genen, die hen wèêrtegene woordigen, ieder voor de helft verdeeld. Art. 1475. de erfgenamen„van de) vrouw. verdeeld zijn„zod dat de een de gemeenfchap heeft aangenomen, en de ander daaf van afltand gedaan heeft, kan de geen, die dezelve- aange. nomen heeft, niet meer genieten, dan.zijn ge erfdeel ing de goederen,-die bij fcheiding aan dè vrouw te beurt vale len. 18 Het overfchot blijft aan den man, die ten behoeve van den erfgendam„, welke afftand gedaan heeft, belast bl met al het geen de ed geval wäns ge: danen af fltand, ide hebe ben kunnen vorderen; doch alfeenlijk ten Bnn van het gelijk erfdeel van den geen, die affland gedaan heeft, Art. 14:76, Voor he at overige, is de verdee eling der gemèenfchap, voor. oo' veel betreft derzelver vorm, de opveiling der onroerende oed leren, zoo dezelve plaats heeft, de gevolgen der verdee« ling, de vrijwaring, daar ûit voortfpruitende, en. het-geen tot: gelijkftelling. der loten moet worden bijgebragt,“ondere worpen aan alle.de regels, welke inden Titel van-erfvolgin= gen, omtrent verdeelingen tusfchen mede-erfgenamden bes paald zijn. Lon lek je a Art. 14775 Die geen der echtgeno joka, die eenige goederen der ges meenfchap heeft weggemaakt: of verborgen; is verltoken van Zijn aandeel in gemelde goederen. Art. 1473. Indien,„na. het: voltrekken der verdeeling, één der.beide echtgenooten de perfoonlijke fehuldeifcher. van den à anderen iss gelijk, wanneer. de.koopprijs van zijn goed. gebruikt. is. tot betaling eener„perfoneele fchuld ‚van den mede- echtgenoot; of uit eenigen anderen hoofde; verhaalt hij june fchaldvordee ting Aan Het gedeelte, het welk bij de verdeeling der, gemeen- Íchap aan denzelven is, te beurt gevallen, of aan de goederen, dië hein perfoonlijk toébehoorens Art, 1479. De perfoneele{chuldvorderingen; welke de echtgenooten 5 de een tegen den anderen; hebben, geven geene renten, dart tan den dag, dat deswegen in regten is eisch gedaan. Vv Art. 14904 eg 306 UI Boek, PV. Titel, II. Hoofaftak, Art. 1480. De giften, welken de eene echtgenoot aan den anderen heeft mogen doen s worden verhaald op het aandeel wan den doe nateur in de gemeenfchap, en op de goederen, hem pers foonlijk toebehoorende. Art. 1481. De onkosten der rouw van de vrouw komen ten laste der erfgenamen van den man, die eerst overleden is. De hoegroothetd van die onkosten wordt geregeld: naar de gegoedheid van den man, Het zelfde heeft plaats ten aanzien van de vrouw, dig wan de gemeenfchap afftand doet. e SIE Wan het pasfive der gemeenfchap, en hoe veel elk der echtgenooten in de fchulden dragen moet. Art. 1480. De fchulden der gemeenfchap komen voor de helft tert faste van elk der echrgenooten, of hunne erfgenamen: def kosten der verzegeling. invenrarifatie, verkooping der roerens de goederen, vereffeningen des boedels, opveiling, en verdee. ling, behooren onder deze fchulden, Art. 14936 De vrouw ijs voor de fchulden dér gemeenfchap niet vere der aanfprakelijk, het zij ten opzigte van den man, het zij wan de fchuldeifchers„dan ten beloope van her voordeel, het welk zij uit de gemeenfchap geniet, mits. er- een behoorlijke en getrouwe inventaris gemaakt zij, en zoo wel het beloop’ wan dien inventaris, als het geen haar bij de verdeeling is te beurt gevallen, door baar verantwoord worden, Art. 1484. De man is voor de fchulden der’ gemeenfchap, door hem gemaakt, geheel aanfprakelijk, behoudens zijn verhaal tegeïr de vrouw, of hare erfgenamen, voor de helft van die fchul den. d E Art. 1485. Hij is alleen gehouden voor de helft van de fchulden„ welke zijne vrouw perfoonlijk aangaan, en ten laste van de’ gemeenfchap gevallen warene Art. 1486. hef Ch - Van de gemeenfchap van goederen. es U. en] 3 Art. 1486. De vrouw kan voor de fchulden, die haar nit eigen hoof. de aansaan, en in de ge meent gekomen waren, geheel worden aangefproken 5 behoudens gaan Hen St tegen den man of zijne erfge namen, woor de helft dier fchulden. Art, rh De er lk die zelve perfoonlijk voor eene{chuld van de pe chap verbonden is, kan älleenlijk voor-de helfr van die chuld worden aangefproken, ten wate de verbindtenis fo die is aangeguän. Art. 1488. De uw,die eene fchuld van de gemeenfchap, meer dan hare helft bedrägende, betaald heeft; heeft geen regt, om dat m ere van den fchuldeifcher te rug te vorderen, ten ware de quitantie inhoudt, dat het beraalde(trekken zoude tot voldoening van hare helft in de fchuld. Art. 1489. Die geen der echtgenooten; welke, uit kracht van éen hij- potheek op eeri eeeerkiid goed, aän denzelven bij de ver. deeling te beurt gevätlen, voor de geheele fchuld der gemeen- fchap‘vervolgd wordt, heeft naar regten zijn verhaal voor de helft dier fchuld; tegen den anderen echtgenoot of dese Zelfs erfgenamen. Art. 1490. De vorenftaande bepalingen beletten niet, dât, bij de vere deeling, de een of ander der deelgenooten Dee worde met de betaling eener hoeveelheid fchulden boven zijne helft; ja zelfs om die geheel te voldoen. Zoo dikwijls één der deelgenooten fchulden van de ge« meenfchap betaald heeft, meer bedragende tdan' het gedeelte 4 waar. voor hij aan{prake elijk was, heeft die geen, die te veel betaald heeft, zijn verhäal tegen den anderen. Art. 1491. Al het geen hier voren gezegd is, ten opzigte van ded man of de vrouw, heeft plaats, ten aanzien der erfgenamen wan één van beider, en deze erfgenamen genieten dezelfde regten„en zijn aan dezelfde actitn onderworpen, als de echte genoot, dien Zij vertegenwoordigen, Ee Vg ZES: ZIJ Boek, V. Titel, IZ. Hoofdftuks ZESDE AFDEELING. Van den affland der gemeenfchap, en derzelver gevolgenis Art. 1Âga. De vrouw, die afftand doet, verliest al haar regt op dé goederen der gemeenfchap, en zelfs op de roerende goeden ren, die van harent wegen daar in gekomen zijn. Zij neemt alleen te rug het linnen en de kleederen, tot haar gebruik behoorende, Art. 1493» De vrouw, die afftand doet, heeft het regt om te rug te Bemen: x°. De onroerende goederen saan haar toebehoorende, wars neer die in natura aanwezig zijn; of het onroerend goed, het welk door weder-belegging van gelden ver- kregen is. 8®. Den koopprijs der Onroerênde goederen, welke vere vreemd zijn, doch waar van de weder- belegging niet is gedaan en aangenomen; zoo als hier voren. ge zegd is. 8e, Alle fchadeloasftellinger„ welke âan haar door de gee meeufchap, zouden mogen verfchuldigd zijn. Art. 1494. De vrouw, die afitand doet, behoeft niet te dragen in de Schulden der eemeenfchap, zoo ten aanzien van den man, als van de fchuldeifchers. Zij blijft niettemin aan de laatstgenoemden verantwoorde lijk, wanveer zij zich te zamen met haren man verbonden heeft, of wanneer de fchuld’, eene fchuld van de gemeen fchap geworden zijnde, oorfpronkelijk haar uit eigen hoofde bee trof; alles behoudens haar verhaal tegen haren man, of zijne erfgenamen, K Art. 1495. Zij kan alle actiën en terugnemingen, hier voren opgegee ven, verhalen, zoo op de goederen van de gemeenfchap, als op die, welke aan den man perfoonlijk toebehooren. Aaf Van de gemeenfchap van goederen, 305 Hare erfgenamen kunnen dit insgelijks doen, uitgezonderd het vooruit genieten van linnen en kleederen, als mede de inwoning en het onderhoud, gedurende den tijd, welke tot het maken van den inventaris en het beraad gegeven is; wel« ke regten zuiver perfoonlijk aan de langstlevende vrouw toe« komen. Bepaling nopens de gemeenfchap uit krachte van de wei, wanneer één der echtgenooten, of beide, voorkinderen hebben, Art. 1406. Al het geen hier voren gezegd is,zal ook in acht genomen worden, wanneer één der echtgenooten, of ook beide, voor- kinderen hebben. Indien, in eenig geval, de vermenging der roerende goe» deren en fchulden ten voordeele van één der beide echtge- nooten eenig meerder voorregt te weeg bragt, dan volgens Art. 1098. in den Titel, van giften onder de levenden en wan witerfte willen, gegeven mag worden, hebben de kinderen van het eerfte bed van den anderen echtgenoot eene actie tot af- korting of vermindering. TWEEDE DEEE, Van de gemeenfchap wit krachte van overeenkomst. en van de bedingen, welke de gemeenfchap, uit Rrachte van de wet, kunnen bepalen of zelfs geheel uitfluiten. Art. 1497. De echtgenooten kunnen de gemeenfchap, uit krachte van de wet plaats hebbende, bepalen door alle zoodanige over- cenkomften, welke niet ftrijden met Art. 1387, 1388, 1389 en 1390. De voornaamfte bepalingen zijn die gene, welke plaats Va ie heb 3 AA A 19 EIK Böek. WV. Titel, IE Hoofdfsak. hebben door het maken van bedingen, op de eene of andere der navolgende wijzen; te weten: j°. Dat de gemeenfchap alleen zal bevatten de aanwinsten 3 2°, Dat de roerende goederen„die. men. bezit. of. verkrijgen zal ,of in% geheel niet, of flechts voor een gedeelte, in de gemeeufchap komen zullen. g°. Dar men daar in zal bevatten, of alle, of flechts een gedeelte der, tegenwoordige of toekomftige onroerende Pi door dezelve met roerende goederen gelijk 4° Dat de echtgenooten, ieder afzonderlijk, hunne fchul. den, voor het huwelijk gemaakt, betalen zullen. 5°, Dat in gevalle van af(tand van de gemeenfchap, de vrouw. vrij en onbelast zal kunnen te rug nemen, het geen zij in de gemeenfchap ingebragt heeft. 69. Dat de langstlevende eenig goed voor uit zal heb» ben. 7°. Dat de echtgenooten ongelijke deelen in de gemeen{chap hebben zullen. 8. Dat tusfchen hen gemeenfchap zal, plaats hebben-ondes © á Ce pd wk eenen algemeenen titel. EERSTE AFDEELING. Van het bepalen der gemeenfchap tot de aanwinften. Art. 1498. Wanneer’ de echtgenooten bedingen, dat tusfchen hen flechts eene gemeerfchap van aanwinsten plaats zal hebben, worden zij geacht uit de gem:enfchap te hebben uitgefloten, ZOO wel dt dadelike en taekom(tige fchulden van elk van hun, als hunne tegenwoordige en toekomttige roerende goederen. lu dat gevâl, en na dat elk der echtgenooten, al het geen hij vehoorlijk bewezen heeft, door bem of haar ingebragt té Z ù, vooral naar zich genomen heeft, bepaalt zich de verr dening tot de aanwinften, door de echtgenooten te zamelt ef auzonder jk ltaande het huwelijk gemaakt, z00 door bei- N EN, a 4 te 8 à Vai de gemeenfchap van goederen, Sri der vlijt en arbeid, als door bezuiniging, ten aanzien van de vruchten en inkomften der goederen van beide de echts genooten, Art. 1499. Indien de roerende goederen„bij het aangaan des huwelijks aanwezig zijnde, ef naderhand opgekomen, niet door eenen behoorlijken inventaris of(taat bewezen worden, rekent men dezelven onder de aanwinften, TWEEDE AFDEELING, Van het beding, waar bij het roerend goed geheel of gedeeltelijk wit de gemeenfchap wordt uitgefloten. Art. 1500. De echtgenooten kunnen aile hunne roerende goederen, zoo wel tegenwoordige als toekomende, uit de gemeenfchap uitfluiten Wanneer zij bedingen, dat zij van wederzijden hunne roe- rende goederen, ten beloope van zekere bepaalde fomme of waarde, in de gemeenfchap zullen inbrengen, worden zij geacht het verdere aan zich voor te behouden. Art. 1501. Dit beding maakt den echtgenoot tot fchuldenaar van de gemeenfchap„voor zoodanige fomme, als hij beloofd heeft in te brengen, en verbindt hem om dien inbreng te bewijzen. Art. tso2. Deze inbreng is, met betrekking tot den man, genoegzaam bewezen door zijne verklaring, in het huwelijks-contract vervat, dat zijne roerende goederen eene zoodanige waarde hebben, é Ten aanzien van de vrouw, is de inbreng mede genoege zaam bewezen door de quitantie, welke men aan haar, of aan die genen, die haar met een huwelijksgoed begiftigd hebben, geeft, Art: 1503. Elke echtgenoot heeft het regt om, bij de ontbinding der gemeenfchap, te rug te nemen, en vooruit te genieten de waarde van het geen het roerend goed, door hem bij het aangaan van het huwelijk ingebragt, of naderhand op hem Vv 4 vels zz ZL Boek; K. Titel, 1E. Hoofdftuk. vervallen, meerder bedroeg, dan zìja aandeel in de gemeene Art. 1504. Het roerend goed, het welk ftaande huwelijk aan ieder der echtgenooten aankomt, moet door eenen inventaris be« wezen worden, PA BD EEEN ï Bij ontbreken van eenen inventaris der roerende goederen; aan den man aangekomen, of var een voldoende befcheid; om derzelver beftaan en waarde, na aftrek der fchulden, aan te toonen, heeft de man geene actie tot derzelver te rug vordering. br EO CNE A} Indien de inventaris ontbreekt, ten aanzien van roerend. goed, aan de vrouw aangekomen, wordt aan haar of aan hare erfs genamen toegeltaan, om de waarde“van dat‘roerend goed, het Zij door fchriftelijk befcheid, het zij door getuigen, het zij ook door het algemeen gerucht ,te bewijzen., DERDE AFDEELING. Van het beding tot inbreng van onroerend goed. in, de gemeenfchap.; Art. 1505. Wanneer de beïde echtgenooten,of één van, hun, alle huns ne, of een gedeelte van hunne tegenwoordige of toekomf(tige Onroerende goederen, in de gemeenfchap inbrengen, wordt dit beding genoemd ameublisfement. ki ì Art. 1506. Dit beding kan bepaald of onbepaald zijn. Het is bepaald, wanneer de echtgenoot verklaard, heeft; zoodanig onroerend goed, het zij geheel, her zij gedeeltes lijk, ten beloope van eene zekere fomme, te ameubleren, en in de gemeenfchap in te brengen, een Het is onbepaald, wanneer de echtgenoot eenvoudig vers klaard heeft,' zijne onroerende goederen, ten beloope van tene zekere fomme, in de gemeenfchap in te brengen. Art. 1507. Het gevolg van eenen bepaalden inbreng van onroerend goed beltaat hier in, dat het onroerend goed, of de onroê- rende goederen, waar omtrent dat beding gemaakt wordt, k' ÜÛ} goe- ge À de fe Van de gemeenfchap van goederen. srt goederen van de gemeenfchap worden: even als de roerende Goederen. Wanneef eeu onroerend goed, of de onroerende goederen van de vrouw; geheel en al in de gemeenfchap ingebragt wore den, kan de man daar over, even als over de verdere goe- deren van de„gemeenfchap befchikken, en dezelven geheel vervreemden. ì ii Indien het onroerend goed flechts voor eene zekere fomme in de gemeenfchap ingebragt is, kan de man hetzelve niet vervreemden, dan met toeftkemming van de vrouw; maar hij kan het zonder hare toeltemming verpanden, alleenliijk ten beloope van het gedeelte, het welk in de gemeenfchap ins gebragt is. Art. 1508. De onbepaalde inbreng van onroerend goed geeft aan de gemeenf{chap geenen eigendom van de onroerende goederen„ waar omtrent dit beding gemaakt is; het gevolg daar van bepaalt zich tot de verpligting van den echtgenoot, d ie daar in toegeftemd heeft, om, bij de ontbinding der gemeenfchap, eenige\ van deszelfs onroerende goederen, ten beloope van de door denzelven beloofde(omme, onder den boedel te be= vatten. De-man kan, even als in het vorige Artikel, zonder toe, flemming van zijne vrouw, noch geheel, noch ten deele, de Onroerende goederen vervreemden, waar omtrent het beding van onbepaalde inbreng gemaakt is; maar hij kan dezelven verpanden, ten beloope van die gedane inbreng. Art. 15og. De echtgenoot, die eenig erf of ftuk grond in de gemeen- {chap ingebragt heeft, heeft„bij de verdeeling het vermogen, om hetzelve voor zich te behouden, door het volgens den prijs, die het als dan waardig is, in zijn aandeel te laten goerekenen, en zijne erfgenamen hebben hetzelfde regt, Vs HIER: wg DE ne \ zip IK Boek, V. Tuel, U. Hoofipak, VIERDE AFDEELING. Wan het beding van affcheiding der fchulden. Art. 1510, Het beding, waar bij de echtgenvoten bepalen, dat zij ieder afzonderlijk hunne perfoneele fchulden zullen betalen, verpligt hen, om bij de fcheiding der gemeenfchap, aan elkander over en weder verantwooring te doen van de fchulden, die be- wezen worden door de gemeenfchap beraald te zijn, tot onte lasting van dien echtgenoot, welke er fchuldenaar van was, Deze verbindrenis blijft dezelfde, het zij er een inventaris gemaakt zij of niet; maar indien het roerend goed, door de echtgenooten aangebragt, niet bewezen wordt door eenen ine ventaris of eenen authentieken ftaat, voor het aangaan des huwelijks gemaakt, kunnen de fchuldeifchers, zoo wel van den eenen als van den anderen echtgenoot, zonder acht te flaan op eenige onderfcheidingen, waar op men zich zoude willen beroepen,’ hunne betaling verhalen aan de niet gein= ventarifeerde roerende goederen, even als aan de verdere goe=, deren der gemeenfchap. De fchuldeifchers hebben het zelfde regt op het roerend goed, het welk,(taande de gemeenfchap,aan de echtgenoo- ten zoude mogen zijn opgekomen, indien het niet op gelijke wijze door eenen invenuaris of authentieken{taat bewezen wordt. Art, 1511. Wanneer de echtgenooten eene zekere fomme gelds, of een zeker bepaald goed in de gemeenfchap aanbrengen, is in die aanbreng de ftilzwijgende overeenkomst begrepen, dat dit goed niet belast is met fchulden voor het huwelijk gemaakt, en de echtgenoot, die fchuldenaar is, moet aan den anderen echtgenoot verantwoorden al het geen, waar door de be: loofde aanbreng zoude mogen verminderd worden. Art. 1512. Het beding van affcheiding der fchulden belet niet, dat de gemeenfchap belast is met de interesfen en achter{tallige tenten, die zedert het huwelijk geloopen hebben. Art. 1513. den Klat hu fcha {c he ge Loe bl Vel clie me vr ve. det at en 2 Wan de gemeenfchap van goederen. Sis Art. 1513. Wanneer de gemeenfchap wordt aangefproken voor fchúls den van één der echtgenooten, die bij huwelijks-contract vere klaard is vrij en onbelast te zijn van alle fchulden voor het huwelijk aangegaan, heeft de mede-echrgenoot regt tot eene fchadeloosftelling, die, het zij op het aandeel in de gemeen- fchap, aan den echtgenoot, die fchuldenaar is, toekoe mende, het zij op de perfoneele goederen van dien echte genoot, verhaald wordt; en in geval die goederen niet Ì kan die fchadeloosttelling, bij wege van jwaring ld worden aan den vader, de moeder„den bloedverwant in de opgaande linie, of ook den voogd, die verklaard hebben, dat deze echtgenoot vrij en onbelast van die fchulden zijn zoude, Deze vrijwaring kam ook door den man, gedurende de ge- meenfchap, n ingeroepen, indien de fchuld van de vrouw afkomftig is; behoudens, in dit geval, de te rug ga= ve, welke de vrouw of hare erfgenamen, na de ontbinding der gemeenfchap, aan de: vrijwarende” pérfonen verfchul- Te jerelké ende VIJFDE AFDEELING. ven. aan de vrouw toesefta emeenfchap ü nge €n ONDEASE ET wede Art. 1514. uw kan bedingen, dat: zij’, inge ap afftand doet, het geen iet verder uitftrekken, ge rukt zijn, noch ook dh die uitdrukkelijk trekt het vermogen, om het roerend goed, door de ij het huwelijk aangebragt, te rug té nemen, zich ot goed, ftaande huwelijk aangekomen. et vermogen, aan de vrouw toegekend, z 316 AI. Boek, WV. Titel, II. Hoofdftuk; uiet uit tot de kinderen; en het vermogen, aan de vrouw en aan de kinderen toegekend, ftrekt zich niet uit tot de erfgenae men ín de opgaande of in«de zijdlinie. In allen gevalle kunnen de aangebragte goederen niet wor= den te rug genomen, dan na aftrek der perfoneele fchulden van de vrouw, die door de gemeenfchap gekweten zouden mogen zijn.| ZESDE AFDEELING. Van het geen, uit krachte van overeenkomst, voor uit genoten wordt. Art. 1515. Het beding, waar door de langstlevende echtgenoot gereg= tigd wordt, om, vóór alle verdeeling, eene zekere geldfome me, of eene zekere hoeveelheid roerende goederen in natura, vooruit te genieten, geeft ten voordeele van de vrouw, de langstlevende zijnde, geen regt om het zelve vooruit te ge- pieten, dan wanneer zij de gemeenfchap aanneemt, ten zij het huwelijks-contract aan haar dit regt heeft voorbehouden, ook dan wanneer zij van de gemeenfchap afftand deed, . Buiten deze voorbehouding, verhaalt zij dit vooruit te geniètene alleen op den verdeelbaren boedel, en niet op de goederen, aan den eerst overleden echtgenoot perfoonlijk toe behoord hebbende, Art. 1516. Het vooruit genieten van eenig goed wordt niet aange. merkt als een voordeel, aan de gewone formaliteiten eener gifte onderworpen, maar als eene huwelijks-voorwaarde. Art. 1517. De natuurlijke of burgerlijke dood doet het regt tot de yooruit-genieting vervallen. ï Art. 1518. Wanneer de ontbinding der gemeenfchap veroorzaakt wordt door echtfcheiding, of fcheiding van tafel en bed, heeft de dadelijke uitkeering van het geen vooruit genoten wordt, gêe- ne plaats; maar de echtgenoot„ die de echtfcheiding, of de fcheiding van tafel en bed verkregen heeft„behoudt zijn rest tot het geen vooruit genoten wordt, in geval hij de langst- leve bi wor borg regt beg wel JIE JOf« den Van de gemeenfchap van goedéren, hij ue fevsnde is. Indien de vrouw de fcheiding verkregen heeft, blijft de geldfomme of het goed, het welk vooruit. genoten wordt, altijd bij provifie onder den man, mits hij daar voor borg ftelle. Art. 1519. De fchuldeifchers van de gemeenfchap hebben altijd het regt, om de goederen, onder het geen vooruit genoten wordt begrepen, te doen verkoopen, behoudens het verhaal, het welk de echtgenoot heeft, overeenkomftig Art. 1515. ZEVENDE AFDEELING; Van de bedingen, waar bij men aan elk der echt- genooten ongelijke deelen in de gemeenfchap aanwijst. Art. 1520. De echtgenooten kunnen in de gelijkheid van verdeeling; door de wet bepaald, verandering maken, het zij door aan len langstlevendên echtgenoot, of aan zijne erfgenamen, een minder gedeelte, dan de helft, in de gemeenfchap: toe te kennen, het zij door aan denzelven flechts eene bepaalde fomme voor àl zijn regt op de gemeenfchap te geven, het zij door te bedingen, dat de geheele geméene boedel, ir zekere bepaalde gevallen, aan den langstlevenden echtgenoot, of alleen aan één van hun, zal toebehooren. Art. 152r. Wanneer bedongen is, dat de echtgenoot, of zijne erfges namen„flechts een zeker bepaald gedeelte in de gemeenfchap hebben zullen, als een derde of een vierde, za: de echtge- hoot, wien zoodanig gedeelte toegekend is, of zijne erfge- namen, in de fehulden van de gemeenfchap niet verder dra- gen,dan naar evenredigheid van het gedeelte„het welk zij irt het active der gemeenfchap hebben. De overeenkomst ís nietig, wanneer zij den echtgenoot, die op éen minder gedeelte gefteld is, of zijne erfgenamen verpligt, om een grooter gedeelte in de fchülden te dragen, of indien zij hen vrijftelt, om in de fehulden zoo veel té éragen, als zij in het active der gemeenfchap genieten. gij fil. Boets Vi Tiel, If, Hofiakk Art. 1523, Wanneer bedongen is, dat één der echrgenooten, of des: zelfs erfgenamen ,flechts eene zekere bepaalde fomme‘kunnen vorderen voor hun geheel regt op de gemeen{chap, is dit beding eene aanneming, die den anderen echtgenoot of zijne erfgenamen verbindt,om de overeengekomene(omme te beta= len, het zij die gemeenfchap goed of kwaad, voldoende of _niet voldoende zij, om die fomme daar uit te vinden. Art. 1523. Indien het beding, alleenlijk ten opzigte der erfgenamen van den echtgenoot, zoodanig eene aanneming in zich bevat, heeft dezelve, wanneer hij de langstlevende is, het regt, om bij de verdeeling de helft uit krachte van de wet te vordé= Art. 1524. De man of zijne erfgenamen, die uit krachte van hêt be- ing, bij Art. 1520 vermeld,’ den geheelen gemeenen boedel voor zich behouden, zijn verpligt om alle de fchulden det gemeenfchap te voldoen, De fchuideifchers hebben, in dit geval, geene actie tegen de vrouw, nog tegen hare erfgenamen. Indien de vrouw, de langstlevende zijnde, uit hoofde van een gemaakt beding tot uitkeering eener bepaalde fomme, het regt heeft; om den geheelen gemeenen boedel voor zich te behouden, heeft zij de keuze, om, of aan de erfgenamen wan den man die fotïnme te betalen, blijvende zij voor alle de fchulden verbonden; of om van de gemeenfchap afitand te doen; en de baten en lasten der gemeenfchap aan de erfgenas* hen van den man over t@ laten. Art. 1525.- Het is aan de echtgenooten geoorloofd te bedingen, dat de geheele gemeene boedel aan den langstlevenden, of alleens lijk aan Eén van hun verblijven zals behoudens het regt der erfgenamen van den anderen echtgenoot, om de goederen of gelden; door hunnen voorzaat in de gemeenfchap ingebragt 3 of naderhand aan dezelve aangekomen, te rug te nemen. Dit beding wordt niet geacht een voordeel te zijn, aan de tegels omtrevt donatiën onderworpen, het zij wat_deszelfs onderwerp; het zij wat den vorm aangaat; maar wordt al leenlijk gehouden voor een huwelijks-overeenkomst, tusfchen geasfocieerden aangegaans ACHT. ga vin if Wan de gemeenfchap van goederen. 319 ACHTSTE AFDEELING. Van de memeenfchâp onder eenen algemeenen titel 0 d Art. 1526 De echtgenooten kunnen bij hun huweliks- contract eene älgemeene gemeenfchap van hunne goederen, 200 roerende ) n toekomende, of alleen van ook alleen van alle hunne toe als onroeren ie, tegen alle hunne tegenwo rdige„ of KOMIIGE ZOEACTEN 3 invoeren. Algemeene bepalingen, tot de acht voorgaandé Afdeelingen besrekkelijk. A« Ärt. 1527. Het geen in de acht ei Afdeelingen gezegd is; heeft die(trekking niet, dat de hedingen.„-waar voor de ges meenfchap, uit krachte. van overeenkomst,„vatbaar is, de juiste bepalingen, in die. Afdeelingen. gemaakt, niet zouden mogen te buiten gaan. De echtgenooten mogen geheel ändere overeenkom({ten mas ken, zoo als in Art, 1387 gezegd is, en behoudens de bij- zondere bepalingen, in Art. 13 83 1389 en 13go vervat. Niettemin zal, in jk) er kinderen uit een vorig huwelijk Zijn, alle overeenkomst; waar van het gevolg zijn zoude, dat aan één der echtgenooten meer gegeven werd, dan het gedeelte bij Art 1rog8 van den Titel, van giften onder de Jes venden en uiterfke willen, bepaald, krachteloos zijn voor zoo verre het gezev it gedeelte te boven gaat. Doch enkele voordeelei uit gemeenen arbeid, En uit be- zuinigingen op de wedezij!fche inkomften voortfpruitende 3 worden niet befchouwd als een voordeel, om de kinderen wan het eerfte bed te kort te doen. Art. 1528 De gemeenfchap uit krachte van overeenkomst blijft or derworpen aan de regels der gemeen{chap uit krachte van de Wets Bas fid Fr. Boek, VP Tore, HN. Hodri: 7 wet, ten aanzien van alle gevallen, waar in bij het huwelijks contract, ingewikkeld of uitdrukkelijk, geene verandering gee maakt is. NEGENDE AFDEELING. Van overeenkomften, waar bij de gemeenfchap words ditgefloten. Art. 1529. vels _ Wanneer de echtgenooten, zonder zich aan het beftuur van het huwelijksgoed te onderwerpen, verklaren„ dat, zij eert huwelijk aangaan buiten gemeenfchap van goederen,\of dat hunne boêdels van elkander zuilen afgefcheiden zijn, worden He gevolgen van dit beding op de volgende wijze bepaald. ST Wan hêt beding, medebrenzende, dat de echtger noten een huwelijk aangaan buiten Zen meenfchap van goederen. „ Att. 153. Het beding; hét welk inhoudt, dat de echtgenooten eeri huwelijk aangaan buiten gemeerifchap van goederen, geeft aan de vrouw geen tegt om liare goederen te befturen, noctt ook om de vruchten daar van te ontfangen: deze vruchten worden geoordeeld aan den man aangebragt te zijn, om de lasten des huwelijks te dragen. Art. 1531.[ De man behoudt de beheering der roerende en onroerende goederen van de vrouw, en bij gevolg het regt om al het foerend goed; het welk zij ten huwelijk aanbrengt, of het geen op haar(taande het huwelijk vervalt, te genieten, bé« houdens de werpligting, om; na de fcheiding van het hu- welijk, of na affcheiding der goederen; bij régterlijk vonnis toegewezens hetzelve te rug te gevens zin 4 Art. 15324 Ul de jet hé “dat de vrouw jaarlijks‘op hare e eigene quitantie Van de gemeenfchap van goeaerte. 6 Art, 1532, Fndien onder hêt roerend goed. door de vrouw ten huwe. lijk aangebragt, of(taande huwelijk op haar vervallen, goeden ren gevonden\ worden, waar van men geen ge ebruik kan ma« ken, zonder dat zij door het gebruik vergaan moet daar van bij het huweli hke-caimniet een begrootende ftaat gemoed worden„ of men moet bij het vervallen van die goe eren op de vrouw,daar van eenen inventaris maken, en de ix en moet de waarde volgens de begrooting te rug geven, Art. 1533. De man is voor alle lasten van het vruchtgebruik aanfpras ke elijk Se Art. 1534. Het beding, waar van in deze edna, gehandeld wordt, maakt geene belemmering, ten anzien, der overeenkoms Stes ged vel Ite harer inkomften tot haar onderhoud. en har lijke behoeften genieten zal. Art. 1535 De onroerende goederen, welke-in het geval, in deze pa- ragraaf behandeld, tot huwelijksgoed gegeven zijn, zijn niet onvervreemdbaar. Echter kunnen zij niet vervreemd worden, zonder toefltem= ming van den mans en, bij zijne v weigering ‚ zonder autorifa- tie van den regter. Pan het beding, aat de boedeis van elkander zuilen zijn afgefcheiden. Art. 1536. anneer de echtgenooten bij hun. huwelijks- contract bee hebben„dat hunne boedels van elkander zouden zijt heiden, behoudt de vrouw het geheele beftuur van hae rende en onroerende goederen, en het vrije genot van vin wid der nteeno poten draagt mede in de lssten van het huwelijk ‚ volgens de overeenkomften, in hun huwelijks-con= tract vervats en bijaldien deren geene bedingen gemaakt € zie HIL Boek, V. Titel, II. Hoofdfuks zijn, moet de vrouw in die lasten dragen, tot het beloon wan een derde harer inkomften. BES In geen geval, noch op grond van eenig beding, kan dé vrouw hare onroerende goederen vervreemden, zonder de bijs zondere toeftemming van haren man, of, bij zijne weigering; zonder autorifatie van den regter. Eene algemeene autorifatie, om de onroerende goederen té vervreemden, aan de vrouw, het zij bij huwelijks-contract het zij naderhand verleend, is nietig. Art. 1539. Wanneer de vrouw, welke van haren man gefcheiden is, het genot van hare gcederen aan denzelven heeft overgelaten, is deze, het zij op den eisch, welke de vrouw tegen hem zoude mogen doen, het zij bij de ontbinding van het huwee, lijk, alleen verpligt, om op te leveren de vruchten, die in wezen zijn, en is niet verantwoordelijk voor de vruchten 4 die tot op dat tijdftip verteerd zijn. DERDE HOOFDSTUK; Wan het beftuur van huwelijksgoede Art. 15406 Het huwelijksgoed, zoodanig beftuurd, als in het tweede Hoofdftuk vermeld is, is het goed, het welk de vrouw aan den man aanbrengt, om de lasten des huwelijks te dragen, Art. 1541. Al het geen de vrouw bij huwelijks-contract belooft te geven, of aan haar gegeven wordt, is huwelijksgoed,’ ten zij het tegendeel bedongen is. Pen hes Defliur van huwelijksgoed. 823 EERSTE AFDEELING. Hoe huwelijksgoed wordt daargefteld. Art. 1542. kan worden d gefteld, ten aanzi en vän se en toekomende goederen van de vrouw * ie tegenwoc f van alle hare tegenwoo dige goederen„ of van 2 hare tegenwoordige en toek mende goede- een bijzonder ftuk goed. p g van de vrouw, in dingen, als PA weliks hoed daargefteld zijnde, flige goederen daar onder niet begrepen. Art. 1543. ksgoed kan, ftaande het huwelijk, niet daarge= och vermeerderd worden, meene_bewoore de toekom. M| LK 1 Art. 1544. 544 $) daarftellen, zonder te bej het ' deelen te zi Zoo het waders en {cho n bij zijns e, ngen root in den boedel van den voorover den vader t moe der 8 ere ogtied huwelij! Sgoed heeft ï. Art. 1546. Alhoewel eene dochter, die van harten wader en moeder een huwelijksgoed bekomen heeft goederen Î velke hebben, zal he genomen worden uit de goe es EE ze4 HL Boek,”, Titel, IL, Hoofdfuke goederen van die genen, welke het zelve hebben daargefteld4 indien het tegendeel niet bedongen is. Art. 1547. Zij, die een huwelijksgoed daarftellen, zijn gehouden om de goederen, daar toe gegeven, te vrijwaren, Art. 1548. De interesfen van het huwelijksgoed loopen naar regten vari den dag des huwelijks, tegen die genen, die hetzelve beloofd hebben, fchoon ook de betaling op tijd is aangenomen, teu ware het tegendeel bedongen is, TWEEDE AFDEELING. Van de regten van den man op het huwelijksgoeds en van de onvervreemdbaarheid van onroerend goed, ven huwelijk gegevert. Art. 1549./ De man alleen heeft, ftaande het huwelijk, de beheering van het huwelijksgoed. Hij heeft alleen het regt om de fchuldenaars en bezitters wan het zelve, in regten te vervolgen, de vruchten en inte« resfen daar van te genieten,en de af te losfene hoofdfommen te ontvangen. Men mag echter bij huwelijks-contract overeenkomen, dat de vrouw jaarlijks, op here eigene quitantiën, een gedeelte van hare inkomften, tot haar onderhoud en bijzondere bes hoeften trekken zal, ’ Art. 1550. De man is niet gehouden, om borg te ftellen voor de ontvangst van het huwelijksgoed, indien hij zich daar toe bij het huwelijks-contract niet verbonden heeft. Art. 1551. Indien het huwelijksgoed, of een gedeelte van het zelve; beftaat in roerende goederen, die bij het huwelijks-contract op waarde gefteld zijn, zonder verklaring, dat die waardee- ring geen verkoop maakt, wordt de man daar van eigenaar, „en is alleenlijk verfchuldigd de waarde, waar op dat roerend goed begroot is. Art. 1552 Van het beftuur van huwelijksgoed. 825 Art. 1552. De begrooting van onroerend goed, het welk tot huwelijks. goed beftemd is, draagt den eigendom niet over aan den man, indien zulks niet uitdrukkelijk verklaard is. Art. 1553 Een onroerend goed, uit gelden, tot het huwelijksgoed be- hoorende, verkregen„ is„geen huwelijksgoed, indien de be- legging van die gelden niet als eene mits bij huwelijks- con= tract bedongen is. Het zelfde heeft plaats omtrent onroerend goed, het welk in betaling gegeven is voor huwelijksgoed, in geld beloofd. Art. 1554 Onroerende goederen, tot huwelijksgoed beftemd, kunnen gedurende het huwelijk niet vervreemd of verpand worden, noch door den man, noch door de vrouw„ noch door beiden gezamenlijk, onverminderd de navolgende uitzonderingen. Art. 1555 De vrouw kan, met toeftemming van haren man, of, bij zijne weigering, op autorifatie van den regter, haar huwe- lijksgoed geven, om aan de kinderen, die zij uit een vorig huwelijk zoude mogen hebben, eet middel wan beftaan te bezorgen; maar indien zij daar toe alleen door den regter is geautorifeerd, moet zij het genot daar van aan haren man vrijlaten. Art. 1556. Zij kan ook, met autorifatie van haren man, haar huwe- lijksgoed geven, tot het bezorgen van Een middel van beftaan aan de kinderen, uit hun beider huwelijk geboren. Art. 1557« Een onroerend huwelijksgoed kan vervreemd worden, wan= neer die vervreemding bij huwelijks- contract is toegeftaan. Art. 1559. Een onroerend huwelijksgoed kan ook, met toeftemming wan den rester, en bij openbaren verkoop, na drie gedane afkondigingen en aanplakkingen vervreemd worden 5 Om den man of de vrouw uit de gevangenis te verlosfen.; Om onderhoud aan de bloedverwanten te verfchaffen, in de gevallen bij Art. 203, 205 EN 206, in den Titel pan het huwelijk, bepaald; Om de fchulden te betalen van de vrouw, of van die ge- nen, welke het huwelijksgoed hebben daargefteld, wanneer die Schulden eene zekere dagteekening hebben, welke vroeger is dan het huwelijks- contract. X 3 Om 826 IT. Bèk, Vi Titel, ITL Hooft Om groote en onvermijdelijke reparatiën te doen, tot be- houd van een onroerend huwelijksgoed, Eindelijk, wanneer dit ontroerend goed, in eene‘onvere deelde gemeenfchap met derden, bezeten wordt, en hetzelve geoordeeld wordt onverdeelbaar te zijn, In alie deze gevallen zal het overfchot van den koopprijs, het welk tot de gemelde einden niet, behoeft gebruikt tè worden, blijven onder het huwelijksgoed,- en als zoodanig ten voordeele van de vrouw belegd worden. Aft. 1559. e Een onroerend huwelijksgoed kan werruild wordên, doch alleenlijk met toeftemming van de vrouw, voor een ander onroerend goed, ten minfte voor vier vijfde gedeelten van dezelfde waarde zijndes mits de nuttigheid van die ruiling bewezen worde, en mits daar toe autorifatie van den regter verkregen worde, en na eene begrooting door deskundigen, ambtshalve door de regtbank benoemd, In dit geval zal het onroerend goed, dat in ruiling ont- vangen is, huwelijksgoed zijn; het meerdere gedeelte van den prijs, zoo er dat is, zal mede onder het huwelijksgoed begrepen zijn, en als zoodanig ten voordeele van de vrouw belegd worden, Art. 1560, Indien, buiten de uitgezonderde gevallen, zoo even opge= noemd, de vrouw of de man, of ook beiden te zamen, het onroerend huwelijksgoed vervreemden, kunnen de vrouw of hare erfgenamen, na de ontbinding van het huwelijk„ die vervreemding doen herroepen, zonder dat men hun eenige verjaring, gedurende het huwelijk, kan tegenwerpen. De vrouw zal, na de affcheiding der goederen, het zelfde regt hebben. De man zelf kan de vervreemding flaande huwelijk hers roepen, blijvende hij niettemin gehouden tot vergoeding van fchaden en interesfen aan den kooper, zoo hij in het koop= contract niet verklaard heeft, dat-het verkochte goed huwe- Art. 1561, Het onroerend huwelijksgoed,‘her welk bij het huwelijks contract niet verklaard is verwreemdbaar te zijn, is ftaande het huwelijk aan geene verjaring onderworpen, ten ware d verjaring reeds te voren begonnen was. Niettemin worde het zelve, na de affcheiding van goede- ren, aan Verjaring onderworpen, zonder onderfcheid, op welk viftip de verjaring begonnen is, Art. 1562, í | en ol, pe Van het beftuur van huwelijksgoed, 307 Art. 1562, De man is, ten opzigte van het huwelijksgoed, tot alle de verpligtingen van eenen vruchtgebruiker gehouden. Hij is aanfprakelijk wegens alle werkregene verjaringen, en opgekemene verminderingen, door zijne achteloosheid vera oorzaakt. Art. 1563. Indien het huwelijksgoed gevaar loopt van verloren te gaan s kan de vrouw affcheiding van goederen eifchen, Zoo als zulks in Art. 1443, en volgende, gezegd is. DERDE AFDEELING. Wan de teruggave van het huwelijksgoea. Art. 1564 N Indien het huwelijksgoed beftaat in onroerende goederen; Of in roerende goederen, die bij het huwelijks-contract miet gewaardeerd zijn, of wel op prijs gefteld zijn, doch met verklaring, dat de begrooting den eigendom aande vrouw niet ontneemt; Kan de man of zijne erfgenamen genoodzaakt worden om, zonder eenig uitftel, na de ontbinding van het huwelijk het huwelijksgoed te rug te geven. Art. 1565. Zoo het zelve beftaat in eene fomme gelds; Of in roerende goederen, bij het huwelijks- contract op prijs gefteld, zonder verklaring, dat de waardering den man niet tot eigenaar maakt; Kan de te rug gave van het huwelijksgoed niet perder dan een jaar, na de ontbinding des huwelijks, gevorderd worden, rt. 1566. Indien de roerende goederen, waar van de eigendom aan dz vrouw blijft, door het gebruik, en buiten fchuld van den man verminderd zijn, zal hij alleenlijk verpligt zijn, om te rug te geven die roerende goederen, welke overig geble- ven zijn, en zulks in dien ftaat, waar in zij zich bevin- den. X 4 En É mm enn 328 ZI Boek, Pa Titel, DIT. Eooflfak. En niettemin kan de vrouw, in allen gevalle, het linnen en de kleederen, tot haar dadelijk gebruik behoorende, te rug nemen, behoudeliijk dat derzelver waarde bij afrekening op Afkorting flrekke, wanneer dat linnen en die kleederen oore fpronkelijk tot huwelijksgoed, met begrooting van waarde, zijn beftemd geweest; Art. 1567. Indien het huwelijksgoed bevat fchuldbekentenisfen„ of rens tebrieven, die te niet gegaan zijn, of verminderingen geleden hebben, zonder dat zulks aan nalatigheid van den man kan worden toegefchreven, zal hij deswegen niet aanfprakelijk zijn, maar kunnen volftaan met de contracten terug te ger ven, Art. 1563. Indien een vruchtgebruik tot huwelijksgoed beftemd is, zijn de man of zijne erfgenamen, bij ontbinding van het huwelijk, alleen verpligt, om het regt van vruchtgebruik te rug te geven, en geenszins de vruchten, welke ftaande hu welijk gevallen zijn, Art. 1569. Indien het huwelijk tien jaeren geduurd heeft, na dat de termijnen verloopen zijn, die tót de betaling van het huwe- lijksgoed bepaald waren, kunnen de vrouw,of hare erfgena= men, het huwelijksgoed, na de ontbinding van het huwelijk, van den man te rug eifchen, zonder dat zij gehouden zijn te bewijzen, dat hij dít goed ontvangen heeft, ten ware hij doet blijken wan vruchteloos door hem gedane aanmaningen, om die betaling te bekomen. Art. 1570. Indien het huwelijk door den dood van de vrouw onte= bonden is, loopen de interesfen en vruchten van het huwee lijksgoed, het welk te rug gegeven moet worden, naar reg- ten, ten voordeele van hare erfgenamen, zedert den dag, dat het huwelijk ontbonden is, Indíen het huwelijk door den dood van den man ontbons= den is, heeft-de vrouw de keuze, om de interesfen van haar huwelijksgoed gedurende het rouw-jaar te vorderen, of om zich gedurende dien tijd, ten kosten van de nalatenfchap van den man, het noodig onderhoud te doen geven; doch in beide die gevallen moeten de inwoning, gedurende dat jaar, en de rouwkleederen aan haar uit de nalatenfchap bezorgd worden, zonder de kosten daar van op de aan haar verfchul e)gde interesfen te mogen toerekenen. Art. 157Ie van gro! van hee 0 p e q Se Pan het befluyr van huwelijksgoed. 422 Art. 1571. Bij de ontbinding van net huwelijk, worden de vruchten wan het onroerend huwelijksgoed, tusfchen den man en de vrouw, of hunne erfgenamen verdeeld, naar evenredigheid van den tijd, dat het huwelijk in het laatfte jaar geduurd heeft. 4 Men begint het jaar te rekenen met den dag, dat het hu- welijk voltrokken is, Art. 1572. De vrouw en hare erfgenamen hebben in de te rug vorde« ring van het huwelijksgoed geene preferentie boven de fchulds eifchers, die van een ouder hijpotheek voorzien zijn. Art. 1573e Indiensde man reeds buiten ftaar was om te betalen,&n geen handwerk noch kostwinning had, toen de vader voor zijne dochter een huwelijksgoed heeft daargefteld, ís deze al- om in de nalatenfchap van den vader in te leenlijk verpligt, brengen de actie, welke zij tegen den boedel van haren man heeft, om aldaar de betaling te zoeken. Doch indien de man eerst na het huwelijk buiten ftaat geraakt is om te betalen; Of indien hij een handwerk of beroep had, het welk hem voor bezittingen verftrekte; Zal het verlies van het huwelijksgoed alleen komen ten laste: van de vrouw. } VIERDE AFDEELING, Wau paraphernale goederen. Art. 1574- Alle goederen van de vrouw, welke niet tot huwelijksgoed beftemd zijn; zijn paraphernale goederen, Art. 1575: Indien alles, wat de vrouw bezit, paraphernale goederen zijn, en indien bij huwelijks-contract geene overeenkomst ge= maakt is, om haar de lasten van het huwelijk gedeeltelijk te doen dragen, moet de vrouw daar in mede deelen, ten bee loope van een derde van hare inkomften. X 5 Art. 1376. EN ed EE En mt a er ln Le } 330 UL Boek, PV. Tisel, III. Hoofdfluk. Art. 1576. De vrouw heeft de beheering en het genot van hare paras phernale goederen. Maar zij kan dezelve niet vervreemden, noch ook in za- ken, die goederen betreffende, in regten verfchijnen, zonder. autorifatie van den man, of bij zijne weigering, zonder toes flemming vân den regter, Art. 1577. Indien de vrouw hare volmagt aan. den man geeft, tot het beheeren van hare paraphernale goederen, mits aan haar de vruchten verantwoordende, zal hij aan haar verantwoordelijk zijn, even als alle last-aannemers. Art. 1578. Indien de man het genot gehad heeft van de paraphernale goederen van zijne vrouw, zonder last, maar evenwel zonder tegenkanting van hare zijde, is hij bij de ontbinding van het huwelijk, of bij de eerfte opeifching van de vrouw, niet verder gehouden, dan tot overgifte der aanwezende vruch= ten, en hijj is niet verantwoordelijk wegens die vruchteng welke op dien tijd reeds werteerd waren. edArtken ot Indien de man het genot heeft gehad van de paraphernale goederen, niettegen{taande het bewezen is, dat de vrouw zich daar tegen verzet heeft, is hij aan haar verantwoordelijk wegens alle de vruchten, zoo wel die nog aanwezig, als dig verbruikt zijn. Art. 1580. De man, die het genot heeft van de paraphernale goede- ren, is gehouden tot alle de verpligtingen van&enen vrucht» gebruiker. Bijzondere bepaling. Art. 1581. Offchoon de echtgenooten zich aan het beftuur van hef huwelijksgoed onderworpen hebben, mogen zij niettemin eene gemeenfchap van aanwinften bedingen, van welke gemeen- fchap de gevolgen zich regelen, overeenkom(tig het geen bij Art. 1498 en 1499 bepaald is, ZE S- B er JET Wan den aard en vorm van Roop€en verkoop. 831 ANR SBA+ Bes ED B sen il Ù FVastg ied den Sfren van Lentemaand 1804, en afgekondigd den 18den van dezelfde maand.) VAN KOOP EN VERKOOPe EERSTE HOOFDSTUK, Jen vorm van koop en verkoop: Wan den AAI / an a€n aard Els Art, 1582. Koop en verkoop is eene overeenkomst, waar bij de een gich verbindt om eene zaa ak te leveren, en de ander om de= zelve te betalen. Dezelve kan aangegaan worden ,of bij eene authentieke ac« e, of bij een onder andsch‘gefch rift. Art. 1583, Zij wordt gehouden tusfchen partijen voltrokken te zijns de eigendom wordt naar regten„oor den kooper van den op ras men het met elkander is eens ak en den prijs, offchoon die zaak nog niet geleverd, noch de prijs betaald is, Art. 1584. kan aangegaan worden, zuiver en eenvou s of ons opfchorten: de, het zij EME voors € verko00 et 8 g eworden over de het zij ij kan ook ten onderwerp hebben twee of meer alterna in alle deze gevallen worden: deszelfs gevolgen geregeld infelen der overeenkomf{ten. Ar te 1585. niet bij den hoop, maar bij 5 JÎ meene grond |€ aize djan 5 vvanneer KOOP appen, je a zit| of nn de ma Vv acht Zijn ze de het sf WIgts DJ j OL bij Ale Lat eFKOCME Z Jas de de vele \ 432 IT, Boek, VI. Titel, J. Hoofdftuk. verkoop niet voltrokken, in dien zin, dat die verkochte goes deren blijven voor rekening van den verkooper, tot dat de weging, telling of meting gefchied zij; maar de kooper kan of de levering daar van vorderen, of vergoeding van fcha= den en interesfen, indien daar toe redenen dienen, in geval de verbindtenis niet wordt nagekomen. Art. 1586. Indien integendeel de koopmanfchappen.bij den hoop vere kocht zijn, is de verkoop voltrokken, offchoon de koops manfchappen hog niet gewogen, geteld of gemeten zijn. Art. 1587. Ten opzigte van wijn, olie en andere zaken, welken men gewoon is te proeven, alvorens men dezelve koopt, heeft geen verkoop plaats, zoo lang de kooper dezelve niet heeft geproefd en goedgekeurd, Art. 1588. Verkoop, op de proef aangegaan, wordt altijd gerekend onder eene opfchortende woorwaarde aangegaan te zijn. Art. 1589. Belofte, om iets te zullen verkoopen, wordt woor een da- delijke verkoop gehouden, wanneer beide partijen het over het goed en den koopprijs met elkander eens zijn. Art. 1590, Indien de belofte van verkoop is gepaard gegaan met eenig handgift of godspenning, is elk der contracteerende partijen meester om zich daar van te ontflaan. Die de godspenning gegeven heeft, liezen, En die de godspenning ontvangen heeft, door dezelve dub« ‘ beld te rug te geven. door dezelve te vere Art. 1591. De koopprijs moet door partijen vastgefteld en bepaald worden. Art. 1592. Dezelve kan nogtans aan de uitfpraak van eenen derden worden overgelaten: wanneer die derde de begrooting niet wil of niet kan doen, heeft geen verkoop plaats. Art. 1593. De kosten der acten van koop en verkoop, en andere bijs komende onkosten, komen ten laste van den kooper, T WE Es vel be Wie koopen of verkoopen mage 333 0%. tk kan TWEEDE HOOFDSTUK, Chn. Evi Wie koopen of verkoopen mag. ver Op Art. 1594. Allen, wien de wet zulks niet verbiedt, kunnen koópen of verkoopen. p Art. 1595 fi Het contract van verkoop kan tusfchen echtelieden niet' beftaan, dan in de drie navolgende gevallen: had ide as één der beide echtgenooten aan den anderen t. van wien hij geregteliijjk gefcheiden on pe le afftaat„ tot voldoening van het geen denze ven naar regten toekomt 2°. Wanneer de man aan ne vrouw, zelfs van welke hij niet gefcheiden is, goederen afftaat uit eene wettige oorzaak, als tot weder: belegging van hare vervreemde onroerende goederen, of van penningen die haar toebehooren, wanneer die onroerende goede ren of penningen niet in de gemeenfchap vallen. e9. Wanneer de vrouw aan haren man goederen afftaat tot betaling van eene egt welke zij hem tot een huwelijksgoed beloofd had, in geval de gemeene fchap van goederen is uitgefloten. re dub Behoudens echter„in deze drie gevallen„de regten der erf« genamen van de contrac partijen, bij aldien er een 1 indirect voordeel in gehel, is Bij geen verkoop ich goederen laten toewijzen, op ftraffe van nietig heid, noch door hun zelven, noch door De voogden, omtrent de goederen der genen, die onder De lasthebbers of mandatarisfen, omtrent de goederen, De admini s of beftuurders, omtrent goederen van gemeenten of openbare etablisfementen, die aan hunne zorg zijn toevertrouwd, De 834 HIT. Boek, PT. Titel, IL Hoofdfiuk. De openbare ambtenaars, omtrent de nationale goederen, waar van de verkoop onder hun opzigt gefchiedt, Art. 1597. De regters, hunne plaatsvervangers, de magiftraatseperfos nen, welke den post van openbare aanklagers waarnemen, de griffiers, geregtsboden, geadmitteerde practizijns, opens bare verdedigers en notarisfen ‚mogen geene procesfen, regten of actiën, waar over gefchil is, en waar van de beoordees ling(taat aan de regtbank van het resfort, waar in zij hunne ambtsbedieningen waarnemen, door cesfie aan zich doen overdragen, op ftraffe van nietigheid ,en vergoeding van kosa ten, fchaden en interesfen, DERDE HOOFDSTUK Van de zaken, welke verkocht mogen worden. Art. 1598. _ Al wat aan den handel der menfchen onderworpen is 3 fkan verkocht worden, wanneer geene bijzondere wetten de vervreemding daar van verbieden. Art. 1599. Verkoop van eens anders goed is nietig: dezelve kan grond geven tot vergoeding van fchaden en interesfen, wanneer de kooper niet geweten heeft, dat het verkochte aan een ander toebehoorde, Art. 1600. Het regt tot de nalatenfchap van een nog levend perfoon kan niet verkocht worden, zelfs niet met zijne toeftemming. Art. 16or. Indien de verkochte zaak op het tijdftip der verkooping geheel was vergaan, zoude de verkoop krachteloos zijn. Bij aldien flechts een gedeelte der zaak vergaan iss ftaat het ter keuze van den kooper, om, of den koop te laten waren, of om het overgeblevene gedeelte te vorderen, door den prijs daar van bij waardeering, naar evenredigheid vat zj geen voor de geheele zaak was uitgeloofd, te doen bee palen. VIER4 an Vil 4 Wan de pligten des. verkoopers. s bend hd| VIERDE HOOFDSTUK: Van de pligten des verkooperss EERSTE AFDEELINGs toe hij zich verbindt. Alle duistere of dubbelzinnige bedingen worden ten nadee« le van den verkooper uitgelegd. Art. 1603. Hij heeft twee hoofdverpligtingen, die„omde zaak te levee zen, en die, om de door hem verkochte zaak te vrijwaren. nrs nln a bn| TA MA yr AT TWEEDE AFDEELING Vana Íey van teyering. Art. 1604. Levering is de overdragt der verkochte zaak in de magt en in het bezit van den kooper. Art. 1605. De verbindtenis, om onroerende goederen te leveren, is van de zijde des verkoopers vervuld, wanneer hij de fleutels van het verkochte gebouw heeft overgegeven, of wanneer hij de bewijzen van eigendom heef: over handigd. Art. 1606. De levering van roerende goederer gefchiedt; Of door dadelijke overgifte, of door de terhandftelling vaa de de fleutels der gebouwen, waar in die goederen zich bee vinden: Of ook door de enkele toeftemming van partijen, indien de overgifte miet op het oogenblik van den verkoop gedaan kan worden, of indien de kooper dezelve reeds, uit Genioen anderen hoofde, in zijne magt had, N Art. 160’. De levering van onligchamelijke zaken gefchiedt door overs gifte der bewijzen, of door het gebruik, het welk de koos per daar van maakt, met tdeftemming van den verkooper, Art, 1608. De kosten der levering komen ten laste van den verkoos per, en die der weghaling ten laste van den kooper, indien het tegendeel niet bedongen is. è: Art. 1609, De levering moet gefchieden op de plaats, waar de vere kochte zaak zich op het tijdftip der verkooping bevond, ine dien deswegen geene andere overeenkomst gemaakt is. Art. 1610. Indien de verkooper nalatig blijft, om binnen den tijd; tusfchen partijen overeengekomen, de levering te doen, heeft de kooper de keuze, om; of de vernietiging van den koop te eifchen, of om in het bezit gefteld te worden, indien de vertraging alleen door toedoen van den verkooper veroor zaakt is. il Art. 1611, In allen gevalle moet de verkooper tot vergoeding van fchaden en interesfen vefwezen worden, indien de kooper eenig nadeel lijdt, om dat het goed niet op den bepaalden tijd geleverd is. Art, 1619. De verkooper is tot de levering van het gekochte niet ge« houden, indien de kooper den koopprijs daar van niet be- taalt, en de verkooper hem geen uitftel van betaling heeft toegeftaait. Art. 1613. Even min is hij tot de levering gehouden„al ware het dat hij eenig uitftel van betaling verleend had, indien de kooper na den verkoop bankbreukig is geworden, of in ftaat van infolventie geraakt was, ZOO dat de verkooper zich in een oogenfchijnlijk gevaar bevindt, van den koopprijs te verlie= zen; ten ware de kooper hem borg flelt, om op eenen be- paalden tijd te betalen, Art, 1Ó140 Pan de pligten des verkooperse Eed ded an: Art. 1614. Het verkochte moet geleverd worden in dien flat, Waar in het zich bevond op het oogenblik van den verkoop, Van dien dag af behooren alle vruchten aan den vers kooper. Art. EOlSe De verpligting om de zaak te leveren bevat al het geen EA. tot die zaak behoort, en tot deszelfs aanhoudend gebruik beftemd is. Art. 1616. De verkooper is verpligt het verkochte te leveren in des= zelfs geheelen omvang, zoo als het bij het koop- contract uitgedrukt wordt, onder de hier na volgende wijzigingen. Art. 1617. Indien de verkoop van eenig onroerend goed g net uitdrukking van deszelfs uitgeftrektheid, tegen bepaling van zekeren prijs voor-de maat, is de verkooper gehouders, om aan den kooper, indien deze zulks begeert, de hoeveel« heid te leveren, welke bij het contract is uitgedrukt, Doch indien hem zulks onmogelijk is, of indien de koos per zulks niet vordert, is de werkaper. verpligt eene even.= redige vermindering van den prijs te moeten lijden, Art. 1618. Índien daarentegen, in het geval bij het vorig Artikel vermeld, het verkochte. in deszelfs geheelen omvang meet bevatten mogt, dan bij het contract uitgedrukt is, heeft de kooper de keuze, of om den koopprijs in evenredigheid te verhoogen, of om den koop te laten varen, indien het meer dere beftaat im een twintiglte gedeelte, boven het geheel, bij het contract vermeld, efchied iS. ii id Art. 1619. | In alle andere gevallen Het zij de verkoop van ecrie zekere én bepaalde zaak ges fchied is 3 Het zij dezelve afgefcheidene„ en afzonderlijke goederen ten Onderwerp heeft; Het zij dezelve begint met de opgave der madt, of met de befchri ving van het verkochte onderwerp, gevolgd van de opgave der maat 5 Geeft de uitdrukking vân die rmaat aan den verkooper geen regt, om wegens overmaat eene evenredige vermeerde= ring van prijs te vorderen, noch aan den kooper, om we- gens ondermaat eenige vermindering van prijs te-eifchen, ten ware het verfchil tusfchen de wezenlijke maat van het D 4 vera 48 UL Boek, PI. Titel, IP Hoofdftuk: verkochte, en die, welke bij den koop uitgedrukt is; een twintigfte gedeelte te veel of te weinig, berekend naar de waarde van het geheel der verkochte zaken, bedraagt; ten zij het tegendeel hier van mogt bedongen zijn, Art. 1620. In geval, volgens het voorgaande Artikel, grond is, omt wermeerdering van prijs wegens overmaat te vorderen, heeft de kooper de keuze, of om van den koop af te zien, of om de vermeerdering van prijs te betalen, en zulks met de interesfen van dien, indien hij gebruik van het onroerend goed gehad heeft, Art. 1621. In alle gevallen, in welken de kooper het regt heeft, omt van den koop af te zien, is de verkooper verpligt, hem be- balve den koopprijs, zoo hij dien ontvangen heeft, te rug te geven de kosten van het koop-contract. Art. 1622. De actie tot aanvulling of vermeerdering wan den koops prijs, aan de zijde van den verkooper, en die tot vermine dering van den koopprijs, of om het koop-contract te vere nietigen, aan de zijde wan den kooper, moeten binnen het jaar, te rekenen van den dag dat het koop-contract is aans gegaan, worden aangelegd ‚op ftraffe van daar van verftoken te zijn. Art. 1623: Wanneer twee ftukken grond, bij het zelfde contract, ern voor één en denzelfden prijs, verkocht zijn, met uitdrukking van de maat van elk, en bevonden wordt dat het eene meer, en het andere minder in zich bevat, wordt dit verfchil tot het vereischte beloop tegen elkander vereffend, en de actie, het zij tot aanvulling, het zij tot vermindering van den koopprijs, heeft niet verder plaats, dan overeenkomftig de ree gels, hier boven opgegeven. Art. 1624. De vraag, wie van beide, de kooper of verkooper, de fchade of de vermindering der waarde van het verkochte goed vóór de levering dragen moet, wordt beoordeeld naar de regels, bepaald bij den Titel van coniracten of verbinde Benisfen, bij wege van overeenkomst> in het algemeen. AG Vere houden is,‘heeft twee onderwerpen: het eerf fie Yv vnroane de er SN = SN « es 5 Ory _ iis n des verkoopers, 339 DERDE AFDEELING. Van vrijwaringe 1625, De vrijwaring, waar toe de verkooper aan den kooper ge- is, het ruse e en vredig bezit van de verkochte zaak; het tweede, de eken van die zaak, of de gebreken, welke om den koop te vernietigen. V Jel 40) seven dn te Vid > sk Van vrijwaring, in geval van evicties Art. 1626. Hoe zeer bij den verkoop geen beding omtrent de vrijn Waring gemaakt is, is de verkooper van regtswegen verpligts den kooper te vrijen en te waren tegen alle op- en, aanfpraaks hij op het geheel of een gedeelte van het verkochte : ans de lasten, welke men beweert op dat goed te hebben, en waar van bij het aangaan van den verkoop en 1 Y Ás IR 1 1e FE er 1 Riet 26 KEN 15 & é Partilen kunnen, door bijzondere verbindtenisfen„ het gen A volg dezer verpligtingen door de wet opgelegd, uitbreie den of inkorten; zij kunnen zelfs overeenkomen, dat de verkooper tot geene vrijwaring, hoe genaamd„ zal gehouden zijn. Art. 1628, Alhoewel bepaald is, dat de verkooper tot geene vrijwaring zal verpligt zijn, blijft hij n niettemin gehouden tot zoodanige vrijwaring, als uit zijne eigene perf? onlijke daad voortfpruit 5 alle overeenkomst, die hier tegen ftrijdt, is nietig. Ve Art. 2629, 3/0 BI, Boek, VI. Titel, IV. Hoofdftuks Art. 1629. In het zelve geval, wanneer bedongen is, dat geene vrij waring plaats zal hebben, is de verkooper nogtans, in geval van evictie„“gehouden tot teruggave van den koopprijs, ten zij de kooper, ten tijde van den koop,geweten heeft het ge« vaar der evictie, of ten zijnen gevare en rifico het goed ge« kocht heeft, Art. 1630. Wanneer vrijwaring beloofd is, of ten dien opzigte niets is bedongen geworden, heeft de kooper, in geval van evic= tie, het regt om van den verkooper te eifchen: E 1°. Te ruggave van, den koopprijs, a°, Te ruggave der vruchten, wanneer hij verpligt ís dezelven aan den eigenaar, die hem geëvinceerd heeft, te laten volgen. 3°. De kosten op den eisch tot vrijwaring, aan de zijde van den kooper gevallen, als mede de kosten, door den oorfpronkelijken eifcher gemaakt. 4°. Eindelijk, de vergoeding van fchaden en interesfen 4 als mede de kosten op den koop en verkoop geval- len. Art. 1631. Wanneer de verkochte zaak, ten tijde der evictie, bevone den wordt in waarde, verminderd, of aanmerkelijk vervallen te zijn; het zij dobr de zorgeloosheid van den kooper, het zij door onvermijdelijke toevallen, is de verkooper niettemin verpligt, om den geheelen koopprijs te rug te geven. Art, 1632, Doch indien de kooper voordeel genoten heeft van het geen door hem aan de waarde van het verkochte verminderd is, heeft de werkooper het regt, om van den koopprijs zoo veel te rug te houden, als dat voordeel bedraagt. É Art. 1633, Indien het verkochte goed, ten tijde der evictie, bevonden wordt in waarde vermeerderd te zijn, zelfs zonder toedoen van den kooper, is de verkooper gehouden aan hem te be- talen, het geen het gekochte boven den koopprijs waare dig is, Art. 1634» De verkooper is verpligt om aan den kooper te rug te ge- ven, of door den genen, die de evictie doet, te doen te rug geven, het geen de kooper wegens reparatiën en nuttige ver „beteringen aan het goed uitgefchoten heeft. Art. 1635 ns OVV 4 9) Van de pligten des verkoopers: Bar Art. 1635. Indien de verkooper eens anders goed, ter kwader trouw, werkocht had, is hij verpligt aan den kooper te rug te geven alle de door denzelven aan het goed gemaakte kosten, zelfs die gene, welke enkel tot fieraad en vermaak daar aan be= fleed zijn. Art. 1636. Indien de kooper flechts van een gedeelte van het ver= koclite goed geëvinceerd is, en dit gedeelte van zoo veel belang voor het geheel is, dat hij den koop zonder dat ge= deelte niet zoude hebben aangegaan, kan hij den verkoop doen vernietigen. Art. 1637. Indien, in geval van evictie van een gedeelte van het ver= kochte goed, de verkoop niet vernietigd wordt, wordt aan den kooper de waarde van dat gedeelte, waar van hij geë« vinceerd is, te rug gegeven, volgens de begrooting der waar de, op den tijd der evictie gemaakt, en niet naar evenres digheid van den geheelen koopprijs, het zij het verkochte goed in waarde vermeerderd of verminderd zij. Art. 1638. Indien een verkocht erf met verborgene, en den kooper niet bekend gemaakte fervituten mogt bezwaard bevonden worden; en dezelve van zoodanig belang zijn, dat men grond heeft te vermoeden, dat de kooper den koop niet zoude heb=- ben aangegaan, indien hij daar van onderrigt geweest was, kan hij de vernietiging van het contract eifchen, ten ware hij liever verkoos zich met eene fchadeloosftelling te vergen noegen. Art. 1639. Alle andere vwerfchillen over vergoeding van fchaden en interesfen, ten behoeve van den kooper, wegens het niet nakomen van het koopcontract, moeten beflist worden vol= gens de algemeene regels, in den Titel van contracten of ver. bindtenisfen, uit’ krachte van overeenkomst, in het alge« meen, vastgefteld, Art. 1640. De vrijwaring, ter zake van evictie, houdt op, wanneer de kooper zich bij een vonnis in het hoogfte resfort, of waar van geen hooger beroep valt, heeft laten verwijzen, zons der zijnen verkooper tot vrijwaring te hebben opgeroepen, indien de laatstgemelde bewijst, dat er voldoende gronden aanwezig waren om den eisch te doen ontzeggen. Vg S UIT. Boek, PL Tel, DP. Hoofdtúks: SIL Van vrijwaring, wegens gebreken aan de vern kochte zaak. Art. 1ó4r. De verkooper is verpligt tot vrijwaring wegens verborgene gebreken van het verkochte goed, die het zelve ongefchike maken tot het gebruik, waar toe het beftemd is, of die dat gebruik zoodanig verminderen, dat de kooper, deze gebreken gekend hebbende, het goed, of in het geheel niet, of niet dan voor eenen minderen prijs gekocht zoude hebben, Art. 1649. De kooper is ongehouden in te ftaan woor zigtbare gebres ken, en welke de kooper zelf had kunnen opmerken. Art. 16436 Hij moet inftaan voor de verborgene gebreken, waar van hij zelfs onkundig was, ten ware hij bedongen had, wegens dit geval niet tot vrijwaring aanfprakelijk te zullen zijn, Art. 1644. In de gevallen, bij Art. 1641 eu 1643 vermeld, heeft de kooper de keuze, om het gekochte te rug te geven, en den koopprijs wederom te nemen, of om het gekochte te hou= den, en zich een gedeelte van den koopprijs te rug te doer ‚geven, zoo als door deskundigen begroot zal worden. Art. 1645. Bijaldien de werkooper de gebreken van het verkochte ge» kend heeft, is hij gehouden, om, behalve de te ruggave va den koopprijs, dien hij ontvangen heeft, aan den kooper alle de fchaden en interesfen te vegoeden. Art. 1646. Indien de verkooper de gebreken van de zaak niet geweten heeft, zal hij alleen gehouden zijn tot,te ruggave van den koopprijs, en om aan den kooper te vergoeden alle de kose teun, die door den koop veroorzaakt zijn, Î Ârt, 1647. Indien eene verkochte zaak, welke gebreken heeft, vergaan is, tem gevolge van hare flechte gefteldheid, moet de ver- kooper het verlies lijden, en ig verpligt aan den Bte” den KOOP= Vv EN Pan de pligten des verkopers. 348 =p koopprijs te rug te geven, en zoodanige fchadevergoeding te goen, als in de twee vorige Artikelen is opgegeven. Maar een verlies, bij toeval gefchied, blijft voor rekening wan den kooper. Art. 1648. De actie, voortvloeiende uit gebreken van het gekochte s die de vernietiging van den koop ten gevolge hebben, moet door den kooper binnen eenen korten tijd worden aangelegd, overeenkomftig den aard van die gebreken, en het gebruik van de plaats, waar de verkoop gefchied is. Art. 1649. Deze actie heeft geene plaats in verkoopingen,die op rege karlijlr ‚ 1 nrd terlijk gezag gedaan worden, VIJFDE HOOFDSTUK, Van de pligten van den koopers Art. 1659. De voorname pligt van den kooper beftaat in het betalen wan den. koopprijs, ten tijde en ter plaatfe, bij het aangaan van den koop bepaald, Art. 1651. Zoo deswegen bij het aangaan van den koop niets bepaald js, moet de verkooper de betaling doen op de plaats en den tijd, waar de levering gefchieden moet. Art. 1652.> De kooper is verpligt interesfen van den koopprijs te bee talen, tot aan de voldoening van de hoofdfom toe, in, de drie navolgende gevallen: Indien zulks bij den verkoop bedongen is; Indien de verkochte en geleverde zaak vruchten of andere inkomsten oplevert; Indien de kooper tot betaling gefommeerd is. In dit laatfte geval, loopen de interesfen eerst van den dag ler gedane fommatie. Ya Art, 1653e EM ne et en dl ne anne #4_ HI Boek, VI. Titel, V. Hoofdfuk. Art. 1653. Indien de kooper door eene hijpothecaïre actie, of doot ®ene actie tot reclame, in zijn bezit-geftoord is, of gegronde reden heeft om te vreezen, dat hij geftoord zal worderr, ftaat het hem vrij, de betaling van den koopprijs op te Schorten, tot dat de verkooper die floornis‘heeft doen op: houden, ten ware dezelve verkiezen mogt borg te flellen, of ten ware bedongen mogt zijn dat dekooper, niet tegenftaan- de de ftoornis, de kooppenningen betalen zal, Art. 1654. Indien de kooper den koopprijs niet betaalt, kan de vers kooper de verbreking van het koop-contract vorderen. Art. 1655. De verbreking van den koop en verkeop van onroerende goederen wordt dadelijk door den regter toegewezen, indien er gevaar is, dat de verkooper het verkochte en den koop= prijs beide te gelijk verliezen zal. Indien dit gevaar niet beftaat, kan de regter aan den koo= per, naar gelang der omftandigheden, eenig langer of korte uicftel verleenen. Deze tijd van uitftel verloopen zijnde, zonder dat de koo- per betaald heeft, wordt de koop en verkoop door den regten vernietigd. Art. 1656. Indien bij den verkoop van onroerende goederen bedongen îs, dat, bij gebreke van betaling der kooppenningen binnen eenen bepaalden tijd, de koop van zelf voor vernietigd zou de gehouden worden, kan de kooper niettemin na het ver« Joop van dien tijd betalen, zoo lang hiij niet door eene fom- matie in verzuim gefteld is; doch na dat deze fommatie ge« daân is, kan de regter aan den kooper geen uitftel van bee taling toeftaan. Art, 1657. In gevalle van verkoop van koopmanfchappen,en van ros« rende goederen, zal de verbreking van den verkoop, van zelf en zonder fommatie, ten voordeele van den verkooper plaats hebben; na dat de tijd, tot de afhaling van het verkochte bepaald, verloopen is, men li) A Van de oorzaken ‚waarom verkoop verbroken kan worden, ur ZESDE HOOFDSTUK; Wan de oorzaken, waarom verkoop nietig is; ca verbroken kan wordens Art. 1658. Behalve de oorzaken van nietigheid, of verbreking van koop en verkoop, welke reeds in dezen titel zijn opgegeven, en die, welke op alle overeenkomften in her algemeen toepas- felijk zijn, kan ook het contract van keop en verkoop vere nietigd worden, door gebruik te maken van het vermogen van den verkooper, om het verkochte weder in te koopen, en uit hoofde van eenen al te geringen koopprijs. EERSTE AFDEELING. Wan het vermogen om het verkochte weder in ge koopen. Art. 1659. Het vermogen om het verkochte weder in te koopen is een beding, waar door de verkooper aan zich het regt voor behoudt, om het verkochte te rug te mogen nemen, tegen te ruggave van den koopprijs, en het doen van de vergoe. dingen, waar van gefproken wordt in Art, 1673. Art. 1660. Het vermogen om het verkochte weder in tte koopen kan niet langer, dan voor den tijd van vijf jaren, bedongen wor- den. Indien zulks woor eenen langeren tijd bedongen is, wordt gie tijd tot de bepaalde vijf jaren ingekort. Art. 16ór. De bepaling van dien tijd moet ftrikt worden opgevat, en mag door den regter niet verlengd worden, Ls Art. 1662, « p 846 UIT, Boek„PI. Titel, VI, Hoofdftuk; Art. 1662. Wanneer de verkooper verzuimt, om zijne actie tot het weder inkoopen van het verkochte binnen den bepaalden tijd te doen gelden; blijft de kooper van het verkochte onhere roepelijk eigenaar. Art. 1663. Deze tijd loopt ten nadeele van eeniegelijk, zelfs van eenen minderisrigen, behoudens zijn verhaal tegen den genen, dien zulks naar regten aangaat, indien daar toe redenen dienen, Art. 1664. Die, met beding van het verkochte weder te mogen ins koopen,‘verkocht heeft, kan zijne actie ook tegen eenen tweeden kooper doen gelden„al ware het, dat van dit beding bi het tweede koop-contract geen gewag mogt zijn gee maakt. Art. 1665. ‚ Die gekocht heeft met beding, dat de verkooper het vera kochte weder zoude mogen inkoopen, treedt in alle regten van zijnen verkooper: hij kan verjaring bekomen, zoo tegen den waren eigenaar van het verkochte, als tegen de genen, die eenig reëel regt of hijpotheek op het verkochte goed zouden mogen willen beweren. Art. 1666, Hij kan het voorregt van uitwinning aan de fchuldeifchers van den Verkooper tegenwerpen. Art. 1667, Indien hij, die onder beding, dat het verkochte weder zal mogen worden ingekocht, een onverdeeld aandeel in een erf of ftuk grond gekocht heeft, zich bij eene opveiling, onder de deelgenooten gedaan, het geheel heeft doen toewijzen, kon hij den verkooper noodzaken om het geheel van hem over te nemen, in geval dezelve van het gemelde beding, zoude willen gebruik maken. Art. 1668. ndien werfcheiden perfonen, te zamen én bij één en het zelfde contract, een erf„het welk tusfchen hen gemeen was s verkocht hebben, kan ieder van hun het rect, om het ver- kochte weder te mogen inkoopen,flechts voor 2400 veel doen gelden, als zijn gedeelte. bedraagt. Art. 1669, k Het zelfde heeft ook plaats, wanneer iemand, die alleen gen erf verkocht heeft, verfcheiden erfgenamen heeft nagelatene leder van deze erfgenamen kan niet verder van het vermogen. van [2 Kal den, We de: eer BAL 8 Ed ad Eq adr JTé Vande, waarotn verko opverbrokenkàn werden. ruik maken, dan voor zoe veel zijn fchap bedraagt. Art. 1670. Boch in de gevallen, bij de twee voorgaande Artikelen ver= À te) < peld, kan de kooper vorderen, dat alle de mede-„verkoopers, * van weder-inkoop geb sandeel in de nalaten! of alle de mede-erfgenamen, zich met den anderen voegen, ten einde het onderling over den weder-inkoop van het ge« heele ftuk goed te kunnen eens worden; em wordt, wanneer azely r dien opzigte niet derhenan kunnen, de geen„ die afzonderlijk de actie tot weder- inkoop ondernomen epe, pr gi heeft, C en regte zen. ede Inoien de verl erf, aan verfcheiden perfonen toebehoorende, niet d allen gezamenlijk, en van het ge= heele(tuk goed, gefchie aar ieder van dezelven afzon- derlijk dat gedeelte verk heeft, het welk hem daar in toekwam, kunnen zij gt van het verkochte weder te bogen inkoopen, elk afzonderlijk, en ten aanzien van zijn gedeelte doen gelden En de kooper kan den genen, die op deze wijze van zijn actie gebruik maakt, niet dwingen, om het geheel over te nemen. . @ Art. 1672. Indien de kooper verfcheiden er heeft nagelaten, fan van het regt, om'het verkoc er te mogen inkoo- pen, tegen ieder van dezelven niet verder Berk gemaakt worden, dan voor zoo veel elks aand ‚in geval de boedel nos niet gefcheiden is, of in geval het verkochte ore ì Ì Be EL der de ertgenamen at îT jar|£ H.| e Maar indien de erfenis gei len is, en het verk rarh+ ar ochte aan e ten van de geheel is aanbedeeld, kan de verko] tegen den genen; aan wien he a43 JIL, Boek, VL Titel, VI. Hoofdftuk. weder-inkoop, zijn erf te rug bekomt, moet het zelve, vrij en onbezwaard van alle lasten en hijpotheken, door den koo= per daar op gelegd, weder aan hem overgaan: hij is echter verpligt, om de huur-contracten, welke door den kooper ter goeder trouw zijn aangegaan, geftand te doen, TWEEDE AFDEELING, Van vernietiging van verkoop, ter zake van benadeeling, Art. 1674. Indien de verkooper voor meer dan zeven twaalfde ges deelten in den koopprijs van een onroerend goed benadeeld is, heeft hij het regt, om vernietiging van den verkoop te vorderen, al had hij zelfs bij het koop-contract van het vere mogen, om deze vernietiging te vragen, afftand gedaan, en verklaard ,dat hij eene meerdere waarde gegeven ,dan ontvane gen had, Art. 1675. Om te weten, of er eene benadeeling van meer dan zeven twaalfde gedeelten plaats heeft, moet het onroerend goed, zoodanig als het ten tijde van den werkoop gelteld en waare dig was„ begroot worden. Art. 1676. Men is tot het vorderen van vernietiging niet meer onte vankelijk na verloop van twee jaren, te rekenen van den dag van, den verkoop. Deze tijd loopt tegen getrouwde vrouwen, afwezenden„de genen, die onder curatele gefteld zijn, en minderjarigen, welke hun regt van eenen meerderjarigen verkooper verkregen hebben. Deze tijd loopt ook woort gedurende den termijn, bij het bedingen van weder-inkoop, bepaald. Arke: 1677 Het bewijs van benadeeling kan alleen bij vonnis voldoen- de verklaard worden, in geval de ten procesfe aangevoerde omftandigheden waarfchijnlijk en gewigtig genoeg waren, om de benadeeling daar uit af te leiden. Art. 1678, ner Aar (die eg met We | ku WM kon chter Ket Wan de oorzöken„waarom verkoop verbroken kan worden. 349 Art. 1678, Zoodanig bewijs kan niet anders beltaan„ dan in een raps port van drie deskundige perfonen, welke gehouden zijn flechts één algemeen proces-verbaal op te maken, en een eenparig advis bij meerderheid van ftemmen uit te brengen. Art. 1679. Indien de gevoelens van de deskundige perfonen verfchils len, zal het proces-verbaal de redenen daar van behelzen; zofider. dat het echter geoorloofd zij, daar bij te kennen te geven, van welk gevoelen elk der deskundige perfonen ge weest iS, B De drie deskundige perfonen wor fs halve benoemd, ten zij partijen zich omtrent de benoeming van alle drie gezamenlijk verftaan hebben. Art. 1681. In geval de actie tot vernietiging wordt toegewezen, heeft de kooper de keuze, om, of het gekochte te rug te geven, en daar tegen den door hem betaalden koopprijs te rug te nemen, of het gekochte goed te behouden, mits het geen van den juisten prijs ontbreekt aanvullende, onder aftrek van en tiende gedeelte van den geheelen koopprijs. Een derde bezitter heeft het zelfde regt, onverminderd zijn regt tot vrijwaring tegen zijnen verkooper. Ârt, 1682. Indien de kooper verkiest om het gekochte te behouden; met aanvulling van den koopprijs, zoo als bij het vorige Ar« tikel is bepaald, moet bij de interesfen van het aangevulde betalen, van den dag af, dat de eisch tot vernietiging gee daan is.© indien hij liever verkiest het goed te rug te geven, en den koopprijs weder te bekomen, geeft hij ook de vruchten te rug, van den dag af, dat de eisch gedaan is. De interesfen van den door hem betaalden koopprijs wore den hem daar tegen vergeed, zedert den dag, dat de eisch tot vernietiging gedaan is, of zedert den dag der betaling„ indien hijj geene vruchten van het gekochte genoten heeft. Art, 1683. Vernietiging van koop, uit hoofde van benadeeling, heeft geene plaats ten voordeele van den kooper. Art. 1684. Zij heeft geene plaats in verkoopingen, welke; volgens de wet, niet dan door tusfchenkomst van den regter hebben kunnen gefchieden, ‘ Art. 1685. aad UI Boek, VI. Titel, PI, Hoofduke*<À Art. 1685. De bepalingen, in de naastvoorgaande Afdeelingen vervat, met betrekking tot de gevallen, dat verfcheiden perfonen ge, zamenlijk, of ieder afzonderlijk verkocht hebben, of. dar del kooper of verkooper verfcheiden erfgenamen heeft nagelaten, worden mede in‘acht genomen bij het aanleggen der actie tot vernietiging van Koop. ZEVENDE HOOFDSTUK Van openbaren verkoop van in het gemeen zijnde goederen, Art. 1686. In geval eene zaak, die aan verfcheiden perfonen in het gemeen toebehoort, niet gemakkelijk en zonder verlies ver ‚deeld kan worden 5 Of indien bij eene verdeeling van gemeene goederen„ die in der minne gedaan is, er zich onder dezelven eenige bee vinden, welke geen der deelgenooten kan, noch wil nemen; Moet de verkooping daar van in het openbaar aan de meestbiedenden gedaan, en de prijs daar van onder de gezie mentlijke eigenaars verdeeld worden. Art. 1687. Ieder der mede-eigenaars heeft hetvregt om te vorderen, Aat bij die verkooping ook vreemden geroepen worden: zij moeten noodzakelijk daar bij geroepen worden, wanneer één der mede-eigemaars minderjarig is. Art. 1688. De wijze en formaliteiten, welke bij den verkoop van, het gemeen zijnde goederen moeten worden in acht genomén, zijn bepaald in den Titel wan erfvolgingen, en in het Wetbot der burgerlijke regtspleging. Van de ovverdragt van infèhuldet enz, a5t ei ACHTSTE HOOFDSTUK d Wan de overdraet van infchulden, en andere on gehamelijke regten, Art. 168: pe Tot de overdragt van eene infchuld, en van een regt OL ectie op eenen derden, gefchiedt de levering tusfchen den edent en cesfionaris, door overgifte der bewijzen, waar uit c é van die infchuld, regt of actie. blijkt. Art. 1690. De cesfionaris bekomt het bezit, ten opzigte van derden, niet(er dan door de infinuatie van de ove srdragt aan den fchuldenaar gedaan. Echter kan de cesfionaris even zeer in dat bezit komen. n wanneer de fchuldenaar bij eene authentieke acte de overdragt GS| peeft aangenomen. Art. 16gr. \, Indien de fchuldenaar, voor dat de cedent of cesfionaris de overdragt aan hem geï eerd had, aan den cedent de f hj ul di voldaan heeft, is hij op eene beftaanbare wijze van d n ontheven. @ a 5 orks fel De verkoop of cesfie van een accesfoir van de fchuld uitmaakt, als borgtogt„ prefe« (li rentie, en hijpotheek. Art. 1693. Die eene infchuld of ander onligchamelk regt verkoopt, is verpligt in te ftaan voor het aanwezen dergelve ten tid je van de overdragt, offchoon de verkoop zonder belofte van vrij vi waring gefchied zij. | Art. 1694. Vers Hij is voor de genoegzame gegoedheid van den fchuldenaar niet verantwoordelijk, ten zij hij zich daar toe verbönden heeft, en alleenlijk ten beloope van den koopprijs, dien hij voor de verkochte intchuld ontvangen heeft. Art. 1695. In geval hij voor de genoegzame gegoedheid van den fchul- gevaar vrijwaring beloofd heeft, moet die belofte verftaan Wola 351 Zil, Boek, PT. Titel; Will. Hoofdftnk; wotderi Van zijne tegenwoordige gegoedheid, en ftrekt zich niet uit tot het toekomftige, indien de cedent dit niet uite drukkelijk bedóngen heeft, Art. 1696. Die eene erfenis verkoopt, zonder de onderwerpen daar wan ftuk voor ftuk op te geven, is niet verder gehouden, dan tot vrijwaring van Zijhe hoedanigheid van erfgenaariì. Art. 169%. Indien hij de vruchten van eenig ftuk goed reeds genoten; of het beloop van eenige infchuld, tot die erfenis behooren- de, ontvangen, of eenige goederen uit die nalatenfchap ver= kocht mogt hebben, is hij gehouden dezelve aan den kooper te vergoeden, ten ware deze, bú het aangaan van den vere koop, zulks uitdrukkelijk aan zich behouden had, Art. 1698, De kooper moet van zijne zijde aan den verkooper ver= goeden, het geen deze wegens de fchulden en lasten der na= latenfchap betaald heeft, en aan hem al dat gene voldoen 4 het welk hij van de erfenis als fchuldeifcher te vorderen heeft, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn. Art. 1699. De geen, tegen wien men eenig regt of actie, waar over gefchil is, heeft overgedragen, kan zich van de aanfpraak van den cesfionaris ten zijnen laste ontheffen, door aan den- zelven te rug te geven den prijs, bij het doen der overdragt werkelijk uitgefchoten, met de kosten daar op gevallen, en met de interesfen, te rekenen van den dag, waar op de ces- fonaris den prijs der overdragt voldaan heeft. Art. 1700. Eene zaak wordt gehouden in gefchil te zijn, zoo dra er proces Over de gegrondheid van dezelve aanhangig is, Art. 1701. Het vastgeftelde bij Art. 1699 houdt op: 21°, In geval de cesfie aan eenen mede-erfgenaam, of mede. eigenaar van het overgedragen regt gedaan is; 2®, Wanneer dezelve aan eenen fchuldeifcher, in voldoe- ning van het geen men hem fchuldig is, gedaan is; 2°, Wanneer dezelve gedaan is aan cen bezitter van het ftuk goed, ten aanzien van het welk het twistgeding beltaat, ZE 1 he Ku 1 [le k fa Ijs Te Pan ruling: 5) s4 ETR Nem Tol IT EK VN: WUIL TNG n Id den nden van Lentemaand 1804, en ajgekondigd den 1yden van dezelfde maand, rPastgef Art. 1zoe,. Ruiling is éert contract, waar bij partijen aan elkânder wee derkeerig eene zaak in de plaats van eene ai Art. 1703 Ruiling wordt gehouden voor voltrokken door de enkelé overeenkomst, op dezelfde wijze als in koop en verkoop. Art. 1704. Indien een van hun, die onderling de ruiling doem, de waak, welke hem in ruiling gegeven wordt, reeds ontvangen heeft, en“ naderhamnd bewijst, dat de andere contractant geen eigenaar van dezelve was, kan hij niet genoodzaakt wor= den tot levering van de zaak, welke hij beloofd had daar tegen ‚te zullen. ruilen, maar alleeri om de zaak, welke hij ontvangen heeft, te rug te geven, Art. 1705. Die geen, aan wien de zaak, die hij in ruilidg ontvangen heeft, geëvinceerd is, heeft de keuze om vergoeding van fcha- den en interesfen, of de te ruggave der door hem gegevene zaak, te vorderen. cere geven. € SC Art. 1706. … De vernietiging uit hoofde van beriadeeling heeft g plaats in het contract van ruiling, Att. 1707. Voor het overige zijn alle de verdere regel het conträct van koop en verkoop zijn voo tuiling mede toepasfelijk, rgelchreven;, op a ged, Daed re 854 IL Boek, VUT Titel, To Hoofdfuk: ASR AS TES DD KV GET ‚ VAN HET CONTRACT VAN-HUUR EN VERHURINGs: X [Wastgefteld den den van Lentemaand 1804, 6% afgekondigd den 17den van dezelfde maand.) EERSTE HOOFDSTUK Algemeene bepalingen: Art. 1708. Er beftaan tweederlei foorten wan contracten van huur ef verhuring: Huur van goederen 5 En huur van dienftens Art. 1709. Huur en verhuring van goederen is een contract, waar bij de eene partij zich verbindt, om de andere het genot te doen hebben van eenig goed, gedurende eenen bepaalden tijd, en voor eenen bepaalden prijs, dewelke de andere daarentegen aanneemt te betalen. Aat. 1710: ur en verhuring van dienften is een contract, Waar bij de eène partij zich verbindt, om voor de andere iets, tegen “een tusfchen hen bepaald loon, te verrigten. Árt. 17IT. Deze twee foorten van buur en verhuring worden nog iù ien bijzondere orderdeelen verdeeld: ing van huizen en van roerende goederen; genaam wing of verpagting van erven, die op het Jand gelegen zijn; genaamd hail à ferme, Vere We en 0 doe teg pe Ù Algemeene bepalingen: 388 Verhuring van arbeid of dienst; genaamd loyer. Veepacht op halve winst, zijnde de verhuring van beesten; Waar van het voordeel verdeeld wordt tusfchen den eigenaar, en den genen, aan wien hij dezelven toebetrouwt; genaamd hail à cheptel. De beftekken of aamnemingen, betrekkelijk het ondernemen wan een werk, tegen betaling van eenen bepaalden prijs, zijn ook verheringen, wanneer de ftoffe geleverd is door ded genen, voor wien het werk gemaakt wordt. Deze drie laatfte foorten hebben hare bijzondere regelen. Art. 1712. De verpachtingen van nationale goederen, van die van ge- meenten, en openbare etablisfementen, zijn aän bijzondere feglementen onderworpen: WEEDE HOOFDSTUK Van huur en verhuring van goederenì B Ärt. 1713. Then kan allerleije foorten van roerende of onroerende goe ren verhúretd, EERSTE AFDEEL ING. Wan de regels, welke gemeen zijn aan verhuringen van hüizen en landerijen Art. 1714 flen kan verhuren, of bij gefchrift, of bij monde. Art. 1715. Indien huur, zonder gefchrift aangegaan, HO niet ten uits voer is gebragt, en eene van de partijen dezelve ontkent; kan geen bewijs door getuigen worden aangenomen, hoe 2e- La TinS , 856 HIL. Boek, VII. Titel, II. Hoofifuk. ring de huurprijs ook zij, en offchoon men zich op het ges yen van godspenningen beroepe. De eed kan alleen aan den genen, die de huur ontkent 4 opgelegd worden, ki Art. 1716. Wanneer gefchil is over den prijs van eene verhuring, bij monde aangegaan, waar van de uitvoering begonnen iS ZON» der dat daar van eene quitantie aanwezig is, zal de eigenaar op zijn woord geloofd worden, ten ware de huurder verkiest, dat die prijs door deskundigen begroot zal worden; in welk geval de kosten van die begrooting ten zijnen laste komen, indien dezelve den huurprijs, welken hij opgegeven heeft; te boven gaats AL Ee De huurder heeft het rest, om het gehuurde weder te te verhuren„en zelfs zijne huur aan een ander over te doen, indien dit vermogen hem niet bij contract ontnomen is. Dit vermogen kan hem geheel of gedeeltelijk ontnomen worden. Dit beding wordt altijd(rikt uitgelegd, Art. 1718. De Artikels van den Titel van het huwelijks-tontract en dé onderlinge regten der echtgenocten, betrekkelijk de ve rhurin. gen van goederen van getrouwde vrouwen, zijn toepasfelijk op verhuringen van goederen van minderjarigen. ATL 17L0. De verhuurder is uit den aard van het contract; en zón= der dat daar toe eenig bijzonder beding noodig is, wer- pligt: 1°. Om het verhuurde goed aan den huurder te leveren, 2°. Om dat goed te onderhouden in zoodanigen{taat, da het tot het gebruik, waar toe het verhuurd is, diee nen kan. 5°, Om den huurder daar van het gerust genot te doen hebben, zoo lang de huur duurt. Art. 1720. De verhuurder is verpligt, om het verhuurde goed in alle opzigten behoorlijk onderhouden zijnde, te leveren. Hij moet, gedurende den huurtijd, daar aan alle die repa« ratiën laten doen, welke noodzakelijk zijn, met uitzondering van die gene, tot welke de huurder verpligt is, Kd Art. 172le. Van huur en verhuring van goederen: 35) Art. 172I. Hij is werfchuldigd den huurder te vrijwaren. voor alle ges breken van het gehuurde goed, welke het gebruik daar van verhinderen, al heeft zelfs de verhuurder, bij het doen der verhuring, die gebreken niet gekend. Inden uit die gebreken eenig nadeel voor den huurder voortfpruit, is de verhuurder verpligt hem deswegen Íchades loos te ftellen. Art. 1722. Indien, gedurende den huurtijd, het verhuurde goed bij toeval geheel en al vergaan is vervalt het contract van zelfs indien het goed flechts ten deele vergaan is, kan de huurder naar gelang der omftandigheden; of eene vermindering van den huurprijs, of de vernietiging van de huur zelve vorde- ren. In geen van beide gevallen heeft eenige fchade-vergoes ding plaats. Art. 1723. De verhuurder mag, gedurende den huurtijd, geene andere gedaante of inrigting aan de verhuurde zaak geven, Art. 1724. Indien, gedurende den huurtijd, het verhuurde goed drins nde reparatiën vereischt, welke niet tot na het eindigen van den huurtijd kunnen witgefteld worden, is de huurder verpligt het doen van dezelve te moeten gedogen, hoe groot ook het ongemak zijn moge, het welk hij daar door lijdt, en offchoon hij, gedurende den tijd, dat die reparatiën gee daan worden, van het gebruik van het verhuurde mogt ver- ftoken zijn. Doch, zoo het doen dier reparatiën langer dan veertig dae gtn duurt, zal de huurprijs verminderd worden, naar even- redigheid vanden tijd,en van het gedeelte van het verhuurde goed, waar van hij verftoken is geweest. Indien de reparatiën van dien aard zijn, dat daar door het gehuurde, het geen ter bewoning van den hunrder en zijn huissezin dienen moet, onbewoonbaar wordt, kan dezelve de huur doen, verbreken. Art. 1725. De verhuurder is niet verpligt, om den huurder te vrijwa- ren wegèns de belemmering, welke derden door dadelijkhe- en hem in zijn genot toebrengen, zonder verder eenig regt o het gehuurde te beweren, behoudens aan den huurder zijne actie tegen de zulken, om die op zijn eigen naam ie wer volgen. a EN ed > et et an N F CN ® Ih Boek, VIII. Titel, Ie Hoofdfrak. Art. 1726. Indien integendeel de huurder of pachter in hun genot ge- fkoord worden, vit hoofde eener actie, welke tot den cigen= dom van het goed betrekking heeft, hebben zij het regt om eene geëvenredigde vermindering van den huurprijs, of van de pachtpenningen ste vorderen, mits van die ftoornís en be= lemmering aan den eigenaar behoorlijke kennis gegeven worde. ZARE Tro. Indien de genen, die de dadelijkheden gepleegd hebben, vermeenen eenig regt te hebben op het verhuurde goed, of indien de huurder zelf in regten gedagvaard is, om tot ont= ruiming van het geheel, of van een gedeelte van het goed verwezen te worden ,of om de uitoefening wan eenig fervituut te gedogen, moet hij den verhuurder tot vrijwaring oproes pen, en op zijn verzoek van de inftantie ont{ligen worden, mits noemende den verhuurder, van wien hij zijn bezit ont- leent. Art. 1728. De voorname verpligtingen van den huurder zijn deze twee: 1°. Om het gehuurde te gebruiken als een goed huisvader, en overeenkomftig de beftemming, welke daar aan bij het aangaan der huur gegeven is, of overeenkomf{tig zoodanige beftemming, als uit de omftandigheden is op te maken,indien deswegen geene overeenkomst ge- maakt is 5 e°, Om den bedongen huurprijs op de te, voldoen. Art. 1729. Indien de huurder het gehuurde tot een ander einde ges bruikt, dan waar toe het zelve beftemd is, of„waar uit eenige(chade voor den verhuurder zoude kunnen ontftaan, kan deze, naar aanleiding der omftandigheden, de huur doen vernietigen. ARI 20s Wanneer tusfchen den huerder en verhuurder eene befchrijs ving van den(taat van het verhuurde gemaakt is, is de huur- der verpligt het goed in dien{taat weder op te leveren, in welken hij het ontvangen heeft, uitgezonderd het geen door ouderdom„ en toevallen van hooger hand, vergaan, of in waarde verminderd is, Krt. TRT. Van huur en verhuring van goederen. Art. 1731. indien van het verhuurde geene befchrijving gemaakt is wordt de huurder veronderfteld het gehuurde ontvangen t 9 hebben in goeden(kaat, ten aanzien van dat onderhoud, het welk ten laste van den huurder komt; en is hij verpligt het zelve in dien ftaat weder over te leveren, ten ware hij het tegendeel bewijst. Art. 1732. Hij is verantwoordelijk voor de verminderingen of verlie- zen, die ge\nrende den huurtijd aan het gehuurde overkó= men. ten ware hij bewijst, dat dezelve buiten zijne fchuld gefchied zijne Art. 1733« Hij is verantwoordelijk voor brand, ten ware hij bewijst: Dat de brand door een onvoorzien toeval, of door hooger hand, of ook door gebrek in de inrigting van het gebouw, veroorzaakt 18 5 Of dat de brand door éen naburig huis is medegedeeld. Art. 1734: Indien het goed aan meer dan éénen huurder verhuurd is, zijn dezelve allen, jeder voor het geheel, in geval van brand verantwoordelijk; Ten ware zij bewijzen dat de brand, in de woning van een van hun ontftaan is5 Of dat eenige van hun bewijzen, dat de brand bij hen piet heeft kunnen ont{taan, ín welk geval deze niet verant- woordelijk zijn. Art. 1735- De huurder is’ verantwoordelijk voor alle verminderingen en verliezen„ door zijne huisgenooten, of de genen, aan wien hij de huur mogt overgedaan hebben, aan het gehuurde. toê- gebragte Art. 1736. Indien de huur mondeling is aangegaan, kan de eene partij aan de andere de huur niet doen opzeggen s dan met in acht neming van de tijden ‚ welken het plaatfelijk gebruik deswegen bepaald heeft, Art. 1737 Huur eindigt van zelf, wanneer, dezelve fchriftelijk aane gegaan zijnde, de daar bij bepaalde tijd verftreken is, zone der dat eene opzegging noodig is. Art. 1739. Indien de huurder bij het eindigen der huur, welke fchrif= telijk is aangegaan; in het. bezit van het verhuurde blijf, en La daar Ì ä ve bij| tk i pe IN\ } If} hi ll $6a lik Boek, WII. Tisel, IL Hoofdftuk, daar ín gelaten wordt, ontflaat daar door eene nieuwe huur: waar van het gevolg bij het Artikel, betreffende mondelinge huur, geregeld is. E foe Aft. 1729, Wanneer de eene partij aan de andere de huur opgezegd heeft, kan de huurder, alhoewel hij in het genot gebleven is, zich niet beroepen op eene flilzwijgende inhuring. Art. 174 In de gevallen, bij de twee vorige Artikelen bepaald, ftrekt zich de borgtogt,‘voor de huur gefteld, niet‘uit tot de verpligtingen, die uit: de verlenging der‘huur ontftaan. Art. 174. Het contract van huur gaat t@ niet door het vergaan van het verhuurde goed, en door het niet nakomen der verplig- tingen, waar toe de huurder en verhuùürder zich onderling verbonden hebben, Art. 1742, Het contract van huur wordt door den dood van den ver= huurder of huurder niet vernietigd. Indien de verhuurder het verhuurde goed. verkoopt, kan de kooper den pachter of huurder, welke een authentiek huur-contract heeft, of waar van de dagteekening zeker 15% niet noodzaken, om het gehuurde te ontruimen ‚ ten ware de verhuurder zich dit regt bij het hüur-contract heeft Voors behouden. Art. 1744. Indien men bij het aangaan der huur overeengekomen is, dat de kooper, in gêval van verkoop, den’ huurder of pache ter het verhuurde zoude kunnen doen ontruimen, en‘geen beding omtrent de vergoeding van fchaden en interesfen ge. maakt is,is de verhuùrder gehouden, om den huurder of den pachter op de volgende manier fchadeloos te ftellen, Art“1745. Wanneer het verkochte beftaat in een huis, in een gedeela te van eef huis, of in een winkel, betaalt de verhuurder; tot vergoeding van fchaden en interesfen, aan den huurder C pachter, die het gehuurde heeft moeten ontruimen, zoo veel, als de huurprijs bedraagt, gedurende den tijd; die, vol- gens het plaatfelijk gebruik, tusfchen de opzegging der huur cn de Ontruiming van het gehuurde verloopen moet, Art. 1746. Indien het verkochte beftaat in landen, beftaat de fchade- vergoeding, welke de verhuurder aan den huurder Ln oen € iki Wan huur en verhuring van goederen. 461 doen, in een derde van den huurprijs„ over den geheelen tijd, dien de huur nog loopen moest. Art. 1f47. Deze(chadevergoeding zal door deskundigen bepaald wore den, wanneer het verkochte beftaat in fabrijken, trafijken of andere etablisfementen, die een groot uitfchot van penningen vorderen. drh Art. 1743. Een kooper, die gebruik wil maken van het vermogen; bij het huur- contract voorbehouden, om in geval van ver- koop, den huurder of pachter het gehuurde te doen ontruis men, is bovendien gehouden, om den huurder zoodanigen tijd te voren te waarfchuwen, als het plaatfelijk gebruik tot het doen van opzeggingen medebrengt. Hij moet ook den pachter van landen ten minften een jaar Art. 1749. Pachters of huurders kunnen niet genoodzaakt worden het gehuurde te ontruimen, dan na dat zij door den verhuurder, of, zoo deze daar van in gebreke blijft, door den nieuwen eigenaar, voldaan zijn wegens de vergoeding van fchaden en interesfen, hier voren vermeld, Art. 1750. Indien de huur niet bij eene aurhentieke acte is aangegaan„: of geene zekere dagteekening heeft, is de kooper tot geene vergoeding van fchaden of interesfen gehouden, ATD WZS TE Die eenig goed koopt, onder beding van weder- inkoop, kan van het vermogen om den huurder het gehuurde te doen ontruimen, geen gebruik maken, dan. na dat hij door het werloop van den tijd, tot het doen van weder- inkoop be- paald, onherroepelijk eigenaar van het gekochte gewor gen IS, UI Boek, VIII. Tisel, 21. Hoofdftuk. TWEEDE AFDEELING. Bijzondere regels, omtrent de huur van huizen en roerende goederen. Art. 1752 De huurder, die het. huis van geen genoegzaam aantal meubelen voorziet, kan uit het zelve gezet worden, ten zij hij voldoende zekerheid geeft voor de betaling der huurpen= ningen. . Art. 1753. Een tweede huurder is ,ten aanzien van den eigenaar, nict verder gehouden, dan tot het beloop van den huurprijs» welken hij, op het oogenblik van een gedaan arrest ‚aan den eerften huurder fchuldig zoude mogen zijn, en zonder dat hij. zich op betalingen, bij voorraad gedaan, beroepen kan. De betalingen, door den tweeden huurder gedaau, het zij vit krachte van een in het huur-contract uitgedrukt beding, het zij ten gevolge van plaxfelijke gebruiken„ worden niet geacht bij voorbetaling gedaan te zijn. Art. 1754 De noodzakelijke reparatiën of het gering onderhoud, toe de huurder verpligt is, wanneer deswegen geen ander beding gemaakt is„zijn de zoodanige, welke volgens de plaat- felijke gebruiken daar voor gehouden worden, en onder ane deren de reparatiën, welke gedaan moeten worden, Aan haardfteden„, beeldhouw- werk en mantels der fchoorfteenen. Aan het belegfel onder aan de muren der vertrekken, en andere plaatfen van inwoning, ter hoogte van één mètre Aan de vloerfteenen en plaveijen der kamers, wanneer er flechts eenige gebroken zijn.| „Aan de glazen, ten zij die door den hagel of andere bui- tengewone toevallen van hooger hand gebroken zijn, tot wele ker herftel de huurder niet gehouden is. Aan de deuren; venfter-ramen en planken, dienende tot af- fchurting of affluiting van winkels, hengfels, grendels en (loten. waar Art, 1755 vide geve van mä Re Van huurt en verhuring vaù g0EGETeHe 364 Art. 1755. Geene der opgenoemde reparatiën, welke de huurder an- ders moet doen, komen ten laste van denzelven, wavneer ouderdom of onvoorziene toevallen daar toe gelegenheid ge- geven hebben, Art. 1756, Het Schoonhouden van putten en rioolen komt ten laste van den verhuurder, indien deswegen geen ander beding ge maakt is, Art, 1757 De huur van meubelen, om een geheel huis, Woning a winkel of kamers daar mede te meubeleeren ‚ wordt gehouden voor zoo lang te zijn aangegaan, als de huizen, woningen, winkels of kamers, volgens plaatfelijk gebruik, doorgaans verhuurd worden. Art. 1758. De huur van eene geftoffeerde kamer wordt gehouden voor &én jaar te zijn aangegaan, wanneer dezelve aangegaan is te- gen zoo veel in het jaar; Bij de maand, wanneer dezelve aangegaan is tegen zoo veel in de maand; Bij den dag, wanneer dezelve aangegaan is tegen zoo veel voor elken dag. Indien niet blijkt, dat de huur voor zoo veel in het jaar, in de maand, of bij den dag is aaneegaan, wordt dezelve geacht, volgens plaatfelijk gebruik te zijn aangegaan. Art. 1759. Indien de huurder van een huis of vertrek, na het eindi- gen van den huurtijd, bij fchriftelijk huur- contract bepaald, in het bezit van het gehuurde blijft, zonder dat zich de ver- huurder daar tegen verzet, wordt hij geacht het gehuurde op dezelfde voorwaarden te blijven behouden voor den tijd, bij de plaatfelijke gebruiken bepaald, en zal hij het gehuurde niet kunnen verlaten, noch daar uit kunnen verdreven wor- den, dan na dat hem eene tijdige opzegging overeenkomstig het plaatfelijk gebruik, gedaan is. Art. 1760. À In geval de huur door fchuld. van den verhuurder te niet is deze gehouden tot betaling van den huurprijs, gedu- rende den tijd, die. tor wederverhuring noodig is; onvermins derd zijne verpligtingen tot vergoeding van fchaden en inte» resfen„welke uit het misbruik van het gehuurde hebben kun- San asin ontttaan. pn 8 4 HIER tk LE d id Î ER te,|$ 4 |[ Ii || 664 De verhuurder kan de huur niet doen eindigen, klaarde hij ook, dat hij het.verhuurde huis zelf wilde betreke ken, ten ware het tegendeel bedongen is, JAL. Boek, WII. Titel, IE Hoofdfruke Art. 1761: al wers ATt. 1762, Indien men bij het huur-contract is overeengekomen. dat Hi de verhuurder het huis zelf konde betrekken 4 is hij verpligt. | om vooraf eene opzegging, zoo veel tijd te voren, Is het plaatfelijk gebruik medebrengt, te doen infin als het eren. DERDE AFDEELING, Bijzondere rêgels, ortrent huur van landen. Art. 17635. Die een{luk land bebouwt, onder voorwaarde om de daar van afkomende vruchten met den verhuurder te deelen, mag het gehuurde niet weder aan een ander verhuren, noch afitaan, ten zij hem die bevoegdheid uitdrukkelijk bij het huur-contract verleend is, Art. 1764. In geval van overtreding, heeft de eigenaar het reet. om in het genot van het verhuurde te rug te treden„en de huure der is gehouden tot vergoeding van fchaden en interesfen, wela ke uit het niet nakomen der huur voortfpruiten. Art. 1765. Indien bij het huur-contract van landen, eene kleindere of grootere uitgeftrektheid aan de landen toegekend wordt, dan dezelve wezenlijk bevatten, geeft zulks geene aanleiding tot EL vermeerdering of vermindering van den huurprijs voor den Í huurder, dan alleen in de gevallen, en volgens de bepalin gen, in den Titel vaz koop en verkoop uitgedrukt, Art. 1766. Indien de huurder van eene boerderij dezelwe niet voorziet van beesten en noodzakelijke bouwgereedfchappen; indien hij de bebouwing verwaarloost, en zich ten dien opzigte niet als een goed huisvader gedraagt; indien hij het gehuurde tot Î een ander einde gebruikt, dan waar toe het zelve beftemd was; of in het algemeen, indien hij de bedingen, bij het aan- [| Van huur en verhuring van goederen: 365 SA gaan van de huur gemaakt, niet nakomt, en daar uit eenige fchade voor den verhuurder ontftaat, kan deze, naar gelang der omftandigheden, de huur doen verni „In geval van verbreking. der alt ten gevolge van eene daad van den huurder, is deze gehouden tot vergoeding van {chaden en Artik zoo als in Artikel 1764 gezegd iss Arts 1767. Alle huurders van landen zijn gehouden de vruchten in te zamelen in de fchuren, welke daar toe bij het huur-contract 1 1] DEL d- Zijne Art. 1768. De huurder van landen is gehouden, op flraffe van vera goeding van alle kosten, fchaden en interesfen, den eigenaar k ee 1 ven v aanmatigingen, welke ten aan H kt Í EZ:pleegd worden. Deze SE den binnen den zelfden en der dagvaardingen, ΀ jaar mate van ad Indien de huur durende den huurtij n aangegaan is„ EN Ten e, de 1 halve Í is verloren gegaan L eene vermindering van den bedongen huur- rijs vorderen; ten ware hij door den oogst van vorige jaren reeds fchadeloos gefteld was, Indien hij niet fchadeloos gefteld is, kan de begrooting van de vermindering van den huurprijs niet gemaakt worden, dan op het einde van den Ee DE als wanneer het genot van alle de jaren tegen elkander berekend wordt. De regter kan niettemin bij provifie den huurder van de Í gedeelte der huurpenningen, naar mate van vrij en. Arte. 1770: Indien de huur flechts voor één jaar aangegaan, en de oogst geheel, of ten minfte.voor de helft ve: ren. IS» wordt aan den huurder eene geëvenredigde korting van de huurpen. ningen toegeftaan. Hij kan geene korting vorderen, indien het verlies minder dan de helft bedraagt, Att pT in. De huurder kan geene korting erlangen, wanneer het vers lies der vruchten plaats heeft, na dat dezelve van den grond afgefcheiden zijn, ten ware bij het huur contract een zeker gedeelte van den oogst in natura voor den verhuurder be- dons wkn_ 366 lil, Boek, Vri. Titel, ÍT. Hoofdftuk. dongen zij, in welk geval de eigenaar zijn aandeel in dat verlies dragen moet, mits de huurder niet nalatig geweest is; om aan den eigenaar zijn aandeel in den oogst te leveren. De huurder kan even min eene korting vorderen, wanneer de oorzaak der fchade bij het aangaan der huur reeds beftond en bekend was. Art. 1772. De huurder kan, bij een uitdrukkelijk beding, voor onvers mijdelijke toevallen aanfprakeliijjk gefteld worden, j Arts 1779. Dit beding ftrekt zich alleenlijk uit tot gewone onvoorzies fie toevallen, als hagel, blikfem, vorst en(tort-regens. Het ftrekt zich niet uit tot buitengewone onvoorziene toe- wallen, als verwoestingen des ootlogs,of eene overftrooming, waar aan het land niet gewoonlijk onderworpen is, ten zij de huurder alle voorziene en onvoorziene toevallen op zich heeft genomen./ Art. 17748 De huur van landen, zonder fchrift aangegaan, wordt ge« tekend aangegaan te zijn voor zoodanig tijdvak, als de huure der noodig heeft„om alle de vruchiten van het gehuurde land in te zamelen. Dus wordt de huur van een ftuk weiland; van eenen wijn- gaard, en van alle andere gronden, waar van de vrüchten binnen den loop van een jaar geheel ingezameld worden, ge- acht voor een jaar aangegaan te zijns De huur van bouwlanden, wanneer zij verdeeld zijn in akkers, die bij beurrelingfche jaargetijden bebouwd worden, wordt geacht aangegaan te zijn voor 200 vele jaren, als ef akkers zijns Art. 1775 Huur van landen, fchoon zonder fchrift aangegaan, houdt van zelf op bi het eindigen van het tijdperk, waar vaor der zelve, volgens het voorgaande Artikel geacht moet worden té zijn aangegaan. Att. 17766 Indien bij het eindigen der landhuren, in gefchrift aange- gaan, de huurder het bezit van het gehuurde behoudt, en daar in gelaten wordt, ontftaat er eene nieuwe huur, waa van het gevolg bepaald is bij Artikel 1774. Art. 1777.: De huurder moet bij zijn vertrek, aan den genen die hem in de bebouwing opvolgt„de noodige woningen, en het geen wefder tot de bebouwing van het land voor het volgende jaar wer: | | Í Ja>& gel bv de Iver Il WI AS Van huùr en verhuring van goederen, 867 overlaten; en wederkeerig moet de pachter; an den genen die vertrekt, de noo- dige woningen, en het geen verder vereischt wordt, bezor- gen, om het hooi voor de beesten te kunnen verbruiken, en de nog te velde(taande vruchten in te oogften. In beide gevallen’ moet men zich naar de, plaatfelijke ge- bruiken fchikken. gereischt wordt, die.op het goed komt, a Art. 1778. De huurder moet bij zijn vertrek ook achterlaten het ftroc en de mest van het afgeloopen jaar, indien hij bij den aan= wang van zijne huur dezeive ontvangen heeftz en al had hij zelfs die niet ontvangen, kan de eigenaar dezelve volgens begrooting voor zich behouden. DERDE HOOFDSTUK Van huur van werk en dienflen: Art. 1779e De huur van werk en van dienften bepaalt zich tot drië voorname foorten, 1°. De huur van dienstboden of werklieden, die zich ig iemands dienst verbinden 3 n°, Die van voerlieden en fchippers, die zich met hef overbrengen van perfonen of goederen belasten; a°, Die van aannemers van werken, in gevolge van bes fiekken of aannemingen: gór UE Boek, VIIL Titel, UI. Hoofdpuk; EERSTE AFDEELING. Van huur van diensthoden en arbetderss Art. 1780. „Men kan zijne dienften alleenlijk woor eenen tijd, en tof' eene bepaalde onderneming verbinden, Art. 1781, 4 E, De meester wordt op zijn woord geloofd, Ten aanzien van de hoeveelheid van het bedongen loon; Ten aanzien van de betaling der huur van het verfchener jaar; En ten aanzien van het geën op rekening der haür over he loopende jaar gegeven is, TWEEDE AFDEELING: Van voerlieden en fchippers: ‚ Art. 1789. Voerlieden en fchippers zijn gehouden, om de goedéren; aan hun toevertrouwd; te bewaren, en daar voor zorg te dra- gen, onder dezelfde verpligtingen als herbergiers, waar van gefproken wordt in den Titel van bewaarneming em van fe- guestratie,. Art. 1783: Zij zijn niet alleen verantwoordelijk voor het geen zij reeds in hun vaartuig of op hùn rijtùig geladen hebben, maat ook voor het geen hun op de wal, of op de gewone plaats ter beftelling van goederen, bezorgd is, om in hun vaar- of rijs tuig geplaatst te worden. Art. 1784. Zij zijn verantwoordelijk voor het verlies van de hun aafi- vertrouwde goederen, en de fchade daar aan gekomen, ten Waré Van huur van werk en dienften. 369 ware zij bewijzen, dat dezelve door een onvermijdelijk onheil of toeval van hooger hand verloren of befchadigd zijn. Art. 1785. De aannemers van post- en van vrachtwagens, en van vracht- of beurtfchepen, als mede van vrachtkarren of pak- FEBEnS, zijn verpligt registers te houden van het geld de goederen en pakketten, met welker bezorging zij zich bes lasten. Art. 1786. De aannemers en beftuurders van vrachtwagens en vrachte karren, en de fchippers van fchepen en waartuïgen, zijn bo- vendien verpligt zich te gedragen naar de bijzondere regle menten, die tusfchen hun en de andere burgers tot eene wet vertrekken, DERDE AFDEELING. Van beflekken en aannemingen. Del Art. 1787. Wanneer men iemand belast met het maken vaneen werk„ kan men overeenkomen, dat hijj alleen zijne moeite en ar- beid, of wel, dat hij ook de ftoffe leveren zal, Art. 1788. Wanneer, in geval de ambachtsman de ftoffe levert, het werk, op welke manier zulks ook zij, vergaat, alvorens de zelve geleverd is, komt de fchade voor zijne rekening, tèn ware de geen, die het werk befteld heeft, nalatig geweest is om het zelve te ontvangen. Àrt. 1789. In geval de reed alleen zijne moeite of arbeid{e= vert„en het werk vergaat ,is hij niet verder aanfprakeli lijk ‚dan voor zoo verte zuiks door Zijne fchuld mogt veroorzaakt zijn. Art. 1790. Indien het werk, in het geval bij net voorgaande Artikel vérmeld, buiten eenig pligtverzuim van de zijde van den ambachtsman, voor dat de levering gefchied is, en zonder dat hij die het werk befteld heeft, nalatig geweest is,om het zelve op te nemen en goed te keuren, vergaat, heeft de am= Aa bachtsa 370 III, Boek, VIII Titel, III. Hoofdfuk. bachtsman geene aanfpraak op zijn loon, ten ware de zaak door een gebrek in de ftoffe zelve, vergaan zij. Art. 1791. Wanneer werk bij het fluk of bij de maat bearbeid wordt, kan het zelve bij gedeelten opgenomen en. goedgekeurd wors den; die goedkeuring wordt geacht gedaan te zijn met op: zigt tot alle de betaalde gedeelten; indien de aanbefteder den werkman telkens betaalt, naar evenredigheid van het geen hij afgewerkt heeft. Art. 1792. Indien een gebouw, voor eenen bepaalden prijs aangeno- men, geheel of gedeeltelijk vergaat, uit hoofde van eene gebrekkige bouwing, zelfs uit hoofde van de ongefchiktheid van den grond, zijn de architect en aannemer daar voors gedurende den tijd van tien jaren, verantwoordelijk, Art. 1793. Wanneer een architect of aannemer op zich genomen heeft, een gebouw bij aanneming, volgens een met den eigenaar beraamd en vastgefteld beftek, te maken, kan hij geene vere meerdering van den prijs vorderen, noch onder voorwendfel van vermeerdering der dagloonen of bouwftoffen, noch ook van veranderingen en bivoegfelen, die niet in het beftek bet grepen zijn; ZOO hij tot die veranderingen of vermeerderin= gen niet fchriftelijk is geaut leerd, en nopens den prijs derzelve met den eigenaar is overeengekomen. Art, 4e De aanbefteder kan, des goedvindende, de aanbefteding gen, offchoon het werk reeds begonnen is, mits hìj den er wegens alle zijne kosten, al zijnen arbeid, en al en hij bij die aanneming had kunnen winnen, fchas ftelle. A Art. 1795. “Het huur-contract van werk of-dienften wordt verbroken door den dood van den ambachtsman, van den architect of van den aannemer. Att. 1796. Doch de eigenaar is gehouden, om naar evenredigheid van den prijs, bij overeenkomst bepaaid, aan hunnen boedel te voldoen de waarde van het gedaane werk, en die der in gereedheid gebragte bouwftoffen, mits het werk„ of die bouwe ftoffen hem van nut kunnen zijn. Art. 1797. Art. 1797 aak De aannemer is verantwoordelúk voor de genén, die hij in het werk ftelt. V De metfelaars, timmerlieden en andere ambachtslieden, we! Xin ne Wor ke tot het zetten van een gebouw, Ol eenig ander werk top bij Aanneming gemaakt, gebr ikt zij, en ge actie fe. I den gen den genen g ten w iens hehoeve de werken akt is van den aannemer, ten tijde dat zij hu actie aanleg- eend Tal hts | el gend Art 1799. De metfelaars, timmerlieden, fmits, en andere ambacht: joor eenen bepaalden prijs heden, die zeive- ODIN V een werk op zich nemen, zijn gehouden aan de regels, eze Afdeeling racfchreven: zij zijn aannemers, ieder in old! à 54 5 f di VIERDE HOOFDSTUK; ho mp ET H nn DH“ATI KERSTE FDEEL:t NG. 1800» Weevach IJ ar bij de eene partij aan de are Beniie ku Ì t. om dezelve te bewaren, té pn onderhouden en te verzorger!, op Z odanige voorwaarden 9 (5e ‚ zij met elkander overeen KOMEN. ri Art. 1801. zijn verfcheiden foorten van veepacht: up Fokele of gewone veepacht; Veepacht op halve winst; Aas Veen sv AI Boek, WIL Tiel, IV. Hoöflfuk. Veepacht, gegeven aan den huurder, bet zij dezelve eenert huurprijs verwoont, het zij hij de vruchten van het tand met den eigenaar deelt. Er is nog eene vierde foort van contract, oneïgenlijk veee pacht genoemd, Art. 1802, Men kan veepacht aangaan omtrent alle foorten van bees= ten, die gefchikt zijn tot fokkerij, of om voor den landbouw of koophandel voordeel aan te brengen, Art. 1803. Bij ontbreken van bijzondere overeenkomften, worden deze contracten naar de volgende grondbeginfelen geregeld, TWEEDE AFDEELING. Van enkele of gewone veepacht. Art. 1804. Enkele of gewone veepacht is een contract, waar bij mert aan een ander beesten geeft, om dezelven te bewaren, te onderhouden en te verzorgen, onder voorwaarde, dat de pachter de helft zal genieten van de jongen dier beesten, en ook de helft in de fchaden dragen zal. Art. 1805. De begrooting van de waarde der beesten, bij het contract van veepacht gedaan„doet den eigendom der beesten niet op den pachter overgaan5 dezelve heeft geen ander oogmerk, dan om het verlies of de winst te bepalen,die bij het eindigen der pacht bevonden zoude mogen worden. Art. 1806. De veepachter is gehouden, om voor het behoud van het vee, als een goed huisvader, te zorgen. Art. 1807. Hij is wegens onvoorziene toevallen niet gehouden, dan Wanneer vooraf eenig verzuim door hem gepleegd is, zonder het welk de fchade niet gebeurd zoude zijn. Art, 1808. In geval van verfchil, is de pachter verpligt, het onvoor- ziee mr el OE en n Van veepacht. 873 ziene toeval, en de verhuurder het gepleegd verzuim van den pachter te bewijzen, Art. 1809. De huurder, die door een onvoorzien toeval van het con= tract ontflagen is, is niettemin altijd gehouden, om de huie den der beesten te verantwoorden. Art, 1810. Indien het vee geheel vergaat, zonder. de fchuld van den pachter, komt het verlies daar van ten laste van den ver- pachter. Indien flechts een gedeelte daar van vergaat, wordt het verlies door beiden te zamen gedragen, volgens de begroo= ting, die bij den danvang van het contract ,en die vervolgens bij deszelfs uiteinde gedaan wordt. Art. 1örï, Men kan niet bedingen, Dat de pachter het geheele verlies van het vee dragen zal, offchoon ook het zelve buiten, zijne fchuld, en door een onvoorzien toeval, veroorzaakt zij; Of dat hij in het verlies een meerder gedeelte, dan in de winst, hebben zal; Of dat de verpachter, bij het eindigen der pacht, iets theer zal vooruit genieten, dan het vee, het welk hij geleverd heeft. Alle dusdanige overeenkomften zijn nietig. De pachter geniet alleen voor zich de melk, de mest, en den arbeid der beesten, in véepacht gegeven. De wol en de jongen worden onderling verdeeld, Art. 1812. De pachter kan over geen beest, tot de kudde behoorers de, het zij de oorfpronkelijk in veepacht gegevene, het zij de daar uit geboren jongen, befchikken zonder toeftemmin van den verpachter, die zelf daar over even min befchikken kan zonder toeftemming van den pachter. Art. 1813. Wanneer het vee in pacbt gegeven is aan den huurder van eens anders land, moet daar van kennis gegeven worden aan den eigenaar, van wien hij dat land in huur heeft; andere zints kan die eigenaar dat vee doen arrefteren en verkoopen„ voor het geen zijn huurder hem verfchuldigd is, Art. 1814, De pachter mag de fchapen niet‘doen fcheeren, zonder den verpachter daar van vooraf te verwittigen, dá UL Baek, Pill. Titèl, 1. Hoofdfuk. Art. 1815. Indien bij de overeenkomst geen tijd bepaald is, hoe lang de veepacht duren zal, wordt dezelve gehouden aangegaan te zijn voor drie jaren. Art. 1816. De verpachter kan de vernietiging daar van eerder vragen„ indien de pachter zijne ver pligtingen niet nakomt.: Art. 1817. Bij het eindigen der pacht, of bij vernietiging van dezel- ye. wordt het vee op nieuw gewaardeerd. De verpachter kan van elke foort der beesten eenigen voor- uit nemen, ten beloope van de eerfte begrooting: het verde- re wordt onderling verdeeld. Indien er geene beesten genoeg zijn, om de eerfte begroor ting vol te maken, neemt de verpachter het geen er van overig is, en partijen verrekenen met elkander het verlies. DERDE AFDEELING. Van veepacht op halve winste Art. 1818. Veepacht op halve winst is eene fociëteit, waar in ieder der contractanten de helft der beesten levert, welke ten gé- meenen bate en fchade blijven. Art. 1819. De pachter geniet alleen, even als in de gewone veepachts melk, de mest, en den arbeid der beesten. De verpachter heeft geen verder regt, dan op de helft van de wol en van de jongen. Alle overeenkomst, hier tegen ftrijdende, is nietig, ten zij de verpachter eigenaar is van de hoeve, welke de pachter, "of voor zekeren huurprijs, of tegen uitkeering van een aal «deel in de vruchten aan den eigenaar, in huur heeft. Art. 1820. Alle verdere regels omtrent de eenvoudige veepacht zijn ede toepasfelijk op veepacht op halve winst. VIER: Pan velpachts 5 37 UL VIERDE AFDEELING, Van veepacht, aangegaan tusfchen den eigenaar en deszelfs huurder, het zij hij gehuurd heeft voor zekeren huurprijs, het zij tegen uitkeering van een aandeel in de vruchten. $ Ie Wan veepacht, aangegaan mét eenén huurder, die woor zekeren huurprijs gehuurd heeft. Art. 1821. Deze veepacht(ook genaamd cheptel de fer) is die gene, waar bij de eigenaar van eene landhoeve dezelve in huur uits geeft, mits de huurder, bij het eindigen van de huur,zoo vele beesten zal achterlaten, als hij ontvangen heeft, gerekend naar de waarde der daar van gemaakte begrooting, Art. 1822, De begrooting der beesten, aan den huurder in veepacht gegeven, draagt den eigendom daar van aan denzelven niet over, maar ftelt echter die beesten voor zijn rificO. Art. 1823. Alle voordeelen behooren aan den pachter, zoo lang zijn huurtijd duurt, ten zij deswegen eene andere overeenkomst gemaakt mogt zijn. [ej Art. 1824. In veepachten, met eenen huurder aangegaan, behoort de mest niet onder de perfoonlijke voordeelen van de pachters, maar tot de landhoeve, tot welkers bearbeiding dezelve eenig» lijk gebruikt moet worden. Art. 1825, Het verlies, ook van de geheele kudde, en door een ons voorzien toeval, komt alleen ten laste van den huurder der landhoeve, ten Zij het tegendeel bedongen is. Aa 4 Art. 1826* UIT, Boek, VAT. Titel, MW. Hoofifuk, Art. 1826. Bij het eindigen der huur, kan de huurder der landhoeve de beesten niet behouden, door de oorfpronkelijke waarde daar voor te voldoen; hij moet beesten van gelijke waarde als welke hij ontvangen heeft, achterlaten. J Wanneer daar aan iets ontbreekt, moet hij zulks betalen en het ís alleen het overfchot, het welk hem toebehoort, q SIL Van veepacht, aangegaan met eenen huurder, die, tegen uitkeering van een aandeel in de vruch. ten aan den eigenaar, gehuurd heeft, Art. 1827. Indien het vee geheel vergaat, zonder de fchuld van zoo- danigen huurder, komt de daar door veroorzaakte fchade ten laste van den verhuurder. Art. 1828, ‘Men mag bedingen, dat zoodanig een huurder, ten behoe- ve van den verhuurder, moet achterlaten zijn gedeelte in de wolle der fchapen, tot eenen lageren prijs,dan die gewoonlijk bedraagt; Dat de verhuurder een grooter deel in de winst zal heb» ben 5 Dat hij de helft zal hebben van.de melk; Maar men mag niet bedingen, dat het geheele verlies zal komen tot laste van den huurder, Art. 1829. Deze veepacht houdt op met het eindigen van de huur der landhoeve. Art. 1830. Voor het overige is dezelve onderworpen aan alle ‚de res gels van eene eenvoudige of enkele veepacht, 1e die Van veepacht. A 877 VIJFDE AFDEELING, RD Van het contract, oneigenlijk veepacht gehaamd. 3 Art. 1831. Wanneer één of meer koeijen gegeven worden ,om dezelve te ftallen en te voeden, behoudt de verhuurder daar van den eigendom, en hij alleen heeft het voordeel van de kalveren, Bie daar van voortkomen, NEGEN N BDE TE Bis VAN CONTRACT VAN SOCIËTEIT. WWastgefteld den Óden van Lentemaand 1804, en afgekondigd den 1Óden van dezelfde maand.) Pa EERSTE HOOFDSTUÉ; Algemeene bepalingen. Art. 1832. Sociëteit is een contract, waar bij twee of meer perforien overeenkomen, om iets in gemeenfchap te brengen, met oog- merk om de winst, die daar door ontftaat, onder elkander te deelen, Aa 5 Art. 1333. 373 HI, Boek, IX. Titel, Fo, Hoofdfuk. Art. 1833. Alle fociëtéiten moeten eene geoorloofde zaak ten onders werp, en het gemeenfchappelijk belang der paitijen ten oog- merk hebben.: Elk der geasfocieerden moet of geld ofgandere goederen, of zijn vlijt of arbeid, in de fociëteit aanbrengen. Art. 1834. i Alle contracten wan fociëteit moeten bij gefchrifte aanges gaan worden, wanneer de zaken, welke zij ten onderwerp hebben, eene waarde van meer dan honderd vijftig frâncs bee dragen. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en buiten het geen in de acte van fociëteit vervat is, noch ook omtrent het geen beweerd zoude mogen worden, te vo- ren, ten tijde, of na het maken dier acte gezegd te zijn, al ware het dat de zaak eene mindere fomme of mindere waars de, dan van honderd en vijftig francs; betrof, TWEEDE HOOFDSTUK. Wan de verfchillende foorten van fociëteiten. Art. 1835. De fociëteiten zijn of algemeene of bijzondere, EERSTE AFDEELING. Van algemeene fociëteiten- Art. 1836. nd Men onderfcheidt twee foorten van algemeene fociëteiten, de fociëteit van alle tegenwoordige goederen, en de algemets ne fociëteit van winften. Act. 1837» (er Van de verfchillende foorten van fociëteiten, 379 Art. 1837. De fociëteit, van alle tegenwoordige goederen is die gene, waar bij partijen alle roerende en onroerende goederen, wel ken zij tegenwoordig bezitten„en de voordeelen, die zij daar van trekken kunnen, in het gemeen inbrengen. Zij kunnen ook daar onder bevatten alle foorten. van wine ften; doch de goederen ‚die hun bijerfwolging, gifte of legaat zouden mogen aankomen, komen in die fociëteit niet verder, dan voor zoo veel het genot van dezelven betreft: alle be= ine. ftrekkende om den eigendom van die goederen in de fociëteit te doen komen, ís verboden„ behalve tsfchen gchtgenooten, overeenkomftig het geen ten hunnen opzigte Art. 1839. De algemeene fociëteit van wintten bevat al het geen de asfocieerden„ gedurende den tijd, dat de fociëteit plaats heeft, jor hunne vlijt, onder welke benaming ook» verkrijgen; de erende goederen, welke een jeder der geasfocieerden, ten 0E ge MC ok begrepen; doch de onroerende goederen, die hun per= oebehooren, komen in dezelven alleen voor zoo veel )onlijk pn t et genot aangaat. [s tijde van het aangaan van het contact, bezit, zijn daar in ( í h Ari. 1839: De eenvoudige overeenkomst eener algemeene fociëteit, zon- dêr eenige verdere bepaling aangegaan, behelst niets anders, dan de algemeëne fociëteit van winften, Art. 1840. Geene algemeene fociëteit kan plaats hebben, dan tusfchen perfonens die wederzijds de bevoegdheid hebben om elkander jets te gevens ot van elkander iets te ontvangen, en aan wien het niet verboden is, om elkander, ten nadeele van eenis voordeel te doen. andere perfonen, 836 HIL Boek, IX. Titel, IL. Hoofdftuk. TWEEDE AFDEELING. Van de bijzondere fociëteit, Art. 1841. De bijzondere fociëteit is die gene, welke alleen betreke king heeft tot zekere bepaalde zaken, of tot het gebruik van dezelven, of tot de vruchten, die daar van afkomen. Art. 1842. Het contract, waar bij verfcheiden perfonen zich, het zij tot eene bepaalde onderneming,het zij tot de uitoefening van eenig bedrijf of beroep, te zamen verbinden, maakt mede eene bijzondere fociëteit uit, ' DERDE HOOFDSTUK. Van verbindtenisfen van de geasfocieerden, zoo onderling, als met betrekking tot derden, EERSTE AFDEELING. Van de onderlinge verbindtenisfen der geasfocieerden, ) 4 Art. 1843. De fociëteit neemt haren aanvang van het oogenblik, dat het contract is-aangegaan, ten ware bij het zelve deswegen Eéne andere bepaling gemaakt is. Art. 1844. É: Indien bij overeenkomst niet bepaald is, hoe lang de focië- teit duren zal, wordt dezelve geacht voor het geheele leven der geasfocieerden te zijn aangegaan, onder de alg| in Itje _ port nd vor dt ufea ede voor flo jen én d erde des omt D Moc; wac} gedaa teresf zelve der têke voor En in abe ziely doo: foei 1 7 Gene Wel dlie dler lan infc tie, zal (reke Van dit egel Van verbindtenisfen van de geasfcieerdens enz._33x Artikel 1869 begrepen, of wanneer de fociëteit eene zaak of handeling betreft, welke flechts eenen bepaalden tijd duurt, wordt zij gerekend voor zoo lang, als die, zaak of handeling dyren moet, aangegaan te zijn. Art. 1845. leder der geasfocieerden is{chuldenaar van de fociëteit 4 voor al‘het geen hij beloofd heeft daar in te zullen inbren- gen. Wanneer deze inbreng beflaat in een zeker bepaald goed, én de fociëteit daar van geëvinceerd wordt, is de geasfocis eerde, die het zelve ingebragt heeft, gehouden de fociëteit deswegen te vrijwaren, op gelijke wijze, als een verkooper omtrent den kooper verpligt is te doen, Art. 1846. De geasfocieerde, die eene fomme gelds in de fociëteit moest inbrengen, en zulks niet gedaan heeft, wordt, uit krachte van de wet, en zonder dat daar toe eisch behoeft gedaan te worden, fchuldenaar van de fociëteit voor de in- teresfen van die fomme, te rekenen van den dag, dat de- zelve had moeten betaald worden. Dit heeft ook plaats met betrekking tot gelden, welke één der geasfocieerden uit de kas der fociëteit genomen heeft, te tekenen van den dag, dat hij dezelve ten zijnen bijzonderen voordeele daar uit heeft getrokken. Alles onverminderd de vergoeding van meerdere fchaden en interesfen, wanneer daar toe redenen dienen, Art. 1847. De geasfocieerden, die zich verbonden hebben, om hunne arbeid en vlijt in de fociëteit aan te brengen, zijn aan de- zelve rekenfchap verfchuldigd van afle de winften, welke zij door zoodanige foort van handelingen, als waaromtrent de fociëteit aangegaan is, verkregen hebben. Art, 1846, Wanneer één der geasfocieerden, voor zijne eigene rekening, eene. fomme van iemand te vorderen heeft, die mede eene fomme verfchuldigd is aan de fociëteit, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de infchvid van de fociëteit, en op die van hem zelven, naar evenredigheid van beide die vore deringen, toegerekend worden; al ware het, dat hij bij de qtiie tantie alles in mindering of voldoening van zijne bijzondere inCchald gebragt had: maar indien hij de geheele betaling bij de quicantie gebragt heeft op de infchuld van de fociëteit, zal dit beding worden nagekomen, Art. 1949 382 ZIJ, Boek, ZX. Titel, LIZ, Hoofdftuks \ \ \ 4 Art. 1849.\ Wanneer één der geasfocieerden zijn geheel aandeel in dé gemeene infchuld der fociëteit ontvangen heeft, en de fchul. denaar vervolgens is infolvent geworden, is deze geasfocieers de verpligt, om het ontvangene in de fociëteits-kasfe in te brengen, zelfs al had hij bijzonderlijk, voor zijn aandeel, quis tantie gegeven. É Art. 1830: d Ieder geasfocieerde is ten behoeve der, fociëreit aanfprake: ki 4 ï lijk wegens de fchade, aan dezelve door zijne fchuld toe: gebragt, zonder dat hij die fchade-rekening kan vereffenen tegen de voordeelen, door zijne vlijt en arbeid in andere za: ken bezorgd, : Art. 1851. 4 Indien de zaken, waar van alleen het genot in de fociëteit is ingebragt, in zekere en bepaalde goederen beftaan, die doot het gebruik niet vergaan, zijn dezelve voor rifico van diel geasfocieerden, welke daar van eigenaar is Indien deze zaken door‘het gebruik vergaan, indien zi, door dezelve te houden, in waarde verminderen, indien zj tor verkoop beftemd zijn, of indien zij, volgens eene he- gtooting, bij inventaris bepaald, in de fociëteit 1ugebragt zijn, zijn dezelve voor rifico van de[ociëteir. Indien de ingebragte zaak op eene b paalde waarde gefchat is, kan de geasfocieerde, die dezelve ingebragt heet! niet meer vorderen, dan de waarde, waar op die zaak ge fchat is. Art. 1852. De geasfocieerde heeft aanfpraak tegen de fociëteit, nit alleen wegens de gelden, die hij voor dezelve heeft uitgefchos ten, maar ook wegens de handelingen„ welke hij ter goeds trouw ten behoeve van de fociëteit heeft aangegaan,€ wegens de rifico, waar mede die handelingen uit den aard der zake gepaard gaan. Art. 1853. Wanneer het contract van fociëteit niet bepaalt het aandell van elk geasfocieerde in de winften eu verliezen, is elks aal deel geëvenredigd aan het geen hij in de fociëteit heeft ia: gebragt. Ten opzigte van den genen, die alleenlijk zijn zijl ef vlijt in de fociëteit ingebragt heeft, wordt deszelfs and. in de winften en verliezen gerekend gelijk te laan aandeel van den geasfocieerden, die het minst in iét teit heeft ingebragt. Van verbindtenisfen van de geasfocieerden, enz. va Ce va Art. 1854. Indien de geasfocieerden zijn overeengekomen, om zich wesens de regeling der” aandeelen te gedragen náar het oordeel van één van hun of van eenen dei den, kaa men zich tegen deze bepaling niet verzetten, ten ware dezelve met de billijkheid blijkbaar ftrijdig mogt zijn Geene klagte wordt deswegen toegelaten,’ indien er meer dan drie maanden verloopen zijn, Sedert dat de partij, die beweert benadeeld te zijn, van de bepaling der aandeelen kennis gehad heeft, of indien deze bepaling van zijn kant is begonnen nagekomen te worden. Art. 1855. Het beding, dat één der geesfocieerden alle de winften hebben zal, is nietig. Het zelfde heeft plaats met opzigt tot eene overeenkomst 9 wolgens welke de gelden of goederen„ die door één of meer der gessfocieerden zijn ingebragt, vrij zouden zijn om in de verliezen te helpen dragen. Art. 1856. Eén der geasfocieerden, bij een bijzonder beding van het contract met de beheering der zaken van de fociëteit belast zijn de, is bevoegd om, zelfs in weerwil van de overige ge asfocieer: zj al dat gene te verrigten, wat tot de beheering dier zaken betrekking heeft, mits daar in ter goeder trouw te. werk aide, Deze magt kan, zoo lang de fociëteit duurt, zonder wete tige redenen niet herroepen worden3 doch indien dezelve niet bij het contract der fociëteit, maar.bij eene latere acte gegeven is, is zij, even als eene eenvoudige lastgeving, Brsoepi jk. Art Ì Wanneer fommige der geasfocieerden met de beheering der zaken van de fociëteit belast zijn, zonder dat hunne bijzondere werkzaamheden bepaald zijn, of zonder beding, dat de een buiten den anderen ag zoude mogen verrigten, is ieder van hun afzonderlijk tot alle handelingen, die bee heering betreffende, bevoeg Indien bedongen is, dat van de gcaslhcieerden, die de be. heering hebben, de een niets kan buiten den anderen mas de een nn af je VEST 4e ì, va ek 2 NE ij Afwezfncheid van den anderen, niet dan uit krachte, van eene nieuwe overeenkomst te handelen; al ware het ook, dat de afwezende in de dadelijke onmogelijk- hei 384 1ÙT. Boek, IX, Tirel, ZIT, Hoofifuke heid zijn mogt om aan de beheering der zaken van de focië® teit deel te nemen. ERE Art. 1859. Mert Bij ontbreken van bijzondere bedingen, aangaande de wijze || der beheering van de zaken der fociëteit, moeten de volgens } kh de regels ín acht genomen worden: ì p dik 19, De geasfocieerden worden weronderfteld aan. elkander wederkeerig de magt van beheering te hebben gege- | ven. Het geen ieder van hun verrigt, is verbindende NE ook voor het aandeel der mede-geasfocieerden, of. fchoon deze daar in niet mogten toegeftemd hebben s behoudens het regt der laatstgemelden, of van een van hun, om zich tegen de handeling te verzetten, zoo lang die nog niet gefloten is, dr IE 2% Elk der geasfocieerden kan gebruik maken van de za ken, aande fociëteit toebehoorende, doch alleenlijk tot zoodanige einden, als waar toe zij gewoonlijk beftmd ielk zijn, mits hij zich van dezelve niet bediene tegen het belang van de fociëteit, of op zoodanige wijze, dat ct de geasfocieerden daar door verhinderd worden, om” 4| van die zaken, volgens hun regt, mede gebruik te ' maken. 3% Elk geasfocieerde heeft het regt, om zijne mede- geas= ú focieerden te verpligten, ten einde met hem de kos- ing IE ten te dragen, welke tet in(tandhouding der aan de fociëteit toebehoorende zaken benoodigd zijn. | 4°. Geen der geasfocieerden mag, zonder toeftemming der mede-geasfocieerden, eenige nieuwigheden invoeren, IK| ten aanzien der onroerende goederen, aan de fociëteit É behoorende, al ware het ook, dat hij beweerde, dat v dezelve voor de fociëteit nuttig waren. | Art. 1860. De geasfocieerde, die met de beheering der zaken van de { Kn, fociëteit niet belast is, mag zelfs de roerende goederen, aan Í ene = de fociëteit behoorende, niet vervreemden, noch verpanden, Art. 1861. Elk der geasfocieerden kan, zonder toeftemming van zijne tmede-geasfocieerden, eenen derden ais deelhebber in het aan deel, het welk hij in de fociëteit heeft, aannemen; doch hi kan denzelven, zonder zoodanige toeftemming, niet tot mee I delid in de fociëteic toelaten, al ware het, dat hij met de Ì beheering der zaken van dezelye beldst mogt zijn. TWEE | V Ls Zan om {tè Van verbindlenisfen van de geasfocieerden; enz, TWEEDE AFDEELING Van de verbindtenisfen der geasfvcieerden, ten aanzien van derden, Art, 1862.$ êteiten, dan die van koophandel, zijn de 9 iet ieder voor het geheel verbonden voor de ích riëteit ‚ en één der geasfocieerden kan de an- ceren miet verbinden, indien deze hem daar toe geene, vol« Art. 1863: De geasfocieerden zijn aan den fchuldeifcher, met wien zü gecontracteerd hebben, ieder voor gelijke fomme en aandeel verbonden„al is het, dat het aandeel in de fociëteit van den eenen minder, dán dat van den anderen bedraagt; ten Zij de acte der fociëteit in het bijzonder bepaalt, dat de geasfoci- eerden voor een minder aandeel, niet verder dan voor dat aandeel verbondeaszouden zijn. Art. T8Ó4e Het beding, dat de ale hie is is aangegaan voor reke ning van de fociëteit, verbindt alleen den geasfocieerden, die lezelve aangegaan heeft„ maar niet dé overigen, ten zij de tstgenoemde hem daar toe volmagt hadden gegeven, of de ik ten voordeele van de fociëteit hiet had, VIERDE BOOEFDSTUE Van de verfchillenae wijzen, waar op éene fociëteit Je eiddigt, Art. 1865, a fociëteit eindigt, 1°. Door afloop van den tijd, voor welken d aangegaan 5 Be 1 ZEIVE 13 CD, Bb Ld 386 ZI. Boek, IX. Titel, IV. Hoofdftuk. p°, Door de vernietiging der zaak, of de voltrekking det handeling 5 3°. Door den natuurlijken dood van één der geasfocieer= den; 4°. Door den burgerlijken dood, curatele, of infolventie van één van huns 5e, Door de uitdrukkelijke verklaring van één of meer van hun, dat zij geene geasfocieerden meer willen zijn. EN Art. r866. De verlenging van eene fociëteir, voor eenen bepaalden tijd aangegaan, kan alleen door eene fchriftelijke acte, In den- zelfden vorm, als het contract van fociëteit gemaakt, bewe: zen worden. Art. 1867. Wanneer één der geasfocieerden beloofd heeft, den eigen- dom van eene zaak in gemeenfchap te brengen, en_dezelve zaak, voor dat dit gefchied is, vergaat, veroorzaakt zulks_ de ontbinding der fociëteit, ten opzigte van alle de geasfo= cieerden. De fociëtéit wordt insgelijks door het vergaan der zaak ontbonden, in alle die gevallen, in welken alleenlijk het ge- not daar wan in gemeenfchap gebragt is, en de eigendom in handen van den geasfocieerden gebleven. is. Maar de fociëteit wordt niet verbroken door het vergaan der zaak, waar van de eigendom reeds in de fociëteit inge bragt was. N Art. 1568. Indien bedongen is, dat in geval van overlijden van één der geasfocieerden, de fociëteit met zijnen erfgenaam, of alleen tusfchen de overblijvende geasfocieerden, zoude voorts duren, moeten deze’ bedingen worden pagekomen: in het tweede geval heeft de erfgenaam van den overledenen geen ver: der regt, dan op de verdeeling der fociëteiït, zoodanig als dezelve zich ten tijde van dat.overlijden bevond; en hij deelt in geene verdere regten, dan voor zoo verre die nood- zakelijke gevolgen zijn van handelingen, vóór den dood van den geasfocieerden, wiens erfvolger hij is, aangegaan. Art. 1869. De ontbinding van de fociëteit, door den wil van één der geasfocieerden„ is alleen toepasfelijk op die fociëteiten, wel- ke voor eenen onbepaalden tijd zijn aangegaan, en gefchiedt door eene opzegging, aan alle de geasfocieerden bekend Ee maakt; (>) de NG oren EN y 1) Barisan ls Vande verfchillenae wijzen„waarop eene fociëteit eindigh 281 kt; mits die opzegging tet goeder trouw en niet or goeder trouw, wan (ociëteit opzegt, met oogmerk om zich eenig te eigenen,«het welk de geasf ocieerden zich rgeftald gemeenfchappelijk te®zullen ges van s14 le tg EN KE Dez eefchiedt ontijdies„ wanneer ï he der gi) T d De ontbindine wan fociëreiten, voor eenen bepaalden tijd aan; in« kan or één der ge sfocieerden„ vóó afloop gan dien tijd, niet anders gevorderd wor ‚ dar wanneer één der‘geasf DUugtI ingen nalatig blùft» of wanneer denzelven onbekwaam maakt, teit vaar te nen f andere van waden de wettigheid en het gewigt n,‘de uit tUs- Jel$ Te reeelen omtret fchen de mede-erfgen op de verdeelingen t en 8 Art bij de: kt, zijn niet toepas. ‚ van koophaud an alleen met betreks die pt ‚ welke niets bevatten, het geen met de {0 wetten en 8 bruiken van den koo opn andel{trijdig ÍSs jd s E TIEN. = EE F'IENDE Tren VAN LEENIN Ge Wastgefteld den Oden van Lentemaand 1804, en e afgekondigd den 19den van dezelfde maand). Art. 1974. Er beftaan twee foorten van leening* Die van zaken, welke men gebruiken kan, zonder dat des zelve te niet gaan; En die van zaken, welke door het gebruik, het welk mein daar van maakt, te niet gaan, De eerfte foort noemt men Aruikleening, of commodaat. De tweede wordt genoemd verbruikleening, of eenvoudig leening. EERSTE HOOFDSTUK, Van bruikleening, of commadaat. EERSTE AFDEELING. Van den aard van bruikleeniuge Art. 1875. Bruikleening is een contract, waar bij iemand eene zaak aan een ander ten gebruik geeft, onder voorwaarde, dat de geen, welke die zaak ontvangt, dezelve, na daar van gebruik gemaakt te hebben, zal te rug geven, Art. 1876. van bruikleening, of commodaars sig Art. 1876. Bruikleening gefchiedt, naar haren wezenlijken aard, om niet, Art. 1877. De uitleener blijft eigenaar van de geleende zaak. Art. 1878. Al het geen tot den handel der menfchen behoort, en niet door het gebruik vergaat, kan het onderwerp dezer overeen- komst zijn. Art. 1879. De verbindtenisfen, die uit bruikleening voortfpruiten 5 gaan over op de erfgenamen van den genen, die ter leen geeft, en op de erfgenamen van hem, die ter leen ontvangt. Maar indien men de uitleening gedaan heeft, alleen uit anmerking van den genen, die ter leen ontvangt, en van zijn perfoon in het bijzonder, kunnen zijne erfgenamen het verder genôt van het geleende goed niet blijven behouden. TWEEDE AFDEELING. Wan de verpligtingen van den genen, die iets ter bruikleen ontvangt. Art. 1880. Die iets ter leen ontvangt, is gehouden,om,als een goed huisvader} te zorgen voor de, bewaring en inftandhouding der geleende zaak. Hij mag van dezelve geen ander gebruik maken, dan het welk de aard der zaak medebrengt, of bij de overeenkomst bepaald iss allgs op ftraffe van vergoeding van kosten en interesfen, zoo daar toe redenen dienen, Art. 1881. Indien hij de ter leen ontvangene zaak tot een ander einde, of gedurende-eenen langeren tijd, dan bij de overeenkomst bepaald was, gebruikt, is hij voor het verlies derzelve, al had dit verlies ook: door een bloot toeval plaats, aanfpras kelijk. Art. 1882, Indien de geleende zaak vergaan is door een«toeval, waar voor die geen, welke die zaak heeft ter leen ontvangen, de- Bb s zelve 5óo HIT, Boek, X. Titel, KE Hoofdfhuks. zelve door het gebruik van zijne eigene zaak had kunnen be= wâren„of indien hij, beide de- zaken niet te gelijk kunnende behouden, zijn eigen goed boven het geleende den voorrang heeft gegeven, is hij gehouden om de vergane zaak te ver- oeden. Fi Art, 1883. me Indien de zaak bij het ter leen geven is gewaardeerd, komt het verlies daar van, al ís het zelfs door een. onver- mijdelijk toeval veroorzaakt, ten laste van den geen, die de zaak ter leen ontvangen heeft, ten ware het tegendeel be- dongen is. Art. 1884. Indien de geleende zaak, enkel ten gevolge van het ge= bruik, waar toe zij uitgeleend is, em buiten eenig toedoen van den gebruiker, in waarde vermindert, ís deze wegens die vermindering niet aanfprakelijk.| Art. 1885.’ Die eene zaak ter leen ontvangen heeft, kan dezelve niet in compenfatie brengen, tegen het geen de uitleener aan hem {chuldig is,; Art. 1886. Indien de gebruiker, om van het ter leen, ontvangene ge= bruik te kunnen maken, eenige onkosten gedaan heeft, kan hij dezelven van den uitleener niet te rug vorderen, Art. 1887. Indiën verfcheiden perfönen dezelfde zaak gezamenlijk ín bruikleen ontvangen hebben, zijn zij allen, elk voor€ 8% heel, aan den uitleener aanfprakelijk, DERDE AFDEELING:i « Van de verpligtingen van den uitleeners Art. 1888, De uitleener kan de geleende zaak niet te rug eifchen, dan ‘na verloop van den bepaalden tijd, of indien deswegen geene bepaling gemaakt is, na dat dezelve tot het gebruik, waat toe zij was uitgeleend, gediend heeft, Art 1889. u Pi gl fla Pan bruikkeening> of tommodaats BI Art. 1889. Indien de uitleener echter inmiddels„of vóór dat het gebruik der zaak geëindigd is, dezelve om dringende en onverwacht opkomende redenen zelf benoodigd heeft, kan de regter den genen, die de zaak ontvangen heeft, naar mate van de om- ftandigheden ‚ noodzaken ‚om dezelve aan den uitleener te Tug te geven. Art. 1890. Tadien hij, die eene zaak ter leen ontvangen heeft, gedu rende de bruikleening, tot inftandhouding van dezelve, eenige buitengewone noodzakelijke onkosten heeft moeten maken, welke zoo dringende. waren, dat hij daar van te voren aan den uitleener geene kennis heeft kunnen geven, is deze vers pligt hem de gemaakte onkosten te vergoeden. Art. 1891. Wanneer de ter leem gegevene zaak zoodanige gebreken heeft, dat daar door aan den genen, die zich van dezelve bedient, nadeel zoude kunnen worden toegebragt,, is de uitleener, wanneer hij die gebreken gekend ,en daar van den leener niet gewaarfchuwd heeft, voor de gevolgen verants woordelijk. TWEEDE HOOFDSTUK. Van verbruikleening, of eenvoudige leening. EERSTE AFDEELING. Van den aard der verbruikkeening: Art. 1892. Verbruikleening is een contract, Waar bij de eene partij aan de andere eene zekere hoeveelheid van zaken, die door het gebruik te niet gaans afgeeft, onder voorwaarde, dat de laatstgemelde hem even Zoo veel, en van gelijke foorten qua liteit, te Tug ZEVE Bb 4 Art. 18930 59î Dir, Boek, K. Titel, II- Hooft. Art. 1893, Ingevolge deze verbruikleening wordt hij, die eene zaak ter leen ontvangt, eigenaar van dezelve; en wanneer die zaak, op welke wijze ook, vergaat, komt dit verlies voor ALEA Zijne rekening. / Art. 1894. ij Men kan onder de benaming van verbruikleening geene za. v ken geven, die, fchoon‘van dezelfde foort zijnde, nogtans ; in perfoonlijke bijzonderheid verfchillen, bij voorbeeld, bees- Ki ik ten als dan is het eene bruikleening. Art. 1895. De fchuld, uit leening van geld voortfpruitende„is niet | Í anders dan van de geïdfom, die bij het contract is uitgedrukt. ik Indien er vermeerdering of vermindering der waarde van de | geldfpecie ontftaar, voor dat de tijd der voldoening verfche= k Ku nen is, moet de fchuldenaar de fom, die aan hem geleend is, e ER te rug geven, en zulks in zoodanige munt-fpeciën, als ten tijde der betaling gangbaar zijn, Art. 1896. De bepaling, in het voorgaande Artikel vervat, heeft geene plaats, wanneer de leening in(taven goud, zilver of ander metaal, gefchied is, Art. 1897. IJ Wanneer flaven of koopwaren ter leen zijn gegeven, is de fchuldenaar, het zij dezelve in waarde vermeerderd of ver- ik minderd zijn, altijd gehouden eene gelijke hoeveelheid wan dezelfde qualiteit te rug te geven, en kan ook nimmer En jets meerder genoodzaakt worden, ' h TWEEDE AFDEELING, J\ 4 Van de verpligtingen des uitleenerse EN :| E it Pi Art. 1898. 3| I 1 el)" à E 1 NTA iN In verbruikleening is de uitleener gehouden tot dezelfde vers Antwoordelijkheid, welke in Artikel 1891, ten aanzien van - bruikleen, bepaald is. 3 Art, 1899. 3 De uitleener kan het ter leen gegevene niet te rug eifchen, A» bij de overeenkomst bepaald, werltreken is. Art. 1900 voor dat de tijd 18 de: Van verbruikleening of eenvoudige leening. 302 Art. 19oo. Indien gedn tijd tot de te ruggave bepaald is, kan de tegter aan den genen, die de zaak ontvangen heeft, naar ge= A lang der omftandigheden, eenig uitftel toeftaan, Art. 19or. He Warheer men alleen is overeengekomen, dat de gebruiker E. de ter leen ontvangene zaak zoude voldoen, wanneer hij dat i zoude kunnen doen, of daar toe in ftaat zoude mogen zijn, ih zal de regter hem, naar mate van de omftandigheden, een tijd tot de voldoening bepalen, d DERDE AFDEELING: Van de verpligtingen van den genen, die iets ter Jeen ontvangt. Art. 1902, Die iets ter leen ontvangt, is verpligt Het zelve in gelijke heeveelheid en qualiteit, en. op den bepaalden tijd, te rug te geven. Art. 1903. Indien hij buiten de mogelijkheid is, om daaraan te voldoen; is hij verpligt de waarde van het ter leen gegevêne te vol- doen, daar toe in aanmerking nemende den tijd en de plaats, op welke de zaak, ingevolge de gemaakte overeenkomst, had moeten worden te rug gegeven. Indien deze tijd en plaats bij de overeenkomst niet bepaald zijn, wordt de betaling gedaan overeenkomftig den prijs, welkede zaak ten tijde en ter plaatfe, waar de leening gefchied ìs, gehad heeft. Art. 1904, e iets ter leen ontvangen heeft, het zelve of de waarde van dien, ten tijde bij de overeenkomst be« paald, niet te rug geeft, moet hij interesfen daar van betas Jen} zedert dat deswegen in regten is eisch gedaan, hi Wanneer hij, di HIL, Boek, Xe Titel, III. Hoofdfuk. DERDE HOOFDSTUK, Van het ter leen geven op interesfen.@ Art. 1905. Het is geoorloofd om interesfen te bedingen voor verbruik« leening, het zij van geld, het zij van koopwaren, of van andere roerende goederen, Att. 1906, Hij, die ter leen ontvangt, en interesfen betaald heeft„die niet bedongen waren,kan dezelve niet te rug vorderen, noch in vermindering der hoofdfomme doen(trekken. Arte 1907. Interesfen zijn verfchuldigd, of uit krachte van de wet„of ten gevolge van eene overeenkomst, Interesfen, uit krachte van de wet verfchuldigd, worden ook door de wet bepaald. Interesfen, ten gevolge van eene overeenkomst verfchuldigd, kunnen, wanneer‘de wet het niet verbiedt, het beloop der interesfen, uit krachte van de wet verfchuldigd, te boven gaan. Het bedragen der interesfen,ten gevolge van eene overeen. komst verfchuldigd, moet fchriftelijk zijn bepaald, Art. 1908. Eene quitantie voor de hoofdiom, zonder voorbehouding van interesfen gegeven zijnde, doet vermoeden, dat de intes resfen betaald zijn, en wordt de fchuldenaar daar door bes vrijd. Art. 1909, Men mag interesfen bedingen van eene hoofdfomme, welke de uitleener aanneemt nimmer te rug te zullen eifchen. In dit geval, wordt deze leening conftitutie van renten genoemd, Art. 1910. Deze renten kunnen op tweederlei m nier geconftitueerd worden, of als perpetueele renten, of als lijfrenten. Art. I9II. Eene perpetueele rente is uit haren aard aan afkoop onders worpen. „ Pars ike Van Var het zer leen geven op tuteres fen, 595 en alleenlijk overeenkomen, dat de afkoop niet {chieden zal, dan na verloop vam eenen zekeren tijd„welke njet langer dan tien jaren mag gefteld worden, of dat dezel- ve niet gefchieden zal, dan na dat de rentheffer zoo lang te zal verwittigd zijn, als tusfchen pat Partijen kunn voren van den afkoop Art. 1912. De fchuldenaar van eene perpêtueele rente kan tot afkoop van dezelve genoodzaakt worden: 19, Indien hij-gedurende twee jaren in de nakoming zijnet verbindtenis nalatig gebleven ís; 99, Indien hij verzuimt aan den geldfchieter de bij het cons tract beloofde zekerheid te bezorgen. Art. 1913. Indien de fchuldenaar bankbreukig of infolvent wordt, kan de losfing der hoofdfom, van welke de perpetueele renten geëischt worden. Art. 1914» len, aangaande lijfrenten; zijn bepaald in den Titel CONUNACTEN. betaald moeten worden, De rege van kans; ME RDE TE TE a VAN BEWAARNEMING EN SEQUESTRATIE. FPastgefteld den taden van Lentemaand 1804» 6fû afgekondigd den aaften van dezelfde maand.] EERSTE HOOFDSTUK , Van bewaarneming in het algemeen„en van derzelver: verfchillende foorten. Arte FOIS: swaarneming in het algemeen is eene handeling, waar bij DD 13 206 ZIJ Boek, XL Titel, T. Hoofdftuk. bij men eene zaak, aan een ander toebehoorende, aanneemt; onder voorwaarde om dezelve te bewaren, en in natura te rug te geven. Art. 1916. Er zijn twee foorten van bewaarneming: eigenlijk gezegde hewaarneming, en feguestratie, TWEEDE’HOOFDSTÚE Van eigenlijk gezegde bewaarneming. EERSTE AFDEELING. Van den aard en het wezen der bewaarneming, Art. 1017. Het contract van eigenlijk gezegde bewaarneming brengt uit zijnen aard mede, dat het zelve om niet worde aange. gaan. Art. 1918.: Het kan niet dan met betrekking tot roerende goederen aangegaan worden.| Art. 1919. Het wordt niet voltrokken, dan door de wezenlijke of ver« onderftelde overgifte van de in bewaring gegevene zaak. De veronderftelde overgifte is voldoende, wanneer de be= waarnemer de zaak reeds uit eenigen anderen hoofde in bezit heeft, en men hem dezelve onder den titel van bewaarneming laat behouden. Art. 1920. Bewaarneming is, of vrijwillig, of noodzakelijk, eff ken anus hon fchr ini Wan eigenlijk gezegde bewaarneming. TWEEDE AFDEELING. Van vrijwillige bewaarneming. Art. 1oor Vrijwillige bewaarneming wordt te weeg gebragt door de wederkeerige toelftemming van den genên, die ed in bewaring geeft, en van den genen, die het zelve‘ontvang ab 1022. Vrijwillige bewaarneming kan over het algemeen niet an ders g: ie bieden, dan ne den eigenaar van de in bewaring k, of met deszelfs uitdrukkelijke of ftilzwijgende gege vene zaa Hide ine 9. Ld Art. 1923. Vrijwillige bewaarneming moet door eene fchriftelijke over- eenkomst bewezen worden. Het bewijs daar van door gee uigen wordt niet toegelaten, ten aanzien eener waarde, welke honderd en vijftig francs te boven gaat. Art. 1924 Wanneer de bewaarneming van eene zaak, de waarde van honderd en vijftig francs te boven gaarde, niet door eene fchriftelijke overgenkomst bewezen is, wordt hij, die als bee waarnemer wordt aangefproken, op zijn woord geloofd, het zij omtrent de daad van bewaarneming zêlve, het zij omtrent da zaak, die het onderwerp der bewaarneming uitmaakte, het zij omtrent de te ruggave daar van, Art. 1925. Vrijwillige bewaarneming kan alleen plaats hebben tusfchen perfonen, welke bekwaam zijn, om met elkander te contrac- teren. Wanneer echter iemand, bekwaam zijnde om te contractee ren, iets in nomen heeft van een ander, die niet bekwaam was, is hij aan alle verpligtingen van eenen wee zenlijken bewaarnemer onderworpen, en kan ter dier zake, door den voogd of curator van den genen, die de zaak in bewaring gegeven heeft, aangefproken worden. Art. 1926, Indien de bewaargeving door een bevoegd perfoon gedaan is aan iemand, die niet bekwaam was om te contracteren, heeft Ll Tae 208 HIT, Boek, Xl. Tiel, Il. Hoofdfluk. heeft de bewaargever geen verder regt, dan tot reclame vän de in bewaring genomene zaak, zoo lang dezelve nog bij den bewaarnemer berust, of wel eene actie tot te ruggave, á oo” ten beloope van het geen de bewaarnemer daar door ge baat“is. kn De DERDE AFDEELING, Vande verpligtingen van den bewaarnemere Art. 1927. De bewaarnemer is verpligt, de hem toevertrouwde zaak met dezelfde zorg te bewaren, als hij omtrent zijne eigene zaken gewoon is te doen. Art. 1928. De bepaling van het voorgaande Artikel wordt met meer edere ftrengheid toegepast: 1°. Indien de bewaarnemer zich| zelf tot de bewaarneming heeft aangeboden; 2°, Indien hij eenig loon voor de bewaring bedongen heeft 3 3°% Indien de bewaarneming«eeniglijk om zijnent wil gedaan iss 4°. Indien zitdrukkelijk bedongen is,dat hij voor alle foort van verzùim aanfprakelijk zoude zijn. Art. 1629. De bewaarnemer is in geen geval aanfprakelijk wegens fcha:| den, door toevallen van hooger hand veroorzaakt, ten ware| kij in de te ruggave der in bewaring genomene zaak nalatig| geweest Was. Art. 1930. Hij mag zich van de in bewaring genomene zaak niet he dienen, zonder de uitdrukkelijke of geprefumeerde toeften: ming van den bewaargevere » Art. 193T. Hij moet niet trachten te weten, welke zaken hem in bes waring zijn gegeven, Wwanueer dezelve hem in een gefloten koffer; óf in eenen verzegelden omflag zijn toevertrouwd. Art. 1932.| De bewaarnemer is gehouden om dezelfde zaak, welke hj ontvangen heeft, te mug te geven, and 1 Es Derhalve moeten geldfommen„in bewaring gegeven Zij 4 Van eigenlijk gezegde bewaarneming: 299 geven, het zij die fn dezelfde ftukke minderd zijn. munt-fpeciën in waa Arak Len nemer ris| niet verder ge ehouden, dan om de in aak te rug te geven in den ftaat„ waat jn zij zich op het tjdltip der te roave bevindt. De ver- minderingen, daar aan buiten 2 ne fchuld toegekomen, zijn CAL. OO 34e De bewaarnemer, wien het toevertro iwde goed van hoo- waärde, of iets ger hand ontnomen is,en dic daar van de anders in de plaats ontvangen heeft, is verpligt dit ontvan= gene te rug te geven. Att. 1935. < ie De erfgenaam van den bewaa: ar, diede zaak, welke hij 9 gen was, ter goeder(rouw „om den koopprijjs, door of indien hij denzelven ctie tegen den kooper bij den ont nog niet ont cesfie over te Indien de in! uchten heeft opge leverd, die door zijn. is Vere ene intere KEG 16 verfchuldigd, plis st dezelve eene aan hem toeve aan van den dag, dat hij e 35 daar van nalatig is geweest. De bewaarnemer moet de in bewaring genomene zaak Be vertrouwd, of aan den genen, op wiens naam gen Bonaler- ving gs ‚ of aan den genen, die hem tot het te rug ontvangen van Z 15 Art. 1938 NNS El” ore GAAR OEHER 1 Mie, rd heeft, geen bewijs afvorderen, dat hij eigenaar vah dezelve ME In dat h Niettémin, Zoo men ontdekt, aat het goed geftolen was, en C‘ ë AT É d en wie daar van iss de Aabparugpeer waring 8 teld is, met danzegging, om het binnen eenen be- paalden en voldoenden tijd te reclameren. Indien de geen aan wien die aanz„erzuimt, het in ber bewaarnemer vett 4 __ - En 400 MIL, Boek, XZ. Titel, MI. Hoofdfluk; ontflagen door degovergifte, welke hij daar van doet aan den genen, van wien hij het zelve ontvangen heeft, Art. 1939. In geval van den natuurlijken of burgerlijken dood wan den ‘geen, die het goed in bewaring gegeven heeft, kan het zele 9 Es De 2 EL ZEk ve niet, dan aan zijnen erfgenaam, te rug gegeven worden. Indien er verfcheiden erfgenamen zijn, moet die zaak aan elk van hun% ieder voor zijn aandeel, te rug gegeven wors den. Indien de in bewaring geftelde zaak ondeelbaar is, moeten de erfgenamen zich onderling omtrent de overneming van de= zelve verftaan. Art. 1940. Indien de geen, welke de zaak in bewering gegeven heeft, van ftaat veranderd is; bij voorbeeld, indien de vrouw haar eigen meester was, op het tijdftip, dat zij de bewaargeving deed ‚doch naderhand getrouwd is, en zich onder de magt van haren man bevindt; wanneer een meerderjarige, die eene zaak in bewaring gegeven heeft, onder curateele geraakt; in alle die, en foortgelijke gevallen, kan het in bewaring gegé« ven goed niet te rug gegeven worden, dan aan den genen, die de beheering van des bewaargevers regten en goederen heeft. Att. 194Te Indien de bewaargeving door eenen voogd, man of admi- niftrateur, in eene van die qualiteiten gedaan is, kan de in bewaring geftelde zaak niet te rug gegeven worden, dan aan den genen, dien deze voogd, man of adminiftrateur, ten tij de der bewaargeving, vertegenwoordigden„indien hunne qua= liteit inmiddels geëindigd is. Art. 1942. Indien het contract van bewaargeving de plaats bepaalt, waar de te ruggave gedaan mcet worden, is de bewaarmnemer verpligt, om de bewaarde zaak aldaar te leveren. Indien ér kosten op de vervoering gevallen zijn, komen die tet laste van den bewaargever. Art. 1943. Indien het contract de plaats der te ruggave niet aanwijst, moet dezelve gedaan worden ter plaatfe, waar de bewaarge- ving gefchied is. Art. 1944, De in bewaring genomene zaak moet aan den bewaargever te rug gegeven worden, zoo dra hij zulks vordert, al ware het, dat bij het contract een bepaalde tijd tot de te ruggave wat vaa a: a 9 Yv k er Cil, Pin deinlijk gezeede bewaarneming kat was vastgefleld, ten zij het goed onder handen van den be waarnemer gearrefteerd, of eene oppofirie tegen de te rugga= ve en verplaatfing van ee in bewâring Begéven goed ge daan is. Art. 1945: Een bewaarnemer„die zich. aan ontrouw heeft fchuldig g maakt, wordt töt nét beneficie van boedel-afltand niet an gelaten. Art. 1946, Alle de verpligtingen van dèn bewaarnemer houden ops wabneer hij ontdekt en bewijzen kan, dât hij zelf de eige maar-van hèt in bewaring gegeven goed is, ZERDE AFDEELING. Van de verdligtingen van den genen, door wien ae zaak in bewaring gegeven is. Árt. 1947. ì EE Hes Hij, die de zâak in bewaring gegeven heeft, is gehouden om aan den bewaarrnemer te, vergoeden de kosten, door der= zelven tot inftandhoudirg van het in bewaring gegeven goed gedaan, en denzelven fchadeloos te fleilen wegens alle vers Dezen, welke hij doot de bewaarneming mogt geleden hels ben. Art. 1942, De bewaarnemer is geregtigd, cm het in bewaring gegever goed zoo lang onder zich te houden tot dat hij ten vollert sieren: is van hèt Been hem ter zâke der bewaarneming toêë omt. mn ET RE TT LIF. Boek, XI.-Titel, Ils Hoofdftuks VIJFDE AFDEELING, Lo) Van bewaârneming uit noodzaaks Art. 1949 Bewaatneming uit noodzaak is die gene, welke men doof eenig toeval, gedwongen wórdt te doen, als door brand, in- ftorting van een gebouw, plundering, fchipbreuk, of ander onvoorzien toeval. Art. 1950. Het bewijs door getuigen wordt ín noodzakelijke bewaar- neming toegelaten, zelfs dan, wanneer de zaak boven de honderd en vijftig francs in waarde bedraagt. Art, 1951. Voor het overige worden in de noodzakelijke bewaarnes ming alle de hier voren bepaalde regels in acht genomèn. Art. 1952. Herbergiers of logementhouders zijn, even als bewaarne- mefs, verantwoordelijk“voor de goederen, door reizigers, die bij hun derzelver intrek nemen, medegebragt: de bewaarge- ving van deze foort van goederen wordt aangezien als eene noodzakelijke bewaargeving. Art. 1953. Zi zijn verantwoordelijk wegens dief(tal of befchadiging wan de goederen der reizigers, het zij de diefftal gedaan, of de befchadiging veroorzaakt zij door de dienstboden of op: zieners der herberg, of door gaande en komende vreemdelin= gen in dezelve, Art. 1954, Zij zijn niet verantwoordelijk voor diefftallen, gewapender- hand of geweldadigliijk gepleegd. datie (100! ‚in ande Aad Duse Van feguestratie. DERDE HOOFDSTUK, Van figuestratie. EERSTE AFDEELING, Van de verfchillende foorten van feguestraties Art. 1955. Sequestratie wordt dádrgefteld, of door Overeenkomst, of door regterlijk bevel. TWEEDE AFDEELING. ee Wan fegnestratie bij overeenkomst. Art. 1956. Sequestrâtie bij overeenkomst is eene bewaargeving, door Eén of meer perfonen, van eene zaak, waar over gefchil iss in banden vân eenen derden, die zich verbindt, om dezelve, na dát het gefchil is uitgemaakt, te rug te geven aan den genen, die daar toe geoordeeld zal worden geregtigd te zijn. Art. 1957. Het ié niet noodig, dat fequestratie om niet gefchiede, Art. 1058. Wanneer dezelve om niet gefchiedt, wordt zij onderwore pen dan de regels van eigenlijk gezegde bewa tieming; bee houdens de hier navolgende uitzonderingen. Art. 1959. Sequestratie kan niet alleen ten aanzien van roerendé ‚maat Gok van onroerende goederen plaats hebben, Cc s Art. 1966, god. AIT. Boek, XI. Titel, III. Hoofdftuke Art. 1960. De bewaarnemer, welke met de fequestratie belast is, kan daar van niet ontflagen worden, voor dat het gefchil is uit- gemaakt, ten zij met toëftemming van alle belanghebbende partijen, of om eene wettig geoordeelde reden, DERDE AFDEELING: HM zel Van geregtelijke feguestratie, b Art. 19ór. Á ij De regter kan de fequestratie bevelen; 1%. Van des fchul- denaars roêrende goederen, welke gearresteerd zijn; o°. Van een onroerend of roerend goed, waar van de eigendom, of het bezit tusfchen twee of meer perfonen in gefchil is; 3° Van zaken, welke een fchuldenaar ter zijnet bevrijding aan= biedt, Art. 1062. P De aanftelling van eenen geregtelijken bewaarder jbrengt tusíchen den arrestant en den bewaarder wederkeerige ver- bindtenisfen voort. De bewaarder moet tot inftandhouding He der gearresteerde goederen dezelfde zorg dragen, als een goed _ huisvader. We| Hij moet dezelve overgeven, het zij ter verkoop, om uit ‘ de afkomende penningen den arrestant te voldoen, het zij aan 3 de partij, tegen wien de executie heeft plaats gehad, wanneet P het arrest ís opgeheven. De vwerpligting van den arrestant beftaat in het betalen van , het bij de wet bepaalde falaris, aan den bewaarder. | Arts 1963. De geregtelijke fequestratie wordt opgedragen, het zij dan |(ikk iemand, omtrent welken de belanghebbende partijen onderling N zijn overeengekomen, het zij aan iemand„die door den regter ambtshalve benoemd is. Ín beide gewallen is de geen, aan wien de zaak is toes Pe vertrouwd, onderworpen aan alle verpligtingen, waar toe een fequester bij overeenkomst gehouden is. TWAALF- Van[pel en weddingfchaps an de T.. WAART RE: TET B Ks VAN KANS-CONTRACTEN. [Wastgefteld den roden van Lenteriaand 1804, en afsekondigd den 2often van dezelfde maand] Art. 1964. Een kans-contract is eene wederzijdfche overeenkomst, waat wan de gevolgen met betrekking tot winst en verlies, het zij woor alle de partijen, het zij voor één of meer van dezelven; wan eene onzekere gebeurtenis afhangen, Zoodanige zijn, Het contract van asfurantie Bodemerij, Spel en weddingfchap, Het contract van lijfrenten. De twee eerfte regelen zich naar de zeesregten, vi EERSTE HOOFDSTUK. an Wan fpel en wedding flap. dan Art. 1965. (ing De wet ftaat geene actie toe ter zake van eene fchuld, uit gier het fpel, of uit eene weddingfchap voortgefproten, Art. 1966. toes De fpelen, welke gefchikt zijn tot oefening in den wapens ger handel, wedloopen, zoo te voet als te paard, en met rije tuigen, het kaatsfpel, en andere fpelen van gelijken aard welke dienen om het ligchaam te oefenen en vaardig te mas ken, zijn van voorgemelde bepaling uitgezonderd, Cc 3 Niets entend and Aob LIN. Boek, XII. Titel, JZ. Hoofdfluk. Niettemin kan de regter den eisch deswegen ontzeggen 3 wanneer hem de fom onmatig voorkomt. î Art, 1967. In geen gevalechter kan de peen, die het verlorene vrij- willie bersald heeft, het zelve te rug eifchen, ten zij aan den kant van den genen, die gewonnen heeft, kwade trouw, be= drog, of efpersfiug heeft plaats gehad. ie TWEEDE HOOFDSTUK, Van het contract van lijfrenten. EERSTE AFDEELING, Wan de vereischten tot de befzaanbaarheid vanhet contract van lijfrenten, Art. 1968. Lijfrente kan bij onereufen titel verkregen worden, tegen betaling van eene zekere fomme gelds, of tegen afftand van een roerend goed, dat geldswaarde heeft, of tegen overdragt van een onioerend goed. Art. 1969, Zij kan ook geheel om niet, bij gifte onder de levenden, of bij testament, gevestigd worden. Zij moet als dan ge- fchieden in dien vorm, welken de wet voorfchrijft. Art. 1970. In het geval van het vorige Artikel is de lijfrente aan wer mindering of aftrek onderworpen, wanneer dezelve de fomme tê boven gaat, waar over het geoorloofd is te befchikken: zij is nietig, indien zij gevestigd is ten behoeve van iemand, die onbekwaam is om iets te ontvangen. Art. 1971e Eene lijfrente kan gevestigd worden, of op het lijf van den genen, die daar voor het geld fchiet,‘of op het lijf van eenen derden, die geen regt heeft om het genot daar van te hebben, Art. 1972, Wan het contract van lijfrentene 407 Art. 1972. Zij kan op één of meer lijven gevestigd worden. Art. 1973. Zij kan gevestigd worden ten behoeve van eenen‘derden offchoon de prijs daar van door een ander voldaan is, In dit laatfte geval, is-deze lijfrente, offchoon zij het aanzien eener fchenking heeft, niet onderworpen aan de for= maliteiten, welke tot fchenkingen vereischt worden, onver- minderd de gevallen van vermindering, en van nietigheid, bij Artikel 1970 bepaald, Art. 1974- Alle lijfrente, gevestigd op het lijf van iemand, die ten tijde van het aangaan van het contract reeds dood was, is krachteloos. Art. 1975. Het zelfde heeft plaats tem aanzien van een contract van lijfrente, waar bij de rente gevestigd is op het lijf van ies mand, die reeds aangetast was door eene ziekte, aan welke hij binnen twintig dagen, na de-dagteekening van het con- tract„ overleden is, Art. 1976. Eene lijfrente kan tot zoodanig‘beloop van renten gefteld worden, als\de contracterende partijen goedvinden te bee palen, PS TIVEEDE AFDEELING. Wan de gevolgen van een contract van lijfrente tusfcheù de contracterende. partijen. Art. 1977. De geen, ten wiens behoeve eene lijfrente, tegen betaling wan zekeren prijs, gevestigd is, kan de vernietiging van het contract vorderen, indien hij, die de lijfrente gevestigd heeft, aan hem de zekerheid niet bezorgt ‚ die voor derzelver nakoming bedongen is. Art. 1978. Nanbetaling der verfchenen lijfrente geeft aan den genen; ten wiens behoeve de lijfrente gevestigd is, geen regt om aflose fing van de hoofdfom, of terug gave van het door hem daar Cc 4 voor DT amd. d: | goî HLBoek, XI. Titel, HL, Hoofdhuks voor afgeffane goed, te vorderen: hij heeft alleen het regt; om de goederen van zijnen fchuldenaâr‘te arresteren„ éù te doen verkoopen, en om, op bevel van den règter, of met des fchuldenaars toeftemming, van de gelden,‘die van den verkoop komen, eene genoegzame fomme tot voldoening dèr achterftallige renten te gebruiken. eet AR TD: De fchuldenaar van eene lijfrente kan zich van de beta- Jing derzelve niei ontflaan, door de aflosfing van de hoofde fomme aan te bieden, en van de te rug vordering der reeds betaalde renten afftand te doem3 hij is gehouden om met de betaling der lijfrente voort te gaan, gedurende het geheele leveg van den perloon of de perfonen, op wier lijf de rente gevestigd is, koe oud dezelve ook mogen worden, en hoe bezwarend de nakoming dezer verbindtenis ook voor hem zijn moge. il Art. 1980, De betaling van eene lijfrente moet niet verder gefchieden dan naàr evenredigheid van de dagen, welke de rentheffer geleefd heeft, Niettemin, indien bedongen is, dat de betaling vooruit gekenieden zoude, heeft de rentheffer, van den dag af, op welken egh termijn heef moeten betaald worden, een volkos men regt tot dezelve., Art. 1981. Men mag niet bedingen, dat eene lijfrente niet arrestabel zijn zel, ten ware dezelve om niet gevestigd is, Art. 1082. Lifrente eindigt niet door den burgerlijken dood van den renihefer; de betoling daar van moet voortduren, zoo lang hij 1 tevenden lijve is. Art. 1983. De rentheffer van eene lijfrente kan de verfchenen renten daar van niet vorderen, dan door van zin leven, of van dar van den geen, op wiens lijf dezelve gevestigd is, te Boen blijken.> 7 DE R- Van den aard en den vorm van destgeving. 408 > DR RG REN BD AN Ee Te VAN MANDAAT OF LASTGEVING, Ede eds EERSTE HOOFDSTUK, gele nie hoe EL Van den aard en den vorm van lastgevings Art. 1934. Lastgeving of volmagt is eene handeling„bij welke iemand, aan eenen anderen de magt geeft, om eene zaak voor den lastgever en in deszelfs naam te verrigten. uit Dit contract wordt niet voltrokken, dan door de aanne- op ming van den gemagtigden. / Art. 1085, Lastgeving kan gefchieden, of bij eene openbare acte, of bij een onderhandsch gefchrift, zelfs bij eenen brief, Dezel= ve kaa ook bij monde gedaan worden; doch het bewijs door getuigen wordt, ten aanzien van dezelve, niet toegelaten, dan overeenkomftig het bepaalde in den Titel van contracten N of verbindtenisfen, wit hoofde van overeenkomst, in het algen meen. De aanneming van eenen last of mandaat kan oek. flils zwijgende gefchieden, en afgeleid worden uit de volvoering van het mandaat van den lasthebber, Art. 1986, _ Lastgeving gefchiedt om niet, ten zij het tegendeel. bes dongen is. Art. 19397. Lastgeving is, of bijzonder, en alleen tot eeme, of meet bepaalde zaken,of algemeen, en tot alle zaken van den laste gever betrakkelijk. A, Art. 1988. kastgeving, in algemeene bewoordingen vervat, wordt ge= acht alleen tot daden van beheering betrekkelijk te zijn, Cc 5 Om 41o: JEF. Boek, XII. Titel, F. Hoofdfluk. Om goederen te vervreemden of met hijpotheek te bezwas ren, of eenige„andere daad van eigendom te verrigten, wordteen uitdrukkelijk mandaat vereischt, Art. 1989. Een mandataris of lasthebber mag niets verrigten, waar door hij de bepalingen van het mandaat zoude te buiten gaan: de magt om eene transactie aan te gaan bevat niet in zich de magt, om eene zaak bij compromis te verblijven. Art. 199o. Vrouwen en minderjarigen, die uit de magt van hunne ouders of voogden ontflagen zijn, kunnen tot mandatarisfen of lasthebbers gekozen worden; maar de lastgever heeft te- gen den minderjarigen lasthebber geene verdere actie, dan volgens de algemeene regels, betrekkelijk de verbindtenisfen van minderjarigen, en tegen eene getrouwde vrouw, die de lastgeving, zonder autorifatie van haren man, heeft aange- pomen, niet verder, dan volgens de regels, vastgefteld in den Titel van het huwelijks-contract, en de onderlinge rege ten der echtgenooten. TWEEDE HOOFDSTUK Van de verpligtingen van den mandataris of. Jasthebbere Art. 1991. De lasthebber is gehouden tot de volbrenging van den aangenomen last, zoo lang hij van denzelven niet ontheven is, en is verantwoordelijk voor de fchaden en interesfen; welke door het niet uitvoeren van dien last zouden kunnen ontftaan, Ä Ook is hij gehouden, om ‚de zaak, waar mede hijs tert tijde van het overlijden van den: lastgever, een aanvang had gemaakt, fen einde te brengen, indien uit het niet afdoen van dezelve eenig madeel zoude kunnen ontftaan. Art. 1992. De. lasthebber is niet alleen aanfprakelijk wegens kwaad Opzet, maar ook wegens verzuimen, door hem in de uit voering van zijnen last gepleegd, Niets Je ë ij Wan de verpligtingen van den mandataris of lasthebber. ans Niettemin wordt deze verantwoordelijkheid wegens verzuis men minder ftreng genomen, ten aanzien van den genen, die eenen last om niet op zich‘genomen heeft, dan van den genen, die daar voor loon ontvangt. Art. 1993 Elke lasthebber is gehouden rekenfchap van zijn verrigte te geven, en aan den lastgever verantwoording te doen van alles, wat hij, uit krachte van zine vo'magts ontvangen heeft; al ware het ook, dat her ontvangene aan den lastgee ver niet verfchuldigd mogt zijn geweest. Art. 1994 Een lasthebber is verantwoordelijk woor den genen, dien ijij tot uitvoering van den last in zijne plaats gefteld heeft s >. wanneer hij de magt van fubfti:urie uiet bekomen heeft; 9. wanneer hem die magt, zonder aanduiding van een be= paald perfoof, gegeven is, en de geen, dien hij daar toe gekozen heeft, blijkbaar onbekwaam of infolvent was. In allen gevalle kan de lastgever onmiddelijk den gefube ftitueerden tot verantwoording aanfpreken, Art. 1995. Wanneer verfcheïden perfonen, bij eene en dezelfde acte, tot gevolmagtigden of lasthebbers zijn aangefteld, heeft ten hunnen aänzien geene folidaire verbindtenis plaats, dan voor zoo verre zulks. uitdrukkelijk bepaald is. Art. 1996. Een lasthebber is verpligt interesfen. te. betalen van’ de geldfommen, welke hij tot zijn eigen gebruik befteed heeft te rekenen van den dag, dat hij gebruik daar van gemaakt heeft, en van de fomme, die hij aan den Jastgever tot- flot van rekening moet uitkeeren, van den dag af, dat hij daar van in verzuim is. Wb be Art. 1997. De lasthebber, die aan den genen, met wien hij als zoo- danig handelt, van zijnen last eene voldoende kennis heeft gegeven, is geene vrijwaring verfchuldigd ten aanzien van het geen boven zijnen last gefchied is, ten ware hij zich daar toe perfoonlijk verbonden heeft. axe II. Boek, XII. Titel, III. Hoofdfiuk, DERDE HOOFDSTUK, Van de verpligtingen van den lastgevere Art. 1998. De lastgever is verpligt om de verbindtenisfen, door den lasthebber, overeenkomftig de aan denzelven gegevene magt, aangegaan, na te komen.(A Hij is niet gehouden tot het geen bovendien mogt ge= fchied zijn, dan voor zoo verre hij het zelve uitdrukkelijk of ftilzwijgend bekrachtigd heeft, on Art. 1909. De lastgever is verpligt aan den lasthebber te rug te ge= ven de voorfchotten en kosten, welke deze tot volvoering van den last gedaan heeft, en aan. hem zijn loon te beta- len, wanneer het zelve beloofd is, Indien aan den lasthebber geen verzuim in het uitvoeren van denlast te wijten is, kan de lastgever zich van het doen van deze teruggave en betalingen niet ont{laan, al ware het dat de zaak mislukt was, noch ook het beloop der kosten en voorfchotten doen verminderen, onder voorgeven, dat zij minder hadden kunnen zijn. Art, ooo, Pe lastgever moet den lasthebber ook fchadeloos ftellen. wegens de verliezen, welke deze in de uitvoering van den gegeven last mogt geleden hebben, mits hem ten dien ope zigte geene onvoorzigtigheid te wijten zije Art. goot. De lastgever is aan den lasthebber, wegens deszelfs voore fchotten, interesfen verfchuldigd, van den dag af, waar op, deze aantoont die uitfchotten gedaan te hebben. Art. goo9. __ Wanneer de lasthebber door onderfcheiden perfonen ís aangefteld, tot het waarnemen van eene zaak, die aan hun allen gemeen is, is elk van hen voor-het geheel aan den lasthebs ie voor alle de gevolgen van den gegeven last, aanfprake- IJK. id VIE R- dimi Eed ad Van de gerfchillende wijzen, wâar op lastgevingeindiet, 413 VIERDE HOOFDSTUK. Van de verfchillende wijzen, waar op lastgeving eindigt. Art, 2003 Lastgeving eindigt Door herroeping der volmagt van den lasthebbers Door opzegging van den last door den lasthebber 5 Door den natuurlijken of burgerlijken dood, curateele of infolventie, het zij van den läástgever, het zij van den lasthebber. Art. 2004» Een lastgever kan zijne volmagt, wanneer het hem goed= dunkt, herroepen, en, redenen daar toe dienende, den laste hebber noodzaken, om aan hem te rug te geven, het zij het onderhandsch gefchrift, het welk den last bevat, het zij de oorfpronkelijke volmagt, wanneer die, zonder geprotho= cölleerd te zijn, is uitgegeven, of her affchrift derzelve, indien daar van eene minute gehouden is. Art. 2005. De herroeping alleen aan dem lasthebber kenbaar gemaakt zijnde, kan dezelve aan derden, die, daar van onkundig zijnde, met den lasthebber gehandeld hebben, niet worden tegengeworpen, behoudens aan den lastgever zijn verhìdal op den geniagtigden. Art. 2006. De aanflelling van eenen nieuwen lasthebber, tot het vere tigten van dezelfde handeling, heeft gelijke kracht met de herroeping van de eerfte lastgeving, te rekenen van den dag af, dat deze nieuwe aanftelling aan den eerften lasthebber is bekend gemaakt. Art. 2007. De lasthebber kan den last opzeggen, door van zijne op- zegging aan den Itgever kennis te geven. Indien nogtans deze opzegging aan den lastgever tot na= deel werftrekt, moet hij deswegen„door den dJasthebber fcha« deloos gefteld worden, ten ware deze laatfte zich in de on- mos PD HIT, Boek, Klil» Tuei, We Hoofaftuis mogelijkheid bevond, om den last verder te wolbrengen 3 gonder daar door zelf aanmerkelijke fchade te lijden, Art. 2008. i Indien de fasthebber onbewust is wan den dood des last. gevers, of van het beftaan van eenige andere oorzaak, die den last doet eindigen, is, het geen hij in die onwetendheid werrigt heeft, van waarde, Art. 2009. In de woorgemelde gevallen, moeten de werbindtenisfen 3 door den lasthebber aangegaan, nagekomen’ worden, ten Ranzien van derden, die in de goede trouw zijn, Art. gore, In geval de lasthebber fterft, moeten zijne erfgenamen daar van aan den lastgever kennis geven, en inmiddels, naat vereisch der omftandigheden, woor het belang van den last= Sever de noodige zorg dragen; PB ER TIENDE TTE Mm VAN BORGTOG Ts Vasteefeld den raden van Sprokkelmaand 1804, ef h afeekondizd den oaften van dezelfde maand] EERSTE HOOFDSTUK. Van den aard en Prekking van borgtogts Art. oorï. 4e Die zich tot borg voor eene verbindtenis ftelt, onderwerpt zich, teu behoeve van den fchuldeifcher, om aan die ver- indtenis se voldoen, indien de fchuldenaar zelf daar aan hiet voldoets Art, 2012; hoof bin den bee b ij Pan den aard en frekking van borgiogt.‘45 Art. oorg. Geene borgtogt kan beftaan, of er moet eene wettige hoofd-verbindtenis zijn. Men kan zich niettemin tot borg ftellen voor eene ver- bindtenis, welke door eene exceptie, die alleen den verbon- denen perfoonlijk betreft, kan vernietigd worden; bij voor- beeld, in geval van minderjarigheid. Art. 2013: De borgtogt kan niet te boven gaan de fomme', die door den fchuldenaar verfchuldigd is, noch onder meer bezwa- rende voorwaarden worden aangegaan. ú Dezelve kan flechts voor eeh gedeelte van de fchuld, en onder min bezwarende voorwaarden, aangegaan worden. De borgtogt, welke de fchuld te boven gaat, of onder meer bezwarende voorwaarden is aangegaan, is niet van on- waarde; maar moet alleenlijk verminderd worden. tot dat geen, het welk in de hoofd-verbindtenis begrepen iss Art. 2014. Men kan zich tot borg ftellen, zonder daar toe door den geen, voor wien men zich verbindt, gelast te zijn, eu zelfs buiten zijn weten. Men kan zich tot borg ftellen, niet alleen voor den prin- cipalen fchuldenaar, maar ook voor deszelfs reeds geftelden borg. 7 1 Art. eo15: Eene borgtogt wordt niet geprefumeerd, maar moet uit= Arukkelijk aangegaan worden, en men kan dezelve niet ver= der uitftrekken dan de bepalingen, onder welke zij is aange gaan„ medebrengen. Art. oo16. Eene onbepaalde borgtogt, voor eene principale verbindtes nis, ftrekt zich uit tot al het geen bij de fchuld komt, zelfs tot de kosten van de invordering der principale fchuld, het zij dat dezelve vóór, of na dat de borg tot voldoening is aangemaand geworden, gemaakt zijn, Art. 2017. De verbindtenisfen der borgen gaan over op hunne erfges namen, uitgenomen dat zij niet in hunne perfonem’ execuias bel zijn ,offchoon de verbindtenis van dien aard was, dat de borg daar aan onderworpen was, Art. 2018. Wanneer een fchuldenaar verpligt is Borg te flellen, moet hij daar toe iemand voorttellen, die de bekwaamheid heeft om zich te verbinden, die genoegzaam gegoed is, om de borg: ERE a1rû borgtogt te kunnen voldoen, en wiens woonplaats is binnen het resfort van het Hof van appél, alwaar de borgtogt ge: fleld moet worden. Fl, Boek, XI. Titel, T. Hoofinngd Art. oo1g. De gegoedheid van eenen borg wordt alleen beoordeeld naar de vaste goederen, die hij bezit, uitgenomen in het ftuk van koophandel, of wanneer de fchuld van geringe waat: de is. Men kan in die beoordeeling geene aanfchouw nemen op onroerende goederen, waar over gefchil is, of waar van de uitwinning, wegens hunne verre afgelegenheid, te moeïjelijk zoude zijne Art. eo20. Wanneer een borg, door den fchuldeifcher vrijwillig of op regterlijke uitfpraak aangenomen, naderhand infolvent gewor- den is, moet er een andere gefteld worden. Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering in het geval, dat de borg gefkeld is ingevolge eene overeenkomst, waar bij de fchuldeifcher een zoodanig bepaald perfoon tot borg gevote derd heeft, TWEEDE HOOFDSTUK. Wan het gevolg van borgtogt. EERSTE AFDEELINGs: Pan hek éevòle van boretogt tusfchen den fchuldeifchef en den borg. Art. aooïá_ … Geen borg is verpligt den fchuldeifcher te voldoen, dad bij nalatigheid van den fchuldenaar, die eerst in zijne goede ren moet uitgewonnen worden, ten ware de borg vanhet voorregt van uitwinning had afltand gedaan, of ten minftens zich voor het geheel met den fchuldenaar verbonden had} de zij v, De jenaa gerfte naar denz Wan het gevolg van borgtogt. 417 in welk geval zijne verbindtenis zich regelt achtervolgens de bepalingen, die met opzigt tot folidaire verbindtenisfen zijn vastgefteld. Art. o22. De fchuldeifcher is niet verpligt om den principalen fchule denaar eerst uit te winnen, dam wanneer de borg, op de eerfte aanmaning tot voldoening, zulks vordert. Art, 2023. De borg, die de uitwinning van den prinCipalen fchuldes paar vordert, moet aan den fchuldeifcher de goederen van denzelven‘aânwijzen, en de noodige penningen voorfchieten, om die uitwinning te doen. Hij moet geene aanwijzing doen, noch van goederen van den principalen fchuldenaar, welke buiten het arrondisfement van het Hof van appél van de plaats, alwaar de betaling gedaan moet worden, gelegen zijn, noch ook goederen, die in gefchil zijn, noch die voor de fchuld gehijpothekeerd zijn, maar waar van de principale fchuldenaar geen bezitter meer is. Art. 2024. Wanneer een borg eene aanwijzing van goederen, overs tenkomftig‘het voorgaande Artikel, gedaan, en de noodige penningen tot het doen der uitwinning voorgefchoten heeft, is de fchuldeifcher, ten aanzien vanden borg, tot het bee loop der aangewezene goederen s verantwoordelijk voor de infolventie van den principalen fchuldenaar„welke, door hem niet uit te winnen, veroorzaakt is. Art. 2025. Wanneer verfcheidan perfonen zich tot borgen gefteld hebben voor denzelfden fchuldenaar, en voor dezelfde fchuld 4 is ieder van hen aanfprakelijk voor de geheele fchuld, Art. 2026. Jiettemin kan elk van hen, zoo hij geen afftand gedaar heeft van het beneficie van fchuldfplitfing, vorderen, dat de fchuldeifcher zijne actie tusfchen de gezamenlijke borgen alvorens verdeele, en dezelve vermindere tot het aandeel van elken borg. Wanneer, ten tijde dat één der borgen de fchuldfplitfing geëischt heeft, onder dezelven eenige infolvent waren, is deze borg, naar evenredigheid van zijn aandeel, gehouden voor die infolventen te voldoen; màar hij is niet aanfpra= kelijk uit hoofde van infolventiën, die na de fchuldfplitfing zijn opgekomen. Dd Art. 20274 and 418 HIN, Böek, XIV. Titel, II. Hoofdtuk. Art. 2027, Indien de fchuldeifcher zelf en vrijwillig zijne actie ge fplitst heeft, kan hij die fplitfing niet weder laten varen, al waren zelfs voor den tijd, dat hij in die fchuldfplicfing heeft toegeftemd, eenige der borgen infolvent. TWEEDE AFDEELING. Van het gevolg van borgtogt, tusfchen den fchuls denaar en den borg. Art. 2028, De borg, die betaald heeft, heeft zijn verhaal op den principalen fchuldenaar, het zij de borgtogt al of niet met deszelfs medeweten gefteld is, Dit verhaal heeft plaats, zoo wel ten aanzien van de hoofd- fom, als van de interesfen en kosten3 doch ten aanzien der kosten, welke aan de zijde van den borg gemaakt zijn, niet verder, dan na dat hij aan den principalen fchuldenaar kennis gegeven heeft, dat hij tot de voldoening in regten was aan- gefproken. De borg heeft ook verhaal tot vergoeding van fchaden en interesfen, zoo daar toe redenen dienen. Art. 2029.« De borg, die de fchuld betaald heeft, treedt in alle de reg- ten, welke de fchuldeifcher tegen den fchuldenaar had. Art. 2030, Wanneer er verfcheiden principale fchuldenaars van dezelfe de fchuld waren, ieder voor het geheel verbonden, heeft de borg, die zich voor hun allen als borg gefteld had, tegen elk van hun zijn verhaal tot te rug bekoming van het geheel, dat hij betaald heeft. Art. 2031 De borg, die eenmaal de fchuld betaald heeft, heeft geen verhaal op den principalen fchuldenaar, die voor de tweede maal dezelfde fchuld betaald heeft, wanneer hij denzelven van de door hem gedane betaling geene kennis gegeven heeft3 nn eens zijne actie tot te rug vordering tegen den fchuld- eifcher. Wane zng en in€ ne ren { h LC1 Iet Wan het gevolg van-borglogt. 415 Wanneer de borg voldaan heeft, zonder in regten te zijn aangefproken„en zonder den principalen fchuldenaar daar van te hebben verwittigd, heeft hij geen verhaal op denzelven, in geval de fchuldenaar, ten tijde der betaling, gronden ge- had heeft, om de fchuldvordering vervallen te doen verkla- ren, onverminderd zijne actie tot te rug vordering tegen den fchuldeifcher. Art. 2032, De borg kan, zelfs vóór dat hij betaling gedaan heeft, den fchuldenaar aanfpreken, om door denzelven te worden fcha- deloos gefteld: 1°. Wanneer hij in regten tot betaling vervolgd wordt 3 ©, Wanneer de fchuldenaar bankbreukig geworden, of in verval van zaken geraakt is; Wanneer de fchul4enaar zich verbonden heeft, om den borg, binnen eenen bepaalden tijd, het ontflag van zijne borgtogt te bezorgen 5 4°. Wanneer de fchuld, door het verloop van den tijd„ op welken zij betaalbaar gefteld is, ingevorderd kan worden; 59, Na verloop van tien jaren, wanneer de principale vete bindtenis geenen bepaalden vervaltijd heeft; ten ware de principale verbindtenis, bij voorbeeld, eene voog= dij, van zoodanigen aard zij, dat dezelve voor het aanwezig zijn van eenen bepaalden tijd kan eindigen. Ne) ied PN DERDE AFDEELING. Wan heb gevolg van borgtogt, met betrekking tes de medeborgen. Art. 2033e Wanneer verfcheïden perfohen zich voor denzelfden fchul- denaar, en voor dezelfde fchuld tot borgen gefteld hebben, heeft de borg, die de fchuld voldaan heeft, zijn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel. Doch dit verhaal heeft geene plaats, dan wanneer de borg betaald heeft, in één der gevallen, in het vorig Artikel ver- meld, Dd ga DERs ee mn en » 3 420 HI Boek, XIV. Tivel, II Hoofdftuk. DERDE HOOFDSTUK. Van het te niet gaan van borgtogt. Art.'ao3á. De verpligting, uit borgtogt out{taande, gaat te niet door dezelfde oorzaken, als waar door andere verbindtenisfen te niet gaan. Art. 2035. Schuldvermenging, welke plaats heeft tusfchen den per- foon van den principalen{chuldenaar en zijnen borg, wan neer de een erfgenaam wordt van den anderen, vernietigt de actie van den fchuldeifcher niet tegen den genen, die zich tot borg van den borg gefteld heeft. Art. 2026. De borg kan zich tegen den fchuldeifcher bedienen van alle exceptiën, die aan den principalen fchuldenaar toekomen, en met de fchuld zelve in een onmiddelijk verband ftaan. Maar hij kan Zich niet bedienen van exceptiën, welke al- leen den perfoon van den fchuldenaar betreffen. Art. 2037. De borg is ontflagen, wanneer door toedoen van den fchuld- eifcher is te weeg gebragt, dat de overdragt der regten, hij- potheken en preferentiën van den fchuldeifcher, ten behoeve van den borg niet meer gedaan kan worden, Art. 2039. De vrijwillige aanneming van eenig onroerend of ander goed, door den fchuldeifcher, in betaling van de principale fchuld gedaan, ontflaat den borg,fchoon dat goed naderhand van den fchuldeifcher wordt geëvinceerd, Art. 2039. Eene eenvoudige verlenging van den betaaltijd, door den fchuldeifcher aan den principalen fchuldenaar toegeftaan, ont- {laat den borg niet, dewelke in dat geval regt heeft om den Schuldenaar te vervolgen, en tot betaling te noodzaken. VIER, doo Dt Van legale en judiciële borgiogt. 42ì VIERDE HOOFDSTUK Van legale en judicitle borgtogte Art. 2040 Zoo dikwijls iemand door de wet, of door een regterlijk gewijsde verpligt wordt om borg te ftellen, moet de aanges bodene borg alle de vereischten hebben, welke bij Art: 2018 en 2019 zijn voorgelchreven. Wanneer eene judiciële borgtogt gevorderd wordt, moet de borg bovendien zoodanig perfoon zijn, tegen wien bij perfoneel arrest of gijzeling geprocedeerd kan worden. Art. 2041. Die geen borg vinden kan, kan volftaan, met in plaats van dien voldoende onderpand te geven. Art. 2042. Een judiciële borg kan niet vorderen, dat de principale fchuldenaar vooraf werde uitgewonnen. Art. 2043° Die zich eenvoudig tot borg van eenén judiciëlen borg ge- fteld heeft, kan de voorafgaande uitwinning, noch van den principalen fchuldenaar, noch van den borg vorderen, WT EEN DE We Ted B le VAN TRANSACTIËN OF ACCORDEN. (Wastgefteld den often van Lentemaand 1804» en afgekondigd den zoften van dezelfde maand. Art. 2044 Transactie is eene overeenkomst, Waar bij parten een reeds aanhangig gefchil ten einde brengen, of een te voeren gefchil voorkomen, Dd 3 Dit Pa ennn gn « ggn ke Verd ze 42e dll. Boek, XV. Titel. Dit contract moet fchriftelijk aangegaan worden, Art. 2045. Om te tranfigeren, moet men de bevoegdheid hebben, om over de onderwerpen, in de transactie begrepen, te kunnen befchikken, Een voogd kan niet tranfigeren voor den minderjarigen, of voor den genen, die onder curatele gefteld is, dan overeenkomftig het 467fte Artikel, in den Titel van minderjarigheid, voordij n emancipatie; en hij kan met den minderjarigen, meerderjarig geworden zijnde, niet tranfigeren over de rekening en vers antwoording der voogdije, dan overeenkomftig het 47ofte Ars tikel in denzelfden titel, De gemeenten en openbare etablisfementen kunnen’ niet tranfigerens, dan op autorifatie van den Keizer, Art. 2046, Men kan tranfigeren over een burgerlijk voordeel, uit mise daad ontftaande, Deze transactie verhindert de vervolging van den openba- ren aanklager niet. Art. 2047. Men kan bij eene transactie een beding van eene poenaliteit voegen, ten laste van den genen, die in de nakoming van het accord nalatig blijft, Art. 2048. De transactiën(trekken zich niet verder uit, dan het on- derwerp, waar over getranfigeerd wordt; de daar bij gedane afftand van alle regten, actiën en pretenfiën moet verftaan worden van het geen betrekkelijk is tot het verfchil, het welk tot de transactie aanleiding gegeven heeft. Art. 2049. De trausactiën maken alleen eert einde aan die verfchillen welke daar in begrepen zijn, het zij partijen derzelver bedoe- ling in bijzondere of algemeene uitdrukkingen vervat hebben, het zij dat men die bedoeling, als een noodzakelijk gevol afleidt uit het geen daar bij is uitgedrukt. Art. eo5o, Indien iemand, die getranfigeerd heeft over een regt, het welk hem uit eigen hoofde toekomt, vervolgens een dier- gelijk regt van een ander verkrijgt, is hij, met betrekking tot het nieuw bekomen regt, aan de bevorens aangegane trans- actie niet verbonden, U oo Art. ao5r, Eene transactie, door één der belanghebbenden aangegaan, verbindt de overige belanghebbenden niet, en kan door hun niet worden tegengeworpen. Art, 2952, nm Wan teansactiën of accoorden, A23 Art. 2052. De transactiën hebben tusfchen pártijen de kracht van een gewijsde in het ho ‚glte resfort, Tegen dezelven kan, op grond van dwaling in het regt, o£ uit hoofde van benadeeling, niet worden opgekomen. Art. 2053: Niettemin kan eene transactie vernietigd worden, wanneer eene dwaling heeft plaats gehad in den perfoon, of omtrent het onderwerp van het gefchil. Zij kan vernietigd worden in alle gevallen, in welken be: drog of geweld heeft plaats gehad. Art. 2054. De actie tot_ vernietiging van ecné transactie, heeft ins= gelijks plaats, Wanneer dezelve is aangegaan Op grond van flukken, die nietig waren, ten zij partijen zelve uitdrukkelijk over die nietigheid gehandeld hebbene Art. 2055 Eene transactie, aangegaan Op grond van ftukken, die na- derhand bevonden zijn geworden valsch te zijn, is ten eenemaal nietig. L Art. 2056. Transactie, aangegaan over eene zaak, die reeds door een wonnis, bet welk in kracht van gewijsde gegaan is, beflist was, doch waar van partijen, of één van dezelve, geene kens nis droegen, is nietig. Indien echter het gewezen vonnis, het welk partijen niet gekend hebben, aan hooger beroep onderhevig was, is de transactie van kracht. Art. 2057. Wanneer partijen in het algemeen getranfigeerd hebben over alle zaken, welke zij met elkander uitftaande mogten hebben, everen de ftukken, die hun toen onbekend waren, en eerst naderhand ontdekt geworden zijn, geenen wettigen grond tot vernietiging op, ten ware die ftukken door toedoen van€ené der partijen waren achtergehouden. Maar de transactie zoude nietig zijn, indien dezelve over een enkel onderwerp zijnde aangegaan, door naderhand onte dekte ftukken bewezen werd, dat één der partijen geen het minfte regt had. Art. 2058. Een misflag in de berekening, bij eene transactie begaan, moet verbeterd worden. wa Dd 4 L 424 Z HI, Boek, XVI. Titels wd E SDL EEN DAE ER BEE. VAN PERSONEEL ARREST OF GIJZELING, IN * CIVIELE ZAKEN. [Wastgefteld den v3dén van Sprokkennaand 1804, en afgekondigd den o3ften van dezelfde maand.) hd Art, 2059. Perfoneel arrest of gijzeling heeft plaats in civiele zaken, wegens flellionaat of bedriegerij. Stellionaat of bedriegerij wordt gepleegd, Wanneer men een onroerend goed, waar van men weet geen eigenaar te zijn, verkoopt of hijpothekeert 5 Wanneer men gehijpothekeerde goederen als onbelast doet voorkomen, of wanneer men de daar op ftaande hijpotheken minder opgeeft, dan waar mede die goederen belast zijt. Art. 2060. Perfoneel arrest of gijzeling heeft insgelijks plaats, 1 In noodzakelijke bewaarneming 3 2°. In geval van herftelling in een vorig bezit, en regter- 4 50. lijk bevel tot verlating van een vast goed, waar van de eigenaar feitelijk beroofd was; voor de te ruggave van de vruchten, die daar van, gedurende het onwet- tig bezit, genoten zijn; en woor de vergoeding der fchaden en interesfen, aan den eigenaar toegewezen; Voor de te rug vordering van penningen, die in han- den van openbare ambtenaren, tot dat einde aange: fteld, geconfigneerd waren 3 Voor de weder-oplevering van goederen, die onder fe- questers, commisfarisfen, of andere bewaarders, in bee waring gefteld waren 3 Tegen judiciële borgen, en tegen de borgen der ge- nen, tegen wien bij perfoneel arrest of gijzeling ge- procedeerd kan worden, wanneer de borgen zich aan gien regtsdwang onderworpen hebben; CET . ‚ Tes es cra Ee in be Van perfoneel arrest of gijzeling, in civiele zaken. 425 6°. Tegen alle openbare ambtenaren, tot oplevering van hunne minuten, wanneer dezelve door den regter be- volen wordt; 7°. Tegen de notarisfen, praktizijns en geregtsboden, tot te ruggave der aan hun toevertrouwde papieren, en van de gelden, door dezelven voor hunne meesters„ ingevolge hunne bedieningen, ontvangen. Art. 2061. Zij, die bij een vonnis, ten petitoiren gewezen, En in kracht van gewijsde gegaan zijnde, verwezen zijn, om éen ftuk grond of vast goed te verlaten, en weigeren daar aan te gehoorzamen, kunnen, uit kracht van een tweede vonnis door perfoneel arrest of gijzeling daar toe genoodzaakt wore den, veertien dagen, na dat het eerfte vonnis aan hun per- {oon of aan hunne woonftede geïnfinueerd is. Indien dat ftuk goed of erf, meer dan vijf mijriamêtres (tien oude Franfche mijlen), van de woonplaats der verwe- zene partij is afgelegen, zal bi den termijn van veertien da- gen nog een dag, voor elke vijf mijriamêtres afftand, gevoegd worden, Art. 2062. Perfoneel arrest of gijzeling kan niet bevolen worden tegen pachters, voor de betaling der pachtpenningen van landhoee= ven, ten zij zulks uitdrukkelijk bij ket huur-contract bedon- gen is. Niettemin kunnen de pachters, die of huur verwoe nen, of de vruchten met den eigenaar deelen, door perfoneel arrest of gijzeïing gedwongen worden, indien zij bij het ein- digen der pacht nalatig blijven, om de beesten, welke in veepacht gegeven zijn, de zaden en bouw- gereedfehappens die aan hun toevertrouwd zijn, te rug te geven; ten ware zij konden bewijzen, dat het ontbreken van die dingen door hun toedoen niet veroorzaakt was. Art. 2062. Buiten de gevallen, in de vorige Artikelen bepaald, of die voor het toekomende door eene uitdrukkelijke wet bepaald b zouden mogen worden, is het aan alle regters verboden, om eenig perfoneel arrest of gijzeling te bevelen; aan alle notaris- fen en griffiers om de acten, waar bij dezelve bedongen zoude mogen worden, te pasferen; en aan alle Franfchen om in zulke acten toe te ftemmen, al waren dezelve ook in een vreemd land gepasfeerd, Alles op ftrafie van nietigheid en vergoeding van íchaden en interesfen. vi 2 - De) Len III. Boek, XVI. Titel. Art. 2064. In de gevallen zelfs, hier voren opgegeven, mâg geen per- foneel arrest of gijzeling tegen minderjarigen verleend wor- den. Art. 2065. ‚ Het zelve mag ook niet. verleend worden‘voor eene geld- fomme, minder dan drie honderd francs bedragende, Art. 2066. Het mag al mede niet verleend worden tegen liëden zevenug jaren, tegen vrouwen en jonge dochters, dan geval wan ftellionaat. Het is genoeg, dat het zeventigfte jaar begonnen zij, om het voorregt der zeventigjarige lieden te kunnen inroepen. Perfoneel arrest of gijzeling, uit hoofde van ftellionaat, ftaande huwelijk gepleegd, heeft geene plaats tegen gehuwde ven, dan wanneer hare goederen zijn afgefcheiden, of wanneer zij goederen bezitten, waar van zij zich het vrije beheer hebben voorbehouden, en uit krachte van verbindte- isfen, tot die goederen betrekkelijk zijnde. De vrouwen, die, in gemeenfchap van goederen getrouwd zijnde, zich te zamen, of ieder voor het geheel met hunne mannen verbonden hebben, kunnen niet geacht worden. zich aan ftellionaat te hebben fchuldig gemaakt, uit hoofde van die verbindtenisfen. Art. 2067, foneel arrest, of gijzeling,-zelfs in de gevallen, waar in zulks door de wet wordt toegeftaan, kan niet te werk gelegd worden, dan uit krachte van een vonnis, Art. 2068. Het hóvoger beroep fchort het perfoneel arrest of de gij zeling niet op, wanneer zulks verleend is bij een vonnis, het welk bij provifie onder borgtogt executabel is, Art, 2069.. Het te werk leggen van een perfoneel arrest of gijzeling belet niet, noch fchort niet op de vervolgingen en execu- tiën op de goederen, Art. 2070. er door worden niet afgefchaft de bijzondere wetten, die perfoneel arrest of gijzeling toeftaan in zaken van koop= handel, noch ook de wetten omtrent politieke correctiën, noch dezulke, die tot het beftuur van,’s lands gelden bek trekking hebben, den lan Wan pand van roerend goed. A27 ZEVEN HELEN DE Tk TnE L. VAN PANDGEYIN GC, (Vastgefteld den 16den van Lentemaand 1804, en afgekondigd den 26flen van dezelfde maand. Art. 2071. Pandgeving is een‘contract, waar bij een fchuldenaar eenig goed aan zijnen fchuldeifcher tot zekerheid van de Schuld ter hand ftelt, Art. 2072. Verpanding van roerend goed wordt genoemd gage, en wan onroerend goed antichrèfe. EERSTE HOOFDSTUK, Van pand van roerend goed. Art. 2073. Pand van roerend goed geeft aan den fchuldeifcher het regt, om zich, bij preferentie boven andere fchuldeifchers, uit het goed, het welk het onderwerp der verpanding is, te doen betalen. Art. 2074. Deze preferentie heeft geene plaats, dan voor zoo verre er eene openbare of onderhandfche acte is, behoorlijk ge= registreerd, bevattende eene opgave van de verfchuldigde fomme, als mede van de foort en den aard der goederen, die te pand gegeven zijn, of eene daar aan gehechte lijst van derzelver hoedanigheid, gewigt en maat, Het gd 8 be 428 II. Boek, XP2L. Titel, 1. Hoofdfluk. Het opmaken eener fchriftelijke acte, en derzelver regis- tratie, worden echter alleen vereischt in zaken, die de waarde van honderd vijftig francs te boven gaan. Art. 2075. De preferentie, bij het vorige Artikel vermeld, wordt op roerende onligchamelijke goederen, als infchulden, tot roe- rend goed behoorende, alleenlijk gevestigd bij eene open- bare of onderhandíche acte, mede geregistreerd, en aan den fchuldenaar van de infchuld, die te pand gegeven is, geïnfinueerd zijnde, Art. 2076. In allen gevalle, heeft geene preferentie op het verpande goed plaats, dan voor zoo verre dat pand is gefteld en gebleven in het bezit van den fchuldeifcher, of van eenen derden, door partijen bij overeenkomst daar toe benoemd, Art. 2077. Een derde kan voor den fchuldenaar eenig goed te pand ftellen. Art. 2078. De fchuldeifcher kan, bij gebreke van betaling, over het pand niet befchikken; behoudens het vermggen om door len regter te doen bevelen, dat dit pand aan hem in be- es taling der fchuld, en tot het beloop derzelve, volgens eene door deskundigen gedane begrooting, blijven zal, of wel in% openbaar verkocht zal worden. Alle beding, waar bij de fchuldeifcher gemagtigd zoude worden om zich het pand toe te eigenen, of daar over zon. der de bovengemelde formaliteiten te befchikken, is nietig Art. 2079.' De fchuldenaar blijft, zoo lang hij door executie van den eigendom niet ontzet is, eigenaar van het pand, als het welk, in de hard van den fchuldeifcher, alleen is een in bewaring gegeven goed, het welk zijne preferentie ver= zekert. Art. 2080. De fchuldeifcher is, volgens de regels, in den Titel van contracten, of verbindtenisfen uit hoofde van overeenkomst» in’t algemeen; vastgefteld, verantwoordelijk„voor het vere gaan of de vermindering van het pand, indien zulks door zijne achteloosheid zoude mogen zijn toegekomen. Art. 2o8r. À Indien eene infchuld te pand gegeven is, en die infchuld op interesfen loopt, verrekent de fchuldeifcher die interesfen met de genen, die hem verfchuldigd mogen zijn. In: Ie tE pal gesn jh \ et fan En er Ille Al 1 and ì (0 Van pand van roerend goed. 429 Indien de fchuld, tot welkers verzekering eene infchuld is te pand gegeven, niet op interesfen loopt, worden de inte- esfen, welke de pandhouder van de infchuld ontvangt, OP de hoofdfom van de fchuld afgefchreven. Art. 2082, De fchuldenaar kan, ten ware de bezitter van het pand het zelve misbruikt, de teruggave daar van piet vorderen, dan na dat hij de fchuld, tot welkers verzekering het pand gegeven is, Zoo ten aanzien van de hoofdfom, als van de interesfen en kosten, geheel heeft‘af betaald. Indien dezelfde fchuldenaar aan denzelfden fchuldeifcher nog eene tweede fchuld verfchuldigd was, deor hem na de pandgeving gemaakt, en vóór de betaling der eerfte fchuld vervallen zijnde, is de fchuldeifcher niet gehouden om zich van het pand te ontdoen, voor dat hij van beide fchulden geheel voldaan is, al was er zelfs geen beding gemaakt, om het pand ook voor de betaling van de tweede fchuld te ver- binden. Art. 2083. Pand is ondeelbaar, niettegenftaande de fchuld tusfchen de erfgenamen van den fchuldenaar, of van den fchuldeifcher deelbaar zij. De erfgenaam van den fchuldenaar, die zijn aandeel in de Cchuld betaald heeft, kan de teruggave van zijn aandeel in het pand niet vorderen, ZOO lang de fchuld niet geheel is af betaald. Wederkeerig kan de erfgenaam van den fchuldeifcher, die zijn aandeel in de fchuld ontvangen heeft, het pand niet te rug geven ten nadeele van die genen zijner mede-erfgenamen, die niet betaald zijn. Arr. 2084. De bovengemelde bepalingen zijn niet toepasfelijk, noch op zaken van koophandel, noch op geautorifeerde banken van leening, ten aanzien van welken men de wetten en re glementen volgt, die daar toe betrekkelijk zijn, T WE E- EEE 430 ZIT, Boek, XVII, Titel, ZI. Hoofdftuk. TWEEDE HOOFDSTUK. Van pand van onroerend goed. Art. 2085. Op onroerend goed wordt geen pand gevestigd, dan hij gefchrift. De fchuldeifcher verkrijgt door dit contract alleenlijk het vermogen, om de vruchten van het onroerend goed te ge. nieten, mits dezelven jaarlijks afrekenende op de interesfen, indien dezelve hem verfchuldigd zijn, en vervolgens op de hoofdfom van zijne infchuld. Art. 2086, De fchuldeifcher is gehouden, ten zij deswegen een ander beding gemaakt is, de jaarlijkfche grondlasten van het on« roerend goed, het welk hij in pand heeft, te betalen. Hij moet insgelijks, op ftraffe van vergoeding van fchaden en interesfen, voorzien in het onderhoud, en de nuttige en noodzakelijke reparatiën van het Önroerend goed, behoude- lijk, dat hijj alle de kosten, tot die onderfcheidene onder. werpen betrekkelijk, vooraf van de vruchten aftrekt, Art. 2087. De fchuldenaar kan niet eerder, dan na dat de geheele fchuld is afbetaald, het genot van het onroerend goed, door hem te pand gegeven, te rug vorderen. Maar de fchuldeifcher, die zich van de verpligtingen, in „het vorige Artikel uitgedrukt, ontheffen wil, kan altijd, ten ware hij van dit regt afftand gedaan heeft, den fchuldenaar noodzaken, om het genot van zijn onroerend goed te rug te nemen. Art. 2033. De fchuldeifcher wordt geen eigenaar van het onroerend goed, alleen om dat de fchuldenaar in gebreke blijft op den bepaalden tijd te betalen; alle beding van het tegendeel is nietig: in dit geval kan hij zijnen fchuldenaar door regtsmid= delen vervolgen, ten einde hem van zijnen eigendom te onts zetten, Arte eden u Wanneer partijen bedongen hebben, dat de vruchten tegen de interesfen zullen worden gecompenfeerd, of voor het ger / neel, Van pand van onroerend goed. 431 heel, of tot. eene zekere hoogte toe, wordt deze overeen« komst, even als alle andere, die door de wetten niet vere boden zijn, nagekomen, Art. 20go. De bepalingen van Artikel 2077 en 2083 zijn op pand van onroerend goed even zeer toepasfelijk, als op pand van roerend goed, Art. 2091. Al het®geen bij dit Hoofdftuk vastgefteld is, ftrekt niet tot nadeel van de regten, welke derden op het onroerend goed, het welk als pand is overgegeven, zouden mogen hebben. Indien de fchuldeifcher, van dezen titel voorzien, van elders op het onroerend goed preferentiën of hijpotheken heeft, die overeenkomftig de wet gevestigd en bewaard zijn, kan hij die, volgens zijnen rang, en even als elk ander fchuld= eifcher, doen gelden. RE IAN DPB.T IT TE Te VAN PREFERENTIËN EN HIJPOTHEKEN, [Wastgefteld den 19den van Lentemaand 1804, en afgekon digd den aften van dezelfde maand/] EERSTE HOOFDSTUK: Algemeene bepalingen. Art. 2092. Al wie zich perfoonlijk verbonden heeft, is gehouden zij-. ne verbindtenis na te komen, onder verband van alle zijne rOee 43% III, Boek, XVIII, Titel, ZL. HoofdBuk. roerende en onroerende goederen, tegenwoordige en toeko= mende. Art. 2093. MERE De goederen van den fchuldenaar zijn het gemeenfchappe- Me AEN lijk onderpand van zijne fchuldeifchers; en de koopprijs der= zelven wordt onder hen, na eenen gedanen omflag, verdeeld, r k: ten ware tusfchen de fchuldeifchers wettige redenen’ van pre- ferentie plaats hebben. Art. 2094. De wettige redenen, waarom de eene fchuldeifcher boven den anderen gefteld wordt, zijn preferentiën en hijpotheken, ke: ene eer geurte HEEE TWEEDE HOOFDSTUK. Van preferentiën. Art, 2095. " Preferentie is een regt, het welk de aard der infchuld aan É 4 eenen fchuldeifcher geeft, ten einde boven andere„fchuldei- vo) 3 fchers, zelfs die hijpotheek hebben, den voorrang te genie- ten. Id Art. 2096. Onder de bevoorregte fchuldeifchers, wordt de preferentie geregeld naar mate van den vwerfchillenden aard der voorreg- ten, aan dezelven toekomende. 3 Art. 2097. y De bevoorregte fchuldeifchers, die in denzelfden rang zijn, | worden ponds ponds gelijke betaald. k Art. 2098. | De preferentie, uit hoofde van regten van’s Rijks fchat- é kist, en de orde, waar in dezelve komt, worden geregeld door de wetten, áaar toe betrekkelijk, Ì|% Rijks fchatkist kan echter geene preferentie bekomen in nadeel van de regten, die te voren door derden verkregen zijn. ie Art, 2099, í Preferentiën kunnen plaats hebben op de roerende of op “__ de onroerende goederen. es WS ZER- Wan preferentiëna (Oe LERSTE AFDEELING. Van preferentiën op roerende goederen. cl Att. èroos Ì B De preferentiën zijn of algemeene, of bijzondere op ze- EN p o 2 “P(ere bepaalde roerende goederen,| SL| Van algemeene preferentiën op roerende goederen,| si Art. erol.* }. De geprefereerde infchulden op de roerende goederen in HE ON algemeen, zijn de hier na uitgedrukte; welken men in de| li.| maende orde kan doen gelden: . De geregts-kosten 3 ie De begrafenis-kosten 5 3°. Alle kosten van de laatfte ziekte, waar voor de ge= | nen, die deswegen iets te vorderen hebben, ponds ponds gelijke komen; g°. De loonen van dienstboden, over het verloopen» Il jaar, en het geen over het loopende jaar verfchul- digd iss Ë 58°, De leverantiën van levens-middelen, aan den fchul 1 pe denaar en zijn huisgezin gedaan; te weten, gedu-|| rende de zes ldat{te maanden, door kooplieden in KE het klein, als bakkers, flagers, en anderen; en ge-| durende het laatfte jaar, door Kostefchoolhouders„ eri Í kooplieden in het groot, Bu gen À - EE ZI. Boek, XVIIÍ. Titel, IÌ, Hoofdftuk. SIL Van preferentiën op zekere bepaglde roerende goederen, ®, Art. o109; De geprefereerde infchulden op-zekere bepaalde roerende goederen zijn: 19, De huren en pachten wan onroerende goederen, op de vruchten, die in dat jaar worden ingeoogst, als mede op de waarde van al geen tot ftoffering ‚van het gehuurde huis of van de gehuurde landhoeve dient, en van al het geen tot bebouwing van het land beftemd is; te weten, voor al het geen verfchenen is, en nog ftaat te veffchijnen, indien de‘huur= cedullen authentiek zijn, of, onderhandsch zijndes eene zekere dagreekening hebben; en, in deze beide gevallen, hebben’ de verdere fchuldeifchers het regt; óm het huis of de landhoeve voor den nog. overigen huurtijd weder te verhuren, en met de huren of pach- ten hun voordeel te doen, mits echter aan den eige= naar betalende al het geen hem nog verfchuldigd zou- de mogen zijn; En, bij ontbreken van authentieke huur-cedullen; of wanneef zij, Oonderhandsch zijnde, geene zekere dagteekening hebben, voor een jaar, te rekenen met het eindigen van het loopende jaar; Dezelfde preferentie heeft plaats voor de reparatiën s die den huurder betreffen, en voor al het geen tot de nakoming van het huur-contract betrekkelijk iss Niettemin worden de gelden, die verfchuldigd zijn voor de zaden, of voor de kosten van den oogst van dat jaar, betaald uit de opbrengst van den oogst, en die voor gereedfchappen verfchuldigd zijn, uit de opbrengst van die gereedfchappen, in beide gevallen bij preferentie boven den eigenaar; De eigenaar kan de roerende goederen, die tot(tofs fering van zijn huis of van zijne landhoeve dienen» in arrest nemen, wanneer die zonder zijne toeftem- ming verplaatst zijn, en hij behoudt op dezelve zijne preferentie, mits hij de reclame gedaan heeft; te Wé- ten, met opzigt tot het roerend goed, het welk rot ftofe tin, 1 tot L4] u 6°, 1 Van dreferentiën. 435 ftoffering van een landgoed dient, binnen den tijd van veertig dagen, en binnen den tijd van veertien dagen, met opzigt tot de roerende goederen, tot ftoffering van een huis dienende; De infchuld op het paùd, waar van de fchuldeifcher inhet bezit is 5 De kosten, tot behoud van het goed gemaakt; De koopprijs van roerende goederen, die nog niet betaald waren, indien de fchuldenaar nog in het be- zit wan dezelve is, het zij-hij op tijd, of zonder tijds-bepaling gekocht heeft; Indien de verkoop gedaan is, zonder den tijd tot de voldoening te bepalen, kan de verkooper zelfs die goederen reclameren, ZOO lang de kooper nog in dere zelver bezit is, en het weder verkoopen daar van beletten, mits de reclame gedaan worde binnen acht dagen na de leverantie, en dat de goederen zich nog bevinden in denzelfden ftaat, waar in zij geleverd zijn geworden 5 De preferentie vän den verkooper moet echter ach- ter ftaan dan die van den eigendar van het huis of van de landhoeve, ten ware bewezen worde, dat de eigenaar kennis droeg, dat de meubilen en verdere goederen, tot ftoffering van het huis of van de land hoeve dienende, den huurder niet toebehoorden; Door dit alles wordt geene verandering gemaakt in de wetten en gebrüiken van den koophandel omtrent de reclame 5 Het geen geleverd is door eenen herbergier; op de goederen van den reiziger, die in zijne herberg ges bragt zijn; De wagen-vrachten, en daar bij behoorende onkosten; op het vervoerde goed 5 De fchulden, fpruitende uit misbruiken en knevelarijen; door opénbarê ambtenaars in de uitoefening hunner bedieningen gepleegd, op het fonds van hunne borge togt, en op de interesfen, die daat van verfchuldigd zouden mogen zijn. P 436 ZIT, Boek, XVIII, Titel, II. Hoofdfluk. TWEEDE. AFDEELING. Wan preferentiën op onroerende goederen. É inn, Art. aiog. É„De geprefereerde fchuldeifchers op de onroerende goedereri Hi Î Zn, ' 1% De verkooper, op het verkochte onroerend goed, tot Á| I betaling van den koopprijs ie HED Indien er verfcheiden verkoopingen achter elkander h Hd gedaan zijn, waar van de koopprijs nog geheel of ge- 3[ij deeltelijk verfchuldigd is, is de eerfte verkooper geprefee reerd boven den tweeden, de tweede boven den der: den, en zoo vervolgens 3 e°, Zij, die de gelden tot verkrijging van een onroerend goed opgefchoten hebben, mits het op eene authentieke IJ wijze door de acte van leening bewezen is, dat de A fomme tot dat gebruik beftemd zij, en door de quis 8 tantie van den verkooper, dat die betaling uit de aatst opgenomene penningen gedaan is; 1 3%, De mede-erfgenamen, op de onroerende goederen der " nalatenfchap, tot een waarborg voor de onder hen 4 gemaakte verdeelingen, en voór het geen tot het gelijk maken der loten uitgekeerd moet worden. Ik 4%. De architecten, aannemers van werken, metfelaars, en andere werklieden, gebruikt tot het bouwen, herbou=« wen, of repareren van gebouwen, gegravene vaarten, of eenige andere werken, mits nogtans door een des: kundig perfgon, van ambtswege benoemd door de | regtbank van de eerfte inftantie, in het resfort, waar \(Ek onder de gebouwen gelegen zijn, vooraf een proces- verbaal is opgemaakt geworden, ten einde te doen blijken van de gefteldheid der plaatfen, betrekkelijk tot de werken, welken de eigenaar verklaart voornemens te zijn te maken, en dat de werken„ten langften binnen zes maanden na derzelver voltooijing, door eenen des kundigen, insgelijks van ambtswege benoemd, zijn opgenomen 3 n Ech. deren të an preferentiëns 437 Echter kan het beloop der preferentie. niet te boven gaan de waarde, waar van‘door het tweede proces. verbaal blijkt®maar bepaalt zich tot de meerdere waar- de, welke hét onroerend goed ten tijde van deszelfs vervreemding heeft, en die uit den daar aan gedanen arbeid voortfpruit. BS Zij, die gelden geleend hebben om de werklieden te betalen, genieten dezelfde preferentie, mits het ge« bruik v jan die gelden op eene authentieke wijze, door de acte van lee ning en deor de quitantie der werklies den, dewe zen zij, zoo als hier boven gezegd is ten aanzien van de genen, die tot verkrijging van een onroerend goed gelden” ter leen hebben opgefchoten, DERDE AFDEELING. « Van de preferentiën, die zich tot de roerende en ouroerende goederen uitftrekken. Art. o1o4. De preferentiën, die zich tot de roerende en onroerende goederen uitftrekken, zijn die gene, welke in Artikel oror zijn opgenoemd. Art. 2105. Wanneer, bij ontbreken van roerend goed, de geprefereere de fchuldeifchers, in het vorige Artikel opgegeven, zich op« doen, om uit den koopprijs van een onroerend goed, ge- zamenlijk met de fchuldeifchers, die op het onroerend goed geprefereerd zijn, betaald te worden, gefchieden de betaline gen in de volgende orde; 1°. De geregts-kosten, en andere, in Artikel gror vere meld; ‚ De fchulden, in Artikel 2103 opgegeven. IL Boek, XVID, Fivel, IL Hoofdftuk. VIERDE AFDEELING. Hoe de preferentiën behouden wordena Art. e1ro6. De preferentiën hebben, onder de fchuldeifchers, geene kracht, ten aanzien van de onroerende goederen, dan voor zoo verre zij algemeen bekend zijn gemaakt, door infchrijving in de registers van den bewaarder der hijpotheken, op zoo= danige wijze, als bij de wet bepaald is, en te rekenen van de dagteekening van die infchrijving, alleenlijk onder de vol- gende uitzonderingen. 9 Art. 2107. De fchulden, in Artikel oror opgenoemd, zijn van de formaliteit der infchrijving uitgezonderd, / Art. 2108. De geprefereerde verkooper behoudt zijne preferentie, door de acte, die den eigendom aan den kooper heeft overgedra- gen, en waar uit blijkt, dat de koopprijs hem geheel of ge- deeltelijk verfchuldigd is, bij affchrift te doen registreren; ten gevolge waar van de registratie van het contract, door den kooper gedaan, de kracht zal hebben van eene infchrij- wing voor den verkooper, en voor den geldleener, die hem, de betaalde penningen gefchoten heeft, en in de regten van den verkooper bij het zelfde contract getreden is: de bewaar- der der hiijpotheken is niettemin gehouden,op ftraffe van aan derde belanghebbenden alle fchaden en interesfen te moeten vergoeden, om ambtshalve in zijn register te doen infchrijven de fchulden, uit de acte der overdragt van eigendom voorts fpruitende„ zoo ten voordeele van den verkooper, als van de geldfchieters, die al mede, Zoo zulks niet gefchied is, de ree gistratie van het contract van verkoop kunnen laten doen, ten einde infchrijving te bekomen van het geen hun wegens den koopprijs nog verfchuldigd is. Art. 2109. De mede-erfgenaam of deelgenoot behoudt zijne preferentie ‘op de goederen van elk lot, of op het onderling opgeveilde goed, voor het geen tot het gelijk maken der loten moet worden bijbetaald, of voor den prijs van het opgeveilde ged, mits voor 1 van Pp ) VAL Waal de re doen, jeg Van preferentiën. 439 mits ten zijnen verzoeke daar van infchrijving latende doen, pinnen zestig dagen,te rekenen van de dagteekening der acte van fcheiding, of van de toewijzing van het goed bij opveí- ling; gedurende welken tijd geen hijpotheek op het goed, met zoodanige bijbetaling belast, of bij opveiling toegewe-= zen, kan plaats hebben ten nadeele van den genen, die als fchuldeifcher op die bijbetaling of op den prijs van dat opge= veilde goed, aanfpraak heeft. Art. 2110. Architecten, aannemers van werken, metfelaars en andere werklieden, gebruikt tot het bouwen, herbouwen, of repareren van gebouwen, gegravene vaarten, of eenige andere werken, en zij, die tot derzelver betaling gelden ter leen hebben opge Schoten, waar van bewezen is, dat zij tot dat einde befteed zijn; bêhouden, door het doen van eene dubbelde infchrij- vin, 12. van het proces-verbaal, waar uit van de gefteld= heid der plaatfen blijkt, 2°. van het proces-verbaal der ge- dane opneming van het werk, hunpe preferentie, te rekenen van den dag der infchrijving van het eerstgemelde process verbaal, Art, 21e De fchuldeifchers en legatarisfen, die de affcheiding van des overledens boedel vorderen, overeenkomftig Artikel 878, in den Titel van erfvalgingen, behouden ,ten aanzien van de fchuldeifchers der erfgenamen, of vertegenwoordigers van den overledenen, hunne preferentie op de onroerende goede- zen der nalatenfchap, door het doen van infchrijvingen ome trent elk van deze goederen, binnen zes maanden, van het openvallen der erfenis af te rekenen. Voor het verloop van dien tijd, kan geen beftaanbaar hij potheek op die goederen, door de erfgenamen of vertegene woordigers van den overledenen, ten nadeele van die fchuldeis fchers of legatarisfen gevestigd worden, Art. 112. Zi, die door cesfie van actie het regt tot die onderfcheie dene geprefereerde infchulden verkregen hebben, kunnen allen dezelfde regten, als de cedenten;, in hunne plaats doen gel- den. Ärt. 2113. Alle geprefereerde infchulden, die aan de formalitcit der infchrijving onderworpen zijn doch ten aanzien van welken de hier boven voorgefchrevene voorwaarden, tot bewaring van derzelver preferentie, niet zijn in acht genomen, houden daarom nist op te zijn hijpothecaire fchulden, maar het hij- Ee 4 potheek dao HI, Boek, AVIIL- Titel II. Hoofdfluk. potheek werkt, ten aanzien van derden, niet eerder ,dan van het tijdftip der infchrijvingen, die op de hier na op te geve: ne wijze zullen moeten gedaan worden. DERDE HOOFDSTUK. Van de hijpotheken. Art. orr4. Hijpotheek is een reëel regt op de onroerende goederen, die verbonden zijn, om daar aan de voldoening eener. ver= bindtenis te verhalen. Het is, uit deszelfs aard, ondeelbaar, en is gevestigd op alle de verbondene onroerende goederen, in het geheel, op elk van die goederen, en op«elk gedeelte van dezelven. De goederen blijven daar mede belast, in welke handen dezelve ook overgaan. Art. ers. Geen hijpotheek heeft plaats, dan in de gevallen en overe eenkomftig den vorm, bij de wet bepaald, Arr. or16. Het zelve is of legaal, of judiciëel, of conventioneel. Art. ar 17. Legaal hijpotheek is dat geen, het welk uit de wet voorte Spruit, Judiciëel hipotheek.is dat geen, het welk uit vonnisfen of geregteluke acten voortvloeit. Conventioneel hüpotheek is dat geen,” het welk van de overeenkomf{ten, en van den uiterlijken vorm:der handelingen en contracten afhangt, ch Art. 2118. Voor hijpotheken zijn alleen vatbaar, 19. De onroerende goederen, die in den‘handel der mene fchen zijn, en het geen, daar bj behoorende, voor onroerend goed gerekend wordt; 2° Het vruchtgebruik van dezelve goederen» en het geen daar bij behoort, zoo lang dat vruchtgebruik duurt. Art. e11I9. Van de hijpotheken; 441 Art. e11g. Roerende goederen hebben geen gevolg uit hoofde van hijpotheek, RENK Art. 21eo, ' Door het tegenwoordig Wetboek wordt geene verandering gemaakt in de bepalingen der zeeregten,met opzigt tot{ches pen en vaartuigen; ter zee. varende, EERSTE AFDEELING, Van legale hijpotheken. den Art. eIal. De regten en infchulden, aan welken de wet een regt van _hijpotheek toekent, zijn,] er, Die van getrouwde vrouwen, op de goederen van hare | mannen; Die van minderjarigen„en vande genen, die onder curatele ‚_dtaan, op de goederen van hunnen voogd; Die van den Staat, van de gemeenten, en openbare eta= blisfementen, op de goederen der ontvangers en beftuurders, die verantwoording fchuldig zijn. Art. 2122. De fchuldeifcher, die een legaal hijpotheek heeft, kan zijn 1 zegt doen gelden op alle de onroerende goederen, aan zijnen fchuldenaar toebehoorende, en op die getfe, welke hem bij vervolg zouden mogen toebehooren, onder de bepalingen, hier na uitgedrukt, b Zil, Boek, XVIII. Titel, IEI, Hoofdfiak.. TWEEDE AFDEELING, Van judiciële hijpotheken. Art. ores, Het judiciëel hijpotheek vloeit voort uit de wonnisfen, heê zìj na gedane tegenfpraak, het zij bij defaut gewezen, definis tive of provifioneele, ten behoeve van den genen, die dezel= ve verkregen heeft. Het vloeit ook voort uit geregtelijk gedane erkentenisfen, of verklaringen van echtheid van handteekeningen, onder eene onderhandfche verbindende acte gefteld. Men kan het zelve doen gelden op de tegenwoordige on- roerende goederen van den fchuldenaar, en op de genen, die hij zoude mogen verkrijgen, behoudens insgelijks de bepalin= gen hier na uitgedrukt. De uit{praken van arbiteren brengen geen hijpotheek te weeg„ dan voor zoo verre daar op door den regter een bex vel tot executie verleend is, Het regt van hijpotheek kan insgelijks niet voortfpruiten uit vonnisfen, in vreemde landen gewezen, dan voor zoo verre zij door eene Franfche regtbank. executabel verklaard zijn; onverminderd de bepalingen van het tegendeel, die in ftaats-wetten of tractaten gevonden zouden mogen worden, DERDE AFDEELING. Van conventionele hijpotheken. Art. 2124. De conventionele hijpotheken kunnen alleen tocgeftaan worden door hun, die de bevoegdheid hebben om de on= roerende goederen, op welken zij dat hijpotheek vestigen; te mogen vervreemden, Art. 2125 Ú Van de hijpotheken. 443 Art. 2125. Zij, die op een onroerend goed alleen zoodanig regt heb« ben, het welk door eene conditie opgefchort is, of, in zeke- ge gevallen ontbonden kan worden, of aan vernietiging on= derworpen is, kunnen in geen hijpotveek toeftemmen, dan het welk aan dezelfde voorwaarden, of aan dezelfde vernieti- ging„ onderworpen 18. et b 4 Art. 2126. De goederen van minderjarigen, van de genen, die onder curatele ftaan, en van afwezenden, zoo lang alleen het pro-= wifioneel bezit derzelwen verleend is, kunnen niet gehijpothe- keerd worden, dan om zoodanige redenen, en op zoodanige wijze, als bij de wet is vastgelteld, of uit krachte van reg- terlijke vonnisfen. Art, 2197. Geen hijpotheek kan door overeenkomst gevestigd worden, dan bij eene authentieke acte, voor twee notarisfen, of voor één notaris en twee getuigen gepasfeerd. Art. 2128, Bij contracten, in een vreemd land gepasfeerd, kan geen hijpotheek gevestigd worden op goederen, in Frankrijk gele- gen, ten ware het tegengeftelde van dezen regel bij ftaats- wetten, of tractaten bepaald is. Art. 2129. Geen hüijjpotheek, bij overeenkomst gevestigd, is van waarde, ten zij, of bij de authentieke acte, waar bij de fchuld gecontracteerd is, of bij eene nadere authentieke ac- te, de aard en ligging van elk der onroerende goederen, thans aan den fchuidenaar toebehoorende, waar op hij toe: ftemt, dat het hijpotheek voor de fchuld gevestigd worde, in% bijzonder worde opgegeven. Elk van alle zijne tegén- woordige goederen kan bij name aan her hijpotheek onder- worpen worden. Toekomftige goederen kúnnen niet gehijpothekeerd worden, Art. 2130, Nietteming indien de tegenwoordige en vrije goederen van den fchuldenaar tot zekerheid van de Schuld niet voldoende zijn, kan hj, die ongenoegzaamheid uitdrukkelijk erkennen- de, toeftemmen, dat elk goed, het welk hij bij vervolg vers krijgen zal, verbonden zal blijven, naar mate hij dezelven verkrijgt. Art. 2131. Insgelijks, ingeval het tegenwoordig onroerend goed of goederen, met hijpotheek bezwaard, waren vergaan, of 200 k fe 4AA HIL Boek, XVIII. Titel, II. Hoofdftuk. danige verminderingen geleden hadden, dat zij tot zekerheid van den fchuldeifcher onvoldoende geworden Waren, ‚kan de fchuldeifcher, of van nu af aan zijne betaling eilchen, of eene aanvulling van hef hijpotheek vorderen. Art. 2132, Geen. hijpotheek, uit krachte van overeenkomst, is van waarde, dan voor zoo verre de fomme, tot zekerheid van welke het gefteld wordt, zeker en bij de acte bepaald is indien de fchuld, uit de verbindtenis. woortfpruitende, no pens derzelver beftaan, voorwaardelijk, of nopens hare groote te onbepaald is, kan de fchuldeifcher de infchrijving, waar van hier na gefproken zal worden, alleenlijk vorderen ten beloope,van eene begroote waarde, door hem uitdrukkelijk opgegeven, en welke de fchuldenaar regt zal hebben; om te doen verminderen, zoo daar toe redenen dienen, Art. 9133. Een verkregen hijpotheek(trekt zich uit tot alle de verbee teringen, die aan het gehijpothekeerd onroerend goed zijn aangekomen. VIERDE AFDEELING. Van den rang, welken de hijpotheken onderling hebben. Art, 2194. Onder de fchuldeifchers verkrijgt het hijpotheek, het zij legaal, het zij judiciëel, het zij conventioneel, zijnen rang met den dag der infchrijving, welke de fchuldeifcher in de registers van dén bewaarder der hijpotheken. heeft laten doen, in zoodanigen vorm, en op zoodanige wijze, als bij de wet is voorgefchreven, onverminderd de uitzonderingen, in het volgende Artikel begrepen. Art. 2135: Het hijpotheek. is aanwezig, buiten eenige infchrijving, 1°. Ten behoeve van minderjarigen, en van zulken, die Onder curatele ftaan, op de onroerende goederen, aan hunnen voogd toebehoorende, ter zake van zijne gee dane beheering, van den dag: af, dat hij de voogdij heeft aangenomen, 2e CH pe Van de hijpothek en. 44 ‚ Ten behoeve van getrouwde vrouwen, ter zake van haar huwelijks--goed, en de huwelijks-overeeffkomften, op de onroerende goederen van hare mannen; en re rekenen van den dag van het huwelijk, De vrouw heeft geen hijpotheek voor geld{omimen, tot haar huwelijks-goed- behoorende; die voortkomen uit nalatenfchappen; op haar vervallen, of van giften aan haaf gedaan, gedurende het huwelijk, dan te re- kenen van den dag af; dat díe nalatenfchappen ver- vallen zijn, of die giften hare werking gehad: hebben. Zij heeft geen hijpotheek voor de fchadeloosftelling van de fchulden; welken zij benevens haren man ge= maakt heeft, en voor het weder bele eggen. van hare eigene vêrvreemde goederen, dan van den dag af„dat de verbindtenis eije of de verkoop gefloten is. Ea geen geval za han bepaling wan dit Artikel ee: leel kunnen toebrengen aan de regten, d 0 vóór de afl kondiging van dezen Titel verkrege Art. 2136. Evenwel zijn de mannen ea voogden gehouden, om de hijpotheken, waar mede hunne goederen bezwaard zijn, open= lijk bekend te maken, en, tot dat einde zelve, zonder eenig uitflel, infchrijving te verzoeken aan de bureaux, daar toe opgerigt, ten aanzien van de onroerende goederen, aan hun toebehootende, en die hun bij vervolg zouden mogen toebe= hooren. De mannen en voogden, die, nalatig gebleven zijnde, om 4 de infchrijvingen, in dezen Titel bevolen, te- verzoeken, en te laten doen, zouden mogen hebben toegeftemd in, of la- ten nemen preterenten of bipptheke n op hunne onroerende ir te ve goederen, zonder uitdrukkelijk laren, dat die onroes rende goederen door een legaal bindhak. ten behoeve van vrouwen en minderjarigen, verbonden waren, zullen‘gehou den worden voor bedriegers, en als zoodanig bij perfoneel arrest of gijzeling executabel‘zi Art. 2137. De toeziende voogden zijn gehoud lijke verantwoordelijk! id, en op ftraffe van vergoeding van alle fchaden en interesfen, te zorgen, dat de infchrijvingen onverwijld, ten aanzien van de goederen van den voogd, ter zake van zijne‘beheering, bewerkftelligd worden, ja zelfs om die infchrijvingen te laten doen, n, op‚hunne perfoons s e Art. 2138, Î $ L ij ZEE 446 MIL Boek, XPIIL. Titel, HL Hoofdftuks Art. 2139. Waneer de mannen, voogden, toeziende voogden, in gebreke blijven, om de infchrijvingen, bij de voorgaande Artikelen bevolen, te läten doen, zullen zij door den Kei« zerlijken Procureur bij de regtbank van de eerfte inftantie, op de woonplaats van ‚die mannen en voogden, of op de plaats„ waar de goederen gelegen zijn, gevorderd worden. Art. 2139. De bloedverwänten, het zij van den man, het zij van de vrouw, en de bloedverwanten van den minderjarigen; of, bij ontbreken van bloedverwanten, hunne vrienden, kunnen de gemelde infchrijvingen vorderen 3’ zij kunnen ook gevorderd worden door de vrouw, en door de minderjarie gen. Art, ar4o. Wanneer, bij het huwelijks-contract, partijen, meerderjae rig zijnde, zijn overeengekomen, dat geene infchrijving ge- daan zal wotden, dan ten aanzien van één of meer be- paalde onroerende goederen van den man, zullen de onroe= rende goederen, die ter infchrijving niet zìjn aangewezen; wrij en ontheven blijven van het hijpotheek voor het huwe- lijks-goed van de vrouw; en voor het geen Zij te rug neemt, en de nakoming der huwelijks-overeenkomften. Men mag niet overeenkomen, dat er in*% geheel geene infchrij- ving plaats zal hebben. Art: er4r, Het zelfde zál plaats hebben ten aanzien van de onroeren= de goederen van den voogd, wanneer de bloedverwanten, in den familie-raad, befloten hebben, dat de infchrijving alleen ten aanzien van zekere ontöerende goederen gedaan zoude worden, Art. e149 In het geväl van de twee voorgaande Artikelen, zijn de man de voogd, en de toeziende voogd niet gehouden, om de infchrijving verder te verzoeken, dan met opzigt tot de aangewezene onroerende goederen. A Art. 2143. Wanneer het hijpotheek, bij de acte der benoeming van den voogd, niet tot zekere goederen bepaald is, kan de voogd, in geval het algemeen hijpotheek op zijnesonroerende goederen de‘voldoende zekerheid voor zijne beheering blijk- baar zoude te boven gaan, vorderen, dat dit hijpotheek bepaald worde tot zoo vele onroerende goederen, als vol. doende doe kerl Det gm€ 1, var en, en, ook bd an de hijpotheken. 44} doende zijn, om aan den minderjarigen eene volkomene ze- kerheid te bezorgen.@ Deze vordering wordt ingerigt tegen den toezienden voogd; en er moet een befluit van den familie-raad voorafgaan, Art. 2144e Insgelijks kan de man, met toeltemming van Zijne vrouw; en ma,de gedachten van de vier naaste bloedverwanten van dezelve, tot eenen familie-raad vereenigd zijnde, te hebbea ingenomen, vorderen, dat het algemeen hijpotheek op alle zijne onroerende goederen, tot zekerheid van het huwelijks- goed, van het geen de vrouw te rug neemt; en van de huwelijks-ovefeehkomften, bepaald worde tot zoo vele on- roerende goederen, als tot volkomen behoud van der vrouws regten voldoende zijn. Art. 2145. Op die vorderingen der mannen en voogden zal geen vons nis geflagen worden, dan na verhoor, en des noods na gedane tegenfpraak van den Keizerlijken Procureur. In geval de regtbank bij vonnis de vermindering van het hijjpotheek tot zekere onroerende goederen toeltaat; zullen de infchrijvingen, omtrent alle de overigen gedaan, geroijeerd worden. VIERDE HOOFDSTUK. Wan de manier, op welke de infchrijving der preftren- tiën en hijpotheken gefthiedt; Art. 2146, De infchrijvingen worden gedaan aan het bureau van bewaring der hijpotheken in het arrondisfement, waar onder de goederen, op welken eene preferentie of hijpotheek ge« vestigd is, gelegen zijn. Zij hebben geene kracht, indien zij gedaan zijn binnen den tijd, gedurende welken de ac- ten; vóór eene voorgevallene bankbreuk gemaakt, nietig verklaard worden. Het zelfde heeft plaats onder de fchuldeifchers eener nala- tenfchap, indien de infchrijving alleenlijk door één van hun, na het vervallen der erfenis gedaan is, en in‘ geval de nala- enfchap onder beneficie van inventaris aanvaard is. Art, 2147. ie PEAT b ge LIT. Boek, XVIII. Titel, IV Hoofdftuk. Art. e147. Ale fchuldeifchers, die op denzelfden dag ingefchrever hebben, hebben gezamenlijk één hijpothèek van dezelfde dag- teekening, zonder opderfcheid tusfchen de infchrijving, die des morgens, en die des avonds gedaan is, wanneer dit verfchil door den bewaarder der hijpotheken was aangetee= kend;. Art. s148. Omi de infchrijving te bewerkftelligen, vertoont de fchüld: eifcher, het zij zelf, het zij door eenen derden, aan den bes waarder der hijpotheken, het oorfpronkelijk vonnis of actes of een authentiek affchrift van dien, waar uitwde preferen- tie of het hijpotheek woortfpruit. Hij voegt daar bij twee memoriën of nota’s, op gezegeld papier gefchreven, waar van de eene op het affchrift der acte gefteld kan worden: zij bevatten 1°. Den riäam, den voornaam, de woonplaats van den fchuldeifcher, zijne kostwinning, indien hij er een heeft, en de verkiezing van domicilie voor heim, op de eene of andere plaats in het arrondisferhent, waar onder lier bureaù behoort; a°, Den naam, den voornaam; de woonplaats van den fchuldenaar., zijne kostwinning, indien hij er eene heeft, die bekend is, of eene perfoonlijke en bijzondere aanwijzing, zoodanig, dat de bewaarder def hijpothe- ken in alle gevallen kan herkennen en onderfcheider den perfoon, die met hiijpotheek bezwaard is; 52, De dagteekening en den aard van het bewijs der fchuld 5 4°. Het beloop van de hoofdfom der fchuld, in de daat van zijnde acte uitgedrukt, of door den infchrijver be- groot, ten aanzien van de renten en verdere vorde- tiugen, of ten aanzien van de toekomftige, voorwaar delijke, of onbepaalde regten, in de gevallen, in wel- ken die begrooting bevolen is5 als mede het beloop van het geen, als een accesfoir, tot die hoofdfommen behoort, en den tijd, op welken de fchuld vervallert zal zijn 5 5°. De aanwijzing van de foort en ligging der goederen 3 waar op hij zijne preferentie of zijne hijpotheek vesti gen wils Den zi WoD Lino jüld. be: cle; Les - Van de infchrijving der prefersntièn en hijpothieken. 449 Deze laatfte bepaling is niet noodzakelijk in het ge- val van legale of judiciële hijpotheken: bij ontbreken van overeenkomst worden, door eene enkele infchrij- ving, ten aanzien van die hijpotheken verbonden alle de onroerende goederen„die in het arrondisfement van het bureau gelegen zijn. Art. 2 49. De infchrijvingen, die ten aanzien der goederen van een tverleden perfoon gedaan zullen wotden, kunnen gefchieden op de bloote aanwijzing van der 1 overledenen, zoo als in Mo. 2 van het vorige Artikel gezegd is, Art. 2150. De bewaarder der hipotheken maakt in zijn register melding van den inhoud der bovengemelde memoriën of nota’s, en geeft aan den gênen, die de infchrijving verzocht heeft, zoo wel de acte, of het affchrift der acte, als eene der memo- zi n, te rug, terwijl hij aan den voet detzelve verklaart de fchrijving gedaan te hebben. Aït. 9151. De fchuldeifcher, die ingefchreven heeft voor eene hoofd- fom, welke interesfen of renten voortbrengt, heeft regt, om alleenlijk voor twee jaren en voor het loopende jaar, in den- zelfden rang van hijpotheek geplaatst te worden, als ten aanzien van zijne hoofdfom; onverminderd. de bijzonderlijk te doene infchrijvingen, die zedert detzelver dagtekening een hijpotheek te weeg brengen, ten aanzien van de” verdere ache terftallige renten, dan die bij de eerfte infchrijving gehijpo= thekeerd waren. Art. 152. Het is aan den genen, die eene infchrijving heeft laten doen, als’ mede aan zijne vertegenwoordigers, of die bij eene authentieke acte cesfie van kend verkregen hebben, geoorloofd egister dêr hijpotheken hét door hem verkozen e te veranderen, mits een ander in het zelfde afron= disfement verkiezende en aanwijzende. Art. 2153e De regten van een zuiver legaal hijpotheek van den Staat, gemeenten, en van openbare etablis/ fementen, op de goc- leren der amb tenaren, die verantwoording fchuldig zijn, die van minderjarigen, of onder curatele ftaande perfonen, op de goederen hunner voogden, van getrouwde vrouwen op er de goederen hunner ech eiosnheij zullen ingefchreve n wore: den op de vertooning van twee memoriëu of nota’s, benel= made alleenlijk, if 1°. Den | | eee 450 III. Boek, XVII. Titel, IV. Hoofdftuk: z° Den naam„den voornaam, de kostwinning, en de wee zenlijke woonplaats van den fchuldeifcher, als mede het domicilie, het welk door hem, of voor hem, in het arrondisfement verkozen zoude mogen zijn; e9, Den naam, den voornaam, de kostwinning, de woon- plaats, of de juiste aanwijzing van den fchuldenaar; 39°. Den aard der regten, welken men door hijpotheek wil verzekeren, en het beloop van derzelver waarde, met opzigt tot de bepaalde onderwerpen, zonder gehouden te zijn om dat beloop te bepalen ten aanzien van die genen, welke voorwaardelijk ,toekomftig of onbepaald zijn. Art. 2154. De infchrijvingen geven regt van hijpotheek en preferentie, gedurende tien jaren, te rekenen van derzelver dagteekening; zij verliezen hare kracht, indien zij vóór den afloop van dien tijd niet vernieuwd worden. Art, 2155. De kosten der infchrijving komen ten laste van den fchul- denaar, indien het tegendeel niet bedongen is5 zij worden door den infchrijver voorgefchoten, uitgenomen ten aanzien van legale hiijpotheken, voor welker infchrijving de bewaar der der hiijjpotheken zijn verhaal heeft op den fchuldenaar. De kosten der registratie, die door den verkooper gevors derd zouden mogen worden, komen ten laste van den koo= Br d Art. e156. De actiën, die uit krachte der infchrijvingen tegen de fchuldeifchers kunnen plaats hebben, zuilen voor de bevoeg- de regtbank worden aangelegd, door oproepingen, gedaan aan hun perfoon, of aan de woonplaatfen, die volgens het register het laatst gekozen zijn, en zulks niettegenftaande het overlijden, het zij van de fchuldeifchers, het zij van de ge- nen, bij wien zij domicilie gekozen hebben», oy I Fe Ouden in die epaald ord Van de voijering en vermindering der înfthrijvingen. 45% VIJFDE HOOFDSTUK Van de roijering en vermindering der infchrijvingen. De infchrijvingen worden geroïjeerd met toeftemming def belanghebbende partijen, die de bevoegdheid daar toe heb« ben, of ingevolge van een vonnis, in het hoogfte resfort gewezen, of in kracht van gewijsde gegaan zijnde. Art, 2158. In beïde gevallen leggen zij, die de roijering verzoeken, aan het bureau van den bewaarder der hijpotheken een af. Schrift over van de authentieke acte van toeftemming, of van het vonnis. Art. 0159. Eene roïering buiten toeftemming wordt gevorderd voor de regtbank, onder welkers resfort de infchrijving gedaan is, ten ware die infchrijving heeft plaats gehad tot zekerheid van eene toekomftige of onbepaalde condemnatie, over wel- Kers executie of vereffening de vermeende fchuldenaar_ en de fchuldeifcher voor eene andere regtbank in_ proces zijn, of gevonnisd moeten worden„ in welk geval de eisch tot roije= ring aldaar behandeld, of derwaards verwezen moet wors den. Echter zal de overeenkomst, tusfchen den fchuldeifcher en den fchuldenaar aangegaan, om, in geval van verfchil, de zaak voor eene door hun bepaalde regtbank te brengen, tus- {chen henlieden moeten worden nagekomen. Art. 2160, De roïjering moet door de regtbanken bevolen worden, wanneer de infchrijving gedaan is, zonder gegrond te zijn, noch op de wet, noch op een behoorlijk bewijs van fchuld, pf wanneer zij gedaan is uit eene onregelmatige, vernietigde of gekwetene fchuld-erkentenis, of wanneer de regten van preferentie of hijpotheek op eene wettige wijze vernietigd zijn. Art. o1ó1. Zoo dikwijls de infchrijvingen, gedaan door eenen fchuid- eifcher, die volgens de wet regt zoude hebben, om dezelve Ff 2 op EEn 652 AL Boek, XVIII. Titel, V. Hoofdftut. op de tegenwoordige of toekomende goederen van eenen fchuldenaar, zonder dat bij overeenkomst eenige bepaling van dezelve gemaakt is, te laten doen, gedaan zijn’ op meer ver- fchillende eigendommen, dan tot verzekering der infchuiden noodig is, ftaat de actie tot vermindering der infchrijvingen, of tot roijeriag van dat gedeelte, het welk de behoorlijke evenredigheid te boven gaat, voor den fchuldenaar- open. Men volgt daar in, met opzigt tot de bevoegdheid der regt= banken, de regels, bij Artikel 2159 vastgefteld. De bepaling van dit Artikel is niet toepasfelijk op hijpos theken, uit kracht van overeenkomst. Art. 2162. De infchrijvingen, die op onderfcheiden eigendommen gen vestigd zijn, worden gehouden voor onmatig, wanneer de waarde van één of meer derzelven meer dan een derde in vrije goederen te boven gaat het beloop der infchulden, be= trekkelijk de hoofdfom, en het geen verder volgens de wet daar onder behoort. Art. 2168, Als onmatig kunnen ook verminderd worden de infchrijs vingen, die gedaan zijn volgens eene begrooting, door den fchuldeifcher opgemaakt, van infchulden, die betrekkelijk het hijpotheek, tot derzelver verzekering te vestigen, bij overe eenkomst niet geregeld zijn, en die uit haren aard voorwaare delijk, toekom{tig of onbepaald zijn. Art. 2164. In hoe verre de infchrijvingen, in dit geval, onmatig zijn, wordt door de regters beoordeeld naar de omftandigheden, de waarfchijnlijkheden der kanfen; en van het geen vermoe- delijk te gebeuren ftaat, zoo dat de waarfchijnlijke regten van den fchuldeifcher met het belang van een redelijk crediet, het welk de fehuldenaar behouden moet, met elkander zamen flemmen 5 onverminderd het doen van nieuwe infchrijvingen met regt van hijpotheek, van derzelver dagteekening af, wam- neer. de onbepaalde fchulden bij de uitkomst bevonden WoOrs den eene‘ hoogere fomme te. beloopen. Art. 2165. De waarde der onroerende goederen, welke met die dar infchulëen, en een derde daar boven, in vergelijking gebragt moeten worden, wordtin dier voegen bepaald, dat men, ten aanzien van onroerende goederen, die aan geen werval on= derworpen zijn, vijftien malen, en ten aanzien van dezulke, die door den tijd in verval ftaan te geraken, tien malen het bedragen der inkomften berekent, zoodanig als het zelve in hat ä an Van de roijering en vermindering der infchrijvingen. an het hoofd-register der grondlasten- aangegeven, of aangeflagen js, volgens de evenredigheid, die in de gemeenten, waar da goederen gelegen zijn, tusfchen die aangifte of aanflag, en die inkomften, wordt in acht genomen. De regters nogtans kunnen zich daarenboven van die inlichtingen bedienen, welke gehaald kunnen worden uit niet verdachte huurcedullen, uit procesfen« verbaal van begrooting, die nog niet lang geleden zouden mogen zijn opgemaakt, en andere foortgelijke acten, en de inkomften berekenen naar eene begrooting, die volgens alie deze onderfcheidene narigten midden door gefteld wordt, ZESDE HOOFDSTUK, Wan de kracht der preftrentiën of hijpotheken tegen derde bezitters. Art. 2166. k De fchuideifchers, die preferentie of hiijjpotheek, op een onroerend goed gevestigd, hebben, vervolgen hun-regt op dat goed, in welke handen het ook overgaat, om gerang fchikt en betaald te worden volgens de orde hunner infchuls den of infchrijvingen. Art. 2167. Indien de derde bezitter de hier na vastgeftelde formalitei- ten niet in acht neemt, om zijnen eigendom vrij te maken, blijft hij, alleen uit kracht der infchrijvingen, als bezitter verbonden voor alie de hijpothecaire fchulden, en geniet de tijds-bepalingen en uitftellen, die aan den oorfpronkeliijken fchuldenaar toegeftaan zijn. Art. 2168. In het zelfde geval, is de derde bezitter gehouden, of om alle de vervallene interesfen en hoofdfommen te betalen, hoe veel zij ook zouden mogen bedragen, of het gehijpothekeerd onroerend goed, zonder eenige voorbehouding, te laten va« ten. Art. 2169, Wanneer de derde bezitter in gebreke blijft; om aan ééne van deze verbindtenisfen volkomen te voldoen, heeft elk hijpothecair fchuldeifcher EP ERG om het gehijpothekeerd 3 one | | Î ande met 454 II. Boek, XVIII. Titel, VI. Hoofdfrak, onroerend goed, door hem bezeten, te doen verkoopen dertig dagen na dat een regterlijk bevel tot betaling aan det oorfpronkelijken fchuldenaar, en eene aanzegging aan den derden bezitter gedaan is, om de vervallene fchuld te betas len, of het goed te laten varen. Art. 2170. Niettemin kan de derde bezitter, die niet perfoonlijk voor de fchuld verbonden is, zich verzetten tegen den verkoop wan het gehijpothekeerd onroerend goed, het welk aan hem is overgegaan, indien de principale fchuldenaar of fchulde: naars zijn gebleven in het bezit van andere onroerende goe- deren, voor dezelfde fchuld gehijpothekeerd, en daar van vooraf de uitwinving vorderen, op zoodanige wijze, als in den Titel van borgtogt geregeld ís: gedurende die uitwin= ning wordt de verkoop van het gehijpothekeerd onroerend goed opgefchort. Art. 9171, De exceptievan uitwinning kan niet worden tegengewor- pen aan eenen geprefereerden fchuldeifcher, noch aan hem die een bijzonder hijpotheek op het onroerend goed heeft. Art. 172. Het Igten varen van een gehiijjpothekeerd goed kan gefchie. den door alle derde beziiters, die niet perfoonlijk voor de fchuld werbonden zijn, en de bevoegdheid hebben om te kunnen vervreemden. Art. 2173. Dit kan zelfs nog gefchieden, na dat de derde bezitter de verbindtenis heeft erkend, of alleen in die betrekking is ge= condemneerd: het laten varen van het gehijpothekeerd on- roerend goed belet niet, dat de derde bezitter, tot dat het goed wordt toegewezen, het zelve kan te rug nemen tegen betaling van de geheele fchuld en van de kosten. Art. 2174. Het laten varen van een gehijpothekeerd goed gefchiedt ter griffie van de regtbank, waar onder de goederen gelegen zijn; en wordt daar van door die regtbank acte verleend, Ten verzoeke van dien genen der belanghebbenden, die daar toe het eerfte aanzoek doet, wordt een curator over het verlaten onroerend goed aangefteld, tegen wien men tot den verkoop van dat goed voortvaart, op zoodanige wijze, als ten. aanzien der geregtelijke ontnemingen van eigendom is voorgefchreven, Art. 2175. Ia€ wó, det eN % Lb} (Wan de kracht der preferentièn tegen derden. AB Art. 2175 pe verminderingen aan het goed, die door toedoen of achteloosheid van den derden bezitter, ten nadeele der hijpo= thecaire of geprefereerde fchuldeifchers, veroorzaakt worden, geven grond tot eene actie tot fchadeloosftelling tegen den- zelven: doch hij kan zijne onkosten en verbeteringen niet verder te rug vorderen, dan ten beloope van de meerdere waarde, die uit de verbetering voorfpruit. Art. 2176. De derde bezitter is tot geene vergoeding der vruchten van het gehijpothekeerd onroerend goed gehouden, dan van den dag af, dat hj tot de betaling of het laten varen van het goed is aangemaand, en indien de begonnen procedures gedurende drie jaren onvervolgd gelaten zijn, van den dag af, dat aan hem eene nieuwe aanmaning gedaan zal zijn. Art. 2177: De fervituten en reële regtens welke de derde bezitter vóór zijn bezit op het onroerend goed had, herleven, na dat hij dat goed heeft laten varen; of het zelve geregtelijk aan een ander is toegewezen. Zijne perfonele fchuldeifchers kunnen; na afbetaling van de genen, die ten laste der vorige eigenaars zijn ingefchre= wen, hun hijpotheek naar hunnen rans doen gelden op het afgeltaan of toegewezen goed. Art. 2178. De derde bezitter, die de hijpothecaire fchuld betaald heeft, of het gehijpothekeerd onroerend geed heeft laten varen, of geregteliijk wan den eigendom van dat onroerend goed ontzet is, heeft zijn verhaal tegen den principalen {chuldenaar tot fchadeloosftelling, als naar regten. Art. 2179e De derde bezitter, die zijnen eigendom door betaling van den prijs van het goed wil vrij maken, moet de formalitei= ten in acht nemen, die in het acht{te Hoofdftuk van dezen Titel zijn vastgefteld. t F t al ge e Eee El á U. Boek, XVIII. Titel, PIL Hooflluk. ZEVENDE HOOFDSTUK, Van de vernietiging van preferentiën en hijpatheken, Art. 2180. De preferentiën en hijpotheken gaan te niet, 1°. Door de vernietiging der principale verbindtenis 4 2°, Door des fehuldeifchers afftand van het hijpotheek 3 3’. Door de vervulling der formaliteiten en voorwaarden„ aan derde bezitters voorgefchreven, om de door hen verkregene goederen vrij te maken; 4”. Door verjaring. De fchuldenaar verkrijgt regt door verjaring, met opzigt tot de° goederen, welken hij in handen heeft, door het verloop- van den tijd, bij de wet bepaald tot de verjaring der actiën, die hijpotheek of prefe- rentie geven, Wat betreft de goederen, die in handen van een er derden bezirter zijn, geeft weriarine regt door het . id 5. J 8. verloop van den tijd, tot Verjaring van den eigendom ten zijnen. behoeve door de wet bepaald: in geval verjaring eenen titel veronderftelt, begint zij eerst de te loopen van den dag af, dat die titel in de registers van den bewaarder der hijpotheken geregistreerd is. De infchrijvingen, door den fchuldeifcher gedaan, ftuiten den loop der verjaring miet, welke door de wet, ten behoeve van den fchuldenaar, of van den derden bezitter, is vastgefteld, ACH T- Wan het vrij maken der hijpotheken, 457 ACHTSTE HOOFDSTUK van de manier, op welke de eigendommen van de pres ferentiën of hijpotheken worden vrij gemaakt. Art. d18r, De contracten, waar bij de eigendom wordt overgedragen wan onroerende goederen, of van reële regten, tot onroeren= de goederen betrekkelijk, welke de derde bezitters van pre- ferentiën en hijpotheken willen vrij maken, zullen door den bewaarder der hijpotheken in het arrondisfement, waar in de goederen gelegen zijn, in hun geheel worden geregistreerd. Die registratie zal gedaan worden in een register, daar toe beftemd, en de bewaarder der hijpotheken zal gehouden zijn, daar van een fchriftelijk blijk aan-den verzoeker uit te leveren. Art. 2182. De enkele registratie van acten, tot overdragt van eigene dom-dienende, in het register van den bewaarder der hijpo- theken„ maakt- het. onroerend goed van de daar op gevese tigde hijpotheken en preferentiën niet vrij. De verkooper draagt aan den kooper alleenlijk over den eigendom en de regten, welken hij zelf op het verkochte goed had: hij draagt dezelven over onder het verband van dezelfde preferentiën en hijpotheken, waar mede het goed belast was, Art. 2183. Indien de nieuwe eigenaar zich wil beveiligen tegen de gevolgen der regtsmiddelen, waar toe het zesde Hoofdftuk wan dezen Titel grond geeft, is hij gehouden, het zij vóór die geregtelijke vervolgingen, het zij ten langften binnen eene maand, te rekenen van de eerlte aan hem gedane aanzeg- ging, aan de fchuldeifchers, ter woonftede, door hen bij hunne infchrijvingen gekozen, te laten infinueren, 1°. Een uittrekfel uit zijnen titel, behelzende alleen de dagteekening en de hoedanigheid der acte, den naam en de juiste aanwijzing van den verkooper of van den donateur, den aard en. de ligging van de ver- kochte of gegevene zaak; en, indien de bezitting uit Ff 5 ver= RE 458 U Boek, XVIII Titel, VIIL Hoofdfuk. verfcheiden goederen te zamen beftaat, alleenlijk de algemeene benaming van het goed, en van de arron« disfementen, waar in het gelegen is, den prijs en de lasten, welke een gedeelte van den koopprijs uitma= ken, of de begrooting van de zaak, indien zij ge- fchonken is5} a°, Een uittrekfel uit de registratie van de,acte van ver= koop5 3°. Eene lijst of tafel in drie colommen, waar van de eerfte zal bevatten de dagteekening der hijpotheken, „„en die der infchrijvingen; de tweede, den naam der fchuldeifchers; de derde, het beloop der ingefchrevene fchulden. Art. o184. De kooper, of donataris, moet bij dezelfde acte verklaren; dat nij bereid is, om oogenblikkelijk te betalen de hijpothes caire fchulden en lasten, ten beloope alleenlijk van den prijs van het goed, zonder onderfcheid, of de fchulden vervallen of niet vervallen zijn. Art. o185. Wanneer de nieuwe eigenaar die infinuatie binnen den bé- paalden tijd gedaan heeft, kan elk fchuldeifcher, wiens fchuld-vordering is ingefchreven, daar op aandringen, dat het onroerend goed in het openbaar opgeveild en toegewe« zen worde; mits 1°. Dat deze vordering aan den nieuwen eigenaar, ten langften binnen veertig dagen, te rekenen van de in« finuatie, ten verzoeke van den laatstgemelden gedaan, geïnfinueerd worde; moetende bij dien tijd twee dat gen, voor elke vijf mijriamètres afftand tusfchen het gekozen domicilie, en de wezenlijke woonplaats van elken fchuldeifcher, die de vordering doet, gevoegd worden 5 2°. Dat de geen, die deze vordering doet, zich ondere werpe, om den prijs een tiende hooger te brengen of te doen brengen, dan dezelve bij het contract bedon- gen, of door den nieuwen eigenaar opgegeven was; 89, Dat dezelfde infinuatie, binnen denzelfden tijd, aan den vorigen eigenaar, als principale fchuldenaar zijns de, gedaan worde; 4°. Dat de oorfpronkelijke infinuatiën, en derzelver df- Schriften zullen getekend worden door den{chuld- Ela hui prij vens EN he Pan het vrij maken der hijpotheken. 9 eifcher, die de vordering doet, of door zijnen uite drukkelijk gevolmagtigden, welke, in dit geval, ge= houden is een affchrift van zijne volmagt te geven; zo. Dat hij aanbiedt voor het beloop van den koopprijs en de lasten borg te ftellen. Alles op ftraffe van nietigheid, Art, 2186. Wanneer de fchuldeifchers in gebreke blijven, om binnen den tijd en op de wijze, hier boven voorgefchreven, de openbare opveiling van het goed te vorderen, blijft de waar= de van het onroerend goed onherroepelijk bepaald op den prijs, bij het contract bedongen, of door den nieuwen eige- naar opgegeven, welke dienvolgende. van alle preferentie en hijpotheek ontheven is, door aan de fchuldeifchers, die naar hunnen rang tot de ontvangst bevoegd zijn, den gemelden prijs te betalen, of denzelven in confignatie te brengen. Art. 2187. In geval het goed op nieuw wordt opgeveild, heeft die opveiling plaats overeenkomftig den vorm, ten aanzien van werkoopingen bij executie vastgefteld, ten verzoeke, het zij wan den fchuldeifcher, die de vordering doet, het zij van den nieuwen eigenaar. Hij, die deze opveiling laat doen, zal in de aangeplakte biliietten den prijs uitdrukken, bij het contract bedongen of opgegeven, en de fomme daar boven, tot welke de fchuld- eifcher zich verbonden heeft het goed te brengen, of te doen brengen. Art. 2188. Die bij het hoogfte bod kooper blijft, is gehouden, boven zijnen uitgeloofden koopprijs, aan den kooper of donataris, die buiten het bezit gefteld wordt, te rug te geven de kos= ten van zijn contract, die van de registratie in de registers wan den bewaarder der hijjpotheken, die van de infinuatie, en de kosten, door hem gemaakt, om de opveiling te bee werkftelligen. Art. 2189. De kooper of donataris, die het opgeveilde goed behoudt, door het hoogfte bod te doen, is niet gehouden, om het vonnis, waar bij hem het goed wordt toegewezen, te doen registreren. Art. 2190. De gedane afftand van den fchuldeïfcher, die de openbare opveiling gevorderd heeft, kan, al ware het, dat hij de fom- me, waar aan hij zich onderworpen had, betaalde, de open- ba« ' t Î# ij A4 ZI. Boek, XVIII. Titel, WIIL, Heofaftuk, bare toewijzing van het goed niet beletten, ten zij alle de andere hijpothecaire{chuldeifchers uitdrukkelijk daar in toe ftemmen. Art. eigr. De kooper, die het‘goed op nieuw inkoopt, heeft zijn verhaal, als naar regten, tegen den verkooper, tot vergoe. ding van het geen de prijs, bij zijn koop-contract bedongen, meerder bedraagt, en van de interesfen van dat meerdere, te rekenen zedert den dag van elke betaling. Art. orga, In geval in den titel, of het bewijs van eigendom van den nieuwen eigenaar, begrepen zijn onroerende en roerende goe- deren te gelijk, of verfcheiden onroerende goederen ‚ het één gehijpothekeerd, het ander niet gehijpothekeerd,. gelegen in het zelfde, of in onderfcheiden arrondisfementen, voor bureaux van hijpothecatie bepaald, welke goederen voor één en den zelfden prijs, of voor onderfcheidene‘en afzonderlijke prijzen vervreemd zijn, onder eene en dezelfde bebouwing, al dan niet, behoorende, zal de prijs van elk onroerend goed, waar omtrent afzonderlijke infchrijvingen gedaan zijn, bij de infis nuatie van den nieuwen eigenaar opgegeven worden, des noods in evenredigheid berekend naar het beloop van den geheelen prijs, die in de acte van eigendoms-bewijs ftaat uite gedrukt. De fchuideifcher, die, door het hoogfte bod te doen, kooper geworden is, kan in geen geval genoodzaakt wor. den, om zijn aanbod van eenen hoogeren prijs tot de roe- rende of onroerende goederen verder uit te ftrekken, dan voor zoo verre zij voor zijne fchuld gehijpothekeerd, en in het zelfde arrondisfement gelegen zijns behoudens het regt van den nieuwen eigenaar om zich te verhalen op zijne voorzaten tot vergoeding van de fchade, bij hem, het zij door de verdeeling der door hem verkregene goederen, het zij door de affcheiding van derzelver bebouwing, geleden, AY bN„% Pan het vrij maken der hijpotheken: 461 NEGENDE HOOFDSTUK Van de mamier, op welke hypotheken worden vrij gemaakt, wanneer geene infchrijving op de goederen van getrouwde mannen en voogden gedaan is. Art. 2103. De koopers van onroerende goederen, aan getrouwde mârts nen, of aan voogden toebehoorende, zonder dat eenige in= fchrijving op de gemelde onroerende goederen gedaan is, ter zake van de beheering van den voogd,of tot verzekering van het huwelijksgoed van de vrouw, van het geen dezelve ge- regtigd is te rug te nemen, en van de huwelijks- overeen- komften, kunnen de hiijpotheken, waar mede de door hen verkregene goederen bezwaard zouden mogen zijn, vrij mas ken. Art. 2194. Tot dit einde zullen zij een behoorlijk nagezien affchrift van. het contract, bij het welk de eigendom is overgedrag me tee griffie van,de burgetlij jke regtbank van de plaats, waar de goederen gelegen zi ijn, overleg gen, en voorts bij eene ge- infinueerde acte, zoo‘aan de vrouw, of aan den toez voogd„ als aan den Keizerlijken Procureur bij de reg than van die gedane overlegging kennis ge ven. Een uitt die contract, behelzen de deszelfs dagteekening, de namen„ voornamen„ kostwinningen en woonplaatfen der contractane ten, de omfehrijvi g van den aard en de ligging der goede- rem, den prijs en de verdere lasten. van den verkoop, zal, gedurende twee maanden, in de gehoorzaal van de regrbank zijn en blijven aangeplakt; gedurende welken tijd de vrouwen, de mannen, de voogden, toeziende voogden, minderjarigen, onder curatele geftelde perfo nen, bloedverwanten of vrienden, enn de Keizerli ike Procureur, bevoe gd zijn, rédenen daar toe diemende, aan het bureau van den bewaarder de: ijpotheken infchrijving sen op het vervreemd onroeren d goed 1 te verzoeken, en te laten doen, die dezelfde kracht hebben zullen, als of zi terr tijde van het aangaan van het huweliiks-contract, of da de beheering der voogdij door den voogd een aanvang geno. men 462 JIL, Boek, XVIIL, Titel, LX. Hoofdluke men heeft, gedaan waren, onverminderd de geregtelijke aan: fpraak„die tegen de mannen en voogden zoude mogen plaats hebben, zoo als hier boven gezegd is, uit hoofde van hij potheken, door hen ten behoeve van derde perfonen geves. tigd, zonder aan dezelven te verklaren, dat de onroerend: H U li goederen, ter zake van huwelijk of voogdij, reeds met hij Ë Í potheken bezwaard waren. Ait. 2195. ; AA\ Indien, in den loop van twee maanden, na de aanplak- Î H É king van het contract, van wege de vrouwen, minderjarigen, Î î; of onder curatele geftelde perfonen, geene infchrijving op de Li verkochte onroerende goederen gedaan is, gaan zij aan den bakt kooper zonder eenig bezwaar over, ter zake van het huwe: ie lijksgoed, van het geen de vrouw te rug neemt, en van de RL huwelijks-overeenkomften, of van de verrigtingen van den ke EEKE voogd, en behoudens, zoo daar toe grond is, het verhaalf® op den man, en op den voogd./ Indien van wege de gemelde vrouwen, minderjarigen, of onder curatele geftelde perfonen, infchrijvingen gedaan zijn, en er oudere fchuldeifchers zijn, die den koopprijs geheel of KLEI gedeeltelijk wegnemen, is de kooper bevrijd, wanneer hij den 4 koopprijs, of een gedeelte van denzelven, aan de fchuldei B: fchers, volgens hunnen wettigen rang, betaald heeft; en de infchrijvingen van wege de vrouwen, minderjarigen, of on- der curatele geftelde perfonen,gedaan, zullen geroijeerd wor x den, of voor het geheel, of ten beloope van het geen van s den koopprijs is uitbetaald. à Indien de infchrijvingen van wege de vrouwen, minderja rigen, of onder curatele geftelde perfonen gedaan, de oudfle zijn, mag de kooper geene uitbetaling wan den keopprijs gee d f 4 doen, tén nadeele van die infchrijvingen, die akijd, zoo als Á hier voren gezegd is, een aanvang nemen zullen met de dag: \ teekering van het huwelijks-contract, of met den daz, dat 8 Ì de voogd in de beheering der voogdije getreden is; en in} || dit geval zullen de infchrijvingen der verdere fchuldeifchers, | vab die later in rang komen, geroijeerd worden. TIENS 8 Af KC Van de algemeenesbekendheid der registers, enz. 463 d TIENDE HOOFDSTUK, Van de algemeene bekendheid der registers, en dè werantwoordelijkheid van de bewaarders der hijpotheken. Art. 2196. De bewaarders der hijpotheéken zijn gehouden, om aan al- len. die het verzoeken, een affchrift uit te leveren van de acten, die in hunne registers geregistreerd zijn, en van de beftaande infchrijvingen, of een certificaat, dat er geent zijn. Art. 2197. Zij zijn verantwoordelijk voor de nadeelen, voortfprui- tende, 1°. Uit de nalatigheid in het registreren van acten, waar uit van eenige verandering van eigendom blijkt, als mede in het doen van infchrijvingen, die aan hunue bureaux zijn aangegeven, a°, Uit het niet melding maken ín hunne certificaten van ééne of meer der beftaande infchrijvingen, ten ware, in dit laatfte geval, de misflag voortkwam uit onvol- doende aanwijzingen, die hun niet te last gelegd kon. den worden. Art. 2193. Het onroerend goed, ten aanzien van het welk de bewaafs der der hijpotheken één of meer der ingefchrevene lasten zoude mogen hebben overgeflagen, blijft, behoudens des bewaarders. verantwoordelikheid, in de handen van den nieuwen bezitter van die lasten onthe en, mits hij het certie ficaat na de registratie van zijn bewijs van eigendom vera zocht heeft; ouverminderd nogtans het regt der fchuldeik fehers, om zich in den un toekomenden rang te doen plaatfen„ zoo lang rijs door den kooper tiet bee En ì 6 eg an da 1 ‚1 ein” pe 1e taald, of zoo lang de rangfchikking onder de fchuldeifchers door den regter niet bevestig: In geen geval, mogen de bewaarders der hijpotheken de tegistratie der acten van verandermg van eigendom, de in- fchrijs te 464 HIL, Boek, XVIII. Titel; X, Hoofdfluk,. fchrijving der hüjpothecaire regten, of de uitlevering van verzochte certificaten, weigeren, noch vertragen, op(traffe van aan partijen de fchaden en interesfen te moeten vergoe- den; ten welken einde van die weigeringen of vertragingen op het eerst daar toe gedane aanzoek, oogenblikkelijk pro- cesfen=verbaal zullen. worden opgemaakt, het zij door eenen vrede-regrer, het zij door eenen geregtsbode, de gehoors zaal der regtbank waarnemende, het zij door eenen anderen geregtsbode, of door eenen notaris, met twee getuigen gee adfifteerd, Art. 22oo. Niettemin zijn-de bewaarders der hijpotheken verpligt een gegister te houden, waar in zij dag voor dag, en bij voorts loopende getallen, zullen opfchrijven, welke acten van ver- andering van eigendom, of memoriën en nota’s hun ter registratie of infchrijving zullen worden ter hand gefteld; zij zuilen aan den verzoeker een fchriftelijk blijk, op gezegeld papier, ter hand(tellen, behelzende het getal van het regis- ter, waar in het opgegeven(tuk is ingefchreven, ven zij mogen in de registers, daar toe beftemd, geene aeten van verandering van eigendom registreren, noch de memoriën en nota’s infchrijven, dan volgens de tijd-orde, waar in zij hun zijn ter hand gefteld, Art, oeo1. Alle de registers van de bewaarders der hijpotheken wor- den gefchreven op gezegeld papier, gefolieerd en gepara- pheerd, op elke bladzijde, met aanwijzing, welke de eerfte en de laatfte is, door één der regters in het resfort, waar onder het bureau is opgerigt. De registers zullen, even als die, waar in de acten geregistreerd worden, elken dag wor- den afgefloten. Art. 9202. De bewaarders der hijpotheken hebben zich, in de uit oefening hunner bedieningen, te gedragen naar alle de bepa- lingen van dit Hoofdftuk, op verbeurte eener boete van twee honderd tot duizend francs voor de eerfte overtreding 3 en ontzetting van hun ambt voor de tweede maal; onvers minderd de vergoeding van fchaden en interesfen aan par= tijen, welke vóór de geldboete betaald zullen worden, Art. 2203. De vermeldingen van het overleggen van acten, de infchrijs vingen en registratiën, worden gedaan in registers, achter elkander, zonder eenig wit vak open te laten„ of iets tusfchen heiden te fchrijven, op verbeurte, door den bewaarder 6 I= hip fa gin Kot’ Van de algomeène bekendheid der rézistérs,enè. 468 hijpotheken; wan eene boete van duizend tot twee duizend francs, en vergoeding, van fchaden en interesfen aan par= tijen, die mede bij preferentie vóór de boete betaald moeteis worden, enen 07e eren | Zie 6 NEGENTIENDE TITE )Or VAN ONTZETTING VAN EIGENDOM BIJ EXECUTIE 4 EN DE RANGSCHIKKING ONDER DE SCHULD= EISCHERSs 8[Wastgefteld den 1gden van Lentemaand 1804, e# Dd afgekondigd den 29ften van dezelfde maand.] EERSTE HOOFDSTUK, Van ontzetting van eigendom bij ekecutiës Art. 2204; De fchuldeifcher kan de ontzetting van eigendom bij eze. cutie vorderen, 1°. van de onroerende goederen, Een var het geen, daar bij behoorende, voor onroerend goed gerekend wordt, aan zijnen fchuldenaar in eigendom toebekoorendez DS 9°, van het vruchtgebruik, aan den fchuldenaar op goederen van gelijken aard toekomende, it Art. 2905. ij Niettemin kan het onverdeeld aandeel van eenen meden erfgenaam in de goederen eener nalatenfchap door zijne per- fonele fchuldeif chers niet ter verkoop aangeflagen worden; Gez voof | | | 466 UIT. Boek, XIX. Titel, 1. Hoofdftuk. vóór dat de boedel door verdeeling of opveiling gefcheiden is, waar op zij, des geraden oordeglende, mogen aandrin. gen, of waar bij zij geregtigd zijn, zich als belanghebbende bekend te maken, overeenkomftig Artikel 88e van den Titel van erfvolgingen. Art. 2206. De onroerende goederen van eenen minderjarigen, zelfs die geëmancipeerd is, of van iemand, die onder curatele flaat, kunnen niet ter verkoop aangeflagen worden, voor dat het roerend goed is uitgewonnen. Art. 2207. De uitwinning vab het roerend goed, vóór de executie op het onroerende, wordt niet vereischt, wanneer de on- roerende goederen tusfchen eenen meerderjarigen en eenen „minderjarigen, of iemand, die onder curatele ftaat, onvers deeld bezeten worden, en de fchuld aan hun beiden gee meen is, noch ook ín geval de geregtelijke vervolgingen tegen eenen meerderjarigen, of vóór het verleenen der curas tele, begonnen zijne Art. os08. 9 De ontneming van den eigendom van onroerende goederen, die een gedeelte van den gemeenen boedel uitmaken, wordt tegen den man alleen, als fchuldenaar, vervolgd, fchoon de vrouw voor de fchuld verbonden is. Met opzigt tot de onroerende goederen van de vrouw, die niet tot de gemeenfchap behooren, wordt dezelve ver volgd tegen den man en de vrouw beidên, welke laatfte, wanneer de man weigert met haar het proces te voeren, of indien de man minderjarig is, zich door den regter kan doen autoriferen. In geval van minderjarigheid van den man en van de vrouw beiden, of van minderjarigheid van de vrouw alleen, indien haar meerderjarige man weigert met haar het proces te voeren, wordt door de regtbank een voogd over de vrouw benoemd, tegen-wien de zaak in regten wordt voort- gezet, Art. 2209. De fchuldeifcher kan met den verkoop der onroerende goë- deren, die aan hem niet gehiijpothekeerd zijn, niet voorte gaan, dan in geval de aan hem gehijpothekeerde goederen ontoereikende zijns Art. 2214. fc] wil nr Wan Eide drit en m Eu zel rafels vo ed Van onizetting van eigendom bij ekectities se ON me} Art. 2a1ó, De onwillige verkoop van goederen; in onderfcheiden arrondisfementen gelegen, kan niet gevorderd worden, dan vän het eene goed na het andere, ten ware die goederen te zamen onder eene en dezelfde bebouwing behooren. Die verkoop wordt gedaan bij de regtbank, onder welkers tesfort de hoofdplaats der bebouwing, of, bij ontbreken van zulk eene hoofdplaats, dat gedeelte der goederen, het welk, wolgens het register der grondlasteii, de meeste ins komften opbrengt, gewonden wordt, Ärt. eerr. Indien de goederen; àän den fchuldeifcher gehüjpothekeerds en de niet gehijpothekeerde goederen, of de goederen, in onderfcheiden arrondisfementen gelegen, een gedeelte van eene en dezelfde bebouwing uitmaken, wordt de verkoop van beiden te gelijk vervolgd, indien de fchuldenaar dit ver langt3 en men berekent, zoo zulks noodig is, den prijs van elk gedeelte, naar evenredigheid van den prijs, waat voor het goed is toegewezen, Art. s212. Indien de fchuldenaar door authentieke huurscedullen be- wijst, dat de zuivere en vrije inkomften van zijne onroes tende goederen gedurende één jaar, tot betaling van de verfchuldigde hoofdfomme, interesfen en kosten, voldoende zijn, en indien hij dezelven aan den fchuldeifcher in betaling aanwijst, kan de geregtelijke vervolging door de regters worden opgefchort, behoudens derzelver herneming, indien er eenige oppofitie of belemmering in de betaling opkomt: Art. 2213. De onwillige verkoop van onroerende goederen kan als leen vervolgd worden op grond van eene authentieke acte, kacht van. executie hebbende, voor eene bepaalde en liqui« de fchuld. Indien de fchuld betrekkelijk is tot zaken, die nog vereffend moeten worden, is de geregtelijke vervolging van waardes maar de toewijzing bij verkoop kan eefst nd de vereffening gefchieden. Art. 2214» Die bij cesfie eigenaar geworden is van een bewijs van fehuld, kracht van executie hebbende, kan met den on= willigen verkoop niet voortgaan, dan na dat van de over« dragt aan den(chuldenaar bij infinuatie kennis gegeven iss Art. 2215. De geregtelijke vervolging kan plaats hebber; uit kracht fan een provifioneel vonniss of van een definitief vonnis s Gg 2 hée : | } ET hd nn 258 ‘den fchuldeifcher, aan den perfoon van den fchuldenaar, of III. Boek, XIX. Titel, J. Hoofdfuk; het welk, niettegen{taande hooger beroep, bij provifie execuà tabel is; maar de toewijzing bij verkoop kan niet gedaan worden, dan na een definitief vonnis in het hoogfte resort, of het welk ín kracht van gewijsde gegaan is. De geregteliijke vervolging kan niet gefchieden uit kracht van vonnisfen, bij defaut gewezen, zoo lang de tijd tot oppofitie nog loopt. Art. 9916. De geregtelijke vervolging kan niet vernietigd worden on der voorwendfel, dat de fchuldeifcher dezelve begonnen zoude hebben voor eene grootere fomme, dan hij te voren had. Art. oor7. Aan alle vervolging bij executie op onroerende goederen moet„vooraf gaan een bevel tot betaling, ten verzoeke van aan deszelfs woonplaats, door middel van eenen geregtsbo= de, gedaan. De vorm van dit bevel tot betaling, en van de procedu res tot ontzetting van eigendom bij executie, zijn bij de wetten op de manier van regtspleging geregeld. TWEEDE HOOFDSTUK, Van de rangfchikking„en verdeeling van den koopprijss onder de fchuldeifcherse Art. oo18, De rangfchikking, en de verdeeling van den koopprijs der onroerende goederen, en de manier van procederen desaan- gaande, zijn bij de wetten op het{tuk der regtspleging geregeld. T WIN jedi plegiag Algemeene bepalingen, 469 wel Met ST Eb EJee Ln VAN VERDJARIN Ge [Wastgefteld den 15den van Lentemaand 1804, an afgekondigd den osften van dezelfde maand.) EERSTE HOOFDSTUK Algemeene bepalingen. Art. 2919. De verjaring is een middel om, door een zeker verloop van tijd, en onder de voorwaarden, bij de wet bepaald, iets te verkrijgen, of van eene verpligting bevrijd te wor= den. Art. 2220. Men kan bij voorraad geenen afftand van de verjaring doen: maar men kan wel afftand doen van eene verjaring, welke men verkregen heeft. Art. 222. De afftand van verjaring is uitdrukkelijk of ftilzwijgende: de ftilzwigende afftand wordt afgeleid uit eene daad, wel- ke veronderftelt, dat men zijn verkregen regt laat varen, Art. 2222, Hij, die niet mag vervreemden, mag van eene verkregene verjaring geen afftand doen. Art. 2293. De regters mogen den grond van verdediging, uit de vere jaring voort{pruitende, van ambtswege niet aanvullen, Gg g Art. 2224s Ì Î DT amen. E Eeen d 479 ZI, Boek, XX. Titel, I. Hoofdfluk. Art. 2224. De verjaring kan in allen ftaat der zake worden tegengee worpen, zelfs voor het Hof van appél, ten ware de. par- tije, die van de verjaring, als een grond van verdediging geen gebruik gemaakt heeft, uit hoofde der omftandigheden moet veronderfteld worden, daar van afltand gedaan te heb= ben, Art. oso5. De fchuldeifchers, of een ieder, die bij het verkrijgen der verjaring belang heeft, kunnen dezelve tegenwerpen, fchoon de fchuldenaar of de eigenaar daar van afftand doet. Art. 2226, Men kan door verjaring niet verkrijgen den eigendom van zaken, die niet in den handel der menfchen zijn. Art. 2227 De Staat, de openbare etablisfementen, en de gemeenten, zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen, als de bijzondere perfonen, en kunnen zich op gelijke wijze op dezelven bes roepen. TWEEDE HOOFDSTUK Van het bezit. Art. 9999. Het bezit is de aanhouding of het genot van eene zaak, pf van eên regt, het welk wij in onze magt hebben, of uitoefenen, door ons zelven, of door een ander, die het in onzen naam in zijne magt heeft, of uitoefent. Art. 2999. Om te kunnen verjaren, wordt een voortdurend en onaf= gebroken, ongeftoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezitz onder den titel van eigenaar, gevorderd. Art. 2230. ‚Men wordt altijd veronderfteld voor zich zelven, en als eigenaar te bezitten, ten ware bewezen werd, dat men zijn bezit voor een ander begonnen heeft. Art. 223Le vûrd titel helt oc Wan het bezit. 471 Art. 223. Wanneer men heeft begonnen te.bezitten voor een„ander, wordt men altijd veronderfteld zijn bezit onder denzelfden titel te vervolgen, ten zij het tegendeel bewezen wordt, Art. 2232. Daden van zuivere willekeur, en die enkel in een gedogen beltaan, kunnen geenen grond opleveren, noch tot bezit s noch tot verjaring. Art. 2233e Daden van geweld kunnen even min eenen grond ople- weren tot een bezit, het welk de verjaring ten gevolge zoude kunnen hebben. Eene deugdelijke posfesfie neemt eerst aanvang, na dat het geweld heeft opgehouden. Art. 2234» De dadelijke bezitter, die. bewijst, dat hij van ouds af het bezit gehad heeft, wordt veronderfteld, gedurende den tijd, die tusfchen beiden verloopen is, bezeten te hebben, onvere minderd het bewijs van het tegendeel. x Art. 9235. ae Om den tijd der verjaring volkomen te maken, kan men bij zijn eigen bezit. voegen het bezit van zijnen voorzaat; op welke wijze men hem is opgevolgd, het zij bij algemee- nen of bijzonderen, het zij bij lucrativen of onereufen titel, DERDE HOOFDSTUK, Van de oorzaken, die de verjaring verhinderen. Art. 2236. i Zij, die voor een ander bezitten, kunnen nimmer iets door verjaring verkrijgen, door welk tijds-verloop zulks ook zou- de mogen wezen. Dus kunnen een huurder, een bewaarnemer, een vrucht- gebruiker, en alle anderen, die het goed van den eigenaar tot wederzeggens toe onder zich hebben, dat goed door ver- jering niet verkrijgen. Gg 4 Art. 2237 v Î Î t an ad , 5 498 JIL, Boek, XX. Titel, HIT. Hoofdfuk. Art. 2037. De erfgenamen van de genen, die het goed onder één van de titels, bij het vorige Artikel opgenoemd, bezeten hadden, kunnen het zelve al mede niet door verjaring’ bekomen. Art. 9238. Niettemin kunnen de perfonen, bij Artikel 2236 en 2237 opgenoemd, door verjaring bekomen, indien de titel van hun bezit veranderd is, het zij uit eene oorzaak, van eenen dere den afkomende, het zij ten gevolge van dat zij het regt van den eigenaar betwist hebben. Art. 2239, De genen, aan wien de huurders, bewaarnemers, en an= dere bezitters, tot wederzeggens toe, het goed door eenen titel, tot overgang van eigendom gefchikt, hebben overges dragen, kunnen dat goed door verjaring bekomen, Art. 2240. Men kan niet verjaren tegen zijnen titel, in dien zin, dat men de oorzaak en het beginzel van zijn bezit voor zich g zelven niet kan veranderen. ä Art. oo4t. Men kan tegen zijnen titel verjaren, in dien zin ,,dat men de ontheffing van eène verbindtenis, welke men heeft aange- gaan, door verjaring bekomt, VIERDE: HOOFWS TURK Van de oorzaken, die den loop der verjaring fluiten of opfchorten, , EERSTE AFDEELING, Van de oorzaken, die de verjaring Puiten, ; on Art. 2240, De verjaring kan, of natuurlijk, of burgerlijk geïnterrum, peerd of gefluit worden, Art. 224 3e het dere een Eng fu cad doc Daal Jan Aan zel rige i ren ftu erf ver ten het dre ! Kal) Wan de oorzaken, die de verfaring fluiten of opfchorten. 478 k Art. 2943, JanS De natuurlijke interruptie heeft plaats, wanneer de bezit- D, ter, gedurende meer dan een jaar, vän het genot der zaak, het zij door den ouden eigenaar, het zij zelfs door eenen id derden, van het genot der zaak is ontzet geweest. 23 Art. 2244. hun Eene geregtelijke dagvaarding, een bevel tot betaling, of det pen arrest, geïnfinueerd aan den genen, wien men de verjas VS ring beletten wil, brengen de burgerlijke interruptie te weeg. Art. 2245 De dagvaarding tot vereeniging voor den vrede-regter a fluit de verjaring, zedert derzelver dagteekening,‘wanneer hen daar op eene dagvaarding voor de regtbank, binnen den gee door de wet bepaalden tijd uitgevaardigd, gevolgd is. Art. 2246. De dagvaarding voor eene regtbank, zelfs voor eenen one bevoegden regter gedaan,{tuit de verjaring, Art. 2247. Indien de dagvaarding uit hoofde van een gebrek in den vorm nietig is en Indien de eifcher van zijnen eisch afziet, „Indien hij de inftantie laat te niet gaan, Of indien zijn eisch ontzegd wordt, Wordt de interruptie gehouden als niet gebeurd. Art. 2248. De verjaring wordt geïnterrumpeerd.,“wanneer de fchuldes naar of bezitter het regt van den geen, tegen wien de vere jaring liep, erkend heeft, Eò Art. 2249, De aanmaning, overeenkomtftig de bovenftaande Artikelen; aan één der folidaire fchuldenaren gedaan, of de door dens zelven gedane erkentenis, ftuit de verjaring tegen alle de ove- rigen, zelfs tegen hunne erfgenamen, De aanmaning, aan één der erfgenamen van eenen folidaie en fchuldenaar gedaan, of de erkentenis van dien erfgenaam, ftuit de verjaring niet ten aanzien van de verdere mede= erfgenamen, al was zelfs de fchuld hijpothecair;' indien de verbindtenis niet ondeelbaar is. Deze aanmaning, of erkentenis, ftuit de verjaring niet, ten aanzien van de verdere mede fchuldenaren, dan woor het aandeel, waar voor die erfgenaam verbonden is, Om de verjaring voor het geheel, ten aanzien van dé ver- dere mede-fchuldenaren, te(tuiten, is het noodig, dat de aanmaning aan alle de erfgenamen van den overleden fchul- Gg 5 dee “474 dIT. Boek, XX. Titel, IV. Hoofdfuk. ei of de erkentenis door alle die erfgenamen, gedaan \ Art. 2250. De aanmaning, aan den principalen fchuldenaar gedaan of deszelfs erkentenis,{tuit de verjaring tegen den borg, 6 (9) TWEEDE AFDEELING. Van de oorzaken, die den loop der verjaring opfchorten. É Art. oo51. De verjaring loopt tegen elk en een iegelijk, behalve tegen die genen, ten wier behoeve de wet eene uitzondering maakt, Art. 2252. De verjaring loopt niet tegen minderjarigen, en de genen, die onder curatele ftaan, behoudens het geen in Artikel 2278 gezegd wordt, en met uitzondering van de verdere gevallen, door de wet bepaald. Art. 2953. Verjaring heeft geene plaats tustchen echtgenooten onders ling. Art. 2254. Verjaring loopt tegen eene getrouwde vrouw, fchoon haar boedel, waar over de man de beheering heeft, bij huwelijks= contract, of bij regterlijk vonnis, van des mans boedel niet is afgefcheiden, behoudens haar verhaal op den man, Art. 2255. - Zij loopt echter niet, gedurende het huwelijk, ten aanzien wan de vervreemding van een onroerend goed, het welk, als huwelijksgoed„ onder het beheer van den man gefteld is, over: eenkomftig Artikel 1561, in den Titel van het huwelijks-con- tract, en de wederzijdfche regten der echtgenooten. Art. 2256. De verjaring wordt insgelijks opgefchort, gedurende het huwelijk, 1°, In geval de actie van de vrouw niet zoude kunnen vervolgd worden, dan na het doen eener keuze om trent de aanneming of afltand der gemeenfchap; 2°, In fic we van de oorzaken, die de verjaring fluitan af opfchorten. 475 Aan 2°, In geval de man het eigen goed van de vrouw, zonder hare’ toeftemming, verkocht’ hebbende, den verkoop moet vrijwaren, en in alle andere gevallen, in welken Û, de actie van de vrouw op den man zoude te rug komen, Art, 2257. De verjaring loopt niet, Met betrekking tot eene in(chuld, welke van eene voorwaarde afhangt, zoo lang die voorwaarde niet vervuld is; Met betrekking tot eene actie tot vrijwaring, zoa lang er geene evictie plaats heeft; Met betrekking tot eene infchuld, welke op eenen bepaalden dag vervalt, zoo lang die dag niet verfches nen is. Art. 2258, „à De verjaring loopt niet tegen den erfgenaam onder benes Gicie wan inventaris, ten aanzien, van. fchuld-vorderingen, en, welke hij ten laste der nalatenfchap heeft, al Zij loopt tegen eene vacerende nalatenfchap, offchoon dezelve van geenen curator voorzien is. Art. 2259, Zij loopt insgelijks gedurende de drie maanden tot het maken van inventaris, en de veertig dagen tot beraad, bij de wet bepaald. JIL. Boek, XX. Titel, WV. Hoofdfuk; VIJFDE HOOFDSTUK. Van den tijd, die tot verjaring vereischt wordt, EERSTE AFDEELING. Algemeene bepalingen. Art. 2260. De verjaring wordt gerekend bij dagen, en niet bij urene Art. 2261. ‘Men verkrijgt door verjaring, zoo dra de laatfte dag van den vereischten tijd verfchenen is. TWEEDE AFDEELING. Van de verjaring van dertig jaren, Art. 2062. Alle actiën, zoo reële, als perfonele, worden verjaard. door dertig jaren, zonder dat hij, die zich op deze ver= jaring beroept, verpligt is eznigen titel aan te toonen, of dat men de exceptie, uit kwade trouw afgeleid, aan hem zoude kunnen tegenwerpen. Art. 2263. De fchuldenaar van eene rente kan, na verloop van acht en twintig jaren na de dagteekening van den laatften titel of rentebrief, genoodzaakt worden om aan zijnen fchuldeifcher, of die deszelfs regt verkregen hebben, ten zijnen kösten eenen. nieuwen titel te leveren, Art. 22644 per kla El« of ED Wan den tijd, die tót verjaring vereischt wordt. qrt Art. 2264. De regels van verjaring, ten aanzien vân andere onders werpen, dan die in dezen Titel vermeld zijn, worden, vels klaard in de Titels, die daar over bijzonderlijk handelen, DERDE AFDEELING, Van de verjaring van tien of twintig jaren. Ärt. 2265. Hij, die ter goeder trouw, en door eenen wettigen titel een onroerend goed verkrijgt, bekomt daar van den eigen “ dom door eene verjaring van tien jaren, indien de ware eigenaar woonachtig is in het resfort van het Hof van appél, onder welks regtsgebied het onroerend goed gelegen isz en van twintig jaren, indien hij buiten dat resfort woent. Art. 2266. Indien de ware digenaar op onderfcheiden tijden Zijne woonplaats, dan eens binnen, en dan eens buiten het fesfort gehad heeft, moet men, om de verjaring volkomen te hebben, bij het geen aan de tien jaren inwoning binnen het resfort ontbreekt, tweemaal zoo vele jaren van afwe= zendheid voegen, als dat ontbrekende bedraagt, om de tien jaren der inwoning voltallig te maken. Art. 2267. Een titel, die uit hoofde van een gebrek in den vorm nietig is, kan tot geenen grondflag dienen voor de verja ring van tien en twintig jaren. Art. 2268. De goede trouw wordt altijd vweronderfteld, en het ftaat aan hem, die zich op kwade trouw. beroept, om dezelve te bewijzen. Art. 2269. Het is genoeg, dat op het oogenblik der verkrijging de goede trouw aanwezig was, Art. 22704 ki 4, - 478 MIT, Boek, XX. Tiel, V. Hoofdftuk, Art,$970, Na verloop van tien jaren zijn architecten en aannemers van„werken ontflagen van de vrijwaring van groote were ken, welke zij gemaakt hebben, of order hun opzigt heb- ben doen maken. VIERDE AFDEELING, Van eenige bijzondere verfaringen; Art. soyr. De actie van meesters en onderwijzers in kunften en we. tenfchappen, wegens de lesfen, welke zij bij de maand geven 5 Die van herbergiers en tafelhouders, wegens het verfchaf= fen ván logement en kost; Die van arbeiders en dàglooners, wegens de betaling van hunne dagloonen, leverantiën en verdienften Ei Worden verjaard door den tijd van zes maanden. Art. 2272, De actie van geneesheeren, heelmeesters en apothekers; wegens hunne verzoeken, heelkundige dien{ten, en geleverde geneesmiddelen 3 Die der geregtsboden, wegens hun loom voor het infinnu- eren van acten, en het uitvoeren van commisfiën 3 Die van kooplieden, wegens de koopmanfchappen, wel. ken zij aan bijzondere perfonen, geene kooplieden zijnde; verkoopen 4 Die van kostfchoolhouders, wegens het kost- en fchook geld voor derzelver leerlingen; en van andere meesters ‚ WE gens het loon van het onderwijs 4 Die van dienstboden, welke zich bìij het jaar werhurert 4 wegens de betaling van hun loon, Worden verjaard met één jaar. Art, 2273. De actie van practizijns, wegens de betaling wván hunne verfchotten en verdienften, worden verjaard door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag, dat het proces is Wirgewezen, of dat partijen vereenigd zijn, of dat de vol- magt ers Ver. wel we Wan den tijd, die tot verjaring vereischt wordt. 479 magt op die practizijns is ingetrokken, Ten aanzien van onafgeloopene zaken kunnen zij geene voldoening wegens verfchotten eh verdienften, die meer’ dan vijf jaten ten achteren zijn, vorderen, Art. 2274, De verjaring heeft in de hier voren gemelde gevalien plaats, offchoon men met het doen van leverantiën, dien- ften, en arbeid is voortgegaan. Zij houdt niet op te loopen, dan wanneer eene geflotene tekening, handfchrift, of{chuldbekentenis gemaakt, of eene geregtelijke dagvaarding, welke men niet heeft laten verloos pen„ gedaan is. Art. 2275. Nogtans kunnen zìjg aan wien deze verjaringen worden tegengeworpen, den eed defereren aan de genen, die zich daar van bedienen, ten einde te verklaren, of de zaak waars lijk is betaald geworden. Art. 2276, De regters en practizijns zijn, wegens de afgifte der ftak- ken, na verloop van vijf jaren na de uitwijzing van het proces, hiet meer aanfprakelijk. De geregtsboden zijn, na verloop van twee jaren, na de uitvoering hunner commisfie, of de infinuatie der acten; waar mede zij belast waren, insgelijks van alle aanfpraak tot uitlevering der papieren ontf{lagen, Art. 2277. Verfchenen renten, het zij perpetuële of lijfrenten 3 Verfchenen penfioenen, tot onderhoud dienende; Huren van huizen, en pachtpenningen van landgoederen; De interesfen van ter leen opgenomene gelden, en in het algemeen al het geen bij het jaar, of in vastgeftelde kortere termijnen betaalbaar 18, Worden verjaard met vijf jaren. Art. 2278. De werjaringen, waar van in de Artikelen dezer Afdeeling gehandeld wordt, loopen tegen de minderjarigen, en de ge= men, die onder curatele ftaan; behoudens hun verhaal op hunne voogden. Art, 2279. In het ftuk van roerende goederen geldt het bezit, in plaats van eenen titel. Niettemin kan hij, die iets verloren heeft, of wien iets ontftolen is, dat verlorene of ontítolene- gedurende drie ja zen, te rekenen van den dag, dat het verlies of de diefftal heeff t Î : ET nd N 450 UL Boek, XX. Titel, V. Hooflftuks heeft plaats gehad, reclameren van den genen, ín wiens handen hij het vindt; behoudens aan den laatstgemelden zijn verhaal op den genen, van wien hij het Bezit bekomen heeft. Art. 9980. Indien de tegenwoordige bezitter van het geftolen of ver. loren goed het zelve op eene kermis of markt, of op eens openbare verkooping, of wan eenen koopman; die foortge: lijke goederen verkoopt, gekocht heeft, kan de oorfpronke. lijke eigenaar het goed niet te rug vorderen, dan mits hij aan den bezitter den koopprijs vergoede, dien het denzelven gekost heeft. Art. 2081. De verjaringen, die met het tìijdftip van de afkondiging van dezen Titel reeds een aanvang genomen. hadden, zullen overeenkomftig de oude wetten geregeld worden. Niettemin zullen de toen reeds begonnen verjaringen, tot welken, volgens de oude wetten, nog meer dan dertig ja- ren, van het tiijdftip dier afkondiging af gerekend, noodig zijn zouden, door dit verloop van dertig jaren woleind zijns Geteekend s NAPOLEON, Van wege den Keizer: De Secretaris van Staat geteekend: HUGUES B MARE T} Voor copie conform: De Groot-Regter, Minister van Juftitie; REGNIE Re L Ne fw Deepa ortgs tonk Its| zelve I.N--H*Or U: D VAN HET WETBOEK NAPOLEON. Aire. Van de afkondiging, de uitwerkfelen, en de toepasfing der wetten, in het aîge- en en pr nde er AN ES EERS PB RQ-E Ke VAN PERSONEN. 1. Trrer. Van het genot en verlies der burgerlije 1. Hoorosr. Van het genot der burgerlijke regten.... e. id Ld. e.. nrd 1, Hoorpsr., Van het verlies der burgerlij- DE TERME ele veld n h Hh Hit ii IL AFpeeEL. 1. AFDEEL. INHOUD van uE rT Van het verlies der burgere lijke regten, door het gemis van de be- trekking als Franschman,««« Van het verlies der burger- lijke regten, als een gevolg van gereg- telijke veroordeelingen, …..««» | II. Trrer. Van acten van den burgerlijken ftand, ||| ii L. Hoorpsr; Algemeene bepalingen. …« | HI Ì II. HoorpsrT. Van acten van geboorte.. UI. Hoorpsr” Van huwelijks-acten, … IV, Hoorpsr. Van acten van overlijden. V. Hoorpsr. Van acten'van den burgerlij- Iv. UI. TITEL. IV. TITEL. Î IL. HoorpSr. heid. LJ. Ld Ld. Ld | IL, HoorpsT. heid. f© ä  4 À fl Hl. Hoorpsr. zendheid. 8 s 8 7 5 sl 1. AFDEEL. ken(tand, betreffende de militairen, bui- ten het grondgebied van het Keizerrijk. HoorpsrT. Van de verbetering van acten van den burgerlijken(tand..« ….» Van domicilie of woonplaats.« … Van áfwezenden,.. 5 Van vermoedelijke afwezende Van verklaring van afwezend» Van de gevolgen der afwe- Van de gevolgen der afwe- zendheid, met opzigt tot de goederen, Bladz. 4 25 wel= WETBOEK NAPOLEON. 4% be| welke de afwezende ten tijde van zijn vertrek bezat.... Bladz. 25 IJ. Arpeer. Van de gevolgen der afwe=: zendheid, met betrekking tot de regten, die den afwezenden bij vervolg zouden Moge AANKOMEN gc Pee 28 IN. Arperr. Van de gevolgen van afwe- zendheid, betrekkelijk het huwelijk._« 29 IV. HMoorpsr. Van het toevoorzigt over de minderjarige kinderen, wier vader afwe: zend is. N»..-_ V, Trirer, Van het huwelijk.. e e go IL. Hoorpsr. Van de hoedanigheden en voorwaarden, die vereischt worden oi een huwelijk te kunnen aangaan. … en 11, Hoorpsr. Van de plegtigheden; tot de voltrekking van het huwelijk behoorende. 53 II. Hoorpsr. Van oppofitiën tegen een hu- Eee k 34 IV. HoorpsrT. Van eifchen tot nul-verkla- ring des huwelijks.. s PE 36 V. Hoorpsr. Van de verpligtingen, die uit het huwelijk voortfpruiten. 8: 40 VI. Hoorpsr. Van de regten en pligten der echtgenooten onderling...‘ 4r VII. Hoorpsr. Van de ontbinding des hu- welijks..:.,; 43 VIJL, Hoorpsrg chen fte 4 HE 434 INHOUD van HET } VL Trirer, Van echtífcheiding..: ì 1. HoorpsrT, Vande redenen van echtfchei. ding.:. 5. Á 4 À IL. HoorpsrT. Van echtfcheiding, uit hoofde van eene bepaalde oorzaak._… 6. 1. Arpeer. Van de manier van echt{chei- ding uit hoofde van eene bepaalde oor« Hi N| ÚE é Zaake Id.... hd Il. ArpeeL, Van provifioneele maatregelen, waar toe de eisch tot echtfcheiding, uit hoofde eener bepaalde oorzaak, aanlei- ding geven kan. 5:. à IJ. Arpreer. Van de redenen van niet ont= vankelijkheid tegen de actie tot echt- fcheiding, uit hoofde eener bepaalde oorzaak, 5- e.. à UI, Hoorpsr. Van echtfcheiding door onder- linge toeftemming. e 8. 4 IV. Hoorpsr. Van de gevolgen der echtíchei- Ps ding. Ld. hd e*... V. HoorpsrT. Van de fcheiding van tafel en Ì bed..... LJ Ld. Vil, Trrer. Van het vaderfchap,en de afftamming der kinderene 9....° 1. Hoorpsr, Van de afftamming van wettige kinderen, of die ftaande huwelijk geboren Zijn LIN; ie pn E.. e. Í l VII, Hoorpsr. Van tweede huwelijken, Bladz. 43 44 en ts aL va II, Hoorpsr. nad WETBOEK NAPOLEON. U. Hoorpsr. Van de bewijzen der afftam- 485 ming van wettige kinderen. … … Bladz. 63 TI. Hoorpsr. Van onechte kinderen. … … 1. Arbeer. Van de wettiging van onech- te kinderen.... EEL IL Arpeer. Van het erkennen van on= echte kinderen,° 5 é° VII, Trrer. Van de adoptie, en officieufe voogdij. 1, Hoorpsr. Van adoptie. 4 5 1. Arpeer. Van adoptie, en hare gevol- gen. KE.. f e II. Arpeer, Van den vorm der adoptie, II. Hoorpsr. Van de offcieufe voogdij._; IX. Trrer. Van de vaderlijke magt..© 5 X, Tirer. Van de minderjarigheid, voogdij en emancipatie. 8: 4. ê° 1. Hoorpsr. Van de minderjarigheid, … Il. Hoorosr. Van de voogdij. 6$ IL. Arpeer. Van de voogdij van vader en moeder. é E s A 8 L, Arprer. Van de voogdij, door vader oJ of moeder opgedragen.. ke 8 UI. Arpeer. Van de voogdij der bloed- verwanten in de opgaande linie, d … 1 IV. Arpeer, Van de voogdij, door den familie-raad opgedrâgen,« î 6 Hh 3 65 69 7E 73 78 79 meng en ae Te 1) INHOUD vaN HET Ll, Hoorusr. V. Arpeer. Van den toezienden voogd, Bladz. 82 VI. Arprer, Van de redenen die van de voogdij verfchoonen,.,. 83 Vl. Arpeer.. Van de onbevoegdheid tot, en de uitluiting en afzetting van de voogdij. …: k. k 8 86 VIIL Arpeer. Van het: beltuur van den voogd,_… Ë É e Me Ee sg IX. Arprerr. Van rekening en verantwoor. ding der voogdij.. 5 s 6 92 IL. HoorpsrT. Van emanc'patie, of ontflag uit de magt van ouders of voogden.« 93 Xl. Trres. Van meerderjarigheid, curatele, en ge- regtelijke adfiftentie,. E s 5 ä 96 I. Hoorvsr, Van meerderjarigheid.°— If. Hoorpsr. Van curatele.. e b— II. Hoorpsr. Van geregtelijke adfiftentie.„ Ico TN EE DEAD OE We VAN GOEDEREN 3 EN DE VERSCHILLENDE WIJZI- GINGEN VAN EIGENDOM, 1. Trirer. Van de onderfcheidene foorten van goederen.:« ror Van onroerende goederen,.—— . Hoorpstr. WETBOEK NAPOLEON. 487 IL, Hoorvsr. Van roerende goederen. Bladz, 503 [l. Hoorpst., Van de goederen, met betrek- ik king tot derzelver bezitters:.. 105 di II. Trrer. Van eigendom. 2.. 6 107 1. Hoorpsr. Van het regt van accesfie, | betrekkelijk het geen door de zaak wordt 6 vóntelkeigh. Saer tes ij, Hoorpsr. Van het regt van accesfie, Li ten aanzien van hét geen zich met de zaak vereenigt, en met dezelve een geheel uit- maakt. À à À é-. 108 1. Afprer. Van het regt van accesfie, met betrekking tot ontoerende goede- emme TENe B.... H IL. Arpeer. Van het fegt. van accesfie betrekkelijk roerende goederen. 8 II2 II. Trrer.‘ Van vruchtgebruik, van gebruik, en van bewoning.. p... 114 1, Hoorpsr. Van vruchtgebruik, …..—— Í, Arprer. Van de regten van den vruchte gebruiker...«°. 115 IJ. Arpeer. Van de verpligtingen van den vruchtgebruiker. Á.,- us IL, Arpeer. Hoe vruchtgebruik eindigt. 122 IL, Hoorpsr, Van gebruik en bewoning.£ 124 of IV, Trrer. Van fervituten of erfdienstbaarheden.* 125 Hh 4 1. Hoorpsre INHOUD van ner L, Hoorpsr, Van fervituten, die hunnen ij oorfprong hebben uit de ligging der plaat- ij A fen.... e …_ Dladz. 126 MGE IL, Hoorpsr. Van fervituten, door de wet F dE vastgefteld. a.. sl 12) ® Í L, Arprer. Van gemeene fcheidsmuren en grachten..“.{8 É' d U. Arprer. Van den af(tand en tusfchen , Be C beiden te maken werken, die tot zekere IE ebouwen vereischt worden, d 5 132 Ë hj II. Arpeer. Van uitzicht over‘het erf van É zijnen buurman, 5 é._—_= IV, Arprer, Van drop, of waterloop der daken. 6.... 133 | V. Arpreer. Van het regt van overgang of Lol« re UIEWeg. e Dd.«. 134 OI Hoorpsr. Van fervituten, of dienstbaar- 1: heden, door den wil der menfchen daar- > 3 Ê5 gefteld.. sl e 5 ô En L Arveer. Van de onderfcheideneefoore _ ten van dienstbaarheden, die op de goe- deren kunnen gevestigd worden. js nd Ik° U. Arprer. Op hoedanige manier de dienst- N| 1 i baarheden worden daargefteld. 136 à 4 f HL Arpeer, Van de regten van den eige- f« naar van het erf, waar aan eene dienste 4 baarheid verfchuldigd is.. pi 137 ; IV. Arpeer. Op hoedanige wijze de dienst- dl| baarheden te iet gaan. î, 138 d DER. |# WETBOEK NAPOLEON, Din MADE, 2 HO Bl|Ian VAN DE ONDERSCHEIDENE MANIEREN OP WELKE Î Hij MEN EIGENDOM VERKRIJGT: ub Algemeene bepalingen. Kb at û orn Bladz. 14 I. Trrer. Van erfvolgingen,«.. I4ï d I. Hoorpsr. Van het vervallen der erfenis- f d fen, en de aanvaarding door de erfgena- men.. e 5,« ET IL, HoorBsr. Van de vereischten, die tot erfvolging noodig ziju.:.. 143 I k Ps IL. Hoorpsr. Van de onderfcheidene orden van erfvolgingen. è à. Ë 144 I. Arprezer. Algemeene bepalingen. …_— IL. Arverr. Van reprefentatie, of plasts- vervulling.. e. e 145 II, Arpeet. Van erfvolging of fuccesfie, in de nedergaande linie bij verlterf. … 147 pk IV. Arpeer. Van erfvolging in de opgaan- : d: linie bij verfterf. à Á_—= zm V. Arpeen. Van erfvolging in de zijdlinie Dl bij verfterf.“.« 148 IV. HoorpsT, Van onregelmatige erfvolging Nt, bij verfterf, 8 8 j 4 Re die, k Arpeel.. Van de regten der onechte 8 kinderen op de goederen van hunnen Hh 5 Í AR, H 30 ÍINHOUD van Her vader of moeder, en van de erfvolging LENT RK Î If aan onechte kinderen, die zonder na REEDE od komelingen fterven. … Bladz, 15e Met AMEN II. Arpeer. Van de regten van den v langstlevenden der echtgenooten, en P van den Staats:»". I52 V, Hoorpsr. Van het aanvaarden en verwer- Î eh) pén eener erfenis.‘> opin nt be ele UE t Í \ N ij Il. Arpeer. Van het aanvaarden eener & AE DN erfenis, hb 5. eg „3 IL Arprer. Van de repudiatie of af- ftand eener erfenis. Bnr ER ee IS8 IN. Arpreer. Van bereficie van inventa= ris, deszelfs gevolgen, en de werplig- ; tingen van den erfgenaam, die de na-= D latenfchap alzoo aanvaard heeft. … … 157 IV. Arprer. Van vacerende erfenisfen. 16e 5 VI. Hoorpsr. Van boedelfcheiding, en van N collatie of inbreng. i À; an rn Ig L. Arpeer. Van de actie tot boedel. fcheiding, en derzelver vorm...—— | IL. Arperr. Van collatie of inbreng.. z1óp UI. Arpeer. Van de betaling der fchul- Î 4 den, 8 d À. … TN IV. Arprer. Van de gevolgen van boe: À delfcheiding, en van vrijwaring van het aanbedeelde,‘ d é ‚ 174 Ve Ar- @ WETBOEK NAPOLEON. ap V, Arpeer. Van vernietiging of rescis- fie van aangegane boedelfcheiding. Bladz. 175 , Trrer. Van giften onder de levenden, en van testamenten of uiterfte willen,..’ I. HoorpsT. Algemeene bepalingen,«:.«—= If, Hoornsr, Van de bekwaamheid om te be- fchikken, of voordeel teggenieten, bij gifte order de levenden, of bij uiterften wil.«« 178 II. Hoorpsr. Van het gedeelte der goederen, waar over men befchikken mag, en van de reductie of vermindering van het te veel befchikte. 4.«, ou R0O {. Arprer. Van het gedeelte der goede- ren„waar over men befchikken mag.«——= II, Arpeer. Van reductie of vermindering van giftenen legaten. ….«««« 182 IV, Hoorpsr. Van giften onder de levenden. 185 1. Arpeer. Van den vorm der giften onder de levenden. e 5« man IL, Arpeer. Van de uitzonderingen van den regel, dat giften onder de levenden onherroepelijk zijn....«” 189 V.„Hoorpst. Van de befchikkingen bij testas ment of uiterften wil._«.. ‚ 198 1, ArpeerL. Algemeene regels omtrent den vorm der testamenten of uiterfte villen. e KE»» arn ' Î Î Î Ik he amen INHOUD van ner IL Arpeer. Bijzondere regels omtrent den, vorm van zekere testamenten, Bladz, Ig JIL. Arpeer. Van de erfftellingen en Ie- 5 gaten in het algemeen. …«®'% ry IV. Arperr. Van algemeene legaten.«— V. Arpeer. Van legaten onder eenen algemeenen titel.:. es VL Arpeer., Van bijzondere legaten. … ao VIL Arpeer. Van executeurs van uifere fte willen. 5 5 8 À EE: VIII, Arprer, Van het herroepen der testamenten, en het vervallen van dee zelven.....« 206 VI, Hoorpsr. Van geoorloofde befchikkingen ten voordeele van kleinkinderên van den donateur of testateur, of van kinderen van deszelfs broeders en zusters. …«««« gef VIL. HoorpsT. Van boedel-verdeelingen, door den vader, moeder, of andere bloedver- watten in de opgaande linie, tusfchen hunne afkomelingen gemaakt....« 13 VIII, Hoorpsr. Van giften, bìj huwelijks-con- tract gedaan, aan echtgenooten, en aan kinderen, die uit het huwelijk ftaan Yêbo- ren te worden. 5... ER IX. Hoorpst. Van befchikkingen tusfchen echtgenooten, het zij bij huwelijks-con- tract, heÊ zij flaande huwelijk,„ ….« a ul, Te ' WETBOEK NAPOLEON. 493 IJ. Tire. Van contracten, of verbindenisfen, bij wege van overeenkomst, in het alge: meen. é p é° e Bladz. 219 I, Hoorpsr. Algemeene bepalingen,««— IL, Hoorpsr. Van de wezenlijke vereischten tot de beftaanbaarheid der overeenkomften, 22e 1. Arprer. Van de toeftemming..« … 221 U. Arpeer. Van de bekwaamheid der contracterende partijen.«<«««« 225 NI. Arprer: Van het onderwerp‘der verbindtenisfen. é Ë À. 224 IV. Arpeer. Van de oorzaak der vere bit jisf.« e e ge e1Il, HoorpsT. Van de gevolgen der verbinde tenisfen,-= je d°„eg I. Arpter. oAlgemeene bepalingen. oe—= IH. Arperer. Van de verbindtenisfen om i Ever. 6©°, aa6 II. Arprer. Van de verbindtenis om iets te doen, of niet te doen..... 227 IV. Arprer. Van vergoeding van fchas den en interesfen, voortvloeijende uit het niet nakomen eener verbindtenis,„ ecg V. Arpenr. Van de uitlegging der overs eenkomften, e r ede 230 VL Af: IV. Hoorpsr. INHOUD van Herer VI. Arpreer: Van de gevolgen der over: eenkomften, den, é van verbindtenisfen. . Ld ten aanzien van der- Bladz. a Van de onderfcheidene foorten … 1. Arorer. Van conditionele of voor: waardelijke verbindtenisfen, SL Van voorwaarden in hét alge- meen, en derzelver verfchillende foorten. $ II. de.: e Ld Ld Van de opfchortende voorwaar S II, Van de ontbindende voorwaar- de, é U. Arpeer. Van verbindtenisfen op tijd. UI, ArFprrr, _nisfen.. Vl. AFDEEL, fen. el SIL, Van de . kracht + Van alternative verbindte” Van folidaire werbindtenis= der folidaire verbindtenisfen ten opzigte der fchuldeïifchers. - ‚ S IL, Van de kracht van folidaire ver- bindtenisfen, fchuldedenaars. V. AFDEEL. verbindtenisfen. ten opzigté der hd Van deelbare en ondeelbare od 239 242 WETBOEK NAPOLEON. 495 SI, Van de gevolgen der deelbare verbindtenis..…«. Bladz. 242 S U, Van de gevolgerr der ondeelbare verbindtenis,..« 243 VL, Arprer. Van verbindtenisfen, met beding van poenaliteit. je. el 244 V. Hoorosr. Op welke wijze verbindtenisfen tè niet gaas..:' b raal IL, Arpeer. Van betaling.. der VT À SL” Van betaling in het algemeen._— $ If. Van betaling met(urrogatie.« 249 S UI, Van toerekening der betaling.. 251 $ IV. Van aanbod van betaling en con- fignatie. É:.. 252 6 V. Van cesfie of boedel-afftand.. 255 IL. Arperr, Van novatie of fchuld-ver« nieuwinge 5 5 fe."256. UI. ArpreeL. Van kwijtfchelding der fchuld. x:> E e 259 IV. Arperre. Van compenfatie. En OR p 59 V, Arpeer. Van confufie of fchuld-ver- menging.’ à hep sa VL. Arprer., Van het vergaan der ver- fchuldigde zaak,,.. 963 VII. Arpeer. Van de actie tot nul-ver- klaring of vernietiging-van aangegane overeenkomsten, k î: 96% VL Hoorpsr,. 496 Î Ö re eni INHOUD van HET VI, Hoorpsr. Hoe verbindtenisfen, en de ij voldoening aan dezelven, bewezen wor- den.\-» 5 8 Bladz, 263 IT. Arpeer. Van bewijs door gefchrift,— © SIL. Van authentieke titels of befchei- den,. N.. eme. $ IL. Van onderhandsch gefchrift,. 266 $ II Van kerfftokken. 8. … 269 S IV, Van copiën of affchriften van ti- tels of befcheiden,. esse S V. Van acten van erkentenis en be- krachtiging,.... 271 IL, Arperr, Van bewijs door getuigen. 279 UI, Arperr. Van prefumtiën of vermoe- dens,..... NO) SI. Van wettelijke prefumtiën of vere moedens, H°. Nn SI, Van prefumtiën of vermoedens, welke niet door de wet däarge- field worden,; 8 … 275 IV. Arpeer. Van confesfie of Bekentenis vân partije.. p: 5 … V, Arprer. Van den eed, 8 WE SJ. an den beflisfenden eed,. ‚ 272 $ II,. Van den eed, ambtshalve opge- legd. Fol 4(*. 278 IVa Tr Na U 4 IV,'Erter. Van verbindtenisfen, die aangegaan den buiten overeenkomst, 4 à Bladzs 279 TL. Hoorpsr, Van quafi-contracten; göa IN. HoorpsT, Van misdaden en quafi-misda- a den.\ 5 à> 252 V á Dd Antrant bj] RJ£ V: Trrer. Van het huwelijks-contract„en de wer derzijdfche regten der echtgenooter s: 283 TI. Hoorosrt. Algemeene bepalingen, 3 RE hed kod N. Hoorpsr.. Van de gemeenfchap van goë« deren. 5 Á d:® 286 l. Deer; Van de gemeenfchap van goede= ren uit krachte van de wet; Í À== Pel 1. Arprer. Van het geen de gemeenfchap SI. Van het geen actief tot de ‚ge- tiën ‚ die daar uit tegen de gemeen. i Pp VOOrtupruiten. 6 é Led IE, Ä EEL Van de beheering der gemeetle fchap, eh de kracht der handelingen bd door één der beide echtgenooteri met betrekking tot de huwelijks-gemeenfchap RAS: e- ok) aaige gaal, à 293 INHOUD van ur r meenfchap, en eenige gevolgen van de- UI, Arpeen. Van de ontbinding der gese p zelve. 5. 8, Bladz, 9297 77 ik IV. Arprer. Vanehet aannemen der ge r Lat: meenfchap,en den af(tand, die daar van hd gedaan kan worden,“benetens de voor= waarden, daar toe betrekkelijk.. goo ij° Ì\ Kk V. Arpeer. Van de verdeeling der gemeen. 1 fchap, nà derzelver aanneming. 5 303 | S hk Van de werdeeling van het geen actief tot de gemeenfchap behoort.—= S IL. Van het pasfive der gemeenfchap, en hoe veel elk der echrgenooten in de fchulden dragen moet. 306 kl VI, Arpveer. Van den aflland der gemeen- n fchap, en derzelver gevolgen. go8 m Bepaling nopens de gemeenfchap uit krach= N te van de wet, wanneer één der echt- genooten, of beide, voorkinderen heb= ben.*.. id* id | 1. Deer, Van de gemeenfchap uit krachte $ le ‚© Ik wan overeenkomst, en van. de bedingen, welke de gemeenfchap uit krachte van de ki wet kunnen bepalen„ of zelfs geheel uit Î Í{luiten.* id Kd hd* k IrArprer. Van het bepalen der gemeen- fchap tot de aanwinsten,' î | 309 310 u. Ara WETBOEK NAPOLEEON. 459 Il. Arveer; Van het beding, waar bij et roerend goed geheel of gedeelte- lijk uit de gemeenfchap wordt uitge- floten: î:: á Bladzs 31E UI, AFpeer. Van het beding, tot inbreng vaa onrverend goed in de geinee fchaps gig IV, Arperr. Van het beding van affchei Ú V, Arperr. Van het vermogen ään de vrouw toegeltaan, om het geen zij in teenfchap ingebrast heeft, vrij en onbelast er weder uit te nemen: B 315 van overeenkomst, vooruit genoten wordt. pe é é é ‚7 316 VIL Arperr. Van de bedingen, waar bij nen aan elk der echtgenooten ongelijke deelen in de gemeenfchap aanwijst, ‚ gi F4 ‘8 KIET A= pre VIN. ArFrpreer. Van de gemeenfchap onder A1 naane henelinsen tot dea acht vaar dilgemeenie be ingen, tot de acht voor gaande Afdeelingen betrekkelijk, AED e) oo el IX,-Arpeer, Van overeenkomften, waar bij de gemeenfchap wordt uitgefloten, 320 $ de Van net bedii SS, medeore gende s dar da@ nf echtgenooten een huwelijk aangaan buiten gemeenfchap van li a SIL 1 INHOUD:vanN wer 6 ID, Van het veding, dat de boedels van cikander zullen zijn afgefchei- den.«.° Bladz. 3e4 IL, Hoerpsr. Van het beftuur van kuwelijks- goed.°... jé IL, Arpper. Hoe huwelijksgoed wordt dáárgelteld, 5... e IL Arprerr, Van de regten van den man op het huwelijksgoed, en van de on- ver vreemdbaarheid van onroerend goed, ten huwelijk gegeven.‘: L ” II, Arveer. Van de te ruggave van het huwelijksgoed. E) 5.. IV. Arpeer. Van de paraphesfle goede- ren.:' 4 Ô 5 Bijzondere bepaling,. 6 VI. Tirer. Van koop en verkoop.. p he 1, HoorpsT. Van den âard en vorm van koop en verkoop. k: b.. ./ IL. Hoorvsr, Wie koopen of verkoopen mag. IL Hoorpsr. Van de zaken, welke verkocht mogen worden,: Ae IV. Hoorpsr. Van de pligten des verkoopers. 1. ArpreL. Algemeene bepalingen: 323 323 324 334 335 IL. Arpeer, Van vernietiging van ver- koop, ter zake van benadeeling.° 349 VI. Hoorvsr. Van openbaren verkoop van in‘het gemeen zijnde goederen, Aang 356 VIIL. Hoorpsr. Van de overdragt van infchut- den, en andere onligchamelijke regten.. 35 _ VIL Tirer. Va 8 4 E 353 VÍIL, Trrer. Van het contract: van huur en verhu- I, Hoorpsr. Algemeene bepalingen, e—_—— ®Ò. IL. Hoorpsr. Van huur en verhuring van en Ad! np| mn 1, Arpzer. Van de regels, welke gemeen Ii a 5 INHOUD van ue Tr zijn aan verhuringen van huizen en landerijen,°°° Bladz, ..* e II Arperr. Bijzondere regels, omtrent de huur van huizen en roerende goe- deren. e° e KS° KN kh UI. Arpeer. Fijzondere regels, omtrent huur van landen. … 8 Ä 5 HL, Hoorpsr, Van huur van werk en dien- Mens, 8 sn ©- kod Ld 1, Arpeer, Van huur van dienstboden en arbeiders,. e, E iL, Arprer. Van voerlieden en fchip- Fêite. e e,.. IL. Arpesr. Van beftekken en aanne- mugen, je 3 ‘. 8 IV, Hoorpsr, Van veepacht, f I, ArverL. Algemeene bepalingen, Ld U. Arpeer, Van enkele of gewone veez Pa he-., v° IE! Arveer. Van veepacht op halve Winst, 9°* e& IV. Arprer, Van véeepacht,- aangegaan tuich.n den eigenaar en deszelfs huurder, het zj hij gehuurd heeft os Or ta 31% 374 en| "BOEK NAPOLEON. zog WE voor zeketen‘huurprijs, het zij tegen uitkeering vaa eên aandeel in c vrucnten, DN o° SI, Van veepacht, aangegaan ME eenen huurder, die. voor zeke. ren huurprijs gehuurd heef k € U. Van veepacht, aangegaan met eenen huurder, die, tegen uits keering van een aandeel in de Ge. ge vruchten aan den eigenaar, huurd heeft., e. 376 V. Arprer. Van het contract, oneigen- lijk veepacht genaamd. A eN - IX, Tyreu. Van contracten van fociëteit. a 1. Hoorosr. Algemeene bepalingen._—— IL. Hoorpsr. Van de verfchillende foorten van fociëteiten,.,. 8 \ J, Arperr. Van algemeene fociëteiten,—— i. Arpeer. Van de bijzondere fociëe teit..,°. Reg, rr UL, Hoorosr. Van verbindtenisfen van de ges asfocieerden, zoo, onderling, als met bes ' trekking tot derden. 5 8 en JI. Arpker. Van de onderlinge verbind- tenisfen der geasfocieerden, 5 en li 4 + Ô ij gene ee wad INHOUD van uee U. Arpreer. Van de verbindtenisfen der geasfocieerden, ten aanzien van der- den.’ 8 8 IV, Hoorpsr. Van de verfchillende wijzen, waar op eene fociëteit eindigt, hed hd Bepaling, betrekkelijk de fociëteiten van koophandel, é **° X. Trser. Van leening..°.. Ì, HoorpsT. Van bruikleening of commo- daar, 5 5 Ô= Ë L Arprer, Van den aard van bruik- leening. 4 ê 5° H. Arperer. Van de verpligtingen van den genen, die iets ter bruikleen ontvangt. ë . ia e af HI Arpeer. Van de verpligtingen van den uitleener. 3= il, Hoorpsr. Van verbruikleening, of een« voudige leening, iK é kb 1. Arpeer. Van den aard der verbruik- leening. e e 5 4. U. ArpeeL. Van de verpligtingen des 15 uitleeners. Á 5 ... NI. Arperr: Van de verpligtingen van den genen, die iets ter teen ontvangt. {EL, Hoo: ladz. 395 a he us 5D nt Ir \O ge 393 Ze WETBOEK NAPOLEON, III, Hoorpsr, Van ter leen geven op interes- fen. ë.°»°« Bladz. 394 ijk 9 f XI, Trrer. Van bewaarneming en fequestratie.« 395 k HoorpsT. Van bewaarneming in het al- zemeen, en van derzelver werfchitlende foorten,.:::° A en $ IL. Hoorpsr. Van eigenlijk gezegde bewaars IL. Arpeer. Van den aard en het wezen der bewaarneming. À B e= II. Arprer. Van vrijwillige bewaarne- ming..°... eZ UI. Arperr. Van de verg den bewaarnemer... aukis., 008 IV. Arpeer. Van de verpligtingen van È o o den genen, door wien de zaak in be- waring gegeven is.. e ee NAOR V. ArpreL. Van bewaarneming uit noode zaak,....° e 403 HI. Hoorpsr. Van fequestratie. F 493 I. ArpreL. Van de verfchillende foorten van fequestratie. e. e ennn 4 U. Arpeer. Van fequestratie bij overeen- : komst.« e. 5 à Ds IH. Arprer. Van geregtelijke fequestra- Ld. 4O4 ) Île,. S t li 5 XII. Tr- hese + ak en di 506 INHOUD van zer XII, Trrer, Van kans-contracten.«s%.«-« 405 1. HoorpsrT. Van fpel en weddingfchap. IL, HoorpsT. Van het contract van lijfrenten.® 406 K 1. Aroeer. Van de vereischten tot de be- ftaanbaarheid van het contract van lijf- renten.. é Ô.. er er en e , Van de gevolgen: van een | contract van lijfrenten, tusfchen de cons träcterdnde. paftijën;)„redt. 4o7 Xi. Trrer. Van mandaat of last IL. HoorpsT, Van den aard en den vorm van lastgeving..... oe IL. Hoorpsr. Van de verpligtingen van den mandataris of laschebher.‘4 4 avse e, 419 $ NI, Hoorpsr, Van de verpligtingen van den lastgevere 8..’° arn 5 IV, Hoorpsr. Van de verfchillende wijzen, waar op lastgeving eindigt, …«««« 413 KIV? Trrel.. VanborstoBt,.. … …«ere … Uil IJ. Hoerpsr. Van den aard en ftrekking van borgtogt. e e e. e e IL, Hoorosr. Van het gevolg van borgtogte— 104 IL, Arperrt. Van het gevolg van borg= togt; tusfchen den fchuldeifcher en den b ‚Ze° e v Ke id in civiele zaken, WETBOEK IL, ArpeeL. Van togt, tusfchen den fc] II. Arvrer. Van het gevolg De togt, met betrekking to Hoorpsr. togt. s e Tirer. Van perfoneel OFDST. Van pand van onroei . se SI, Van algemeene de het gevolg van bo et an tran sactië Ene°° roerend goed,. . e. PN . Ld° op rog. ntiën op Ld e. D pe \9 43 33 re EE. adden. F, 2 INHOUD van mer il SIL Van prefereniiën op zekere bee ij paalde roerende goederen., … 434 id IL. Arprrr. Van preferentiën op on- roerende goederen dn 436 4 IN. Arvrrr. Van de preferentiën, die zich tor de roerende en onroerende goederen titfirekkên”„rt 4 enn NN | 4 IV, Arprer. Hoe de preferentiën behou- HL IJ, deutswordet, MAL, Hie oa en a UI. Hoorpsr. Van de hipotheken,.«« 440 I. Arpeer. Van legale hijpotheken. …‘44r IJ, Arpeer. Van judiciële hijpotheken. 442 II. Arbeer. Van conventionele hijpo- theken,° 5 É 8 enn. IV. Arperr. Van den rang, welken de hijijpotheken onderling hebben. … 44% IV. HoorpstT. Van de manier, op welke de infchrijving der preferentiën en hijpothe- ken gefchiedt,.,«. ON V, HoorosT. Van de roïijjering en verminde: Ì ring der infchrijvingen.«««««« 4al VI, Boorpsr: Vân de kracht der preferentiën of hiijpotheken tegen derde bezitters.«… 45 Yi. Hoorpsr, Van de vernietiging van prefee | rentiën en hijpotheken.: é ‚456 VI. HoorFDsTe WETBOEK/NAPOLEON, og ar 7 A«€ Am manier N zaìlka Vit, Hoorpsr. Van de manier, op welke de eigendemmen van de prelerentien of Dijpo- J 1 Sen Rado Ri| theken worden vrij ge! 5 è Bladz. 45 X. Hoordsr. Van de manier, op welke hij« „ lr manneaer potheken wi vrij gemaakt wanneer geene infchrijving op de goederen van ge- kes 5 bied a vandaar a 1 A trouwde mannen en voogden gedaan IS. 461 , kb” MJ EXE tutie, én de 1 fchuidei- e fchers. e°,.. B 405 I. Hoorpsr. Van ontzetting van eigendom IJ. /HoorpsT. Van de ra ikking, en ver- deeling van den koopprijs, onder de fchuld= eifchers.--:.:' 469 Í. HOOFDST. AMMUgEMmEEne DEPAINGEN.;_—_= Il. Hoorpsr. Van het bezit. de ie HoorpsrT. Van de oorzaken, die de vere g verhinderen, vi 6 A Pe 471 IV, Hoorpsr. Vân de oorzaken, die den loop der verjaring fluiten of opfchorten,' 472 1, Ara jaren. ringen. Il. Arpeern, ‘TL. Afperr. verjaring ftuiten. : 5o INHOUD van mer WETBOEK NAPOLEON, Van de oorzaken, die de Ld L Arpeer, Algemeene bepalingen. id Kd Kd é IL. Arpreer, Van de oorzaken, die den loop der verjaring opfchorten. V. Hoorosr. Van den tijd, die tot verja- ring vereischt wordt, 1. Arprer. Van de verjaring van derig Van de verjaring van tien of twintig jaren, $ e - Ki E Bladz, 472 «474 416 477 IV. Arpeen. Van eenige bijzondere verja- 478 7 MMA BET IS C H BE-REDENIE-E RD HE ee Bro oR D ER PN HEB VR NAK * [Het getal wijst het Artikel van het Wetboek aan, ' waar de zaak te vinden îs.]  ANBESTEDING, Onder welke voorwaarden dezelve kan ge. fchieden, 1711.— Schadevergoe aan den aannemer verfchuldizd, in geval de ganbefteder het aangenomen werk opzegt, 1794. Zie Beflek. AANBop. Men kan geene andere zaak, dan die, welke verfchul- digd is, noch ook een gedeeite van dezelve, in betaling aanbieden, 1243 en 1244.— Wanneer de verfchuldigde zaak alleenlijk ten aanzien van hare foort bepaald is, kan de fchuldenaar niet volftaan met hect flechtíte te geven, 1246. AAN= ed matt ‚Het verworpene of afgeftane-gedeelte wordt doof regt van aanwas verkregen door de mede-erfgenamen 786.—- Hoe de aandeelen in de“winften der MNEIEteiten te regelen, 1953 en volg.— Formaliteiten, zonder welke mén het onverdeeld aändeel vat eenen mede-erfgenaam in de goederen der nalatenfchap niet ter verkoop’ kan aan flaan, 220 andeelen in compagniefchappen vaa Zija roerende goederen, 529, AANGIFTE. De aanmatiging van den grond, aan vruchtgebruik onderworpen, moet door den vrùchtgebruiker aan den eige= naar worden aangegeven, Ó14.— De meerderiarige erfges naam, GIE, van het vermoorden van den overleden kennis dragende, daar van geene heeft, is o li wien het nala ijn, 727.— Aan ifte niet kan worden AANn MANING. In welk geval dezelve de verjaring c a == E = = Id Lied Le] En \o @ = AANMATIG van an van de vrachtwagens, 1785.— Verpli en preferentiën var aannemers ebouwen, 17 BEN: 207O: MAS wl AANNEMING. Noodzakelij der de levendên zelve, op dat de giften one hebben, 032.— Formali= teiten van-de aanneming, ten opzigte van den meerderjari= gen donateur, der gehuwde vrouw, van den minderjarigen, vàn den doof-{tommen, en van gasthuizen en ftichtingen ten algemeenen nutte, 933 en volg.— Tegen het nalaten der aanneming van giften, zullen minderjarigen, die onder cu- ratele ftaan, en getrouwde vrouwen, niet in hun geheel herfteld worden, behoudens derzelver verhaal, 942,—— Om het nalaten daar van kunnen de giften, bij huwelijks- contract gedaan, niet betwist worden, 1087,— Verdeeling der gemeenfchap na derzelver aanneming, 1467 en volg:— De aanneming van den lasthebber is noodig, om ditecontract WETBOEK NAPOLEON. s13 te voltrekken, 1984.— Deze aanneming kan ook ftilzwijs | gende gefchieden» 1985. Zie Borg, Erfenis, Gemeen/chap, Gifte, Overaragte AANNEMING, Verpligtingen, voortvloeijende uit de aanneming, welke tot afkoop der regten vam de echtgenooten in de ge meenfchap bedongen is, 1522’ en volg. Zie Aanbefteding ,Ge= bouwe LB AANPLAKKING,“ Vonnisfet, waarbij éend adoptie Wördt toêge= {taan, worden dargeplakt, 25%.—, welke uik plaats liebben tot het verkoopen der goederen vat de min- derjarigen,‘452’ en 459;— LOL het in het bezi llen der nalatenfchappen,-die aaf den langstlevenden echtgenoot of Î aan den Steat vervallen, 770;— tot de verkoop van goe deren in eene nalatenfchap, die aan- bederf onderworper Zijn, 7963— van roerénde goederen in eene nalatenfchap, Î welke onder beneficie van inventaris aanvaard is, 8055— tot de affcheiding van goederen, 1445;— tot het herftel- len van de gemeenfchap tusfchen echtgenooten, die gefchei- den zijn, 14513— tot het vervreemden van eén onroerend huwelijksgoed; 1558.— tot de wederopveiling, 2187 ANS AANsLAG. In zake van hijpotheek dient de aanflag der opbrens= ften tot de vergelijking der onderlinge waarde, tusfcheh de onroerende goederen en die der infchulden, 2165, Zie Re- 8 gisters. AANSPOELING. Wat die ís, en ten wiens voordeele. dezelve komt, 556 en volg. AANSTELLING VAN EENEN NIEUWEN LASTHEBBER. Die, welke tof het verrigten, van dezelfde handeling gefchiedt, heeft ge= lijke kracht met de herroeping van de Eerfië lastgeving 3 aoo6. MANTEEKENING. Welk‘bewijs het gefchrift oplevert, dat eef fchuldeifcher‘als“aanteekening op eenen titel heeft ge= fteld,“welke in zijn bezit gebleven isi3-13824 AANVAARDING. Verfchillende wijzen om: eene nalatenfchap té aanvaarden, 774 en volg.— In ‚welk geval een meerderja rige tegen zijne eigene aanvaarding kan opkomeür 783.— Tijdverloop, door het welk de bevoegdheid, om eene er= fenis te danvaarden, verjaart 789: NANVAARDING DiR ERFENIS. Onder welke voorwaarde dé das den, enkel dienende tot prowifioncle bewaring, daat voor — gerekend worden, 779, AanNwas. In welk geval er aanwas plaats heeft, ten voordees le van de legatarisfen, ro44. Zie Aanfpoeling. BÁNWEBPING. Zie danfpoeling, Eilanden. Kk | Î =p 54 REGISTER or ue Tr AANWIJZING. Enkele aanwijzing, door den fchuldenaar gedaan, van iemand, die voor hem betalen moet, brengt geene no- vatie te weeg, 1277, AANWINSTEN. Welke onroerende goederen worden geacht aan= winften der gemeenfchap te zijn, 1402.— Dè wederzijd= fche fchulden en roerende goederen worden geacht uit de gemeenfchap te zijn uitgefloten, door het enkele be= ding van gemeenfchap van aanwinften, 1499.— Geval, waar in het roerend goed, bij het aangaan des huwelijks aanwezig zijnde, of naderhand opgekomen, onder de aan- winften wordt gerekend, 1499, Men kan in het bee ftuur van het huwelijksgoed eene gemeenfchap van aanwin= ften bedingen, 1581, Accessie. Waar in die regt beftaat, 546 en volg.— Accesfie, met betrekking tot onroerende goederen, 552 eu volg;— en met betrekking tot roerende goederen, 565 en volg.— Accesfie is eene der manieren, op welken men eigendom verkrijgt, 712. Accessoïr. De gelegateerde zaken worden uitgekeerd, met al het geen daartoe noodwendig behoort, 1018.— De ver- Pligting om eene zaak te leveren bevat al het geen tot die zaak behoort, 1615.— Aard van het geeh accesfoir is in den verkoop van eene infchuld, 1692.— Bijkomende on- roerende goederen, waar van de fchuldenaar kan ontzet worden, 9204. Accorp. Zie Transactie. ACHTERSTALLEN. De achterftallige renten zijn burgerlijke vruchten, 584.— Interesfen, welke de achterftallige renten voortbrengen, 1155.— Geval, waar in de fchuldeifcher het folidaire regt, betreffende de achrerftallige renten en inte= resfen, verliest, ra12,— Achterftallige renten, welke in de gemeenfchap tusfchen echtgenooten komen, 14or.— Die, welke een gedeelte der fchulden uitmaken, 1409. Zie Rente, Verjaring, Vruchtgebruik. Acunrinc. Het kind is aan zijnen vader en moeder achting verfchuldigd, 371. Acren. De vrouw heeft de autorifatie van haren man of van de regtbank noodig tot het pasferen eener acte, 219 en ger.— Acten, waar door een fchuldenaar in verzuimt wordt gefteld; 1139.— Acten, welke de fchuldeifcher kan Maken tot behoud van zijn regt, ri3o.— De teruggave Van eene onderhandfche- acte aan den fchuldenaar, brengt Zijne bevrijding te weeg, roêe.— Binnen welken tijd mea de actie tot vernietiging of rescisfie moet aanleggen és gen acten, welke eene overeenkomst behelzen, 10 nd Va is ow Áno: Áror Áfxe Árme an, Î 0O=| Ane uit bes ml, dans Lhee Wins WETBOEK NAPOLEON. 515 Wat het authentieke van eene acte uitmaakt, 1917 En Vols … Gevolgen der onderhandfche acten, en noodige vereische ten tot hunne beftaanbaarheid, 1332 en volg.— Grondbee ginfelen aangaande de acten van erkentenis en bekrachti= ging, 1337 En volg.— Van alle zaken, welke de fom van hondérd en vijftig francs te boven gaan, moet eene acte gepasfeerd worden, 1341.- Er wordt geen bewijs door getuigen toegelaten, van het. geen boven, of tegen den inboud der acte gevorderd wordt, a/d. Voorge= fchrevene acten, om te bepalen of de fchulden van de vrouw niet ten laste van de gemeenfchap zijn, 1410. Zie “Curatele„ Erfenis, Geboorte, Huwelijk, Overlijden, Regten op eene nalatenfchap. ACTE VAN BEKENDHEID. Formaliteiten oi, in geval van huwe= lijk, de acte van geboorte, door eene acte van bekendheid aan te vullen, 71 én volg.—= Acte van bekendheid, om de afwezendheid te bewijzen van den bloedverwant in de opgaande linie, aan wien de acte van eerbied had moeten worden aangeboden, 155» ACTEN VAN DEN BURGERLIJKEN STAND. Regelen betrekkelijk dezelve, 34 en volg. Zie Burgerlijke fland. ACTEN VAN EERBIED. Zijn die genen, waar Loe de meerderja= rige kinderen, die nog tot het huisgezin behooren, verpligt zijn,@lvorens een huwelijk aan te gaan, ISI€n volg. ACTEN VAN UITERSTE WILLE. Zie Testamente Actie. Zie Regterlijke handelingen. Acrier. Waarin het actieve van de gemeenfchap beftaat, 14ole— Hoe het zelve verdeeld wordt, 1467 en volg. ADMINISTRATIE. Zie Beheering. p ApoPTiE. Op welke jaren, door wien, en ten opzigte van welke perfonen, zij geoorloofd is, en derzelver gevolgen, 343 en Volg.—— Vorm der adoptie, 353 en volg. Zie Oficieufe voogdij. AFGEZANTEN. Zie Diplomatieke Agenten. AFKONDIGING. Dezelve gefchiedt door het bevel, het welk aan de wetten here werking geeft, 1. Regels betreffende de huwelijks= afkondigingen, 63 en volg. Afkondigingen van huwe= lijken. van militairen, 94.—— Bij welke Mounicipaliteit de huwelijks-af kondigingen moêten gedaan wofden;, 166 en Dispenfatie van de tweede afkondiging, 169. AFKONDIGING DES HUWELIJKS. volg. Kk a Ars 8 k 8 t 516 REGISTER oP ner Arkoorinc. Na welk verloop van tijd het niet geoorloofd i te bedingen, dat eene rente niet kan afgekocht worde p î Ì 539 Arxortinc. In welk geval de kinderen van het eerfte bed eeu actie tot af korting of vermindering hebben, 1496, Arscnarring. Die der costumen en plaatfelijke keuren maakt dat de echtgenooten niet kunnen bedingen, dat hunne ver bindtenis door ééne dezer costumen zal geregeld word 1390. AFsCHEIDING. Zie Erf/cheiding, Grachten, Heggen, Muren. ArscueipiNg. Dezelve is noodzakelijk tusfchen naburige eige naars, en moet op gemeene kosten gedaan worden, 646. el, AFSCHEIDING DER SCHULDEN. Verpligting, welke uit dit beding voortvloeit, en deszelfs gevolgen, 1510 en volg. ÄFSCHEIDING VAN BOEDELS. De fchuldeifchers van den overlede nen kunnen dezelve vorderen, 878 en volg.— Preferenuw welke er uit voortvloeit, orir. ÄFSCHEIDING VAN GOEDEREN. In welk geval dezelve plaats heeft, en hare gevolgen, 1441 en volg.— Beding in het huwelijks contract, dat de boedels van elkander zullen zijn afgefe hei den, 1536.— Gevolgen van deze af{cheiding, betrekkelif het herroepen der vervreemding van het onrd@rend huwe lijksgoed, 1560.— Indien het huwelijksgoed van de vrou gevaar loopt van verloren te gaan, kan Zij de affcheidif der goederen eifchen, 1563. ArscuriFT. Welk bewijs de copiën of affchriften opleveren, wanneer de oorfpronkelijke acte al of niet aanwezig is. 139 en volg. Zie Titels, ArsTAMMING DER KINDEREN. Regelen omtrent dezelve, gre gl Hols,— Op welke wijze de afltammting van wettige kinde fen bewezen wordt, 319 en volg. AFSTAND. Wanneer, gedurende de afwezendheid- van den man, de vrouw de voortduring der gemeenfchap gekozen heeft, behoudt zij niettemin het regt, om bij vervolg van dezelw afftand ge doen, 124.— De(chuldeifchers van den vrucht gebruiker kunnen den afftand, welke in hun nadeel gedaan is, doen vernietigen, 622.— Gevallen, waar in de afftaud wan de erfenis, door één der erfgenamen gedaan, de aan vaarding van dezelve te weeg brengt. 780,— Regels aam gaande de repudiatie of afftand eener erfenis, 784 en volg.= Men kan van eene erfenis, welke mog niet vervallen is, gris par gene ze le en k waar de d jare van« gem gem en vene fcha wort hare (lan: geve van mee in dor Aff doo wolg geenen afftand doen, 791 en 1130.— De erfgenamen, dif eenig goed van de nalatenfchap mogten weggemaakt of ven enz; Ede zwe af WETBOEK NAPOLEON. si Ou zwegen hebben, verliezen de bevoegdheid om dezelve te verwerpen, 792,—— In hoe verre de erfgenaam, die van eene erfenis af{tand doet, de giften onder de levenden, en de legaten voor zich kan behouden, 845.— De echtgenoo- ten kunnen in het huwelijks-contract geenen afftand doen, u waar van het onderwerp ftrekken zoude, om de wettige or- l de der erfvolgingen@te veranderen, 1389.— De vrouw, of [ hare erfgenamen kunnen, na de ontbinding der gemeenfchap„ van dezelve afftand doen, wanneer zij zich in den boedel niet H gemengd hebben, 1453 en volg.— In welk geval de vrouw van de '_& gemeenfchap geenen afftand kan doen, 1455.— Formalitei- ten in acht te nemen door de vrouw, welke, de langstle: t vende zijnde, de magt wil behouden, om van de gemeen- Schap afftandste doen, 1456.— Geval, waar in de weduwe wordt verklaard in gemeenfchap te zijn, niettegenftaande haren gedanen affland, 1460.— Bepalingen omtrent den af- ftand, ten aanzien van de erfgenamen, 1461.—— In welk geval de vrouw, welke van haren man geheel, of flechts van tafel en bed gefcheiden is, geacht wordt van de ge- meenfchap afftand gedaan te hebben, 1463.— Geval, waar in de fchuldeifchers van de vrouw zich tegen den afftand, door haar gedaan, kunnen verzetten, 1464.— Tijd, tot het maken\van eenen inventaris, en om zich te beraden, 1465,— Afftand, door de erfgenamen, van de gemeenfchap, welke door den dood van de vrouw ontbonden is, 1466,— Ge- volgen van den afftand der gemeenfchap, door de vrouw gedaan, 1492.— De lssthebber kan den last opzeggen door van zijne opzegging aan den lastgever kennis te geven, 2oo7.— Schadeloosftelling aan den lastgever verfchùldigd, indien deze opzegging hem tot nadeel verftrekt, a/d,— Op welke wijze de afftand wordt verftaan van alle regten, ac- tiën en pretenfiën, in zake van transactie, 2045.— De pre- ferentiën en hijpotheken gaan te niet, door des fchuldeifchers afftand van het hijpotheek, 2180.— Mer kan van de verja- ring geenen afftand doen,can wanneer dezelve verkregen is, Lt 2220 en volg PAKTAND, Eenig geval, waar in men genoodzaakt kan worden de 6 0’ 5 E| Ì om van zijnen eigendom afftand te doen, 545.— De regten van gebruik en bewoning kunnen niet worden afgeftaan, è 635 en 634. de irTAND. Welke men moet ín acht nemen tot het aanleggen van eene verzamelplaats van zout, of bijtende ftoffen enz. tegen 4 eenen gemeeneu muur, 674. Zie Boomen. Bouwingen. wEZENDHEID. Op welke wijze men voorziet in de beheering der goederen, achtergelaten door iemand, dien men vermoede afwezig te zijn, 112,— Na welk verleop van tijd de afwe- Ee s zond ah 5 arg? en gen ij| Kl REGISTER OP HET zendheid van iemand, die opgehouden heeft te verfchijnen, wertiglijk verklaard kan worden, 115.— Onderzoek,’t welk deze verklaring moet voorafgaan, 116.— De vermoedelijke erfgenamen kuunen zich in het provifioneel bezit doen(tel len van de goederen van den afwezenden, die geene vol magt, om dezelven te beftieren, heeft achtergelaten, 120 en volg.—— Vermogen om het ftelief® in provifioneel bezit tegen te houden, ten behoeve van den echtgenoot, die in gemeenfchap van goederen getrouwd is,en die de voortdu ring der gemeenfehap verkiest, reg.— Regten, die door het ftellen in provifioneel bezit verkregen worden, 125 en volg.— Tijdverloop, na het welk de borgen ontflagen zijn, en men de verdeeling der goederen van den afwezenden kan vorde- ren, 129. Ten voordeele van wien de malatenfchap van den afwezenden vervalt, wanneer zijn overlijden bewezen is, 130.—- Terugkomst van den afwezenden, of bewijs, dat hîj nog in deven is, waar door de gevolgen van het vonnis, waar bij hij afwezend verklaard wordt, en van het ftellen in provifioneel bezit, ophouden, 131.—- Tegen wien die gene, die eenig regt ten lasten van den afwezen- den heeft, het zelve zal kunnen vervolgen, 134,—— Op wien de erfenis, waar toe iemand geroepen is, wiens aaïs wezen niet bekend is, overgaat, 136,— Wie het vermogen heeft, om zich tegen een huwelijk te verzetten, aangegaan gedurende de afwezendheid van eenen echtgenoot, 139.— In welk geval de echtgenoot van den afwezenden mag ver- zoeken ,om in het provifioneel bezit zijner goederen gefteld te worden, 140.— Toevoorzigt over de minderjarige kin- deren, wier vader afwezend is, 141 en volg.—— De vrouw van den afwezenden kan niet in regten verfehijnen, noch verbindtenisfen aangaan, zonder autorifatie van den regeer, 222. In welk geval een afwezend echtgenoot kan ont- kennen, dat het kind, het welk ftaande huwelijk ontvangen is, het zijne is, 312,— Wanneer een kind het ouderlijk huis verlaten kan, 374. Actie tot boedelfcheiding, hoedanig ten aanzien van afwezende mede-erfgenamen, 817, 819, 339, 840.— Verbindtenisfen, weike de vrouw bij afwezendheid van haten man kan aangaan, om aan hare kinderén eeno kostwinning te bezorgen, 1427.— Zie Boedelfcheiding, Ver- kaoping, Verzegeling. ArzETTING. Omftandigheden, welke de afzetting van voogdij te weeg brengen, 443 en volg.—- De bewaarders der hijpo- theken worden van hun ambt ontzet, voor de tweede over treding, 2202: Ärermern Gerucur.. Het zelve kan tot bewijs dienen, om den inventaris van erfenisfen, aan de echtgenooten in gemeen fchap vervallen, aan te vullen, 1415 en 1442=— Men kat ookt 10 Auwt AMB k WETBOEK NAPOLEON. 519 ook hier door de waarde bewijzen van het roerend goed, aan de vrouw ftaande huwelijk aangekomen,:504- ALGEMEEN NUT. Zie Eigendom, Servituten, Water. AuLuvie. Zie Aanfpoeling. AMBACHTSLIEDEN. Men kan met hun overeenkomen, dat zij alleen hunne moeite en arbeid, of wel dat zij ook de ftof- fen leveren zullen, 1787 en volg. De ambachuslie- den, die onmiddelijk en voor eenen bepaalden prijs een werk op zich nemen, zijn aan dezelfde regels gehouden, als de aannemers, 1799,—TT Tijd van verjaring ten hun= nen opzigte, 2273: AMBTENAARS VAN DEN BURGERLIJKEN STAND, Regelen, naar welke zij zich moeten gedragen, in het opmaken der ac= ten, 35 iot 58, Straffen tegen de ambtenaars van den burgerlijken ftand, die een huwelijk voltrokken hebben, zonder dat in de acte de vereischte toeflemming is uitge= drukt, of de acten van eerbied gemaakt zijn, 156 En 157° __—_ Geldboete voor het niet jn acht nemen der formali- geiten, betrekkelijk de afkondigingen, dispenfatiën, enz.s 192.—— De burgerlijke actie kan, in geval van bedrog in de acten, zelfs tegen de erfgenamen van den ambrenaaf van den burgerlijken ftand aangelegd worden, 200—= De echtfcheiding wordt door deze ambtenaars toegeftaan, git kracht van het definitief vonnis, 258, 266, 299 En 294- Zie Burgerlijke fland, Overtreding, Verbetering. AMBTENAREN VAN GEZONDHEID, Geval, waar in hunne tegen- woordigheid vereischt wordt, om het proces-verbaal van den ftaat van een lijk op t@ maken, 81.—— Hunne bevoegdheid om verklaring wegens zikkte te geven, 236e —_— Bij het leger kunnen de testamenten van krijgs- lieden gepasfeerd worden voor den opperften ambtenaar van gezondheid, 982. Hunne infchulden zijn gepre- fereerd, 2101. Zie Bevalling» Onbekwaansheid. AMEUBLISSEMENT._ Welk beding dezen naam heeft, 1497 en 1505. Gevolgen van het bepaald of onbepaald amen= blisfement, 1506 en volg. ANTICHrèse.. Zie Pand van onroerend goed. APOTHEKERS. Zie Onbekwaamheid, Verjaringe Appér. Zie Hooger beroep. Arneip. De eigenaar, die de vruchten zijner goederen wíl geniee ten, moet de kosten van ploegen, zaaijen&n arbeid vere goeden, 548. Zie Verjaring. Kk 4 Ar= di eee Úi 520 REGISTER o4 HET ARBEIDERS, De woonplaats van die, gefladigen dienst zijn, is dezelfde wien zij dienen of arbeiden, 109, welke bijeen ander in » als van den genen, bij ARBEIDSLOON. Zie Beplanting, Bouwing, Stoffen. ARcuirTecreN. Hij, welke voor:eenen bepaalden bouw heeft aangenomen, is, gedurende tien j woordelijk voor het inftorten wan het zelve, uit hoofde van eene gebrekkige bouwing, 1702, Hij kan geene vermeerdering van den Prijs vorderen, onder voorwendfel van vermeerdering, der dagloonen of bouwftoffen, 1703 Hij is verantwoordelijk voor den genen, die hij in het werk ftelt; 1797.— Waar in de preferentie beftaat van architecten, aannemers en metfelaars op de onroerende goederen, door hun gebouwd of herfteld, orog.— Pro- ces-verbaal, door de infchrijving van het welk de Preferen= tën behouden worden, ten aanzien van architecten„ ENZ. 2110, Na welk tijdverloop de architecten en aanne mers ontflagen zijn van de Vrijwaring van groote werken, welke zij gemaakt hebben, 21zo. Zie Gebouw, Huur en verhuring. Prijs een ge- aren, verant- el ARMeN. Zie Openbare geftichter. Arrest. Bijzondere vorm aangaande het ar andere werktuigen, die niet op palen ft betaling, in weerwil van EEn arrest gedaan, ís niet van waarde, 1o49. Geval, waar in het arrest oorzaak is, dat er geene compenfatie kan plaats hebben, 1298, In welk geval men niet kan bedingen, dat eene lijfrente niet arreftabel zijn zal, 1981. = De verjaring wordt geiïnterrumpeerde doorde Ínf(inuatie van het arrest aan den genen, wien men de verjaring beletten wil, e244. Zie Dagvaarding. rest op fchepen, en aan, 53I, De a Arrestatie. De arreftatie, onder de handen vân den bewaar nemer, belet de terùee S5ave van de in bewaring gegevene Zaak, 1944. Associaties. Die, welke zonder beding tusfchen den overlede- nen en één zijner erfgenamen is aangegaan, is gan geen in breng onderworpen, 854. Zie Compagniefchappeu van geld, Sociëreit, ASSURANTIE. Zie Contract van asfurantie, AUTHENTier, Waar in het authentieke der acten beftaat, 1319 en volg, AUrorrsarie, De vrouw heeft de autorifatie van haren man noodig om een Procès te voeren, ars, Geval van uit- Dur EJ WETBOEK NAPOLEON. 52r uitzondering, 216,—— Omftandigheden, uit hoofde van welke eene regterlijke autorifatte kan gevraagd worden, o18 en volg.—— In welke zaken de algemeene autorifatiën van werking zijn, 223.— Door wien de nietigheid, op het ontbreken van eene autorifatie gegrond, kan worden EBEN” geworpen, 225. autorifatie van het Gou wen nt is noodig tot het aannemen van legaten en giften, gedaan aan gasthuizen, armen en ftichtingen ten algemeenen nutte, 910 en 237—_— Noodige autorifatie om eene betaling te ontvangen, 1239.—- Handelingen, waar toe de vrouw eene seertigke autorifatie noodig heeft, 1427, 1449; 14593 1535» 1538, 1555 en volge Zie Vrouw, JJJ lr ad BADKUIPEN. Zie Schepen. Barker. Zie Levensmiddelen, BArcons. Op welken afftand van het erf van zijn buurman meu balcons of andere dergelijke uitftekende timm efen kan maken, 678. Barken. Derzelver reparatie behoort tot de buitengewoon groote reparatiën, 6o6. Men kan balken in eenen ge- meenen fcheidsmuur plaatfen, 657. DANKBREUK. De fchuldenaar, die bankbreukig geworden is, kan het voorregt eener bijgevoegde, tijdsb paling niet meer inroepen, 1188.—— Welke getolgen het bankbreukig worden; van eenen gedelegeerden fchuldenaar te weeg brengt, 1276. Regten, welke de fchuldeifchers- van de vrouw kunnen uitoe fenen.. pa dat de man bankbreukig is geworden, 1446.—- De bar breuk van een’ der gers- focieerden doet de focië dige 1865.———— Het bankbreukig worden van d endar van eene perpe- tuele rente, maakt de vereen losbaar; 1or3.» De lastgeving eindigt door antie—- Actie van den borg tegen den bank Jenaar, 2032,——= Tijd, voor eene voorgevalle kbreuk gedurende wel- ke de infchrijviagen der hijg 7e kracht hebben, 2146. Zie Af) D 7 teiding van goe„dere ny Boedel-aftand. Kk eg ak gea REGISTER or ner Banxier. Gevolgen der verbindtenisfen van den minderjarigen, bankier zijnde, 1309. Formaliteiten in acht te nemen tot de affcheiding der goederen van de vrouw van eenen bankier, 1445. BANKROET. Zie Bankbreuk, Boedel-affland, BASTAARD-KINDEREN. Zie Onechte kinderen. BrärBeipine. De dingen, welke tot beärbeiding van een erf dienen, worden voor onroerende goederen gehouden, 524. Brrouwine, De beesten, tot bebouwing van het land dienen- de, worden voor onroerende goederen gehouden, 522 en 524,—— In welk geval de gebruiker verpligt is, om de kosten van bebouwing te dragen, 635. Zie Huur-contract. BEDDEN. Dezelve maken een gedeelte uit der meubelen, 534. BEDIENAARS VAN DEN GODSDEINST, Zij kunnen geen voordeel » trekken van befchikkingen onder de levenden of bij testa- ment, ten hunnen voordeele gedaan, gog. Zie Emancipa= ze Minderjarige, Voogd. Bepinc. Men kan, in het algemeen, op zijnen naam, niets bedingen, dan voor zich zelven, 1119. In welk ge- val men, ten behoeve van eenen derden iets kan bedingen, II2l, Algemeen regt, bij ontbreken van uitdrukke- lijke bedingen, waar door de gemeenfchap geheel wegge- nomen of beperkt wordt, 1393. BepinG. Op welke wijze men een beding moet uitleggen, het welk voor tweederlei zin vatbaar is, 157. De niet uitgedrukte claufulen moeten worden aangevuld, 1160. Wet het beding van poenaliteit is, en deszelfs gevolgen, 1226 en. volg. Het beding, waar bij de fchuldeifcher gemagtigd zoude worden, om zich, bij gebreke van beta= ling, het pand toe te eigenen, is nietig, 2078. Brpine. Wijze van duistere of dubbelzinnige: bedingen, in zake van verkoop, uit te leggen, 1602, BeEDRIEGERIJ. In welke gevallen dezelve gepleegd wordt, en per- foneel arrest, het welk zij doet ondergaan, 2059 en volg.— Gevallen, waar in de mannen en voogden voor bedriegers gehouden worden, 2136, Zie Pandregt, Zeventigjarige lie- den, Beproc. De voogdij kan ontnomen worden aan die geen, welke dezelve door bedrog heeft verkregen, 421,— Een meerder= jarige kan tegen de aanvaarding van eene erfenis opkomen, wanneer dezelve gefchied is, ten gevolge van een tegen hem gepleegd bedrog, 783.—- Bedrog kan reden geven tot ek uie= her BEELDEN. WETBOEK NAPOLEON, 523 nietiging van boedelfcheiding, 887.—- Het zelve levert eenen grond op tot vernietiging der overeenkomften, 1109 en zaio,—— Het niet ten uitvoer brengen der verbindtenis, door bedrog veroorzaakt, is eene reden tot vergoeding van fchaden en interesfen, II5o,== Van welken tijd de actie begint te loopen; welke uit bedrog in de overeenkomften voortkomt, 1304.—= Welke prefumciën werden toegelaten, betrekkelijk de handelingen, welke uit hoofde van bedrog betwist worden, 1353.—” Gevolg van het bedrog van de zijde der erfgenamen van den man, in geval de vrouw van de gemeenfchap afftand wil doen, welke zij reeds te voren heeft aangenomen, 1455.— De lasthebber ís aan- fprakelijk wegens kwaad opzet, door hem in de uitvoering van zijnen last gepleegd, 1992. Transactie kan vernie- tigd worden in gevallen, waar in bedrog heeft plaats gehad, 2053. Wanneer dezelve voor onroerende goederen, of voor meubelen gehouden worden, 525 en 534 BEESTEN. Die, welke de eigenaar van Een land aan den pach- ter tot het bearbeiden van het land heeft gegeven, worden voor onroerende goederen gehouden, en die, welke hij aan anderen verhuurd heeft, behooren onder de roerende goede- ren, 522,—— De beesten, tot de bebouwing gebruikt wor- dende, behooren, uit hoofde van hunne beftemming, tot onroerende goederén, 524,—— De jongen, die uit iemands beesten geboren worden, behooren door het regt van accés= fie, aan den eigenaar, 547.—— De eigenaar is verantwooï= delijk voor de fchaden, door zijne beesten veroorzaakt, 1385. De beesten kunnen niet onder den titel van ver= bruìkleening, maar wel onder die van bruikleening gegeven worden, 1894» Zie Veepacht, Verantwoordelijkheid, Vrucht- gebruik, BEGIN vAN BEWIJS, Waar in het begin van bewijs door gefchrift beftaat, 1347- BeerAviNG. Noodige autorifatie en formaliteiten om met dezelve voort te gaan, 77 én volg. Becroorine. De goederen, door den vruchtgebruiker verteerd, moeten gewaardeerd worden, 587.— Door wien de begroo- ting der roerende en onroerende goederen, it eene nalaten- fchap moet gedaan worden, S24 Een 825. Begrooting van onroerend huwelijksgoed, in geval het zelve geruild wordt, 1559. Zie Boedelfcheiding, Inventaris, Minderjarig- heid, Verkoop, Vrijwaring. BeneeriNg. Regelen op de beheering der goederen van iemand, dien men vermoedt afwezeud te zijn, 12 en volg.—Aanftelling val ap en REGISTER oP» HET van eénen provifionelen beftuurder, om den Perfoon en de goederen van den verweerder, over wien curatele verzocht is, gade te flaan, 497 en vols.— Adminiftrateurs der domei- nen volgen den overledenen op, die geene bloedverwanten nalaat, welke volgens de wet bij verfterf kunnen Erven, 767. Verpligting der beftuurders van openbare geftichten, betrek kelijk de giften aan deze gedaan, 49.—= De opgedragene adminiftratie kan niet geweigerd worden, 1370.— De ben heering der goederen van de gemeenfchap behoort aan den man, 1421. Het zelfde heeft Plaats, ten- aanzien der goederen, aan de vrouw perfoonlijk toebehoorende; en van het huwelijksgoed, 1428 en 1549,—— De vrouw kan hare Paraphernale goederen beheeren, 1576.— De adminiftrateurs kunnen zich de goederen, aan hunne Zorg toevertrouwd, niet laten toewijzen, 1596.— Beheering der geasfocieerden, 1859. Zie Afwezendheid, Bewaarneming„Echtfcheiding, Mins derjarigheid, Voogdij. BEHOEDENDE SENAAT. De leden van dezelve Zijn van de voogdij verfchoond, 427. Breuoup. Hoeveelheid der goederen, welke men uit krachte van de wet behouden moet, en waar over men» noch bij gifte, noch bij testament, befchikken mag, 913 en volg. Brrnoúp. Die zich verbonden heeft om iets te geven, is ver- pligt voor het behoud van het zelve te zorgen, tot de leve- ring toe, 1136.— Wanneer men de teruggave van eene on= verfchuldigd ontvangene zaak heeft verkregen, moet men de uitgaven, tot het behoud der zaak gedaan, vergoeden, 139 Ie — De kosten, tot het behoud van eene zaak gedaan, zija geprefereerd op het goed zelve, aro2, BeEKENDreID. Voorgefchrevene formaliteiten voor de acte van bekendheid, gefchikt om de acte van geboorte van de aan- ftaande echtgenooten aan te vullen, zo en vols. BEKENTENIs. Hij, tegen wien men zich op een onderhandsch gefchrift beroept, is verpligt het zelve te erkennen of te ontkennen, 1323.—— Onderfcheid tusfchen de judiciële en extra-judlciële bekentenis, 1354.—- De laatfte is vruchte- loos, wanneer de eisch van dien aard is, dat geen bewijs door getuigen wordt toegelaten, 1355.— Wat eene judiciële bekentenisis, en derzelver gevolgen, 1356. BEKRACHTIGING. Welke acten door de regtbanken moeten bee rachtigd worden, 448, 467, 483 en 511. BEKRACHTIGING. Hij, die zich voor eenen derden fterk gemaakt heeft, is tot fchadeloosftelling gehouden, in geval deze wei gert om de verbindtenis te bekrachtigen, 1120,— Welk ge volg WETBOEK NAPOLEON. 505 volg de bekrachtiging van de minderjarigen, meerderjari geworden zijnde, te weeg brengt, 1311.— In welke vallen de acte van bekrachtiging al of niêt van waarde 1338 en volg. 4 BEKWAAMHEID. Vereischten, zonder welke men niet bekwaam is tot het doen eener gifte, oor. Aan wien, en op welk eene wijze, een minderjarige, geen zesfien jaren be- reikt hebbende, eene gifte mag doen, 903.— De vrouw mag, Zonder autorifatie van haren man, geene gifte doen, Jan bij testament, 9o5.—- Om bij giften te kunnen genie ten, is het voldoende, wanneer men op het oogenblik der gifte ontvangen, fchoon nog niet geboren is, 906,— Per- fonen, welke de bekwaamheid al of niet hebben, om te kunnen verbinden, 1123 en volg.— Vereischte bevoes; heid om de vernietiging der fchuld door betaling te weegt brengen, 1239 en volg.;—- tot de bekwaamheid van aan- biedingen, 1258.— Oorzaken en gevolgen der actië tot ver- nietiging der overeenkomften, ten aanzien van onbevoegden, 1304,— Welke perfonen bekwaam zijn om te keopen of te verkoopen, 1594. Zie Vovatie, Staat. 1: BELEDIGINGREN. Welke belet kunnen zijn, 231, 259 5 gifte, 955 en 1046. gingen eene reden tot echtfcheiding en tot herroeping van eerie BerecGiNeG. Moedanig de voogd het geen van. de inkomften van den minderarigen overfchiet, moet beleggen, 455 en volg.—— De Curaor moet zorgen, dat het kapitaal„ door den minderjarigen ontvang@n, behoorlijk belegd worde, 382.— De gereede gxlden, en die van den koop-prijs der verkochte goederen Zijn voortgekomen, moeten door den met de teruggave beZwaaïten perfoon worden belegd, 1065 en volg.— In welke gevallen Ye man al of niet tot vrijwaring gehouden is, indien de gefcheitan Zijnde vrouw nalatig is geweest, om den koop-prijs van sen onroerend goed, het well zij vervreemd heeft, weder t beleggen, 1450. Algemeene regels, aangaande bet bed; rd belegging in de huwelijks-contracten. 1553 en volg. Za Curaicle Wedern belegging BELEMMERING. Geval, waar in de verhuurder erpligt is, om| den huurder te vrijwaren, wegens de bele, ‚ EN| 5 or na„mering door dezen toegebragt, 172s en volg.-Zie Vrijwaring Berorre. Vorm en gevolgen der onderhandíche belot Bae pd Ed Regels, aangaande de belofte van verkoop„go bes volg. Zie Billet, BrLoor. Tot welk beloop van reuten eene lijfrente kan, fteld worden, 1976. Be. î Î U f BEPAA REGISTER of) mur BENADEELING. In welk geval alléén benadeeling eene reden kan zijn, om de aanvaarding eener erfenis te herroepen, 783.— Welke benadeeling regt geeft tot vernietiging van eene boe- delfcheiding, 887 en volg.—-— Geval, waar in dezelve de contracten vernietigt, IIIS.— Overeenkomften, waar in de enkele benadeeling eenen grond oplevert tor vernietiging van dezelve, 1305.— In welk geval de minderjarige wegens benadeeling niet herfteld kan worden, 1306 en volg.—— In welk geval benadeeling regt geeft tot vernietiging van den verkoop van onroerende goederen, en procedure ten dien opzigte, 1674 en volg.—— De vernietiging uit hoofde van benadeeling heeft geene plaats in het contract van ruiling, 1706;—— noch ook in eene transactie, 2052, Zie Vernie= tiging. BENADEELING. De fchuldeifchers kunnen opkomen tegen daden, welke ter verkorting of benadeeling van hun regt ge- pleegd zijn, 1167.—— Ook kunnen zij zich verzetten tegen de affcheiding van goederen, welke tot benadeeling van hunne regten is toegewezen, 1447;— En tegen den afftand der gemeenfchap, welke door de vrouw tot be- nadeeling hunner fchuldvorderingen gedaân is 1464. BENEFICIE VAN BOEDEL-AFSTAND. Tot dezelve wordt niet toe= gelaten de bewaarnemer, die zich aan ontrouw heeft fchul= dig gemaakt, 1945. BENEFICIE VAN INVENTARIS. De erfenisfefl aan minderjarigen vervallen, kunnen niet aanvaard worfen, dan onder bene- ficie van inventaris, 4Ól,——— Geval, waar in deze wij- ze van aanvaarden door de erfgeramen moet worden aan- genomen, 782. Waar de“erklaring moet gefchieden, dat men eene erfenis niet, dan onder beneficie van in- wentaris, wil aanvaarden, 7/5°” Tijd aan den erfgenaam toege- ftaan, tot het maken van pen inventaris, 795.— Tijd, om zich te beraden, ald:— cúftandigheden, welke den erfgenaam wan’ het beneficie’„t.'nventaris doen verftoken zijn, 8ot. —- Gevolg van Xt beneficie van inventaris, 802. Waar mede de-ffgenaam, die eenen boedel onder bene- ficie van invetaris aanvaarde, belast is, 803 en volg. Formaliteiter if acht te remen tot het verkoopen der roerende„onroerende goederen, 805. Borg te ftel- len, vor de waarde van de roerende goederen, in den inventS begrepen, 807. Wijze van betaling aan de gräldeifchers, 808 „ corp. Gevolg der deelbare verbindtenis, wanneer „ fchuld in een zeker bepaald goed beftaact, 121. Netten, omtrent het leveren van eene bepaalde zaak, 1245 In welke gevallen hieromttent aanbiedingen en bewaargeving van de verfchuldigde zaak kunnen rrd eb= Jer? Ber Ber De Ee en WETBOEK NAPOLEON, 5% hebben, 1364. De fehuldenaar van eene bepaalde zaak wordt ontheven door het verlies ván dezelve, 1302 Beparine. Die der hijpotheken ten aanzien van de mannen en voogden, 2141. BEPLANTINGEN. Die, welke de eigenaar het, regt heeft van te doen, 552 en volg. Zie Boomen, Bouwingen. Beprorvinc. Het vonnis, waar bij de echtfcheiding wordt toegeftaan, kan niet worden uitgefproken, dan na een jaar van beproeving, 260. Berraap. Welke tijd aan den erfgenaam, die eenen boedel onder beneficie van inventaris wil aanvaarden, is toegen ftaan, om zich te beraden over het aanvaarden of ver= werpen der erfenis, 795. De beraadflagingen en be= fluiten van den familie-raad moeten goedgekeurd worden, 459. Hoe lang eene weduwe zich kan beraden over het aannemen der gemeenfchap, 1456 en volg. Brroerr. De acten van den burgerlijken ftand moeten inhouden het beroep der partijen en dat der getuigen, 57» 63, 71» 73e Gevolg van het beroep van den man, met be- trekking tot het huwelijksgoed, voor de vrouw daarge= fteld, 1573. BEROEP OP EENEN STAAT, Zie Staat. BESCHEIDEN. Zie Titels. BescrerMinG. Die, welke de man aan zijne vrouw verfchufs digd is, 213. BescHikKing. Het regt van eigendom geeft het regt om over eene zaak te befchikken, 544» Men kan over zijne goe= deren, zonder daar voor iets te genicien, op tweederlei wijze befchikken, 893. Verbodene en geoorloofde befchikkingen, 896 en volg.—- De befchikkingen onder de levenden, of bij testamett, gedaan ten voordeele van genees- of heelmeesters enz., zijn nietig, 909. De bekrachtiging van het Gouvernement is noodig tot de be- fraanbaarheid der befchikkingen, gedaan tot voordeel van ° gasthuizen, van armen, of van eenige ftichtingen ten al- gemeenen nutte, 9Io. De befchikkingen, ten voor= deele van iemand, die onbevoegd is. om te erven, zijn nietig, QIr. In welk geval men ten Voordeele van eenen vreemdeling kan befchikken, 912. Gedeelte der goederen, waar over men befchikken mag, 913 en volt. Er zijn drie wijzen van uiterfte wils befchike kingen, 1oo2. De vader em moeder kunnen. de goe= deren, waar over zij het regt van befchikking hebben, 220 één REGISTER op HE tT Één of meer van hunne kinderen geven, met last om des zelve uit te keeren aan de kinderen van gemelde donata=- fisfen, reeds geboren, of nog geboren Zullende worden, doch niet verder dan in den eerften graad, toa. Regelen omtrent de befchikkingen tusfchen echtgenooten het zij bij huwelijks-contract, het zij taande huwelijk, logr en volg.® Zie Gifte, Reductie, Schenking, Testament. Vv aA BescnuLpieine. Die den overleden befchuidigd heeft, doch : lu welke befchuldiging bevonden is verdicht te Zijn, is on- re| waardig om Zijn erfvolger te Zijne: 727. Zijne kin- deren zijn het niet, 730,— De befchuldiging van valsch= Hebe! heid{chort de nakoming van eene acte OP» 1319. 8 + Ee H; BEsPOELING. Van welke wateren. men Zich bedienen mag, om | Zijne erven te befpoelen, 644. pi| d r. „ ij Bestaan. Het vestigen. van een beftaan of woonplaats in een bh eed ander land, doet de betrekking als Franschman verliëzen á a —— Het kind kan het bezit van zijnen ftaat bewij- zen door het beftaan of de kostwinning, welke hem door den vader gegeven îs, 3or. In de nalatenfchap most worden ingebraet al het geen befteed is om aan één der mede-erfgenamen een beftaan te bezorgen, 851. Zie Kin- deren, BESTAANBAARHEID. Wezenliike vereischten tot de beftaanbzar- heid der testamenten, 967 en volo.y=—= tot die der overeen= komften, 1108. Zie Aanbod, Bewaarneming ,‚ Confignatie, Vats A 3 Pester. In welk geval men als verhuringen befchouwt de bee ftekken of aannemingen, betrekkelijk he 8 een werk, 1;— Regels omtrent de gevallen, waar in de ambachtsman de ftoffe, als mede zijne moeite en ar- N beid levert, en het werk vergaat; 1787 en volg. Zie Aan= befleding, b et ondernemen van 7 6 PB SES E] Bestuur. De echtgenooten mogen verklaren, dat Zij van mee= 4 ning zijn hun huwelijk, of in gemeenfchap van goederen, Á of met uicfluiting van dezelve, en onder het beftuur van des À| vrouws huwelijks-goed door den man, aan te gaan, 1391 k Ì— Algemeene regels, aangaande dit beftuur, 1549 en volg.— Regrten van den man op het huwelijksgoed, en onvervreemd- Í Teruggave van het huwelijksgoed, 1564 en volg.—- Para- Ì Phernale goederen, 1574 en volg.—— Beding van eene ge= ki] meenfchap van aanwinften, 158r. Zie Gemeenfchap, Huwes De| lijksgoed, : BETALING. Grondregels omtrent de wijze en de beftaanbaarheid } der betalingen, 1235 en volg.——- Betaling met furrogatie, Ii ok 1249.—— Toerekening der betaling, 1253 en volge enn ded Î| baarheid van het onroerend huwelijksgoed, 1549 en volg.— men an TBOEK WE NAPOLEON. 52) ) 2 kj bod van betaling en confignatie, 1257. en volg. Hij 8 die vermeent van eene verbindtenis bevrijd‘te zijn ‚ moet Ei de beraling- bewijzen, 1315. Verpligting van betaling van de zijde van den kooper, 1650.—— In welk geval deze betaling kan opgefchort worden, 1653. Zie Schulden. » Brvarving,\ Verklaring te doen door de geneesheeren of heel- ch meesters, de vroedvrouwen, de ambtenaren van„gezond- , heid, of andere perfonen, die bij de bevalling zijn tegen- kine woordig geweest, 56. OCE Beveirreine. De fchuldenaár kan tot beveiliging van zijn erfoon afftand doen van zijne goederen, 1268. On > Bever. Fotmaliteiten, in acht te nemen omtrent van betaling, het welk de vervolging bij execu Cen vooraf gaan, 2217. Zie D ling„ Ontzetting dom, Verjaring. BevestieinG. Die van den inventaris, welke gemaakt is op het verzoek van de vrouw, welke van de gemeenfchap ftand wil doen, 1456,— Ten aanzien van welke zal de meester op zijn woord geloofd wo met betrekk tot zijne diemstboden, BevesTieiNe. Noodig vereischte tot de beftaanbaarheid van eene vernietiging zocht kan„worden, beves tied of bekrach- tigd wordt, 6 en volg. Brvorcpuein.)r erfenis te aanvaard Veder-inkcop. nij 19-verpiägt in zijn r hulden, uit de acte der de, a1o9.— Hij moet melding der aan hem overgegevene ftuk- arders der hijpotheken zijn gehou- it te leveren. van de acten, die Ll j REGISTER or ner ín hunne registers geregistreerd zijn, en van de beffaande infchrijvingen, of een certificaat dat er geene zijn, 2196, — Zijne verantwoordelijkheid wegens de nadeelen ic nala- tigheïd voort{pruitvende,en de verpligtingen, welke hem zijn ij opgelegd, 2197 en volg. Zie Zmfchrijving„Memoriën, Pand- ENE vegt, Preferentie, Reductie, Rooijering. Î Fe BEWAARNEMING. Het provifioneel bezit van de goederen van bd 1 eenen afwezenden, is niet meer dan eene bewaarneming, Í 125: Algemeene regelen omtrent de- bewaarnemingen hie en confignatiën, 1259 en volg, De eisch tot terugge Kon ve van iets, het welk in bewaring gegeven is, kan nie É in compenfatie! gebragt worden, 1293.— In welke geval | len de vrijwillige bewaarnemingen door titels of befchch f It den moeten worden bewezen, 1341 en volg,— Aard c h KART) wezen van het contract van bewaarneming, 1917 en volg, Ef E— Algemeene regels aangaande de noodzakelijke en reg terlijke bewaarneming, 1949 en volg.— Het perfoneel arrést heeft plaats in noodzakelijke bewaarneming, en voot de weder-oplevering van goederen, die onder fequesters, commisfarisfen of andere bewaarders, in bewaring gefteld waren, 2060.— De bewaarnemers kunnen nimmer iets door verjaring verkrijgen, 2236. Zie Overgifte, Sequestratie. ee KE BEWEEGREDENEN. Zie Vonnisfen. Bewijs. Op welke wijze de geboorten, huwelijken en fterfzes vallen worden bewezen bij ontbreken van registers van denf ‚ 46.— Bewijs, betreffende de afftammings ren, en het bezit van dien ftaat, 319 rijwillige teruggave van een oorfpronke: lijk onderhandscl js der fchuld, bewijst de kwijk 5 fchelding, Noodige bewijzen voor dt F onvermijdelijke toevallen, 1302.— Bewijs ten laste, val | den genen,die zich op het nakomen der verbindrenis bé- 4 roept. 1315 en volg.— Bewijs door gefchrift, 1317& d| volg.— In welke gevallen het bewijs door getuigen niet k Î wordt toegelaten, 1341 en volg.— Wat men verftaat doot cen begin van bewijs door gefchrift, 1347.— Prefumtiën if welke van bewijs ontflaan, 1352 en volg,— Welk bewijs Ö de eed oplevert, 1365.— Van welke bewijzen men zich mag bedienen bij ontbreken van eenen inventaris na den 4% gatuurlijken of burgerlijke dood, 1415 eD 1442. \ Welke‘dienen kunnen, om de waarde van het roerend burgerlijken fta „ van: wettige k en 324.— E goed, ftaande huwelijk aangekomen, te bewijzen, 1504—4 Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten in huut | zonder gefchrift aangegaan, 1715;— Roch ook tegen€D ” buiten het geen in de acte van fociëteit vervat is, 1834: j ms Bewijs door getuigen iu zake van bewaarneming, 1938 en WETBOEK NAPOLEON. 53t en 1950.— Het zelve wordt niet toeg laten ten aanzien van eene lastgeving, welke bij monde efchiedt, 1985 kad GO je afd Bewijs. Welk bewijs de authentieke en onderhandfche acteit it opleveren, 1319, 1329 En 13225— de registers en huisfe= lijke papieren, 1331 5— de copiën van titels, 13345— de bekentenis van partijen, 1356. BeEwonine. Op welke wijze het regt van bew ning wordt ver- kregen en verloren, Ó25 en volg. Hoe verre zich dik € J fe) ing 7 N ì kl regt kt, 632 en Volg. Men moet aan de weduwe eene woning bezorgen, 1570. Zie Gebruik, Woonplaats, Bezit. Wannêer kunnen de vermoedelijke erfgenamen van eenen afwezenden Zich in het bezit zijner goederen doen ftel- Sicht, len? 120,— In welke gevallen men geacht wordt tet oeder- trouw«te bezitten, 549 En 559.- eden, welke door het bezit worde Uren Hoe de aigemeene legataris zich in he: len, 1oo8. Wat het gevolg is van het bezit, onderï- fteund door acten van erkentenis en bekrachtiging _— Wanneer men de huurder bij het eindigen van de serfte huur in het bezit laat van het gehuurde, ontftaat er ® eene nieuwe kuur tot zijn voordeel, 1776 ie welke redenen alléén, de provifoneele bezitter van goe deren, aan eenen minderjarigen, aan eenen afwezenden, of aan iemand, die onder curatele gefteld is, toebehoorende„ ve kan hijpothekeeren, areó.——= Algemeene regels 2 133/° mm Om dez aangaande het bezit, 2228 e7 volge BEZIT VAN EENEN STAAT. De echtgenooten ,die van den huwelijks-ftaat beroepen, zijn nie de e van het van vertoonen, 195 van uwelijks-ftaat, de f die k BEZOEKENe Zie af BEZWAARDE MET Befchikkingen van het Wetboek 4 poeren welke de oude fubffitutiën verva 1048 tot 1074 74 8 Di Malan Ge ZIG NEUE. …e Emants in ii menos d Bijen. Bijeukorven zijn onroexende goederen, 5a4v Llg2 Bijen ed Hi, and 532 REGISTER or Her BIjENKORVEN. Dezelve zijn onroerende goederen, uit hoofde van hynne beftemming, 524. Bijsranp. Welke de echtgenooten aan elkander verfchuldigd zijn, 212. Bijzrr. In welk geval dezelve eene reden tot echtfcheiding is, 230. Bijzonper BENOEMDE VOOGD. Zijne, b&noeming en werkzaant- heden, 417. Zie Voogdij. BijzoNDERE CURATOR. Die eenen burgerlijken dood ondercaan heeft, kan niet in regten werfchijnen3 dan op den naam en onder her beftier van eenen bijzonderen cpra: Of, 25.— Benoeming van zodanig eenen curator over iems nd, die doof en ftom is, en niet fchrijven kan, tot het aannemen van eene gifte, 936. jd BijzonDe RE VoogpiJ. Het tegen elkander overgefteld belang der minderjarigen in eene boedelfcheiding geeft wok om aan ieder van hun eenen bepaalden en bijzondefen voogd toe te voegen, 838, BiLATERAAL. Zie Wederkeerig, 0 Birer. Noodige formaliteiten tot de beftaanbaarheid van on derhandfche billetten of beloften, 172 26— Welke prefum- tie voortvloeit uit eene verbindtenis, waar van de fom bij de onderftaande goedteuring uitgedrukt, verfchilt van dié, welke in de acte zelve vermeld is, 1327. BLIK VAN LEVEN. Men kan de verfchenen tenten niet vorde ren, dan door, van zijn leven, of van lijf‘dezelve gevestigd ís, te doen blijk pÀ den geen op wiens U, 1903. BLOEDSCHANDE. De demen, in bloedfchande geboren, kunnen noch erkend noch gewettigd worden, 331, 335» 342— De wet verleent hun alleen het od: ie“onderhoud, 762. Zie Kinderen in overfpel en în bloedfchande geboren. £ J BLOEDVERWANTEN VAN DE OPGAANDE LINIE. Het toevoorzigt over de kinderen van eenen afwezenden is vertrouwd aan de naaste bloedverwanten van de opgaande linie, 142,— jk is vêrboden in de egte lijn tusfchen bloed- van de opgaande en nederdalende linie,.16r.— onderhoud verfchuldigd aan hunne bloedverwanten lerdalende linie, 205€en 207,— Hunne autorifatie tot eene echtfcheiding door onderlinge toeftem- 23e en volg.— Verdeeling der erfenisfen, die dvrienden van de opgaande linie vervallen, 733 ez ‘eclte der goederen, waar over men bij gifte of 7 bij testament nier mag befchikken- ten nadeele der bloed- W TBOEK NAPOLEON. 533 verwanten in de opgaande linie,‘or5 en volg.— Aanne- ming, door den vader-en moeder, of verdere bloedverwan= ten hg de opgaande linie, van legaten en giften aan hunne minderjarige bloedverwanten in de nederdalende linie ge. pen 935-— In welk geval de bloedverwanten in de opgaan- de linie één’ der echtgenooten moeten vrijwaren wegens de fchulden, welke veg ten laste van den anderen heeft, 1513. Zie Bloedverwanten in de nederdalende linie, Bo gedelfchei nes Erfenis, Huwelijk, Hoogdtje LOEDVERWANTEN IN DE NEDERDALENDE LINIE. Het huwelijk is verboden tusfchen de bloedverwanten van de opgaande en nederdalende linie, 16r.— Tijd, gedurende welk en de afftammelingen van den afwezenden de te rug gave zi iner goederen kunnen vorderen, 133.— In het onderzoe om de echtícheiding zijn de kinderen en verdere komelingen van partijen reprochabel, op grond dat sen naastbeftaanden zijn, 251.— In welk geval de wettiging van onechte kinderen ten voordeele ftrekt van hunne af ke lingen, 332.— Hoe de graden worden gerekend tus- fchen perfonen, die de een van den a anderen afftammen, * 736.— Reprefefitatie heeft, in deze lini e, tot in het on- eindige plaats, 740.— De kinderen, of derzelver af ko melingen erven van hunne bloedverwanten in de opgaande linie, zonder onderfcheid van geflacht of eerstgeboorte, er 745.— In welke gevallen de kinderen en afftammelingen voor tusfchen beiden komende perfonen worden gehou- 1, QII en IToo.— Geoorloofde befchikkingen ten voor- deele der af(tammel ingen van den donateur, of van kin- deren van deszelfs broeders en zusters, 1048.—- Geweld, gepleegd tegen bloedverwanten in de nede ad of op- gaande linie is eene oorzaak om eene overkomst nietig te makea, 1113,— De echtgenooten kunnen geene verbind- aas gaan, met oogmerk, om de wettige orde der erfvol me van hunne kinderen of afkomelingen te ver- nderen,— Zie Bloedverwanten van de/ nde linie, Boedelfc heidion BLOEDVERWANTEN IN DE ZIJDLINIE. Orde va /olging der bloedverwanten in de zijdlinie, 731. Zi unnen!siften doen bij huwelijks-contract, 1032. Zie Broeder, Erfenis, Lime, BLOEDVERWANTEN VAN BEIDE ZJDEN BESTAANDE. Hunne regten omtrent de erfvolgingen, 733. BLOEDVERWANTEN VAN HALVEN BEDDE, Zij worden niet van de erfenisfen uitgefloten door die van heelen bedde, 733 en wol aller g.— Welk aandeel zij hebben in de verdeeling der er- fenis, 752 „1 3 BLOEP“ „834 REGISTER DP ikt Brorpverwantscrar. In welken graad dezêlve het huwelijk verbiedt, 161.— Verzoek door de bloedverwanten van den familie-raad, gedaan, tot het benoemen van een’ voogd over eenen minderjarigen, 406 en volg.— Elk bloedver- want is bevoegd om curatele over zijnen bloedverwant te werzoeken, 490:— Welk aandeel de bloedverwanten, van vaders of fchap hebben, 733,— De betrekking der bloedverwant- fchap wordt berekend naar het getal der generatiën, 735.— Bij gebreke van welke bloedverwanten de zijdmagen et= wen, 753.—_ Tot welken graad de bloedverwantfchap wordt gerekend in de erfvolgingen, 755.— Regten, wel- ke de bloedverwanten vanjeenen afwezeoden kunnen uit= oefenen, 817.— Op welk eene wijze de bloedverwanten in de zijdlinie, bij huwelijks- contract over hunne goede- ren kunnen befchikken, 1082 en volg.— De bloedverwan- ten van den man of‘de vrouw kunnen de infchrijvingen wan de goederen van den man, ten behoeve van de vrouw, vorderen, 2129. Zie Boedelfcheiding. 1 KE”„ol rag giek ay J man mrtn Bopemerij. Dezelve regelt zich naar de zee-regten, 1964 Borgen, Dezelve zijn niet begrepen onder de fpreckwijze van onroerende. goederen, 533-.-— De boeken van kooplieden leveren een bewijs op tegen hen zelven, 1330, Zie Re- gisterse. Boever. Regt, het de fchuldeifchers van eene nalaten- p] U eid 5 ne irnafanae Arre Jan Ì adal wan det ar fchap kunnen uitoefenen omtrent den boedel van den over- iid ledenen, 5 eo Ms S Sn S En ° BoeEpDeL- AFSTA te gevallen dezelve plaats kan heb- ben van de zijde der fchuldenaars, 1265.— Wat vrijwil- lige of geregtelijke boedel-afftand is, 1266 en volg.— Enkele gevallen, waar in de fchuldeifchers den geregtelijken afftand kunnen weigeren, en gevolgen van dezelve, 1270.— De bewaarnemer, die zich aan ontrouw heeft fchuldig ge- maakt, wordt tot het beneficie van boedel-afftand niet Mia dis toegelaten, 1945e BOEDELSCHEIDING. De regtbank benoemt eenen notaris om de afwezenden ín verdeelingen te vertegenwoordigen» 113.— De voogd kan geene verdeeling of fcheiding ei- {chen zonder autorifatie van den familie=raad, 465» Hoe de verdeeling gefchiedt met betrekking tot minderja+ rigen, 466.— Algemeene grondbeginfelen aangaaùde de boedelfcheiding, en procedures om dezelve te verkrijgen> Bis en volg,— De bloedverwanten in de opgáande linie mogen tusfchen hunne kinderen en afkomelipgen de ver. deeling en fcheiding hunner goederen maken, ideen Hor Bor ò 50 WETBOEK NAPOLEON, 535 Formaliteiten ten aanzien van deze. verdeelingen, 1076 en volg.— Benadeeling en andere oorzeaken, uit hoofde van welke dezelve kunnen begwist worden, 1079.— Grond. regels omtrent de verdeeling van het geen actief tot de gemeenfchap behoort, 1468 en valg,— Wijze van verdee- ling, na dat de echtgenooten uit den boedel hebben uits genomen, het geen zij vooruit genieten, 1474 en volg.— Hoe één der beide echtgenooten, de perfoonlijke{chuldei- cher van den anderen zijnde, zijne fchuldvordering ver- volgt, na het voltrekken der verdeeling, 1478.— Ver mogen toegeftaan aan den echtgenoot, die eenig erf of ftuk grond in de gemeenfchap ingebragt heeft, om het- zelve voor zich te behouden, door het in zijn aandeel te laten toerekenen, 1509. Men kan bij huwelijks- con- tract de ongelijkheid in de verdeeling der gemeenfchap bedingen, 1520.—— Verdeeling der vruchten van het on- roerend huwelijksgoed, bij de ontbinding van het huwe- lijk, 1571.—— Wijze van verdeeling van nalatenfchap- pen, tusfchen geasfocieerden, 1872. Zie Werkooping, Vere zegeling, Vrijwaringe Boete. Zie Geldboete. Boomen. De eigenaar van eeu land kan voor zich behou- den, of. doen uitroeijen de boomen, welke er door een ander geplant zijn, 553 Over welke boomen de vruchtgebruiker kan befchikken, 59o en volg.— Welke afftand naburige eigenaars in acht moeten nemen in het plenten van hoog opf{chietende boomen 671 en 672. Gemeenfchap van de boomen, welke in gemeene heggen gevonden worden, 673. Zie Kaphout, BooMKWEEKERIJ. Onder welke voorwaarden de vrucht gebrui= ker boomen kan trekken uit eene boomkweekerij, 5go. Boro. Welken borg de vreemdelingen ftellen moeten, die eenige vorderingen voor de regtbanken aanleggen, 16. Het zelfde heeft plaats ten opzigte van die genén, die zich in het bezit willen doen ftellen der goederen van afwezenden, 120 en volg,—— Hoe lang de afwezendheid moet voort- duren, tot het ontflaan van de borgen, 129,—— Welk eene moet gefteld worden, voor dat men genot begint te trekken van vruchtgebruik, of van regten van: gebruik en bewoning, 6or en volg. en 626.— Borg te ftellen door den langstlevenden echtgenoot, welke de erfenis van den voor- overledenen te rug vordert, 771.— Het zelfde heeft plaats ten opzigte“van den erfgenaam, die eenen boedel onder be- neficie van inventaris aanvaardt, 807.— De borg kan eene verbindtenis voldoen, 1236. Surrogatie heeft ook plaats ten aanzien van de borgen, 1252, Zij worden niet be= Ll4 vrijd, 536 REGISTER oP mer vrijd, wanneer de fchuldenaar het geconfigneerde goed te rug Bor neemt, 12ó6r. Door novatie worden zij over het alge-| meen ontflagen, 1281.— Gevolgen van de kwijtfchelding der fchuld, van compenfatie en van confufie ten opzigte der borgen, 1237, 1288, 1204 en 1301. Ten wiens voor- deele de eed verftrekt, welke aan den borg is gedefereerd„ 1365. De folidaire verbindtenis van de vrouw met den | gn wordt flechts geacht als borgtogt te zijn aangegaan„ iS:: 1431 Geval, waar in de vrouw, wiens man de echt= Br á ii fcheiding, of de feheid ng van tafel en'bed verkregen heeft E, j borg moer ftellen voor het geen zij vooruit geniet, I518.— if De‘borgtogt. voor de huur gefteld, ftrekt zich niet uit ei Ld tot de verpligtingen, die uit de’ verlenging der huur ont- 0 0 U ftaan. 1740.—_— Verpligtingen, waar aan de borgen zich Ì onderwerpen, eorr en volg. Vereischten, welke de borg é ded, AOR moet hebben, die door de wet, of door een regterlijk ge- kh Ae wijsde gefte eld is, 2040.— In welk geval er perfoneel arrest Le| tegen judiciële borgen plaats heeft, 2060. Het vonnis jd tot perfoneel arrest, het welk bij-provifie onder borgtogt à | 3 en En is, wordt niet opgefchort door het hooger be- Dac 2068. Zie Beneficie van inventaris, Borgtogt, Kwijt koten. Perfoneel arrest, Surrogatie, Uitwinning, Borcrocr. Deszelfs aard en ftrekking, oorr en volg. borgen der open ambtenaars verantwoordelijk zijn voor Dn de fchulden, well Rit hunne misbruiken en‘knevelarijen be zouden kunnen voorifpruiten, 2102. Zie Borg, Exceptie, Schuldvermenging mat nate het hout is afgehakt, set,——— Welk gekapt hout ki in de 8 emeenfchap komt, 1403, Zie Gebrwik, Kaphout, Vruchts gebruik. B rn Bouwine. Welke gebouwen de eigenaar op zijnen grond mag ftellen„552,—— De gebouwen, HepidebAekht en andere‘ werken, op of binnen den grond, worden geoordeeld doot À í del eigenaar gefchied te zijn; 553. Verfchillende ge- | vallen betrek! kelijk deze weken en beplantingen, 554 en i volg.—_ De opbouwing en reparatie van muren of hei- Î ning tot affcheiding dienende, zijn ten gemeenen laste eE der De hiene 663.—— Vereischte afftand, en tusfchen || beiden te maken werken, tot zekere gebouwen, 674.— à De nieuwe opbouwingen, op den gelegateerden grond, aken een gedeelte van het legaat uit, Ioig. Zie Gebouw s E Muur, IK k R OL Bouw. WETBOEK NAPOLEON, Sd BouwsTOFFEN. ie, welke van afbraak komen, zijn roerende goederen, 532.—s Apate de gebouwen, welke gemaakt zijn uit floffen of materialen, die niet aan den eigenaar van den grond toebehooren, 554@n volge BRAND. Gevolgen van brand, ten opzigte van eene zaak, welke aan vruchtgebruik onderworpen is, 624.—= Ver- ee der huurders, in geval van brand, 1733. BROEDERS. ih huwelij is verboden tusfchen broeders en zus- ters, 162. Zij kunnen zich tegen elkanders huwelijken ver: etten, 174.—— Zij kunnen den familie-raad Enitaken om eenen voogd te benoemen, 408.—— Zij kunnen tot toeziende voogden benoemd worden, 423,— Hun graad vau bloedverwant{chap, 738. Regelen omtrent de ver- deeling van erfenis( en, welke aan broeders, zusters, of derzelver afkomelingen vervallen zijn 748 en volg.— Onder welke lasten broeders donatarisfen kunnen zijn van hunne broeders, 1049. Bron. Welke de regten zijn van den eigenaar van den grond, aangaande eene wa aide ron, welke’ in dezelve ontftaat, en verjaring ten dien opzi ig„643 n volg. Zie Water. BRUIKLEENING. Waar in een beftaat, en verbindtenisfen, die hier uit voort{pruiten, 1875 en volg. Zie Leening. Bruivorrt. De kosten der bruiloft zijn aan geene inbreng on= derworpen, 852. Zie Huwelijk, Tweede huwelijken, BUITENSPORIGHEDEN. Zie Wreedheden, Buizen. Zie Goten. Buren.“Zie Nabuurfchap. Bureer-. Wet, ingevolge van welke de betrekking als burger verkregen en behouden wordt, 7. BureerLIjKe Doop. Welke veroordeelingen den burgerlijken dood veroorzaken, en hare gevolgen, 22 en VOLE.—— Regt van den‘Staat op de goederen, door den veroor- deelden verkregen, zedert dat hij tot den burgerlijken dood vervallen is, 33.— De burgerlijke dood doet het vruchtge= bruik, waar van de weraordselde genot trok, eindigen, 617. Dezelve ontbindt de gemeenfchap, raát en volg.3 — doet het regt tot vooruit-genieting vervallen, 15175— doet de fociëteit ophouden, 1865.—- Lijfrente eindigt niet door den burgerlijken dood van den rentheffer, 1982. Zie Contumacie, Dood. BURGERLIJKE REGTEN. De uitoefening van dezelve hangt niet af van de betrekking als burger, 7.—= Hoe dezelve wor- Ll 5 den me 38 REGISTER or Ker den verloren, 17 en 22.== De verjaring der ftraffe hers ftelt den veroordeelden niet, voor het toekomende, in zij= ne burgerlijke regten, 32. Zie Bewoning, Franschmans Vreemdeling„ Woonplaats. BuRrGERLIJKE STAND. Regelen, aangaande het opmaken der ac- ten van den burgerlijken ftland, 34 en volg. Registers, waar in dezelve moeten worden ingefchreven, 40 en volg. Voorgefchrevene formaliteiten ten aanzien der acten an den burgerlijken ftand, welke in een vreemd land ge- maakt worden, 47, 48, 170, 171, 999 En 1000 De belanghebbende partijen kunnen zich verzetten tegef de vonnisfen, betreffende de acten van den burgerlijken ftand, 54.——- Op welke wijze deze acten worden ingerigt voor de militairen, buiten het Fransch grondgebied, 88 en volg. Zie Ambtenaars van den burgerlijken fland, Overtreding, Registers, Valschheid, Verandering, Verbetering, Gi. Cassatie. Zie Hof van easfatie, Voorziening. Cemenr. De goederen, mer cement vastgehecht, zijn onroc= rende, 525, CERTIFICAAT. Die, welke de bewaarders der hijpoth@en ver pligt zijn uit te leveren, om te getuigen dat er geene infchrijvingen op hunne registers beftaan, 2196 en volg. Cessie. Zie Boedel-affland, CESSIE VAN, INSCHULDEN. Zij gefchiedt door de overgifte der bewijzen, 1689. Zie Overdragt, Kegten waar over ge= fchil is. CesslE VAN REGT, WAAR OVER GESCHIL IS» 1699e CessioNaris. Op welk eene wijze men den genen, aan wien het regt tot eene erfenis is afgeftaan, van de boedelfcheiding kan weeren, 841. In welke gevallen de fchuldenaar van de zask, welke aan eenen derden is afgeftaan, zich tegen den cesfioharis al of niet van compenfatie kan be= dienen, 1205.—- Formaliteiten, in acht te nemen door den cesfionaris van een bewijs van Schuld, om de executie te. vervolgen, 2214. Cuis WETBOEK NAPOLEON. 539 CHIRURGIJNS. Zie Heelmeesters. Cijrer. Zie Registers. Crausure. Zie Bedin CorLariee Zie Zubreng. RISSEN 3 WEGENS HET BESTUUR DER GELDMIDDELEN [ HET KEIZERRIJK VERANTWOORDELIJK ZIJN. Zijn van de voogdij verfchoond, 427e COMMISSARISSEN VAN HET GOUVERNEMENT BIJ DE REGTBANKENe 77 Zij mogen geene procesfen, waar van de beoordeeling ftaat aan de regtbanken van het resfort, waar zij hunne ambis- bedieningen waarnemen, door cesfie aan zich doen over- > dragen, 1597» COMMISSARISSEN VAN HET GOUVERNEMENT BIJ DE REGTBANKEN VAN DE EERSTE INSTANTIE. Zij. moeten dê registers van den burgerlijken ftand verifiëren, en de overtredingen vervor gen, 53- Zij geven hunne conclufiën op de goed- keuring van eene acte van bekendheid, 72;—— en op dé werbeteringen der acten van den burgerlijken ftand, 99.= Zij hebben het toevoorzigt over de belangens der afwezen- den, 11e en volg.;——= Zij vervolgen de ambtenaren van den burgerlijken ftand, wegens huwelijken, welke niet vol= gens de wet voltrokken zijn, 156;—— zij eifchen de nul- verklaring van huwelijken, aangegaan met overtreding der wet, 184, 190 en volg. Junne conclufiën op eene vordering tot echtfcheiding, uit hoofde van eene bepaalde oorzaak, 234 Verzoek,’t welk zij kunnen docú, wegens de bebeering der kinderen, gedurende de inftantie, en ten tijde van het verleenen der echtfcheiding, 267 en 302. Hunne conclufiën op eene vordering tot echt- {cheiding, 289.— De acten van appél, in deze zaak; worden aan hun geïnfinueerd, 292. De opfluiting van eerie overfpelige vrouw in een verbeterhuis, moet door hun worden voorgedragen, dos en 308,—= Hunne con- clufiën op de bekrachtiging der acten van toeftemming tot adoptie, 354 en volg.—— Hunne werkzaamheden, be- trekkelijk het in gevangenis zetten van kinderen, op ver- zoek van de ouders, 377 En volg. 5 de autorifatie aan eenen voogd te geven, ten einde voor den minderjarigen geld op te nemen, en goederen te vervreemden of te ver- panden, 458.—— Zij benoemen regtsgeleerden, om hun advijs te geven in eene transactie met eenen minderjarigen, 467.—— Hunne conclufiën zijn noodig tot eene bekrach=- tiging aan de toeftemming, welke den minderjarigen, die geëmancipeerd is, autorifeert om geld op te nemen, 483- ‚Zij moeten curaiele vorderen van meerderjaris i ee mm men 5 î É Î t Kyo REGISTER oP mer hoofde van Krankzinnigheid, aor en volg.— Concltt= fiën, welke zij geven op de bekrachtiging van het befluit van den familie-raad, welke de huwelijks-bedingen regelt van het kind van iemand, die onder curatele gefteld is, SII en volg.—— en op de verzoeken om in bezit gefteld te worden van nalatenfchappen ‚aan den langstlevenden echte genoot, en aan den Staat vervallen, 770. Zij vorde- ren de benoeming van. eenen. curator over eene vacerende erfenis, 8125—- de verzegeling der goederen, wanneer alle de erfgenamen niet tegenwoordig zijn, of wanneer zich onder hun minderjarigen bevinden, of zoodanige die onder curatele ftaan, 819. Zij doen ambtshalve de voordragt tot het vervallen verklaren der giften onder de ievenden, of bij testament, ín geval dat die gene, die met de uitkeering bezwaard ís, verzuimd heeft eenen voogd over den minderjarigen te benoemen, 1057; zoo als ook tot het maken van den inventaris na den dood van den donateur, zoo er ten verzoeke van den beZwaarden per- foon hier mede niet is voortgegaan, 1oór. In welk geval deze, commisfarisfen gehouden zijn om de infchrij- ving te vorderen van de goederen van mannen en voog- defis pisd De vonnisfen tot de. vermindering van hijpotheek, door de mannen en voogden gevorderd, moe- ten eerst na gedane tegenfpraak van hun, eflagen worden, 2145. COMMISSARISSEN VAN HET GOUVERNEMENT BIJ DE REGTBANKEN , mat VAN APPÉL. Hunne conclufiën op de vounisfen, betrekke= lijk de echtfcheiding door onderlinge toeftemming, 093. Inlichting, welke zij zich kunnen doen geven, nopens de beweegredenen, welke de orde tot het arrest van eenen minderjarigen hebben bepaald, 382. COMMISSARISSEN VAN HET GOUVERNEMENT BIJ DE REGTBANK VAN CASSATIE. Zij zijn van voogdij verfchoond, 427. Commopaar. Zie Bruikleening. CoMMUTATIEF. Zie Vergeldende, COMPAGNIE SCHAPPEN VAN GELD, Aard der actiën en aandeelen in deze compaguíefchappen, 5:20. Zie Sociëtcit. COMPENSATIE. Zij is een der middelen, waar door verbindte= nís(en te niet gaan, 1234. In welke gevallen ,„ en op welke wijze dezelve plaats heeft, 1289 en vols, Regten, ten nadeele van welke geene compenfatte wordt toegelaten„ 1299. Compenfatie, welke plaats heeft ten opzigte van den buurprijs, ín geval, uit hoofde ‚van het verlies. van den oogst, eene vermindering ge- vraagd 15, 1769,— Die eene zaak ter leen ontvangen heeft 0 WETBO heeft, kan dezelve niet in compe 4 geen de uitleener aan hem verfchu digd is,-1865a let BCoMmPROMIs. De magt, om eene trans piet in zich de magt om eene Zaak blijven, 1989 ConerLusiën. Zie Conumnisfarisfen van het Gouvernoment, MEID DE Bie re Een dt CONCURRENTIE. Zie Prefere: CONFUsIE. Zie Schuldvermenging. die Cor nftandigheden, kan configneren, van deze con= á d zt de o 5 / randen. van openbare an nbtenaren tot da zijn, 2060. 5) aangefteld, UTIE t velk geval de le noemd wordt, 1909.—— Lijfrente kan bij om A of op één AQ JO0 EN volg n contra 5 OI,—— Welke: contrac= \ CoNTR AC eer | ten/ 4 rkeerig, un e 4 IS, CO? 6-contrac= Ís n van we de/ onereufern titel aangegaan, IIo2 Ootzale n der nietig heid. van een contract, Iiro en volg.— Bekwaamhei: der contracterende partijen, 1123 en der contracten, riaóven volg. Zie CONTRACT, ONDER EENEN EREUSEN TITEL AANGEGAAN. befchikk, zedaan n voordeele van iemand ï bevoegd is n en, zijn nietig, wanneer men deze ch t onder de- eer titel a OI. NTIEs regelt zich naar de zee-reg , VAN HUUR EN VERHURING. Algemeene bepalingen ie ent dic coniract, 1703 en volg.—— Waar door het zelve te niet gaat, 1741. Zie Huur en verhuring. te« B CONTRACT VAN KOOP EN VERKOOP. Zie Koop en verkoop. 4 CONTRACT VAN SOCIËTEIT. Zie Sociëteit. Iken tijd de veroordee tumatie werftoken zijn van de uisoefening def burgerlijke ara M te op hunne CONTUMACIE. Gedurende we me ee mk a 543 REGISTER or HET Corse. Zie Affchrift. Cosrumen. … Affchaffing der plaatfelijke costumen, 1390, CurareLE. Woonplaats van den genen, aan wien het beheef zijner goederen onmomen is, 108.—— De vrouw van den oûder curatele geftelden mag geene verbindtenis aangaan zonder autorifatie van den regter, 222.—- Die onder cu« ratele gefteld zijn, mogen noch voogden, noch leden van den familie-raad zijn, 442.—— Welke ftaat vereischt, da iemand onder curatele wordt gefteld, 489.—- Welke perfosf# nen curatele kunnen verzoeken, en procedures, daar toe noodig, 490 en volg.——= Hoe de curatele eindigt, 51e.— De Commisfarisfen van het Gouvernement moeten gehoord worden in zaken van curatele, 515.—= Formaliteiten, bes trekkelijk de erfenisfen, opgekomen aan hun, die onder cu- ratele gefteld zijn, 776.— De giften ‚aan hun gedaan, worden door den voogd aangenomen, 935 en 1057.—- Ten wiens voordeele de interesfen en vruchten van de gelegateerde zaak loopen, tors.— Die onder curatele gefteld zijn, mogeuf L geene verbindtenisfen aangaan, 1124.—= Wanneer de tijd begint te loopen voor de actie tot vernietiging der overeen komften, welke door hun zijn aangegaan, 1304.—— Her ftelling tegen hunne verbindtenisfen, 1312.— De tijd, bij een beding van weder-inkoop bepaald, loopt tegen de ge- nen die onder curatele gefteid zijn, 1676,—- De curatele van één der geasfocieerden doet de fociëreit eindigen, 1065 — De lastgeving eindigt door curatele, 2003.—— Die on der curatele gefteld zijn, hebben het regt van legaal hijpo: theek op de goederen van hunnen voogd, 2121 en 2135.— Verjaring loopt niet tegen hun, 2252. D Curator. Dezelve mag zich niet tegen het huwelijk van zijd: nen pupil verzetten, dan mer autorifatie van den familie raad, 175. Adfiftentie van den curator bij de rekening en verantwoording der voogdij, 480. Zijn bijftand, tot het aanleggen. van actiën, betreffende onroerende goede: ren, en het ontvangen van kapitalen, tot roerend goed be- trekkelijk, 482. De giften, aan minderjarigen gedaan, moeten, op verzoek van de curators, ten kantore der hijpo: theken geregistreerd worden, 940. Over een verlatend onroerend goed wordt een‘curator aangefteld, 2174 CURATOR OVER LEENE VACEERENDE ERFENIS. Zijne verpligtingen, 813 en volge CURATOR OVER EEN NOG ONGEBOREN KIND. Dezelve wordt, bijde geboorte van het kind, van regiswege toeziende voogcy 393 D. Daams el 5 T ij WETBOEK NAPOLEON. 543 sG VAN nuweLijKsGOED. Ten aanzien van welke {lan worden daargefteld, 154 van het te nier gaan of verm nderen van de rente jar it het zelve beftond, 1569. DAprLIJK AANDoD.. Gevallen, waar in het zelve plaats kan heb- en regels hier omtrent in acht te nemen, 1257 en volge DADELIJKHEDEN. Zie Belemmering. Dacrooners. Formaliteiten, waar val hunne billetten of be= efteld, 1326. Zie Ver DAGTEEKENING. Hoe de onderhandfche acten en huur--contrae- zeke re dagteekening bekomen, 1328 en 1750 Zie 7,} Efa id. Regi sters, DAGVAARDING. De verjaring wordt geïnterrampeerd door eene s voor den vrede-regter, wanneer ging s voor de regtbank evolgd is, 2244 oo i5 Jaken is eene buiter ashes ele c e de vruchtgebruik DeeLBAARHEID. Gevolgen der deelbare verbindtenis, 1220 en Ig. DEELHEBBENDE LANDHUURDER. Hij mag het gehuurde niet af= traan, 1763.——— Hij is aan perfoneel arrest onderworpen, a06a. Zie Veepacht. DELEGATIE. ee erfgenaam, die eenen boe del onder beneficie van inventari aanvaard he eft, is gent ouden, om den koop= prijs der v: srkochte goederen bij delegatie aan de fchuldei- fchers aan te wijzen,#06.—== In welk geval del eene novatie te weeg brengt, en vernaal geeft op den fchul= zatie denaar, 1275€%#o/g« 544 REGISTER or ster Denpe, De eigenaar van‘den grond, waar op een derde beplan= tingen of gebouwen heeft gemaakt, heeft het regt om de- zelve voor zich te behouden, of om den derden wars pligten dezelven weg te nemen. 555.— De befchikkinsen waar bij belast wordt, om het ontvangene te bewaren. ka aan een’ derden uit te keeren, zijn nietig, 896,— Mie ftemming, verkregen door het geweld van eenen derden is nietig, IIII.— Bedingen, ten behoeve van eenen derden ïrrao en volg.— De overeenkomften befchouwd, ten aan- zien van derden, 1165 en volo. Verbindrenisfen, welke voldaan kunnen wôrden door eenen derden, 1236 en volg, Geval, waar in furrogatie, ten vbordeele van eenen derden, plaats heeft, 1249, ‚ Compenfatie kan geene plaats hebben ten nadeele van regten, deor derden verkfe- gen, 1208. Renverfalen zijn tegen derden van geene kracht, 1321. Geval, waar in met eene lijfrente kan vestigen, ten behoeve van eenen derden, 1973. Een derde kan voor den fchuldenaar eenig goed te pand ftellen, 2077.— Wanneer een hijpotheek van geprefereerde infchul- den werkt, ten aanzien van derden, ZED: DERDE BEZITTERS. Regten, welke, ín geval van herroeping van eene gifte, door den donateur tegen den derden bezitter der gegevene goederen kunnen uitgeoefend worden; 954.— Zij kunnen zich beroepen op- het nalaten der infchrijvingen van alle acten onder de levenden of bij testament, waar van eene gifte van roerende goederen, onder den last van terug gave, begrepen is, 1o7o.- Hunne regten, wanneer de actie tot vernieti ZEN, IÓRT,—— Wel- at, als hij de noodige fot- om zijnen eigendom vrij te maken, 2167 en volg.—- In welk geval hij zich tegen den verkoop van het gekijpothekeerd onroerend goed, het welk aan hem is overgegaan, kan verzetten, 2170.—— Regels, aangaande het laten varen van gehijpothekeerde goederen, ten aanzien van derde bezitters, 2172 en volg,—— Forma- liteiten, aan de derde bezitters voorgefchreven, om hunne eigendommen van preferentiënen hijpotheken vrij te maken, 2180. maliteiten niet in: DESKUNDIGEN. Zij, die in het provifioneel bezit dêr goederen van eenen afwezênden gefteld zijn, kunnen vorderen; dat door eenen deskundigen onderzoek naar derzelver ftaat ge- daan worde, 126.— Benoeming van eenen deskundigen’, om de goederen van eenen minderjarigen, waar van de va- der en moeder het genot hebben, te waarderen, 453 3 Zoo als ook de goederen van eene nalatenfchap, waar van de erfgenamen minderjarig zijn, 466. Deskundigen in eene boedelfcheiding, 824 en 8345—— tot de begrooting van Dev! Die D ï L WETBOEK NAPOLEON. 545 van het onroerend huwelijksgoed, het welk voor verruiling vatbaar is, 15563— tot die van een verkocht goed, in ge- val van vernietiging van den verkoop, uit hoofde van bena deeling„ 1675 en volf. \ Deuren. Dezelve zijn zigtbare dienstbaarheden, 689.—=—= De reparatie der deuren komt ten laste van den huurder, 1754» Diersrar. Het verlies van de geftolene zaak ontflaat den ont- vreemder niet van de verpligting, om de waarde te vergoe= den, 1302. Herbergiers zijn verantwoordelijk wegens diefftal van de goederen, aan hun toevertrouwd, 1953.— Hij, aan wien eene zaak ontftolen is, kan dezelve reclame= ren, gedurende drie jaren, 2279.— In welk geval de koop= prijs van deze zaak door den tegenwoordigen bezitter moet vergoed worden, 2280. Zie Herbergierse. DIENSTBAARHEDENe Zie Servituten. DIENSTBODEN. Zij hebben hunne woonplaats bij den geten, bij wien zij dienen of arbeiden, Tog.— Zij kunnen ge- tuigen zijn in eenen eisch tot echtfcheiding, 251. De legaten, aan hun gemaakt, kunnen niet in compenfatie ko= men met hun verdiend loon, 1023. Gedurende wel- ken tijd de weduwe zich van het noodig onderhoud voor hare dienstboden kan voorzien, voor rekening van den ges meenen boedel, 1465. Zie Huur, Schade Verjaring. DijkEN. Dezelve moeten herfteld worden ten kosten van den eigenaar van den grond, welke aan vruchtgebruik onder= worpen is, 606. De eigenaar van de lager liggende gronden mag geen dijk opwerpen, waar door de afloop van water belemmerd wordt, 640. DiPLOMATIEKE AGENTEN. Zij wettigen de acten van den bur- gerlijken ftand, 48. Zij zijn van de voogdij ver= fchoond, 428 en volg. Dispensarie. Het Gouvernement kan dispenfatie van ouderdom verleenen, omtrent het huwelijk, 145.——= Ook ftaat het aan het zelve vrij, om dispenfatie van de tweede huwe lijks-afkondiging te verleenen, 169.—_— Door de wet zijn geldboeten bepaald, in geval een huwelijk is aange- gaan, zonder de voorfchrevene dispenfatie verkregen te hebben, 192 en 193.—_— Ambtsbezigheden, welke dis- penfatie van voogdij geven, 427 eù 4e.—— Andere ge- vallen, waar in dispenfatie ís toegeflaan, 4339€ Volf, DisTELEER-KETELS. In welk geval zij worden befchouwd als onroerende goederen, 524. DomiciLies Zie Woonplaats. TE mmm gen ‘ att 546 REGISTER op ner DoNATIE, Zie Gifte. Doop. De griffiers der criminele regtbanken zijn verpligt om, na de uitvoering der doodvonnisfen, aan den plaatfelijken ambtenaar van den burgerlijken ftand toe te zenden de noodige berigten tot het opmaken der acten” van overlij den, 83. In geval van executie, of van eenen ge- weldigen dood, moet in de acten van overlijden hier van geene melding gemaakt worden, 85. De natuurlijke of burgerlijke dood doet het regt tot de vooruit-genieting vervallen, 1517. Die van den ambachtsman, van den architect, of van den aannemer, ontbindt het contract van huur van werk en dienften, 1775. Door den dood eindigt de fociëteit, 1865;—— en de lastgeving, 2003. Door-sromMeN. Wanneer zij fchrijven kunnen, mogen zij gif- ten aannemen, 936, DrorP of warrrLOOP, Men mag het water van zijne daken niet laten loopen op den grond van zijnen buurman, 681. DuisterHeiD. Zie Regters, Duiven. Die der duiventillen zijn onroerende goederen, uic hoofde van hunne beftemming, 524.—— Aan wien de duiven toebehooren, die ín eene andere duivenvlugt over- gaan, 564. DUIVENTILLEN. Zie Duiven, Dwaas. Een dwaas kan niet befchikken bij gifte of bij uiterften wil, gor. Dwaring. Dezelve doet de toeftemming van geene waarde zijn, 1Io9 en volg.—- Wanneer de tijd begint te loopen tot de actie, welke uit dwaling in de overeenkomftén voortkomt, 1304.—— Welk bewijs de dwaling of misflag in eene onderhandfche acte-kan opleveren, 1327.— Dwa- ling, om welke eene bekentenis kan herroepen worden, 1356e Men is verpligt te rug te geven het geen men bij vergisfing ontvangen heeft, 1376.—— Tegen transactiën kan niet worden opgekomen, uit hoofde van dwaling in het regt, 2052.—— Dwaling in den perfoon geeft regc tot de vernietiging van dezelve, 2053. Eene misflag in de berekening, in eene transactie begaan, moet verbe. terd worden, 2058. E. Ecur- ez| ite Ak" x ef Kon rn WE ET B Or E Kk NÀ Pp UW fe _ Le} Za ° A min md kar Eenrernoot. Zoo de eene echtgenoot afwezend is ‚ kan de ande In de re verzoeken om in her provifioneel bezit zijner goederen twe gefteld te worden, 140,—— Om zich op de regten van dor echtgenoot, en op de burgerlijke gevolgen van het huwe- 03, lijk te beroepen, moet men de acte van de voltrekking 5 van het zelve vertoonen„ 194.—-— Regten en pligten der 06 echtgenooten onderling, o1a en volg.— De vrouw kan bij den. familie-raad worden toegelaten, welke gehouden wordt om haren man onder. curatele te ftellen, 495.— Bij ont- breken. van erfgenamen gaan de goederen over aan den langstlevenden echtgenoot, 723 én volg.— De giften, aan één’ der echtgenooten bij huwelijks-contract gedaan, ver- wallen door het vóóroverlijden van den donataris en des- ej zelfs af komelingen, 1089.—: Algemeene regels omtrent dee gn ze giften, 191 en volg.—- Regten,„waar. van de-echtge: 4 nooten niet kunnen afwijken, 1388 en volg.— Bepalingen omtrent de:fchulden ten laste der gemeenfchap, wanneer eene nalatenfchap, gedeeltêlijk uit roerend, gedeeltelijk uit ' onroerend goed beftaande, aan een’ der echtgenooten ís te ze beurt gevallen,-1414 en volg.— De regten der echtgenoo- ten, met betrekking: op de gemeenfchap, ftrekken. zich‘tot hunne erfgenamen uft, 1491.— Wijze, waar op ieder der beide echtgenooten in,de lasten van het huwelijk draagt, 1537.— Im welk geval het contract, van koop en. ver- koop tusfchen …echtgenooten, geene. plaats kan hebben, 1595,— Verjaring heeft geene. plaats tusfchen echtgenoo- ten onderling, 2253 Zie Adoptie, Autorifatie, Erfenis; Gemeenfchap„ Officieufe voogdij. ECHTGENOOTEN. Gevallen,- waar in de nalatenfchap aan den langstlevenden der echrgenooten vervalt, en formaliteiten, 1% welke deze moet in acht nemen, 769 en volg.—. Wan- s neer beide de echtgenooten geacht worden legatarisfen te zijn, 1045. Ecurscueipinc. Door echtfcheiding, bij regterlijk vonnis toe- gewezen,; wordt het huwelijk ontbonden, 227,—— Om welke redenen. dezelve kan geëischt worden, en orma- liteiten«hier bij in-acht te nemen, 229 en volg.— Welke voordeelen de echtgenoót, tegen wien. dezelve. verleend is, verliest, 299.— Aan;wie van de beide echtgenooten Mm 2 de 8 & Î t 548 KEGISTER or wer de kinderen worden toevertrouwd, 302,— Regten der kinderen, 3o4 en 305.— Geval ,swaar in de echtgenoot, oorfpronkelijk gedaagde zijnde tot fcheiding van tafel en bed, de echtfcheiding kan vorderen, 310.— Gevolgen van de ontbinding der gemeenfchap door echtícheiding, 1441 en 1452.— Regelen, omtrent het aannemen of ver- werpen der gemeenfchap, door de vrouw, welke gefchei- den is, 1463.— Gevolg der echtfcheiding, ten aanzien van het geen vooruit genoten wordt, 1518. Zie Kostgeld tor onderhoud, Scheiding van tofel en bed, Vrouw.| EDELE GESTEENTEN, Dezelve zijn niet begrepen onder de fpreekwijze van roerende góedesen, 533. Erp. Regels aangdande de verfchillende foorten van eed, 1357 en volg.— In welke gevallen, en aan wien de eed kan worden gedefereerd in zake van verjaring, 2275. Zie Huur-contract. EersieD. Welke een kind aan zijne ouders verfchuldigd is, 3716 EERSTGEBOORTE, De oudfte van twee bloedverwanten in gelij- ken graad heeft den voorrang tot de voogdij, 407. De kinderen erven zonder onderfcheid van eerstgeboorte, 745e: EicENAAR. Hij kan zijnen nabuur verpligten om de naast el- kender liggende erven behoorlijk van elkander af te fchei- den, 646.— Hij kán zijn erf affluiten, 647.— Uitzonde- ring in geval van dienstbaarheid, 682.— Dienstbaarheden, welke de eigenaars op hunne eigendommen kunnen leg- gen, 686.— Regten van den eigenaar, aan wien eene“ dienstbaarheid verfchuldigd is, 697 en volg.— Om eene betaling van waarde te doen zijn, moet men eigenaar zijn van de zaak, die in betaling gegeven wordt, 1238. De eigenaar van een beest is verantwoordelijk voor de fchae den, die het zelve veroorzaakt, 1385. De eigenaar kan de roerende goederen, die tot ftoffering van zijn huis of van zijne landhoeve dienen, in arrest nemen, waneer die zonder zijne toeftemming verplaatst zijn, o1o2. EicENDoMm. Wat het zelve is, 544. In welk geval, en onder welke voorwaarden men kan genoodzaakt worden om van zijnen eigendom afftand te doen, 545.— Xegt van accesfie aan den eigendom van eene zaak, 546 en vols,— Hoe de eigendom verkregen wordt en’ overgaat, 711 en 712.—— Gevolgen van den boedel-afftand van den fchul= denaar, ten opzigte van bet regt der fchuldeifchers op den eigendom van Zijne goederen, 1269.— Verfchillende Manieren om den eigendom te verkrijgen, 1370.— De lastgeving moet uitdrokkelijk zijn tot het verrigten van gene daad van eigendom, 1988. Zie Grond, Schat. Er PisC Ei ti WETBOEK NAPOLEON, 649 Ë ErrANDEN. De eilanden; eilandjes, en door aanfpoeling droog ij, gewordene plaat(en, die zich op de beddingen van be- in vaarbare rivieren of ftroemende wateren ter nederzetten 4 behooren aan den Staat, 560 en volg. Eiscu. In welk geval het bewijs door getuigen niet wordt toegelaten tot de wettiging van eenen eisch, 1343-— Alle eifchen, welke niet volledig door gefchrift bewezen IN zijn, moeten in eene en dezelfde dagvaarding vervat wori= den, 1346. r ‚| EMANCIPATIE. Dezelve wordt naar regten door, het huwelijk te weeg gebragt, 476.— Hoe de emancipatie gefchiedt aan minderjarigen, die ongehuwd zijn, 477.— Welke reg. Cel, ten de emancipatie aan den minderjarigen geeft, 48o en 8 volg.——— Geval, waarin hij van hee voorregt der eman- tl ciparie kan ontzet worden, 485 en volg.— De minderja- rige, die geëmancipeerd is, wordt geacht meerderjarig te zijn in de handelingen; die tot zijnen koophandel betrek= king hebben, 487.— Gevolgen der emancipatie ten voor= deele van den minderjarigen, ingeval„van eene actie tot vernietiging der overeenkomst om benadeeling, 1395 Err. Zie Erffcheiding, Servituien. ERFDEEL. Dat, welk men genieten kan, wanneer men eene gemeenfchap aanneemt, Waar van verfcheidene erfgenamen ndé- afftand hebben gedaan, 1475° ERFDIENSTBAARHEDEN.” Dezelve zijn onroerend, 526. Zie Goe= deren, Servitutene Errenis. De nalaten{chap van iemand, die tot den burgerlij- ken dood veroordeeld is, ftaat open ten voordeele van zije zi ne erfgenamen, 25€ volg.— De woonplaats bepaalt de (cha plaats, alwaar eene nelatenfchap valt, 119. Wanneer, en ten wiens voordeele de palatenfchap van eenen afwes zenden vervalt, 130.— Nalatenfchap der geädopteerden, 351.— De voogd kan, zonder autorifatie, eene erfenis, op den minderjarigen vervallen, noch aanvaarden, noch. ver- werpen, 4ól.— Aan wien de verlarene nalatenfchappen toebehooren, 539%— De erfenisfen vervallen door den natuurlijken, en door den burgerlijken dood, 718 en volg. hi___— Aan wien de erfenis overgaat bij ontbreken van wete É tige erfgenamen, MT Grondbeginfelen aangaande het aanvaarden en verwerpen eener erfenis, 774 En volg.— Regels omtrent den afftand eener erfenis, 784 en volge— Gevolgen van het beneficie van inventaris, en verpligtingen wan den erfgenaam, die de nalatenfchap„alzoo aanvaard heeft, 793 en volg. In welk geval eene nalaten- fchap voor vaceerende wordt gehouden, en een curator Over Mm 3 de= mm mn en de REGISTER or ue dezelve te benoemen, 811 en volg,— Men‘kán geenen af= ffand doen van eene erfenis, die nog’ hiet vervallen is, 1130. De erfgenaam, die, eene erfenis onder benefis Cie van inventaris aanvaard hebbende, de fchulden der na- latenfchap mert zijne eigene penningen voldaan heeft, wordt aan den{chuldeifcher gefurrogeerd, resr.— Gevolgen der overeenkomften van hun die onbevoegd zijn, betrekkelijk de verdeeling van eene nalatenfchap, 1314.— Bepalingen KL omtrent de fchulden ván nalatenfchappen, betrekkelijk de gemeenfchap, Tali en velg.— Men mag het regt tot de nalatenfchap van cen nóg levend perfoon niet verkoopén, 1600.— Iofehrijvingen, door welke de fchuldeìfchers en Î Hi legatarisfen,; die de affeheiding van des overledens boedel Î É vorderen, hunne preferentie op de onroerende goederen der k Ke nalatenfchap behoudens orir.— Dé infchrijvingen, die B 07/ na het vervallen der erfenis gedaan zijt, zijn nietig, Wi, 2146.— De verjaring loopt tegen eene vaceerende nala- tenfchap, 2956. Zie Afiezendheid, Boedelfcheiding, Erfge- namen, Inbreng, Schulden, Verzegeling.—— geen ERFENIS. De actiën tor vordering van erfenisfen, betrekkelijk afwezenden, gaan alleen te niet door het verloop van den tijd, tot verjaring bijde wet bepaald, 137.== De verkooper van eene erfenis is niet verder gehouden; dan tot vrijwaring van zijne hoedanigheid van erfgenaam, 1696. Zie Erfgenamen. at h: ERFGENAMEN. De erfgenamen van eenen afwezenden kunnen | s.-rzich in het provifioneel bezit doen ftellen van zijne goe- deren, 120. Actiën, welke de‘erfgenamen van een kind, het welk zijnen ftaat niet heeft ingeroepen ‚ kun- haf nen uitoefenen, 3og. De voogdij gaat niet over op de erfgenamen van den voogd, 419. Regten der erfgenamen van den vruchtgebruiker, 590. et 599,== De wettige erfgenamen treden van regtswege in het bezit Ê der. goederen van den overledenen, 724.—_— De erf- 4 genaam,‘die: vân- de erfenis áfftand doet, wordt geacht Î gooit erfgenaam geweest te zijn, 785,—— Tijd, aan 4 den erfgenaam toegeftaân: om eenen inventaris te maken, | en zichs.als erfgenaam“onder beneficie“van inventaris te Î gedragen, 795 en volg.— De erfgenaam, die zich«aan het if verbergen van eenig goed fchuldig heeft gemaakt, is verftoken | van het beneficie van inventaris; 8or.— Lasten en voorreg- f ten van den erfgenaam, die eenen boedel onder beneficie van 4 inventaris aanvaardt, 802 en volg,—‘Gevolgen: van de boe- delfcheiding en inbreng, ten opzigte der erfgenamen s Sis en ra volg.— Hoe veel deamede-erfgenamen onderling toebrengen tor het betalen der fchulden, 870,— Gevolgen van boe- delfeheiding en van vrijwaring‘van het aanbedeelde, 883 en volg,=== Herroeping van eene gifte, uit hoofde van on= Beed WETBOEK NAPOLEON. 55r ondankbaarheid, tusfchen de erfgenamen van den dona- ls, teur en den donataris, 957.——” De erfgenamen van Ü den testateur, ten wier behoeven de wet een gedeelte der goederen buiten befchikking ftelt, komen, door zijnen dood, in het bezit van alle de: goederen der nalaten- fchap, 1004.——— De post van executeur van eên tes- h de tament gaat niet over Op zijne erfgenamen, 1031,== | Wanneer de geftelde erfgenaam onbevoegd is om eene be- le Schikking, bij testament gedaan, te genieten, vervalt des U zelve, 1043:——— De regten van den fchuldeifcher gaan pen over op zijne erfgenamen, 1179. Waänneer de foli- $€ daire fchuldenaar of fchuldeifcher elkanders erfgenamen edel worden, heeft er eene vermenging der fchulden plaats» der 1209. Gevallen, waarin de gevolgen van het be- di ding van poenaliteit door de erfgenamen verfchuldigd zijn, i 1232 en volg. Welke gevolgen de authentieke en onderhandfche acten te weeg brengen ten aanzien van de erfgenamen der contracterende partijn, 1319 en volg.— In welk geval de erfgenamen de nietigheid van eene gifte kunnen tegenwerpen, 1340. Beflisfende eed ten hunnen opzigte, 1365.— Omftandigheden, waarin vergoe. EN Qing verfchuldigd is aan de erfgenamen van een der echt- genooten, welke in gemeenfchap van goederen getrouwd zijn, 1403. Gevolgen van het aannemen en den afe ftand der gemeenfchap ten aanzien van de erfgenamen, 1453 en volg. Tijd, aan de erfgenamen van de we- duwe toegeftaan om eenen inventaris te maken, en afftand te doen van de gêmeenfchap, 1466.— Verdeeling der ge. N meenfchap tusfchen de erfgenamen, en beraling der fchul- k den,.1467 en volg., 1482 En volg.— Gevolgen van den afftand der gemeenfchap, door de vrouw gedaan, 1494.— De echtgenoot, die eenig erf of ftuk grond in de gemeen- {chap ingebragt heeft, kan het zelve voor zich behouden, door het in zijn‘aandeel te laten toerekenen„ 1509. Hun vermogen om de vervreemding van een onroerend huwelijksgoed te doen herroepen, 1560.— Teruggave van hect huwelijksgoed van de vrouw met betrekking tot de „erfgenamen, 1564€7 volg.—— Regten van de erfgena- men van den overledenen geasfocieerden, 1868,— Verja- ring heeft geene plaats ten opzigte van den erfgenaam on- B 5 a be der beneficie van inventaris, 2258.—— Zie Aanvaar” ie ding, Afjtand, Afwezendheid, Beneficie van inventaris, Er= gi fenis. oê EnrrscueipiNe. leder eigenaar kan zijnen grond of erf afflui= : ten, wanneer hij niet verpligt is om een regt van over- gang of uitweg te geven; 647 en 682.—— De afflui- ting doet naar evenredigheid het regt verliezen, om zijne beesten op de onbebouwd liggende landen te doen wei« Mm 4 den, ad, REGISTER or mer den, 64°. Vermogen, het welk de inwoners: der fteden hebben om hunne geburengin de kosten tedoen dra- gen, tot opbouwing en reparatie van muren of heiningen, waar door hunne hnizen, hoven en tuinen van elkander worden afgefcheiden, 663. Zie Grachten, Heiningen, Mu- ren, Rekening en verantwoording der voogdij. ERFSTELLING. Dezelve is geoorloofd aan iederen testateur, 967 en 1002, ErFvoLGING. Erfvolging der geadopteerden, 359.—— Welke vereischten tot de erfvolging noodig zijn, 725 en volg.—— Onderfcheidene orden van erfvolging, 731 en volg, Erf- volging in de nedergaande linie bij verfterf, 7455—=r in de opgaande linie, 746 en volg.; in de zijdlinie, 750 en volg. Onregelmatige erfvolging bij veriterf, 756 en vols. Regten van den langstlevenden der echtgenooten en van den Staat, 767 en volg. Men kan, in een huwe- lijks-contract, geenen afftand’ doen, gefchikt om de wettige orde der erfvolgingen te veranderen, 1389. De goede. ren, die bij erfvolgingen kunnen aankomen, komen in de fociëteit van alle tegenwoordige goederen nict verder, dan voor zoo veel het genot van dezelven betreft, 183 Ed 4 ERKENNING VAN KINDEREN, De acte, waar bij een kind erkend wordt, woet volgens deszelfs dagteekening in de registers geplaatst, en zoo er eene acte van geboorte aanwezig is, daar van op den kant van de acte melding gemaakt worden, 62. Ten opzigte van welke kinderen deze ei kenning geene plaats kan hebben, 335. Gevolgen van deze cr= kenning, en door welke perfonen dezelve kan betwist w or= den, 336 en volg. ERKENTENIS. Door welke acten van erkentenis men omtflagen L t kan worden, om den eerften oorfpronkelijken: titel te ver= toonen, 1337. De geregtrelijk gêdane erkentenisfen en verklaringen kunnen het judiciëel hijpotheek te weeg brens gen, 2123. Evicrie. In welk geval dezelve vrijwaring te weeg brengt tus- fchen de mede-erfgenamen, 884 en volg.— Verpligtinged van den verkooper, ten opzigte van den kooper,‘welke geheel of ten deele geëvinceerd is van het verkochte goed, 1626 en. volg. Gedeeltelijke evictie, welke den verkoop kan doen vernietigen, 1636.— In welk geval de verjaring niet meer plaats heeft ter zake van evictie, 1640,—- De geas- focieerde is gehouden de fociëteit te vrijwaren. wegens de Evictie van een zeker bepaald goed, het welk hij heeft in= gebragt, 1845. Zie Vrijwaring, Vernietiging. Ls zl | Fan WETBOEK NAPOLEON, 553 Ie Excepriën. Welke exceptiën door eenen folidairen mede-fchul- de denaar kunnen worden tegengewarpen, 1208. De be= ls vestiging, bekrachtiging, óf vrijwillige nakoming van eene acte, welke volgens de wet nietig zoude kunnen verklaard worden, brengt den afftand van alle exceptiën mede, 1338. Exceptiën, ten aanzien van welke de eed ambtshalve niet mag worden opgelegd„ 1367.— Die, welke de. borg aan den fchuldeifcher kan tegenwerpen, 2036, EXECUTEUR VAN EEN TESTAMENT. De testateur kan hier toe-één of meer perfonen benoemen, 1025. Welke perfonen ie hier toe niet kunnen gekozen worden, 1028 en volg. i Verpligtingen van de executeurs van een testament, 1o31€# volg. Zie Bezitneming. Executie, Van welke goederên de fchuldeifcher de ontzetting Ig van eigendom bij executie kan vorderen, 2204. Alge- We meene regels aangaande de executie, en formaliteiten, wel. ken dezelve vereischt, 2208 en volg. EL Famirie. Zie Adoptie, Familie-raad ‚Kind, Staat. Fauirie-RAAD. Door deze wordt het toevoorzigt over de kift= deren van eenen afwezenden opgedragen, 142. Des- zelfs toeftemming wertigt het huwelijk van minderjarigen, 160 en volg. De vrouw, voogdesfe zijnde, en zich ten tweeden huwelijk willende begeven, is gehouden den fami- lie-raad zamen te roepen, 395 en volg. In welk geval de familie raad ín de benoeming van eenen voogd moet voor- zien, 405 en volg. Bijéénroeping van dezelve, om uit- fpraak te doen over het uic{luiren of afzetten van eenen voogd, 446 en volg.—— Noedige autorifatie tot emancipae tie van eenen minderjarigen, 478.— Toeftemming, om den minderjarigen te autorifeeren tot het doen van geldlee- ief ningen, vervreemden van optoerende goederen,“enz., 483 asf en volg.;- om de actie tot boedelfcheiding aan te leg- de gen, ven aanzien van mede-erfgenamen, die minderjarig zijn, of onder curateele ftaan, 817. Zaimentftelling en werk- zaamheden van den familie-raad ter zake van curateete, 495 en volg,—— Befluit van den familie-raad tot het bepalen der infchrijvingen van hijpotheken, door de mannen of voogden Mm 5__ge- > en een een" à 554 REGISTER ot Her gevorderd, argt en volg. Zie Curator over het nag ongeborti kind, Echtfcheiding, Toeftemming, Toeziende voogd, Voogdij. Fipeicommis. Zie Teruggave: FRANSCHMAN, Regelen, aangaande het genot en verlies der burs gerlijke regten, 8 en volg. Nietigheid van alle acten, waar bij een Franschman in een vreemd land zoude mogen toegeftemd hebben tot het perfoneel arrest, buiten de geval len, in het Wetboek bepaald, 2063. o Gacee Zie Pand van roerend. goed. GASTHUIZEN. Zie Hospitalen, Openbare Geflichten. GEADOPTEERDE KINDEREN. Zie Adoptie, | GEBOORTE. Op welke wijze dezelve bewezen wordt, wanneer 2 er geene registers van den burgerlijken ftand befbaan, 46,— Tijd, en formaliteiten voor de acten van geboorte, 53 en | 3 vols.—- Bijzondere regelen omtrent de acten van geboorte op zee, 59 en volg.;— bij het leger, 92 en volg. Zie Af= flammins, Erkenning, Onderfcheid. Á GEBouw. De architecten en aannemers Zijn verantwoordelijk ; voor een gebouw, dat voor eenen bepaalden prijs is aange- nomen, en het welk vergaat uit hoofde van eene gebrekkige bouwing, 1792.— De ârchitect kan, voor éen gebouw bij aanneming, geene vermeerdering van prijs vordeten, 1793e De aannemer is verantwoordelijk door de genen, die hij in het werk ftelt, 1797.— Tegen wien de metfeldars„ |; úmmerlieden, en andere ambachtslieden, welke tot het zete ten van een gebouw, of van eenig ander werk, bij aanne- ming gemaakt, gebruike zijn, actie hebben, 1798. Zie, Aanbefteding. Ae) Î t f| GeBouweN. Dezelve zijn vit hunnen, aart onroerende goedereu,; 518.—- Gevolg van de vernieling van een gebouw, waar. op vruchtgebruik. gevestigd is, 624. Verantwoorde= lijkheid van de eigenaars, wanneer een gebouw inftort, 1386.:: honndih f GE- Gr G 1eë eu, jaat dee WETBOEK NAPOLEON. 858 GEBREKEN. Die, welke de gebreken niet weet van eenen tirel3 waar door hem de eigendom is gvergedragen, wordt geacht ter goeder trouw te bezitten, 550. Acten, tegen wel- ken de gebreken in den vorm niet kunnen worden tegengee worpen, 133%.— Wanneer een gebouw fchaden veroorzaakt heeft door deszelfs‘inftorting, en het zelve een gevolg is van verzuim vanonderhoud, is de eigenaar er voor verant= woordelijk, 1386.— Welke gebreken regt geven tot de terugga- ve van den koopprijs van verkochte goederen, en zeifs tot ver- goeding van fchaden en interesfen, 1641 en volg.— Binnèn wel ken tijd de actie, voortvloeijende uit gebreken, die de aan- matiging van den koop ten gevolge hebben, moet worden aan- gelegd, 1648.— Deze actie heeft geene plaats in verkoo- pingen die op regterlijk gezag gedaan worden, 1649. De huurder is niet verancwoordelijk voor den‘brand, welke door een gebrek in de inrigting van het gebouw veroor- zaakt is, 1733. GEBREKEN. Vrijwaring, tot welke de verkooper gehouden is, wegens verborgene gebreken van het verkocht goed, 164r en volg. Zie Aanneming, Huur-contract, Inventaris. Gesruik. Zaken, welke door het gebruik verteerd wórden, waar van zich de vruchtgebruiker kau bedienen, 587.—— Grondbeginfelen aangaande het regt van gebruik, 625 en volg. Het gebruik van bosfchen en wouden is bij bijz zondere wetten bepaald, 636.—== Gevolg van het gebruik ten opzigte van eenen gemeenen fcheidsmuur, 663 en 674- Regels omtrent het gebruik van fervituten, welke door den wil der menfchen zijn daargefteld, 686.—— Het enkel gebruik of genot van eene zaak kan het onder= werp van een contract uitmaken, 1127.—— De overeen- komften verbinden tot het geen door het gebruik gevorderd wordt, 1135- Ook naar het geen gebruikelijk is in het land, waar het contract is aangegaan, worden de overeen- komften uitgelegd, 1159. GECONSTITUEERDE RENTE, Men kan renten of als perpstuêle, of als lijfrenten conftirueren, 1910, De eerfte is uit haten aard aan afkoop onderworpen, 1911 en volge GEDENKPENNINGEN. zijn niet begrepen onder de fpreekwijze van roerende goedzren, 533- GepocEN. Noch het bezit, noch de verjaring kunnen gegrond zijn op daden, die enkel in gedogen beftaan, 2232. Gepráe. Zie onder het wootd Vaderlijke magt, de mâätrege- len welke genomen Zijn, in geväl van flecht gedrag der kinderen, Ge: eren en a ee 356 REGISTER oreert Geeoepneip. Hoe de gegoedheid van eenen borg wordt bes oordeeld, 2019. Zie Overdragt, GEHOORZAAMHEID., Die, welke de vrouw aan haren man ver= fchuldigd is, 213. Gerp. Onder de fpreekwijze van roerende goederen, is niet begrepen gereed geld, 533. Geld, waar van de vruchtgebruiker het regt heeft zich te bedienen, 587.— Ö) Wijze van collatie of inbreng van geld in eene nalaten= E ij fchap, 869. Welke fchulden gecompenfeerd. kunnen A, worden met geldfommen, 1291. Zie Leening. GELDROETE, Die, welke plaats.heeft om overtreding, door de Î; ambtenaren van den burgerlijken ftand gepleegd, 50.— (EE IA Vorderingen van dezelve te doen door den Procureur des ls Pee Keizers bij de regtbank van de eerfte inftantie, 53, k Ee Het vervallen in eene geldboete, om het voltrekken van een huwelijk zonder de toeftemming van ouders of ver= dere bloedverwanten, of vóór‘de twee vereischte af kon= digingen, 156 en 192,—— Op welke goederen de geld- boeten kunnen verhaald worden, die door den man of de vrouw verbeurd zijn, 1424 en volg,——— Geldboete, | waar in de bewaarders der hijpotheken kunnen vervallen, | 2202. Zie Overtreding, GeLDeN. Hoe de gereede gelden. worden aangelegd, welke uit befchikkingen onder de levenden, of bij testament, pe voortkomen, 1065. Perfoneel arrest heeft plaats | voor geconfigneerde penningen, 2060;— en voor’s lands gelden, ooze.—_— De gelden, tot verkrijging van een onroerend goed, of tot het betalen van werklieden, zijn geprefereerde fchulden, 2103. re E GELDLEENING. Autorifatie van den familie-raad, tot het opne= men van geld, ten behoeve van minderjarigen, 457. Formaliteiten, bij het doen van geldleeningen in acht te nemen, 483.——= Surrogatie, welke plaats beeft, Ml wanneer een fchuldenaar geld opneemt, om zijne fchuld dq f te voldoen, 1250. Die iets ter leen ontvangt, is || gehouden om tezorgen voor de bewaring der geleende ij zaak, 1880.——— Hij kan dezelve- niet in compenfatie ke brengen tegen het geen de uitleener hem fchuldig is, en hij is verpligt om dezelve op den bepaalden tijd te rug E te geven, 1885 en 19o2. Zie Curateele, Interesfen, Lees ning. GereverD corp. Het geen door„herbergiers is geleverd, is geprefereerd op de goederen der reizigers, alo2, Zie Kerfllokken, Levensmiddelen, Registers, Verjaring. wad Grs a WETBOEK NAPOLEON. 557 En GeLIJKSTELLING. Dezelve dient om de ongelijkkeid der loten te vergoeden, 833. Het. geen tot gelijkftelling der loten moet worden bijgebragt, in de verdeeling der ge- meenfchap tusfchen echigenooteu, 1476. Zie Terugkeering. GEMAGTIGDEN. In welke verklaringen zij de partijen kunnen' vertegenwoordigen voor de ambtenaars van den burgerlijkèn ' ftand, 36 en 38. Zij kunnen oppofanten zijn te R een huwelijk, 66;— zich verzetten tegen een nieuw hu- el welijk door den echtgenoot, gedurende de afwezendheid à van zijnen mede-echtgenoot aangegaan, 1395—— gedaagden zijn in eenen‘eisch tot echtfcheiding, 2435— leden zijn de van eenen familie-raad, 412;— eene gifte aannemen, 933 == en 9365— betalingen en aanbiedingen ontvangen, 1239 de en 1258. Hunne bekentenis levert een volledig be- ii wijs op in regten; 1356. Zie Lastgeving, Procuratie, B Gemeen. De goederen, aan allen gemeen, worden door de ee wetten van politie geregeld, 714» GEMEEN EIGENDOM. In“welke gevallen een muur geoordeeld wordt gemeen te zijn, 653 en 654. Hoe deze ge- 2, meenfchap wordt verkregen, 660. Gemeenfchap„ en betrekkelijk grachten of flooten, waar door twee erven wor den afgefcheiden, 666. Zie Boomen, Heggen, Muren. GEMEENscrar. Regten, welke een echtgenoot, die in gemeen= fchap van goederen getrouwd is, kan uitoefenen over de eigendommen van den afwezenden echtgenoot, I24e De vrouw, eene openbare koopvrouw zijnde, kan, zonder medehulp van haren man, de gemeen{chep verbinden, voor het geen haren koophandel betreft, 220, De vrouw, in gemeenfchap van goederen getrouwd, eifcheresfe in zake van echtfcheiding, kan vorderen, dat de roerende goederen, tot de gemeenfchap behoorende, verzegeld worden, 270,— Met welken dag de gemeen{chap van goederen, uit krachte van de wet; een aanvang neemt, 1399.— Waar in hes active der gemeentchap beftaat, raor en volg. Wat het pas(ive uitmaakt, en actiën, welke hier uit tegen de ge- meenfchap voort(pruiten, 1409 en volg. De man be- ftuurt alleen de goedereù van de gemeenfchap, r4ar en f 1422. Hoeveelheid, waar over men bij testament kr befchikken kan, 1423.—— Op welke goederen de von- nisfen, tegen één der echtgenooten uitgefproken, kunnen verhaald worden, 1424 en volg. In welke gevallen de handelingen van de vrouw de goederen der gemeen{chap verbinden, 1426 en volg. Regels, omtrent de ver- pligtingen van den man en de vrouw, 1429 en volg. zevolgen van de affcheiding der goederen, 1443 en volg.— Hoe de gemeenf{chap, ontbonden zijnde, weder herfteld kan wor î 14 _ PECICT ER Gial worden, 1451. Regels, aangaande het regt van over= leving, in geval van ontbinding der gemeenfchap, 1452.— Vermogen, het welk de vrouw of hare erfgenamen hebben, om de gemeenfchap„ na derzelver ontbinding, aan te ne- men, of daar van afftand te doen, 1453.—— Grondbe- ginfelen omtrent de verdeeling der gemeenfchap, 1476.—— Die eenige goederen der gemeenfchap heeft weggemaakt of verborgen, is van Zijn aandeel in gemelde goederen verfto— ken, 1477: Het pasfive der gemeenfchap, en hoe veel elk der echtgenooten in de fchulden dragen moet, 1482 en volg.—— Bepaling nopens de gemeenfchap, uit krachte van de wet, wanneer één der echtgenooten, of beide, vóórkinderen hebben, 1496. Gemeenfchap uit krachte van overeenkomst, en bedingen, welke de ge- meenfchap, uit krachte van de wet, kunnen bepalen, of zelfs geheel uitfluiten, 1497e De gemeenfchap, be- paald tot de aanwinften, 1498. Gevolgen van het beding, waar bij het roerend goed geheel of gedeeltelijk uit de gemeenfchap wordt uitgefloten, 15oo.—— Beding tot inbreng, en deszelfs gevolgen, 1505 en volg. Beding van affcheiding der fchulden, 1510 en volg. Bedin- gen, waar bij men aan elk der echrgenooten ongelijke dee len ín de gemeenfchiap aanwijst, 152o en volg. Ge- meenfchap onder eenen algemeenen titel, 1526 en volg,——= Overeenkomften, waar bij de gemeenfchap wordt uitgeflo- ten, 1529. Beding, medebrengende, dât de. echtge- nooten een huwelijk aangaan buiten gemeenfchap van goe- deren/, 1530 en volg.—— Beding, dat de boedels van el kander zullen zijn afgefcheiden, 1536 en volg.——— Met contract van verkoop kan tusfchen echtelieden beftaan, in geval de gemeenfchap van goederen is uitgefloten, 1595. Zie Affcheiding van goederen, Beftuur, Boedelfcheiding, Huwelijks- goed, Wederbelegginge GEMEENTEN. Bij de archieven der gemeenten wordt overgebragt en bewaard één der dubbelde affchriften der registers van den burgerlijken ftand, 40 en 43. De huwelijks-af= kondigingen gefchieden voor de deor van het huis der ge- meente, 63.——- Men mag den loop van eene waterbron niet veranderen, wanneer dezelve aan eene gemeente water oplevert, 643: Aard en gevolg der fervicpten, tot haar voordeel vastgefteld, 649 en volg. De gemeenten mo= gen niet tranfigeren, dan op autorifatie Van den Keizer, 2045. Zij hebben een legaal hijpotheek op de goe- deren van kunne beftuurders, die verantwoording fchuldig Zijn, or2I. Zij zijn aan dezelfde werjaringen onder- worpen, als de bijzondere perfonen, 2227, Zie Gemeente goederen, Giftes Verjaririgs Gr Gr Ge Gi op WETBOEK NAPOLEON. 559 GEMEENTE-GOEDEREN. Wat die zijn, 542. GeMis. Omftandigheden, welke het'gemis der burgerlijke reg- ten doen ondergaan, 17 en volg. GENEESHEEREN. Dezelve worden geroepen om het proces-ver- baal van den ftaat van het lijk op te maken, wanneer er tee- kenen zijn van eenen geweldigen dood, 81.—_— Hunne verklaring is noodig ,om den eifcher tot echtfcheiding, door ziekte verhinderd wordende, te autorifeeren, om den eisch It, in zijne woonftede te doen, 236. Zie Befchikking, Bevale ‚| ling ‚ Onbekwaamheid, ld e=.... cha GENEESHEEREN. Met welk tijdverloop de actie tot de betaling y: van hunne bezoeken wordt verjaard, 2272, Zie Onbe- L kwaamheid, DS(GENEESMIDDELEN. Zie Verjaring. di GENERATIËN. De betrekking der bloedverwantfchap wordt bere- ï kend naar het getal der generatiën, 735. ° GENooTscHAP,. In welke gevallen het lid worden van een vreemd genootfchap de betrekking als Franschman doec verliezen, 17 engyolg. GeNor. Welke formaliteiten er moeten plaats hebben, voor dat men van het vruchtgebruik genot begint te trekken, 6oo, Zie Goederen. GEREEDSCHAPPEN, Men befchouwt als onroerende goederen, uit hoofde van hunne beftemming, alle de gereedfchappeu, tot bebouwing, fmederijen, papiermakerijen en andere fa- brijken, 524.— Wanneer eene boerderij door den huurder niet voorzien is van de noodzakelijke bouwgereed{chappen, kan de huur vernietigd worden, 1766.—— De gelden, verfchuldigd voor gereedfchappen, zijn geprefereerde ine fchulden op de waarde, 2102. p GEREGTSBODEN. Zijn aan perfoneel arrest onderworpen, voor ak de. terug gave der aan hen toevertrouwde papieren, ge 2060, Zij hebben één jaar tijd om de betaling van hun loon te eifchen, 2272: Wanneer zij van alle aanfpraak tot uitlevering der papieren‘ontflagen zijn, 2276. Zie Openbare MAmbtenaars, Regten waar over gefchil is, Verjaring. 5 en— 4 GESCHENKEN. De- kosten en gefchenken der bruiloft zijn aan geen inbreng onderworpen, 852. — FR GESCHILLEN. Die, welke ontftaan wegens de rekening en ver- antwoording van eene voogdij, worden uitgewezen, even als alle andere burgerlijke regtzaken, 473.—. Die, welke ten á EE> oe ES A en me— en me REGISTER or ue rT ten opzigte van boedel-beredding plaats hebben, zijn orte derworpen aan de regtbank van de plaats, waar de na= latenfchap gevallen is, 822. Zie Regrerlijke Handelingen. Grscuriert. Het gefchrift, door eenen fchnldeifcher, aan den voet, of ter zijde van, of achter op de oorfpronkelijke titels gefteld, levert bewijs op, offchoon hetzelve door hem niet is onderteekend, 1332, Pra GesLacuHT. De acte van geboorte moet het geflacht van het Ë Ì kind inhouden, 57. Indien verfcheiden perfonen bij een en het zelfde voorval omkomen ,ckan de prefump- Î Hire tle van overleving door de kunne bepaald worden, 720 3; en 722, Men maakt tusfchen mede- erfgenamen Á geen onderfcheid van geflacht of eerstgeboorte, 745.— Batt 17 In het beoordeelen, of er geweld tusfchen de contractee- k Ik rende perfonen heeft plaats gehad, moet ook op de kun: Î ne acht gegeven worden, II12, GerrouwnHeiD. Welke de echtgenooten elkander. verfchuldigd zijn, 212. GETUIGEN. Welke de kunne en de ouderdom mogt zijn van die, van welke men in de acten van den burgerlüken {tand gebruik maakt, 37.— Getel der getuigen, vereischt tot het opmaken van acten van geboorte, 565 De ‚ acte van bekendheid, gefchikt om dezelve aan te vullen, B: gs tot het voltrekken van een huwelijk, 753— tot de acte van overlijden, 78,—— De eifcher en de gedaagde in zake van echcfcheiding zijn verpligt de ge. tuigen op te noemen, die zij van meening zijn te doen hooren, 242 en volg.—— Wie deze getuigen kunnen zijn, 251. De afftamming kan door getuigen bewe- zen worden, bij ontbreken van andere bewijzen, 323,— In een verzoek tot curateele, kunnen de daden, artikels y wijze in gefchrift vervat, door getuigen bewezen worden, (d 493:——— Getal der getuigen tot een testament, cu Kk. welke perfonen getuigen kunnen zijn, 971 en volg.——— \ Noodige vereischten der getuigen welke geroepen zijn, om bij het maken van een testament rvegenwoordig te zijn, Î 980.— Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten, f ij omtrent het geen boven, of tegen den inhoud der acte K | gevorderd wordt, noch ook voor eene fom, meer dan hon- derd en vijftig francs bedragende, 1341. Gevaar. De koop kan verbroken worden, indien er gevaar is, dat de verkooper het goed en zijnen koopprijs ver- liezen zal, 1655. B Gee GEV Gev (GEy (Ger —- en ere nn mmm enne WETBOEK NAPOLEON. 56t Gevar. Het geval, het welk men in een eontract tot uitlegging Dj der verbindtenis heeft uitgedrukt, beperkt dezelve nier, betrekkelijk de niet uitgedrnkre gevallen, 1164. den GEVANGENIs. Welke gevangenis de vader het kind kandoen on- : dergaan, het welk nog niet in zijn zestiende jaar getreden is, en formaliteiten hier bij in acht te nemen, 376 en volg Zie Derde beziiter. U GEVANGENISSEN. Hoe het overlijden in dezelve bewezen wordt, Ji 84. De vrouw, die haren man uit de gevangenis, wil fumr verlosfen, kan zich niet verbinden, noch ook hare goederen ’ verpanden, dan na alvorens daar toe door den regter geauto- lame rifeerd te zijn, 1427 en 1558. reve Wevorcen. Van de gevolgen van Affland van de gemeenfchap | Boedelfcheiding, Echtfcheiding, Huwelijk, Preferentiën en Hijpotheken. Zie deze woorden, GEVONDEN KINDEREN. Dezelve moeten bij den ambtenaar van . den burgerlijken ftand gebragt worden, 58. GeweLD. Hetzelve kan de boedelfcheidingen en transäctiën doen te niet gaan, 837 en 2053. De toeftemming, door ge= weld afgeperst, is van geene waarde, 1109.——- Hetzelfde heeft plaats in de verbindtenisfen en overeenkomften, ritr en volg. Van welken tijd af de actie begint te loopen, welke uit geweld in de overeenkomften voortkomt, 1304—= Daden van geweld kunnen geene verjaring ten gevolge heb- ben, 2233. Gewerp. Geene vergoeding van fchaden en interesfen heeft plaats, wamneer het niet nakomen eener verbindtenis ver= oorzaakt is door onvermijdelijk geweld, 1148.— Zelfsde dispenfatie in geval van brand, 1733. De huurders zijn niet gehouden wegens reparatiën, waartoe onvoor- ziene toevallen gelegenheid gegeven hebben, 1755. Zie Onvoorziene toevallen. GEWELVEN. Ten wiens laste de reparatiën zijn der gewelven van eenen grond, welke aan vruchtgebruik onderworpen 5 is, 606. Ik Gewijspe. Zie Kracht van gewijsde, GEZEGELD PAPIER. De registers van de bewaarders der hijpothe: ken moeten op gezegeld. papier gefchreven worden, 2gor. Girre. De voogd heeft de autorifatie van den familie-raad noos dig, tot het aannemen van eenegifte„aan den minderjarigen gedian, 463.——= Dic mn regt op eene nalateníchap bij B de: Ä En oe ESE A een edn en la ir 562 REGISTER or ner donatie overgeeft, wordt geacht de erfenis flilzwijgende aanvaard te hebben, 780,» Wat eene gifte onder de levenden is, 894.„Formaliteiten, welke dezelve vere eischt, gor en volg, Noodzakelijkheid, tijd en vorm der aanneming, 932 en volg. De toeftemming der partijen wordt vereischt, om eene gifte, behoorlijk aange« pomen zijnde, te voltrekken, 939,——— Registratie der acten, inhoudende giften van goederen, die gehijpothekeerd kunnen worden, alsmede de kennisgeving der aanneming, 939. en volg. Welke goederen alleen de giften onder de levenden kunnen bevatten, 43.—— Voorwaarden, Welke deze giften nietig doen zijn, 044 en volg. Nodige formaliteiten ten aanzien der giften van roerende goederen, 048, Het is aan den dorateur geoorloofd, om het vruchtgebruik der gegevene roerende en onroerende goederen, voor zich zelve te behouden, 949. Regt van retour of terugkeering, 951.—— Uitzonderingen van den regel, dat giften onder dz levenden onherroepelijk zijn, 953 en volg. Bepalingen, betreffende de giften onder de levenden, bij huwelijks- contract gedaan, aan de echtge- nooten, en aan de kinderen die uit het huwelijk(taan gebo- ren te worden, 1o8t en volg,—— In welk geval door eenen derden eene gifte kan bedongen worden, ten voordeele van eenen anderen, rior. De gebreken eener gifte kunnen door geene acte van bevestiging herfteld worden, 1339. Uitzondering op dezen regel, 1340. De giften onder de levenden of bij testament zijn geoorloofd in een huwelijks. contract, 1389.——= Op welke wijze, na de fcheiding der gemeenfchap, de giften worden gevorderd, welke de eene echtgenoot aan den anderen heeft mogen doen, 1480, sm Welke giften geoorloofd en verboden zijn aan de echtgenooten,die kinderen hebben uit een vorig huwelijk, 1527. Geval, waarin de gifte van het hu- welijks- goed geoorloofdis. 1555 mm De goederen, die bij gifte aan de geasfocieerden aankomen, komen, iu de fo- ciëteit niet verder, dan voor zoo veel het genot van dezel- ven betreft, 1877. Men kan bij gifte onder de leven= den geheel om niet eene lijfrente vestigen, 1969. Zie Bea fchikking, Herroeping, Infchrijving, Reductie, Schenking. GIFTEN EN LEGATEN. Wat defchenking bevat van een gemeubi- leerd huis, of met al het geen daarin gevonden wordt; 535 en 536. Inbreng door den donateur in de nalatenfchap te doen, 843 en volg.—- Geval van vrijftelling van inbreng, 847 en volg Gijzerine. Zie Perfoneel arrest, Gops- Grenda lood, erende Reo ST in, ns Je| leze WETBOEK NAPOLEON. 863 Gopspienst. Zie Bedienaars van den Godsdienst. GODSPENNING. Zie Belofte, Huur- contract, Gorp: or GOEDKEURING. Hoedanig onder aan een onderhandsch billet moet gefteld zijn, 1326, Goed HUISVADER. De voogd moet de goederen van eenen min- derjarigen befturen, zoo als het een goed huisvader past, 450, De vruchtgebruiker moet borg ftellen, dat hij de goederen als een goed huisvader gebruiken zal, 6ol.—— Dezelfde verpligting heeft plaats omtrent het genot van het regt van gebruiken bewoning, 627. Omtrent het be- houd van een aanvertrouwd goed, en het waarnemen van eens anders zaken, 4137 en 1374. Goepe Trouw. Wanneer een huwelijk ter goeder trouw, is aats gegaan, brengt hetzelve de burgerlijke gevolgen te weeg. piettegenftaande het nietig verklaard is, got en 2C2. Gevallen, waarin men geacht wordt ter goeder trouw eene verbindtenis te hebben aangegaan„ en wat hier uit voortvloeit voor het genot en den eigendom van een ander, 549 tot 555 Men moet in de nakoming der overeenkomf{ten ter goeder trouwe te werk gaan, 1134. De goede trouw wordt vereischt om in het bezit te blijven van een roerend goed, hetwelk aan twee onderfcheidene perfonen verbonden was, 1141!—- Gevolgen der betalingen, die ter goeder trouw gedaan zijn, 1940.—- Boedel-afftand vande zijde van den fchuldenaar, die ter goeder trouw gehan- deld: heeft, 1268.—- Gevolgen van de goede trouw, be-= trekkelijk den verkoop van eene ontvangene, doch’ niet vere fchuldigde zaak, 1380,— De goede trouw worct altijd geprefumeerd„ 2268, Gorpe zepen. De handelingen, welke ongeoorloofde bedingen bevatten en met de goede zeden ftrijdíg zijn, zijn nietig, 1133, 1172 En 1397. GorperenN. Bepalingen betrekkelijk de goederen van echtgenooten, welke gefcheiden zijn, 304 en volge — Aan wie, gedurende het huwelijk, en na de ontbin- ding van hetzelve, het genot van de goederen der kinde- ren toekomt, tot dat deze den ouderdom van achttien ja- ren bereikt hebben, of geëmancipeerd zijn, 384.— Lasten van dit genot, 385.—= Hetzelve heeft geene plaats, ten aanzien van den gefcheiden echtgenoot, noch ook van de, moeder, welke tot een tweede huwelijk is overgegaan„ 386e Goederen, der kinderen, tot dewel- ke het zich niet uitftrekt, 387.—= Onderfcheld der goe- deren, in roerende en onroerende, 516,— De goedee Nn 2 Ten NVE oe Ee pes en ee REGISTER or HET ren befchouwd met betrekking tot derzelver bezitters, 537 en volg.—=— De onbeheerde goederen, alsmede van hun, die zonder erfgenamen fterven, of wier nalatenfchap- „pen verlaten zijn, behooren tot de publieke domeinen, P 539. Regten, welke men op de‘goederen kan heb- ben, 543, De goederen, die geenen eigenaar heb- ben, behooren aan den Staat, 713.—- Zij zijn alle aan 4d dezelfde regelen in de erfopvolging Sonderworpen, 732, 4 Zie Boedelaffland, Eigendom, Gifte, Minderjarigheid Onroerende goederen, Pandregt, Roerende goederen, GOEDEREN TEN HUWELIJK AANGEBRAGT. Zie Huwelijks- goed, Ô ! GOEDKEURING. Man kan op grond van geweld, niet tegen een t' contract opkomen, dart goedgekeurd is, 1r15. Vorm se van de goedkeuring der ondezhand’che billetten of belof= 5 ten, 1326, GOEDKEURING, De goedkeúring van den fchuldeifcher, doer de be- taling, gedaan aan iemand, welke de magt niet had om te ont- vangen, van waarde zijn„ 1239. Goren. Die, welke tot waterleiding dienen, zijn onroerende goederen, 523, GOUVERNEMENT. De vreemdeling, aan wien het Gouvernement heeft toegeftaan om zijne woonplaats in Frankrijk te ves- tigen, heeft het genot der burgerlijke regen, 13. EEE v: Het Gouvernement kan eenen Franschman autorifeefen om openbare bedieningen buiten’slands aantenefnen, 17;—: de betrekking als Franschman wedergeven aan den genen, te die dezelve verloren heeft, 18 en 19: dispenfatie ‘ van ouderdom verleenen woor het huwelijk, 145;—= het Zi verbod van huwelijk opheffen tusfchen oom en nicht, moeie en neef, 1645—— dispenfatie van de tweede huwelijks-afkondiging verleenen, 169. De befchik- v kingen ten voordeele van gasthuizen zijn aan deszelfs / autorifatie onderworpen, 937. Zie Franschman, | Ô GRAAD. Wat men een graad noemt, 735. Tot in welken k graad de bloedverwanten erven bij verfterf, 755. Zie Lijn. Î à GRACHTEN. Bepalingen omtrent de gemeenfchap van grachten : en flooten, en derzelver onderhoud, 666 en volg. Zie 8 ij Poorten, Kl GRANEN. Zijn roerende goederen, zoo ras:zij zijn afgemaaid, Ne 520,—— In welke gevallen zij niet begrepen zijn onder 4 de fpreekwijze van roerende goederen, 533e— Onder ; welke voorwaarden de vruchtgebruiker zich kan. bedienen | vall id een 3 PR WETBOEK NAPOLEON. 55 van die, welke onder het vruchtgebruik begrepen zijn, 587—— Zie Levering. fo GRAvING. De ëigenaar van den grond mag in dezelve graven, 552.=— Uitzonderingen hieromtrent, a/d. GRIFFIERS DER REGTBANKEN VAN DE EERSTE INTSANTIE, Hunne verrigtingen betrekkelijk het dubbel der registers van den burgerlijken{tand, welke ter grifie worden bewaard, 43, 44» 49, 63;—— en in de procedures tot echtfcheiding, 249 en 267.— De affland van erfenisfen, en de verkla- ring van den erfgenaam, dat hij die hoedanigheid niet, dan onder beneficie van inventaris, wil aannemen, gefchieden ter griifie van de eerfte inftantie, 703,—- Het zelfde heeft plaats in geval van afftand van de gemeenfchap, door de langstlevende vrouw, 1457. Zij kunnen geen cesfionaristen zijn van regten, waarover gefchil is, en waar- van de beoordeeling ftaat aan de regtbank, bij dewelke zij hunne ambtsbedieningen waarnemen, 1597. GRIFFIERS DER CRIMINEELE REGTBANKENe Berigten, welke zij moeten toezenden aan den ambtenaar van den burgerlijken fland, ter plaatfe, alwaar doodvonnisfen zijn ter uitvoer gebragt, 83. GroNp. Wat de eigendom van den grond in zich bevat, 552,— De grond befchouwd met betrekking tot het genot van den vruch:gebruiker, 624. GRONpeN. Zie Aanfpoeling, Groor-Rrecrer. De vonnisfen van verklaring van afwezend. heid, worden door denzelven openlijk bekend gemaakt, IIë.— Grossen. De grosfen of eerst uit zelfde bewijs op als de oorfpronkelijke acte, 1335.— De grosfen van huwelijks- contracten mogen niet worden uitgegeven, zonder aan het einde der acte de veranderin. gen of tegenftrijdige gefchriften mede te laten volgen, 1397. Zie Titels, Guarantie, Zie Vrijwaring, gegevene acten leveren het H. Hanpet. De eigendom der za menfchen zijn, kan nie den, 2226, ken, die niet in den handel der t door verjaring verkregen wor- Nn 3 Han- p " h ‘ Í 366 REGISTERAoP SRE« HANDEUNe. Voorwaarden, zonder welke eene handeling tusfehen den voogd en den minderjarigen, meerderjarig gewerden zijnde, nietig is, 472. Hanpering. De fociëteit eindigt door de voltrekking der han- deling, waar voordezelve was aangegaan, 1865. HANDELINGEN. De voogd vertegenwoordigt den minderjarigen in alle burgerlijke handelingen, 450.—— Welke hande: lingen de. minderjarige, die geëmancipeerd is, doen kan, 481 en 482, Ouderdom, welke men bereikt moet hebben, om bekwaam te zijn tot alie handelingen van het burgerlijk leven, 488. Regels op de handelingen be. trekkelijk die, welke onder curateele(taan en verkwisters, 499 tOt 513. Alle daden waardoor verjaring ten aan- zien van een der folidaire fchuldeifebers gefluic wordt, ftrekken tot voordeel der verdere fchuldeifchers ‚1199._— Gevolgen der prefumtiên tea opzigte der handelingen, 1350.— Bepalingen aangaande de handelingen van den man of de vrouw in gemeenfchap, 1426. en volg. De daden, die alleen het behoud der goederen betreffen, heb- ben niet ten gevolge, dat men daardoor geoordeeld wordt zich in de gemeenfchap gemengd te hebben, 1454 en volge= Handelingen, de beheering van eene fociëteit betreffende, 1857. Zie Acten. Havens, Dezelve behooren tot de publieke domeinen, 538, HeermeesTErs. Hun loon behoort onder de geprefereerde fchulden, aror. Zie Bevalling, Onbekwaamheid, Verjaring. Heceen. Geval, waarin de heggen, die- de erven van elkander fcheiden, voor gemeen worden gehouden, 470,—- Welke afftand ín acht te nemen tor hec planten van heggen, 671, Zie Boomen, HerrpeReiers. Zij zijn als bewaarnemers verantwoordelijk voor de goederen aan hun toevertrouwd, 1952, Het geen door hun geleverd is, zijn geprefereerde infchulden, 2102,— Tijd van verjaring, 2271. HerBouwine. Noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker, zijn verpligt te herbouwen, hetgeen door ouderdom is inge- ftort, of daor een onvermijdelijk onheil vernield is, 607,— De fervietnten blijven voortduren in geval van herbouwing, 665. Zie Muren, Reparatiën, Herroeping. Redenen, waarom eene gifte kan herroepen worden, en gevolgen van deze herroeping, 953 en volg.— Men kan geenen afftand doen van de herroeping van eene gilte, wegens opkomende geboorte van een kind, 965,— Na welk genen tijd van bezit de verjaring kan worden Le: Ë WETBOEK NAPOLEON.” 567 tegengeworpen, uit hoofde van eene gifte, welke om deze yeden herroepen is, 966, Geheele of gedeeltelijke herroeping der testamenten, 1035.€2 volg. Latere testamenten, waarbij de voorgaande nietop eene uitdrukkes lijke wijze herroepen worden, 1036 en volg.— Re. denen, welke den eïsch ter herroeping eener befchikking bij uiterften wil aanneemlijk doenzijn, 1046e en volg.——= De giften tusfchen echtgenooten, ftaande het huwelijk gedaan, zijn altijd herroepelijk, 1096. Hoe men de overeenkomften kan herroepen, 1134.—_—= Oorzaken en gevolgen van de herroeping eener verbindtenis, 1183. Geval, waarin de verrigtingen van den geasfocieerden, met de beheering der zaken belast, herroepelijk zijn, 1856.== Herroeping van eene lastgeving, 2003€# volge HERSTELLING IN EEN VORIG BEZIT. Voor welke zaken het per: foneel arrest plaats heeft, ingeval van herftelling in een vo- rig bezit, 2060, Hijvorneek. Zie Pandregt. HorpANicHeD. Men moet, om erfvolger te kunnen zijn, de vereischte hoedanigheden hebben, 725.—— De erfgenaam© die deze hoedanigheid in eene acte heeft aangenomen, wordt gerekend de erfenis aanvaard te hebben, 778.- Tijd, gedurende welken de erfgenaam niet kan genoodzaakt worden om deze hoedanigheid aantenemen, 797 en volg. Hor VAN CASSATIE, De leden van hetzelve zijn van de voogdij verfchoond, 427. ZIonNie. Zie Bijenkorven. HoorpenN. Werdeeling van eene erfenis bij hoofden, onder de leden van denzelfden tak, 7435 7 onder de kinderen of derzelver afkomelingen, 7455 onder de zijdmagen, ingeval zij te zamen erven, 753 HoorosoM. Zie Kapitaal, Hoocer BEROEP, Van een vonnis, inhoudende verbetering van eene acte van den burgerlijken(tand, of opheffing van op- politie tegen een huwelijk, 99 en 178. Hooger beroep van vonnisfen tot admisfie in zake van-echt{chei- ding, 262, 263» 291€7 volge; van vonnisfen, welke eene adoptie bekrachtigen, 35705==” VAD vonnisfen, welke uiefpraak doen over afzeuing van voogdij, 448.== Zie Perfoneel arrest, JOOGSTAMMIGE BOOMEN. In welk geval het kapitaal van hooge° 8 Pp ftammige boomen roerend goed wordt, 52. Regten van den vruchtgebruiker hieromtrent, 591 en volg. Nu 4 Hose KE en oe EE en Wee en ie end hen. mee HosPITALEN. De hoofden en administrateurs der hos he 568* REGISTER or ner 3 f dminis pitalen zijn verpligt, om van het overlijden in dezelve kennis te geven aan den ambtenaar van den burgerlijken fland, Zo, Voor wie de acten van overlijden ín de militaire hospita len worden gepasfterd, 97. Hour. Zie Bosfchen, Kaphoute Hors. Wat de verkoop of fchenking van een huis, met al het geen daar in gevonden wordt, bevat, 53ó.-— Ten wiens laste de reparatiën zijn van de onderfcheidene verdiepingen van een huis, het welk aan verfchitlende eigenaars toebe. hoort, 664. Gevolgen van huurcedulien, welke de man gemaakt heeft van een huis, dat aan zijne vrouw toe- behoort, 1430.— Regels aangaande de voortduring of de vernietiging der huren, 1758. en volg. Zie Huur-contract, Huur en verhuring, Roerende goederen. Huis DER GEMEENTE. De huwelijks afkondigingen worden ge- daan voor de deur van het huis der gemeente, 63 HuIsseLIJKE PAPIEREN. Welk bewijs dezelve opleveren, 1331, …- ] In welk geval men zich van dezelwe kan bedienen in plaats van eenen inventarisder erfenisfen, welke aan ech:genooten, in gemeenfchap van goederen getrouwd, zijn te beurt gee vallen, 1415. Huur. De huishuren worden gerekend van dag tot dag verkre. gen te worden, 586,— Interesfen, welke de huren voort- brengen, 1155.—_— Tijd, gedurende welken de weduwe geene huur verfchuldigd is aan de gemeenfchap, 1465. De huren zijn geprefereerde infchulden, 9102 der huizen worden verjaard met vijf jaren, 2272. Die Huur EN VeRHURING. Er zijn twee foorten van contracten van huur en verhuring, 1708. en volg.—— Verfchillende foor- ten van verhuring of verpachting, 1711 en volg. De huurder, die het huis van geen genoegzaam aantal meubelen voorziet, kan uit hetzelve gezet worden, 1752.— In hoe verre de tweede huurder ten aanzien van den eigenaar gehouden is, 1753.-—— Huur van werk en dienften, 1779.——= Huur van dienstboden en arbeiders, 1780,— Ten aanzien van welke zaken de meester op Zijn woord ge- loofd wordt, 1781.—— Huur van voorlieden en fchippers, 1782, Die van aannemers ten gevolge van beftekken en aanbeftedingen, 1787. Het huur- contract van werk of dienften wordt verbroken door den dood van den am- bachtsman, vau den architect, of van den aannemer, 1795: Lie Huur. contract, Landhuren, Reparatiën, Huure LAI iv Hi nn en WETBOEK NAPOLEON, 569 zijn Hour-conrracT. Voor hoe lang minderjarigen, die geëmanci- en peerd zijn, huur-contracten mogen aangaan, 48l.—= En, Bepalingen betreffende de huur-cedullen, welke de man ne.° Le pens de goederen van zijne vrouw gemaakt heeft, 1429 es volg.—_—— Opgave der verfchillende foorten van huuren verhuring, als van huizen, van erven, van arbeid of dienst, en van-veepacht, I71te De verpachtingen van na- l tionale goederen, en van die van gemeenten en openbare vie etablisfementen, zijn aan bijzondere reglementen onderwor- nge pen, 1712 Regels aangaande de verhuring in het oeh algemeen, 1713.€ volg.—= Bijzondere regels omtrent ed: de huur van huizen en roerende goederen, 1752 en volg.;— ma omtrent huur van landen, 1763 en volg 5 omtrent ais veepacht, 1800 en volg. Perfoneel afrest kan bij een kin huur contract bedongen worden, 2062. Zie Borg, Belein- bi mering, Huurder, Reparatiën, veepacht. Huurper. In welk geval de, huurder het regt heeft om weder a re verhuren,#717.—— Voorname verpligtingen, tot welke hij gehouden is, 1728. Geval, waarin het gebruik, vi hetwelk hij van, de gehuurde zaak maakt, aanleiding kan ns geven tot de vernietiging van de huur, 1729.— Wat het gevolg is van het niet maken van eene befchrijving je van den ftaac van het gehuurde, 1731.—- Verminderin- mek gen en verliezen, waar voor de huurder verantwoordelijk is, 1732 en volg. Regels betreffende de veepache ten; 1806 en volg, Zie Huur-Contract, Land-huren. Huurpers. Hunne verantwoordelijkheid betrekkelijk de geval. len van brand, 1734. Men kan den huurder, welke hi een authentiek huur-contract heeft, niet noodzaken om het gehuurde te ontruimen, 1743, Zie Huur- Contract„ Huur en verhuring. vAn Ivwerijk. De burgerlijke dood maakt iemand onbevoegd om (oor. een huwelijk aan te gaan, en ontbindt, voor zoo verre De alle burgerlijke gevolgen betreft, het huwelijk te voren gien aangegaan, 25.= Hoe het huwelijk bewezen wordt, Je wanneer er geene registers beflaan, of dezelve verloren naar geraakt zijn, 46.— Formaliteiten, betrekkelijk de af kon- ten, diging, het voltrekken, en de oppofitiën, 6r en volg— ae Vereischte ouderdom om een huwelijk te kunnen aangaan, | ger 144.—— Dispenfatie, 145. Men kan geen twee- ers, de huwelijk aaugaan voors de ontbinding van het eerfte, ken&© 147.——— Tot welken ouderdomde toeftemming van den werk vader en moeder noodig is, 14°.—- Voor wie de open- aut bare voltrekking van het huwelijk gefchiedt, 165,== zg Noodige vereischten tot de beftaanbaarheid van een huwe: lijk, in een vreemd land aangegaan, 170 en Ijr.— Door wien de eifchen tot nul-verklaring des huwelijks as kunnen gedaan worden, 180 en volg.—= Overtredingen, Nn 5 om hd er WEGISTER em welke het huwelijk kan worden tegengefproken, 183 en volg. Crimineele actie in, geval’ van bedrog, aan- gaande de voltrekking van het huwelijk, 199 en 200, Verpligtingen, die uit het huwelijk voortfpruiten, 203,— Hoe het huwelijk ontbonden wordt, 227. Zie Acten van Eerbied, Afkondiging. Afwezendheid, Echtgenoot, Huwe- lijks-contract,_Oppofitie, Toeftemming, Tweede huwelijk Verbod, Voltrekking,— 4 HuweLijks-conrracr. Waar toe zich alle algemeene aucorifae tie, bij dit contract bedongen, bepaalt, 223,— Overe eenkomften, waar voor herzelve vatbaar is, 1387. Regelen op de huwelijks-voorwaarden efì hunne inrigs ting, 1394401 volg.—= Zie Befldur van het huwelijkse goed, Gemeenfchap, Gifte. Huwerijkscoep. Regeling van dat van een kind van iemand, dfe onder curateele gefteld is, srt. Het regt van retour of terugkeering doet de goederen aan den donateur terug komen, behoudens niettemin het hypotheek van het huwelijksgoed, 952%—_— De vrouwen van de met de teruggave bezwaarde perfonen hebben bij fubíidie verhaal, voor de hoofdfom der gelden, ten huwelijk aangebragt, 1054. Waar in het huwelijksgoed geoordeeld wordt te beftaan, dat een vader en moeder te zamen gen een kind gegeven hebben, 1433—— Vrijwaring van het huwelijks- goed en deszelfs interes{en, 1440. Wat huwelijksgoed Ten aanzien van welke goederen hetzelve is, 1549. kan worden daargefteld, 1542 en volg. Loop der interesfen van het huwelijksgoed, 1548. Aan wie, ftaande het huwelijk, de beheering van het huwelijksgoed behoort, 1549. De man is niet gehouden, om borg te.ftellen voor deszelfs ontvangst, indien hij zich daartoe bij het huwelijks- contract niet verbonden heeft, 1550,— Wanneer het onroerend. goed, uit de gelden, tot het hus welijksgoed behoorende, huwelijksgoed is, 1553.—= Enkele gevallen, waarin de onroerende goederen, tot hu- welijksgoed beftemd, kunnen vervreemd worden, 1554 en volg. Voorwaarden tot de ruiling, 1559. Ge- val, waarin de vervreemding kan herroepen, worden na de ontbinding van’ het huwelijk en de affcheiding der goede. ren of zelfs flaande het huwelijk, 1560, Het onroee zend huwelijksgoed, hetwelk onvervreemdbaar verklaard is, is ftaande het huwelijk aan geene verjaring onderwor= pen, 1561.—— Verpligtüngen van den. man ten opzigte« van het huwelijksgoed, 1562. De vrouw heeft het vermogen, om de affcheiding van goederen te eifchen, indien het huwelijksgoed in gevaar is, 1563 Regels omtrent de teruggave van het huwelijksgoed, 1564 en volg. _ Verdeeling der vruchten van het onroerend huwe- lijksgoed, na de ontbinding van het huwelijk, 157! Fa; vo 4e pr # get) LAG In 5 Jinn: in Daai Amor WU WETBOEK NAPOLEON. 57t volge. Zie Beftuur van het huwelijksgoed, Paraphernale goederen. f HyWELIJKS- VERBINDTENIS., De wet regelt dezelve niet, dan bij ontbreken van bijzondere overeenkomften, 1357» L Jaac-ran. Zie Wegen. Jaar. Het regt van jagen is door bijzondere werten gere: geld, 715. In Bezir sTELLING. Die gene, welke in het provifioneel bezit der goederen gefteld zijn, kunnen dezelve niet vervreem. den, 128 en volg. De langstlevende echtgenoot mot verzoeken om in het bezit der goederen gefteld te worden, 769 en volg. Formaliteiten, in acht te nemen, zoowel door deze, als door de adminiftrateurs der domeinen bij ontbreken van eenen erfgenaam, 770 en volge INBRENG. Grond-eregels aangaande den inbreng, welke ín eene nalatenfchap gefchiedt, 843 tot 869. Inbreng, welke de echtgenooten, of hunne erfgenamen gehouden zijn in den gemeenfchappelijken boedel te doen, 1468 en volg. Gevolg van de infolventie van den man betrekkelijk den in. breng van het hawelijksgoéd, voor zijne vrouw daargefteld, 1573» Zie Vooruitneminge IeeBRACT Goen. De ecktgenooten kunnen, vóór de verdeeling der aanwinfteng vooraf naar zich nemen het door hun inge. bragt goed, het welk behoorlijk bewezen is, 1498.— Bewijs van den inbreng betrekkelijk de roerende goederen, 1502.— Sulzwijgende overeenkomst, welke voortvloeit uit het inbrengen van eene zekere fomme gelds, of een ze- ker bepaald goed in de gemeenfchap, 15LI. Vermo- gen aan de vrouw toegeflaan, om hetgeen zij in de ge. meenfchap ingebragt heeft, vrij en onbelast er weder uit te nemen,£514. De geasfocieerde is gehouden de focië- teit te vrijwaren, in geval dat dezelve van haar ingebragt goed wordt geëvinceerd, 1845. INGESLOTEN GROND. Die, waar van de testateur, ua het maken van het legaat, den omtrek vergroot heeft, behoort geheel aan den legataris, IOI9, \sjurie. Zie Beledigingen. In- & BE. oe OEE Een Eper een De- mm en ee ern: in ee he adind gn 572 REGISTER or mer INKoMmsreN. Grondbeginfelen aangaande de inkomften, welke aan den afwezenden, die wedergekomen is, moeten terug gegeven worden, 127, De familie-raad regelt de be: legging der inkomften van den minderjarigen, AS De , minderjarige, die geëmancipeerd is, ontvangt de Zijne, 48r, 4—— De inkomften van iemand, die onder curateele gefteld Ex is, moeten befteed worden om zijn lot te verzachten, sro, tA Alle inkomften, welke gedurende het huwelijk opko« wt men, behooren tot de gemeenfchap, 1401.— De vrouw heeft het genot van alle de inkomften ‚ wanneer er affchei. | ding van goederen plaats heeft, 1536. Welk gedeelte Zij er van genieten kan onder de beheering van het huwe- lijksgoed door haren man, 1549.—_— Zij ontvangt alle de inkomf{len van hare paraphernaie goederen, 1576, Isutjvine. Het is een der middelen, waar door de eigendom verkregen wordt, 712. INMeNGiNG. Welke daden niet ten gevolge hebben, dat men daar door geoordeeld wordt zich in de goederen der ge. meenfchap gemengd te hebben, 1454. Zie Afftand. INSCHRIJVING Kantoor, alwaar de acten van donatie van goederen, die gehijpothekeerd kunnen worden, moeten worden inge- fchreven of geregistreerd, 939. Welke perfonen het nalaten dezer infchrijving‘kunnen tegenwerpen, gar en 1070,—— Het verzuim der infchrijving kan niet worden B aangevuld, zozr. In welk geval de overfchrijving van eene acte in de openbare registers, tot een begin van bewijs door gefchrift kan verftrekken, 1336.—. Gevolgen der infchrijving van de acte, waar door eigendom aan den koo: per is overgedragen, 2108.—- Ten wiens laste de kosten der. infchrijving komen, welke door den verkooper kan ge- vorderd worden, 2155.—- De contracten, waar door de eigendom wordt overgedragen van onroerende goederen, of van reêle regten tot onroerende goederen betrekkelijk, en welke de derde bezitters van preferentiën en hijpotheken willen vrij maken, moeten in hun geheel geregistreerd of ingefchreven worden, 2181. De enkele registratie maakt het onroerend goed van de daar op gevestigde prefe- rentien en hijpotheken niet vrij, vóór de overdragt door den verkooper gedzan, o182. Schaden ea interesfen te vergoeden door de bewaarders, die de infchrijving van de acten van overgang van eigendom mogten weigeren of vere f tragen,2199, Zie Registers, Registratie, Inscarijvine. Door eene infchrijving worden openbaar gemaakt de befchikkingen, onder den last van teruggave gemaakt van geldfommen, die op onroerende goederen met het regt van pres Ersin Eivso € v 4 b [unser Iz ST! Ünre Ee er WETBOEK NAPOLEON. 573 preferentie gevestigd zijn, ro6g.«De preferentiën moe. ten worden bekend gemaakt door‘eene infchrijving„ 2106. b m Regels op deze formaliteit, ror en volg, Ge- - De durende hoe vele jaren deze in(chrijvingen het regt van 4 hijpotheek en preferentie doen behouden, e154. Kos. ten van infchrijving, 2155. Roijering en verminde. ring, 2157 en volg. De bewaarders kunnen de infchrij- kine ving der bijpothecaire regten noch weigeren, noch vertra- Vig gen,2199. Zie Architect, Pandregt, Reductie, Roijering. affch Ë Ö ededn. INscnurp. De infinuetie van de overdragt aan den fchuldenaar han is noodig, om de cesfie van eene infchuld te voltrekken, alle 169o.—- Wat de verkoop of cesfie van eene infchuld bevat, 1692. Waar in de gegoedheid en de vrijwaring van den fchuldenaar beftaat, 1695,——= Hoe de perfoon ende lijke fchuldvorderingen der echtgenooten worden verhaald, 1478° Geprefereerde infchulden op de roerende goede- ___renin het algemeen,zror. Zie Overdragt, Pandregt„ Pre: at me ferentie, INsINUATIE, Wanneer eene acte het kiezen van domicilie bevat, ten einde dezelve te kunnen executeeren, kunnen de infi» deren nuatien aan de; bij overeenkomst bepaalde woonplarts ges min daan worden, 111,—- Geval, waar in de overdragt aan jen k den fchuldenaar moet geïnfinueerd worden, 1690. INsorvenrie, Die van één der geasfocieerden doet de fociëteit eindigen, 1865. De infolventie van den lastgever of van den lasthebber doet de lastgeving ophouden,2003. Zie dj nkelding van goederen, Bankbreuk, Onvermogen om te etalen, INSPECTEUR DER REVUEN. De werkzaamheden van den ambtensar a 9 van den burgerlijken ftand, worden door denzelven bij bet Ie- Oort ger waargenomen, 89, jk‚a Insrrrurie., Zie Erfftelling. INTERESSENe De voogden zijn de renten of fnteresfen verfchul. digd van alle geldea, welke zij niet ten voordeele van den minderjarigen belegd hebben, 455 en 456. Die van verfchuldigde geldfommen zijn burgerlijke vruchten, 584. De vruchtgebruiker moet aan den eigenaar vergoe- den de interesfen der lasten, waar mede de eigendom be. zwaard is, 6og,== Van welken tijd af de renten van goe: deren van eene nalatenfchap, aan inbreng onderworpen verfchuldigd zijn, 854.—— Regelen aangaande de ime- resfen van hoofd(fommen, en die van achterftallige renten als mede van de teruggave der vruchten, 1154 en volg.—a De eisch tot interesfen, gedaan tegen één der BN daire fchuldenaren, maakt, dat de interesfen loopen tegen alle de mede-{chuldenaren, 1207,— De interesfen, gedurende et mene | 574 REGISTER or ner het huwelijk vegyallen of genoten, maken een gedeelte uit van het active der gemeenfchap, 140L.,—— Interesfen van het huwelijksgoed, 1440.—= Interesfen, voor de weder. beleggingen en vergoedingen door, of aan de gemeenfchap verfchuldigd, 1473;— en voor de perfoneele fehuldvorde: ringen der echtgenooten, 1479.— Het beding van af, fcheiding der tchulden belet niet, dat de gemeenfchap belast is met de interesfen, die federt het huwelijk geloopen heb: ben, 1512. Teruggave van de interes{en van het hu: welijksgoed, in geval van ontbinding der gemeenfchap door den dood van de vrouw, 1570, In welk geval men de interesfen van den koopprijs verfchuldigd is, 1652,— Regels aangaande het bedingen, vorderen en toerekenen van interesfen, 1905 én volg.—- In welk geval’de be waarnemer interesten verfchuldigd is van de ter bewaring gegevene fom, 1936e Geval, waar in de lasthebber interesfen verfchuldigd is van de geldfommen, welke hij ontvangen heeft, 19968 Interesfen aan hem verfchul- digd, wegens gedane voorfchotten, 2oor. Die van eene infchuld, welke te pand gegeven is, 2081,— De interesfen worden verjaard met vijf jaren, 2277. InreRrvPTIE. Die der verjaring is tweederlei, 2242. In welke gevallen dezelve plaats heeft, 2245 en volg,— Hare gevolgen ten aanzien van den{olidairen fchuldenaar of zijne erfgenamen, 2249, Die, welke plaats heeft ten opzigte van den principalen fchuldenaar,(trekt ten voordeel van den borg, 2250, INVENTARIS. De regtbanken benoemen notarisfen om de afwe: zenden in het opmaken der inventarisfen te vertegenwoordis gen, 113. Men kan, vóór deze formaliteit, zich in het bezit hunner goederen ftellen, 126,—— Inventarië te maken in de inftantie van echt{cheiding, 270 en 279. Binnen welken tijd de voogd met her inventariferen der goederen van den minderjarigen moet doen voortgaan, 451.—_— Invemuaris, welke moet gemaakt worden, voor dat men genot begint te trekken van een vruchtgebruik, 6095 en van gebruik en bewoning, 625. De langstlevende echtgenoot en de adminiftrateurs der domei: nen, die regt vermeenen te hebben op eene nalatenfchap, zijn verpligt, om eenen inventaris te doen maken, 769.— Tijd, aan de erfgenamen toegeftaan, om eenen invencaris te maken, en Zich te beraden, 795 en volg. Inventaris te maken door den curator over eene vaceerende erfenis, 813 en Sar.— Geval, waar in een inventaris moet worden opgemaakt op last der executeurs van een testâ ment, 1O3Le Inventaris na den dood van den genen, die onder den last van teruggave der goederen befchikt heeft, 1058 en volg.—— Inventaris, wanneer eene nala. tenfchap te beurt valt aan echtgenooten, die in en chap K Ke —- me_ ps mn_ nr meen en WETBOEK NAPOLEON. 575 fchap van goederen getrouwd zijn, r414 en volg,— en Wat het gevolg is van het ontbreken van eenen inventaris, wed na den dood der echtgenooten, 1442 De vrouw, fl de langstlevende zijnde, en de magt willende behouden, om van de gemeenfchap afftand te doen, moet eenen inven- ans taris doen maken, 1456. In hoe verre zij, na dezen ela inventaris, voor de fchulden der gemeenfchap aanfprakelijk Elte i is, 1483. In welke gevallen de aanwezigheid der LA roerende goederen van de echtgenooten door eenen inven- ap: taris moet bewezen worden, 1499gen 1504. Welke Vals goederen geïnventarifeerd moeten worden tot een huwelijk, ja buiten gemeenfchap van goederen aangegaan, 1532. Zie de: Beneficie van inventaris. ê eme JoNce pocnTers. Enkel geval, waar in tegen hun perfoneel ars sthel rest kan verleend worden, 2066.> ir Joncen. De jongen, die uit iemands beesten geboren worden, Iiia behooren door het regt van accesfie aan den eigenaar, 547. Enk Op welk eene wijze de jongen der beesten, in vee- pacht gegeven, verdeeld worden ‚1802 en 181E. ma Tusrrrie. Zie Kosten, Openbaar gezag, Regtbanken, Regters, en Vonnisfen. en Iuweeren. Zie Edele gefteenten. K. ik Karx. Goederen, met kalk vastgehecht, zijn onroerende, 525. dn Kans. Zie Kans- Contract, Ji KANs-CONTRACT, Waar in hetzelve beftaat, 1ro4 en 1964.— 69. Spel en weddingfchap, 1965.— Noodige vereischten tot de Ee beftaanbaarheid van het contrect van lijfrenten, 1968. en volg. Gevolgen van dit contract, 1977, en volg. KAPBOSSCHEN. Wanneer het fchaarhout van kapbosfchen roerend IS goed wordt, sar, if: KAPHOUT, In welk geval het zelve roerend goed wordt, sar.— Verpligtingen van den vruchtgebruiker aangaande hetzelve, 590 en volg. Bepalingen omtrent het gekapt hout, met betrekking tet de gemeenfchap, 1403. Ka- 576 REGISTER O8 Ouke o KarrTaar, Bijftand van eenen Curator„of eenen geregtelijken raadsman, aan den minderjarigen die geëmancipeerd is, den genen die onder curateele gefteld is, en! den, verkwister, om kapitalen„ tot roerende goederen‘behoorende, te onte vangen, of daarvoor quitantie te geven, 482, 599 en 513. —_ Teruggave van onverfehuldigd. ontvangene kapira- len 1378. De man alleen heeft het regt, om de af- telosfene kapitalen, uit het onroerend huwelijksgoed REA voortkomende, te ontvangen„ 1549. De losfing van p PLE| het kapitaal, van welke perpetueele renten betaald moeten d AKE b worden kan geëischt- worden, indien de fchuldenaar bank- breukig of infolvent wordt, 1913, De infchrijving van een kapitaal heeft kracht voor twee jaren renten, | 2i5t. Zie Anteresfen, Koop en Verkoop, Pand, Rente, | Schulden, il Kapiräins, Werkzaamheden, welke zij in het geval, kunnen be Ie zijn van waar te nemen, tot het“inrigen der acten van f den burgerlijken ftand, en het pasfeeren van testamenten, : 89 en volg. en 981, mee | Kasrijpine. Middelen van den vader tot kastijding der kindee ||| ren, 375 en volg. Zie Verbeterhuise Î| KERFSTOKKEN. Die, van Wwelken wederzijdsch een dubbeld, met elkander overeenkomende, wordt afgegeven, leveren een bewijs op voor gedane leverantiën, 1333. Kerers. Dezelve zijn, zoo als de disteleer kerels, onroeren- de goederen, uit hoofde van hunne beftemming, 524. r Kinp. Binnen.welken tijd het pas geboren kind moet vertoond k worden aan dem plaatfelijken ambtenaar van den burger. lijken ftand, 55. Verpligtingen van allen, die een jonggeboren kind vinden, 5ò.— Aan wie, in zake van 8 echtfcheiding,de provifionele beheering der kinderen ver- blijft, 267,— Aan wien de kinderen worden toevertrouwd 4 na de echtfcheiding, 3o2. Regten der kinderen 4 van echtgenooten, die gefcheiden zijn, 304 en 305. Eer en achting, welke de kinderen aan hunne ouders ver- Ik fchuldigd zijn, en tot welken tijd zij onder hunne magt blijven, 371 en volg. Enkel geval, wrarin het Î/ ie kind de toeftemming van den vader niet noodig heeft, om het ouderlijk huis te verlaten, 574. Zie Adoptie, Afftam- d ij zuing, Beftaan, Geboorte, Goederen, Herroeping„ Ondere 4| houd, Ontkentenis, Schade, Vaderlijke magt, Vaderfchap Wettigheid, : KINDEREN IN OVERSPEL OF BLOEDSCHANDE GEBOREN, De wet , verleent hun alleen het noodig onderhoud, 7óg. Ge- \ f val, waarin dezelve geene de minfte vordering kunnen mä- ken op de nalaten{chap van hunne ouders, 764 KLEE- été bank. ving nten, ene, túnen | van tE, jeld JEIEL _ eeen nd EL d” WETBOEK NAPOLEON. 577 WEEEDEREN. Zie Linnen, Ä KLERKEN. Men kan die der notarisfên niet tot getuigen bij et pasferen van een testament nemen, 975e Korijer. Welk het regt is van den pachter op de koebeesten, welke de verhuurder hem heeft gegeven om te{tallen en te voeden, 183Le KoLonteN, Behieering der goederen, welke een minderjarige 1 ir aldaar bezit, 417% K SIT Ne Zie Konijnen. NDEE Konnsen. Die der konijnbergen zijn onroerende goederen 3 nit hoofde van hunne beftemming, 524.—— Aal wien de konijnen behooren, die in eenen anderen konijnberg overgaan, Koop EN verkoop, Een voogd kàn de goederen van den min- derjarigen niet verkoopen zonder autorifatie van den famí- lie-raad;, 459 en 457- Wat begrepen is onder den verkoop van een gemeubileerd huis, en van een huis met al het geen daatin gevonden wordt, 538 en 5j6r== Verkoop van eene zaak, aan vruchtgebruik onderworpen, Get.—— Gevolg van het verkoopen van regten op EENG nalatenfchäp doof één der mede-erfgenamen, 780,= Formaliteiten aangaande«den verkoop van goederen, uit eene nalstenfehâp. voortkomende, 796, 805#7 volg Verkoop; ten aanzien van welke de actie tot vernietiging al of niet wordt toegelaten, 838 en volg.== Derse. heele of gedeeltelijke verkoop van het gelegateerd goed brengt de herroeping van het legaat met zich, 1038.— Verkooping te doen ten behoeve van den met terug gav& bezwaarden perfoon, 10623= van de fchuldeifchers„ wier fchuldenaar van zijnen boedel afftand heeft gedaan, 1269.—— Enkele teruggave, tor welke men gehouden js wegens het verkoopen van eene ter goedertrouw ont wangene zaak, 1380.—— Verkooping van onroerende goederen door de echtgenooten, 1432 67 volg. Wat koop en verkoop iss en deszelfs voorwaarden, 1582 en volg.—— Ten wiens kosten de acten zijn, 1593:=== Wie koopen of verkoopen mag, 1594 EN volg.=== Za- ken, welke verkocht kunnen worden, 1598 en volg,== Verpligtingen van den verkooper, I6o2 en volg.— Oorzd- ken, waarom verkoop nietig is, en verbroken kan worr den, 1658 en volg. De vernietiging heeft geene plaats Oo it nd en en Te ij Î t pen Ei tn a be REGISTER or ver in verkoopingen, welke, volgens de wet, niet dan doot tusfchenkomst van den regter hebben kunnen gefchieden, 1684.——— Hoe de onwillige verkoop van goederen, in onderfcheiden. arrondisfementen gelegen, gevorderd(en ver- volgd kan worden, e2ro. Dezelve moer gefchieden op grond van eene authentieke acte, e213.. Zie Belofte van verkoop, Benadecling, Executie, Overdrugt, Regten op eene nalatenfchap, Verkooping, Vrijwaring„ Weder— inkoop, Kooper. Waar in zijne verpligtingen beftaan, 1650 en volg.— Vernietiging van koop, uit hoofde van benadeeling, heeft ten zijnen voordeele geene plaats, 1683:== Zie Verkrijs ging. beid} KoornaNDer. Men werliest de betrekking als Franschman niet, doof het oprigten van kantoren var koophandel in een vreemd land, 17.—- Geval, waarin de vrouw voor eene openbare koopvrouw wordt gehouden, en zich kan verbinden zonder autorifatie van harer man, 220,— De minderjarige, die geëmancipeerd is, wordt geacht meere derjarig te zijn in handelingen, die tot den koophandel bewekking hebben, 4387, Aard” der actiën en aan- deelen in compagniefchappen van koophandel, 529.—— Gevolgen der verbindtenisfen wan eenen minderjarigen, koophandel drijvende,‘1308,— Goederen, welke de Vrouw, openbare keopvrouw, en in gemeenfchap zijnde, kan verbinden ter zake van haren koophandel, 1426, KoorriepeN. Hoedanig hunne billetten of beloften moeten ingerigt worden, 1326.=> Geprefereerde infchulden van de. kooplieden in het groot en in het klein, 2ror, Zie Registers /erjaring. ë E] Koorvrouw. Eené openbare koopvrouw heeft de autorifatie van den man noodig om een proces te voeren, ars.— In welk geval de, vrouw, eene koopmanfchap uitoefenende, voor geene openbare koopvrouw wordt gehouden, 220,— Welke goederen zij door hare handelingen kan verbinden, 1426. KoopwareN. In welk geval de eigenaar de koopwaren, die onder het‘vruchtgebruik begrepen zijn, kan doen verkoo= pen,'6o2.= Hoe men ter leen gegevene koopwaren terug geeft, 1897. Zie Levering. KOSTEN. Ten lasten van wien de kosten zijn tot voedfel ea onderhond der kinderen, 395.=== Kosten van procedu- res, . ae WETBOEK NAPOLEON, 513 Ô fes, welke de vruchtgebrúiker verpligt is te v en, n, 613.—— Kosten, ten laste van den erfgenaam, die eenen boedel onder beneficie van inventaris aanvaardt. 799;—= ten laste van de nalatenfchap, 8 lo,—___— De kosten van derwijs,“uitzet, en der bruiloft; zijn aan geen inbreng an 352,———= Die der betaling komen tot las- p n fchuldenaar, 1248.——— Welke. kosten onder de zanbiedingen van betaling moeten begrepen zijn; 1258 r,—— Kosten tegen de weduwe, in gemeeifchap - zijnde, in geval zij verzuimd he binnen den bepaalden afftand tedoen, 1459: De kosten van actên kri zijn ten laste van den koeoper,— Kosten van de levering van eene verkochte 1608.— Kos= n van verkoop, welke de verkoof moet dragen, die van het beding van weder-inkoop gebruik maakt, 1673.— Welke kosten geprefereerd zijn, a1ol en volg, 10 Kosren. Men moet, in geval van inbreng, de kosten, die tot verbeterffg van het goed befteed Zijn, aan den dona- taris verantwoorden, 861. Het zel a plaats ten aanzien van den mede-erfgenaam, die de inbreng van HE een onroerend goed in nat ra doet, 867; re geen, door wien eene zaak, welke hem niet g is terug gegeven, 13815— van den kooper; die ge# evinceerd is van het aan hem verkocht orroerend goed, 624,——— en van den derden bezitter, die het gehij= reerd earned goed laat varen, 2175e 1OUD. 1 WOT= geduren t ver Ä 1 eisch tot 259}———— en na de uit(pt het seld; het welk de legataris van te voldoen, óro, Zie Kind r-SCHOOLHOUDERS, Hun oben deren in het algemeen, 210 preferentie op de roetende goes I KosTWINNING: De officieufe voogd ís verpligt om âat Zij: pupil eene ko stwinning te doeu leeren, 369. mn kor® Kracurt. De wet heeft geene te rug werkende kracht, ie De voorwaarde vervuld zijnde, heeft eene te rug werl de kracht, tor den tijd; dat de overgenkomst is aafge kl am ge en 1 de ss id nj 580 REGISTER or ner nis kracht van gewijsde hebben kan, 1351. KRACHTELOOSTHEID, Men kan, door bijzondere bedingen, niu krachteloos maken de wetten, die op de publieke orde df goede zeden betrekking hebben, 6. KRANKZINNIGHEID. De krankzinnigen moeten onder curateele se fteld worden, 489 en 491. KrijespiensT. Welke ouderdom aan het kid het vermogen geeft om het ouderlijk huis te verlaten, ten einde zich vrijwillig in den krijgsdienst te begeven, 374. KRIJGSLIEDEN. Zie Militairen. |\ Kruipen. Er zijn bijzondere wetten omtrent de kruiden, wels ke aan de zee-oevers groeijen, 717. o Kuppe. Verantwoordelijkheid van den vruchtgebruiker, in ge val van het verliezen van eene kudde, 616. Zie Pee | pacht. Kuipen. Die, welke de eigenaar, ten dienfte en ter bearbei= ding van‘het erf, op het zelve geplaatst heeft, behooren, uit hoofde van hare beftemming, tot onroerende goede ren, 524 ö Kunne. Zie Geflacht. KUNSTEN EN AMBACHTEN. Onder de fpreëkwijze van roerend: goederen, zijn niet begrepen de werktuigen, tot kunfter en ambachten behoorende, 533.——— Een kind, in over fpel geboren, aan.het welk men een ambacht heeft later leeren, kan geene, de minfte vordering maken op de malt tenfchap van Zijne ouders, 764. KuNsTENAARS. De ftoffe, door eenen kunftenaar tot eene zaal gebruikt, kan door den eigenaar als zijn eigendom’ gevor- derd worden, mits het daar aan beftede arbeidsloon fvergoe- dende, 570 en volg.— Gevolgen der verbindtenisfen van eenen minderjarigen, handwerker zijnde, 1308. In- | rigting der billetten of beloften van handwerkers, 1326.= Zij zijn aanfprakelijk voor de fchaden, door hunne leerlin: gen veroorzaakt, 1384.© ‘ Kunst KRACHT VAN GEWIJSDE. Noodige vereischten, op dat het void {rade den der ter en lol INEE WETBOEK NAPOLEON, 5ót KunsTGREPEN. Die, welke eene overeenkomst vernietigen; 1116. (wape TROUW. Gevolgen van kwade trouw, ten aanzien van den erfgenaam, die nagelaten heeft om eenige goederen op den inventaris te brengen, 801;—— betrekkelijk de teruggave van onverfchuldigd ontvangene goederen, 1378 en 1379. Prefumtiën, welke niet toegelaten worden tt betrekkelijk de handelingen, die, uit hoofde van kwade trouw, betwist worden, 1353: Vel KWEEKELINGEN. Zie Schade. KwijrscHeLDiNe,. Eene verbindtenis gaat te niet door vrijwilli- ge kwijtfchelding van fchuld, 1234. Gevolgen der vrijwillige teruggave of kwijtfchelding van een bewijs der fchuld, 1282 en volg.—— In welk geval men regt heeft op eene gedeeltelijke kwijtfchelding van den huurprijs van landen, 1769. Zie Perfoneel arrest, Titels. LAND AAN EENEN OEVER GELEGEN. Zie Aanfpoeling: LANDERIJEN. Dezelve zijn uit hunnen aard onroerende goede- ren, 518.—— De dingen, welke de eigenaar van lands ter bearbeiding van het zelve, daar op geplaatst heeft, zijn onroerende goederen, uit hoofde van hunne beftemming; d 524»—— Het perfoneel arrest heeft plaats, in geval van kr herftelling in het vorig beziet van landen en vaste goederen, gebo. Zie danfpoeling, Servituten. se TinpnurEN. Dezelve worden gerangfchikt onder de burger- Ei lijke vruchten, 584. Zij worden gerekend van dag ! tot dag verkregen te worden, 586. Interesfen, wel- le ken zij voortbrengen, 1155. De huren en pachten van onroerende goederen zijn geprefereerde infchulden, B102.== Met welk tijdsverloop de pachtpenningen Oo 3 van ë en nd. REGISTER or) nez van landgoederen worden verjaard, 2277, ging„ Huur- Contract, Veepacht, Vernietiging. Zie Aanmait- Lasten. Tot welke lasten de vruchtgebruiker alleen, of met den eigenaar te zamen, gehouden is,€ 6os en volg, H Bepalingen betrekkelijk de lasten, door den erfgenaam o£ den donataris veroorzaakt en opgelegd, 865, 956 en 970.— & en gevolgen van de voldoening der lasten, wake Wijze gedragen worden door den gemeenen boedel tusfchen echt-! genooten, 1409 en volg, Vrijwaring wegens de lasten, welke men beweert op het verkochte goed te hebben, e, waar van bij het aangaan van den verkoop niet gefproken is, 1626. Wanneer de verkooper, uit krachte van het beding van weder-inkoop, zijn, erf terug bekomt, moet de kooper hem hetzelve vrij en onbelast wederge- Ven, 1673.—— De kooper is verpligt aân den verkoo- per te vergoeden, het geen deze wegens de fchulden en lasten der nalatenfchap betaald heeft, 1698. Zie Erfenis, Legaten, Schulden 1Ce Lastcrvine. De lasthebbers kunnen zich geene goederen doen toewijzen, welke zij gelast zijn te verkoopen, 1596.— Algemeene regels aangaande den aard en de verfchillende foorten van lastgeving, 1984 en volg. Leenine. Dezelve wordt verdeeld in bruikleening of commo- daat, en verbruikleening 1874.—— Aard van deze twee foorten van leening, 1875 en volg.——— Leening op interesfen, 1905: en volg. Pref. rentie aan die genen toegeftaan, welke gelden geleend hebben, om de werklieden te betalen, die tor het opbouwen of repare. ren van gebouwen gebruikt zijn, 9103.—__—— De banken van leening zijn onderworpen aan bijzondere reglemen- ten„ 2084. WBEERLINGEN. Zie Schade. LeecaLIsATIe. Die der extracten uit de registers van den bur gerlijken ftand, 45. LEGATARISSEN. Rekening, welke aan hun moet gedaan worden e eenen boedel onder beneficie van 3 en 800.— De legatarisfen on. titel dragen te zamen metde ing der fchulden, 971. Zij kunnen de verminder der befchikkingen onder de leven- den niet vorderen, nach dear uie voordeel trekken, gar.— Zij kunnen niet genomen worden. tot getuigen bij het HAC al door den erfgenaam, c invêntaris aanvaardt, 80 onder eenen univerfeel erfgenamen in de be wm feren van een testament, 975.— In hoe verre de legataris onder eenen algemeenen titel voor de fchulden en lasten der nalatenfchap aanfprakelijk is, roï2.= De legataris onder eenen bijzonderen titel is niet gehouden tor betaling der fchulden van de nalatenfchap, 1024. Zie Legaten. LEGATEN. Wijze, waar op de univerfele legataris, en de lega- taris, die het vruchtgebruik onder eenen univerfelen titel Ik heeft, gehouden zijn wegens de legaten van eene lijfren= k te of jaargeld tot onderhoud, 61o. De legaten be- En fchouwd met betrekking tot de inbreng, 843, 845»€# pr volg.— Gevallen, waar in reductie of vermindering der lie legaten plaats heeft, gab, rt Drie foorten van lega- el ten, 1oo2,——= Wat een algemeen legaat is, 1003.— De algemeene legataris, is gehouden, om de uitkeering van de goederen, in het testament begrepen, van de erfge- namen te eifchen, 1004.—- Wat legaten onder eenen algemeenen titel zijn, loro.——— Van wien de legata- risfen de uitkeering moeten eifchen, Toll. Voldoe- ning der bijzondere legaten te zamen met de natuurlijke erfgenamen, 1013.——— Regten;, welke de bijzondere legaten geven, roïg,—_—— Eisch tot uitkeering„ a/d. en volg. Hoedanig de erfgenamen van den testateur of andere fchuldenaars van een legaat tot de voldoening daar van verbonden zijn, 1017.——— In welken ftaat de gelegateerde zaken moeten worden uitgekeerd, 1018 ez volg.——— Bepalingen aangaande de legaten en fchulden der nalatenfchap, ro2r en velg.—— In welke gevallen een legaat geacht wordt aan verfcheidene perfonen geza- menlijk gemaakt te zijn, 1044 En volg. Zie Befchikking; Gifte Legatarisfen, Reductie, Testament. Ircer. Zie Burgerlijke fland, Uitzet. Leeirimarrte. Zie Wettiging. Leven, De man kan een kind niet ontkennen, offchoon hee verklaard is niet te hebben kunnen blijven leven, 314.— Hee kind, het welk bij deszelfs geboorte aldus verklaard ‚ is onbevoegd om te kuanen opvolgen, 725.== Het testament, of de gifte in deszelfs voordeel gemaakt, heeft geene kracht, 906, LevenD. Men vervult nimmer de plaats van perfonen, die ijs LEVE — nog in leven zijn, maar alleen van de zoodanigen, die den natuurlijken of burgerlijken dood ondergaan hebben, 744« Oo 4 LEs EN eha a an Li 534 REGISTER or uee LEVENs-MIDDELEN. De levering derzelve, dan den fchuldenaar en zijn huisgezin gedaan, zijn geprefereerde Schuiden, 21ol. Levering. De verbindtenis om eene zaak te geven heeft de levering van dezelve ten gevolge, 1138 en volg.—— Zie Verjaring. Levering. In welk geval de leveringen van granen of ect. wasen kunnen gecompenfeerd worden, 1291. d Leverine. Hoe de levering van eene verkochte zaak gefchiedt, RA IE I6o4 en voig.s— en die van eene overgedragene. infchuld, Licurten. Welke lichten door den eigenaar mogen gemaakt bi:| worden in eenen muur, die niet gemeen is, en waar tegen | het erf van een ander onmiddelijk aanligt, 676.: Zie Vengfters. LijFrRrente. Dezelve wordt verkregen bij onereufen titel, of | ook geheel om nier, 1968 en volg.== Op welke lij- 1 ven dezelve kan gevestigd worden, 1971.—_— Die, welke gevestigd is op het lijf van iemand, dieten’ tijde | van het aangaan van het contract reeds dood was, of door eene zware ziekte was aangetast, aan welke hij bin— nen twintig dagen overleden is, is krachteloos, 1974. Men ís vrij om het beloop van eene lijfrente te ftellen„ zoo hoog men‘goedvindt, 1976.— Regels aangaande de betaling der achrerftallige renten, enz. 1977 en volg. Lijst. Zie Spiegels. Linie. De erfenisfen worden verdeeld tusfchen de vade ___en de moederlijke linie, 733. De opvolging. van graden maakt de linie, 736 en volg® Hoe de bloede verwanten van de eene linie erven, bij ontbreken van bloedverwanten van de andere linie, 755.« rlijke ij| LiNNEN. Onder de fpreekwijze van voerende goederen wordt nlet begrepen het linnen tot kleeding van het ligchaam, if 533,——— Hoe men het genot kan hebben van linnen, | dat onder het vruchtgebruik begrepen is, 589.— Linnen, het welk kan terug genomen worden door de vrouw, die van de gemeenfchap afftand doet, 1492 en 1405 en door die, welke de teruggave van haar huwelijksgoed vordert, 1566, Í| Lr- WETBOEK NAPOLEON, zgn le LIQUIDATIE. De afwezigen worden in het opmaken van liqui- datiën door eenen notaris vertegenwoordigd, 113. List.* Duiven, konijnen, visfchen, door list naar eene andere duivenvlugt, konijnberg, of vijver gelokt, behooren niet aan de eigenaars van deze dingen, 564. Locemenr.’ Het bewijs door getuigen wordt toegelaten wegens zaken, in waarde boven de honderd en vijftig francs be- dragende, welke door eenen reiziger in een logement zijn in bewaring gegeven, 1950. Verantwoordelijkheid der logementhouders ten aanzien van deze goederen, 1953 en 1953 Loon. De meester wordt op zijn woord geloofd, ten aanzien mas van de betaling der huur van het verfchenen jaar, 178Ie— té Loon van den mandataris of lasthebber, 1999.-——— Pre-. ferentie van dienstboden omtrent hunne loonen, 21ol, Zie Loon der dienstboden, Verjaring. LooN DER DIENSTBODEN. Het zelve kan niet gecompeafeerd worden met de legaten, welke aan hun gemaakt Zijn, 1023. De meester wordt op zijn woord geloofd, ten aanr zien van het bedongen loon, enz., 1781. A Loor VAN WATER. Zie Water. Lor. In de verdeeling van eene erfenis worden de loten bij het lot getrokken, 466 en 834. & Lis e, £: Loren. Hoe dezelve verdeeld worden in zake van erfvol- ging, 815 en volg. Grondregels aangaande het maken en zamenttellen der loten, 832. Vrijwaring der loten tusfchen mede-erfgenamen, in geval van evictie, 884. Zie Kooruitneming ‚ Vrijwaring. ee Pr à REGISTER or me T Maer. Zie Gemagtigden. o MAGT VAN DEN MANe. Men kan bij huwelijks-contract niet afs wijken van de regten, welke uit de magt van den man, over de perfoon van de vrouw en de kinderen, haren oorfprong | hebben, 1388. | Marre. De aanplakkingen van de verkooping der goederen van minderjarigen, moeten door den maire gevifeerd en verklaard worden, 459. Zie Burgerlijke fland, 1 Maxine. Zie Legaten. ) MAN. Nietigheid der verbindtenisfen, welke de man, geduren= de de inftantie tot echtfcheiding, heeft aangegaan tot nadeel van het regt van de vrouw, 271.— In welk geval de man Kan ontkennen, dat een kind het zijne is, 312,——= Hij is, van regtswege, de voogd van Zijne vrouw, die on- der curatele gefteld wordt, 506.—— Hij beftuurt de goe- deren van de gemeenfchap, r42ar 5;———= zelfs de goederen en actiën tot roerende en onroerende goederen, aan de vrouw perfoonlijk toebehoorende, 14285 ook heeft hij de beheering van het huwelijksgoed, 1549.——- Verpligtin- gen van den man, die van de paraphernale goederen het ge- not heeft, 1580. Hij moet de infchrijving verzoeken van zijne eigene goederen, tot zekerheid der regten van zij- ue vrouw, 2136. Formaliteiten in acht te nemen, in geval gehandeld wordt over‘het bepalen der hijpotheken van deze laatfte, 2144 en volg. É MANDAAT. Zie Lastgeving. Massa. Opmeking ven de geheele masfa des boedels tot het fcheiden van dezelve, en inbreng door ieder der mede-erf- genamen te doen, 828 eu volg. Ma WETBOEK NAPOLEON, 587 WIATERIALEN. Zie Bouwflofene Mepe-BorGEN. Gevolg van borgtogt, met betrekking tot de mede-borgen, 2033e MIEDE-DEELGENOOT, Zijne preferentie op het onroerend Ares het welk verdeeld is, uit hoofde van boedel- fcheiding 2103. A B-RIGENAARe Zie Reparatiën, Verkoopinge he MEpr-ERFGENAMEN. Bepalingen van het Wetboek, betrekkelijk hunne regten, 780, 786, 817, 834, 857 en volg.» 871 En 0 volg. 2103, 2109. Zie Erfgenamen„ Erfenis. pl MEDE-LEGATARISSEN. Zie Legaten. MEDE-SCHULDENAAR. Dezelve kan eene verbindtenis voldoen, 1236.———— Surrogatie in de regten van den genen, voor wien hij eene fchuld betaalt, 2151, MEDE-SCHULDENAARS: Gevolgen der folidaire verbindtenisfen ten hunnen’ opzigte, 1200. Zie Dadelijk aanbod. “DE-voocD. Indien eene vrouw, voogdesfe zijnde, hertrouwt, wordt de tweede man haar mede-voogd, 396. MEERDERJARIGHEID. Door de meerderjarigheid wordt een kind uit de vaderlijke magt ontflagen, 372 en 377. Op welken ouderdom dezelve bepaald is, 458. In welk geval alléén, een meerderjarige tegen de aanva aarding eener erfenis kan opkomen, 783. De wijze van verdeeling eener erfenis kan door de erfgenamen geregeld worden, wanneer zij allen tegenwoordig en meerderjarig zijn, 819.— Gifte, door eenen meerderjarigen gedaan, 933. e gen bij het pasferen van een testament moeten meerder- zijn, 9los—- In welke gevallen de meerderjarigen n benadeelingen in hun geheel kunnen herfteld worden, 13.— De meerderjarige kan zich geene in bewaring ge- : 1e ze peen, wanneer hij naderhand on= der curatele“1240. e Echifcheiding. Miersteas. Zij zijn verantwoordelijk voor de fchaden, door hun- t ne dienstboden veroorzaakt, 1384.—— Zij worden op hun es woord geloofd, ten aanzien van het bedongen loon van huane dienstboden, 1781,—— Door welk tijdsverloup ce betaling wegens de lesfen van meesters en onderwijzers in kun- Em Sm El ce nn Ae e 555 REGISTER op arr kunften en wetenfchappen wordt‘werjaard, 2271. Zie Onder= wijzers, Schade, Verantwoordelijkheid. Meijer, Zie Pachter. Merpine. Door wie, en ten wiens verzoeke de vermeldingen op. den rand van eene acte gefchreven, in de registers van den burgerlijken ftand moeten warden overgebragt, 49.— De bewaarders der hijpotheken zijn verantwoordelijk voor de nadeelen, fpruitende uit het niet melding maken in hunne certificaten, van’ ééne of meer der beftaande infchrijvingen, 2197. kl Mermoriën. Wat de memoriën moeten bevatten, weike aan den bewaarder der hijpotheken worden vertoond, 2148. Ik Melding, welke de bewaarder in zijn register moet maken, Ì( en verklaring van infchrijving, welke onder de memoriën moet gefteld worden, 2150.—— Inrigting der memoriën, betrekkelijk de regten van zuiver legaal hijpotheek van den Staat, van gemeenten, en van openbare etablisfementen, op | de goederen der ambtenaren, die verantwoording f{chuldig il Zijn, die van minderjarigen, of onder curateele(taande per- | fonen, op de goederen hunner voogden, en van getrouwde | vrouwen, op de goederen hunner echtgenooten, 2153.—— - Hoe de memoriën moeten worden geregistreerd, in zakea van hijpotheek, 2200. fe| MEREN. Zie danfpoeling. Mesre Het ftroo en de mest zijn onroerende goederen, uie hoofde van derzelver beftemming, 524.———= De huurder moet bij zijn vertrek achtetlaten het ftroo en de mest van het afgeloopen jaar, 1773. Mest. De veepachter heeft er alleen het veordeel van, 181r en 1819. MEeTsELAARS. Aard van hunne actie, 1798. Zie Architecten; Gebouw. NIEUBELENe Zie Roerende goederen. Mijnen. De eigenaar, die in zijnen grond wil graven, is ver- pligt zich te gedragen naar de wetten, betrekkelijk de mij- hen, 552.—-— Het zelfde heeft plaats omtrent den vruchte gebruiker, 598.—— Wanneer de afkomften daar vau in de gemeen{chap komen, 1403e —- ee ag en nne 7 en WETBOEK NAPOLEON. sto Miurrtaire pieNst, Een vreemde militaire dienst doet de be- trekking als Franschman verliezen, 21. Miryrarren. Welke militairen in de corpfen de werkzaamheden van ambtenaren van den burgerlijken ftand waarnemen, 89 en vols.— De militairen, in werkelijken dienst zijnde, zijn van de voogdij verfchoond, 428,—— Voor wien hunne testamenten gepasfeerd worden, 981 en volg. MINDERJARIGE. Waar de woonplaats is van den minderjarige„ 108. Vereischte voorwaarden tot her huwelijk van minderjarigen, 144 en 145.—— Tot welken ouderdom de ie minderjarigheid duurt, 388.—— Bewind, gedurende het Ef huwelijk,“over de goederen van minderjarige kinderen, Sr 389.—— Hoe de minderjarige, den ouderdom van zestien jaren bereikt hebbende, bij gifte kan befchikken, gc4 en DO Minderjarigen kunnen geen executeurs van ec testament zijn, 1030,—— Toeftemming en bijftand, welke de minderjarige, nog geene zestien jaren bereikt hebbende„ noodig heeft om bij huwelijks-contract te befchikken, 1095e Minderjarigen kunnen niet eontracteeren, 1124.=== Die; welke met minderjarigen gecontracteerd hebben, kuns nen aan dezelve hunne minderjarigheid niet tegenwerpen g De rescisfie of vernietiging befchouwd met vn betrekking tot de minderjarigen, 1304 en volg. Eert minderjarige kan in buwelijks-overeenkomften toeftemmen 3 1398.—— Perfoneel arrest kan niet verleend worden tegen minderjarigen, 2064.— Regt van hijpotheek, het welk zij op de goederen van hunnen voogd hebbeu,arer en volge Tegen minderjarigen loopt geene verjaring, 2252. Zie Benadeeling, Emancipatie, Voogdij. 152Se 5 MINDERJARIGE KINDEREN. Zie Emancipatie, Mivderjarisheid, MINDERJARIGHEID. Zie Minderiarige, 11 MINISTERIEELE AMBTENAARS. In welk geval dezelve kunnen ge: interdiceerd worden, 176, Mispruik. Welk misbruik een vruchtgebruik kan doen eindí- Er gen, 618,— Preferentie, toegeftaan aan infchulden, fprui- ijs tende uit misbruiken, door openbare ambtenaars op het fonds ite van hunne borgtogt gepleegd, 2102. jad NiispApEN. Uit hoofde van welke misdaden eene gifte kan ber- roepen worden, 955 Een minderjarige kan niet here fteld En ee en 4 REGISTER op Hù&*# fteld- worden jegens verbindtenisfen, fpruitende uit eene doof hem gepleegde misdaad of quafi-misdaad, 13to.— Gevol gen van hetbegin van bewijs, ten opzigte van werbindtenis- fen, welke uit misdaden en quafi-misdaden haren oorfprong hebben, 1348.—Verantwoordelijkheid voor de fchaden, ai anderen veroorzaakt, 1394,——— De transactie over een | burgerlijk voordeel verhindert de vervolging’ vau den open- 5 baren aanklager niet, 2046: Zie Schade, / MissLAGEN. De erfgenaam, die eenén Boedel onder beneficie van inventaris aanvaardt, ís gehouden wegens zeer grove misflagen in de beheering, waar mede‘hij belast is, 8043 De lasthebber is aanfprakelijk„ wegens de misflager of verzuimen, door hem in de uitvoertng van zijnen last gepleegd, 1992, MoBILAIRE GOEDEREN OF EFFECTEN. Die, welke de eigenaar tot een blijvend gebruik bij zijn erf gevoegd heefs, worden voor oproerende goederen gehouden, uit hoofde van hunne beftemming, 524 en volg. Noodige formaliteit; om de acte, inhoudende eene gifte van dusdanige goederen; 1 van waatde te doen zijn; 948. Zie Roerende goederen, Morptr. Toevoorzigt en resten, welke zij uitoefent, in geval de vader afwezend is. 141,= Zij kan, bij ontbreken van den vader, tegen het huwelijk van hare kinderen ín ope= pofitie komen, 173.— Zij heeft het genot der goederen van hare minderjarige kinderen, tot dat deze den ouderdom van achttien jaren bereikt hebben, 3oa en volg.—— Zij heeft het regt van voogdij, na den dood van den vader, 390 en volg. Een familie-raad kan‘haar de voogdij doen behouden, zelfs in geval van een tweede huwelijk, 895.-— Bij ontbreken van den vader, lan de moeder haar minderjarig kind emancipecren„477.— De moeder, uitkrache van de Wet het regt van lavgstlevende hebbende over de goederen van hare mitderjarige kinderen, is niet verpligt tot het ftellen van borg, om van dezelve te genieten, 6or.— Regten, waar van de moeder verftoken is, welke onwaar. | dig is verklaard om erfvolgfter te zijn, 730. Zie Schades Verantwoordelijkheid. Moeperscrar. In welk geval bet onderzoek naar het Zelve al ef niet wordt toegelaten, 341 En 342. Morte. Zij kan niet met haren neef trouwen, 163;— doch zij heeft het regt om zich tegen zijn huwelijk te verzetten, bij gebrek van bloedverwanten van de opgaande linie, en 8 van Mot Mo A WETBOEK NAPOLEON, 591 van broeder of zuster, 174.— De moeie van den moorde- denaar des overledenen, wiens erfgenaam Zij is,is niet ver= pligt om hem aan te klagen, 72ó. Morens. Welke molens uit hunnen aard onroetende goederen zijn, 519.—— De molens, op fchuiten gebouwd, zijn roerende goederen, 531. Zie Schepen. ij Moorp. Die veroordeeld is, om dat hij den overleden omge id bragt heeft, of getracht heeft om te brengen, en de meer- ú derjarige erfgenaam, die van her vermoorden van den Over- leden kennis dragende, daar van geene aangifte gedaan heeft, zijn onwaardig om erfvolgers te Zijn, 727. Het nalaten van Zoodanige aangifte kan niet worden tegengeworpen aan bloedverwanten van den moordenaar, 728. Muntcreauireir., Men doet aan dezelve de verklaringen, betrek- kelijk de woonplaats, 1c4.— In welk geval de toeftemming van de plaatfelijke municipaliteit noodig is tot de officieufe voogdij, 361. In welke omftandigheden de testamenten kunnen gepasfeerd worden voor een der leden van de muni- cipaliteit, 985. Zie Gemeenten, Maire. Muren. De verfterkte plaatfen makken een gedeelte der publieke domeinen uit, 540.—- Welke reparatiën ten laste van den vruchtgebruiker zijn, 6o5 en 606.—— Welke muren voor gemeen worden gehouden, 653. Regels op de her= bouwing em verhooging van deze muren, 656 en volg.—= Een der geburen mag, zonder toeftemming van den ander, in eenen gemeenen muur geene opening maken, 675. Zie Deuren, U NABUURSCHAP. Elk eigenaar kan zijnen nabuur verpligten, om hunne erven op gemeene kosten af te fcheiden, 646, Regten van de naburige mede=-eigenaars, betrekkelijk her plaat- pn TT | KEGISTE Ro rv fg plaatfen van balken door de dikte van eenen gemeeneë muur, 657.—- De naburen moeten in de kosten van af- fcheiding dragen, 663, Wederzijd{che verpligtingen, wanneer gehandeld wordt over het graven van een put, het maken van openingen of vengfters, over drop, en over- Bang of uitweg, 674» 675 en volg. 681 envolg.— Verbind- tenisfen, die buiten overeenkomst aangegaan worden tusfchen naburige eigenaars, 1370. NADEELEN. In welk gêval de vruchtgebruiker voor dezelve ver- antwoordelijk is, 614.—- De nadeelen door den donataris veroorzaakt, Zijn ten zijnen laste in geval van inbreng, 863. —_— Geval, wáar in de nadeelen, gedurende den huurtijd ten laste van den huurder zijn, 1732 en 1735. Zie Prucht= gebruik. NAKOMELINGEN, Tusfchen welke perfonen, en hoedanig, de nas latenfchap wordt verdeeld van iemand, die zonder nakome= lingen ís overleden, 746 en 767. NÁxkoMine. War het gevolg is van de vrijwillige nakoming van eene verbindtenis, tegen welke de wet eene actie tot ver- nietiging of rescisfie verleent, 1338. Zie Opfchorting, Pér= foneel arrest; Wet. NALATENSCHAP. Zie Erfenis. NAMEN: De namen en voornamen moeten ín de acten van den burgerlijken ftand zijn uitgedrukt, 34, 57, 58, 63, 71€# volg.——— De gelijkheid van naam kan de afftamming van een kind helpen bewijzen, ger. De naam van den adoprant wordt bij dien van den geadopteerden ge- voegd, 347. NATURALISATIE, Door fiaturalifatie, in een vreemd land ver- kregen, wordt de betrekking als Franschman verloren, 17, Neer, Het huwelijk is verboden tusfchen oom en nicht, moeie en neef, 163.—- Hoe dit verbod kan worden opgehe- ven, 164» De neef is niet verpligt om van den moord, door zijnen oom gepleegd, aangifte te doen, 728. —_ Graad van den-oom tot den neef, 738.— Reprefen- tatie der neven en nichten in de erfvolgingen, 742 en volg. —— Befchikkingen, met last van uitkeering, ten hunnen voordeele, 1049» IN 1r- en,- me en eene nn WETBOEK NAPOLEON, 503 NiEriGHeiD. Omftandigheden. welke een huwelijk nietig doen zijn, 144, 146, 147, 161—163.—— In welke gevallen men in den. eisch tot nul-verklaring des huwelijks niet meer ontvankelijk is, 181 en volg. Nietigheid van giften, vervreemdingen, enz. gedaan door eene vrouw zon- der bijftand ven haren man, 217.—— Door wie deze nietigheid kan worden têgengeworpen, 225. Geval, waarin de verbindtenisfen, door den man ten laste van de gemeenfchap aangegaan, nietig zijn, 271. Noodige vereischten, op dat eene handeling tusfchen den voogd en A, den minderjarigen, meerderjarig geworden zijnde, niec dta nietig zij, 172.—— Nietigheid der bandeliagen, die ‚ door den genen, die onder curatele gefteld is, zonder den ur bijftand van eenen raadgever verrigt zijn, 5o2. Bedin- } gen, welke, op ftraffe van nietigheid, ongeoorloofd zijn, tot de losfing of afkoop van altijddurende renten, 530, De fchuldeiïfchers van den vruchtgebruiker kunnen iid den aflland, welke in hun nadeel gedaan is, doen vere me nietigen, 622. Nietigheid der giften onder de le Ë venden ten opzigte van toekomende goederen, welke zij bevat, 943;— van den af{tand van het regt om eene gite te E\ herroepen, wegens opkomende geboorte van een kind, ve 965. De formaliteiten door het Wetboek voorge- fchreven betrekkelijk de testamenten, moeten worden in acht genomen, op ftraffe van nietigheid, root. Het legaat van eens anders goed ís nietig, 1o21. Geval, waarin eene boedel-verdeeling nietig is, 1078.—= Oorzaken tot nietigheid, uit dwaling, bedrog of geweld voortkomende, 1109 ez volg. De nietigheid der voorwaarden doet de overeenkomften van onwaarde zijn, 1172 en vols.—_— De nietigheid der hoofd-verbindte- nis maakt ook het beding van poenaliteit nietig 1-27, De vernietiging doet eene verbindrenis te niet . gaan, 1134: Hoe lang de actie tot vernieti- ging der overeenkomften duurt, 1304.——— Gevallen, Waarin de vrijwillige, en zelfs bij regterlijk vonnis toege= wezene affcheiding van goederen nietig is, 1443 en volg. Vereischten op ftraffe van nietigheid voorgefchre- ven, tot de: herftelling der-gemeenfchap tusfchen echtges no nooten, 14SIj—— als mede betrekkelijk het aannemen ve en den afftand van de gemeenfchap, 1453 en volg. 1d Nietigheid van alle algemeene autorifaie aan de vrouw 7 gegeven om de onroerende goederen te vervreemden, 1538 Oorzaken der nietigheid van verkoop, 164r en volg. Nietigheid van de actie tot rescisfie tegen eene tranfactie, welke is aangegaan op grond van ftukkens die- nietig waren, 2054 Die, welke outftaar uit het ontbreken van formaliteiten, in zake vau hijpatheek, 2185. Zie Contract, Legaten, Huwelijk, Rescisfie. Pp Nie: NE> EE en an de ES 594 REGISTER or omweEr Nieuwe Titer, Na welk tijdverloop de fchuidenaar van eefé rente kan genoodzaakt worden, aan zijnen. fchuldeifcher eenen nieuwen titel te leveren ten zijnen kosten, 9263. Noopvrurrt. Vruchten, welke de gebruiker kan vorderen, voor zijn eigen nooddruft, en die van zijn huisgezin, 630. NoTrArisseN. Proces-verbaal door hun op te maken van de verklaringen, welke de echtgenooten voor den regter doen in zake wan echtfcheiding, 281 en volg.;—=— en van ij die, betrekkelijk het toevoegen van eenen bijzonderen raad- \ zE gever door den vader aan de langstlevende moeder en voogdesfe, en tot het kiezen van eenen voogd, 392, 397 \ en volg. De regtbank kan eemen netaris benoemen (ant tot het opnemen der verhoogingof opflag bij de verkoos Kk ping der onroerende goederen van eenen minderjarigen. 4 AE 459. De vonnisfen, waar bij eene curateele ver- | leend, of een raadgever benoemd wordt, worden op de kantoren der notarisfen aangeplakt, sot. De on: roerende goederen worden door hun in het openbaar ver- kocht: 827 en volg. De acten, waar bij eene gifte onder de levenden gedaan wordt, worden voor notarisfen gepasfeerd, 931- Er zijn twee notarisfen noodig tot het pasfeeren van een testament, ten zij er vier getui- gen zijn, 971. De beflotene testamenten, en die, ! 1 welke geheel door den testateur zijn gefchreven, worden |, in hunne tegenwoordigheid‘geopend, roo7. Acten van geldopneming en quitantiën van betaling, welke voor A ‚ notarisfen moeten gepasfeerd werden, 1250.— Welk ì bewijs de copiën opleveren, welke zij afgeven, 1335.—— \f Zaken, waar van ecne acte voor notarisfen moet gepas- féerd worden, 1341, 1394, 1397 En 145[.— De notaristen zijn aan perfoneel arrest onderwerpen, voor de teru g- gave van de aan hun toevertrouwde papieren, 2060 id Enkele gevallen, waar in zij acten mogen pasfeeren, waar | bij perfoneel arrest bedongen wordt, 2063. Zie Openbare Ambtenaars, Regten waar over gefchil is. mgee ’ | Novarie. Is een van de middelen, waar door verbindtenisfen f ij te niet gaan, 1234. Hoe, en tusfchen welke pere Ì fonen dezelve wordt te weeg gebragt, 1271 en volg.— Í| Wat er plaats heeft in geval van novatie, betrekkelijk de regten van preferentie en hijpotheek, aan eene oude fchuld u verbonden, 1278 en volg. Hoe novatie de mede: Ô fchuldenaren en de borgen kan ont{laan, 128r. IE ; Nur-verKLARINGe Zie Wietigheid, Ô, raad, der« > 3 pêmen arko igen, ve Op d iser pir ik d chul nedt mm en rn eee add meenen WETBOEK NAPOLEON. 595 Oever. Zie Zéés Orkicievse voocpij: Welken ouderdom de voogd en de pupil moeten bereikt hebben, 361 en volg. Regels, welke de officieufe voogd in‘zijne beheering moet volgen; 364 en volg.——= Omvane. Onder welke wijzigingen de verkooper gehouden is het verkochte te leveren in deszelfs geheelen omvang, Z00 als het bij het koop-contract uitgedrukt wordt, 1616 ex volg. Zie Huur-Contract, Prijs. ONACHTZAAMHEID: De erfgenaam, die eenen boedel onder beneftcie van inventaris aanvaard heeft, en de donataris zijn aanfprakelijk voor de fchâaden; door hunne onacht- zäamheid wvefoorzaakt, 805 en 863. Verantwoorde. lijkheid voor de fchade, doof onachtzaamheid veroorzaakts 1383, Áchiteloosheid, waar voor de man aanfprake. lijk is, 1562 en 1567. ONBEHEERDE GOEDEREN. Dezelve behooren aan den Saat, 539e OnsekwaamneiDs Welke perfonen onbevoegd zijn tot de voogdij; 4425=—= OM onder de levenden of bij uiterften wil te befchikken, go3 én volg: Genees. of heel- meesters, officieren van gezondheid, en apothekers zijn onbevoegd om iets te genieten van befchikkingen onder de levenden of bij testament, ten hunnen voordeele ge- maakt door een perfoon, welke zij gedurende den loop zijner ziekte bediend hebben, 9og.— Uitzonderingen, ald, Wie onbekwaam zijn om te contracteren, 31243—= om zich goederen te laten toewijzen» 15965 == om regten aan Zich te doen overdragen, waar over gefchil is, 1597. Zie Bekwaamheid, Befchikking, Erfenis; Onbevoegdheid. Onsevoepneip. Rene acte; welke uit hoofde van onbevoegd= heid of onbekwaamheid van den ambtenaar, voor wien de- zelve gepasfeerd is, niet voor authenthiek kan gehouden Pp a wor SE ES En 596 REGISTER oromer worden, heeft de kracht van een onderhandsch gefchrift, indien dezelve door partijen geteekend is, 1318, ONDANKBAARHEID. In welke gevallen dezelve regt geeft tot het herroepen van giften, 953 eu volg. ONDeELBAARHeID* In welke gevallen eene verbindtenis ondeel- baar is, r218 en volg. El Vh ded ONDER-ERFSTELLING, Zie Subflitutie, Hed ONDERHANDscH. De vrijwillige teruggave van een oorfpronke- Ï lijk onderhandsch bewijs der fchuld, bewijst de bevrijding Î Ki van den fchuldenaar, 1282,—= Hetzelfde heeft plaats ij EN ten aanzien der mede.{chuldenaaren, zoo de teruggave ge. aal| daan is aan één der folidaire fchuldenaren, 1284. í ONDeRrHouD. De kinderen zijn hetgelve verfchuldigd aan hunne he Ek bloedverwanten in de opgaande linie, die behoeftig zijn, i A 205.—- Hetzelfde heeft plaats omtrent fchoonzoons en | fchoondochters, 206. Deze verpligtingen zijn we- derkeerig, 207. Evenredigheid van het onderhoud | in geval van ontheffing of vermindering, 208 en volg.— ij De echtgenooten zijn elkander over en weder onderhoud Î verfchuldigd, e14.— Dezelfde verplisting heeft plaast | tusfchen den adoptant, en den geadopteerden, 349.— Ii De officieufe voogd is aan zijnen pupil onderhoud vere K fchuldigd, 364 en 367. Onderhoud, hetwelk de (ä vader gehouden is te bezorgen aan den zoon welke, hij heeft doen gevangen zetren, 378.— Die gene, welke het genot heeft van de goederen van eenen minderjarigen, en is verpligt hem te onderhouden, 385.—- De wet ver- ‘ leent aan kinderen, in overfpel en bloedfchande geboren, alleen het noodig onderhoud, 762.— Eene gifte onder delevenden kan herroepen worden om weigering van«onder- houd, 955. Loopende achterflallen van eene lijf. rente of een jaargeld, onder den titel van onderhoud ge= legateerd, rors. Het onderhoud der echtgenooten maakt een gedeelte uit van de fchulden der gemeenfchap, | 14C9.—= Het oproerend huwelijksgoed kan vervreemd worden, om onderhoud aan de bloedverwanten te verfchaf= | fen, 1558. ‚In welk geval de vrouw zich, gedu- kf rende het rouw-jaar; het noodig onderhoud kan doen. ge- || ven ten kosten van de erfgenamen van haren man, 1570. A| Zie Adoptie, Kind, Kostgeld tot onderhoud, Oficieufe El voogdij„ Woedfel. E Onperroup. Het onderhoud der minderjarige kinderen is ‚ voor de ouders een last, verbonden met het genot van t hunne goederen, 395.=—— De fchade, veroorzaakt doe Jef Id - mmm en a- err ET CEN lans eter ber 4 Wet SEO OO WETBOEK NAPOEEON. 597 het inftorten van een gebouw dat niet onderhouden is, komt ten laste van den eigenaar, 1386. Onperscueipine. Het lid worden van een vreemd genoot- fchap, het welk onderfcheidingen van geboorte zoude ver- eifchen, doet de betrekking als Franschman verliezen, 17. ONDERTEEKENING. Die der testamenten, 973 En 974. Oxprrwezp. Die zaken, welke in den handel der menfchen tt beftaan, kunnen alleen het onderwerp der contracten uitma= HE ken, 1128. ats ge Oxperwijs. De kosten van onderwijs zijn geen inbreng on- derworpen, 8525 Er is eene verjaring van één jaar tegen de meesters, 2975. Zie Schade, Ing U, Onperwijzers. Verjaring voor bet loon der lesfen, welke zij en bij de maand geven, 2271. Zie Meesters, Schade, Verant= e. woordelijkheid. ge Onperzoek. Het onderzoek, het welk ter zake van echt- dd fcheidin laats heeft efchiedt met geflotene deus Id 8 P Ei) a ren, 253e je: Onperzoek. Het onderzoek, wie de vader van een kind is, is verboden, 340. Het onderzoek, wie de moge der is, wordt toegeftaan, 34l. ONECHTE KINDEREN. Enkele regten, welke zij hebben op de goedeten van hunnen vader, of moeder, 756, Aan wie de nalatenfchap vervalt van het onecht kind, het welk zonder afkomelingen na te laten, overleden is, 765» Regten welke de onechte kinderen kunnen uitoefe- nen, betrekkelijk eene nalatenfchap, die, bij ontbrekeft van nabeftaanden, aan den Staat vervallen is, 769 en volg. Deze kinderen kunnen noch bij gifte onder de levenden, noch bij testament,iets meer genieten, dan het 4 geen hun door de wet is toegeflaan, 90% Zie eten Ì wan Eerbied, Erkenning van Kinderen, Toeftemmming ‚ Wet- ziging. / ONGEHUWDE STAAT. Zie Adoptie. , Onseugkneipe Terug gave, waar door de ongelijkheid der é loten in eene boedelfcheiding wordt vergoed, 833. | ONnerROEPELIJKHEID. De giften onder de levenden zijn„ s over het algemeen, onherroepelijk, 894. Zie Herroepinge IÌ:. ONLIGCHAMELIJKE REGTEN. Zie Levering, Overdragt, Pp 3 ON« 598 REGISTER or ner OnmacT, De man kan, door zich op zijne natuurlijke onmagt te beroepen, piet’ ontkennen, dat een kind het zijne is, 313, ONnoozeLHeiD. Die zich in eenen taat van onnoozelheid bevinden 4 moeten van het beftuur hunner goederen ontzet Worden, BEDE ZOT nn Zij kunnen noch onder de levenden, hoch bij uiterften wil eenige gifte doen, gor. ONROERENDE GOEDEREN. Wetten, waar aan die van vreemdes lingen onderworpen zijn, 3.„_„Begrooting der goede- ren van eenen afwezenden vóór het provifioneel bezit, 126.—— De autorifatie van den familie-raad is noodig, om de onroerende goederen van eenen minderjarigen, Í| zelfs wanneer deze geëmancipeerd is, te vervreemden of f| Ki te verpanden, 457 en 484 Verfchillende aard der L onroerende goederen, 517 en volg. Formaliteiten pe in het verkoopen van onroerende goederen ín acht te | nemen door den erfgenaam, die eenen boedel onder bene= | ficie van inventaris aanvaard heett, 806. Begroo- | ting der onroerende goederen, en verkooping van die, | welke niet gevoegelijk verdeeld kunnen worden, 824 en P| 827. Inbreng van onroerende goederen in eene Î dein nalatenfchap, 859 eu volg. Een legaat van onroe-. tend goed, het welk voor eene(chuld bij hijpotheek ver- ij bonden is, gaat met dit verband over, 1020,—_— Ge- 4 volgen der overeenkomften van minderjarigen, en van per- fonen, welke onder curateele gefteld zijn, betrekkelijk de vervreemding van onroerende goederen, 1314.—— Men moet de onroerende goederen, welke onverfchuldigd ont- x vangen zijn, terug geven, 1392—— Welke onroerende hi goederen in het active der gemeenfchap tusfchen echt- genooten komen, 14or en volg. Onroerende goe- 2 deren, waar over de vrouw, die van haren man gefchei- den is, kan befchikken, 1449.———= Noodig vereischte, yv op dat een oproerend goed, uit de gelden tot het huwe. lijksgoed behoorende verkregen, huwelijksgoed zij, 1553. “Algemeene regels omtrent het onroerend huwetijks- k goed, 1554 eu volg. De onroerende goederen van minderjarigen, em van hun, die onder curateele gefteld zijn, kunnen niet ter verkoop aangeflagen worden, vóór Î id dat«de boedel gefcheiden is, 2206. Zie Executie, Gez d Ä - | Hi meenfchap. f 4 ONTBINDING.«Zie onder de woorden Gemeenfchap, Huur, Hu- welijk, Sociëteit, de bepalingen, betrekkelijk de ontbinding van deze overeenkomften, ONTKENTENIs. In welk geval de man de wettigheid van een Geregrelijke actie, wel- ke \ kind kan ontkennen), 312 Oy ON (0) mn ET ee ET EDE een WETBOEK NAPOLEON, 599 at ke de-ontkentenis moet achtervolgen, g18e Zie Onmagt, je Overfpel. Ontrouw. Dezelve kan. eene reden zijn tot uitfluiting van de voogdij, 444. OnrsLac. De minderjarige, die geëmancipeerd is,mag geene quicantie geven zonder bijftand van zijnen curator, 482e Zij, die onder curateele gefteld zijn, en verkwisters, k heoben hier tae den bijftand van eenen raadsman noodig, de. 499 en 513. Verfchillende omftandigheden, die het i ontflag van eene fchuld te weeg brengen, 1282 en volg. —— Nawelk tijdverloop de regters;, practizijns en ge- a regtsboden wegens de afgifte der ftukken van een proces of niet meer aanfprakelijk zijn, 2276, Zie Borg, Kwijt- der fchelding. ONTVOERING: Zie Levering, Schaking. Es OxveRDeELDe Boeper. Niemand kan gedwongen worden, om de in eenen onverdeelden boedel teblijven, 815. De i actie rot rescisfie heeft plaatsten aanzien van alle acten; Cn die ten oogmerk hebben,«omde gemeenfchap tusfchen Te de mede-erfgenamen te doen ophouden, 888.—— Het Es onverdeeld aandeel van eenen_medeerfgenaam in de goe- JI deren: der nalatenfchap, is niet aan de onizetting van ei- là gendom bij executie onderworpen, 2205. ONVERMOGEN OM TE BETALEN, Alle de erfgenamen zijn verpligt, om het gedeelre van hunnen infolventen mede-erfgenaam te betalen, in de bhijpothecaire fehuld, welke zij verdeeld hebben, 876.-— Hoe lang deze vrijwaring duurt, en in welk geval dezelve geene plaats heeft, 886. Hoe het aandeel van den folidairen mede fchuidenaar verdeeld wordt in geval van infolventie, 1887.— Verhaal, ín geval vanin- a, folventie van eenen gedelegeerden, 1276.—— Gevolgen wan het onvermogen van den man om te betalen, met betrekking tot het huwelijksgoed, 1573. Zie Borg, /n- fulventie. ij; [ ONVOORZIEN TOEVAL. Noch de eigenaar, noch de vruchtge- Ì bruiker, zijn. verpligt te herbouwen, het geen door ou- derdom‘is ingeftort, of door een onvermijdelijk, onheil se vernield is, 607. Onroerende goederen, die door een onvoorzien toeval zijn te niet gegaan, zijn aan geen inbreng onderworpen, 855—— Schaden en interesfen zijn fi niet verfchuldigd, wanneer onvermijdelijk geweld oorzaak js geweest van het niet nakomen der verbindtenis, 1148. Ook wordt hier door de fchuldevaar bevrijd, 1382. —_— Verantwoordelijkheid voor het toevallig verlies van eene onverfchuldigd ontvangene zaak, welke vergaan is, Pp 4 1379. Id Î+ Î 1 \ eed 6oo REGISTER OP HeT 1379.— Bepalingen aangaande de vernietiging vân de huur, in geval het goed bij toeval geheel of gedeelte- lijk vergaan is, 1722,— Omftandigheden, waar in Onvermijde- lijke toevallen regt kunnen geven tot eene vermindering van den bedongen Prijs, voor de huur van landen, 1 69 en vols, Bedingen, waar bij de huurder voor Lewone onvermijdelijke toevallen aanfprakelijk kan gefteld worden, 1772 en volg. ONVOORZIGTIGHEID. Verantwoordelijkheid van fchade, door onvoorzigtigheid veroorzaakt, 1383. ONWaAarpIGHEID. Welke perfonen de wet onwaardig verklaarg om erfvolgers te zijn, 727 en volg, Oost. In welk geval het geheel of gedeeltelijk verlies van eenén oogst regt geeft tot fchadeloosftelling, 1769 en volg. — De kosten van den oogst zijn geprefereerde in= fchulden, e1o2. Oom. De autorifatie van het Gouvernement is noodig tot het huwelijk van een oom met zite nicht, 163 en vols. De oom en moei kunnen zich niet verzetten tegen het buwelijk van hunne neef of nicht, 174,—- De oom van den moordenaar des overledenen, van wien hij erfge- naam is, is niet verpligt om hem aan de justitie aan te geven, 728, Graad van bloedverwant{chap tusfchen den oom en neef, 738, Oorzaar. De verbindtenisfen moeten eene beflaanbare eu ge- oorloofde oorzaak hebben, ri3r.—= In welk geval eene oorzaak voor ongeoorloofd word gehouden, 1133. OPBRENGSTEN. De vruchtgebruiker is met dezelve belast, Co8 en og, Aard der opbrengften, welke voor res kening van den eigenaar komen, a/d,— In welk geval de gebruiker de betaling der opbrengften moet dragen, 635.— Zie Aanflag, Lasten, Schulden. OPENBAAR, Het huwelijk moet in het openbaar voltrokken worden, 165. Men kan het huwelijle, dat niet in het openbaar voltrokken is, wegens nietigheid aanklagen, 19[. De fcheiding van goederen; en de acte„ waar bij de gemeenfchap wordt herfteld, moeten openbaar ge- maakt worden, 1445 en 1451, ©] OPENBAAR GEZAG. Zie Openbare ambtenaars, OPENBARE“AMBTENAARS. Het is hun verboden, om zich na- tionale goederen, waar van de verkoop onder hun op? zigt gefchiedt, te laten toewijzen, 1596. Zij kun- nea door perfoneel arrest genoodzaakt worden, om de aan (9) WETBOEK NAPOLEON. 6Bt aân hun toevertrouwde papieren en gelden terug té gge ven, 2060:} OPENBARE BEDIENINGEN,. De betrekking als Franschman wordt verloren, door het aannemen van openbare bedieningen in een vreemd Gouvernement, zonder autori/atie van den Keizer, 17.—— Woonplaats van die genen, welke tot eene openbare bediening zijn aangefteld, 106 en 107.— li Om welke openbare bedieningen men van de voogdij verfchoond is, 427, Zie Misbruik. OPENBARE GESTICHTEN, De befchikkingen onder: de levenden Aart ofebij testament, tot voordeel van dezelve, of van gast- huizen, en van de armen van eene gemeente, moeten door een Keizerlijk decreet bekrachtigd zijn, gto.—= Valt B e: 4 ê /J De giften moeren door de beftuurders dezer(lichtingen worden nn aangenomen, en ten kantore der hijpotheken geregistreerd worden, 927„939 en 940,— De openbare geftichten kunnen niet tranfigeren, dan op autoritatie van het Gouverne- ment, 2345 Zij hebben het regt van legaal hijpoe theek op de goederen van die genen, die aan hun ver- antwoording fchuldig zijn, or2t.—— Zi zijn aan de- zelfde verjaringen onderworpen, als de bijzondere pere fonen, 2227. ka OPENBARE VERDEDIGERS. Zij mogen geeze cesfionarisfen zijn van procesfen, waar van de beoordeeling flaac aan de regte bank van het resfort, waar in zij hunne ambrsbedienin- gen waarnemen, 1597. OPENBARE VERKOOP, Zie Verkooping- OPENINGEN: Men kan dezelve niet maken in in eenen gee meenen fcheidsmuur, 675. al Orcerp, kan niet berekend worden bij de begrooting der roe- 0, rende goederen in de verdeeling van eenen boedel, 8255 — noch ook bij de inbreng van roerend goed, 868. al OpHerriNG. Formaliteiten ,betrekkelijk de opheffing der oppo= í fitiën tegen het huwelijk, en van curateele, 174 172 , en 5I2, OpPosiTIE, Formaliteiten betrekkelijk het teekenen en infinu- nj eeren van de oppofitiën tegen een huwelijk, 66 en 67.— Derzelver opheffing is noodig, vóór dat men met de vol- trekking kan voortgaan, 68.—— Door wien deze op- pofitiën kunnen gedaan worden, wat zij moeten inhoóu- le den, enz., 176 en volg. Gevolg der betaling, ge- fi daan in weerwil van een arrest of oppofitie, 1242.— De oppofitie belet de teruggave van de ín bewaring geno- mene zaak, 1944. Zie Verzegeling, Pp 5 Op. W 6o2 REGISTER dr OescHorrTING. De, ontbindende voorwaarde fchort de—nako- ming der verbindtenis niet op, 1183- Eene tijdse bepaling fchort de verbindtenis niet op, maar verfchuift er de uitvoering flechts van, 1185. In geval van be. fchuldiging van valschheid, ten aanzien der hoofdpunten, wordt de nakoming van eene, zelfs authentieke acte, op- gefchort, 1319. Opsruitings Bij het vonnis, waar bij echtfcheiding wordt toegee ftaan, kan de vrouw veroordeeld worden totopfluiting ineen verbeterhuis, 298 en 378.—- De vader kan zijn kind doen opfluiten, om flecht gedrag, 376. Forinaliceiten in achtte remen door den voogd, die de opfluiting van den minderjarigen wil vorderen, 468. OpvoepinGe Aan wie het toevoorzigt behoort over de opvoes ding der kinderen, wier vader afwezend is, 141.——_— wie her zelve wordt toevertrouwd in geval van echtfchei- ding, 3o2 en 303.—— Door wie de kosten van opvoe- ding verfchuldigd zijn, 385 en 1809. Naar welke evenredigheid de vrouw, welke de atfcheiding van goederen bekomen heeft, ín deze kosten moet dragen, 1448. Zie Inbreng. OrzeeeiNe, Regels, omtrent het fchriftelijk, of niet fchrifte- lijk opzeggen van huur, 1736 en volg. De verhuur- der, die, uit krachte van overeenkomst, zijn huis zelf kan betrekken, moet vooraf eene opzegging doen infinueren, 1762,-— Zie Huur-contract. OpzicT, Zie Zoevoorzist, Orzicters. De opzigters van tucht- of gevangenhuizen„moe ten van her overlijden der gevangenen kennis geven, 84— Zie Bewaarneming. OupeRDom. Welke er vereischt wordt tot het aangaan van een huwelijk, 144. Zie Acten van eerbied, Adoptie, Dispen/a: tie, Eerstgeboorte, Emancipatie, Huwelijk, Meerderja- risheid, Oöperpom. Wanneereen gebouw door ouderdom is ingeftort, zijn noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker verpligt, om het zelve te herbouwen, 607 en 624. De huurders zijn niet gehouden wegens reparatiën, waar toe ouderdom gelegenheid gegeven heeft, 1755. OuperLijk HUIS. Het zelve is de woonplaats van den minderja- rigen, 108.—— In welk geval een kind de roeftemming van zijnen vader niet noodig heeft, om het zelve te verla- ten, 374. OvENe - ee- ene ge ven ve oaonale Ne en Ree WETBOEK NAPOLEON. 603 Je Oven. Afftand van eenen gemeenen muur, bepaald to het mêts felen van een bak- of anderen oven, 674: OverpraecrT. Tot de overdragt van eene infchuld op eenen derden, gefchiedt de levering door overgifte der bewijzen, 1689. e infinuatie van de overdragt ftelt den ces- fionaris in het bezit, ten opzigte van derden, 1699— Wart de cesfie van eene infchuld, of eene erfenis bevat, EN in welke er vrijwaring plaats heeft, 1692 ef volg. Zie Regten op eene nalatenfchap. df OVEREENKOMSTEN. Men kan, door. bijzondere bedingen, niet krachteloos maken de wetten, die op de publieke orde be: trekking hebbeu., 6. Gevolgen van de echtfcheiding, met betrekking tot de huwelijks- overeenkomften, 299. (le jk Geval„ waar in.de voordeelen van overeenkomften, met den ad overledenen aangegaan, aan geen inbreng„onderworpen zijns den 854. Wat de herroeping van eene gifte te weeg brengt, Ike ten opzigte van huwelijks- overeenkomflen, 963. ë. Nezenlijke vereischten tot de beftaanbaaiheid der overeen. komften, en oorzaken van derzelver nietigheid, zic8€ £ volg. Alte overeenkomften moeten eene oofzaak bebben-, 1131. Hoe dezelve tot herroeping vatbaar te worden, 11 34e Wijze van uitiegging der overeen- komften, in geval van twijfelachtigheid, 1157€# volg. Haar gevolg,‘ten aanzien van derden, 1165 en volg.— Verbindrenisfen, die aangegaan worden buiten overeenkomst; 1370 en volg. Formaliteiten, betrekkelijk de huwelijks- evereenkomften, 1394 en volge— Zie Contract; Huwelijks- contract, Wet. OverGANG oF uitweg. In welk geval de eigenaar van EED inge. floten land het regt van overgang over den grond van zijne geburen kan vorderen, 6832. De dienstbaarheid, om water nit eens anders bron te fcheppen, bevat in zich het eel regt van overgang of uitweg; 696. Geval, waarin alfe eigenaars verpligt zijn om dat regt langs een en denzelf- den weg te gebruiken, 7oo, OvERGANG. In welk geval er in de erfvolgingen, overgang van tt, de eene lijn tot de andere plaats heeft, 733e sh OVERGIFTE, Dezelve is niet noodig„om aan den donataris den bi eigendom te doen overgaan van goederen, welke behoorlijk Ri aangenomen zijn, 938. De levering van roerende goederen gefchiedt door derzel ver overgifte, 16c6. en volg.— rk De bewaarneming is niet voltrokken, dan door de wezenlijke of veronderftelde overgifte van de in bewaring gegevene zaak, 1919. OVvER- amd min Nn hi Rn Ean Î E | a Ek,“ id ens 64 OverspeL. Is eene reden tot echtfcheiding, 229. REGISTER op ner Overerooroupens. Zie Bloedverwanten van de opgaande linies Overneip, Zie Publieke Overheid. OverLevinge Op welke wijze de prefumtie van overleving be- Paald worde, wanneer verfcheiden perfonen, die refpecti- velijk tot elkanders erfenis" geroepen zijn, bij een en het zelfde voorval omkomen, 720 en volg, Geval, waar in eene gifte onder de levenden, bij huwelijks- contract ge. daan, niet geacht wordt gedaan te zijn, onder voorwaarde dat de donataris den donateur overleve, 1092, Men kan ook bij huwelijks-contract niet afwijken van zoodanige regten, welke aan den langstlevenden der echtgenooten zijn opgedragen, 1388. Regten van overleving van de „vrouw, in geval van ontbinding der gemeenfchap door echte fcheiding ‚ of fcheiding van tafel, bed en goederen„1452.— Het beding, dat de gemeene boedel aan den langstlevenden zal verblijven, wordt niet voor eene donatie, maar alleenlijk voor een huwelijks- overeenkomst gehouden, 1 525, OverLijDen. Formaliteiten, betrekkelijk de acten om het zelve te bewijzen, 78 en volg. De dood van één der echtgenoten ontbindt het huwelijk, 297.» Gevolgen van het overlijden van den adoptaut, na dat de acte van toeftemming is aangenomen, 360, De goederen van han ‚ die zonder erfgenamen fterven, behooren tot de pu- blieke domeinen, 539. Gevallen, waarin de vere fchillende authentieke en onderhandfche acten door het over- lijden eene zekere dagreekening bekomen,1328, 1410, 1441 en 1452, Gevolgen van het overlijden van den man of de vrouw, betrekkelijk de teruggave der vruchten eu interesten van het huwelijks- goed, 1570. OVERSLAAN. War het gevolg is van het overflaan van eenig goed van de erfenis in eene boedelfcheiding, 887. De echtgenoot, die gefcheiden is uit hoofde van overfpel, kan nimmer huwen met zijne medepligtige, 298, De overfpelige vrouw zal, op voordragt van den openbaren aanklager, tot opfluiting veroordeeld worden, 298. In welk geval overfpel tot. grond kan ftrekken, om wettiglijk een kind te ontkennen, 313,—> Kinderen, uit overfpel geboren, kunnen noch gewettigd, noch erkend worden, 331, 335 en 342.— Hun wordt alleen het noodig onderhoud verleend. 7ó2. Zie Echtfcheiding, Kin- deren in overfpel geboren, Scheiding van tafel en bede OvER“ Pa Pact Pax | Por Pan Pa Pa; en- mn RT. erneer TE TT pers WETBOEBR NAPOLEON. 605 OVERTREDINGEN. Vervolgingen en geldboeten welke de over” tredingen der wetten op den burgerlijken ftand, tel weeg brengen, 50.5 van de wetten omtrent het huwelijk, | 19e en 193.; aangaande de infchrijvingen der hijpothe- den ken, 2199 en volg, Zie Commisfarisfen van het Gouver- nement. ib, PAARDEN. Dezelve zijn niet onder de roerende goederen ber grepen, 533- PacHter. De beesten enzaden, die aan pachters gegeven zijn, worden voor onroerende goederen gehouden,522 en 524e— Regels, aangaande de huur van landen, 1763 en volg. In welk geval de pachters aan perfoneel arrest onderworpen is, 2062, Zij kunnen nimmer iets door verjaring ver- vaa krijgen, 2236. la PAKWAGENs. Registers doorde aannemers derzelve te houden, af en reglementen, naar welke zij zich moeten gedragen„ 1785 en 1786, Paren. De molens en andere werktuigen, op palen ftaande, ziju onroerende goederen, 519 en 531. Ì PAND VAN ONROEREND GOED. Hoe het zelve genoemd wordt, Hoe dit pand gevestigd wordt, en regten, 2072. weike de fchuldeifcher door dit contract. verkrijgt ‚2085.— De Regten van derden op het onroerend goed, het welk als van pand is overgegeven, 209le De PAND VAN ROEREND GoED. Hoe het zelve genoemd worde, 2072. Welke regten dit pand aan den f{chuldeifcher p geeft, 2073 en volg. Zie Preferentie. en, PANDGEVING. De teruggave van de zaak, welke voor eene end{chuld tot pand der minne gegeven is, ie niet genoegzaam, het om eene kwijtfchelding van{chuld te doen vermoeden, line 1286. Die geen borg vinden kan, kan volftaan met in plaats van dien, voldoende onderpand te geven, oo41,— Waar in het contract van pandgeving beftaar, 2071. Zie Kwijefchelding, Pand, ie PANLË AO oe OTE AR. be 5 EE anal 1 ij Ei Î Í Go6 REGISTER oP He# PaANDREGT. Die uit kracht van: een provifioneel bezit het genot der goederen van eenen afwezenden hebben, kun- nen de onroerende goederen-niet verpanden; 12%—— De vrouw kan geene goederen verpanden, zonder antori fatie van haren man ,of van den regter, 217.— De voogd kan de goederen van den minderjarigen niet ver- panden, zonder daar toe door den familie-raad gemagiigd te zijn, 457: Die onder curateele gefteld zijn en verkwisters, hebben daar toe den bijftand van eenen raadgever noodig, 499 en 51s. Formaliteiten tot de regiftratiervan giften, die gehijpoihekeerd worden, 939. Gevolgen van het regt van retour vän eene gif: te betrekkelijk hijpotheken, 952 en volg, m_—— Vere pligtingen van den legataris uit krachte van hijpotheek, foog en volg: Hijpothecaire actie, voortkomerde uit het beding van poenaliteit tegen de erfgenamen van den fchuydenaar, 1232. Betaling met’ furrogatie im de bijpotheeken, weike de fchuldeifcher ten laste van den fchuldenaar heeft, r25o en volg. Wat het ge- volg is van de toeftemming, welke de fehuldeifcher heef gegeven, dat de fchuldenaar hetrgeconfigneerde goed terug neemt, 1263;—_— en van de novatie, te weeg gebragt door eenen nieuwen fchuldenaar in de plaats van den vo. rigen te ftellen, 1278. Schuld, welke een hijpo theek, het regt geeft van te herroepen, ten nadeele van eenen derden, 1299e De man heeft het regt om de goederen der gemeenfchâp, zoo alsook de onroerende goc- deren, welke aangebragt zijn, teverpanden, 1421 en IsoB, In welke gevallen het onroerend huwelijksgoed kan verpand worden, 1554 en volg. De lastgeving, om goederen met hijpotheek te bezwaren, moet uitdrukkelijk gefchieden, 1988.——- Men pleegt bedriegerij of ftellio- naat, wanneer. men een Onroerend goed, waar van meu weet geen eigenaar te zijn, hijpothekeert, 2059 Algemeene grondbeginfelen aangaande de hijpotheken, o1I4—2136.—— Vernietiging van preferentiën en hij- potheken, 2180 en volg. Zie Aantekening, Preferentiën, Veiling. PapieREN. Zie Huisfelijke papieren, Registers, Titelse PAPIERMAKERIJ. Zie Gereedfchappen. PARAPHERNALE GOEDEREN. Waar in dezelve beffaân, 1574 —__— Wie derzelver belieering heeft, 1576.—— For: maliteiten tot hunne vervreemiding, a/d,—— Verplig- tingen van den man, die van de paraphernale goederen van zijne vreuw genot heeft gehad, 1578 en volg.— Algemeerie verpligtingen, wáâdr toe dit genot aanleiding geeft, 1580,: Pas WETBOEK NAPOLEON. 607 PARAPHERNALE GOEDEREN, Regels aangaande de paraphernale goederen van de vrouw, 1574€n volge Passier. Waar in het pasfive der gemeenfchap van goederen tusfchen echtgenooten beftaat, 7409, Voor welke fchulden deze gemeenfchap aanfprakelijk is, 1419€2 volg, Pastoor. Zie Bedienaars van den Godsdienst. PENNINGEN. Zie Gelden. ï Persen. Men befchouwt dezelve als otiroerende geederen uit ie hoofde van hunne beftemming, 524 ner PERSONEEL ARREST. Den geregtelijken boedel-afftand doende; 1 Vat is men van perfoneel arrest bevrijd, 1270. De jue diciële borg is aan perfoneel arrest onderworpen, 2040. Regelen aangaande dit arrest in civiele zaken; 2059 en vols. Zie Borg. PERSONEN. De wetten betreffende den(laat en de bevoegdheid van perfonen, zijn betrekkelijk op alle Franíchen, ook wanneer zij zich buiten’slands bevinden, 3. Tus- fchen welke perfonen alleen eene fociëteit plaats kan hebben, 1849. Perfonen, welke eene vrijwillige be- & waarneming kunnen ontvangen, 1925.—— Verbindtenis, kh: aangegaan door verfcheiden perfonen, die zich tot borgen gefteld hebben voor denzelfden fchuldenaar, 2025e PERSOONLIJKE DIENSTEN. Welke de woonplaats is van mindere jarigen, die bij een ander in geftadigen dienst zijn, 109. Tijd en zaken ‚voor welke deze dienften kunnen verbonden worden, 1780. Zie Verjaring. ee Pesr. Voor welke perfonen de testamenten kunnen gepasfeerd ken worden in tijd van pest, 985. PLAATSEN. De poorten, muren, grachten en wallen van ver. fterkte plaatfen maken een gedeelte der publieke domei- nen uit, 54e En volge: PraaTsiNG. Voor hoe vele jaren de fchuldeifcher, die inge- fchreven heeft voor eene hoofdfom, welke interesfen of renten voortbrengt, regt heeft om In denzelfden rang van rl hijpotheek geplaatst te worden, 215Ie ‚Fo: pik PrAVEIJEN. De reparatiën van de plaveijen der kamers zijn der voor rekening van den huurder, 1754. pe Porrrie. Jegens wien de wetten van politie en algemeene vei- n lig- , P wi en ad 608 REGISTER‘ov ontkr ligheid verbindende zijn, 3.— Maatregelen der politie om eenen geweldigen dood te bewijzen, 81.envols.— Wetten van politie, welke men moet in acht nemen, om te bou- wen of te graven, 552. Zaken, die gemeen zijn, “waar van het genot door de wetten van politie is gere. geld, 714.— PoNTEN. Zie Schepen. Poorten. Die der verfterkte plaatfen en vestingen maken een gedeelte uit der publieke domeinen, 54o. PORCELEINEN. Welke porceleinen niet onder den naam van meubelen behooren, 534- Post, Hoe lang de post van executeur van een testament duurt, ro3r en volg. PRACTIZIJNs. Zij mogen geene regten, waar over gefchil is, door cesfie aan zich doen overdragen, 1597.— Perfoneel arrest tot de teruggave der aan hun toevertrouwde papie- ren, Een van de gelden, door dezelven voor hunne mees- ters ontvangen, 2050, Binnen welken tijd zij de betaling van hunne verfchotten en dienften moeten invorderen, 2273;— tijdverloop, na het welk zij wegens de af- gifte der ftukken na de uitwijzing van het proces niet meer aanfprakelijk zijn, 2276, PrerrCTeN. Zij zijn van de voogdij verfchoond, 527. PREFERENTiE. Hoe de furrogatie gefchiedt, en de preferentiën welke de fchuldeifcher tot laste wan den fchuldenaar heeft, 250.— De fchuldeifcher, dietoegettaan heeft, dat de fchuls denaar het geconfigneerde goed terug neemt, kan niet meer van het regt van preferentie, het welk aan de fchuld verknocht was, gebruik maken, 1263. Het zelfde heeft plaats in geval van povatie, 1278 en volg.— Invordering, uit kracht van preferentie, van cene betaalde fchuld, die naar regten door compenfatie vernietigd was, 1299.— De vrouw en de erfgenamen, die het huwe- lijksgoed terug vorderen, hebben geene preferentie boven de fchuldeifchers, die van ouder hijpotheek voorzien zijn, 1572. Preferentie ten gevolge ‚van pand van roerend goed, 2073.—— Waar in de preferentie van den eenen fchuldeifcher boven de anderen beftaat, 2095.—- Regels betreffende verfchillende foorten van preferentiën, 2098 en volg.—— Hoe de preferentiën behouden worden, 2106 en volg Hoe dezelve te niet gaan, en wor- den vrij gemaakt, 2180 en volg. Zie Anfchrijving. Pams- Pa afs ET LT LE 4 WETBOEK NAPOLEON: 69 en ParscrieTies Zie Verjaring. | PRESUMTIËN. Geval, waar in de vermoedens kunnen dienen, k, om het bewijs van de afftamming door getuigen, te doen E toelaten, 323,—- Op welke wijze de prefumtië van over- tevitig bepaald wordt, 720. Prefumtie wordt niet toe- gelaten in geval van bedrog, 1116. ‚ Wat prefumtiën zijn, 1349.—— Wettelijke prefumtiën, 1350 en volg.— ik Prefumtiëú, welke niet door de wêr daargefteld. worden; 1353 4 van Priesters Zie Bedienaars van den godsdienst: Prijs. De prijs van het geftolen goed, het welk op eenige wijze vergaan of verloren isp is altijd verfchuldigds 1302. De koopprijs moet door partijen vastgefteld en is, bepaald worden; nogtans kan dezelve aan de uicfpraak van neel eenen derden worden overgelaten, 1591 en 1592.——, Ver- jie, mindering of verhooging van prijs, ten gevolge van de Sef. meerdere of mindere uitgeftrektheid van het verkochte, 1617 ling ven volg.— Actie ten dien opzigte, 1622.— De koop- en, prijs van roerende goederen, die niet betaald zijn, is gepre= al. fereerd op dezelve, 2102, Hent Procepures. Kosten van procedures ten laste vän den vrücht- gebruiker, 613. PROCES-VERBAAL. Wat het proces-verbaal van confignatie en be- il waarneming moet behelzen, 1259. Proces- verbaal om de dagteekening der onderhand(ehe acten te bewijzen; ’ 1328. Zie Deskundigen: Procurarie. Die miet verpligt zijn in perfeon te compareten; kunnen zich laten vertegenwoordigen door eenen, bij bij- en zondere procuratie daar toe benoemden, gemagtigden, in de |de acten vat den burgerlijken ftand, 36.- Bewaren en pa- AS, rapheren van deze volmagten, 44. Welke procuratie Né- noodig is om eene oppofitie regen,een huwelijk te_ maken, ven 66; om zich tegen een huwelijk te verzetten, het welk in, door den echtgenoot van eenen afwezenden is aangegaaús end 1495 om als gedaagde in zake van echt{cheiding te pen verfchijnen; 2433—— om een bloedverwant te vertegen- els woordigen in eenen familie-tfaad, tot het benoemen van 096 eenen voogd bijééngeroepen, 412;——— om eene gifte en, aän te nemen, 933.- De lastgever kan altijd de procù- or“ tatie, door hem aan den lasthebber gegeven, herroepen 4 aoo4. Zie dfwezendheid, Lastgeving. Qd Prd« AVON sal SE LEE en er eN 4 | k Û Ï 610 REGISTER oP HET PROCUREUR DES KEIZERS. Zie Commisfarisfen van het gouvernes ment. PUBLIEKE DOMEINEN. Tot dezelve behooren de goederen, wel- ke verkregen worden door eenen veroordeelden tot den burgerlijken dood, 33.— Opnoeming der goederen, welke geacht worden tot dezelve te behooren, 538 en volg, De goederen, die geenen eigenaar hebben, en die, welke worden nagelaten door iemand, die zonder nabeftaanden is ge- ftorven, behooren tor de publieke domeinen, 713, 723« 724» 768 en volg. n PUBLIEKE GEBOUWEN. Hoe het overlijden in dezetve wordt be- wezen, 80 en volg. PUBLIEKE ORDE. Zie Contract, Wet. PUBLIEKE OVERHEID. Derzelver werkzaamheden, betrekkelijk de belangens der perfonen, die vermoed worden afwezend te zijn, 114.— In welk geval een openbare ambrenaar de huwelijken kan tegenfpreken, 184 en 19L. De openbare aanklager kan eene misdaad vervolgen, niettegen- ftaande men getranfigeerd heeft over deszelfs burgerlijke gevolgen, 2046.” Zie Overfpel. Puri. Zie Minderjarigheid, Officieufe voogdij. Pur. Zie Waterpute Q. Quast-CONTRACTEN. Waar in dezelve beftaan, 1371 en volg. QuAsI-MISDADEN. Die, welke aan een ander middelijk of on= middelijk eenige fchade heeft toegebragt, is verpligt om dezelve te vergoeden, 1382. Zie Misdaad, Schade, Vere antwoordelijkheide Qurranrtie. Wat de gevolgen zijn, wanneer men in eene qui- tantie zijne regten op de folidaire fchuld. niet voorbehou- den heeft, rarr en volg. Ten wiens laste de kos- ten, op dezelve vallende, komen, 1249. Vorm der quitantiën, en gevolgen der toerekening, 1250 en volg.— e= pe nn- gn en ee- andes TT TT EN _ ad mn er WETBOEK NAPOLEON: Grt Geval, waar in het gefchrift, achter op eene quitantie ge= plaatst, den fchuldenaar kan bevrijden, 1332, De quitautie voor eene hoofdfom, op interesfen ter leen gege- ven, bevrijdt den fchuldenaar, wanneer dezelve zonder voorbehouding van interesfen gegeven is, 1908, Zie Onz/lag. RAADGEVER IN voocpij. De vader kan aan de langstlevende moeder en voogdesfe eenen raadgever toevoegen, 391 en 392. Raam. Zie Vengflers. RANescHikkinG. De wijze van rangfchikking en verdeeling van den koopprijs van onroerende goederen, onder de fchuld= eifchers, is bij de wetten op het fluk der regtspleging ge= regeld, 2218, Recrame. Zie Zerugeifching. REDEN VAN NIET ONTVANKELIJKHEID. Dezelve heeft plaats, wane nieer iemand aanfpraak maakt op eenig regt, het welk aan een perfoon vervallen is, wiens leven of dood hij niet be- wijst, 135.— Ook heeft dezelve plaats tegen eenen eisch tot nul-verklaring des huwelijks, na eene zamenwo- ning van zes maanden, 181, In geval van echtfchei- ding, wordt terftond over de redenen wan niet ontvanke- lijkheid uitfpraak gedaan, 246.——= Reden van niet ont= vankelijkheid, welke uit de verzoening der echtgenooten voortkomt, 272, Omftandigheden, welke den man niet ontvankelijk doen zijn, in het ontkennen van de wet= tigheid wan een kind, 314.—— Na welken tijd men niet meer ontvankelijk is tot verfchooning van de voogdij, 439. In welk geval een mede-erfgenaam niet meer ont- vankelijk is in eene actie tot vernietiging van eene aange= gane boedelfcheiding, 892,— Reden van niet ontvankelijk= heid, voortkomende uit de goedkeuring van een contract, waar van de vernietiging geëischt wordt, op grond van geweld, 1115. Zie Exceptiën, Servituten. ‘ Qas Re- B í | ÓIë REGISTER or mer REDENEN VAN VERSCHOONING, Welke door den voogd. kunnen voorgefteld worden, 438 en volg. Repucrie. Grondbeginfelen, aangaande de reductie of vermin= dering der legaten en giften, 920. De giften aan echtgenooten, bij hun huwelijks-contract gedaan, moeten bij het vervallen van des donateurs erfenis, verminderd worden tot op het gedeelte, waar over de wet hem ver= oorloofde befchikking te maken, 109o. In welke ge= valten de reductie of vermindering der infchrijvingen plaats heeft, 2161 en volg. Zie Znfchrijving, Pandregte RerDEN. Zie Havens. REËLE REGTENe Zie Servituten. Reoisrers. Hoe die der acten van den burgerlijken ffand moes ten gehouden worden, 40 en volg. Verificatie der registers door den Procureur des Keizers, wanneer dezelve ter griffie overgebragt worden, 53.—- Formaliteiten ome trent de registers van den burgerlijken ftand bij de leger- corpfen, go.—- De registers van kooplieden leveren te- gen perfonen, die geene kooplieden zijn, geen bewijs op van leverantie, 1329géen 1330, Tegen wien de huisfe- lijke registers en papieren een bewijs opleveren, 1331,— Registers te houden door de voerlieden en fchippers, 1785. —— Algemeene bekendheid der registers van de bewaar- ders der hijpotheken, 2196.—— Inrigting van deze regis- ters, 2200 e# volg. REGISTRATIE. Op welke plaats de testamenten, in een vreemd land gemaakt, moeten geregistreerd worden, 1ooo. Door wien de kosten der registratie van legaten verfchul- digd zijn, 1o16, De registratie bepaalt de dagteeke- ning der onderhandfche acten, 1328. De registratie der acte van fchuldvordering wordt vereischt, om te bepa- len, of de gemeenfchap al of niet verpligt is, om eene Schuld van de vrouw te betalen, 1410. REGLEMENT, Geen regter vermag bij wege van algemeene dis- pofitie en reglement regt{preken, 5. Reet. Verfchillende foorten van regten, welke men op de goederen kan hebben, 543. RecT VAN ACCESSIE. Zie Accesfie. REGT VAN RETOUR OF TERUGKEERINGe In welk geval men het zelve voor gegevene goederen kan bedingen, gsi. Zie Teruggave. REGTBANK VAN CASSATIE. Zie Hof van casfatie, 8 Rect- koos| WETBOEK NAPOLEON. 613 REGTBANKEN. Zij mogen geene reglementen maken,5.—- Om over- de. actiën, waar bij men: zich op eenigen ftaat be- : roept, te oordeelen, zijn alleen de burgerlijke regtbanken bevoegd, 326.—- Regels, welke zij moeten in acht ne- men, ten aanzien van het regt van accesfie, betrekkelijk roerende goederen, 565 en volg. Zij kunnen aan het gebruik van den vruchtgebruiker overlaten een gedeelte der D roerende goederen, waar van de eigenaar de verkooping u gevorderd heeft, als zijnde door het gebruik voor vermin- dering vatbaar, 603. Hunne verdere bevoegdheid be- trekkelijk de vruchrtgebruikers, 618.—- Welke omftandig- heden zij moeten in het oog houden, wanneer zij oordee- jen over zaken, betreffende den loop en het gebruik van wateren, 643 5 en wanneer er gehandeld wordt over Ie het beding van peenaliteit, waar van de hoofd-verbindtenis He ten deele is ten uitvoer gebragt, 1231 5 of over de Ive voldoening van eene eischbare fchuld, waar van de fchul- ie denaar de betaling bij gedeelten aanbiedt, 1244.— Het nakomen van eene acte kan door de regtbanken opgefchort worden, wanneer dezelve van valschheid befchuldigd is, 5 1319.—— Regels, aangaande de gevallen, waar in zij den u eed al of niet kunnen opleggen, 1366 en volg Zie Regterse fe REGTBANKEN VAN Arpér. Dezelve nemen kennis van vonnisfen betrekkelijk de acten van den burgerlijken fland, de echt- fcheiding en het huwelijk, 54, 99, 178, 263 en 293,— De vonnisfen, welke de adoptie toeftaan of weigeren, worden bij hect Hof van appél bekrachtigd, ene openlijk in de regtzaal uitgefproken, 357 en 358. De prefident u wan dit Hof kan de order tot de gevangenis van een kind matigen of intrekken, 382,—_— Dezelve regtbanken ne- men kennis van vonnisfen, betrekkelijk de afzetting van de ij voogdij, 448.—— Men ondervraagt er den genen, tegen Dt: wien curatele verzocht wordt, nopens het appél van het 1 vonnis ter eerfte inftantie gewezen, 5oo. Zie Curatele, RBLEGTBANKEN VAN DE EERSTE INSTANTIE, De prefident teekent en parapheert de registers van den burgerlijken ftand, en lega- lifeert de extracten, 41 en 45.——‘De acten van be- kendheid worden door deze regtbanken bekrachtigd, welke k tevens beflisfen over de vÊrbetering der acten van den burgerlijken ftand, 72 en 99.—— Hunne werkzaamheden betrekkelijk de goederen van afwezenden, II2 en volg,— Uitfpraak op den eisch tot opheffing der oppofitie tegen het bet huwelijk, 1 en 1775— op die, betrekkelijk het /„ie af ip kostgeld tot onderhoud, sro en o1t.—— Autorifatie, mei welke deze regtbanken aan de vrouw verleenen, om een ’ proces te voeren, enz., 218 en volg.—. Hunne werk- zaamheden, aangaande de eifchen tot echt{cheiding, 234€% ie Q q 3 vale— Lj Pe at 4 gen 614 REGISTER or uer volg.—-— Hunne bevoegdheid in de actiën tot het ine roepen van eenen ftaat, 326.—— Zij bekrachtigen de toe- ftemming tot adoptie, 354 en volg. De minderjarige kan door den vader niet gevangen gezet worden, dan na dat’ de prefident eene order tot het arrest heeft gegeven, 376.—— Werkzaamheden van deze regtbanken betrekkelijk de voogdijs 440, 448 en 458. Zij beneemen des- kundigen om de goederen te begrootens 466.—— Hunne bevoegdheid in handelingen betreffende minderjarigen, 467, 483 en volg;—-— en die, welke‘onder curatele gefteld zijn, 492 en SII.— Benoeming van eenen raadgever voor den verkwister, 513. Vertigtingen betrekkelijk erfe- nisfen, 770, 784, 793» 798 en volg.;— boedelfcheidin= gen, 822.—— In wiens tegenwoordigheid de prefident de beflotene testamenten opent, vóór dat dezelve ter bewa- ring worden gegeven, 1007. REGTEN OP EENE NALATENSCHAP, De donatie, verkoop of over dragt van deze regten brengt eene ftilzwijgende aanvaar- ding der erfenis te weeg, 780. Het toekomftig regt op de erfenis van iemand, die nog leeft, kan niet ver- vreemd worden, 79r. REGTEN VAN GEBRUIK. Zie Gebruik. REGTEN VAN HIJPOTHEEK. Zie Znfchrijving, Pandregt, REGTEN VAN REGISTRATIE. Dezelve zijn door den legataris ver« fchuidigd, 1oró. REGTEN WAAR OVER GESCHIL IS. D2 openbare ambtenaars mo- gen geen cesfionarisfen zijn van procesfen en regten, waar over gefchil is, 1597. Hoe de geen, tegen wien men eenig regt, waar over gefchil is, heeft overge- dragen, zich wan de aanfpraak van den cesfionaris ten zij- nen laste ontheffen kan, 1699.—— In‘welk geval eene zaak wordt gehouden in gefchil te zijn, 1700. Reeren. Het zwijgen, de duisterheid of onvolledigheid van de wet, mogen voor de regters geene redenen zijn tot het weigeren van regt te fpreken, 4. Het is hun verboden, bij wege van algemeene dispofitie en reglement regt te fpreken, 5. In welke gevallen zij uitftel tot de betaling eener fchuld kunnen toeftaan, 1244. In welk geval alleen, zij prefumptiën mogen toelaten, 1353 Gevallen, waar in de regters den eed ambts- halve kunnen opleggen, 1366.—=—= Zij kunnen zich geene regten, wÂar over gefchil is, door cesfie doen ovérdra- gen, 1597,— Zij zijn, na verloop van vijf jaren na de uitwijzing van het proces, niet meer aanfprakelijk we- gens de afgirte der ftukken, 2276» Zie Regtbanken. e Rerg= mn TETE STE ENTENTE TTT WETBOEK NAPOLEON, 615 REGTERLIJKE” ADSISTENTIE. In welk geval er eene ambtshalve aan den verweerder in curateele wordt toegevoegd, 499.— Regten van die, welke aan verktwisters worden toegevoegd, 513 Door wie het,verbod, om niet zonder den bij- {tand van eenen raadgever te handelen, kan wordgn vere zocht, 514. Zie Curatele, Verkwisters. REGTERLIJKE HANDELINGEN. Verbindtenisfen, uit hoofde van wel- ke men eenen vreemdeling, niet in Frankrijk wonende, voor ha de Franfche regtbanken kan dagvaarden, en een Franschman wegens verbindrenisfen door hem in een vreemd land aan- gegaan, 14 En 15:— Door den burgelijken dood behoeft men den naam en het beftier van eenen-_cufator, om in regten te verfchijnen, 25e— Welke handelingen er plaats hebben tot de verbetering van acten van den burgelijken ftand, 99.— Handelingen betrekkelijk de verklaring van afwezendheid, en het beftier der goederen van den afwe. zenden, 112 en volg.— Handelingen tot nul- verklaring des huwelijks, 180 en volg.— Tot welke handelingen de fuppresfie of verandering van huwelijks-acten aanleiding geeft, 198 en volg.— Een kind heeft geene actie tegen zijnen vader en moeder, tot het geven van€En huwelijks uitzet, of dergelijke, 204.— Autorifatie van den man of van de regtbank is noodzakelijk voer de vrouw, om€en proces te kunnen voeren, 215 en 218.— Formaliteiten; betrekkelijk de echtfcheiding, 229 en volg.— Actie tot fcheiding van tafel en bed, 3065— tot ontkenning vaa de wettigheid van een kind, 312 en 318,— tot het be- wijzen der afftlamming, 319 5 om van eene voogdij ver- fehoond te worden, 438 en volg 5 tot afzetting der voogden, 442€# volg.— De voogden kunnen geene actie aanleggen, noch ook berusten in eenen eisch; zonder au- torifatt®, 464 TT Door welk tijdsverloop de actie van den minderjarigen tegen zijnen voogd verjaart, 475» De minderjarige, die geëmancipeerd is, kan, zonder. bij- {tand van zijnen curator, geene actie, betreffende onroe= rende goederen, aanleggen, noch zich daar tegên verdedi- gen, 402.— Bijftand van eenen raadsman voor hem, die onder curateele ftaat, En VOOr den verkwister, 499 en 513. Actiën, dienende om onroerende goederen terug te ei- chen, zijn onroerende, 526.— Zoodanige, die ten one derwerp hebben verfchuldigde geldfommen of roerende goe „deren, en de actiën in compagniefchappen van geld, koop- handel of"arbeid, zijn roerende, 529. Actie, ver= oorzaakt wegens het plotfelings affcheuren van een gedeelte „a van een ftuk land, door een ftroom of TiVIer, Sa Actie, om eenen medeërfgenaam te noodzaken, om de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen, 797 en volg.—= Actie tot®boedelfcheiding, ten aanzien vaa mede-erfgena- a Qq4 men KEEK 7 wen ae ed ak A 616 REGISTER or umer men, die minderjarig zijn, of onder curateele ftaan, of af= wezend zijn, 817;— tot Betaling der Cchulden eener na- Jatenfchap, 870 en volg.;— tat vrijwaring der erfdeelen, 884 en volg.;— tot rescisfie van boedelfcheiding, 887 en volg;—— tot reductie of reclame van giften en legaten, 9305— tot herroeping van giften, uit hoofde van ondank- baarheid, 957.——- Actiën voortfpruitende uit het ge- brek of invaliditeit van de toeftemming in contracten, 1117; uit her niet nakomen der verbindrenisfen, 1143 en volg.— Actiën, welke de fchuldeifchers kunnen aanleggen in plaats van de fchuldenaars, 1166.— Actiëú uit eene ongbindende voorwaarde voortfpruitende, 11845—- uit eene folidaire verbindtenis, r2oo3 uit het niet nakomen van verbindtenisfen met* beding van poenaliteit, 1228 en volg, Uit voorvallen, betrekkelijk de be= taling, 1238 en volg. Actiën, welke niet toegelaten worden tot compenfatie, 1993.- Actie, voortfpruitende uit het verlies van de verfchuldigde zaak, welke de fchul denaar gehouden is aan zijnen{chuldeifcher af. te ftaan, 1303,—— Oorzaken en gevolgen van de actie tot nul= verklaring of vernietiging van aangegane overeenkomften, 304,—_—— Geval, waar in het bewijs van eene zaak door getuigen kan worden toegelaten, 1341.—- Vorm der verfchillende actiën, 1345. De man kan alleen de actiën tot roerende goederen, of bezitregt betrekke- lijk, en aan de vrouw toebehoorende, vervolgen, 1428.— Actiën, betrekkeiijk het wedereifchen van on- roerend huwelijksgoed, welke de man alleen het rest heeft om te vervolgen, 1549. Wijze van de actiëa aan te leggen, die uit krachte der infchrijvingen plaats ohebben, 2156. De actiën, befchouwd met berreke king tot. de verjaring, 2269 en volg. Zie Adoptiej Afkore ting„ Boedelfcheiding, Compagntefchappen van geld® Echtfchei- ding; Overdragt, Pandregt, Terugeifching, Terugvordering, Vrijwaring. ReeTsSWEIGERING. De regter, die weigert regt te fpreken, kan aangeklaagd worden als fchuldig aan regtsweigering, 4. REGTVERERIJGENDE. Gevolgen der onderhandfche acten ten aanzien van de regtverkrijgenden der contracterende partijën, 1322 en Volg.— Een van den beflisfenden eed; 1365.’ Zie Erfgenamen.” f Reizicers, Zie Herbergiers,\ REKENING. De regtbanken benoemen eenen notaris, in het opmaken der rekeningen, betrekkelijk afwezenden, 113.— Rekening en verantwoording, welke door den provifione- len beftuurder der goederen van eenen afwgzenden moes en 66° bid [Se Re Re. —— me har ver nand er ETET TTT WETBOEK NAPOLEON, 617 gedaan worden, 125;— door den voogd, 469 en volg. 5-—= door den erfgenaam, die eenen, boedel onder beneficie van inventaris aanvaard heeft, 8035 doer den cu- rator over eene vaceerende erfenis, 8135 door de mede- erfgenamen aan elkander, 828; door de execu- teurs van een testam@ent, 1O3L. Verantwoording, wel de man aan zijne vrouw verfchuldigd is,„ wegens hare par phernale goederen, 1577 en volg. Zie Verjaring, Voogdij. bt REKENING. Voor wiens rekening de zaak is, in eene verbindte- A nis om dezelve te leveren, 1138 en volg. 5 en in eene RE verbindtenis, aangegaan onder eene opfchortende voorwaar- uid de, 1182.—- Confignatie, gedaan voor rekening van der el, fchuldeifcher, 1257 Het vergaan der zaken voor be: rifico van de geasfocieerden en de fociëteit, 1ö51, Zie AEN Veepacht. nd Hil Reuier. Zie Rescisfte. an, RENTEN. De altijddurende renten en lijfrenten zijn roerende goederen, 529.—- De renten, die tot betaling van den koopprijs van onroerend goed, of bij de overdragt van een onroerend goed, gevestigd worden, zijn losbaar, 530.— Welk regt het vruchtgebruik van eene lijfrente geeft, 588.— Na welken tijd de fchuldenaar van eene rente ge- xe noodzaakt kan worden, om ten Zijnen kosten eenen nieu- 7 wen titel te leveren, 2263.— Verjaring der achter(tal len van perpetuêle of lijfrenten en van verfchenen pen- fioenen cot onderhoud dienende, 2277. Zie Conflisutie van renten, Nieuwe titel, RENVERSALEN, Dezelve kunnen alleen van kracht zijn tusfchen de contracterende partijen, 132t.— Geval, waarin tegenftrijdige gefchriften, betrekkelijk huwelijks-contracten„ tesen derden van kracht kunnen zijn, 1397. Zie Huwelijks- coniracie ReEPARATIEN. Men onderfcheidt dezelve in reparatiën van on- derhoud, en buitengewoon groote reparatiën, 6o5 en 6o6. Reparatie en herbouwing van huizen, waar van de onderfcheidene verdiepingen aan verfchillende eigenaars toebehooren, 664 en volg. De reparatiën, die een lijftogtenaar verfchuldigd is, zijn ten laste van de gemeene fchap tusfchen echtgenooten, 1409.——— Verpligtingen van den huurder en dên verhuurder, op het ftuk van repa- ratiën, 172ó.— Waar in de noodzakelijke reparatiën Ù beftaan, welke ten laste van den Irmurder Zijn, 1754.—— Ia welk geval dezelve niet ten laste van de huurders ko- É men, 1755.——— Deze reparatiën zijn geprefereerde in- ’ Cr ME der Schulden, 2102. Zie Muren. 4 )q 5 R.r- 5 É 618 REGISTER ov‘frr RerresENTATIE. Waar in dezelve beftaat, en hoe dezelve ge- fchiedt, 739 en volg. Men kan niemand reprefenteren in eene erfenis, die hij verworpen heeft, 787,— Inbreng te doen door den zoon, die tot de erfenis alleen bij re- prefentatie komt, 848.— Geval, waar in de afkomelingen van een vooroverleden kind het aandeel wan dit kind genie- ten ín goederen, welke hun grootvader gelast was uit te keeren, IOS. Rerupiarie. Zie Verwerping. Rescissie. Aan welke regtbank de eifchen tot vernietiging van eene boedelfcheiding onderworpen zijn, 822.- Welke oorzaken grond geven tot vernietiging of rescisfie van bog- delfcheidingen, 887 en volg,— Hoe men het proces van den eisch tot rescisfie kan doen eindigen, 891—- Geval, waar in men de actie tot rescisfie, wegens bedrog of geweld, niet meer ontvankelijk is, 892,—_— Gedurende welken tijd men de rescisfie der overeenkomften kan eifchen, 1304. In weik geval een koop kan vernietigd’ worden, uit hoof- de van benadeeling, 1674.— In den eisch tot rescisfie is men twee jaren na den verkoop niet meer ontvankelijk, 1676.— Wanneer de actie tot vernietiging wordt toegewezen, heeft de kooper- de keuze om, of het gekochte te rug te geven, of het geen aan den prijs ontbreekt‘aan te vullen, 1681.— De vernietiging, uit hoofde van benadeeling, heeft geene plaats ten voordeele van den kooper, 1633.—— Verkoo- pingen, waar án dezelve niet wordt verleend, 1684:—— Het zelfde heeft plaats in ruiling, 1706. In welk ge= val de rescisfie wordt verleend tegen transactiën, 2052 en volg. Geval, waar in de hijpotheken aan dezelve ons derworpen zijn, 2125. Zie Benadeeling, Ruiling. Russen. Regels, welke men moet in acht nemen tot het plaat- fen van ribben of balken door de dikte van eenen gemeenen fcheidsmuur„657. Rijruicen. Dezelve zijn niet begrepen onder de fpreekwijze van roerende goederen, 533e RIJWEGEN.„Die, welke tot lasten van den Staat zijn, behooren tot de publieke domeinen, 538. Risrco. Zie Rekening. Rivieren. Die, welke bevaarbaar en ftroomende zijn, worden seacht te behooren tot de publieke domeinen, 538, Wat regtens is, wanneer eene rivier een aanmerkelijk en herkenbaar gedeelte van een{tuk land, aan den oever gele- gen, affcheurt, 559 eu volg.—= Onder welke voorwaarden de Ru Ros Eonnnnmannnndndar war dinatie a ETEN TTE WETBOEK NAPOLEON. 619 Ë de'eigenaar van den grond de kleine rivieren en beeken in hunnen loop kan verhinderen. 644.«Zie Voetpad. Rrooren. Afftand, welke men moet in acht nemen, tot het ij graven van dezelve, 674.—— Het fchoonhouden der rioo- len komt ten laste van den verhuurder, 1756. RorRENnD coen. De inbreng van roerende goederen gefchiedt;, door zoo veel minder te nemen, dan de andere erfgenamen, 268,— Welke roerende goederen tot het active der gemeen- id fchap tusfchen echtgenooten behooren, 1401.— In welk geval de man over de roerende goederen der gemeenfchap kan befchikken, 1422.— De vrouw, welke van haren man gefcheiden is, kan over hare roerende goederen befchikken, 1449.— De vrouw, die van de gemeenfchap afftand doet, verliest haar regt op de roerende goederen, welke zij er in gebragt heeft, 1492.— In welk geval men onder de aanwin- a{ten rekent de roerende goederen„die bij het a angaan des hu- welijks aanwezig, of naderhand opgekomen zijn, 1499.— Gevolgen van het beding, waar bij het roerend goed van de gemeenfchap wordt uitgefloten, 1500 en volg.— Her roerend goed, het welk(taande huwelijk aan ieder der echtgènooten aankomt, moet door eenen inventaris bewezen worden, 1504 — Gevolg van het vermogen, aan de vrouw en de kine toegeltaan, om het roerend goed uit de gemeenfchap tê te nemen, 1514 5 van het beding, waar bij de echige- nooten verklaren buiten gemeenfchap van goederen te tou- wen, 1531 ez volg. . 1 ROERENDE GOEDEREN. Goederen zijn roerende, of uit derzelver aard, of volgens de bepalingen van de wet, 527 en volg.— Welke dingen begrepen zijn onder de benaming van roeren. el re goederen, 1 lair, of mobi- de goederen, m1 1, mobilai kt laire effecten, 531 en volg.— Men moet de roerende goe- dereú, die aan het vruchtgebruik onderworpen zijn, inven- tariferen, Goo,—_— De erfgenaam; die eenen boedel on- der beneficie van inventaris aanvaard heeft, kan de roeren= de goederen der nalatenfchap aan den meestbiedenden doen verkoopen, 805.— Zij moeten te voren door deskundigen worden begroot, 825.—— Hoe de inbreng gefchiedt van roerende goederen, welke gefchonken zijn, 868.— Roeren- de goederen, welke die geen; die met de teruggave be- zwaard is, gehouden is te verkoopen, 1o62 en vol, Teruggave van roerende goederen; die onverfchuldigd ont- of vangen zijn, 1379.——T Regels, betreffende de huur van Ee meubelen, geleverd om een geheel huis of kamers daar mede te meubeleeren, 1757.—=T De preferentiën kunnen op roerende goederen zijn, 2099.— Roerende goederen hebben geen gevolg uit hoofde van hijpotheek, 2119. D e ON rd …_ Ji | ! Ì | Adf| | ó20 REGISTER oP ner \__ De verlorene roerende goederen kunnen gedurende d ren gereclameerd worden, 2279, rie ja- Rorjerine. De infchrijvingen der hijpotheken kunnen niet ge roijeerd worden, dan met toeftemming der partijen, of in— gevolge van een vonnis, in het hoogfte resfort gewezen, 2157.— Voor welke regtbank de roijering buiten toeftem- ming moet gevorderd worden, 2159.— In welk geval zij moet bevolen worden, 2160. Zie Znfchrijving„ Pandregt. Rouw, De onkosten der rouw van de vrouw komen ten laste der erfgenamen van den man, 1481.—- Rouwkleederen San haar te bezorgen door de nalatenfchap van den man, 1570. ROUWELEEDEREN. Zie Rouw, Rurmine. Een onroerend goed, gedurende het huwelijk, onder den titel van ruiling verkregen, komt niet in de gemeen- fchap, 1407. Gevallen en voorwaarden, omtrent de ruiling van het onroerend huwelijksgoed, 1559.—— Wat het contract van ruiling, is, en gevolgen, welke hier uit voortfpruiten, 1702 en volg,— De vernietiging, uit hoofde van benadeeling, heeft in het contract van ruiling geene plaats, 1706, Rysr. Maatregelen te nemen, voor dat men eenig werk op eenen gemeenen muur doet rusten, 662. o Benapr, Een ieder is verantwoordelijk voor de fchade, welke hij veroorzaakt heeft, 1393.—= Verantwoordelijkheid van den vader en moeder, voor de fchade, die door hunne minderjarige kinderen, bij hun inwonende, veroorzaakt zijn 5 van de meesters, en de genen, die anderen tot de waarne- ming hunner zaken aanftellen, voor die, welke door hunne dienstboden en aangeftelden zijn veroorzaakt; van fchool- Onderwijzers en werkbazen, ten aanzien van hunne leerlin- gen en kweekelingen, 1384.— Schade, door een beest, of in het inftorten vat een gebouw, veroorzaakt, 1395 En 1306e d SCHA« Scr ScH _- een her dmnstadd“ ven_ 5 Eed WETBOEK NAPOLEON, ScHÄDELOOSSTELLING. Gevallet, waar-in de pupillen en minder= jarigen dezelve kunnen eifchen, 369 en 421.—— Niemand kan genoodzaakt wórden afftand te doen van zijnen eigen- dom, dan ter zake van hetalgemeen belangen tegen vooï= afgaande billijke Cchadeloosftelling, 545.—_Geval- jen, waar in fchadeloosftelling kan gevorderdworden, 6434 658» 682, 1120, 1375, 1403» 1406, 1438, 1468, 1493, 1513, 1744 eN 1747.== Schadeloosftelling aan den lasthebber verfchuldigd, wegens verliezen, welke deze mogt geleden hebben in de uitvoering van gegeven last, 2003. SCHADEN EN INTERESSEN. Zie Schadevergoeding: SCHADEVERGOEDING. In welke gevallen dezelve verfchuldigd is door den ambtenaar van den burgerlijken ftand, 52 en 68 5 —- door de oppofanten tegen het huwelijk, uitgezonderd de bloedverwanten van de opgaande linie, 179; door eenen toezienden voogd, 4245 door eenen voogd, 450. __— Schaden eninteresfen, voor gebouwen en andere wer- ken, door den eigenaar gemaakt uit ftoffen of materialen, die hem niet toebehooren, 554> voor het gebruiken wan ftoffen, buiten weten van den eigenaar, 557;—== VOO het niet in acht nemen der formaliteiten, bij de wet voor gefchreven, betrekkelijk de erfenisfen, welke aan den langst= levenden der echtgenooten vervallen zijn, 772.— Het niet ten uitvoer brengen van verbindtenisfen, om iets te doen, of niet te doen, leopt uit op vergoeding van fchaden en inte- resfen, 1r42 en volg.— Wanneer deze fchaden en interesfen verfchuldigd zijn? 1146 en volg.— Schaden en interesfen voor de vermindering van eene zaak, welke het onderwerp is geweest van eene opfchortende voorwaarde, 11825;——= voor het niet voldoen aan eene verbindtenis, 1184. Schaden en interesfen, welke de{chuldeifcher kan verhalen op de fchuldenaren, door wier toedoen de, zaak vergaan 1e 10 Stilzwijgend beding tot vergóeding van kos= den, fchaden en interesfen, veroorzaakt door de fchuld van die, welke eens anders zaak heeft waargenomen, 1374,— Straf van vergoeding van fchaden en interesfen tegen de nota= risfen,ten opzigte van huwelijks-contracten, 13975— tegen den kooper, uit hoofde van nadeel, veroorzaakt door het niet op den bepaalden tijd leveren van het verkochte goed, 16113—— tegen den lasthebber, 199t.—— In welk geval de borg fchaden en interesfen kan eifchen, 2028,—— De vergoeding van fchaden en interesfen, bevolen bij het vonnis van herftelling in een vorig bezit, brengt perfoneel arrest te weeg, 2080.=— Geval, waar in de bewaarder der kijpotheken, fchaden en interesfen aan partijen verfchuldigd 18 3 e | REGISTER oP mer is, 2209 en 2203: Zie Koop en verkoop, Ruiling, Schade doosftelling, ScHAKERs In welk geval hij kan verklaard worden, vader van het kind te zijn, 340, ScHAKING, Zie Schaker. Scuar. De vruchtgebruiker. heeft geen regt hoe genaamd op eenen fchat, die gedurende het vruchtgebruik gevonden zoude mogen worden, 598,——- Wat men door eenen {chat verftaat, en aan wie dezelve toebehoort, naar mate van den grond, waar in hij gevonden wordt, 716. ScuaTKIST. Zie Preferentie. SCHEERING. De veepachter mag de fchapen niet doen fcheer ren, zonder den verpachter daar van vooraf te verwittis gen, IÖ14. SCHEIDING VAN TAFEL EN BED. Hoe de eisch tot ‚deze fchei- ding wordt aangelegd, en gevolgen van het vonnis, daar op gewezen, 306 en volg.—— Regten van de vrouw welke van haren man gefcheiden is, 1449. SCHENKiNG. Voorgefchrevene regelen omtrent fchenkingen bij acte onder de levenden, of bij testament, 913 en volg. ScuePen, In welk geval fchepen, ponten, vaartuigen, molens en badkuipen, op fchuiten gebouwd, roerende goederen Zijn, 53Le SCHILDERIJEN. In welk geval dezelve worden gehouden voor onroerende goederen, uit hoofde van hunne beftéemming, 525 en 534—+- De vruchtgebruiker, die de fchilde- rijen, door hem geplaatst, doet wegnemen, is verpligt die plaatfen in haren vorigen ftaat te herftellen, 599. ScurePers. Zie Voerlieden, ScuoonuoupiNe. Het fchoonhouden van putten en rioolen komt ten lasten van den verhaurder, 1756. Scuoonvaper. De fchoonzoons en fchoondochters zijn aan hunnen fchoonvader en fchoonmoeder onderhoud verfchul= digd, 206. Senoonzoons.. Dezelve zijn aan hunnen fchoonvader en fchoon- moeder onderhoud verfchuldigd, 206. Ü SCHOORSTEEN. Gevolg van-de gemeê@nfchap van eehen muur, tot het bouwen van een fchoorfteen tegen dezelve, 657. er= Kar Sop SCH va ep ee” mn RTT TTET= RTE TTT add WETBOEK NAPOLEON. 623 a Verpligtingen, waar aan die geen gehouden is, die een fchoorftleen wil laten merfelen, 674. \ SCHOORSTEENPLATEN. Derzelver reparatie is voor rekening van den huurder, 1754 SCHULDBEKENTENIS. Wat regtens is, wanneer ecne{chuldbe- kentenis, in huwelijksgoed gegeven, onder de handen van Ù den man is te niet gegaan, 1567. Von.. 1.. ge ScuurperiscHerse Zij hebben het vermogen om de bijeen- mn roeping vah eenen familie-raad te vorderen, tot het be- noemen van eenen voogd over hunnen minderjarigen fchul- denaar, 406 en 421.——= Tusfchenkomst van de fchuld- eifchers van den vruchtgebruiker, in zijne gefchillen met den eigenaar van den grond, waarvan hij het vruchtge- fh bruik heeft, 618. Wanneer de fchuldenaar van eene rw erfenis afftand doet, kunnen de fchuldeifchers zich doen autoriferen, om dezelve te aanvaarden, 788. Hunne regten ten opzigte van den erfgenaam, die eenen boedel IC onder beneficie van inventaris aanvaard heeft, 806 en volg. ‚—__— Zij kunnen de verzegeling der nalaten{chap vorde- VI ren, Sao.—— Aan de fchuldeifchers van eenen boedel ís: geen inbreng verfchuldigd, 8357.— Tusfchenkomst der hij= pothecaire fchuldeifchers in de verdeeling van eenen boe- cl del, 806, en 882,— Wanneer, en hoedanig de fchuldei- se fchers de executie van hunne fchulden tegen de erfgena= men kunnen voortzetten, 877 en volg.— Zij hebben het regt niet, om de vermindering der giften, en legaten van eenen overledenen te eifchen, noch daar uit voordeel te trekken, 921. Zij ontvangen de aan hun gemaakte legaten, zonder door compenfatie iets van bunne fchuld- vordering te verliezen, 1023.——”— De afftand van het ge- not, vóór den geftelden tijd gedaan, kan geen nadeel toebrengen aan de fchuldeifchers van den bezwaarden per- foon, wier fchuldvorderingen ouder dan deze afftand zijn, 1053.— De verbindtenis, om eene zaak te leveren, maakt den fchuldeifcher tot cigenaar, 1139.= De fchuldei- fehers kunnen alle regren,en actiën van hunne fchuide- oker naars uitoefenen, 1166, Regelen, omtrent de be= vrijding van alternative verbindtenisfen, 1189 en volg,— Gevolgen der verfchillende foorten van verbindienisfen, ten 4 opzigte van den fchuldeifcher en den fchuldenaar, 1203 en chu volg., 1220 en volg. 1235 En volg.— Gevolgen van den boedel-afftand ten aanzien der fchuldeifchers, 1265;—— van novatie of fchuldvernieuwing, 1271 5 van kwijt- fchelding der fchuld, 1282;———= van compenfatie, en van confufie of fchuldvermenging, 1289 en 1300. Verdere bepalingen omtrent de bevrijding,.1302, 1332 en volg.— Gevolgen van den beflisfenden eed, 1361 en volg. Ge- VE EE RE eN PE IN ET \ | | mat REGISTÉR op net a Geval; waat in de fchuldenaar regt heeft, òm het Betaals de van den fchuldeifcher te rug tes vorderen, EE En Hoe de regten der fchuldeifchers worden uitgeoefend tot betaling der fchulden van de verfchillende foorten van nalatenfchappen, rara en volg,— De perfoonlijke fchuld- eifchers var de Vrouw kunnen, zonder hare toeftemming de fcheiding der goederen niet vragen, 1446.— Zij kùn- nen zich tegen den af(tand vérzetten, welke door haar van de gemeenfchap gedaan is, 1464.— Bedingen, welke aan de fchuleifchers alle actiën tegen de vrouws of. hare erfge= namen, benemen, 1520 en 1524,— Gevolg van borgtogt tusfchen den fchuldeifcher en den borg ooor en volg.——= Welke regten het pand aan de fchuldeifchers geeft, 2073 en volg.—— Regten welke zij verkrijgen door pand van onroerend goed; 2085.— De preferentiën befchouwd met betrekking tot de fchuldeifchers, 2093, en volg.— Infchul- den, aan welke de wet een regt van legaal hijpotheek toe- kent, eier; 2131 en volg.— Op welk eene wijze de fchuld- eifchers die ingefchreven hebben, hun hijpotheek vervol- gen, 2147 en volg. Gevolgen van de preferentiën of hijpotheken der fchuldeifchers ten aanzien van derde be- zitters, 2166 en volg.— Van welke goederen de fchuld- eifcher, de ontzetting van eigendom bij executie kan vor- deren, 2204 en volg.— De fchuldêifchers, die bij het ver- krijgen der verjaring belang hebben, kunnen dezelve cegen- werpen, fchoon de fchuldenaar of de eigenaar daar van af. ftand doet, 2225. Zie Betaling, Schulden. Senuuven. Hoedanig de mede-erfgenamen en legatarisfen in de {chulden en lasten der nalatenfchap dragen, 870 en volg,— De fchuldeifcher, welke‘in de verdeeling der fchuld, ter aanzien van één’ der folidaire fchuldenaren heeft toegeftemd, behoudt zijne. folidaire actie tegen de overigen, 1ôro.— Welk aandeel die gene, die eerie folidaire fchuld geheel vole daan heeft, van zijne mede-fchuldenaren kan ve rug vorde- zen, 1214. De fchuld, fpruitende uit hoofde van onderhoud, bet welk verklaard ís niet arrestabel te zijn, kan niet gecompenfeerd worden, 1293, Schulden„ waar voor de gemeenfchap aaffprakelijk is, 1410. Schul- den, uit nalatenfchappen en giften voortkomende, I4II ef volg.—— Bepalingen omtrent de fchulden, door de vrouw gemaakt, met toeftemming, of uit hoofde van de volmagt wan den man, 1419 en volg.— Hoe veel elk der echtge- nooten in de fchulden der gemeenfchap moet dragen, 1482 en volg. De fchulden der gemeenfchap zijn evenredig aan het gedeelte, het welk de echtgenoot of zijne erfgena- men in het active der gemeenfchap hebben, Is2r. Zie Af= Scheiding der fchulden, Betaling, Kwijtfchelding, Legaten; Fruchtgebruik. SCHULS= en pn Nt WETBOEK NAPOLEON, 655 JEN SeHULDENAAR. Zijne verantwoordelijkheid voor de levering van ml eene zaak, welke hij zich verbonden heeft te geven, 1138, —_Á Schaden en interesfen, tor de bêraling var welke de fchuldenaar, uit kragte eener authentieke verbindtenis, kan if worden verwezen, 1147.— De fchuldenaar van eene alter- native verbindtenis wordt bevrijd door de levering van eene \\n- der' belde zaken, 1189.— In welk geval het aan de keuze at wán den fchuldendar ftaat, om aan den eenen of anderen der ke folidaire fehuldeifchers te betalen, 1198.— Wanneer eene fo- erf lidairever bindtenis van de zijde van verfcheide fchuldenaren gt plaats heeft, 1200.— Geen fchuldenaar kan den fchuldeifcher reef verdligten, om de betaling van eene fchuld bij gedeelten te Pli ontvângen, zelfs nier wanneer de fchuld deelbaar ís, 1244ê dv a In welk geval de íchutdenaar geautorifeerd is om een dm dadelijk aanbod te doen, 1257.— Gevolgen van de terug= (chu gave der fchuldbekentenis aan den fchuldenaar, 1282 en volge toe— In welk geval compenfatie plaats heeft tusfchen twee pere chul fonen, die wederkeerig elkanders fchuldenaars zijn, 1289. ary Wanneer confufis of fchuldvermenging tusfchen den ën fchuldeifcher en den fchulderaar plaats heeft, 1200, le De fchuiâ vervalt, door he: verlies van de verfchuldigde shi zaak zonder toedoen van den fchuldenaar, 1302. De ì 40 hoofdfom van-eene perpetuieele rente wordt losbaar, ia geval Eve de fchuldenaar bankbreukig of infolvent wordt, 1913.—= epe Verpligtingen van den borg met bettekking tot deu fchulde= naar, 2oa1 en volg. SEHULDENAAR VAN EÉNR LIJFRENTE, Onderlinge verpligtingen tusfchen dezen fchuldenaar, en den genen, op wiens lijf de — rente gevestigd ís, 1979. SCHULD-VERMENGING. Op weike pottie de(chuldvermenging plaats heeft, wanneer dé folidaire fchuldenaar of{chuldeifcher elkan= kl dérs effcenamen worden, 1309:— Gevallen„ waar in fchuld- IL vermenging plaats heeft, 1300. Gevolg der fchuldver- 0 menging, welke plaats heeft tusfchen den perfoon van den ptincipalen fchuldenaar en den borg, wanneer de een erf jj genaam wordt van den anderen, 2035e Sch SCHULD-VERNIEUWING. Zie Vovatie, LIL Yona Scriutp-VvorperiNG. Zie Infchuid. plmaf ss chu SecrEeT. Zie Riolen Id Srquèstrarië. Regels omtrent de verfchilleride foorten vari fe- ae questratie, 1956 en volg.—— Voor welke goederen de fe- ige questers aan het perfoneel arrest onderworpen zijn, 2060. Je Zie Bewaarneming. Rs Sire NO. o MEE en ah ie wa … _ nd De pen neer ET Pv | | 626 REGISTER oP ue t SERVITUTEN.' De fervicuten. of erfdienstbaarheden, zijn onreë- rend„526.=— Wat fervituten zijn, en hoe dezelve worden. vastgefteld, 637 en volg.—— Regten, welke er uit voortvloeijen, 697 én volg.— Op hoedanige wijze dezelve te niet gaan, zogen volg.— In welke gevallen de verborge. ne en niet bekend gemaakte fervituten regv geven tor de vernietiging, 1638.——— De fervituten en reêle regten, welke de derde bezitter vóór zijn bezit op het onroerend goed had, herleven, na dat hij dat goed heeft laten varen; of hetzelve geregtelijk aan een ander is toegewezen, 2177, SieRADEN. In welk geval zij geacht worden onroerende goeden rente zijn uit hoofde van hunne beftemming, 525.—s Onder welke voorwaarden de vruchtgebruiker de fieraden, door hem geplaatst, kan wegnemen, 599. SLAGER. Zie Levensmiddelen. Srecur GEDRAG. Het flecht gedrag van een kind geeft aan den vader het regt, om het zelve te doen gewangen zeù ten, en aan den voogd het zelfde regt omtrent den mine dertarigen, met autorifatie van den familfe-raad, 375 cl 448. De genen, die een flecht levensgedrag houden, zijn van de voogdij uitgefloten, 444. SpEUTELS. De overgifte der fleutels brengt, de levering van e verkochte onroerende goederen te weeg, 1605. Sror. Interesfen van het flot van de rekening en verantwoor ding, door den voogd verfchuldigd, 474. SMEDERIJEN. De noodige gereedfchappen tot fmederijen zijn ofte roerende goederen, uit hoofde van hunne beftemming, og.—— Welke, reglementen in acht te nemen, als men eene fmederij tegen eenen gemeenen muur wil metfelen, Ó7 4e Smir. Zie Gebouw. Sociëreir. Waar ín het contract van fociëreit beftaat, 1332.— Verfchillende foorten van fociëteiten, en regels omtrent de werbindtenisfen, door“ de fociëteït aangegaan, 1935 en volg. —_— Verfchillende wijzen, waar op eene fociëteit eindigt» 1865 en volg.—— Bepaling, betrekkelijk de fociëteiten van koophandel, 1873e Soripamr. Er is eene folidaire verantwoordelijkheid tusfchen de mede-erfsenamen, wegens alle ftoornisfen, die uit eene oorzaak, vóór de verdeeling. plaatsgehad. hebbende, ha- ren oorfprong hebben, 884.—— Geval van folidaire ver- bindtenis cusfchen fchuldeifchers, 1197 en volg;— En van de —- mm har nanne ada enen ETET WETBOEK NAPOEEON. 627 hik le zijde der fchuldenaren, taco en volg:— Het folidai- zel re eener verbindtenis geeft aan dezelve geenszins het | kenmerk van ondeelbaarheid, 1219,—— Gevolgen van de ly teruggave van oorfpronkelijke bewijzen, met betrekking tot de folidaire fchuidenaren, 1284.——— Gevolgen der compen{ atie, confufie, en van den beflisfenden eed, 1294; Wen, 1301, 1365.—— Geval, waar in de toeziende voog d fo- U lidair verbonden is tot vold ening van alle vonnisfen, díe We ten voordeele. der minderjarigen zouden mogen worden uit- del gefproken, 1442. Solidaire verbindtenis van de vrouw Je voor eene fchuld van de gemeenfchap, 1497.— De ge op fociëerden zijn niet foli dair verbonden, dan in fociëteiten van Dl koophandel, 1862»—— Solidaire verbindrenis tusfchen ver- veide lasthebbers, door dezelfde acte aangefteld, 1995. Solidaire verbindtenis heeft plaats tusfchen die, welke tot he t waarpemen van eene zaak, die aan hun allen gemeen ís, eenen lasthebber aanftellen, 2002, “ bmarie. Die, welke, in zekere gevallen, aan den fchulde- en naar moet gedaan worden, om hem in verzuim te ftel- len, 1139.—— Sommatie;, welke de conlignatie en de bewaarneming moet voorafgaan, 1259 en 263.—_— De interesfen van het kapitaal loopen van den dag af, dat de fommatie gedaan is, 1652. Zie 44 | er. De wet flaat geene actie toe ter ele, van eene f uit het fpel fg it eene weddingfchap voortgeft 1965.— Úitzotideriirg betrek kelijk de fpelen tot chaamsoefening gefchikt, 1966.—= Enkel geval, waar in de verliezer het“verlorene terug kan eifchen, zoo hij het- zelve betaald heeft, 1967: Bireers, In welk geval de fpiegels in eene kamer worden geoordeeld; daar in aa een blijvend gebruik geplaatst te Zijn, en als onroereude goederen worden befch ouwd,, 525s In welk geval zij Roelen begrepen onder de naming van meubelen, 534. Voor waarden, ha welke de vruchtgebruiker of zijne erfgenamen de fpie- dgn. gels, welke hij heeft doen. plaacfen; uiet kunnen wegue- ren men, 599. en! ende êraAT. Goederen, welke dan dezeive toebehooren, 560.——= en 9 Geval, waar in eene nalatenfchap aan den Staat vervalt, 768 Regt van hijpotheek, het welk de Staat heeft op de goederen van ontvangers en beftuu: chen antwoording fchuldig zijn, 2121,=—— D zit dezelfde verjaringen onderworpen, als de b de fonen, 2227. ë Rr a STAAT: Ì Î É HH ij | Î | ver | 4 628 REGISTER or uret STAAT. De wetten, betreffende den flaat en de bevoegdhelf” van perfonen, zijn betrekkelijk op alle Franfchen, ooft 1 wanneer zij zich buiten’s lands bevinden, 3.—— mul Ë bezit van den huwelijks-ftaat bevrijdt de gewaande echt 4 genooten niet, om de acte van het huwelijk te verromkpg nen, 195,— Bepalingen aangaande dit bezit van Kaat, sul vo en volg. Welke regtbanken bevoegd zijn om te oon wo deelen over actiën, waar bij men zich op eenigen fla beroept, en manier van procedeeren in deze zaak, 326 ghurN volg. 3 MUFF STAAT DER PERSONEN. Op dezelve wordt in het beoordeeral ce acht gegeven, wanneer er geweld tusfchen de contracten de ten heeft plaats gehad, rite. Invloed van degel) ee op het bewijs van bewaarnemingen, 1348, to STAAT VAN BEGROOTING. Er moet eene(taat van begrooting opgemaakt worden, ín geval van gifte van roerende gou deren, 948. Zie Begrooting. bon 0 | STAKEN. De vruchtgebruiker kan van den grond ftaken woofinoo. de wijngaanden nemen, 593. de 8| STAKEN. Wanneer reprefentatie plaats heeft, gefchiedt de verd z, deeling der erfenis bij taken, 743 en 745. Regel in acht te nemen, in de verdeeling' tusfchen de mededeglnoo lende ftaken, 836. b MD SraL. Bijzondere reglementen en gebruiken, naar welke mi} 4 zich moet gêdragen, om«eene ftal tegen eenen mnaur sd}, te bouwen, 674. À SrAvEN. De ftaven, welke ter leen zijn gegeven, moeten if 7 rn Nrokr dezelfde, hoeveelheid en qualiteit têrug gegeven worden 1897. sr 4 v STEEN- OF KOLEN-GROEVEN. De vruchtgebruiker heeft er hef, genot van, 598.— Wanneer de afkomften van dezel in de gemeenfchap vallen, 1403. fsr É| STELLIONAAT. Zie Bedriegerij. STILZWIJGEN VAN DE WET. Zie Regters, STILZWIJGENDE INHURING. De huurder kan, wanneer de buuf: opgezegd is, zich op dezelve niet beroepen, alhoewel hij in het genot gebleven is, 1739. STOELEN. Dezelve behooren onder de meubelen, 534» JL 5 a De ama nad toor ane EET WETBOEK NAPOLEON. 69 vonirorren. Regt van accesfie, betrekkelijk de ftoffen, welke ge AN hen, bruikt zijn, 59o en volg. Zie Afftand, Bouwftofen. 3 ide StroumeN. Zie Doof'= fflommen. $ SMiroorPLAATS. Reglement in acht te nemen tot het metfelen Ri van dezelve, 674.—— Door wie de haardfteden moeten ke worden herfteld, 1754. SroRNIsSEN. Zie Belemmering, Vrijwaring. AFFEN.. Welke ftraffen de wet bepaalt tegen de geenen, die beo eenige verandering of vervalfching maken in de acten van Con den burgerlijken ftand, 52. De veroordeeling van den Van eenen echtgenoot tot eene infamerende ftraf, is eene reden tot echtfcheiding, 232.—— Dezelve brengt van regtswege de uitfluicing van de voogdij mede, 443. Zie Beding van | ber poenaliteit. IRANDEN. Zie Zee, hie roo. Het ftroo en de mest wordeu gehouden voor onroerert- de goederen, uit hoofde van hunne beftemming, 524.—— 7 De huurder moet bij zijn vertrek achterlaten het flroo van fe het afgeloopen jaar, 1778. e SROOMEN: De bevaarbare en ftroomende rivieren en wateren behooren tot de publieke domeinen, 538.—- Wat regtens js, in geval een nieuwe loop of arm van een rivier of ftroom een eiland maakt, van het land van eenen eigenaars het welk aan den oever gelegen is, of eenen nieuwen loop aanneemt, 562 en-563. Zie Aanfpoeling. DO SrokkeN. Zie Ontflag, Transactie. SUSTITUTEN. De fubftituten van den commisfaris van het Gou- vernement bij her Hof van casfatie, zijn van de voogdij Eil$ verfchoond, 427. f SynsTIT TIE. Nietigheid der befchikkingen, welke eene eigen= lijk gezegde fubftitutie bevatten, 696, Andere geoor- loofde befchikkingen, 893 en volg. en 1048— 1068. De Cobftitutie eener fchuld, of het ftellen van eenen nieuwen fchuldenaar in plaats van den ouden, brengt novarie te weeg, 1271. Zie Bezwaarde met uitkering. er de hoer“gyperscrIeTIE. De notaris maakt de acte van fuperfcriptie van een befloten testament op, en de getuigen onderteekenen des zelve, 976, id Kr 3 Sugé EE EE ER REDE OC AE Zee 4 eens 635 REGISTER or mer SURROGATIE, Waar in de furrogatie beftaat, die of bij overeen komst, of uit krachte van de wet gefchiedt, ro4g en vols. De borg, die de fchuld betaald heeft, treedt in de regter van den fchuldeifcher, 2o2g. De borg is onte flagen, wanneer de furrogatie, of overdragt der resten van| den fchuldeifcher, ten behoeve van den borg niet meer ge daan kan wordên, 2037. Een'dergelijk ontlàg neef plaats, wanneer de fchuldeifcher eenig„goed heeft aan ge= nomen, in becaling van de principale{chuld„2038. SYNALLAGMATIEK, Zie Wederkeerig, T AFELHOUDERS. Zie Verjaring. Tarrus. Dezelve zijn meubelen, 534- TAKKEN. De eigenaar, over wiens erf de takken, der boomen Aan zijnen buurman overhangen, kan den laatstgemelden nood: zaken om die takken af te houwen, 672. Het zelfde heeft plaats omtrent de wortels, a/d.—- Wijze van verdeg- ling eener erfenis, tot dewelke verfchillende takken van cena familie geroepen Zijn, 734 en 7434 TAPIJTEN Zijn meubelen, 534. Te KENNEN GEVING. Gevolgen van een bloot te kennen geven in de acten, 1320, TERUGEISCHING, De eigenaar kan zich, door den genen, die de __ zaak ter kwader trouw beziet, het te rug geëischte goed te- vens met alle de vruchten doen wedergeven, 549. Actie tor reclame van onroerende goederen, 930.— Dezelfde aêtie in bewaarneming, 1926. Preferentie op, de roe- rende goederen, welke de‘reclame geeft, 2102, TERUGGAVE, waar door de ongelijkheid der lotén wordt ver goed, 853: Wanneer eene gifte herroepen is, is de donataris verpligt om de vervreemde goedereri te rug te ge- ven, 958.—— Compenfarie” heeft geene plaats in eenê {chuld, welke uit de teruggave van eene zaak voortfpruit, ‘ 129je TER SR De me Belie Ee Ees 9 hl Tur Ee TTT WETBOEK NAPOLEON. 631 zogz.—— Teruggave ter zake van nietigheid of rescisfie der overeenkomften, I3IT€# volg. Men is verpligt ge rug te geven, het geen men bij vergisfing ontvangen heeft, 1376.——— Teruggave van het huwelijksgoed door den man en zijne erfgenamen, 1564. Hoe de terug= gave van ecne ter leen ontvangene zaak gefchiedt, 1895 en 1999.— Die van zaken ter bewaring gegeven, 1932 en volg.——”— Het perfoneel arrest heeft plaats voor de teruggave van onverfchuldigd ontvangene vruchten, 2060e —__— Men kan de teruggave van een pand van roerend goed niet eifchen, dan, na dat de‘fchuidenaar de fchuld geheel heeft afbetaald, 2082. Zie Bezwaarde met uitkeering. T TERUGKEERING. Wat er plaats heeft aangaande de terugkeering van zaken, door den bloedverwant in de opgaande linie gegeven, in geval dezelve vervreemd zijn, 747» Beding van het regt van retour of terugkeering door den donateur, en gevolgen van het zelve ,.951 en volg. TERUGNEMING. Aan welke goederen de man of de vrouw, het geen zij te rug nemen, kunnen verhalen, 1472 EN 1495.— Geval, waar in de man niet kan te rug vorderen de roeren= de goederen, welke aan hem, ftaande huwelijk, zijn aan= gekomen, 1504.— De roerende goederen, door de vrouw aangebragt, kunnen niet te rug genomen worden, dan na aftrek der perfoneele fchulden, 1514.— Beding, het welk regt geeft om de ingebragte goederen te rug te nê- men, 1525 PeRUCVORDERINGe In welk geval men hee betaalde kan terug vorderen» 1235 De terugvordering van gelden, wel= ke ín handen van openbare perfonen geconfigneerd zijns brengt het perfoneel arrest mede, 2060, TERUGWERKENDE KRACHT. De wet heeft geene terugwerkende kracht, 2e TESTAMENTe Er kan geen testament gemaakt worden door ies mand, die den burgerlijken dood ondergaan heeft, 25.— Vereischte tot het openen van het testament van eenen afwe= zenden, 123.——— De vrouw kan, zonder autorifatie van haren man, bij uiterfte wil befchikken, 226. Geval, waar in de vader en moeder het regt niet hebben om te ge= pieten van de goederen, welke aan hunne kinderen bij ui= terften wil gemaakt zijn, 387.— Wat een testament is„ Cone Men moet, om het zelve te maken, zijn verftand en zinnen magtig zijn, gol.—— Welke perfonen bij testd- ment kunnen befchikken, en voordeel genieten, go2 en volg. _… In welke vormen men bij testament kan befchigken, Rr4 967 Tip. De fociëteit eindigt, TijpsnEPALING, Waar in de tijds REGISTER op HED 967-069.=—— Noodige vereichten tot de b der testamenten, 970 en volg,—— Bijzondere regels omtrent de testamenten van krijgslieden, o81 ez volg.—= Voor wie de testamenten kunnen gepasfeerd worden op eene plaats, met welke‘alle gemeenfchap, uit hoofde van eene befmerre lijke ziekte, geftremd is, 985.—— Formaliteiten, aangaan- de de testamenten, die op zee gemaakt worden, 988 en volg. Testamenten der Franfchen, in“een vreemd land gemaakt, 999 en volg, Grondbeginfelen aangaande de erfftellingen en legaten in het algemeen, rooe2 en vols.—— Aanbieding der befloten testamenten, of van die, welke ge- heel door den testateur gefchreven Zijn, aan‘den prefident van de regtbank van de eerfte inftantie, om het zelve te openen,’ 1oe7. volg. Het herroepen en vervallen der testamenten, 1035 en volg. Geoorloofde befchikkingen, ten voordeele van kleinkinderen van den donateur of testateur, of van kinde- ren van deszelfs broeders en Züsters, 1048 ex volg. De testateur, die goederen heeft gemaakt met last van uit= keering, kan eenen voogd benoemen, om deze befchikkin= gen ten uitvoer te brengen, 1055,—— Men kan eene lijf- rente vestigen bij testament geheel om niet, 1069. Zie Be- Schikkingen, Executeur van een testament» Merroeping, Legaten, Schenkingen, Verval. eftaanbaarheid ‘ door afloop van den tijd, voor welken dezeive is aangegaan, 1865, bepaling, in een contract bedon= SEN, van eene voorwaarde verfchilt, 1185. Ten wiens voordeele het bijvoegen van’ eene tijdsbepaling wordt ver- onderfteld gedaan te zijn, Tra De verkooper moet op den bepaalden tijd de zaak leveren, en de kooper de- zelve betalen, 161r en 165o, Men kan het ter leen ge- gevene niet te rug eifchen, voor dav de tijd, bijde over= eenkomst bepaald, verftreken is, 1899.——- Geval, waar in de regter aan den gebruiker van de ter leen ontvangene zaak eenen tijd, tot de voldoening kan bepâlen, 19or. AE Gedurende welken tijd de actie tor fchadeloosfteiling door den borg kan worden. aangelegd, wanneer de verbindtenis geenen bepaalden vervaltijd heeft, oo32, TupveRLoop. Welke tijd aan den erfgenaam is toegeftaan, om eenen inventaris te maken, en zich te beraden over het aan- vaarden der erenis, 705.—- Binnen welken tijd de inven- taris moet gemaakt worden doôr de Vrouw, welke van de Semeenfchap afftand wil doen, 1456, TIMMERMAN, Zie Gebouw, TrreLs Executeurs van testamenten, ros ek _- Enne Ky ar gemeten ad NP rk KeS en WETBOEK NAPOLEON. 33 Treis. Welke titels of bewijzen noodig zijn om de afftamming van wettige kinderen te bewijzen, 319 en volg. De titels befchouwd met betrekking tot de’ dienstbaarheden, ’ 695 en volg.—— De titels of bewijzen van eigendom moe- rd ten worden afgegeven, 842.—- De titels, die tegen den overledenen executabel waren, zijn dit ook tegen den erf- genaam, 877.— Gevolgen van de teruggave der titels, wát de betaling van de fchuld aanbetreft, 1282,> Waar in het authentieke van eenen titel beftaat, 1317 en volg.——= Welk bewijs de copiën van titels opleveren, 1334 en volg. d De actie tot vernietiging heeft plaats tegen eene transactie, aangegaan op grond van ftukken of titels, die nietig waren, 9054.—— Wat regtens is, wanneer de ftukken na de trans- A actie zijn ontdekt, 2057.—— De notarisfen, practizijns en geregtsboden kunnen in perfoneel arrest gefteld worden, tot de teruggave der aan hun toevertrouwde papieren, 2o6o, Men kan den onwiliigen verkoop van een onroerend goed niet vervolgen, dan op grond van eene authentieke titel of acte, 2213. Een titel, die, uit hoofde van een gebrek in den vorm nietig is, kan tot geenen grond= {lag dienen voor de verjaring van tien en twintig jaren, 2267. Zie Nieuwe titel. TOEREKENING., De toerekening der betaling in, het algemeen, 1253 en volg.;—— en van die der gelden, aan eene focië- teit verfchuldigd, 1848. ToESTEMMING. Wat de acte van toeftemming van vader en moe- der enz. tot een huwelijk moet bevatten, 73. Deze toeftemming is noodig tot de beftaanbaarheid van een hu- welijk, 146 en volg. Het verfchil van begrip tusfchen de twee lijnen, wordt voor eene toeftemming gehouden, a THO: Toeftemming van eenen. bijzonderlijk benoem- den voogd, en van den familie-raad, tot het huwelijk van minderjarigen, die noch vader, noch moeder, noch groot- ouders hebben, 159 Een 160, Door wie het. huwe- lijk kaa worden tegengefproken, het welk zonder vrije toeftemming is aangegaan, 180 en volg,—=—=m De onder- linge en ftandhoudende toeftemming der echtgenooten wordt als een bewijs aangemerkt, dat er eene voldoende reden tot echtfcheiding beftaat, 233. Tijd en omftandighe- den, welke vereischt worden, op dat de toeftemming tot echtfcheiding kan worden aangenomen, 275 en volg. De bekrachtiging van den vader en de moeder is noodig, om de onderlinge toeftemming voldoetde te doen zijn, 278, De toeftemming der partijen is alleen noodig tot het voltrekkeù van eene gifte, welke behoorlijk aangenomen is, 938. Gevallen, waar in de toeftémming aange merkt wordt, als niet van waarde te zijn, 11og eu volg.— Res“De 654 REGISTER or net De man kan de onroerende goederen niet vervreemden; zonder toeftemming van zijne vrouw, 1420.—— Toe- ftemming in zake van fociëteit, 18595 in Zake van vrijwillige bewaarneming, I9o2 5„== in zake van hij po theken, 2158. TOEVALLEN.« Zie Bewaarneming, Vruchtgebruik. TorvoorzieT. Het toevoorzigt over de minderjarige kinderen wier vader afwezend is, behoort aan de moeder, i4r. ee In geval van overlijden van de moeder, wordt het zelve door den familie-raad aan de naaste bloedverwanten van de opgaande linie opgedragen, r4o,—— De daden, die= nende tot opzigt en beheering van goederen der nalaten=- fchap, worden voor geene aanvaarding gerekend, 779.— Toewijzing. Welke perfonen zich goederen kunnen laten toe= wijzen, 1596. Toewijzing, na ontzetting van eigen- dom bij executie, 2253. Zie Veiling, ToEZIENDE voocn: Deszelfs benoeming en verpligtingen, 420 en volg. Toeziende voogd over den genen die on- der curateele gefteld is, 5o5. Verantwoordelijkheid van den toezienden voogd, wanneer hij den langstlevenden echtgenoot niet genoodzaakt heeft eenen inventaris te ma- ken, 1442. De toeziende voogden zijn gehouden de infchrijvingen te verzoeken, ten aanzien. der goederen van den voogd, 2137. Zie Curator van het nog ongeboren kind, Solidair. TRANSACTIE. De voogd kan, zonder daar toe geautorifeerd te zijn, geene transactie aangaan voor den minderjarigen, 467: Bekrachtiging van deze transactie, ald.—— De transactiën, en andere acten, die ten oogmerk hebben om de gemeenfchap tusfchen de mede-erfgenamen te doen op- houden, kunnen vernietigd worden, 888.—- De magt om eene transactie aan te gaan, bevat niet in zich de magt, om eene zaak bij compromis te verblijven, 1989.— Waar in transactie beftaat, en regels welke bij dezelve moeten in acht genomen worden, 2044.— De gemeenten, en open- bare etablisfementen kunnen niet tranfigeren, dan op auwo- rifatie van den“Keizer, 2045.— Verdere bepalingen be= trêkkelijk de transactiën, 2046—2058. Trap. Ten wiens laste de kosten zijn tot’ reparatie van den trap in een huis met onderfcheidene verdiepingen, hect welk aan verfchillende eigenaars toebehoort, 664. Trez- toe gele ad Eeen ACR er att hen: des Kd mm Ea ke WETBOEK NAPOLEON. 635 TreKKiNG BIJ mer LOT, Dezelye heeft plaats omtrent. de lotens in zake van boedelfcheiding, 834 Troep: Zie Kudde, mr à + T sneNscurieT. De bewaarders der hijpotheken mogen in hunne registers niets tusfchen beiden{chrijven„ 2203. SEDE HUWELIJK. De vrouw kan geen tweede huwelijk aan- gaan, dan na verloop van tien maanden na de ontbinding van het vorig huwelijk, 228,— Tijdverleop na de echt- fcheiding, 296 en 297,== Welk gedeelte de man of vrouw, die, kinderen hebbende uit een eerder bed, een tweede huwelijk aangaat, Aan deszelfs nieuwen echtgenoot mag geven, 1098.— Bepaling nopens de gemeenfchap uit krachte van de wet, wanneer er vóórkinderen aanwezig zijn, 1496. De winften, voortkomende uit gemece nen arbeid, worden niet aansezien als voordeelen om de kinderen uit een vorig huwelijk te kort te doen, 1527. Zie Medcevoogde TwijrrLACHTIGHEID. Op welke wijze het geen twijfelachtig is UITGAVEN. in eene overeenkomst, wordt uitgelegd, 1159 De jaarlijkfche uitgaven van den minderjarigen worden door den familie-raad bepaald, 454 en volg.—— Aan hem, die de zaken van een’ ander waarneemt, wWor- den de nuttige en noodzakelijke gedane uitgaven te rug gegeven, 1375: Welke uitgaven hij, aan wien eene zaak is te rug gegeven, moOêt vergoeden aan den genen, die dezelve ter kwader trouw bezeten heeft, 1381.—— Hij, die eene zaak in bewaring gegeven heeft, is gehou- den wegens de kosten, welke tot inftandhouding van het in bewaring gegeven goed gedaan zijns 1947» De fchuldenzar is aanfprakelijk voor die, welke tot behoud van het pand zijn gedaan, 2080. är 6 el Uir en- E add dn a Ei de ed 636 REGISTER or nee UITKEERING VAN AANBESTORVEN GOED, De familie-raad regele dezelve, ten aanzien van het kind van iemand, die onder curatele gefteld is, sir, Uirreoeine. Regelen aangaande de uitlegging der overeen= komften, 1156 en volg. De uitlegging der overeen- komst, door het uitdrukken van een geval, beperkt de uitgeftrektheid der verbindtenis niet voor de overige ge= vallen, 1164. Het contract van koop en verkoop wordt ten nadeele van den verkooper uitgelegd,„1602, UrrscHRAPPING. Zie Registers. UirsLurrine. Redenen tot uitfluiting van de voogdij, en van den familie-raad, 443 en 445.—_— Welke perfonen van de erfvolging zijn uitgefloten, 727e Welke zaken geacht worden uitgefloten te zijn, in geval! tusfchen de echtgenooten flechts eene gemeenfchap van aanwinften is bedongen, 1498 en wolz. Gevolgen van het beding, waar bij de gemeenfchap van goederen wordt uitgefloten 1530 en volg. Zie Onwaardigheid. d UITSTEKENDE TIMMERAGIËN. Op welk eenen afftand men dezel- ve moet maken, wanneer zij regtftreekfche lichten of ven= flers hebben over het erf van den buurman, 678 en 680 Zie Balcons. Uirsrer. In welk geval de regters aan den fchuldenaar uitftel van betaling kunnen toeftaan, 1244.— Uitftel, het welk kan toegeftaan worden tot de teruggave van ter leen gegevene zaken, 19co. Zie Zijdsbepaling. UITERSTE WIL. Zie Testament. UIiTvAARDIGING. Welk bewijs de eerst uitgevaardigde acten ope leveren, 1305, Zie Titels. o Uirwinnine. Het voorregt van uitwinning kan door den koo- per aan de fchuldeifchers van den verkooper worden tegen- geworpen, 1666.—- De uitwinning van het roerend goed wordt niet vereischt vóór de executie van de onroerende goederen, welke door eenen minderjarigen, of iemand, die onder curateele gefteld is, bezeten worden, 9207. De borg is niet verpligt den fchuldeifcher te voldoen, dan na de vitwinning van den fchuldenaar, ooer en volg, De uitwinning van den principalen fchuldenaar kan niet door den judiciëlen borg gevorderd worden, 2042 en vols. Zie Derde bezitter, Executie, Verdeling, Wiri ns ORDEN EEND KTC EET TTT WETBOEK NAPOLEON. 637 Uirzer: Een kind heeft geene actie tegen zijn vader en moe- def, tot het geven van een huwelijks uitzet, 204. De kosten van uitzet zijn aan geen inbreng onderworpen, 852 Uirzier.‘Regels op de uitzigten, welke men mag? maken over het erf van zijnen buurman, 675 en volg, Dezelve behooren tot de voortdurende dienstbaarheden, 688: VAARTUIGEN: Dezelve zijn roetende goederen, 531. Zie Schea pen. WACERENDE. Aan wie de vacerende en onbeheerde‘goederen toebehooren, 539.‘ Vaper. De vader en moeder zijn verplist om hunne kinderen te voeden, 203.—— Gedurende den eisch tor echtfcheie ding, wordt de provifionele beheering der kinderen aan den vader toevertrouwd, 267. Middelen van kastijding, welke de wet aan den vader jegens zijne kinderen geeft, 375 en volg.—— Tot welken ouderdom hij het genot van hunne goederen heeft, 384 en volg.——- Hij beftuurt dezelve gedurende húnne minderjarigheid, 389.— De vader en moeder, hoewel minderjarigen, kunnen leden van den familie-raad zijn, 442.— Op welken. duder- dom de vader en moeder hunne kinderen kunnen emau- ciperen, 477.——— De vader en moeder, die, uit krachte van de wet, het vruchtgebruik hebben van de goederen hunner kinderen, zijn niet verpligt tot het ftellen van borg, bor.—_— De vader, onwaardig verklaard zijnde om te erven, kan geene aanfpraak maken op het vruchtgebruik van de goederen der nalatenfchap, 730.—— Geval, waar in de langstlevende vader of moeder het vruchtgebruik heeft van een derde der goederen, waar van hij den ei gendom niet erft, 754.—— Verval van de E@rfenis van het onecht kind op den vader of de moeder, die het zelve erkend heeft, 765,——- De vader en moeder kun- nen giften aannemen voor hunne kinderen, 935;— én aan hunne kinderen geven, met last van uitkeering aan de kin- deren REGISTER oP we deren der donatarisfett, teeds geboren, of nog geboren zuls fende worden, 1048.—— Zij mogen hunmtie goederen tse fchen hunne kinderen en afkomelingen, Lozs; — Zij kunnen dezelve alle of gedeeltelijk bij huwelijks- contragt aan hun geven, 1082,=——. Verantwoordelijkheid van den vader en de moeder voor de fchaden, door huns he kinderen veroorzaakt, 1384.—— Het ontbreken van eenen inventaris na den dood van één der echtgenooten; doet den overgebleven echtgenoot het genot van. de in- komften der minderjarige kinderen werliezen, 1442.—— Hunne verpligtingen betrekkelijk het daarftellen van ec huwelijksgoed voor de kinderen, 1544 en volg.—— Ver-, vreemding van het huwelijksgoed, om aan deze kinderen een middel van beftaan- te bezorgen, 1555 en volg. Zie la Huwelijk, Vaderfchap, Verantwoordelijkheid, Voog- ij. Vaperrijke MAGT. De vader alleen oefent, gedurende hét hu= welijk, deze magt uit, 373 en volg.— Men kan hij huwelijks-contract niet van de regten, die hier uit voorc- vloeijen, afwijken, 1388. Zie Goederen, Kastijding, Kind; Moeder ‚ Vader. Vaprrscnap, De man is de vâder van het kind, het welk ftaan- de huwelijk ontvangen is, 312. Het. onderzoek, wie de vader Van een kind is, is verboden, 340. Zie Afftam- ming der kinderen, Legitimatie, Moederfchap, Onechte kinde- zen, Ontkentenis, Schaking. VarscHuHeiD. De vervalfching ín de acten van den ftand als burger, geven aan partijen regt tot het eifchen van fchade- vergoeding, 52.— In welk geval de nakoming van eene acte, welke van valschheid wordt befchuldigd, kan worden opgefchort, 1319. „VATEN. Die, welke een eigenaar van een erf; ten dienfte en ter bearbeiding van hetzelve daar op plaatst zijn onroeten= de goederen, uit hoofde van hunne beftemming„ 524. Ver. Het zelve wordt geacht begrepen te zijn in de giften van die landen, tot welker bebouwing het zelve,dient, 1064,— De huur van eene boerderij kan vernietigd worden, wanneer dezelve niet van de noodige beesten voorzien is, 1766. Zie Beesten. VEENDERIJEN. Die, waar van de vruchtgebruiker genot kan trekken, 598, Veze rn hd ETT TED TTE CORETEND WETBOEK NAPOLEON. e635 Geepdtur. In welk geval de beestén„onder dezen titel gege- ven, roerende of onroerende goederen zijn, 522,—= Re- eis, aangaande de verfchillende foorten van veepacht, en de wederzijdfche verpligtingen van den eigenaar en van den huurder, 18001831. De-pachters en deelhebbende huurders zijn aan perfoneel afrest onderworpen, 2062, D) Vermieneipe Zie Politie, Veiiine. Bij veiling of opflag moeten verkocht worden de goederen van den minderjarigen, tot welker bewaring in na- tura de familie-raad den voogd niet gemagtigd heeft, 452 en 459.—— Op de zelfde wijze moet de erfgenaam, die eenen boedel onder beneficie van inventaris heeft aanvaard, de goederen der nalatenfchap doen verkoopen, 805. In welk geval bet onroerend huwelijksgoed aldus kan ver- kocht worden, 1558, Aanbod, het welk elke fchuld- eifcher, wiens fchuld-vordering ingefchreven is, doen moet; in geva hij daar op aandringt, dat het onroerend goed in het openbÂar opgeveild en toegewezen worde, en-formas liteiten hier bij in acht te nemen, 2185 en volg.——= Voor welk goed de kooper, die het zelve op nieuw inkoopt 4 verhaal heeft tegen den verkooper, 2191.- Geval, waar in eene waardeering plaats heeft, om den prijs te be- palen van onroerende goederen in het gemeen verkocht, en waar omtrent afzonderlijke infchrijvingen gedaan Zijn, 2192 Zie Pandregt. VELDGEWASSEN. Die met hunne wortels in den grond vast Zijn, worden voor onroerende goederen gehouden, 52c. Vensters. Men mag in eenen gemeenen muur geen venfter maken, 675.=== Welke venfters gemaakt mogen wor- den in eenen muur, die niet gemeen is 676 en vols. De venfters behooren onder de zigtbare dienstbaarheden 4 689. Zie Uitzigt. VERANDERING. Verantwoordelijkheid, van die genen, aan wien de bewaring der registers is toevertrouwd, in geval van daar in gemaakte veranderingen, 51.——‘Schadevergo@ding kan door de partijen geëischt worden, om eene verandering of vervalfching in de acten van den ftand als burger, 52, VERANDERING, Op welk eene wijze de verandering van, woon= plaats wordt te weeg g bragt, 103 Welke verande- ringen in de huwelijks overeenkomften kunnen gemaakt wor- den, 1395 en volg. Ver3 : # Á Ì ij Î 640 REGISTER b® Ht a fer te heer der geldmiddelen van het Keizerrijk verantwoordelijk zijn, Curator, Voogdijs VERANTWOORDELIJKHEiD. Zie Commisfarisfen, die Wegens J VERANTWOORDELIJKHEID: De man is voor het geheel aanfprakes lijk, wegens de gevolgen-der voogdij, welke de moeder over de kinderen van het eerfte huwelijkgbehouden heef, 395.———” De voogd en des bijzonderlijk benoemde voogd zijn, wegens hunne wederzijd{che verrigtingen, aan elkander niet verantwoordelijk, 417. Verantwoorde- lijkheid van de erfgenamen van den voogd, 4195 van den, vruchtgebruiker, ingeval een derde zich den grond; aan het vruchtgebruik onderworpen, heeft aangematigd; 6145 van de voogden, die tot de uitvoering van befchikkingen bij testament benoemd zijn, 1673. Verantwoordelijkheid bij gelegenheid van inisdaden of quafi- misdaden, 13845—— van fchaden, door een beest veroor= Zaakt, 1385; door. het inftorten van eèn gebouw; 1386.—— Verantwoordelijkheid der bewaarders van kij- potheken, 2107 en volg. Zie Schade, Valschheid, Veran- dering. VerBerterHUIs. Na de echtfcheiding, of de fcheiding van tafel en bed, uit hoofde van overfpel, kan men de vrouw in ecu verbeterhuis doen opfluiten; 298 en 308; VERBETERING, Formaliteiten, welke moeten ín acht genomen worden, tot de verbetering van de acten van den burgerlij- ken ftand, 99 en volg, VERBETERING. Vergoedfng, aan dien genen der echtgenooten verfchuldigd, die op goederen van de gemeenfchap gäld heeft opgenomen, om de goederen van den anderen echtge= noot te verbeteren, 1437. Zie Huur en verhuring, Koop en verkoop, Kosten; Reparatiëne Vruchtgebruik. VERBINDTENIS. De getrouwde vrouw kan zich niet verbinden zonder de autorifatie van haren man, of vanden regtér, 217 ER volde Nietigheid der verbindtenisfen, door den tan aangegaan, gedurende den eisch tot echtfcheiding, 97 re Aan welke vernietiging die der geëmancipeerde min- derjarigen onderhevig zijn, 481 en volg.—— Welke ver- bindtenisfen uit haren aard voor roerende goederen worden gehouden, 529.—— De eigendom der goederen wòfdt verkregen, en gaat over ten gevolge van aangegane, ver= bindtenisfen, 71ï,— Algemeene grondbeginfelen aangaande de verbindtenisfen, r1o6 en volg.— Vergoeding van fchaden en interesfen, voortvloeijende vit het niet nakomen eener ver- bindtenis, 1146 en volg.— Voorwaardelijke verbindtenij en, r1Ô8 dr” te, ngen asen ar"0 EE KET RBA ret on WETBOEK NAPOLEON. 54 BE- 1168 en volg. Nietigheid der verbindtenisfen, welke alleen afhangen van den wil van deu geren, die zich aan Sn eenen anderén verbindt, 1174.=—= Regelen, aangaande de altérnative en folidaire verbindtenisfen, 118g en volg.— Wat deelbare en ondeelbâre verbindténisfen zijn, rat7 en volg. Verbindtenisfen met beding van pcevaliteit;, 1226 en volg. Hoe de verbindtenisfen te vier gaan, 1224 En Volg Regels, nopens het bewijs der ver- bindtenisfen, en de voldoening aan dezelven, 1315€7 volg. Verbindtenisfen, welke geoorloofd of verbo- den zijn aan de vrouw, die in gemeenfchap van goederen getrouwd is, 1427 en volg. De verbindtenis, voot rekening van eene fociëteit aangegaan, verbindt alleen den geasfociëerden, die dezelve heeft aangegaan, 1864. Ig va — VeRBINDTENISSEN. Welke flraffe de minderjarige, die geëmanci- quef peerd is, ondergaat, wiens aangegane verbindtenisfen uit eroor kracht van de wet zijn te niet gedaan, 485.— In het ale gemeen kan men zich niet verbinden op zijnen eigen naam se dan voorzich zelven; niettemin kan men zich voor eenen derden fterk maken, 1rig ea volg.——- Verbindtenisfen, die aangegaan worden buiten overeenkomst, 1370€# volg. -__— Die dergeasfociëerden onderling, en ten aanzien van 1 tf derden, 1843 en volge—— Verbindrenisfen, welke uit n€ bruikleenlng voortfpruiten; 1880.— Âl wie zich per- foonlijk verbonden heeft, is gehouden zijne verbindtenis na te komen, onder verband van alle zijne roerende en onroe- rende goederen, tegenwoordige en toekomende, 2092. Zie Geldleening: VerBop. In welke graaden van bloedverwantfchâp het huwelijk verboden is, 161 en volg,—— Geval, waar in het Gou vernement het verbod kan opheffen, 164,—— De adoptant mag-met den geadopteerder niet trouwen„348, VeaprexiNGg. Redenen, welke de verbreking van een koop- coutract kunnen bewerken, 1C54 en volg;— en die vaú het contfact van huur en verhuring, 1741. zé, VERBRUIKLEENINGe Zie Leening. r de Verpeerine. Een erf verdeeld zijnde; blijft nogtans de gemeerid Ee dienstbaarheid voor elk gedeelte werfchuidigd, zco.— mit De fchuideifcher, welke in de verdeeling der{chuld, ten e ve aanzien van één der fchuldenaren, toegeftemd heeft, behoudt orde zijne folidaire'actie tegen de overigen, 1210,—— Eene bee wói kentenis kan niet vêrdeeld of gefplitst worden, 1256.— ver De borgen, die geen affland gedaan hebben van het beneficie rade vaa fchuldfíplitfigg, kunnen vorderen, dat de fchuldeifcher had zijne actie tusfchen de gezamenlijke borgen alvorens ver deele, en dezelve vermindere ror het aandeel van elker borg, 2026, Ss Vers Tr EE ES EEE h. me ef 542 REGDSTABR òà Mik VERDIEPINGEN. Zie Reparatiëne VERDUISTERING VAN sTaAT. De lijfflraffelijke actie wegens deze misdaad kan eerst beginnen, na dat het definitief vonnis over het gefshil van dien{taat gewezen is, 327. Zie Sggt. VEREENIGING. De zaak behoort aan den eigenaar, met al het geen zich met dezelve vereenigd heeft, ss Regels om. trent den eigendom van twee zaken, die gefcheiden kunnen worden, doch die op zoodanige wijze vereenigd zijn, da Zij een geheel uitmaken, 566 en vols. VEREENIGING. De vereeniging van twee erven in eene hand, doet de dienstbaarheden, welke zij aan elkander vertchul= digd mogten zijn, te niet gaan, 705 Veacerpenpe.(Commutatief) Welk contract aldus genoemd wordt, 1104, VERGOEDING. In welk geval er geene vergoeding wegens de vruchten plaats heeft, noch van den kant van den vrachte gebruiker, noch van den eigenaar, 585. Gevallen, waar in één der echtgenooten in gemeenfchap regt heeft op eene vergoeding, 1403 en volg. In welk geval de legataris van eenig roerend goed,‘aan hem door den man in gemeenfchap gegeven, eene vergoeding kan vorderen, 1423. De vrouw kan eene vergoeding eifchen voor de geldboeten, door den man verbeurd, en door de gemeen- fchap voldaan zijnde, 1424. Vergoeding aan de vrouw verfchuldigd, in geval van fcheiding der gemeenfchaps voor den verkogp van een roerend goed, het welk aan haat toebehoorde, 1436. Andere gevallen, waar in vere goeding plaats heeft, 1437 en volg. Deze vergoedin- gen worden in de verdeeling van de gemeeufchap tusfchen echrgenooten ingebragt, 1468. en volg, Zie Terug- NEMINGe VerGoEDING, Verhaal van den kooper tegen den verkooper, tot vergoeding van het geen de prijs meer bedraagt, danbij he: contract bedongen is, 2191, Verraar, In hoe verre de wet een verhaal toeftaat aan den mede-erfgenaam of opvolger, onder eenen algemeenen titel, die meer betaald heeft, dan hij ín de gemeene fchuld be- hoefde te dragen, 875. Mindetjarigen, die onder curateele flaan, en getrouwde vrouwen, hebben verhaal op hunne voogden of mannen, 942, Tegen wien de min- derjarigen, en die onder curatele ftaan, hun, verhaal heb- ben, om het nalaten van de infchrijving der acte, waar in befchikkingen onder de levenden, of bij testament begrepen zijn, Io7zo,—= Verhaal van den mede-fchuldenaar van br Je EET TE _ me Pennen manana vr aorta: made nar WETBOEK NAPOLEON. 543 folidaire{chuld, die dezelve geheel voldaan heeft, Tats, Gevolgen van het verhaal, met‘betrekking tor de deelbare of ondeelbare verbindtenisfen, ra2r en 1225. Ver- haal, uit hoofde van eene betaling, gedaan in weerwil van kar een arrest of oppofitie, 1242 Verhaal van den genen, li, die voor een ander betaald heeft, 12775—— van den man m uit hoofde van de vrijwaring voor den verkoop, door zijne vrouw gedaan, 14323—- der echrgenooten, of van één derzelven, voor de voldoening der fchulden van de gemeen- fchap, 1484 en volg.; van de vrouw, die van de gemeene and, fchap afftand doet, tegen haren man, r4o4 en vols.— chul: van den echrgenoot, wien de verkoop, door de fehulde eifchers gedaan, verftoken heeft van het regt om iets uit de gemeenfchap vooruit te genieten, 15195— van den Ot berg tegen den fchyldenaar,“wiens(chuld hij betaald heeft, 2028./ NeruHooeine. Verpligtingen van den eigenaar, die eenen ge: meenen{cheidsmuur wil laten verhoogen; 658 en volg. Verjarine. De veroordeelde wordt in zijne burgerlijke regten niet herfteld door de verjaring der ftraffe, 32.—= Regels, omtrent de verjaring, met betrekking tot de dienstbaarheden, 708 en volg,== Eigendom wordt verkregen door verja- ring, ZE2 Verjaring van het regt van aanvaarding jee of verwerping eener erfenis, 789, Op welken tijd de 9 verjaring begint van onroerende goederen, waar van de gite herroepen is doorde geboorte van een kind, 965.—- De interruptie der verjaring, ten aanzien van één der folidaire fchuldeitchers, ftrekt tot voordeel der overigen, 1199 en 1206. De verjaring van onroerend huwelijks. goed heeft, ftaande het huwelijk, geene plaats, 1561,—= Ver- jaring van preferentiën en hijpotheken, 2180. Men, kan afftand doen van de verjaring, welke men verkregen heeft, 2220, De verjaring kan in allen ftaat der zake tot worden tegengeworp&n, 2224.=—= Men kandoor verjaring iet piet verkrijzen den