go 4647 AIKIAIAIAIAIXIMIAIRIXIRIBIRIATAVRAIRIAIRVAVAVAVAVAV AVE 大力 巧 ΚΥΤΤΩΝΟΥΝ AVAVAVAVA Pohiss R. Daming with best wis Les, zom a sincere fecit, on, Fahm senday. 25 March 1888 In remembrance of my pint confirmation 8. In the Duter Reformed Chearch Durbanville Cape Provone South Africa- BIRTAUKTAVAVAVAVAVINGS Viviv Jaon. Ale house when e relaine Let our hearts within was burni вис внас Then at evening " We have walled with Christ today CHORUHURVA HET BOEK DER PSALMEN, NEVENS DE GEZANGEN, BIJ DE HERVORMDE KERK VAN NEDERLAND IN GEBRUIK, DOOR LAST VAN DE HOOG MOGENDE HEEREN STATEN GENERAAL DER VEREENIGDE NEDERLANDEN, UIT DRIE BERIJ MINGEN, IN HET JAAR 1773 GEKOZEN, MET DE NOODIGE DAARIN GEMAAKTE VERANDERINGEN. INGERIGT OVEREENKOMSTIG DE THANS MEEST GEBRUIKELIJKE TAAL EN SPELLING. BIJ DE NEDERLANDSCHE BIJ BEL- COMPAGNIE. TE AMSTERDAM, AVAVAV J. BRANDT EN ZOON. TE HAARLEM, JOHANNES ENSCHEDE EN ZONEN. 1881. Gb 4 6 7 7 ACTE VAN WAARBORG. De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, in hare zitting van 9 Julij II. de besluiten van 1818 en 1836, betreffende de authentisatie van Bijbels, Testamenten en Psalmboeken naar de Staten- Overzetting, ingetrokken hebbende, is het der Nederlandsche Bijbel- Compagnie gepast voorgekomen, te verklaren, dat zij bij voortduring zal zorg dragen, hare. uitgaven, hetzij geheel onveranderd, hetzij naar de thans meest gebruikelijke taal en spelling ingerigt, altijd overeenkomstig de - en heeft zij beStaten- Overzetting het licht te doen zien, sloten om, ten einde te doen blijken van de echtheid en naauwkeurigheid der door haar uitgegeven Kerkboeken, deze te voorzien van de nevens of onder de wapens der steden Amsterdam en Haarlem geplaatste handteekeningen der uitgevers. Gedaan in onze vergadering van den vierden September 1867. De Nederlandsche Bijbel- Compagnie, J. Brandtſten) Joh. Enschedé Kronny. Univ.- Bibl. Giessen MORVAUHURUA VERKLAARING, GEVOEGD ACHTER HET AUTHENTIQUE AFSCHRIFT DER PSALMEN. 16001 Wij ondergeschrevene Predikanten door de Heeren Staaten der respective Provinciën en van het landschap Drenthe gecommitteerd, en volgens Resolutie van hunne Hoog Mog. de Heeren Staaten Generaal der vereenigde Nederlanden vergaderd zijnde tot de verbetering der Nederduitsche Rijmpsalmen, verklaaren het voorenstaande Boek der Psalmen, nevens de gezangen, bij de hervormde kerk van Nederland in gebruik, overeenkomstig onze gedaane keuze, gemaakte veranderingen, aangenoomene spel- en schrijfregels geboekt te zijn, en dus voor het eenige echte afschrift van dezelven te houden; dat ook de hier voorstaande verbeteringen en nadere bepaalingen volgens ons besluit hier bijgevoegd zijn; alsmede dat wij met alle naauwkeurigheid hebben toegezien, dat in deze nieuwe berijming niets mogte voorkomen eenigzins strijdig met de aangenoomene leer der Nederlandsche hervormde kerke, zoo als die naar Gods woord, in den Heidelbergschen Catechismus, de belijdenisse des geloofs en de canones van het Synode nationaal, te Dordrecht in de jaaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is; gelijk wij ook in gemoede verklaaren, dat in deze berijming niets gevonden wordt in het allerminste afwijkende van de bovengemelde Formulieren van eenigheid:' t welk alles wij getuigen met onderteekening onzer handen. ( is geteekend) Uit GELDERLAND, A. V. D. BERG, Predikant te Barnevelt. Uit ZUID- HOLLAND, JOANNES VAN SPAAN, Predikant in' s Gravenhage. Uit NOORD- HOLLAND, RUTGER SCHUTTE, Predikant te Amsterdam. Uit ZEELAND, JOSUA VAN IPEREN, Predikant te Veere. Uit UTRECHT. JACOBUS HINLÓPEN, Predikant te Utrecht. Uit FRIESLAND, GEORGIUS LEMKE, Predikant te Harlingen, TAJMIRIATHIMIÄIRIAIAIAIRTATAVAVAIHTAIKTAVATAVIVAVING wwm Uit OVERIJSSEL, DIRK SEMEINS VAN BINNEVEST, Predikant te Deventer. Uit STAD EN LANDE. THEODORUS LUBBERS, Predikant te Groningen. ivive Uit DRENTHE, HENRIKUS JOHANNES FOLMER, Predikant te Dwingelo. Sus mij present, ( laager staat) De bovenstaande onderteekening is geschied den 19den Julij 1773. PIETER LEONARD VAN DE KASTEELE, Amanuensis van de Edele Mog. Heeren Commissarissen tot de verbetering der Rijmpsalmen. Nota. De verbeteringen en nadere bepaalingen, van welke in de bovenstaande verklaaring gemeld wordt, en die achter het authentique afschrift der Psalmen te vinden zijn, betreffen eenige laatere veranderingen, en sommige bijzonderheden omtrent de spelling, die men in dezen afdruk in acht genomen heeft. MUZ IJ K- ONDERWIJ S. B. MOL. Ut re mi fa sol la ci ut: Ut ci la sol fa mi re ut. B. DUUR. Sol la ci ut re mi fa sol: Sol fa mi re ut ci la sol. spoed; AVA HRVAHAA PSALMEN. 3. Gansch mint; HET BOEK W noch op' t pad der zondaars staat; Noch nederzit, daar zulken zamenrotten, Die roekeloos met God en godsdienst spotten; Maar' s HE ER EN wet blijmoedig dag en nacht Herdenkt, bepeinst en ijverig betracht. 2. Want bij zal zijn gelijk een frissche boom, In vetten grond geplant bij eenen stroom, Die op zijn' tijd met vruchten is beladen, En sierlijk pronkt met onverwelkte bladen; Hij groeit zelfs op in ramp en tegenwind; DER PSALM 1. elzalig hij, die in der boozen raad Niet wandelt, Het gaat hem wèl,' t gelukt hem wat hij doet. anders is' t met hem, die' t kwaad beHij is als kaf, dat wegstuift voor den Geen zondaar zal' t gewis verderf ontkomen 1 Als AAL AURVAVA 2 。 Als in' t Hij, L die Zal niet PSALM 1, 2. gerigt door God wordt wraak genomen: 4. De HEER toch slaat der menschen wegen gå, En wendt We van deugd en godsvrucht is ontaard, alom het oog van zijn genâ Op zulken, die, opregt en bestaan, daar' t vrome volk vergaart. rein van zeden, Met vasten gang het pad der deugd EES betreden; God kent hunn' weg, die eeuwig zal bestaan, Maar' t heilloos spoor der boozen zal vergaan. staan. PSALM 2. at drift beheerscht het woedend heidendom, En heeft het hart der volken ingenomen? De koningen ,, breken, verheffen zich alom; De vorsten zijn vermetel zaâmgeko- men, Om God den HEER, zelfs naar de kroon te steken, En tegen zijn' Gezalfden op te Zij spreken zaâm: ,, Laat ons hun banden En van hun juk en touwen ons ontslaan!" 2. Maar d' Opperheer, die zijn' geduchten stoel Op starren sticht, en grondvest op de wolken, Zal lagchen met E met dat vruchteloos gewoel, En spotten met den waan CAVAVAVAVAH der dwaze vol- ken. God zal zijn wraak ontdekken voor hun oogen; * bliksemlicht;' t Is God, die spreekt; Hij dondert uit ور PSALM 2. den hoogen, En jaagt den schrik zijn' haatren in' t gezigt. 3. ,, Durft gij bestaan te twisten met mijn kracht? Zal ,, nietig stof mij' t hoog gezag ontwringen of weerstand ,, biên aan mijn geduchte magt? Ont ziet mijn' toorn, Gij zult vergeefs mijn rijks, verdoolde stervelin- gen! 5 , bestel weerstreven: Mijn Koning is gezalfd door mijn ,, beleid; E Straks gloeit de lucht door' t vlammend ,, heven, Hij, door mijn hand op Zions troon verHee rscht op den berg van mijne heiligheid." PAUZE. 。 4. En ik, die Vorst, met zoo veel magt bedeeld, Zal Gods besluit aan' t wereldrond doen hooren. Hij sprak tot mij: ,,' k Heb heden U geteeld: Gij zijt mijn Zoon; ,, Gij zijt mijn eengebo- ren. Zeg vrij uw' eisch; Ik zal ,, uw magt verhoogen, Opdat uw naam alom ont,, zaglijk zij; Het heidendom ligg' voor uw' stoc! 1* » ge3 UAVAIRIAUKVAVAVA 130 gebogen, En' t eind der aard' erkenn' uw heerschappij! 5. ,, Uw ijzren staf, die al hun magt verplet, ,, eerlang eerbiedig' onderzaten, ,, te buigen voor E ,, als pottebakkers va- ten!" PSALM 2. uw wet; der wijsheid hooren, Eer gij God zelv' en zijn' 7. Welzalig zij, die, Hem Gezalfde hoont: 0 Regters, tot den stoel der eer wen; gekoren! Verdraagt zijn tucht, die u zijn liefde toont. 6. Vreest' S HEEREN magt, en dient zijn majesteit; Juicht, bevend op' t gezigt van zijn vermogen, T kust den Zoon, van ouds u Heer 1 hun VIV En noodzaak' hen gezeid, Eer u zijn toorn verdelg' voor aller 00- gen; U op uw' weg tot stof doe wederkeeren, Wanneer zijn wraak, getergd Maak' hen Of sla z' aan gruis, door uw gedrag, U, onverhoeds zou door haar' heil, 0 Vorsten! wilt de wet gloed verteren, Tot staving van zijn lang gehoond gezag. naar 9 En zijn reine leer, Die Zions Vorst erkennen In hun hoogst geluk beschouvoor hunn' Welzalig zij, die vast op Hem betrou- wen! PSALM AUHIRT PSALM 3. oe vreeslijk groeit, o God! Het zaâmgezworen rot Dergenen, die mij drukken; Zij maken niet alleen Den 脚 PSALM 3. opstand algemeen, Om mij mijn kroon t' ontrukken; Maar velen doen van mij, Hoe bitter ik ook lij', 2. Maar, Nog deze smaadtaal hooren: meer Verlossen, als weleer; Hem is geen heil beschoren." trouwe God! Gij zijt Het schild, dat mij , God zal hem nu niet bevrijdt, Mijn eer, mijn vast betrouwen. Op U vest ik het oog: Gij heft mijn hoofd omhoog, J al mijn tegenheden; Hij zag En doet m' uw gunst aanschouwen.' k Riep God niet vruchtloos aan; Hij wil mij niet versmaân, In van Zion neêr, De woonplaats van zijn eer, En hoorde mijn gebeden. 3. lk lag en sliep gerust, Van' s HEEREN trouw bewust, Tot ik verfrischt ontwaakte: Want God was aan mijn EG zij; Hij ondersteunde mij In' t leed, dat mij genaakte. 5 Ik zal, vol heldenmoed, Daar mij zijn hand behoedt, TienAIAIRIRIRIRVAVAVAVAIRIAURORVAVAVAvvives 6 Tienduizenden niet vreezen; The+ LE PSALM 3, 4. Geweldig aangerand En fel geprangd moog' wezen. 4. Sta op, verlos mij, HEER! Getoond voor mij te waken, Mijn haters onderdrukt, Schoon ik, van alle kant, En mij' t gevaar ontrukt; Gij sloegt hen op de kaken; ' k Heb d' overhand verkregen! Verbrekend onverwacht Hun tanden door uw magt: zijt Verwinnaar in den strijd. Gij hebt, o God! weleer beroofd van zinnen, een' Gij, HEER! alleen, Gij En geeft uw volk den zegen. W il mij, wanneer ik roep, verhooren, O God, die mijne regtzaak redt! Gij hebt in angst mij hulp beschoren En mij doen gaan in ruime sporen: Betooa genâ; hoor mijn gebed! Wat moogt gij, mannen toch beginnen? Zal steeds tot schande zijn mijn eer? Zult gij dan d' ijdelheid beminnen, En, t' eenemaal PSALM 4. De leugen zoeken, keer op keer? 2. Herinnert u, gij roekeloozen! Dat zich de HEER Gunstgenoot Heeft afgezonderd en verkozen. Hij CAVAUHURAVAU VAKAR PSALM 4. doet mij nooit van schaamte blozen, verlegen, riep, mij bijstand bood. Zijt gij beroerd, ontsteld, Die, als ik Zoo zondigt niet; verzaakt uw' wil; in uw hart; herdenkt uw wegen, Spreekt Op' t eenzaam bedde neêrgezegen; En weest in all' ontmoeting stil. 3. Dan zult gij regt naar' t outer treden, En offren God een rein gemoed, Het offer der geregtigheden, En' t zuivre reukwerk der gebeden: Betrouwt op Hem, want Hij is goed. Daar velen twijfelmoedig vragen: ,, zal ons' t goede toch doen zien?" » Wie Doe Gij, o HEER! na' t angstig klagen, Ons' t lieflijk licht uws aanschijns dagen, En wil uw rijke gunst ons bien. 4. Gij hebt m' in' t hart meer vreugd gegeven, Dan andren smaken, in een tijd Als zij, door aardsch geluk verheven, Bij Koorn en most wellustig leven, In hunnen overvloed verblijd. Ik zal gerust in vrede slapen, En liggen ongestoord ter neêr; Want Gij alleen, mijn schild en wapen, Schoon' t onheil schijnt voor mij geschapen, Zult mij doen zeker wonen, HEE PSALM VAL 8 150 PSALM 5. eem, HEER! mijn bange klagt ter ooren; Zie, als' t aan woorden mij ontbreekt, Wat d'overdenking in mij spreekt; Verwaardig U, uit' s hemels koren, Mijn stem te hooren 2. Sla ieder zucht, mijn hart ontgleden, Opmerkend gå; schenk mij' t genot Uws heils, mijn Koning en mijn God! PSALM 5. Ik zal tot U, met mijn gebeden, 3. Ik zal, door ijvervuur aan' t blaken, * scheemrend morgenlicht, Mij stellen E zigt; Opregte boezemzuchten slaken, En biddend waken. 4. Gij, die geducht zijt in vermogen, U durft gaan, Eerbiedig treden. O HEER! bij' t deloosheid niet; Gij zult, o God, die' t al doorziet! voor uw aangeDen boozen voor uw heilig' oogen, Geenszins gedoogen. 五 5. Wie zinloos, zonder t' overwegen Wat hem betaamt, tot Zal voor uw aanschijn niet bestaan; Gij haat, en staat hun billijk tegen, Die onregt plegen. PAUZE. hand met bloed bevlekt, Verdraagt de god6. Gij, HEERI verdelgt den logenspreker. Hij, die zijn En gruwlen met bedrog bedekt, Tergt, MOHVRUHURVA PSALM 5. Tergt, als de snoodste wetverbreker, Den hoogsten Wreker. 7. Maar mij ontmoet uw mededoogen: Ik zal uw woning ingeleid, En, naar' t paleis der heiligheid In ware godvrees neergebogen, Uw gunst verhoogen. 8. Leid mij in uw geregtigheden, Om mijn verspiedren wil, en rigt Uw wegen voor mijn aangezigt: Dan zal ik veilig voorwaarts treden, Met vaste schreden. verderven toe; 9. Al' t regt is van hunn' mond geweken, Zij leggen' t op Hun keel is nooit verslindens moe; Hun tong tracht vleijend, ons door treken Naar' t hart te steken. 10. Draagt Gij, o God! hen nog geduldig? Verwoest hunn' raadslag; drijf hen heen, Daar z' uwe wet zoo stout vertreen. Zij tergen U te menigvuldig: Verklaar hen schuldig. 11. Maar geef uw' dierbren gunstelingen, Wier geest in U zijn sterkte vindt, Wier hart uw naam opregt bemint, In U volvrolijk op te springen, En blij te zingen. 12.' t Regtvaardig volk zult Gij beloonen, Terwijl Gij, HEER! hen overdekt, Hun tot een veilig schild verstrekt. Gij zult goedgunstig hen bekroonen, Ja bij hen wonen. PSALM 9 RAAL 10 0 AVIVAVAN PSALM 6. PSALM 6. HEER! Gij zijt welda- dig; genadig, in uwen toornegloed. den; Sla mij met medelijden, Ik ben verzwakt, o HE E RI Straf mij niet on2. Vergeef mij al mijn zon- den, Die uwe hoogheid schonden: Ai! matig uw kastijGelijk een vader doet. E Genees mij, red mijn leven; Gij ziet mijn beendren beven; Zoo slaat uw hand mij neer. 3. Mijn ziel, gansch neêrgebo- gen, Schrikt voor uw heilig oogen, In dezen jammerstaat: Hoe lang zal ik nog klagen? Hoe lang uw gramschap dragen? O HEER, mijn toeverlaat! 4. Keer eindlijk, HEER! toch we- der; Mijn ziel buigt zich ter neder: Ai! red haar van' t verderf; gade, Tot roem van uw genade, En help mij, eer ik sterf. In' t zwijgend graf ooit prijzen; Sla mijn ellende 5. Want wie kan, na' t verscheiden, Op aarde meer verbrei$ den Uw grootheid en uw' lof? Wie zal uw gunstbewijzen U zingen in het stof? 6. Uw strenge geeselroe- de Maakt mij van' t zuchten moede, Verteert geheel mijn kracht; Ik voel uw slagen klemmen, MOHVACHIRVA En doe mijn bedde zwemmen In tranen, al den nacht. 7. Mijn oog is rood gekre- ten, Van tranen uitgebeten, VerPSALM 6, 7. ouderd en doorknaagd; Daar ik, in mijn ellenden, Door al mijns vijands benden Verdrukt wordt en gejaagd. 8. Mijn ziel grijp moed: wijkt, boo- zen! Vlugt van mij weg, godloozen! De HEER heeft mijne klagt, Met toegenegen ooren, Genadig willen hooren, En al mijn smart verzacht. 9. De HEER wild', op mijn ker- men, Zich over mij ontfermen; Hij heeft mijn stem verhoord: De HEER zal, op mijn smeeken, Hij houdt getrouw zijn woord. 10. Hij zal mijn haters we- ren, Hen straks terug doen keeren, Beschaamd en vol van schrik: Zijn grimmigheid, aan' t doen ontbreken; & blaken, Zal hen te schande maken, Zelfs in een oogenblik. op U, Geen hulp my PSALM 7. 1 HEER, mijn God, volzalig Wezen!' k Betrouw wien zou ik vreezen? dig uit den nood, 11 Red mij hulpvaarEer mij mijn vijand breng' ter dood: 12 dood: Geef mij ten roof niet in zijn handen, Die mij, met felle door wond op wond, Wanneer ik geen' verlosser vond. 2. Mijn God! ZOO' k immer hebb' bedreven Het booze P stuk, mij aangewreven, hebb' gefnuikt, En een + kwaad voor goed hebb' vaar ontrukt, PSALM 7. leeuwen tanden, En werp vreegenoot bedrogen;( Hem keer Uw' Die mij ten onregt had verdrukt) 3. Zoo moet mijn vijand op de hielen Mij volgen, ja ' t geweld: geheel vernielen; Hij roov' mijn leven en mijn eer, mijn kroon ter aarde neer! Sta op, o HEER! wil mij behoeden: Uw gramschap straff', E mijns vijands woeden; heen vergâren; Beklim Verscheuren zou ' t Onkreukbaar regt ooit oneven schaal gebruikt, Of hemeltroon, uw' al de volken rigten, ' t Gerigt hebt Gij zelf ingesteld. 4. Zoo zullen zich geheele scharen Van volkren om U toegewogen, En mijnen heb ik zelfs' t geEn Ontwaak voor mij, en dan, boven dit gewoel, regterstoel. De HEER zal ' t onregt voor het regt doen doen elks AVAVAL zwichten: Geef dan, 0 HEER! dat 00g hulp behoeft, PSALM 7. E 5. Laat toch het kwaad der goddeloozen Een einde nemen, straf de boozen; Mijn regt en vroomheid blijken moog'. PAUZE. aan; booze Gij, die elks hart en voor Maar sterk uw volk, dat proeft. Laat vrij voor U mijn vijand vreezen, Voor * U, regtvaardig Opperwezen! Bij U, mijn Bondgod! is mijn schild, Die' t vroom gemoed behouden wilt. 6. God, die op' t regt zijn' troon wil stichten, God is regtvaardig in zijn rigten, En toont zijn gramschap dag aan dag: Bestrijdt de mensch zijn hoog gezag; Blijft hij zich tegen Hem verzetten; God zal zijn wissen dood geslepen: glinstrend wraakzwaard wetten; Hij kromt en spant 7. God heeft de wap'nen aangegrepen, alree zijn' boog, En dreigt met pijlen van omhoog. nieren wringt en kromt de leden, Tot' s vijands Hij legt de pijlen op hem Wie hittig woedt zal niet bestaan: De In arbeid van 13 14 van zwaar; Verwacht dan, dat hij leugen baar'. 8. Hij heeft een diepen kuil doen delven, was, bij d' uitkomst, voor zich zelven, hij, met zooveel loos beleid, Dien had tot mijn JAVAX onzinnigheden; sten lof, #**** verderf bereid. De moeite, die hij dorst verwekschuldig' eer bewijzen, H PSALM 7, 8. ken, Zal zijnen kop eerlang bedekken, En zijnen schedel al' t geweld, Waarmee hij andren had gekweld. Gij, 9. Ik zal het eeuwig Wezen prijzen, Zijn regt de # Hij gaat van dwaze moeite Hebt 2. Uw Hoe wordt uw ¡ Viv Maar' t Met psalmen, tot in Schoon PSALM 8. En zingen' s AllerhoogEER, onze Heer, grootmagtig Opper wezen! naam ор aard' alom geprezen! ✩ die den glans van ' t hemelhof. uwe majesteit Uit kindren, ja uit zuigelingen monden; boven lucht en heemlen uitgebreid. mogendheid heeft sterkte willen gronden Zoo breekt 3. Sla breekt uw hand des vijands boos geweld, Daar * Gij zijn' haat en En AVAUHURVA Dat heerlijk werk van uwe vingren, d' oogen; Zie ik bedaard den glans der zilvren maan, PSALM 8. ik naar' t ruim der heldre hemelbogen, den 4. Mijn God! wat is de mensch dan op deez' aarde! Maar ' t starrenheir, door U geschapen, aan: De broze mensch! hoe klimt hij tot die waarde, by Dat Gij aan hem in zooveel gunst gedenkt, 5. Gij deedt hem wraakzucht palen stelt. En ' s menschen zoon uw teerste liefde schenkt! PAUZE. toond, wel, een weinig tijds, benebe Het englenheir een' rang en plaats bekleeden; be hebt hem ook uw rijkste gunst been aard' en zee 4 En hem met eer en heerlijkheid gekroond, 6. Gij geeft hem, wijd en zijd in alle landen, De 0 heerschappij der werken uwer handen, Ja zet voor' s menschen zoon, uw gezag, ter voetbank van zijn Door troon. 7. Waar 15 AAVAL DAVAURIORVAIRIAVAVAVAJIRIA VAVAVAVIVAVIVOS 16 7. Waar schapen zijn, of ossen in de weiden; E Waar eenig vee op bergen zij of heiden; by ' t wild gediert' ook zwerv' in woud en veld: Gij 8. Wat ven; leven; zee: 9. HEER, hebt het al in zijne magt gesteld. vog'len groote PSALM 8, 9. heerlijk Wat visschen er in billijk wordt uw groote naam geprezen! rolt, door den ruimen luchtkring zwenaam En wat de paân doorwandelt van de Zijn hoog bevel deelt hij aan allen mee. onze Heer, grootmagtig Opperwezen! Hoe Waar stroom en beken uit aller vromen mond, door' t gantsche PSALM 9. Hoe Die wereldrond! k zal met al mijn hart den HEER, Blijmoedig geven lof en eer; gemoed verzellen, En al 2. Ik zal in U, mijn God! van vreugd Opspringen, in den geest verheugd; Uw naam zal door mijn psalmMijn tong zal mijn uw wonderen vertellen. MOAVAVHURAHUA psalmgezangen, O Allerhoogste! lof ontvangen. 3. Omdat mijn vijand, hoe geducht, PSALM 9. is en gevlugt; Hij is, schoon getogen, 4. Want, Vergaan, gevallen voor naar uw allerheiligst mijn twistgeding beslecht; Terug gekeerd stout te veld 60 ten voor altoos volbragt? uw oogen. regt, A En, op uw' hoogen Hebt Gij troon gezeten, Deedt Gij, o Regter!' t vonnis weten. 5. Gij scholdt de heidnen keer op keer, En wierpt de goddeloozen neêr; Hunn' naam, hunn' roem hebt Gij vertreden, En uitgedelgd in eeuwigheden. 1. PAUZE. 1064 6. O vijand! hebt gij door uw magt' t VerwoesHebt gij de steden gansch bedorven? Is haar gedachtenis verstorven? 7. Neen, dwaas! uw hoop zal ras vergaan, ' S HEEREN troon zal eeuwig staan; Dien wilde Hij onwrikbaar stichten, Om naar het heilig regt te rigten. Maar 17 8. Hij zelf zal aan het wereldrond Het regt doen 2 hooHAL Vives MTATA 18 AV hooren uit zijn' mond; De volken voor zijn vierschaar stellen, * PSALM 9. 9. De HEER zal zijn een hoog vertrek Voor die geEn daar' t regtmatig vonnis vellen. trapt wordt op den nek; kend lijden, Een toevlugt in benaauwde tijden. 10. Hij, die uw naam in waarheid kent,- Zal, HEER! op U in zijn ellend' liet zuchten Een hoog vertrek in drukVertrouwen, wijl gij nooit Hen, die geloovig tot U vlugtten. 2. PAUZE. 11. Zingt, zingt den HEER, die eeuwig leeft, Die Zion tot zijn woning heeft; En laat voor aller volken ooren, Met psalmgezang, zijn daden hooren. 12. Hij zoekt en Hij gedenkt het bloed, Gestort in wrevlen overmoed: Hij toont der armen nood te weten, En zal hun kermen niet vergeten. 13. Bewijs, o HEER! uw' knecht genâ; Sla mij in mijn ellende gâ; Zie, hoe mijn haters mij verdrukken, Gij, die mij wilt den dood ontrukken. be 11 14. Opdat ik, HEER! U, blij te moe, In Zions En in uw heil, ten # allen tijde, Met Zions dochter mij verblijde. 15. De heidnen zijn, door waan misleid, Gestort in kuilen, mij bereid; Hun voet verwart zich in de Die z' in' t verborgen voor mij zetten. 3. PAUZE. ons poorten hulde doe, netten, CAVAVHURVA 16. Thans is de HEER bekend alom, Door regt te doen bij' t heidendom: banden, 17. De PSALM 9. 10 den ren naar de hel, 群 De goddelooze raakt in Verstrikt in' t werk van zijne handen. stoute zondaars zullen snel Te rugge keeMet al de godvergeten benDer heidnen, die zijn wetten schenden. 18. Nooddruftigen vergeet God niet, Noch laat hen eindloos in' t verdriet:' t Ellendig volk mag op Hem wachten; Hij zal hun hoop niet steeds verachten. 4 19. Sta op, o HEER! en laat den mensch Zich niet 19 versterken naar zijn' wensch; Maar oordeel Gij in ' t wraakgerigte, De heidnen voor uw aangezigte. 20. O HEER! jaag hun vervaardheid aan, En doe den 2* heiVATAVATAIRIAURORVAVAVAivivives TATA 20 眼 heidenen verstaan, Dat zij, Wiesbe wenschen, Geen goden zijn, maar broze menschen. PSALM 9, 10. haat, aarom, die Zions rampen PSALM 10. staan? Waarom verbergt Gij U; daar wij geBeangst, verschrikt, schier door den druk 0 HEER! blijft Gij van verre vergaan? De trotschaard, die godloos de deugd rot; versmaadt, Vervolgt uw volk in zijnen jammerstaat. Dat hen' t besluit, tot ons verderf genomen, In' t warnet breng', en schielijk om doe ko- men! 2. Want op zijn' wensch beroemt zich' t godloos Het zegent vast den gierigaard, en spreekt Tot laster van den allerhoogsten God; Terwijl ' t verwaand den neus om hooge steekt, En in zijn hart geen onderzoeking kweekt; Maar koestert deez' onzinnige gedachten: ,, Daar is geen E ,, God, geen loon noch straf te be wach- ten.' 3. Zijn handelwijs baart altijd smart op smart, Te En, Terwijl zijn 00g naar straf noch oordeel ziet; daar hij stout uw hoog gerigte tart, CAVAVAVA Blaast hij met smaad op al wie weerstand biedt, ,, niet, ,, te, 4. Zijn PSALM 10. En zegt in zijn gemoed: ,, ik wankel Terwijl ik van geslachte tot geslachOp mijnen weg, geen tegenspoeden wach- te." mond is vol van vloek, bedrog en list; Zijn tong bedekt de moeit' en' t zielsverdriet; In Zijn boosheid is met valschen schijn vernist; hinderlaag, daar niemands oog hem Verbergt hij zich, valt ijlings uit, vergiet Onschuldig bloed; hij weet van geen erbarmen, Maar sluit zijn oog voor' t bitter leed der ar- men. PAUZE. the by 5. Hij loert, en ziet, houdt zich in het donker schuil Gelijk een leeuw, die in zijn hol zich zet: E d' Ellendigen verrast hij uit zijn kuil; Hij heeft zijn' klaauw en tanden scherp gewet, En trekt zijn prooi in' t digt belommerd net; Hij 21 buigt UAIAIAIAIAIAIRVAVAVAVAJAJAUKORVAVA 22 EL buigt 6. Hij Valt d' arme bo geet' Nog op; VAHV zich, vleit zich, keer'; en PSALM 10. duikt, en jjlings toegeschoten, hoop hem Het aangezigt immer zie der dat Gij ziet het Bewijs, 0 HEER! d' ellendigen gena; toon, dat U hun smart ter harte ga: rouw, in de sterke poo- ten. 2 de Godheid dit ververberg', niet gadesla, armen nood en leed. En raad en hulp den armen te verschaffen. verhef uw hand, om hem te straffen, 7. Waarom ontrooit de lasteraar Gods eer? Wat vleit hij zich dat God het niet aanschouw'? toch, waar heen hij zich ook BeZie neêr in toorn op Sta Want Gij merkt op de moeite, smart Opdat men' t U in handen geven zou. Op U verlaat zich d' arme; zou hij vreezen? Verbreek hunn' arm; dat U Gij immers zijt een trouwe hulp der wee- zen. 8. Fnuik Gij, o HEER! der goddeloozen kracht; dit de booze ontaard ducht'! geslacht, Of CAVAVAVAVA Opdat het nooit uw streng gerigt ontvlugt', Maar ete van zijn werk de bittre vrucht. De Het PSALM 10, 11.1 9. O HEER! Gij wilt, door goedheid aangespoord, U Den wensch van uw zachtmoedig volk voldoen: be Gij zult hun hart versterken naar uw woord; dat HEER zal toch als koning eeuwig leven; Verdrukten door uw godlijk regt behoên, Niet 0 heidendom is uit zijn land verdre- ven. En ter hulp van arme weezen spoên; Opeen mensch, uit nietig stof geboren, voortga door geweld de rust te sto- ren. PSALM 11. 23 L p God alleen betrouw ik in mijn nooden; Hoe zegt gij trotsch tot mij in mijn verdriet: ,, Nu jlings ,, heen! nu naar' t gebergt' gevloden, Gelijk vol angst ,, een schuwe vogel vliedt!" Men ziet den boog door goddeloozen stellen; Men spant de pees, men schikt den *** pil, en schiet, Om onverwacht d' opregten neer te vellen. 2. Dus IVES 24 ELC 2. Dus wordt gewis, in' t veilig zamenleven, HVIV ' t regtvaardig voik misdreven? PSALM 11, 12. slag van' t vertrouwen omgerukt. Wat heeft het volk, HE wien al' t schepsel bukt, Ziet van zijn' troon oplettend naar beneden; Hij, die nooit duldt, dat d' onschuld wordt verdrukt, Proeft elks gedrag, zelfs met zijn oogenleden. KV 3. D' alwijze God beproeft wel eens d' opregten, En tuchDe grondMaar d' Opperheer, voor tigt hen: maar elk die' t kwaad bemint, Die het geweld zijn naaste durft bevechten, Blijft steeds gehaat, Hij, tot hem de wraak verslindt. God heeft alreeds der boozen 4. Regtvaardig is de HEER Slaat straf gezworen: Straks dalen vuur en strikken, wervelwind En zwavel neêr; die kelk is hun beschoren. die in' t regt zijn gunstig in al zijn' handel: PSALM 12. welbehagen vindt, ' t oog op aller vromen wandel. ehoud, o HEER! wil ons te hulpe komen, ' t volk ontbreekt, dat liefd' en vreê betracht, Daar De trouw MOHVAHURVAVA trouw bezwijkt, en' t klein getal der vromen Nog kleiner wordt in' t menschelijk geslacht. 2.' t Is al bedrog en valschheid, wat zij spreken; De Zij Glijdt van de tong als vloeijend oliebeken; 3. De spreken niet dan met een dubbel hart. HEER, die' t waar' van' t valsch' kan onderscheijen, En' s menschen hart, hoe listig ook, doorziet; Snij' spoedig af de lippen, die ons vleiDe trotsche tong, wier grootspraak elk verdriet. jen, vleijerij, een bron PSALM 12. ,, onze tong, 4. Die zeggen: ,, wij, wij zullen zegepralen Met ,, is ,, oppermagt zet van bittre smart, ,, Ven; de heer, zij staat in ons geweld; Wat ,, zucht, onze lippen palen; Wie 5. ,, Omdat mijn volk verwoest wordt en verdredie ons de wetten stelt? Omdat het kermt, nooddruftig treurt, en Zal Ik", zegt God, ,, Mij nu ter hulp bege» ven, En drijven, die hen aanblaast, op de vlugt." 6. Des HEEREN woord is rein, en al zijn spreken 25 HUAVE 26 ken ken, Nooit is het 7. Gij Hoe Is zult kracht: Schoon zuiver, ' t ga, H PSALM 12, 13. uw ' t snoodste schuim van' t zilver ZOO geweals het allerfijnst metaal; in den kroes gelouterd zevenmaal. 0 Uw arm zal hen in eeuwigheid behoeden, Voor dit verdraaid en wrevelig geslacht. volk, in bange tegenspoeden, 8. De booze keurt zich vrij van alle banden, HEER! bewaren door uw draaft rondom, terwijl hij' t land beroert; volk de En tot den top van En teugels krijgt in handen Daar PSALM 13. eer wordt opgevoerd. oe lang, 0 HEER, mijn toeverlaat! Vergeet Gij mijnen jammerstaat? Hoe lang zult Gij, in mijn ellenden, Van mij uw vriendlijk aanschijn wen- den, Daar al mijn moed en kracht vergaat? 2. Hoe lang zal ik, door tegenheên, vergeefs ontwerpen smeên; En vruchtloos schreijen gansche dagen? Hoe lang zal mij mijn vijUniv.- Bibl. Giessen and In' t hart MOHVAVARAMA and pla- gen, 8. Aanschouw mijn ramp, verhoor mij, HEER! zie op al mijn lijden neer; Verlicht, mijn God! En laat uw goedheid niet gedoo- gen, verlicht mijn oogen, in mijn PSALM 13, 14. beroe- me, En mij verachtelijk vertreên? 4. Opdat de vijand, die mij haat, Niet juich' verlaten noeme, 64 Dat mij de slaap des doods verteer'. bedrukten staat Ei! zang wij- den, Mij nooit van God Noch in mijn wanklen zich Dat mij hun overmagt verslaat. 5. Maar, in dit smartelijk verdriet, Mistrouwt mijn hart uw goedheid niet; Neen,' t zal zich in uw heil verblijden. Ik zal den HEER' mijn' lof☆ Die mij genadig bijstand biedt. PSALM 14. 27 e trotsche dwaas zegt in zijn boos gemoed: ,, Daar is geen God." zij dooven' t licht der rede, En maken zich, door gruwelijke zeden, Afschuwelijk; daar is geen mensch, die goed Op aarde doet. 2. De groote God, die' t regt verdedigt, sloeg Van' s hemels 28 mels troon zijn oogen naar beneden doorzocht hun AMAVAHVIV 6 PSALM 14. hart is vol ' t pad en zeden; geen mensch verstandig droeg, En naar Hem vroeg. 3. Hij zocht alom, maar ach! Hij vond' er geen', Want alle vleesch is trouwloos afgeweken; Het land van stinkende gebreken; der deugd betreên; Op Adams kroost, Hij zag, Ja Geen sterveling wil ELE 4. Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaân, En pijnigt hen met kennis? neen! thans durven die ontzinden of zich zelfs niet in zijn bedrukten jammerstaat, zigheid mijn volk als brood verslinden; Zij roepen, op hun god vergeten paân, arme volk, dat, midden in d' ellenden, één. Den HEER niet aan. 5. Daar valt de vrees hen aan, en breekt hun kracht, mels troon gewoon is' t oog te wenden, Geen Met guldoodelijke nepen; Zij worden door vervaardheid aangegrepen; Want God is bij' t regtvaardige geslacht, Dat op Hem wacht. # 6 ¢ 6. Gij spot vergeefs, beschimpende den raad Naar Van' t ' s heEn zich, Op God verlaat. 7. Och MOHVRUHURAH 7. Och daalde' t heil uit Zion spoedig neêr PSALM 14, 15. #bo Israël! Als God zijn volk uit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden, En Israël al juichend geven d' eer W PSALM 15. Voor onwaardeerbaar lot, ie zal verkeeren, groote God! In uwe tent? wien zult Gij kroonen Met zulk een legt, Aan zijnen Heer. toont van valsche streken, Dat hij, bij' t heuglijkst gunstgenot, Uw heilig Zion moog' bewonen? 2. Die in zijn' wandel zich opregt En wars beZijn aandacht aan uw wetten hecht, Zich op de deugd met ijver 29 En waarheid met zijn hart blijft spreken. 3. Die met zijn tong niet achterklapt; Geen kwaad doet aan zijn medgezellen; Niet in het spoor vau laster stapt; Maar, zoo men iemands eer vertrapt, Dien smaad wil hooren noch vertellen. 4. Wiens oog verworpenen veracht, Maar hen eerbiedigt, die God vreezen; Die zich voor roekloos zwe TATATA 30 VANVE # PSALM 15, 16.¹ zweren wacht, Doch' t geen hij zweert getrouw betracht, Al zou' t hem ook tot schade wezen. 5. Die nooit zijn geld op woeker geeft; Die, d'onschuld en het regt genegen, Het oog op geen geschenken heeft: Wie dus opregt en deugdzaam leeft, Zal nimmer wanklen op zijn wegen. PSALM 16. ewaar mij toch, o alvermogend God! trouw op U; schenk hulp, verhoor mijn ' k Beken. 0 mijne ziel! ge hebt vrijmoedig tot Uw' smeeGod en HEER, uw' Bondgod, durven spreken: Gij zijt de Heer, ik zal U nooit verzaken, Ofschoon tot U mijn goedheid niet kan raken. 2. Maar' t heilig volk, dat op deez' aarde leeft, ' k Zal op Dat heerlijk volk mijn lust, ontvangt al' t > voordeel. De snoode schaar, die rijke giften geeft Aan andre goôn, verzwaart de smart in' t oordeel: ' t altaar hun offerbloed niet plengen Noch OHVACHIR # Noch ooit hunn' naam op mijne lippen brengen. 3. Getrouwe HEER! Gij wilt mijn goed, mijn God Mijn erfenis en' t deel mijns bekers wezen; Gij Gij, ZOO mild, PSALM 16. onderhoudt gestaag het heuglijk lot, Dat schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren: 0 heerlijk erf! gij kunt mijn ziel vervoeren. PAUZE. 4. Ik zal den HEER, die mij getrouwen raad Gegeven heeft, met psalmgezangen prijzen, ' t godlijk licht mij toestraalt vroeg en laat, #T Mijn nieren zelfs bij nacht mij onderwijzen. Zijn voor mij hebt uitgelezen. De Ik stel den HEER gedurig mij voor oogen: nen; regterhand zal nooit mijn' val gedoogen. 5. Daarom heeft zich mijn kwijnend hart verblijd; ten spijt nen. Daar Mijn tong, mijn eer, zingt godgewijde tooOok zal mijn vleesch, thans afgesloofd, Des vijands, in den grafkuil zeker woGii zult mijn ziel niet in de hel vergeten: RUHURLA AIRTAUKVAVAVAVIVAVINGS 32 FO ten; Uw Heilge zal van geen verderving weten. PSALM 16, 17. 6. Gij maakt eerlang mij' t levenspad bekend, Waarvan, in druk,' t vooruitzigt mij verheugde, Uw aangezigt, in gunst tot mij gewend, verzadiging van vreugde; De lieflijkheên van' t zalig hemelleven Zal eeuwiglijk uw regterhand mij geven. smet. LIV Schenkt mij in' t kort voor in PSALM 17. schrei en goede zaak te hooren:' k Vermoei met geen bedrog uw ooren; Dat heeft mijn lippen niet beVergun mij dan mijn klagt t' ontvouwen: Laat ehaag' U, HEER! naar mijn gebed, uw heillg aangezigt, Mijn regt gesteld zijn het licht; Uw oog de billijkheid aanschouwen. 2. Gij toetstet mij bij dag en nacht; Gij vondt mij trouw, in vreugd of smarte; Ik heb voor zijn afschuwlijk De mond sprak steeds de taal van' t harte; Door beiden is hun pligt betracht. Wat ook de zondaar aan moog' vangen, * F Een' aat, een' AVAUHAVA L af keer opgevat! Ik gruw van zijn verkeerde gangen. PSALM 17. 3. Ik zet mijn treden in uw spoor, Opdat mijn voet niet uit zou glijden; Wil mij voor struikelen bevrijden, En ga mij met uw heillicht voor. Ik roep. U aan,' k blijf op U wachten, Omdat G' 0 God 1 mij altoos redt; Ai luister dan naar mijn gebed, En neig uw' ooren tot mijn klagten. PAUZE. 4. Maak uwe weldaân wonderbaar, Gij, die uw kindren wilt behoeden Voor' s vijands magt en vreeslijk woeden, 33 En hen beschermt in' t grootst gevaar. Wil mij uw' bijstand niet onttrekken: Uw zorg beF Bewaar m' als d' appel van het oog: Wil mij met uwe vleuglen dekken. waak' mij van omhoog; bespringen, 5. Zoo zoeken mij vergeefs, God I De boozen, die mij fier omringen, Mijn haters, die mij stout En juichen om mijn naadrend lot. Hun mond Zij zijn met vet als overtogen; T is vol van hoovaardij; Hun list en magt om3 sinKORVAURVIVAVIVO 34 singlen mij; E 6. Geen leeuw is heeter op de jagt; PSALM 16, 17. leeuw kan, in zijn kuilen, Zij duiken, loerend met hun oogen. 0 HEER! ontschuilen, Dan hij, die mij ter prooi verwacht. Beschaam het aangezigt dier boozen: Uw grimmigMet meerder list het oog heid vell' hen ter neêr; Bevrijd mij met uw zwaard, Geen jonge 7. Red mij van hen, die' t ruim genot Van' t snood geweld der goddeloozen. voor hun heilgoed achten; Geen deel, dan in dit leven, wachten, En maken van den buik hunn' aanschouwen, God; Van hen, die weelde, schatten, staten, NES Der wereld rijk, hoe uitgebreid, hoe groot, Verliezen moeten ontwaakt, uw lof ontvouwen, met den dood, En hunnen kindren overlaten. 8. Maar( blij vooruitzigt dat mij streelt!) Ik zal, Hoe PSALM 18. U in geregtigheid Verzadigd met uw goddlijk beeld. u zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnel CAVAVAVAVAH nen, O God, mijn sterkt'! U hartelijk beminnen. steenrots, burg en helper is de HEER, E Mijn God, mijn rots, mijn zaligheid, mijn eer. 1.' k Betrouw op God; Hij is mijn schild in' t strijden, De hoorn mijns heils, mijn hoog vertrek Mijn harp vermeld, in lijden:' k Aanriep den HEER, wiens lof mijn PSALM 18. boos geweld. De dood bragt mij, geboeid, in den, HUAVA nare streken, Bij Belials verschrikkelijke beken: den; Een helsche band was om mijn heup gehecht, En door den dood mij strik op strik gelegd. 2.' k Riep tot den HEER, in' t midden dier ellenTot mijnen God, opdat Hij hulp zou zen* Mijn klaagstem drong tot in zijn troonzaal door; En werd veriost van' s vijands Beroerd, Aan mijn geroep gaf Hij in gunst 4 gehoor. Toen beefde d' aard' al golvend als de ba> 35 ren; Het hoog gebergt' werd op zijn grondpilaren geschokt, gerukt uit zijn gewricht, Door' t vreeslijk vuur van Gods ontvlamd gezigt. 3. Een 3 36 E 3. Een dikke rook ging op, # 5 Vi Uit zijnen neus; het vuur zijns monds verteerde, Stak kolen aan, en wat Hem tegenstond; Hij boog het zwerk, en daalde neêr; de grond, Waarop Hij trad, was, PSALM 18. Gansch zwart, door Hij 4. In en Zijn wagen was een Cherub; ja gezwind waar Hij zich keerde, gar vloog op in het oog der volken, digtopeengepakte wolken; den van vleuglen 1. PAUZE. zijn stem, Voer wind. zijne tent, rondom Hem ZOO vol luister Hield Hij zich schuil, verborg zich in het duister, Door wolk op wolk, met kracht te zaâm geprest, En opgehoopt, in' t bruine luchtgewest. Zijn gloed ontbond der wolken vaste banden; Toen daalden vuur en hagel op de landen; De donder klonk door gansch den hemel heen; $ viel en' t vuur God naar beneên. 5. Hij deed vol kracht hen voor zijn pijlen zwichten, Verschrikte hen door bliksemschicht op schichten. D ORVAUHRIRVA De diepste kolk droogd' op een oogenblik, En ' t hart der aard' ontblootte zich van schrik, Wanneer Gij scholdt; uw adem, fel ontstoken, Deed dus, 0 HEER! en land en water rooPSALM 18. ken. Hij zond mij hulp; Hij nam mij, op mijn bee, E 6. Ik werd verlost van' s vijands legerscharen, En ' s haters hand, wijl zij te magtig waren. Men En trok mij uit een groote jammerzee. viel mij aan ten dage van mijn smart; Maar toen was God het steunsel van mijn hart: Hij £ trok mij uit, en bragt m' in ruimer wegen; Want Hij had lust aan mij, zijn' knecht, gekregen: En De HEER vergold mijn onschuld naar het regt, deld, deld: 7. Want' S HEEREN weg heb ik getrouw bewanschonk mij' t loon, den reinen toegezegd. En niet godloos met mijnen God gehanIk hield gestaag zijn regten in het oog, Terwijl zijn wet mijn ziel tot deugd bewoog. 37 lk STATAT 38 Ik Ik werd opregt en zorgvuldig van mijn zonden; Dies liet mij God ook naar mijn regt geschiên, En heeft in wachtte 8. Hun zijt Gij mij houdt U rein PSALM 18. 9. Ik goed, Opregt bij hen, die in opregtheid wandlen; Gij bij hen, die rein zijn; maar E vroom bij Hem bevonden; Verkeerden toont gij U een' gunst mijn onschuld aangezien. 2. PAUZE. Gij verlost het volk, door druk gebogen; Ive die goedertieren handlen; men; worstelaar; werpt ter neêr, die groot zijn in hun oogen. Door U, 0 HEER! geeft mijne lamp haar licht; Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezigt. Met mijnen God zelfs over HEEREN weg is gansch Want kan met U door sterke benden dringen, Maar muren springen. Des en volmaakt regt; Doorlouterd, rein en trouw al wat Hij zegt. Hij is een schild en schutsheer voor den vroVoor die tot Hem de toevlugt heeft geno MORVAUHURAH nomen. heen? EL Hij Wie is Wie is doet 10.' t Is God, die mij met sterkte wil omgorden; E baar' arm mijn' weg volkomen Maakt, dat mijn voet als die der hinden snelt, PSALM 18. Terwijl Hij mij op mijne hoogten stelt, een God als Hij in tegenMijn gang een rots dan onze God alleen? leert mijn hand heldhaftig oorelogen; Mijn strijdMijn spies UHUR effen Zoo dat zij gaaft G' uw schild; uw hand heeft mij gesterkt; En mijnen Uw goedheid heeft mijn grootheid uitgewerkt. 11. Mijn' voet hebt Gij doen in de ruimte treden; werd vast, ik ben niet uitgegleden; worden, verbreekt zelfs stalen bogen. Mij De vijand week; ik volgd', en trof hem aan, Hij En keerde niet, tot ik hem had verdaan; -op doorstak al wie mij tegenstonden, hun voet zich niet weer herstellen konden, Dus zag ik door uw' bijstand hen verplet, den nek gezet. 39 3. PAUAR OROAVAVAVĪVAIVIVEN TA 40 12. Gij hebt mij, Heer! met kracht omgordt tot strijMijn vijand moest, vernederd, straffen lijden, den; Hij vlood vol schriks, wijl hij geen kracht Mijn hater werd door mijne hand verZij riepen wel, maar zonder hulp te krijZelfs tot den HEER, maar Hij vond goed te Toen heb ik hen als stof vergruisd, verjaagd, En als het slijk der straten weggevaagd. hehield; nield. gen, E zwijgen, PSALM 18. 3. PAUZE. 13. Gij hebt mij uit den twist des volks verheven, En tot een hoofd den heidenen gegeven: volk, mij onbekend, de wet: Zoo werd op mijn' wil gelet; vol schrik naar d' oogen; 14. Zoo leeft de Ik stelde' t ras ik sprak, wezen; De vreemde zelfs zag mij veinsdlijk neergebogen: Zij vielen neer; zij sidderLag voor mijn' troon geden van schrik In burg en slot, op ieder oogenblik. HEER; mijn rotssteen zij geprezen; De God mijns heils moet' steeds verheerlijkt Die Ged, die mij volkomen wraak verschaft, MOHORVHIK schaft, PSALM 18, 19. En volk op volk mij onderwerpt en straft; Die mij verlost uit mijns vervolgers handen; A G'op Die mij verhoogt, mijn' vijand slaat in banden: Ja, Gij verhoogt mij boven al' t geweld, den troon van roem en eer mij stelt. 15. Daarom, 0 HEER! zal ik U eer bewijzen; Bij' t heidendom uw' naam eerbiedig prijzen Met psalmgezang, daar' t hart door wordt geraakt. Hij heeft het heil zijns Konings groot gemaakt; Hij wil zijn gunst aan zijn' Gezalfde schenken: Aan David en zijn nakroost PSALM 19. *** et ruime hemelrond Gods eer en heerlijkheid: 5 Daar Zijn wonderen verhalen: . eeuwig Zijn onbegrensde magt denken. Vertelt, met blijden mond, Verkondigen zijn werk, En prijzen zijn beleid. Dus VI kan ons dag bij dag, De heldre lucht en' t zwerk Tot roem van Gods gezag Dus weet ons nacht bij nacht En wijsheid af te malen. 2. Hoe RAVAL 42 2. Hoe goddelijk en schoon bekend, MANAVIMA Daar is geen spraak of oord, Daar IS tig, ZOO wijd verspreid, lem stem niet hoort. Hun evenredigheid E Dat, zelfs tot' s werelds end, PSALM 19. eens Scheppers toont, Luidt deze hemeltoon! Dat z' al wat d' aard' bewoont, Het merk uit zijn slaapzaal treedt. Die in' t bestemde veld schen hemel door: 3. God heeft voor' t groote licht, De zon, een tent gesticht, Van waar z', in' t blinkend kleed, Hun rede klinkt zoo krachmet een blij gelaat, Gelijk een bruigom gaat, eeuwig zeker is, geen volk bevel ons zegt, Der heemZoo gunstrijk als almagtig. blijken; Zij heeft haar' zwaai en spoor Heeft zich Z' is vrolijk als een held, Zijn vuur en vaart doet En slechten wijsheid leert. Dewijl zij' t hart bekeert:' t Is Gods getuigenis Vertoont ons' t hei En 4. Des HEEREN wet nogtans Verspreidt volmaakter glans, regt, Die Niets kan haar' gloed ontwijken. PAUZE. Den ganDat Wat Gods En kan geen PSALM 19. geen kwaad gedoogen: Zijn wil, die' t hart verheugt, Eischt zuiverheid en deugd; Verlicht de duister' oogen. 5. Des HEEREN vrees is rein; Zij opent een fontein Van heil, dat nooit vergaat. Zijn dierbre leer verspreidt Een' straal van billijkheid, waarheid haat. Z' is' t menschdom Dan' t fijnste goud op aard'; Niets kan haar' glans verdooven: Zij streeft in heilzaam zoet, Tot streeling van' t gemoed, Den honig ver te boven. 6. Dus krijg ik van mijn' pligt, O God! een klaar berigt. Wat is' t vooruitzigt schoon! Hij, die Daar z' all' onmeerder waard, op U vertrouwt, Uw wetten onderhoudt, Vindt reinig mijn gemoed daarin grooten loon. Maar, Heer! wie is de man, Die, op' t naauwkeurigst, kan Zijn dwalingen doorgronden? 0 Bron van' t hoogste goed! 7. Weerhoud, 0 Heer! die in mij niet meer, Wasch, Van mijn verborgen zonden. uw' knecht, Dat hij zijn hart niet hecht' Aan dwaze hoovaardij: Heerscht 43 Dan leef ik tot uw eer, Van 44 mond, Van groote zonden vrij, lijk AVIVAL rots en de wezen; PSALM 19, 20. En' s harten diepsten grond 740 Laat VAVANA VANA U mijn tong en PSALM 20. Toch welbehaag0 HEER, die mij verblijdt, Mijn losser zijt! Dan heb ik niets te vreezen. at op uw klagt de hemei scheure! Dat zich HEER ontdekk'! De God van vader Jakob beure U in een hoog vertrek! rijk welbehagen, Uit Zions tempelzalen, Om U te helpen en te schragen, Zijn' zegen nederdalen 2. Hij will' uw offerspijs gedenken! De hemelviam verHij doe in gunstteer' Wat g' op het brandaltaar zult schenken, Tot ' s Allerhoogsten eer! Hij geev' u, naar uw' wensch, t' ontvangen Geluk in al uw daden! Zijn gunst bestier', naar uw verlangen, Al wat gij moogt beraden 8. Dan zal' t gejuích ten hemel dringen, Dan zullen wij Gods eer, Bij opgestoken vaandels, zingen: Uw wensch vervull' de HEER!' k Weet nu, dat Gods gezalfden den Koning Geen heilgoed zal ontbreken; Want God zal, uit zijn hemelwoning, Hem sterken op zijn smeeken. # 64 4. Op wagens, paarden, en op helden, Zij onze vijand stout; Wij zullen d'eer en grootheid melden Van God! PSALM 20, 21. die ons behoudt; Zij zijn gekromd, ter neer gestooten, Van moed beroofd en krachten; Maar wij, wij hebben' t heil genoten, Waarop ons God deed wachten. LO 5. Behoud, 0 HEER! wil bijstand zenden, Verlos, als bewaar, verschoon: Die Koning hoor' w' in ellenden Aanbidden voor zijn' troon. PSALM 21. HEER! de Koning is verheugd Om uw geducht vermogen: Uw heil zweeft hem voor d' oogen: En met wat blijde zielevreugd Zal hij, door al uw daân Verrukt, ten rije gaan! 2. Wat hij U smeekt' uit' s harten grond En al zijn rein verlangen Hebt Gij hem doen ontvangen: Ook hebt Gij d' uitspraak van zijn' mond, Al wat 45 46 MAANAN # 100 PSALM 21. wat hij heeft begeerd, Geweigerd, noch geweerd. 3. Gij, die hem gunstig hebt gered, Zijt hem, met ¡ Vix volle stroomen Van zegen, voorgekomen; Ook hebt Gij hem op' t hoofd gezet, Hem, die op U betrouwt, Een kroon van' t fijnste goud. 4. Hij heeft, o God! van U begeerd Het onverganklijk leven; Gij hebt het hem gegeven. Zoo zijn de dagen hem vermeerd; leeft de Vorst altoos; heil aan hem bewezen? Zoo Zoo leeft hij eindeloos! 5. Hoe groot en schittrend is zijn eer, Door' t Hoe is zijn roem geE rezen, O alvermogend' Opperheer! Wat glans, wat majesteit Hebt Gij dien Vorst bereid! 6. Gewis! Gij zult, all' eeuwen door, Hem met uw gunst verzellen, En tot een' zegen stellen; Ja, Gij geleidt hem op het spoor Der vreugde, bij het licht Van' t goddlijk aangezigt. 7. De Koning rust op uwe trouw, eeuwig Opper perwezen! Uw goedheid! nooit volprezen, Duldt niet, dat hij ooit wanklen zou: PSALM 21. * lerhoogste zal Hemhoeden voor den val. PAUZE. 8. Uw sterke hand zal onverwacht Al uwe haters regterhand zal vinden; Uw wraak zal hen verslinden; $ eens met kracht, len en verslaan Neen d' Al100 Uw VernieHen, die uw rijk weerstaan. 9. Dan doet uw toornig aangezigt Hen, als een oven, rooken, Door' t heetste vuur ontstoken; Dan wordt, in' s HEEREN strafgerigt, De gloed, die hen verteert, Met vlam op vlam vermeerd. loos kwaad besloten; 10. De vruchten van hun huwlijksbed Zult Gij van # d' aard' verderven, En doen door rampen sterven; Tot dat men, waar men zoek' of lett', Geen nakroost meer bespeurt, Dat hunnen dood betreurt. 11. Want tegen U heeft dit geslacht Een godEn, met zijn bondgenoo47 ten, 48 E ten, Een schandelijke daad bedacht: dat listig woen PSALM 21, 22. 12. Want uw alziend en toornig oog Zal leed noch hinder doen. verderf gerigt, En doen ze, van uw' stalen boog, doelwit zetten; Gij zult uw pijlen wetten, Hun vliegen 13. Verhoog, o HEER! uw' zal ons vrolijk zingen Doch al ons, nog eeuwen lang, Zal hen ten Tot hun naam en kracht; PSALM 22. ' t in dringen: Zoo wordt uw heerschappij en magt gezigt. Door lucht en wolken Geloofd met Psalmgezang. Zoo ijn God! mijn God! waarom verlaat Gij mij, Door woord niet;' t Zij ik des nachts moog' kermen, geen rust, ook vind ik geen ontfermen 2.' k Erken nogtans, Gij, Gij zijt heilig, Heer! En En brullend redt mij niet, terwijl ik zwoeg en strij', klaag in d'angsten, die ik lij', Dus fel geslagen?' t Zij ik, mijn God! bij dag moog' bitter klagen, Gij antIk heb In mijn verdriet. En hebt uw aan; PSALM 22. uw huis, den zetel uwer eer, Bij Isrel, daar uw lof klinkt keer op keer, In gunst doen bouwen. Op U stond vast der vaderen betrouwen; Gij zaagt hen Gij hebt, wanneer z' in nooden Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden, Hen bijgestaan. 3. U smeekten zij, van menschenhulp ontbloot, En zijn gered; zij hebben in hunn' nood Op U vertrouwd, van schaamte nimmer rood, Na hun gebeden. Maar ik man, ik ben een worm, van elk vertreden; Een worm, geen Een spot en smaad van menschen, Wien' t booze volk, naar zijn baldadig wenschen, Beschimpen kan. 1. PAUZE. 49 4. Al wie mij ziet bespot mij boos te moê; Men schudt den kop, men steekt de lip mij toe. Daar ik' t gebed tot God vertrouwend doe, Moet ik nog hooren: » God, op wien hij steunt, hem gunstig' ooren Verleen' > hem redd', Dat die nu hulp doe komen, En hem f in wien Hij heeft zijn' lust genomen, >> Dat In ruimte zett'." 5. Gij immers, Heer! Gij zijt het, door wiens magt Ik VALAIATAL 50 Ik uit Vi den buik ganscher harte. lijks barens smarte ' s moeders borst vertrouwd' ik op PSALM 22. weleer ben voortgebragt; ' t licht aanschouwen, verwoed, grond van mijn vertrouwen! Zij wierp mij reeds op U, in Gansch onbevreesd;' k Mogt naauw$ Gij, Gij zijt, o * Of uw kracht als waatren op den grond, Een stierenheir uit Bazan, sterk van krachten, # Omringt m' aan alle zijden: Mijn God geweest. 6. Wees dan mijn hulp; houd U niet ver van mij; prangt de nood, benaauwdheid is nabij; U, daar ik zoo bitter lij', Geen hulp te wachten. zwaar, hoe smartlijk valt dit lijden 7. Zij rukken aan, met opgesperden mond, leeuw, al brullend in het rond. Aan Van beendren zijn in mij van $ uur; Wat hitte doet mij branden! ' k Heb buiten Mij Mijn God, Die zich verspreiden. En fel Voor mijn gemoed! hoe Gelijk een en smelt in d' ingewanden, Als was voor Ik vloei daar heen een gescheiden. O doodlijk Mijn Mijn hart is week ' t vuur. 2. PAU 8. Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd; Mijn tong kleeft in mijn' mond, door dorst gekloofd; Gij zult eerlang mij, door den dood, het hoofd In' t stof doen bukken: PSALM 22. 2. PAUZE. rondom zie' k honden zamenrukken. Want van span heeft mij ter prooi verkoren, Mijn handen en mijn voeten doen doorboren, Zoo fel het kan. Een muitge9. Mijn beendren kan ik tellen één voor één; Hun boos in' t kwaad, gezigt beschouwt dit wel te vreen: Z' ontzien zich keert, niet, om met mijn tegenheên Hunn' geest te streelen, En onder zich mijn kleedren te verdeelen. Verhard Kan hun geen spel verdrieten; Zij werpen' t lot, wat ieder zal genieten Van mijn gewaad. 10. Maar Gij, o HEER! tot wien mijn ziel zich Sta niet 51 van ver, mijn God, die' t al regeert! Ai! haast U toch ter hulp; ik word verteerd Door al d' ellenden! Red mijne ziel van' t zwaard dier booze benden, Die schriklijk woen; Ai!' red haar 52 KARNAVANVANA haar uit hun handen, geweld des honds, wiens tanden Haar siddren doen. PSALM 22. 11. Verlos mij van den leeuw die Verhoor mij, Heer! en red mij van' t gediert', Dat, sterk van hoorn, rondom mij henen zwiert; Mij staat naar' t leven; Mijn' broederen bij Daar z' eenzaam ducht' t door mij met roem verheven; al uw vertellen; woedt en tiert; Dan wordt uw naam medgezellen, 3. PAUZE. ' k Zal uwen lof ' k Heb, in uw huis, Dan prijzens stof. 12. Gij, die God vreest, gij allen prijst den HEER; # Dat Jacobs zaad zijn' grooten naam vereer': Ontzie Hem toch, 0 Israël! en leer Vertrouwend wachten. Wie mij veracht', God wou mij niet verachten, Noch oor noch oog Van mijn verdrukking wenden; Maar heeft # verhoord, wanneer ik uit ellenden Riep naar omhoog. 13. Ik loof eerlang U in een groote schaar, wat ik U beloofd' in' t heetst gevaar, En, Betaal ik op het heilig dankaltaar, Bij die U vreezen. ' t Zachtmoe PSALM 22. moedig volk zal rijk verzadigd wezen, Ten disch geleid. Wie God zoekt, zal Hem prijzen. Zoo leev' uw hart, door' s hemelsch gunstbewijzen, In eeuwigheid! 14. Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond; Haast wendt het zich tot God met hart en mond; men ooit de wildste volken vond, Zal God ontvanEn, waar gen Aanbidding, eer en dankbre lofgezangen: Want Hij regeert, En zal zijn almagt toonen; Hij heerscht, zoo ver de blindste heidnen wonen, Tot Hem bekeerd. 15. Wie vet is eet, en knielt voor Isrels Heer; Wie' t stof bewoont, bukt mede voor Hem neêr; En wie zijn ziel bij' t leven nu niet meer Heeft kunnen houden. Het vrome zaad van die op God betrouwden Zal, door zijn kracht, Hem dienen; voor Hem leven: Het zal 16. Zij komen aan, den Heer eens worden aangeschreven In' t nageslacht. $$ door godlijk licht geleid, Om ' t nakroost, dat den Heer wordt toebereid, melden' t heil van zijn geregtigheid 53 Te En groote daden. PSALM 54 D INAVINA e God des heils wil mij ten herder wezen;' k Heb geen gebrek,' k heb geen gevaar te vreezen. Hij zal mij zacht, in liefelijke we den, Aan d' oevers van zeer stille waatren leiden. Hij sterkt mijn ziel, rigt, om zijn' PSALM 23, 24 PSALM 23. naam, mijn treden In' t effen spoor van zijn geregtigheden. 2. Ik vrees niet, neen; schoon ik door duistre dalen In doodsgevaar, bekommerd om moet dwalen, Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden: Uw stok en staf Gij troost mijn ziel, en rigt, in mededoogen, De tafel aan, voor mijner haatren oogen. 3. Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap zal mij altoos behoeden; groeijen, A En van uw heil mijn' beker overvloeijen. Het zalig goed, mij door uw gunst gegeven, Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven Zoo dat ik in het heilig huis des HEEREN, Een lange reeks van dagen, blijv' PSALM 24. d' aard' en alles wat zij geeft, verkeeren. Met al wat PSALM 24. wat zich beweegt en leeft, Zijn' t wettig eigendom des HEEREN. Hij heeft z', in haren ochtendstond, Op ongemeten zeën gegrond, Doorsneden met rivier en meren. 2. Wie klimt den berg des HEEREN op? Wie zal dien godgewijden top, Voor' t oog van Zions God, betreden? De man, die, rein van hart en hand, Zich niet aan ijdelheid verpandt, En geen bedrog pleegt in zijn eeden. 3. Die zal, door' s HEEREN gunst geleid, En zegen en geregby tigheid Van God, den God zijns heils ontvangen. Dit' s Jakob, dit is' t vroom geslacht, Dat naar God vraagt, zijn wet betracht, En zoekt zijn aanschijn met verlangen. 4. Verhoogt, o poorten! nu den boog; Rijst, eeuwge deuren! rijst omhoog; Opdat de Koning in moog' rijden. 鞋 Wie is die Vorst, zoo groot in eer?' t Is God, d'almagtig' Opperheer;' t Is God, geweldig in het strijden. 5. Verhoogt, o poorten! nu den boog; Rijst, eeuwge deuren! 69 rijst omhoog; Opdat g'uw' Koning moogt ontvangen. Wie is die Vorst, zoo groot in kracht P' t Is' t Hoofd van 55 56 van' s hemels legermagt; Hem eeren wij met lofgezangen. Gij H ef mijn ziel, o God der goden! PSALM 24, 25. die de deugd, PSALM 25. zijt mijn God; zijn in nooden; Weer van mij toch schaamt' en spot. wendt. Dat mijn vijand nooit van vreugd Om mij opspring'; die U wachten Dekt nooit schaamt', maar ' k Heb gelegen, 2. HEER, ai! maak mij uwe wegen, woord en Geest, bekend; Leer op U vertrouwd Zonder oorzaak, stout verachten. Tot U op: mij uw wet betrachten; En waar heen G' uw Door uw mij, hoe die 3. Denk aan' t vaderlijk meedoogen, Leid mij in uw waarheid; leer IJvrig treden Want Gij zijt mijn heil, 0 Heer!' k Blijf U al den dag verwachten. HEER! waarop ik biddend pleit; Milde handen, vriendlijk' oogen Zijn bij U van eeuwigheid. Sla de zonden nimmer gâ, Die mijn jongheid heeft bedreven; Denk aan mij mij toch in genâ, Om uw goedheid eer te geven. 4.' SHEEREN goedheid kent geen palen; God is regt, dus zal Hij door Onderwijzing hen, die dwalen, Brengen in het regte spoor; Hij zal leiden' t zacht gemoed In het effen regt des Heeren: Wie Hem Zal van Hem zijn wegen leeren. PAUZE. needrig valt te voet, PSALM 25. 5. Loutre goedheid, liefdekoorden, den, HEEREN paân Hun, die zijn verbond en woorAls hun schatten, gadeslaan. Wil mij, uwen Al mijn euveldaân vergeven; Ik heb naam ter eer, tegen U, o HEER! Waarheid, zijn des Zwaar en menigmaal misdreven. 6. Wie heeft lust den HEER te vreezen,' t Allerhoogst en eeuwig goed? God zal zelf zijn leidsman wezen; Leeren, hoe hij wandlen moet;' t Goed, dat 57 nimmermeer vergaat, Zal hij ongestoord verwerven, En zijn godgeheiligd zaad Zal' t gezegend aardrijk erven. 7. Gods verborgen' omgang vinden Zielen, daar zijn vrees in woont;' t Heilgeheim wordt aan zijn vrinden, Naar 58 Naar zijn vreêverbond, getoond. D' oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten; Hij, die trouw is, zal mijn' voet Voeren uit der boozen netten. PSALM 25. 8. Zie op mij in gunst van boven; dig, Heer! Eenzaam ben ik en verschoven, smart; lende drukt mij neêr.' k Roep U aan in angst en Duizend zorgen, Wees mij toch genaVast vermeert van teloos mijn' val, Ja d' elduizend dooden angstvallig hart; Voer mij uit mijn' angst en nooden. 9. Sla op mijn ellenden d' oogen; Zie mijn moeite, mijn verdriet; Neem mijn zonden, uit meêdoogen, Gunstig weg, gedenk die niet. Zie mijn haters, daar' t getal Kwellen mijn die mij vloeken, En die rusHeet en wrevelmoedig zoeken. 10. Hoed mijn ziel, en red z' uit nooden; Maak mij niet beschaamd, o Heer! Want ik kom tot U gevloden; Laat d'opregtheid meer en meer, Met de vroomheid, mij behoên;' k Wacht op U in mijn ellenden. Laat uw hand in tegenspoen Israël verlossing zender PSALM uw knecht, lk blijf op steen, ELC HEER! doe Gij mij regt; Ik wandel als En vind mijn' lust in uw gebod. langen, PSALM 26. PSALM 26. 2. Beproef vrij, van omhoog, Mijn hart, dat voor U betrouwen; Op U, mijn rotsuw oog, Alwetende! steeds open lag. Doorzoek 野 bouwen; Ik zal niet wanklen, groote God. mij; toets mijn gangen; D En stel mijn E 3. Uw goedertierenheid, Is t' allen tijd' yoor opregt van handel, dekken, Doorgrond al mijn veroogmerk in den dag. Die zich alom verspreidt, mijn gezigt. Daar' k in huichlaars, die hun vlekken Ik houd, heid wandel, Mijn schreden naar uw wet gerigt. 4. Hij, die, vol' ijdelheid, Een spoorloos leven leidt, Wordt met mijn vriendschap niet vereerd uw waarEn Schijnheiliglijk beZijn van mijn' omgang ver geweerd. 5. Mijn hart verfoeit en haat kwaad, Bij wie ik mijnen voet niet zet. De werkers van het Ik 59 zit NATATATATATATA 60 zit bij geen der boozen. ne hand. HEER! 步 。 6. Ik wasch, aan U verpand, jesteit! PSALM 26. Zoo word ik niet door hen besmet. PAUZE. gunstbewijzen, godloozen;' k Ontwijk de plaats voor uw altaren, En U met offergaven eer. Door Daar zal mijn L Wanneer ik, met uw scharen, Verschijn 7. Daar wordt uw lof verbreid, 0 Oppermavoor U kniel Mijn hart springt in mij op, 0 Vivor In onschuld mijmij, die U bemin en acht; $ stem U prijzen, Voor al de 8. Wat blijdschap smaakt mijn ziel, Wanneer ik Voor al de wondren uwer magt. In' t huis dat Gij U hebt ge9 sticht! Hoe lief heb ik uw woning, De tent, o Hemelkoning! Die G', U ter eer, hebt opgerigt. 9. Wanneer G' uw' arm verheft; Den snooden zondaar leven, Als Gij den man treft, Wees Gij dan, Heer! mijn toeverlaat; Doe mij met hem niet sneven; O neen! behoed mijn des bloeds verslaat. 10. Doe 10. Doe mij niet mee vergaan Met hen, die U weêrstaan, Die trouw en pligt verachten, En' t regt om goud verkrachten, Als d' onschuld om bescherming smeekt.. knecht 11. Maar ik, ik ben opregt; 5 ken; Le PSALM 26, 27. mij in gunst gedenken, Mij uw genade schenbaan. Hem Wier hart steeds schandlijk misdrijf kweekt; 12. Nu stap ik rustig aan: zen? nood; Van' t ongeval, dat hem genaakt. Wil wezen: Zoo wordt door Verlos dan uwen met blijde klanken mijn heil volmaakt. EX ' k Betreed een effen Mijn God verhoort nu mijn gebed.' k Zal danken; Wanneer zijn gunst mij heeft gered. In zijn vergad'ring PSALM 27. od is mijn licht, mijn heil, wien zou ik vreeHij is de HEER, die hulp verschaft in Mijn levenskracht;' k heb niet vervaard te Hij is' t, die mij beveiligt voor den dood. Wanneer de magt der boozen sloeg aan' t woen En 02 VVVVVVV En aanrukt', om Stiet Den zelf dit PSALM 27. zich met mijn vleesch te voên rot, voet, en viel; om dat het God verlaat. 2. Al zie ik zelfs een leger mij omringen, Nog vrees dat mij benaauwt en haat, * ik niet;' k verlaat mij op den Heer: Al wil men mij begeerd van God, mijn zalig lot: door eenen oorlog dwingen,' k Leg mij gerust hierop vertrouwend, neêr. Deez' ééne zaak heb ik Daar zoek ik naar, dit zij Dat ik, zoo lang mij' t levenslicht bescheen, In' SHEEREN huis mogt wonen hier beneen. 3. Och! mogt ik in die heilige gebouwen De vrije met een verwondrend gunst die eeuwig Hem bewoog, Zijn lieflijkheid en schoone dienst aanschouwen! oog! Hier weidt mijn ziel Want God zal mij, opdat Hij mij beschutt', In ramp en nood versteken in zijn hut, Mij bergen in' t verborgen van zijn tent, En op een rots verhoogen uit d'ellend. PAUZE. 4. God zal mijn hoofd nu boven' s vijands benden Verhoo hoogen; dies wil ik, met blij geschal, In zijne tent het offer opwaarts zenden, $ lof vermelden zal. Verhoor, o HEER! toon mij een hoog: gunstig oog; Ik zal mijn stem verheffen naar omEn PSALM 27. antwoord # Verhoor mij toch, bewijs mij uw genå, mij, Daar psalm en lied zijn' 5. Mijn hart zegt mij, o HEER! van Uwentwegen: die voor uw aanzigt sta. ,, Zoek door gebeên met ernst mijn aangezigt!" Dat verdriet: wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen U, o Bron van troost en licht! Verberg toch niet uw oog van mij, o Heer! Ik ben uw knecht, zie niet # in toorne neêr; Gij waart mijn hulp in al mijn zielsAlleen bij O God mijns heils! begeef, verlaat mij niet. 6. Want, schoon ik zelfs van vader en van moeder Verlaten ben: de HEER is goed en groot; Hij is en blijft mijn vader en behoeder. uw' weg in allen nood. spieders wil, mijn' voet Leer mij, o God! Bestuur, om mijns verands Op teffen pad; dat' s vijUniv.- Bibl. Giessen VIVIMANA 64 ands euvelmoed Mij nimmer treff! vervoerd door list mijn smart en rouw. en dwang, Getuigt men valsch tot mijnen ondergang. 7. Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou; Mijn God! waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik was vergaan in al PSALM 27, 28. te schaar! houd moed: neer; steen, alle goed: Zoo daalt zijn kracht op u in zwakheid Wacht op den HEER, godvruchHij is getrouw, de bron van Wacht dan, ja wacht! verlaat u op den HEER. k roep tot U, o eeuwig Wezen! PSALM 28. kend word' nooit naar etsch volprezen; als doof, van mij uw ooren; mij uw antwoord hooren, VAN Met die in 2. Hoor naar mijn stem Mijn rotsAls ik mijn handen op zal steken Wend niet, Opdat ik niet gerespraakplaats, uw heilge woning; Zwijg niet; laat ' t graf zijn neergestort. en kermend smeeken, Naar d' aanTrek mij niet weg 3 weg, heid, o Opperkoning! verdiensten, komen; In schijn van vrede, kwaad bereidt. 3. Doe' t kwade, bij hen ondernomen, Op hen, naar hun Geef hun, opdat z' uw hoogheid PSALM 28. hart of oogen keeren, merken, Naar hun verkeerd' en booze werken; Dat uw gestrenge geeselroe Hun, naar het regt, vergelding doe. 4. Omdat zij nooit naar' t werk des HEEREN Oplettend Met hen, wier argelistigsmaden Het oogwit zijner groote daden, Zal Hij hen doen te gronde gaan, Ontbloot van hulp om op te staan. 5. Geloofd zij God, wiens open ooren stem gunstig wilden hooren: en schild in' t strijden; f Hij hielp m' uit lijden; van juichensstof, den. Maar onbedacht en stout verMijn smeekHij is mijn sterkt' ' k Vertrouwd' op Hem, 4 Dies springt mijn hart En zingt des Allerhoogsten lof. 6. God geeft zijn gunstvolk moed en krachten; Hij zal, in weerwil aller magten, Zijn' Rijksgezalfde staag behoeRed, Heer! uw Isrel uit al' t woeden: Geef zegen 5 aan 65 66 aan uw erv', en weid PSALM 28, 29. ' s Hoogsten naam Uw volk; verhef z' in eeuwigheid. PSALM 29. ardsche Magten! looft den HEER! den HEERE sterkt' en eer! Aller Grooten Geeft Dat de lof van roem beschaam': Vorsten!' t voegt u Hem, in' t midden Van zijn heiligdom, t' aanbidden;' t Voegt u, met de Godgen, getrouwen,' S HEEREN heerlijkheid t' ontvouwen. 2.' SHEEREN stem, op' t hoogst geducht, Rolt en klatert door de lucht; Berst, met vreeselijk geluid, Op de groote waatren uit; Klinkt, met nadruk en vermogen, Heerlijk uit de hemelbogen;' t Schepsel beeft en staat verwonderd, Als de God der eere dondert. 3.' SHEEREN wonderstem verbreekt, Als zijn grimmigheid ontsteekt,' t Cedrenbosch van Libanon; Schudt den hoogen Sirion: Cedren, uit den grond gewronHupplen als der rundren jongen; Bergen voelen sidderingen, Daar z' als wilde stieren springen. 4.' SHEE 4.' s HEEREN stem verbaast natuur; PSALM 29, 30. bergen vlammend vuur; Schiet van' t zwerk den bliksem neêr. Kades beeft voor' t brullend weêr: gen, Woestenijen slaan aan' t zuchten; Hinden krijgen, onder' t vlugten, Barenswee; door vrees gedronWerpen z', in dien nood, haar jongen. 5.' s HEEREN stem ontbloot het woud; Maar hij, die Houwt uit op God vertrouwt, Buigt zich veilig, Hem ter eer, Juichend in zijn' tempel neêr.' t Is de HEER, wiens 100 wenk de stroomen In hun woede kon betoomen; Die, in magt nooit af te meten, 6. Looft den HEER, die heilig kroost Eeuwig is ten troon gezeten. rael, zijn volk, versterkt; wondren werkt, PSALM 30. IsHem, die Jakobs Zeg'nen zal met vreed' en troost. k zal met hart ea mond, O HEER! Uw' naam verhoogen en uw eer, Dewijl Gij mij uw' bijstand boodt, Mij optrokt uit den diepsten nood; Zoo dat de vij5* and, MATS 68 and, in mijn lijden, #Le +60 PSALM 30. 2. Mijn God! Gij hebt mij, op mijn klagt, 睡 mijn smart verzacht; Gij hebt mijn ziel, door angst beZich over mij niet mogt verblijden. roerd, Als uit het graf weer opgevoerd; leven mij geschonken, Ik ben niet in den kuil gezonken. Genezen, en plaats van lijden, 3. Psalmzingt, Gods gunstgenooten! geeft, Geeft lof Les Gij hebt het den HEER, die eeuwig leeft! Zijn vlekkelooze heiligheid Zij ter gedachtenis verbreid. Een oogenblik moog' ons doen beven: Zijn gunst verduurt een eeuwig leven. 4. Perst eens de bittre tegenspoed, Des avonds, het benaauwd gemoed Tot naar gejammer en geklag; Naauw rijst des morgens vroeg de dag, Of God verleent, in Weer stof tot juichen en verblijden. PAUZE. 5. Ik sprak, door mijn geluk misleid: ,, Ik wankel ,, niet in eeuwigheid:" Want Gij hadt mijnen berg, 0 HEER! Door uwe gunst, uw' naam ter eer, Zoo vast gezet, als of gevaren En rampen nu verdwenen waren. 6. Maar, toen G'U slechts een' oogenblik Verbergdet, trof mij mij vrees en schrik; Dies riep ik om uw heilgenot; Ik smeekt' en zeid': ,, o groote God! Wat winst is uit ,, mijn bloed te halen? PSALM 30, 31. 7. ,, Zou in den kuil' t ontzielde stof Den mond ontslui,, ten tot uw lof, Waartoe zou ik ten grave dalen? En van uw redding zingen? zou ,, Het daar verkondigen uw trouw? Hoor mij, o HEER! ,, help mij genadig: Bekroon mij met uw gunst gestadig.' 8. Gij hebt mijn weeklagt en geschrei Veranderd in een' blijden rei; Mijn' zak ontbonden, en mij weer Met vreugd omgord, opdat mijn eer Niet zwijg': zoo klimt 05 uw lof naar boven. Mijn God! U zal ik eeuwig loven. PSALM 31. p U betrouw ik, HEER der heeren! U, gelijk' t betaamt: Ai! laat mij nooit, be#E schaamd, Van uwen troon te rugge keeren; Help mij, op mijn gebeden, Door uw geregtigheden. 2. Och! neig tot mij uw gunstig ooren; Schiet haastig toe, dat mij Op Uw naam een rotssteen zij; 69 70 MANAVANJA Een huis, een welgesterkte toren, op een klip verheven, Mij veiligheid kan geven. 3. Gij zijt alleen, wat zou ik vreezen? Mijn rots, mijn burg, 0 Heer! PSALM 31. Le Zult Gij mij tot een' herder wezen. Mijn Helper! Ja, uwen scheur de netten, Die z' in' t verborgen zetten. 额, 4.' k Beveel mijn' geest in uwe handen; God der waarheid! Gij, O HEER! verlostet mij. naam ter eer, Ik haat hen, die het reukwerk branden mijn Die, 5.' Zal in uw goedheid mij verblijden; eer van valsche goden: Op U steun ik in nooden. 1. PAUZE. mijn verdrukking en mijn lijden; Uw zielsellende, hebt mij aangezien, Enhulpe willen biên In Neen!' k heb Ter Toen, in aangezigt mij kende. 6. Ook hebt Ge mij niet weggestooten, Noch mij, uw trouwe hulp genoten: van allen kant, Benaauwd door' s vijands hand; Gij deed met vaste schreden Mij in de ruimte treden. 7. Be 7. Bewijs, o HEER! uw mededoogen; Verhoed mijn' 10* PSALM 31. ondergang; Ik ben beklemd en bang; Het zwaar verdriet doorknaagt mijn oogen: Het doet mijn 5 ziel bezwijken, En' s ligchaams krachten wijken. 8. De bittre smart verteert mijn leven; Mijn tijd wordt dag aan dag Versleten in geklag; Ik voel mijn krachten mij begeven die met plagen Le Door zonden, Mijn beendren fel doorknagen. 2. PAUZE. 9. Mijn weerpartijders, zeer te duchten, Verwekken mij elks haat En mijner buren smaad;' k Ben tot een schrik; mijn vrienden vlugten, Daar z', 71 om mijn blaam en lijden, Mij op de straten mijden. 10. Ik ben, als dood, in' t hart vergeten, niet meer geschat, Dan een bedorven vat;' k Hoor hoe veel kwaads mij wordt verweten. Waar zou ik veilig wezen?' k Heb van rondom te vreezen. 11. Terwijl zij zamen zich verbinden, Besluiten zij mijn' dood; Maar, HEER!' k vertrouw in nood Op En wordt WEATATAL 72 WANAXMINAN Op U; dit doet mij sterkte vinden; 12. In PSALM 31. met geloovig roemen, Umijn' Verbondsgod noemen. uwe hand zijn mijne tijden; die, verbolgen, mij in mijn leed Op U alleen, die weet dienstknecht neêr; ' k Mag, maat en' t einde van mijn lijden: Red mij, van ' k Verlaat Ter dood toe mij vervolgen. 13. Laat over mij uw aanschijn lichten; Zie op uw' mij nooit voor mijn hat'ren zwichten; De Verlos mij toch, o HEER! Doe valsche lippen van die boozen, Beschaam niet, laat niet zuchten, Dien Gij tot U ziet vlugten. 3. PAUZE. 14. Beschaam, verschrik de goddeloozen; Verstom hen in den dood. Och of uw almagt sloot' De Die, stout en trotsch, verachten Hen, die uw wet betrachten! 15. Hoe groot is' t goed, dat Gij zult geven Hem, 企业 wiens opregte geest Op U betrouwt, U vreest! Hoe groot is' t heil, dat G' in dit leven, Ver boven beed' en wenschen, Reeds wrocht voor' t oog der menschen! 16. G ORVAVA PSALM 31, 32. # 16. Gij zult uw volk een schuilplaats wezen; Gij bergt hen in het licht Van' t godlijk aangezigt, Daar zij geen leed van trotschen vreezen; Een hut, waarin zij' t woelen, Den twist der tong niet voelen. 17. Geloofd zij God, die zijn genade Aan mij heeft groot gemaakt; Die voor mijn' welstand waakt: Zijn oog slaat mij in liefde gade: Hij wil mij heil bereiden, Mij in een vesting leiden. 18. Ik heb te moedloos neêrgebogen, En door de vrees gejaagd, Weleer te ras geklaagd: ,,' k Ben ,, afgesneen van voor uw oogen:" Dan, nog woudt G'U ontfermen, Toen Gij mij hoordet kermen. 19. Bemint den HEER, Gods gunstgenooten! Den HEER, die vromen hoedt, En straft het trotsch gemoed: * Zijt sterk; Hij zal u niet verstooten; Hun geeft Hij moed en krachten, Die hopend op Hem wachten. W PSALM 32. elzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; 78 Die 74 Die E snood Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, Voor' t heilig oog des HEEREN is bedekt. Welzalig is de mensch, wien' t mag gebeuren, Dat God naar regt hem niet wil schuldig keuren, En E die, in' t vroom en ongeveinsd gemoed, Geen KAXXAVIVA PSALM 32. van de straf voor eeuwig is ontheven; 2. Toen' k zweeg, en U mijn ongeregtigheden, gen; #E houden door de vrees, niet heb beleden, ouderden mijn beendren door geklag, In mijn uur, bedrog, maar blank' opregtheid voedt. gebrul en angst den ganschen dag: Want Heer! uw hand, die mij bezocht met plagen, WeerDeed dag en nacht mij zware smarten draden; VerMijn levenssap droogd' uit van uur tot 3.' k Bekend', 0 HEER! aan U opregt mijn zonden; Gelijk het land door zomerzonnevuur. ' k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonMaar ik beleed, na ernstig overleg, Mijn boo MOHVAVAVA booze daân; Gij naamt die gunstig weg: Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed smeekend, komen; Een zee ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan. PAUZE. Gij 4. Gij zijt mij, Heer! ter schuilplaats in gevaren; ren; stelt, PSALM 32. len; van raad, ven, zult mij voor Mijn leer zal u, o mensch! naar' t regt doen hand'ven: benaauwdheid trouw bewalen, En wijzen u den weg, dien gij zult wand'G'omringt me, daar Ge mij in ruimte Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt. Terwijl mijn oog op u gevestigd staat. 5. Wil toch niet stug, gelijk een paard, weêrstreIk zal u trouw verzellen met mijn' Of als een muil, door domheid voortgedreGebit en toom, door' s menschen hand bestierd, Beteuglen' t Woest en redeloos gediert'. 75 Laat RUHURT MTATATI 76 Hi VANANANANANAN Laat zulk een' dwang voor u niet noodig wezen. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen; leen, 6. Regtvaardig Verheugd in PSALM 32, 33. tijd, Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem al* Ziet zich omringd met zijn weldadigheên. ZE volk! verhef uw blijde klanken, ken. Zingt vrolijk; roemt zijn deugden t' aller #E God, naar waarde nooit te danGij, die opregt van hart en wandel zijt. PSALM 33. ingt vrolijk, heft de stem naar boven; Regtvaardigen! verheft den HEER. Het past opregten God te loven; Zingt zijnen grooten naam ter eer. Prijst Hem in uw psalmen, Roept zijn weldaân uit. Met den klank der snaren; Met de schoonste galmen; Laat de keel zich paren B Looft Hem met de luit. 2. Roemt nu met nieuwe lofgezangen De nieuwe blij#E ken van zijn gunst; Het speeltuig moet dien toon vervangen; Heft vrolijk aan, wijdt Hem uw kunst. Al CHVAVH PSALM 33. Alles moet Hem eeren: Want het woord des HE EREN,' t Rigtsnoer zijner daân, Is volmaakt regtvaardig, Al onz' achting waardig; Eeuwig zal' t bestaan. 3. Hij schept in' t heilig regt behagen; Zijn wijsheid is alom verspreid; Men hoort al' t wereldrond gewagen Van zijne goedertierenheid.' S HEE$ REN alvermogen Bragt de hemelbogen Door zijn Woord in' t licht; Die den tijd verduren, Heeft de flonkervuren, 14 Door zijn' Geest gesticht. 1. PAUZE. 4. Hij doet de groote waatren zwellen, Te zaâm vergaadren tot een' hoop, En naar den diepen afgrond snellen, Daar zij beperkt zijn in hunn' loop. Laat al d' aard' Hem vreezen, Die, als' t Opperwezen, ' t Al heeft voortgebragt: Laat de wereld schrikken; Laat z', all' oogenblikken Siddren voor zijn magt. 5. Geen ding geschiedt er ooit gewisser, Dan' t hoog bevel van' s HEEREN mond: Zijn godlijk' almagt spreekt, 77 en nivive TATATATAT AAVAVA 78 重 en' t is er, Zijn wil gebiedt, en' t wordt terstond. Schoon de heidnen zamen God verbreekt hunn' raad; PSALM 33. slacht. HAVANAVAN roemen den Snood' ontwerpen smeden, Hij belacht haar' haat. 6. Maar d' altoos wijze raad des HEEREN Houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht; Niets kan zijn hoog List op list beramen, besluit ooit keeren;' t Blijft van geslachte tot geZalig moet men noemen Die hunn' Maker Schoon de MogendheAls hunn' HEER en God, lof, zijn eer, Hem te voren Gunstig uitverkoren Tot zijn erv' en lot. 2. PAUZE. 7. De groote Schepper aller dingen Ziet, uit het ongeNiets is bedekt voor zijn gezigt. Klinkt ' t Volk, naakbaar licht, Het gansch gedrag der stervelingen; door ning, Daar Hij heerscht als Koning, Daar zijn door Uit zijn vaste woal de bogen, 8.' t Is God, aan tijd noch plaats verbonden, Zien zijn godlijk' oogen Op al' t menschdom neêr. Wiens toe OHVAVAVAVA PSALM 33. toezigt over alles gaat; Die' t harte vormt, en kan doorgronden; Die aller werken gadeslaat. Schilden, bogen, dolken, Dapper' oorlogsvolken, Wijsheid, moed noch kracht Kunnen ooit in' t strijden, Eenig vorst bevrijden Zonder' s Heeren magt. 9. Het brieschend paard moet eindlijk sneven, Hoe snel het draav' in' t oorlogsveld;' t Kan niemand d' overwinning geven; Zijn groote sterkte baat geen' held. Neen, de HEER der heeren Doet ons triomferen; Hij, geducht in magt, Slaat elk gunstig gade, Die op zijn genade In benaauwdheid wacht. 3. PAUZE. 10. Zijn magtig' arm beschermt de vromen, En redt hun zielen van den dood. Hij zal hen nimmer om doen komen, In duren tijd en hongersnood. In de grootste smarten, Blijven onze harten In den HEER gerust.' k Zal Hem nooit vergeten, Hem * mijn' Helper heeten, mijn hoop en lust. 79 11. Laat RAVAL AIXIAIAIAIAIXIXIAIRIHURUHURVAVAVAVAJRÚAUKO IVOS 80 VVV 11. Laat ons alom PSALM 33, 34. zijn' lof ontvouwen: verblijdt zich ons gemoed, goed. Goedertieren Vader! lof, naam vertrouwen, Dien naam zoo heilig, groot en Eeuwig voor ons open; Omdat wij op zijn' AN In Hem Milde Zegenader! uw vriendlijk hart, Op wiens gunst wij hopen, Weer PSALM 34. k loof den HEER, mijn' God; Stel steeds alle smart. Mijn zang klimm' EL op naar' t hemelhof; Mijn mond zing' eeuwig tot zijn' Om mijn gelukkig lot. Mijn ziel! loof d' Opperheer.' t Zachtmoedig volk zal' t straks verstaan, Door vreugd met u zijn aangedaan, En juichen tot zijn eer. 2. Komt, maakt God met mij groot; Verbreidt, verhoogt met hart en stem Den nooit volprezen' naam van Hem, Die ons behoedt in nood. Ik zocht in mijn gebed Den HEER, ootmoedig met geween; Hij heeft mij in angstvalligheên Geantwoord, mij gered. 3. Zij sloegen' t oog op God; Zij liepen als een stroom Ilem MOHVAVAVAVA Hem aan; Hij liet hen nimmer schaamrood staan; Hij 睡 wendde straks hun lot. Hij, die door smart op smart E PSALM 34. Gedrukt werd, zond tot God zijn bee; Terstond verdween' t ondraagbaar wee Uit zijn benepen hart. 1. PAUZE. 4. Des HEEREN Engel schaart Een onverwinbre hemelwacht Rondom hem, die Gods wil betracht; Dus is hij wel bewaard. Komt, E smaakt nu en beschouwt De goedheid van d' Alzegenaar. Welzalig hij, die in gevaar, Alleen op Hem betrouwt! 5. Vreest, vreest Hem t' allen tijd', Gij, heiligen! daar g' ondervindt, Dat hij, die God vreest en bemint, Gebrek noch schade lijdt. In honger komt noch moed, Noch kracht den jongen leeuw te baat; Maar die den HEER zoekt vroeg en laat, Mist nimmer' t noodig goed. 81 6. Komt, kindren! hoort naar mij, Neemt mijn' getrouwen raad in acht; Ik leer, opdat g' uw' pligt betracht, Wat' s HEEREN vreeze zij. Hebt gij in' t leven 6 lust, RUHURLA AVAJAJAJAURVAVAVAVAJADAURORVAU IVIN WANA lust, In dagen, daar men' t goed' in ziet, Waarin PSALM 34. men vrij is van verdriet, Daar niets ons heil ontrust? 7. Houdt dan uw tong in toom; Dat zij nooit schandlijk E spreek' of smaal'; Dat nooit bedrog of logentaal Op uwe lippen koom'; Betreedt het regte spoor; acht het kwaad; jaagt naar den vreê: Verde vromen, en hun bee Geeft Hij altoos gehoor. 2. PAUZE. God ziet 8. God slaat een gram gezigt Op boozen, die Hem tegenstaan; Hij doet hunn' naam met hen vergaan Door ' t hoogste strafgerigt. Maar Hij ziet gunstig neêr Op hem, die naar zijn wetten leeft; God is het, die F** hem uitkomst geeft, Zijn' grooten naam ter eer. 9. God is' t verbroken hart,' t Verbrijzeld en bedrukt gemoed, Ten allen tijd', nabij en goed, In tegenheid en smart. Veel wederwaardigheên, Veel rampen zijn des vromen lot; Maar uit die allen redt hem God; Hij is zijn heil alleen. 10. God OHVAUHURVA PSALM 34, 35. 10. God zorgt, als' t leed genaakt, Dat hij niet gansch ter neder stort', Dat hem geen been gebroken word'; ' t Is God, die hem bewaakt. De snoode boosheid baart Den goddeloozen vloek en dood, Daar hij, die d' onschuld stout verstoot, Zelf schuldig wordt verklaard. 11. De HRER verlost en spaart Zijn volk, dat op zijn hulp vertrouwt: Het zal, door Hem in gunst beschouwd, Niet schuldig zijn verklaard. PSALM 35. # wist met mijn twisters, Hemelheer! Ga mijn bestrijdren toch te keer; Wil spies, rondas en schild gebruiken, Om hun gevreesd geweld te fnuiken;" Belet hun d' optogt; treed vooruit, Zoo worden z' in hun loop gestuit; Vertroost mijn ziel in haar geween, En zeg haar:,' k Ben nw heil alleen." 2. Beschaam z' in hunnen trotschen waan, Die mij zoo wreed naar' t leven staan: terwaarts gedreven En rood 6 Zoo worden z' achvan schaamte. Doe hen URUHURVEY AVAIRIAIHIRIAVAJAVAIRIAUKORVA 84 ANAVAVAV hen beven, Die kwaad verzinnen tegen mij; al hun list verijdeld zij wind het kaf; PSALM 35. 3. Doe hen altoos onzeker gaan, Gods Engel drijv' hen van mij af. hebben, in hun listigheid, voor mij bereid; Verstrooi hen, als de gladde paân; En, daar Gij zijt op hen verbolgen, Moet, HEER! uw Engel hen vervolgen. gen; ramp op ramp te niet gebragt; Dat In duisternis, op 4. Mijn vijand word', eer hij' t verwacht, misdeed, Steeds lagen voor mijn ziel gesmeed. verheugd in God, En, schoon ik nimmer hun Een' kuil, een net mij geschikt, verslagen neêr; Zij Zoo vall' hij in den kuil, weleer net gevangen, Het loon van zijn bedrijf erlanHij moog', in eigen Door 5. Mijn beendren spreken tot uw eer: Voor Dan zal mijn ziel, Steeds juichen in haar heilrijk lot. 1. PAUZE. Wie, wie is U gelijk, o HEER! U, die van d' overmagt der sterken HAVARI ken De zwakke redt door wondre werken? PSALM 35. voor der roovren woed' en zwaard,' t Nooddruftig in krankheid zuchten, Die, volk getrouw bewaart? Gij weet, hoe valsch men mij belaagt, En onverdiend ter vierschaar daagt. 6. Mijn vijand, dorstig naar mijn bloed, Vergeldt mij wreevlig kwaad voor goed; Maar ik, hem ziend' misbaar, Nam deel aan al zijn ongenugten. Ik vastte, met een' zak omgord;' k Had mijn gebeden uitgestort; Ik ging in' t zwart, met rouwAls of' t mijn vriend, mijn broeder waar'. 7.' k Had om mijn haters' t kleed gescheurd, Als een, die om zijn moeder treurt; Maar als ik moest met rampen strijden, Verheugden zij zich in mijn lijden. Zij kwamen schielijk op mij af, Eer iets mij zulks te kennen gaf. Elk spotte met mijn zielsverdriet, Hun valsche tong bedwong zich niet. 8. Bij dartle brassers aan den disch, Wien' t huichlend spotten eigen is, Wier lastertaal mij snood onteer85 de, VAE KURUBURBURURU VIVIM 86 de, Was vreugd om' t onheil, dat mij deerde. PSALM 35. Hoe lang zult Gij zulks zien, mijn ziel een beter lot; ke hand, bewijzen: 0 God! Vergun Verlos haar, door uw ster9. Ik zal, in tegenwoordigheid Uit dezer leeuwen klaauw en tand. 2. PAUZE. volk, uw Majesteit D' erkentnis van mijn hart Van' t groote ' k Zal U voor aller oogen prijzen. Dat zij dan, die mij zonder reen Vervolgen, om mijn tegenheên Niet juichen, noch, in hunnen waan, Op mij hun schimpend' Gogen slaan. E 10. Zij spreken nooit van vrede, neen! Maar zij bedenken listigheên, Ten val van hen, die, stil van zinnen, Den vrede,' t dierbaarst pand, beminnen. Hun schimpZij bassen m' aan met open' mond; taal, die mijn ziel doorwondt, Bespot mijn leed; zij zijn verheugd Op' t zien van al mijn ongeneugt. 11. O HEER! Gij ziet het; zwijg niet stil! Uw regt ber VAVAVAVA PSALM 35. beslisse mijn geschil. Ontwaak, treed toe tot mijn bescherming; Mijn God! betoon mij uw ontferVAVAVA ming; Doe mij, o hoogste Majesteit! Eens regt aan dag, naar uw geregtigheid, En laat die wreeden, dag 12. Laat hen niet zeggen in het hart: verslonden!" Niet juichen om mijn droef geklag. ,, Geluk, ,, mijn ziel! hij is benard!" Men hoore nimmer £$ uit hun monden: ,, Wij hebben hem in' t eind Wil hen weleer met schand' belaân, Om al den smaad, mij aangedaan; Opdat mijn trotsche weêrpartij Zich niet verheffe tegen mij. 13. Laat vromen, juichend t' allen tijd', Om mijn geregtigheid verblijd, Dien lust, dien ijver nooit bedwingen; Maar zeggen, onder' t vrolijk zingen: ,, Verheerlijkt zij de hoogste God; Hij schenkt zijn' ,, knecht een vreedzaam lot." Dan meldt mijn tong, 87 met diep ontzag, Uw regt, uw' lof den ganschen dag, PSALM HIRIBURTATAVAVAJAJAJKVAVAVA 88 AVANAVAN PSALM 36. PSALM 36. et trotsch gedrag des boozen doet spreken in' t beklemd gemoed: ,, is uit zijn oogen;" Van' t weldoen op te merken: is' t kwaad zijn overleg; gen; zelven vleit, Tot God zijn ongeregtigheid Niet ,, Gods langer kan gedoogen. Bedrog en onregt spreekt zijn mond;' t Verstand laat na, den waren grond Wijl hij zoo lang zich ive Mij gunstigheid! vrees een' boozen weg, En schuwt geen snoode werken. 2. Uw goedheid, HEER! is hemelhoog; Uw waarheid zegent mensch en beest, en doet tot den wolkenboog; Uw regt is als Gods berUw oordeel grondloos; Gij behoedt, Des nachts Hij stelt zich op Hier wordt de rust geschonken; te van uw huis gesmaakt: nooit vruchtloos vergen. Hoe groot is uw goedEn Uw hulp Hoe zijn uw vleuglen uitgebreid! Hier' t vetEen volle beek yan OAVAVAVAVAVA PSALM 36, 37. van wellust maakt Hier elk in liefde dronken. der dan de zon, HAVAVAVAHVAL 3. Bij U, Heer! is de levensbron; Uw licht doet, klaarOns' t heuglijk licht aanschouwen. Wees die U kennen mild en goed, En toon d' opregten van gemoed Uw regt, waar z' op vertrouwen. Dat mij nooit trotsche voet vertrapp', Noch booze hand in ballingschap Ellendig om doe zwerven! Daar zijn de werkers van het kwaad Gevallen in een' jammerstaat, Waarin zij hulploos sterven. PSALM 37. W ees over' t heil der boozen niet ontstoken; Benijd hen niet. Wat onregt, wat geweld De trouw verdrukk', zij blijft niet ongewroken. De trotsche ziet zijn weeld' een perk gesteld; Valt af als' t kruid, ter naauwer nood ontloken; Verbe dort als' t gras, door' s maaijers zeis geveld. 89 2. Stel op den HEER in alles uw betrouwen, Betracht uw' pligt; bewoon het aardrijk; leer Uw 90 Uw welvaart op Verlustig u met blijdschap in den HEER: zal hij u in liefd' en gunst aanschouwen, len; rigt; schenken, wat uw hart van Hem begeer'. niet 3. Geen ijdle zorg doe u van' t heilspoor dwaL PSALM 37. elks gezigt, len, ¡ Viv Gods trouw volstandig bouwen; falen: wegen, ziet; Houd in uw' weg het oog op God ge# zegen, * Vertrouw op Hem en d' uitkomst zal Dan 9 En blinken, als het helder middaglicht. $ 4. Zwijg Gode; wacht op' t eind van' s HEEREN Hij zal welhaast uw regt, voor Doen dagen, als de morgenzonnestraWanneer gij hier der snooden voorspoed En, hebben zij door list hunn' wensch A verkregen,' t Ontsteek' uw' drift, noch baar' u zielsverdriet; Misgun hun dan geen' ingebeelden Laat af van toorn, en zoek de wrake niet. Maar die den HEER verwachten met 5. God roeit hen uit, die' s vromen rust verstoren; geduld, Zien Zien' t aardrijk zich ten erfbezit beschoren. beid den stond, die beider lot vervult, En by tracht dan' t zaad der boozen op te sporen, de PSALM 37. Waarvan gij plaats noch voetstap vinden zult. 1. PAUZE. 6.' t Zachtmoedig volk zal eens den vollen vreerven d' aard'. HUAVAVAURRE VerGenieten, in de zoetste rust verblijd, En Op d' onschuld loer', de tanden kners' van spijt, Hoe listig hij op haar zijn' aanslag smeen mikt de: De Heer belacht het wrokken van dien nijd. vromen; Hoe ook de booz' en wreede 7. Hij ziet zijn' dag, den dag zijns oordeels, komen. schikt; Men trekt het zwaard; men spant den boog, Op' t zuchtend hart der onderdrukte Daar' s boozen raad hen wreed ter slagting In' t stout bestaan, in' t woeden niet te toomen, Voor dat hem God verbijstert en verschrikt. 8. Gods wraak ontwaakt, en trekt de trotschen tegen; Hun eigen zwaard vergiet hun ziedend bloed: 91 Dan 92 Dan breekt gen; E weinig goed Van' s Heeren volk, regtvaardiglijk verkregen, Veel beter is, dan' s boozen overvloed. 9. Gods magt verbreekt den arm der goddelooboozen, zen, Terwijl zijn hand regtvaardigen geleidt; Al treden z' op geen' Zij wachten' t heil, 10. Geen hun boog, dan vallen z' op hun weDan blijkt op' t klaarst, dat hier het den, Gods Hij kent hunn' tijd; zij PSALM 37. 11. De druk Maar' s HEEREN Als' t mestlam, ivive Zal, met den booze 16px Hun erfenis bewaard in eeuwigheid. beschaamt hun hoop in bange tijGeen hongersnood doet hen verlegen staan: weg bezaaid met rozen, door goedheid zal hen voeden en verblijden; dat neemt, Met list ter leen, God hun toegezeid: zien, in spijt der toorn de boozen nederslaan. rook, het heilloos rot vergaan. 2. PAUZE. men zag ten offer wijden, door hebzucht aangedreven, en legt de schuld niet af. D' op AVAVA PSALM 37. D' opregte, vol ontferming, mild in' t geven, Bezit deez' aard', als' t erf, dat God, hem gaf. Deez' smaakt in rust den zegen en het leven: bo ¢ De vloek vervolgt den andren tot in' t graf. 12.' t Alwijs bestier bevestigt' s vromen gangen: hooge God keurt zijne wegen goed; Hij zorgt voor hem, en waakt voor zijn belangen, De Of om zijn' val Hij wordt geenszins, om' t glibbren van zijn' voet, verworpen, maar vervangen, En ondersteund door God, die hem behoedt. 13.' k Ben jong geweest, en draag nu grijze haren; Maar zag nog nooit regtvaardigen door nood Zoo zwaar gedrukt, als of hen God liet varen, Noch ook hun zaad, al bedelde' t om brood. Hun mildheid schijnt te groeijen met hun jaren; De zegen vloeit hun nakroost in den schoot. 14. Wijk af van' t kwaad, en sta, met al uw krachten, Het goede voor, in weldoen onvermoeid; 93 Woon HVAL 04 MANANANANA Woon eeuwig hier in late nageslachten; PSALM 37. #E God, die' t regt, waardoor zijn Heilrijk bloeit, Op HE ' t hoogst bemint, bewaart hen die' t betrachten; Maar' t godloos zaad wordt door Hem uitgeroeid. 3. PAUZE. 15. Het aardrijk zij regtvaardigen en vromen TV erfbezit ter woon, eeuw in eeuw uit. regte doet een' vloed van wijsheid Want Wat In D' opstroomen, Daar hij den mond tot' s Hoogsten lof ontsluit: menschenvrees zou ooit zijn tong betoomen? Zij spreekt naar' t hart, daar enkel licht uit spruit. 16. De wet zijns Gods is in zijn hart geschreven, Waardoor zijn gang van glibbren wordt bevrijd. De booswicht loert door haat en spijt gedreven; Spant strik op strik, of wapent zich ten strijd, En staat, ontzind, regtvaardigen naar' t leven, be Naardien hij, trotsch, hun' s Heeren gunst benijdt. 17. God laat hen nooit in' s haters wreed vermogen: Wie hen verdoem', de HRER verdoemt hen weg voor hen niet. Wacht op den HEER, en houdt zijn' erfgebied UHURVA verhoogen, PSALM 37. oogen; Hij zal gewis, in' t wettig Van' t aardrijk, u op' t zegenrijkst Terwijl gij' t eind der goddeloozen ziet. 18. Ik heb het lot eens dwinglands waargenomen; Hij breidde zich verbazend uit in' t rond, Gelijk een boom, die, tot zijn kracht gekomen, 19. Let toch, ' t weligst groent, geplant in eigen grond; Maar, Op ' k zocht welhaast vergeefs die plaag der vromen: Hij was niet meer, hoe vast hij eertijds stond. en A zie op vromen en opregten; Want wat men denk' van d' uitkomst hunner paân, God $ kroont met vreê het einde zijner knechten; Maar, durft men stout des Heeren wet versmaân, Dan zal Gods wraak den berg van hoogmoed slechten, En' t boos geslacht, ten grond toe, doen vergaan. 20. Het heillot, dat regtvaardigen verkregen, Vloeit af van God, hun sterkt', als d' angst hen knelt: L Hij VAVAVAL 96 Des Hij laat, in tijd van nood, hen niet verlegen: ANANANANAN gen, PSALM 37, 38. G HEEREN hulp bevrijdt hen Van' t godloos rot: Hij komt hem gunstig teDie op zijn magt een vast vertrouwen stelt. PSALM 38. voor' t geweld root en eeuwig Opperwezen! Zeer te vreezen, Straf mij in uw gramschap niet; Toon mij toch, dat uw kastijden, In mijn lijden, Uit geen grimmigheid geschiedt. 2. Want uw pijlen doen mij dragen doorgrieven vleesch en been. Bittre plagen; Zij ' k Voel uw hand in d'ongelukken, Die mij drukken, Neêrgedaald op al mijn leên. 3. Door uw gramschap, fel ontstoken, Is verbroken Al mijn vleesch en ligchaamskracht; Rust noch vrede wordt gevonden, Om mijn zonden, In mijn beendren, dag of nacht. 4. Want mijn hoofd is als bedolven In de golven van mijn ongeregtigheên; Zulk een last van zond' en plagen, Niet te dragen, Drukt mijn schouders naar beneên. 5.' k Voel door stinkend' etterzweren Mij verteren: Walg OHVAVAVA lijk zijn zij voor het oog: Mijne dwaasheid deed die builen Dus vervuilen, Daar ze mij tot kwaad bewoog. 1. PAUZE. PSALM 38. 6.' k Ben, door uwe wet te schenden, Krom van lenden, Vol van druk, benaauwd van hart: Zeer gebogen en verden; slagen, Moe van klagen, Ga ik al den dag in' t zwart. 7. Mijn ontstoken ingewanden Doen mij branden, En voor elk verachtlijk zijn;' k Voel mij van de smart doorsneIn mijn leden Is niets heel of vrij van pijn. 8. Uitgeteerd door al mijn klagten, Zijn mijn krachten Zeer verbrijzeld en vergaan;' k Brul van bittre zielesmarte, Want mijn harte Is verzwakt door al uw slaan. 97 9. Maar wat klaag ik, Heer der heeren! Mijn begeeren 18 voor U, in al mijn leed, Met mijn zuchten en mijn zorgen, Niet verborgen; Daar Gij alles ziet en weet. 10. t Hart schokt in mij heen en weder, ' t Ligchaam valt mij krachtloos neêr; D' oogen, bijna blind gekreten, Uitgebeten, Zien het daglicht naauwlijks meer. ** 11. Die voorheen mij teér beminden, En mijn vrinden, Wij7 ken, Op en neder; HURES HAURORVAVA vivivivivVV 98 PSALM 38. ken, angstig voor mijn plaag. Nabestaanden gaan ter zijden, Wegens' t lijden En d' ellenden, die ik draag. 2. PAUZE. 12. Zij, die mijnen dood bejagen, Leggen lagen, gen mij den laatsten slag; Spreken, hoe mij best te Dreikrenken, En bedenken Mijn verderf, den ganschen dag. 13. Maar ik ben, in d' ongelukken, Die mij drukken, E een doove, die niet hoort; En uit wiens verstomde lippen 14. Ja, ik ben als een, wiens ooren Niet kan glippen' t Flaauwst geluid van eenig woord. Wat men zegge, kwaad, of goed; Als Niet meer hooren, Wien de tegenreên ontbreken, Om te spreken, En die daarom zwijgen moet. ¢ 15. Want, 0 trouw en eeuwig Wezen! In mijn vreezen Staat mijn hoop op U alleen: Gij, mijn God! zult in ellenden Bijstand zenden, En verhooren mijn gebeên. 16.' k Zei: laat nooit mijn bitter lijden Hen verblijden In A hunn' trotschen euvelmoed; Wijl die boozen juichen zouden, Als z' aanschouwden' t Wanklen van mijn' zwakken voet. 3. PAU CAVAVA PSALM 38. 3. PAUZE. 99 17. Want, o Heer! ik ben aan' t zinken, En tot hinken Ieder' oogenblik gereed.' k Heb mijn smart en onvermogen Steeds voor oogen, Bij' t vooruitzigt van mijn leed. 18.' k Wil mijn misdaân, die U tergen, Niet verbergen; Ik bedek voor U die niet.' k Ben van wegen al mijn zonden, Die mij wonden, Vol van kommer en verdriet. 19. Maar mijn' vijand zie ik leven! Hoog verheven, Magtig, vrij van smart en nood; Die, om valsche reen verbolgen, Mij vervolgen, Nemen toe en worden groot. 20. Zij, die kwaad voor goed vergelden, Lastren, schelden En vervolgen mij gestaâg: Ja, zij zijn op mij gebeten; Want zij weten, Dat ik naar het goede jaag. 21. Zie mij, HEER! wien elk moet duchten, Tot U vlugten; 0 mijn God! verlaat mij niet; Blijf niet, wegens mijn gebreken, Ver geweken; Toon, dat Gij mijn rampen ziet. 22. Heer! ik voel mijn krachten wijken En bezwijken; Haast U tot mijn hulp, en red, Red mij, Schutsheer, God der goden, Troost in nooden, Groote Hoorder van' t gebed! 7 PSALM HURL AURO anivives ANAANANANANANANA 100 k zei: nu zal ik letten op mijn paân, PSALM 39. E mijn tong niet t' overtreên; PSALM 39. uit mijnen mond doen gaan, leed, in tegenheên; Terwijl hij die mij booslijk tegenstreeft, Nog daaglijks mij voor oogen zweeft. 2. Ik was verstomd, ik sprak van' t goede niet; dit verzwaarde mijne smart, Mijn geest werd heet Om met Ik zal geen woord Maar breidlen dien in' t binnenst door verdriet: Een vuur ontstak mijn ,, dagen zijn bij U geteld; ,, gesteld; peinzend hart, Dat, ondanks mijn besluiten, in mijn Ja, Mijn tong op' t laatst dus spreken deed: 3. ,, 0 HEER! ontdek mijn levenseind aan mij; Mijn Maar ,, vergankelijk ik zij; Een handbreed is mijn tijd Ai! leer mij, hoe die is niets; want, schoon de ,, mensch zich vleit, De sterkst' is enkel ijdelheid. ,, Gelijk een schaduw, die verdwijnt? 4. ,, Gaat niet de mensch, als in een beeld, daarheen, Men woelt » Ver L OHVAVAR PSALM 39. ,, vergeefs; men brengt met zorg bijeen ,, aard' begeerlijk schijnt; En niemand is verzekerd, ,, wie eens al Die goedren naar zich nemen zal." PAUZE. 5. Nu dan, o Heer! wat is' t dat ik verwacht? Mijn hope staat op U alleen: Verlos mij, door uw onweêrstaanbre kracht, Al wat op verlaat! regtigheên, En stel mij niet, Van al mijn ongegetrouwe ToeDen dwazen stervling tot een' smaad. 6. Ik ben verstomd, en zal mijn' mond voortaan Niet opendoen, wijl Gij het deedt. Neem uwe plaag van mij; houd op van slaan, einde van mijn leed; Mijn kracht bezwijkt, omdat Omdat hij uwe wet vergeet, En maak een mij uwe hand Zoo fel bestrijdt aan alle kant. 7. Wanneer uw straf op eenen stervling stort, Verdwijnt zijn glans, zijn kracht vergaat in ' t kort, Gelijk de schoonheid van een kleed, Waarover zich alom 101 de mot verspreidt: Gewis, de mensch is üjdelheid! 8. Hoor HURES Univives 102 NAVVALVA ' k PSALM 39, 40. van mij af; 8. Hoor mijn gebed, mijn bang geroep, Daar' k schreijend U mijn leed vertoon; bij U als vreemdeling verkeer, En hier gelijk mijn vaders woon. Ai! wend uw hand en plagen IVANIV En Hij heeft zich tot mij geneigd; 0 HEER! Verkwik mij, eer ik daal in' t graf. PSALM 40. IK, eb lang den HEER in mijnen druk verwacht, die op nood bedreigd, Hij gaf gehoor aan mijne jamme klagt. Op Hem vertrouwen stelt, Ik riep, door nood Mij, in den kuil verzonken, Mij heeft Hij hulp geschonken, Gevoerd uit moddrig slijk; Mij op een rots gezet, Van ijdle trotsaards wacht, Daar ik, met vasten tred, Die jammerkolk ontwijk. 2. Hij geeft m' op nieuw een danklied tot zijn eer, lofzang; velen zullen' t zien, En God' eerbiedig hulde bién: Hem vreezen, en vertrouwen op den HEER. " Een' hem, die' t Opperwezen Dus kinderlijk mag vreezen, Wel En in gevaar geen kracht Van leugen, of geweld. 3. Mijn AVAVAVAVA PSALM 40. 3. Mijn God! Gij hebt uw wondren groot gemaakt; Wie 103 is' t, die' t onbepaald getal Van uw gedachten melden zal? Wat geest zoo vlug, wat tong zoo wel bespraakt? Geen slagtvee, geen altaren, Vol spijs ten offer, waren Het voorwerp van uw' lust; Gij hebt mij, naar uw woord, Mijn ooren doorgeboord, En't ligchaam toegerust. 4. Brandofferen, noch offer voor de schuld, Voldeden aan uw' eisch, noch eer; Toen zeid' ik: zie, ik kom, o Heer! De rol des boeks is met mijn' naam vervuld. Mijn ziel, U opgedragen, Wil U alleen behagen; A Mijn liefd' en ijver brandt: Ik draag uw heilge wet, Die Gij den stervling zet, In' t binnenst' ingewand. PAUZE. 5. Uw heilleer wordt door mij alom verbreid;' k Bedwing mijn tong en lippen niet: Gij weet het, HEER! die alles ziet. Mijn hart verbergt nooit uw geregtigheid: Uw waarheid doe ik hooren; Uw heil, den mensch beschoren, Vloeit daaglijks uit mijn' DAUKORVAVA 104 Vivi VANAVAVAVAVI VIV mijn' mond Uw gunst, uw trouw, uw woord En PSALM 40. Gods geheimen hoort Uw talrijk volk in' t rond. 華 6. G' onthoudt, o HEBR! dan uw barmhartigheên Mij nooit in knellend zielsgevaar: Dat mij uw gunst en trouw bewaar' Daar ik door ramp op ramp mij vind bestreên. lk voel mij aangegrepen 4 nepen, Een heir niet t' overzien; Die ik veel minder dan Mijn hoofdhaar tellen kan; Zij doen mijn krachten vliên. 7.' t Behaag' U mij te redden uit den nood; schaamt' en schand' tot den dood; Door zonden, fel beHEER! bied vaardig onderstand, En overstort met 0 Hen, die mijn ziel vervolgen Laat z', achterwaarts gedreven, Met schand' in' t vlugten, sneven, Wier lust is in mijn kwaad: Verwoesting zij de loon, Voor al den schimp en hoon Van hem, die mij versmaadt. naar U zoeken t' elken stond; 8. Verheug het volk, verblijd hen allen, HEER! Die Leg steeds uw' vriend in den mond: ,, Den grooten God zij eeu> Wig AVAUHAVA ,, Wig lof en eer!" PSALM 40, 41. Schoon' k arm ben en ellendig, Denkt God aan mij bestendig; Gij zijt mijn hulp, mijn kracht, Mijn Redder, o mijn God! BestierWit der van mijn lot! Vertoef niet, hoor mijn klagt. PSALM 41. elzalig hij, die zich verstandig draagt Bij een ellendig mensch! De HEER zal hem, wanneer hij treurt en klaagt, wensch; Behoeden, en doen leven hier op aard' by In vreê en zaligheid, Nooit van zijn' God verlaten, maar bewaard Voor' s vijands boos beleid. $ 2. De HEER zal hem, op' t ziekbed neergestort, Versterken door zijn kracht; Bevrijden naar zijn' Gij maakt, dat Veranderd door uw bo magt. Ik heb tot God geroepen om gena;' k Zei zelfs zijn gansche leger word' in mijn' angst en leed: die bij U schuldig sta, $ Genees mij, HEER! En tegen U misdeed. 106 ELCO 8. In plaats van troost vervolgt mij' s vijands blaam; Envives ANANANAM 106 blaam; Zij zeggen tot elkaar: b ,, zijn dood? dan spreekt hij PSALM 41 zoo veel hij kan; buiten treedt, Komt iemand van die schaar Om mij te zien; by valsch, E wanneer vergaat zijn naam?" Als hij terug van mij naar 99 Spreekt hij er andren van. PAUZE. 4. Zij momplen zaâm, vervuld met bittren haat; Van Waar blijft ,, gewis; een schenddaad raadslaan nimmer moê, Bedenken zij een goddeloos ,, ligt voor eeuwig neêr: en smeedt Mij kwaad, verraad; Men zegt: ,, Gods geeselroê Treft hem by kleeft hem ,, weder op zien staan, sloeg mij fier en stout, Maar Gij, o HEER! aan: Hij Nu zult gij hem niet 5. Zelfs hij, op wien ik voormaals heb vertrouwd, by Mijn vreê- en dischgenoot, Verhief zijn' hiel, en toe; Bewijs genâ, en red, Hersteld gelijk weleer." Terwijl hij at mijn brood. box schiet tot mijn hulpe $ En rigt mij op; dat ik CAVAVAVAVAH PSALM 41, 42. by ik vergelding doe, En d' ontrouw palen zett'. 6. Ik ken uw gunst, ik ken uw trouw hieraan, bo Beroemen zal, nog Dat zich mijn vijand niet ik te gronde gaan; Wijl Gij mij bijstand biedt, Mij En voor uw aangezigt, onderhoudt in mijn opregtigheid, AVAVAU trouwe hulp, geleidt Naar' t eeuwig zalig licht. 7. Looft Isrels God; roept door all' eeuwigheên lofzang en gebeên, Des HEEREN grootheid uit: Dat elk met mij zijn' Met teedre zorg en PSALM 42. niet sterker naar' t genot Met Amen, Amen, sluit'! ijgend hert, der jagt ontkomen, Schreeuwt uw oogen, levens! ach! wanneer terstroomen, Dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar den Heer; Van de frissche wa107 God des Zal ik naadren voor In uw huis uw' naam verhoogen? 2.' k Heb mijn tranen, onder' t klagen, Tot mijn spijze, dag Snvives 108 UVVVV PSALM 42. dag en nacht; Daar mijn spotters durven vragen: ,, is God, dien gij verwacht?" Mijn benaauwde ziel versmelt, Als zij zich voor oogen stelt, Hoe ik, onder Vive stem en snaren, Feest hield met Gods blijde scharen. mij ontrust? Voedt het oud vertrouwen weder; in' s Hoogsten lof uw' lust; 3. O mijn ziel! wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in ' t oog naar boven; 4.' k Denk aan U, Waar 22 0 uw' druk Eens verwisslen in geluk. Hoop op God, sla daar uw baren Want Gods goedheid zal God! in' t klagen, Zoek Want ik zal zijn' naam nog loven. ' k Zucht, daar kolk en afgrond loeit, landstreek der Jordaan; Van mijn leed doe' k HerUit de mon wagen;' k Roep van' t klein gebergt' U aan. Daar' t gedruisch der waatren groeit, Daar uw golven, Mijn benaauwde ziel vervaren. PAUZE. 5. Maar de HEER zal uitkomst geven, Hij, die' s daags zijn gunst gebiedt:' k Zal in dit vertrouwen leven, En dat melden in mijn lied.' k Zal zijn' lof, zelfs in den nacht CAVAUHAVAAVA PSALM 42, 43. HURUPU nacht, Zingen daar ik Hem verwacht, En mijn hart, wat mij moog' treffen, Tot den God mijns levens heffen. 6.' k Zal tot God, mijn steenrots, spreken: ,, om, Heer! vergeet Gij mij?' k Ga in' t zwart, "" Waar,, door rouw bezweken, Om mijns vijands dwinglandij. ,, Die mij hoont, mijn hart doorboort, Dat gestaag ,, deez' lastring hoort: Waar is God, op wien gij ,, bouwdet, En aan wien g' uw zaak vertrouwdet?" 7. O mijn ziel! wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in' s Hoogsten lof uw' lust: Menigwerf heeft Hij uw' druk Doen verandren in geluk. Hoop op Hem, sla ' t oog naar boven; Ik zal God, mijn' God, nog loven! PSALM 43. 109 educhte God! hoor mijn gebeden; Strijd voor mijn regt, en maak mij vrij Van hen, die, vol arglistigheden, Geregtigheid en trouw vertreden; Opdat mijn ziel uw' naam belij', En U geheiligd zij. 2. Mijn God! ik steun op uw vermogen, Gij zijt de sterkanvives 110 AVA PSALM 43, 44. sterkte van mijn hart; Waarom verstoot Gij m' uit uw oogen? Waarom ga ik, ter neêrgebogen, Door' s vijands wreed geweld benard, Gestaâg in' t aaklig zwart. 3. Zend, Heer! uw licht en waarheid neder, En breng mij, door dien glans geleid, Tot uw gewijde tente weder; Dan klimt mijn bange ziel gereeder Ten berge van uw heiligheid, Daar mij uw gunst verbeidt. 4. Dan ga ik op tot Gods altaren, Tot God, mijn' God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren Tot roem van zijne goedheid paren, Die, na kortstondig' ongeneugt, Mij eindeloos verheugt. C 5. Mijn ziel! hoe treurt ge dus verslagen? Wat zijt g' onrustig in uw lot? Berust in' s Heeren welbehagen: Hij doet welhaast uw heilzon dagen: Uw hoop herleev', naar zijn gebod: Mijn redder is mijn God. PSALM 44. God! wij mogten met onz' ooren Weleer van onze vaadren hooren, Wat werk Gij in hun dagen MOHVAVAV gen wrocht, Hoe G'oudtijds hen met heil bezocht. PSALM 44. Gij hebt de heidnen met uw hand Verdreven, dat zij' t erf verlieten; Hen fel geplaagd, uw volk geplant, En op het weeldrigst voort doen schieten. 2. Hun zwaard deed hen dit land niet erven; Hun arm deed hen geen heil verwerven; Maar uwe regterhand, uw magt, Heeft hun dien voorspoed toegebragt: De glans van' t godlijk aangezigt Heeft hen de zege weg doen dragen: Want Gij omscheent hen met het licht Van uw genadig welbehagen. 600+ 3. Gij zelf, o God! die uit uw woning, Ons hulp verleendet, zijt mijn Koning; Verlos ons van ' t gedreigde kwaad; Gebied het heil voor Jakobs zaad. Gij doet ons onze weêrpartij Met hoorDen stooten in de lenden; In uwen naam vertreden wij Die tegen ons de wapens wenden. $ 4. Stap ik vol moeds ten ooreloge,' k Vertrouw niet op 111 F mijn' staalen boge; Ik weet, dat in den heeten strijd, HAL MUVIN 112 E strijd, Mij zwaard noch dapperheid bevrijdt. Maar Gij verlost den veegen Staat, Van' s vijands magt, waarvoor wij duchten; Ook doet uw hand al wie ons haat PSALM 44. 5.' t Is God, dien w' onzen Redder noemen; In wien w' ons al den dag beroemen. Den lof uws naams, alom verbreid, Verheffen wij in eeuwigheid. Maar nu E Met schand' en schaamte henen vlugten. 1. PAUZE. verstoot Gij ons, o Heer! met schand' bedekken; Dewijl Gij met ons heir Wij zien ons hoofd niet meer Ter hulp, als eertijds, uit wilt trekken. 104 6. Gij doet ons bevend rugwaarts wijken, En steeds voor d' overmagt bezwijken Van haatren, die ons Vast rooven in hunn' euvelmoed. goed en bloed Gelijk de schapen die men slagt, Hebt G' ons aan hen tot spijs gegeven; Ons onder' t heidendom gebragt, Daar wij verstrooid, vol kommer, leven. 7. Het volk, dat Gij hebt uitverkoren, Verkoopt G' aan die uw erfdeel storen, Voor geen waardij, hoe min men OHVAHURVAA men bied': PSALM 44. En hunnen prijs verhoogt Gij niet. Gij stelt ons tot een' bittren smaad Voor schampre buren die ons honen: De spot en schimp straalt van' t gelaat Der volken, die rondom ons wonen. 8. Gij doet ons tot een spreekwoord strekken Den heidnen, daar G' ons heen doet trekken; En' t volk, dat ons te snood berooft, Schudt over ons afkeerig' t hoofd. Mijn schande stelt men valsch in' t licht, Z' is nimmer uit mijn oog geweken; De schaamte dekt mijn aangezigt, Zoo dat ik' t hoofd niet op durf steken. 9. De stem des honers moet ik hooren; Zijn lastertaal klinkt mij in d' ooren; De booze vijand koelt zijn' moed, En dorst wraakgierig naar ons bloed. Wij hebben echter in die smart, Schoon wij dit alles ondervonden, U niet vergeten in ons hart, Noch trouwloos uw verbond geschonden. 2. PAUZE. 10. Ons hart heeft zich van U, in nooden, Niet afgekeerd tot valsche goden; En onze gang week 8 113 niet HAL VES 114 AARVAVIV niet van' t pad, 50 L PSALM 44. in een plaats der draken, Dat Gij ons voorgeschreven hadt. Al hebt G'ons, in uw' toornegloed, Verpletterd Vivives En en bang gemoed De doodsvalleijen doen genaken. 11. Ja, hadden W', in dien druk gezeten, Den ons verdrukt naam van onzen God vergeten, De handen, in verlegenheid, Tot vreemde goden uitgebreid; Zou God, naar zijn onkreukbaar regt, 5 daad niet onderzoeken? Al wat in' t hart wordt Die euveloverlegd, * 12. Maar wij, om uwent wil verdreven, Verliezen, al de smart vergrooten? Ontwaak, Kent Hij, tot in de diepste hoeken. den dag, het leven; Wij worden slechts van hen geacht Als schapen, voor het mes gebragt. Waak op, o Heer! waarom toch zoudt Gij slapen, en toon dat G' ons nog aanschouwt, En ons niet eeuwig wilt verstooten. 13. Waarom, daar wij uw' bijstand vergen, Zoudt Gij uw aangezigt verbergen? Waarom vergeten onz' ellend' En OHVAVAVAV PSALM 44, 45. onderdrukking zonder end? Want onze ziel, die naauwELÇo lijks leeft, Is treurig in het stof gebogen; Daar onze AVAVAVAVA buik aan d' aarde kleeft, Bezwijken wij in onvermogen. 14. Sta op, o God! toon medelijden, Laat ons uw' arm van nood bevrijden, Verlos ons uit den angst, 0 Heer! Zoo krijgt uw goedheid eeuwig d' eer. PSALM 45. ijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, Zal # ' t schoonste lied van eenen Koning zingen; Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft, Is z' als de pen van een', die vaardig schrijft. Beminlijk Vorst! uw schoonheid, hoog te loven, Gaat al het schoon der menschen ver te boven; Genâ is op uw lippen uitgestort: Des G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.. 2. Gord, gord, o Held! uw zwaard aan uwe zijde, Uw blinkend zwaard, zoo scherp gewet ten strijde; Vertoon uw' glans, vertoon uw majesteit; Rijd zegerijk in uwe heerlijkheid 8* D Op' t zuivre woord der 115 waarAnvives ANAANVAN 116 waarheid; rijd voorspoedig, En heersch alom regtvaardig en zachtmoedig. Uw regterhand zal' t godlijk PSALM 45. rijk behoên, En in den krijg geduchte daden doen. 3. Uw pijlen, fel van uwen boog gedreven, scherp, en doen geheele volken beven; Zij vellen neêr wat uw vermogen tart, En dringen diep Zijn in' s vijands wreevlig hart. Gij zult, o God! in eeuwigheid bekleeden Den vasten troon van uw geregtigheden: De rijksstaf, dien uw hooge Majesteit In' t Godsrijk zwaait, heerscht met regtmatigheid. 4. O God! uw God heeft mild U overgoten Met 13 vreugdezalf, meer dan uw meegenooten, Omdat uw ziel de goddeloosheid haat, En' t regt bemint. beenen hoven, Uw vorstlijk rijksgewaad, U toegevoerd uit elpenheid loven; Vol eedlen geur, doet elk uw hoog* Hoe ruikt de mirr' en kassie wijd en zijd, En d' aloë, wier geur uw ziel verblijdt! PAU CAVAUHURVAVA 5. Men ziet U blij, in statelijke reijen, Door dochtren zelfs van koningen geleijen: De Koningin staat aan uw regterhand In' t fijnste goud van PSALM 45. PAUZE. Ofirs mijnrijk land. O Dochter! hoor, en zie, en neig uw ooren; Verlaat, vergeet, wat ooit u kon For bekoren, voorheen Uws vaders huis, uw volk, en wat U dierbaar en beminnenswaardig scheen. 6. Dan zal de Vorst van al uw schoon getuigen: Hij is uw Heer, dies moet g' u voor Hem buigen.' k Zie Tyrus dan, die rijke wereldstad, U hulde doen, en offren schat op schat. De Koningstelg, die Hij zijn Bruid wil noemen, schoon te roemen; Is meest om haar inwendig Borduursel is, naar vorstelijken staat, Van louter goud gewerkt in' t praalgewaad. 7. Straks leidt men haar in staatsie uit haar woning In kleeding, rijk gestikt, tot haren Koning: Zoo treedt zij voort met al den maagdenstoet, Die haar verzelt, U vrolijk te gemoet. Zij zullen blu, geleid 117 met HAL AURORVAVAVAHVIVES 118 B VANAVA met lofgezangen, De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen, Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof, Ter bruiloft treên in' t koninklijke hof. PSALM 45, 46. 8. In plaats van uw doorlucht' en vrome vaadren, Gij eerlang uw zonen zien vergaadren, En stellen hen, door uw geduchte hand, Al' t aardrijk door, in vorstelijken stand. slacht doen kennen; aan U gewennen: Zult 2. Laat Ik zal uw naam bij elk geVan. kind tot kind zal' t zich Zoo rolt uw lof op' t ruime wereldrond, In eeuwigheid, uit aller volkren mond. PSALM 46. od is een toevlugt voor de zijnen, Hun sterkt', als zij door droefheid kwijnen; Zij werden steeds zijn hulp gewaar In zielsbenaauwdheid, in gevaar: zal geen vrees ons doen bezwijken, Schoon d' aard' uit hare plaats mogt wijken; Schoon' t hoogst gebergt' uit zijne steč Verzet wierd' in het hart der zee. Dies vrij het schuimend zeenat bruisen, D' ontroer OHVAHURVAH roerde waatren hevig ruischen; De golven mogen, door haar woên, Het berggevaarte daavren PSALM 46. doen; De stad, het heiligdom, de woning Van God, den allerhoogsten Koning, Wordt in haar muren, t' allen tijd', Door beekjes der rivier verblijd. 3. Geen onheil zal de stad verstoren, Daar God zijn woning heeft verkoren: God zal haar redden uit den nood, E Bij' t dagen van het morgenrood. Men zag de heidnen kwaad beramen; De Koningrijken spanden zamen; Maar God verhief zijn stem, en d' aard' Versmolt, voor' s Hoogsten toorn vervaard. PAUZE. 4. De HEER, de God der legerscharen, hoedt ons in gevaren; De Heer, de God varf Jakobs zaad, Is ons een burg, een toeverlaat. Is met ons, te stuiten is, wilt op' s HEEREN daden merken; Aanschouwt Komt, des Hoogsten groote werken. Zijn magt, die nooit' 5. God stilt alom het oorelogen; Maakt d' aarde tot een wildernis. Zijn arm ver119 breekt VIVES 120 breekt de taaije bogen; Doet spies en speer aan stukken slaan, VAVANAVAN Laat af! dus spreekt de Heer der heeren: Ik ben God, elk moet mij eeren; van Jakobs zaad, neêr. PSALM 46, 47. ja' t gansch heelal Verhooge mij met lofgeschal. 6. De HEER, de God der legerscharen, ons, hoedt ons in gevaren. magt. En wagens door het vuur vergaan. 2. Naar Zingt des Hoogsten eer; vel, E Onzen God uw vreugd, Weest te zaâm verheugd. Weet! Het heidendom, uicht, o volken! juicht; Handklapt, en betuigt Is ons een burg, een toeverlaat. PSALM 47. den band, Is met De Heer de God Gods wijs bestel, Over' t rond der aard', Wijd en zijd vermaard. Alles ducht zijn kracht; Alles vreest zijn Buigt u voor Hem Zijne Majesteit Maakt haar heerlijkheid, Op Gods hoog beSlaan wij, door zijn hand, Volken aan Die, door ons verneêrd, Door ons over OHVRUHURV derijk, overheerd, Strekken tot een blijk, Hoe Hij, liefAan zijn woord gedenkt, D' erfenis ons schenkt, PSALM 47. Jakobs heerlijkheid, Aan hem toegezeid. 3. God vaart voor het oog Met gejuich omhoog; ' t Schel bazuingeluid Galmt Gods glorie uit. Heft den lofzang aan; Zingt zijn wonderdaân; Zingt de schoonste stof; 100 AVAVFAR Met een' zuivren galm, Met een' blijden psalm: Hij, de Vorst der aard', Is die hulde waard. 4. Zingt des Hoogsten eer, Opdat ieder leer' Hij van zijn' troon Zingt des Konings lof, Hoe Hij heerscht alom Over' t hejdendom; Hoe # Daar het al voor bukt. Geeft zijn rijksgeboôn, 5. D' Eersten van den Staat, Naar Gods wijze wet, rukt, Nu hun' t godlijk licht Straalt in' t aanEedlen, gansch vergezigt, Deelen in ons lot, Eeren Abrams God. Die den onderzaat, Zijn ten schild gezet, 121 Eeren' s Hoogsten magt: God munt uit in kracht. PSALM AURORVAVAVELAVIVES 122 D ANAVA zegen PSALM 48. e HEER is groot; elk zing' zijn' lof In Salems 作 stad en tempelhof, Daar onze God, bij zuivre tooPSALM 48. nen, Op zijnen heilgen berg wil wonen. Hoe schoon, hoe welgelegen, Wat vreugd voor d' aard', wat Is Zions berg! hoe grootsch, hoe blij, Hoe heerlijk aan de noorder zij'! Wie is' t, die niet de Godstad roemt, De stad des grooten Konings noemt? be 2. In haar paleizen vestigt God Zijn' troon, wordt daar erkend een slot En hoog vertrek voor' t volk den; te wezen: Geen vorsten heeft men daar te vreezen. Pas hadden zij, verbonden, Den togt zich onderwonPas hadden zij de stad in' t oog, Of hun verwondring steeg zoo hoog, Dat Zion, slechts van ver te zien, Hen straks van schrik terug deed vliên. 3. Daar greep hen beving aan, vervaard, gelijk een vrouw die baart. Vol smart, Zoo doet G' een' oostenwind de kielen Van Tarsis' vloot in zee vernielen. Wij ORVAUHURVAAVA Wij zagen,' t geen onz' ooren Voorheen slechts mogo ob p ten hooren, In deze stad, den troon der eer, Van God, der legerscharen HE E R. PSALM 48. uw roem gerezen, HAVAVA kloeke daân, In eeuwigheid haar vast doen staan. PAUZE. vijand sloegt 4. Wij, o verheven Majesteit! Gedenken uw weldadigheid, In' t midden van uw heilge woning. Gelijk uw naam is, groote Koning! Bij ons te regt geprezen, Zoo is En bij de volken zeer vermaard, Tot aan het uiterst' eind der aard'. Uw regterhand, die' t kwaad niet duldt, Is met geregtigheid vervuld. 5. Dat Zions berg weêrgalm' van vreugd; Judaas dochters zijn verheugd; Wijl Gij haar' Xx ' t strijden. Gaat Hij zal, door magt en ' t geweld, Laat rond aan alle zijden: Telt al de vestingwerken En torens. D die' t versterken; Ja ziet, met een oplettend oog, Paleizen steigren hemelhoog, En stout verduren al Opdat gij' t aan uw kroost vertelt. * 6. Want deze God is onze God; Hij is ons deel, 123 ons AVAILAVINGS 124 ons zalig lot, ij, volken! ANANA scheiden: Ter dood toe zal Hij ons geleiden. kroond; PSALM 48, 49. Door tijd noch eeuwigheid te woont,' t Zij laag van staat, of hoog met eer bewacht, de snaren PSALM 49. hoort, waar g' in de wereld dit woord. Mijn mond brengt niets dan loutre wijs2. Wat zou ' t Zij rijk of arm, komt, luistert naar heid voort, Bij mij in' t hart opmerkzaam overdacht. Ik neig het oor, daar' k op Gods inspraak Naar' s Heeren spreuk, en zal u op Der blijde harp, geheimen openbaren. mij toch doen vreezen in een' tijd, Waarin het kwaad, het onregt mij bestrijdt, # ik omringd, benaauwd ben door' t geweld, in mijn' val zijn hoogst genoegen stelt? hem betreft, die op zijn' schat betrouwt, al zijn' roem op grooten rijkdom bouwt: Als Dat Wat En Zijn schat behoudt zijn' broeder niet in' t leven: Hij MORAVHUH Hij kan daarvoor aan God geen losgeld geven. PSALM 49. 3. Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen; Hij wenscht vergeefs hier altoos' t licht te zien, schat, het naar bederf t' ontvliên. niet onbekend: kan baten, der wijzen levensend; Der dwazen dood blijft hem En, door zijn' Hij ziet elk uur Hij ziet, dat hun in' t sterven niets jdoo Maar dat zij' t al aan andren overlaten. 4. Al zegt zijn hart: ,, mijn huis zal eeuwig staan, ,, Van kind tot kind gedurig overgaan; Al heeft hij' t land, waarop zijn trotschheid roemt, Zijn grootschheid bouwt, naar zijnen naam genoemd; zely' door dwazen hoogmoed vleit; ' t Is alles wind, waar zich zijn hart meê streelt: De mensch, hoe mild door' t aardsch geluk bedeeld, Hoe hoog in eer, in magt en staat verheven, Vergaat als' t vee, en derft in' t eind het leven. PAUZE. 5. Hoewel zijn weg niets is dan ijdelheid, En hij zich Stapt echter 125 ' t kroost, HAL ÁÐKORVAVA 126 AVAN ' t kroost, dat in der oudren woord PSALM 49. pen naar op' t zelfde doolpad voort: dier kindren leven af; Zij volgen hen als schahet graf; En in den dag, den grooten * dag des Heeren, Zal over hen d' opregte triomferen. 6. Men denkt niet meer aan hunn' verleden' staat, Behagen schept, De dood maait ook Wijl al hun glans met hen in' t graf vergaat: magtig huis in Maar na den dood is' t leven mij bereid; neemt mij op in zijne heerlijkheid. dan niet, die groote schatten heeft, eer en aanzien leeft; naam, zijn roem, zal niets in' t sterven met zich dragen; ter ' t ligt al ieder roemt zijn weeld' en overdaad; in' s afgronds donkren nacht. hoe waard, hoe groot in eer, God Vreest hem Wiens Want hij 7. Schoon hij zich op deez' aard' in wellust baadt, En Zijn neêr geslagen. tans, gelijk zijn gansch geslacht, Vervreemd van God, Hij daalt nogGij dan, o mensch! Zoo gij den wil versmaadt MAVAUHURA Di smaadt van uwen Heer, Dan gaat gij, als de beesten, haast verloren: Een wis bederf is u ten lot beschoren. PSALM 49, 50. dwijnt; E er goden God verheft zijn stem met magt, En roept deez' aard', van daar de zon met pracht In' t oosten rijst, tot daar z' in zee verPSALM 50. schijnt God vol van glans, om op zijn' troon te stijgen: Hij, onze God, Hij komt en zal niet zwijgen. Uit Zion, zoo volkomen schoon, ver2. Verterend vuur gaat voor zijn aanzigt heen; 64 Een felle storm verzelt alom zijn treên: Hij zijn volk zal rigten voor elks , Die mijn 99 Roept Hij tot aard' en hemel van omhoog: , Verzamelt mij mijn dierbre gunstgenooten, Nu 3. De heemlen zijn getuigen van zijn regt; 00g, verbond op' t heilig offer sloten." God is zelf de Regter die' t beslecht. gij, mijn volk! hoor, Isrel! daar ik tot Want Hoor 1:27 U spreek HVALA 128 spreek die AVANAX gestaag en 100 roep: ' k Bestraf u niet van wege d' offeranden, Want PSALM 50. Ik Neen; mij voor beesten er op duizend bergen 6. Roept 5. Nooit klaagd' Ik' t God, Voor' t brandaltaar, begeeren bok of ooi; al' t gediert' der wouden is het Mijn'; d' aard' 4.' k Zal uit uw huis geen var, noch uit uw kooi, op offert Ik ben in den outer uw nood zijn; gels ooit rondom hun toppen vlogen; wild des velds,' t is al in mijn vermogen. PAUZE. God, Daar branden. Want Wat Zou stierenvleesch, of wat ooit menschen voedt, Mijn spijze zijn? mijn drank der bokken bloed? Wat VOGod' uw dankbre lofgezangen: ' t Geen gij belooft moet d' Allerhoogst' ontvangen. Mij, tot Heer; Dan help Ik u, Maar zijne taal tot goddeloozen luidt: Het u, indien Ik honger had: is Mijn', en al wat zij bevat. uw' God en en gij geeft Gode d'eer. Waar MOHURVALKY om roemt gij u als mijn verbondelingen, Daar toch g'u door woord noch straffen laat bedwingen? steelt; deelt 7. Ziet gij een' dief, gij loopt met hem en Gij zijt heen: Uw 8. Gij kwaad; PSALM 50. spreekt gij mijne wetten uit? Wat smaad, En steeds gewend aan en blij; als gij: het, snoode tong is In' t vuil vermaak van hun ontuchtigUw mond is vol van ongebonden reên; * die met overspelers zit, gij spreckt van afgerigt op liegen, veinzen en bedriegen. uwen broeder Uw moeders zoon vervolgt gij bits met Opdat ik niet En lastert hem; dit doet gij vrij Ik zwijg, dies meent ge, at ik ben ' k Zal over u een heilig vonnis vellen, En uw gedrag u klaar voor oogen stellen. 9. Verstaat dit toch, vergeters van Gods wet verscheur', en niemand redd'. Wie' t dankbaar hart mij biedt ter offerand', 9 129 Die HURES 130 VANAVAVA Die geeft mij eer, en PSALM 50, 51. elk, wie wet geschonden; Zijn wegen rigt, mag op mijn gunst vertrouwen; Ik zal Gods heil hem eeuwig doen aanschouwen. PSALM 51. mij toch naar uw barmhartigheden; met enâ, o God! genâ, hoor mijn gebed: Verschoon was in uw oog; verstand schuld, vergeef mijn overtreden; U goedheid wordt noch paal nog perk gezet. Ai! wasch mij wel van ongeregtigheid: Mijn schuld is zwaar, ik heb uw Delg uit mijn Zie mijn berouw, hoor, hoe een E boetling pleit, En reinig mij van al mijn vuile zonden. 2. Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad; zonde zie' k mij steeds voor oogen zweven;. #ff tegen U, ja U alleen, misdreven; hoe heilig, stout versmaad. Ik heb gedaan, dat kwaad Mijn ' k Heb Uw' wil en wet, Dies ben ik, Heer! uw gramschap dubbel waardig.' k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, uw vonnis gansch regtvaardig, 3.' t MOHAVHIHA PSALM 51. 3.' t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; Neen, ' k ben in ongeregtigheid geboren: Mijn zonde maakt mij * ' t voorwerp van uw' toren, Reeds van het uur van mijn ontvangnis af. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in' t gemoed; Gij, Heer! die weet al wat ik heb misdreven; Gij, die mijn' geest met wijsheid hadt gevoed, En in mijn ziel uw godlijk licht gegeven. 4. Ontzondig mij met hij zop, en mijn ziel, Nu gansch melaatsch, zal rein zijn en genezen; Wasch mij geheel, zoo zal ik witter wezen Dan sneeuw, die versch op' t aardrijk nederviel. Ai! geef mij weêr gewenschte zielevreugd; Laat uit uw' mond mij stof tot blijdschap hooren: Zoo wordt op nieuw' t verbrijzeld hart verheugd, En in mijn' geest de ware rust herboren. PAUZE. 5. Verberg uw oog van mijn bedreven kwaad, Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden; toch uit mijn schuld en al mijn zonden, 9* Delg, delg En spreek 131 mii anvives 132 AAAAAAA leer mij vrij van mijne gruweldaad. Herschep mijn hart, en reinig Gij, o Heer! Die vuile bron van al mijn # wanbedrijven; Vernieuw in mij een' vasten geest, en PSALM 51. Mij aan uw dienst opregt verbonden blijven. 6. Verwerp mij van uw aangezigt toch niet; van mij uw' heilge Geest niet scheiden; leen op' t regte spoor mij leiden. daar Gij mijn zwakheid ziet. Ai! laat tot U bekeeren, Die kan alBestier mijn' gang, Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest, De blijdschap weer; doe op uw heil mij hopen; Laat mij, gesterkt door eenen eedlen geest, Volvaardig' t pad van uw geboden loopen. 7. Dan zal ik elk, die' t heilspoor bijster is, Vrijmoedig al uw regte wegen leeren; De zondaar zal zich dan L En scheppen moed uit mijn behoudenis. O God! Gij, God mijns heils! vergeef mijn schuld, Mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen; Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld, Uw heilig regt, gepaard met goedheid, roemen. 8. Heer! 8. Heer! open Gij mijn lippen door uw kracht, Zoo zal mijn mond uw' lof gestaâg vermelden. Geen offer FE£ kan voor mijne zonden gelden; Behaagd' U dat, straks VAUHAVAVAAMAAVA werd het U geslagt. Indien Gij lust in brandend' offren ken; hadt, Dan werd het vuur door mij gewis ontstoPSALM 51. schat, Maar zou' t altaar van offervee doen rooken. Ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch 9. Gods offers zijn een gansch verbroken geest, Door schuldbesef getroffen en verslagen; Dit offer kan uw heilig oog behagen:' t Is nooit, o God! van U veracht geweest. Doe Zion wel, laat om mijn' zwaren val, Uw goedheid niet van zijne burgren wijken; Bouw Salem op, Dan Door uwe straf, voor' s vijands magt bezwijken. Dan laat nooit zijn' muur en wal, 10. Dan vindt Gij in onz' offeranden lust, Waarmee wij U, naar' t heilig regt, vereeren; zal' t altaar de varren gansch verteren; wordt het vuur daarop nooit uitgebluscht. 139 PSALM KORVAU VIVIM 184 WE VVVIVAN aartoe u dus beroemd in' t kwade, meetle dwingeland? den ganschen PSALM 52. PSALM 52. genade En trouwen onderstand. 2. Uw tong, die toelegt om Ik dag; Zijn onregt, haat de deugd; Le steun gerust op scheermes snijdt, Durft zich met snood bedrog beraden, Uit bittren wrok en nijd. Gij mint het plaats r 3. Gij grieft mij door uw schampre woorden, God, die uw gedrag verfoeit zullen, vrij te moorden; Maar beef! gij wordt welhaast 5. ,, Zie," zal Zijn goedheid duurt te schaden, En als een taal, die mij verbaast; Gij tracht mij door uw tong almagt wekt ontzag. VerGods nood, men De logen baart u vreugd. 9 4. God zal u voor zijn wraak doen bukken, ken, Ontwortlen uit uw' stand. zijn sterke hand, U uit uw tent en schuilDoor Voor eeuwig uitgeroeid. Door En, eggen, ,, zie den dwazen, De vromen Dan lagchen om uw' dood. Die, CAVAVAVAVA ,, op zijn' rijkdom stout, Ons wilde door zijn magt 99 PSALM 52, 53. , verbazen, Op God niet heeft vertrouwd; Zijn sterk,, te kreeg hij door geweld: Nu ligt hij neêrgeveld." 6. Maar ik zal als d' olijfboom groeijen, E des grooten Gods. Ik zal in eer en godsvrucht E bloeijen; God is mijn steun en rots. In' t huis gunst, mij toegezeid, Vertrouw' k in eeuwigheid. 7. Mijn God! zal ik eeuwig loven, Omdat Gij boven, Op zijne ' t hebt gedaan;' k Verwacht uw trouwe hulp van Uw waarheid zal bestaan: Uw naam is voor' t opregt gemoed Van al uw gunstvolk goed. PSALM 53. Stem 14. 135 e trotsche dwaas zegt in zijn boos gemoed: ,, Daar is geen God." Zij dooven' t licht der rede, En maken zich, door gruwelijke zeden, Afschuwelijk; daar is geen mensch, die goed Op aarde doet. 2. God, die het regt met kracht verdedigt, sloeg Van ' s hemels troon zijn oogen naar beneden Op Adams kroost, 136 ANANANANANAVAV PSALM 53. kroost, doorzocht hun hart en zeden; ELE zich geen mensch verstandig droeg, En naar Hem vroeg. 3. Hij zocht alom, maar ach! Hij vond er geen'; Want alle vleesch is trouwloos afgeweken; Het land is vol van stinkende gebreken; Geen sterveling wil' t pad der deugd betreên, Ja zelfs niet één. 4. Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaân, Geen Hij zag, of kennis? neen! thans durven die ontzinden Met gulzigheid mijn volk als brood verslinden; Zij roepen, op hun god vergeten paân, Zelfs God niet aan. 5. Op' t onverwachtst zijn zij in angst gebragt; Want God heeft uw belegeraars doen vlugten, Hun beendren zelfs verstrooid; die u deên zuchten schaamd; want God verwerpt, veracht Dit boos geslacht. Israël! Als God zijn volk uit lijden 6. Och daalde' t heil uit Zion spoedig neêr Voor den redt, zal Jakob zich verblijden, Hebt gij berael al juichend geven d' eer En banEn IsV Aan zijnen Heer. PSALM 0 OHVA HIRV PSALM 54. PSALM 54. God! verlos mij uit den nood, AVAVAVA En red door uwen naam mijn leven; Mijn rigtzaak zij an U " verbleven; Och of uw arm mij bijstand bood'! 0 God! sla acht op mijn gebed; Neig tot mijn rede gunstig d' ooren, En wil mijn bittre klagt verhooren; Zoo word' ik uit den angst gered. 2. Want vreemden steken' t hoofd omhoog Tot mijn verderf; ik zie tirannen, Om mij te dooden, zamenspannen; Zij stellen God zich niet voor' t oog. Zie! God, die nimmer mij vergeet, Is mij een helper in mijn lijden; Hij voert hen aan, die voor mij strijden, En ondersteunt mij in mijn leed. 3. Hij zal dit kwaad, dit boos bestaan, Aan mijn verspiederen vergelden. Roei uit die tegen mij zich stelden; Het gaat uw trouw en waarheid aan. Ik zal U, met een blij gemoed, Vrijwillig offren, HRER der heeren! Ik zal uw' naam met lofzang 137 eeren: HUHURTS Vanvives VIVIM 138 ANAVANAVAN eeren: PSALM 54, 55. Dit eischt uw naam; want hij is goed. 4. Want God wil mij zijn' bijstand biên; Hij heeft mij' t onheil doen ontkomen, En mijn benaauwdIk heb mijns vijands val gezien. heid weggenomen: God! neem mijn gebed ter ooren, PSALM 55. die' t geroep uws volks wilt hooren, merklagt, U niet voor al mijn smeeken; Heer! geef gunstig acht Op mijn misbaar en jam2.' t Geroep des vijands doet mij beven; met snood beleid, Waarin de nood mij uit doet breken. word door angst en schrik gedreven, geperst door goddeloozen; Verhoor mij, Gü, Verberg 3. Mijn hart voelt ween en bange nepen; doodschrik heeft mij aangegrepen; Men schuift op mij, heeft mijne ziel bevangen; Een Ik Een' last van ongeregtigEn fel heid; Hoe vinnig treft de wraak dier boozen! De De vrees kille beving komt komt mij aan, slaan; OHVAVAVAVAVAVA VRHURVAVAVAVAVAVAVAR PSALM 55. 4. ,, Och gaf mij iemand duivenvleuglen! Dies roep ik uit met sterk verlangen: En siddring doet mijn leden ,, mijn drift waar' niet te teuglen; Ik vloog, tot ,, daar ik kon verwachten Mijn veiligheid, waar ,,' t ook mogt zijn, In' t barste zelfs der zand,, woestijn, 5. Welhaast had ik de vlugt genomen, Om dezen haat en wind, deez' storm t' ontkomen. hen uw vuur verslinden; verwar hun spraak; Gewis, Daar ik in stilte zou vernachten.' list, onschuld kan er baten; O Heer! laat 7. Zag ik mij door Verdeel hun tong, wraak Zijn in de stad alom te vinden. 6. Bij dag, bij nacht, ja t' aller uren, Omringen die haar op de muren; Geen regt, geen Want twist en wrevel, heerscht de twist; Het wreed verderf, de snoode Maar binnen in haar ' t Bedrog wijkt nimmer van haar straten. PAUZE. een' vijand jagen, Dan 189 kon, UAVAJAIMIAURUHURUHURUAVAVAVAIRIAURORVAVAVEnvives 140 VVVVVV kon, dan zou ik dit verdragen; mijn hater niet voor dezen, PSALM 55. zich thans verheft:' k Had anders wel' t gevaar beseft, En zou voor hem verborgen wezen. gelijk mij zelv', waardeerde, 8. Neen, gij, gij zijt het, dien ik eerde, Dien ik, meenzaam plag te handlen, Mijn leidsman, met mij eensgezind, Met wien ik raadpleegd', als mijn' vrind, En zamen naar Gods huis mogt wandlen. boosheid huisvest in de harten God, 9. Dat hen de dood als schuldheer velle, Maar' t was levend stort' in' t diepst der helle; 10.' k Zal Die tegen mij ' k Zal ' s avonds klagen, ' s morgens Met wien' k gedit booze rot; Maar ik zal roepen tot mijn' kermen, die mij van dezen strijd En Die mij zal redden uit mijn smarten. Want En tenten van zuchten, stenen; ' s middags weenen, En God zal op mijn bede merken; Die God, In vree door zijnen arm MOHVAVAVI arm bevrijdt; Hoe velen ook mijn' val bewerken. 11. God zal mij hooren, en hen plagen, Die God, die reeds van oude dagen Als regter zat, PSALM 55. om' t kwaad to weren; tucht ontwend, kent, En God noch vreezen wil, noch eeren. 12. Hij slaat zijn handen aan zijn vrinden; Geen vreêgenootschap kan hem binden; verbonden, speelt met eeden. gladder is zijn mond harten grond Dewijl dit volk, der In' t minste geen verandring meer, 13. Zoo zacht als olie is zijn spreken; Hij schendt Dan boter; maar zijns noch zwaard kan scherper steken. Hij vleit, en Is vol vau krijg en bitterheden. Maar spies God zal u onderhouden; Werp uwe zorgen op Mijn ziel! den HEER: Zijn trouwe gunst duldt nimmerDat, die Hem vreezen, wanklen zouden. 14. Gij, Heer! Gij zet den boozen palen, En 141 zult hen doen ten afgrond dalen. Wie op bedrog RAVAL UFURURUBURIHURUAVAVAVAJAJAJKORVAVAVEVAVIVOS JAVAMANAVAVIN 142 AANAAANVAN drog zijn hoop wil bouwen, En dorst naar hloed, dien kort uw straf De helft van zijne PSALM 55, 56. dagen af; Maar ik, ik zal op U vertrouwen. PSALM 56. enâ, o God! bescherm mij door uw hand: Zie, hoe ik ben omringd aan allen kant; Zie, hoe de mensch zijn booze netten spant, Om mij daarin te jagen. Den ganschen dag is' t oog op mij geslagen; Zijn list legt mij op al mijn wegen lagen; Zijn magt vergroot mijn ongeluk en plagen, Ontroert mijn ingewand. 2. Maar word' ik ooit met bange vrees belaân, Dan zal op U mijn vast betrouwen staan. Ik prijs in God zijn woord; ik steun voortaan Op Hem: zou vleesch mij deren? Ik vrees hen niet, die mijne smart vermeêren; Mij, € dag op dag, door lastertaal onteeren; in een' valschen zin verkeeren, Mijn woorden Arglistig mij verraân. 3. Zij rotten zaâm en houden boozen raad, $$ wijl mij elk in' t heimlijk gadeslaat, Mijn schreTerden CAVAVAVAVAH PSALM 56. den volgt, en mij naar' t leven staat, Door ramp noch klagt bewogen. Zoudt Gij, o God! nog, met uw heilig' oogen, Hun boosheid zien, en straffeloos gedoogen? Neen stort hen neêr door uw geducht vermogen; Uw gramschap straff hun kwaad. PAUZE. nooit 4. Gij weet, 0 God! hoe' k zwerven moet op aard'; Mijn tranen hebt G' in uwe flesch vergaard: Is hun getal niet in uw boek bewaard? Niet op uw rol geschreven? Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven, En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven; Dit weet ik vast, God zal mij begeven: Niets maakt mijn ziel vervaard." 5. Ik roem in God; ik prijs' t onfeilbaar woord: Ik heb het zelf uit zijnen mond gehoord;' k Vertrouw op God, door geene vrees gestoord: Wat stervling zou mij schenden? Ik heb beloofd, wanneer G' in mijn ellenden Mij bijstand boodt, en' t onheil af zoudt wenden, Tot U, o, God! mijn' lofzang op te zenden, Door ijver aangespoord. 143 6. Gij HUHURVEY AniVives 144 KAINAVINAMAVEVIVIVAN T 6. Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; Gij PSALMI 56, 57. rigt mijn' voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood: mijn smart verdreven; Uw dierbre gunst is m' altoos bijgebleven.' k Zal, zijn bevelen leven: Zoo word' door mij zijn naam altoos verheven; Zoo word' zijn lof vergroot. Gij hebt Tot voor Gods oog, naar PSALM 57. ená, 0 God! genâ, hoor mijn gebeên; Want mijne ziel betrouwt op U alleen; Mijn toevlugt is de schaduw uwer vleuglen; Ik berg mij daar voor alle God, tegenheên, Tot dat uw magt den vijand zal beteuglen. 2. Ik roep tot God, den Koning van' t heelal; die' t werk aan mij voleinden zal, Die van omhoog mij redt uit mijn ellenden, En, hoe men woed', mijn' vijand brengt ten val: God zal zijn gunst en waarheid nederzenden. 3. Door Gods genâ wordt mijne ziel gered, Schoon zij rond rondom van leeuwen is bezet. Ik lig, gedrukt door felle stokebranden; Hun tongen zijn, als zwaarden, scherp gewet; Als spiesen en als pijlen zijn hun tanden. PAUZE. 4. Verhef, o God! verhef U hemelhoog, Uw eere straal' op aard' in ieders oog. Zij, die een net bereidden voor mijn gangen, OAVAARA 6. Waak nederboog, In eenen kuil, voor mij bereid, gevangen. 5. Uw hand, o God! heeft veilig mij geleid; Ik * ben gered, nu is mijn hart bereid; Het is bereid, om U, mijn God! te loven; Nu wordt uw naam door mij met vreugd verbreid. Mijn en luit! PSALM 57. psalmgezang klimm', tot uw' uit: zen; fluit, Zijn zelv', terwijl mijn ziel zich op, roem, naar boven. mijn eer! waakt op, mijn harp Mijn zanglust streeft den dageraad voor' k Zal onder al de volken, Heer! U prijMijn psalmgezang zal, bij cimbaal en Uw naam alom de plegtigst' eer bewijzen. 7. Uw goedheid, Heer! is groot en hemelhoog; Uw waar10 145 heid HURV VINAVINAVNANANAN 146 heid reikt tot aan den wolkenboog. in elks oog; boven' s hemels kringen; Uw eer versprei' haar' luister EL PSALM 57, 58. Laat ieder die door heel de wereld zingen. PSALM 58. gij vergadering! gezeten Om regt te doen, spreekt gij het regt? Kwijt ieder zich naar zijn geweten? Verhef U dan ver Wordt alles billijk aangelegd? wel inderdaad, Zoo als met regt en wet bestaat? 2. Neen! gij smeedt ongeregtigheden In' t harte, dat van In schijn van billijkheid en reden. boosheid zwelt; Gij weegt op aard' uw snood geweld, nooit gehoor; 6004 En vonnist gij God vervreemd, Zoo ras hun leven aanvang neemt. 3. De booze leugensprekers dolen, Van' t uur, dat zij geboren zijn; In hart en mond ligt heet venijn, in een vuurge slang, verscholen: Zij geven' t goede Maar stoppen, als een adder,' t oor. 4. Gelijk zich die niet laat bezweren, Godloozen zijn van Als Zoo willen dezen niet verstaan. Verbreek hun tanden, laat voortaan, 0 God! 버 DAVAUHAVA God! uw' arm hun kracht verneêren: PSALM 58. leeuwen, heet op buit, O HEER! de wreede tanden uit. PAUZE. 5. Smelt hen tot water, laat ze drijven; En maak hun Breek jonge # pijlen, daar zij boos Meê mikken, stomp en krachteloos; Laat toch uw' arm hunn' boog niet stijven. in armoe en gebrek, Vergaan, versmelten als een slek. 6. Och! laat hen in hun kwaad niet groeijen; de zon hun oog beschijn'. Doe hen, Maar doe hen als een misdragt zijn; Dat nooit gemoed, Eer dan uw potten zullen gloeijen Van' t doornenvuur, stormt Hij gezwind Hen weg, als in een' wervelwind. 7.' t Regtvaardig volk, gered uit lijden, eens, wanneer' t de wraak aanschouwt, In God, wien' t zich had toevertrouwd, En in zijn waarZal heid zich verblijden;' t Zal zijne voeten, wel8. De mensch zal eerlang vrolijk zeggen: Zelfs wasschen in der boozen bloed. 147 » GeWis de deugd geniet haar vrucht; Gods groot,, heid 10* 148 JAANANANANANA ,, heid wordt te regt geducht, Die loon en straf ,, weet toe te leggen; Gewis, daar is een God, En op deez' aarde vonnis geeft." ,, die leeft, R PSALM 58, 59. PSALM 59. ed mij, o God! uit' s vijands handen; gangen gaan, Verlos mij van de dwingelanden; Uw heil zij, tegen' t wreed geweld, Mij tot een hoog vertrek gesteld. Mijn God!' t behaag' U mij t' ontzetten; Daar d' overtreders van uw wetten, Die niet dan slinksche Bloeddorstig mij naar' t leven staan. 2. Laat, HEER! uw' bijstand niet vertragen; Zie, hoe zij mijne ziel belagen; Zij zijn doldriftig op Schoon de been, En rukken al hun magt bij een; ik geen misdaad heb bedreven, zucht konde geven. Waak op, ontmoet mij, en beschouw Hoe' k op uw magt alleen vertrouw. 3. Ja,' t lust' U, HEER der legerscharen! Als Isrels God t' openbaren; Ontwaak, en straf dit Die stof tot wraak PSALM 59. dit heidendom; Dat niemand uwe wraak ontkom'. Zij trekken, trotsch op wanbedrijven, Waardoor zij trouwloos' t onregt stijven, De stad om, aan den avondstond, En ieder tiert gelijk een hond. 4. De snoodste laster stroomt d' ontaarden Ten mond' uit; ja geslepen zwaarden Zijn op hun lippen; ieder woord Is schimp, vervloeking, wraak en moord. ,, Wie hoort het?" vragen z' onder' t woeden. Maar Gij, o Schutsheer aller goeden! Zult hen belagchen, P en den spot Haast drijven met al' t heidensch rot. 5. Mijn vijand roem' op zijn vermogen; Maar ik, ik sla op U mijn oogen; hulp, o Heer! Gij zijt mijn hoog vertrek, mijn Ik wacht op uwe eer.' k Zal God met goedertierenheden, Mij eerlang te gemoet zien treden, En mij welhaast gewroken zien Aan hen, die listig mij bespiên. PAUZE. ELE 6. Beroof hen niet terstond van' t leven, Opdat mijn 149 volk, RUHURTA Vivives 150 VANANANANA PSALM 59. volk, van angst ontheven, Uw oordeel tevens niet vergeet'. Uw magt, als Gij ter vierschaar treedt, elk van hen als balling zwerven, spiegel, schandlijk sterven; Ja werp, o God, mijn schild! hen neêr, Als trotsche schenders uwer eer. sche lippen' t hart doorwonden, ER 7. Men neem' hen, daar hun lastermonden En valEn,' t kwaad ten Doe hoovaardij. Vergeld hunn' vloek, hun razernij, De als Heerscher is gezeten geert. logens, die zij snood verdichten;' t Betaamt U Gevangen in hun hen gestreng te rigten. Verteer z' in grimmigheid; uw kracht Verteer', verdelg dat snood geslacht. 8. Laat hen eerlang bij d' uitkomst weten, Dat God kwade weert, Ja, tot aan In Jakobs erf, dáár' t ' s aardrijks eind reLaat, als het licht begint te dalen, 9. Laat hen, o God! om spijs verlegen, Hen wederkeeren, zoeken, dwalen, Vol ongeduld, van pad tot pad, Als honden tierend' om de stad. Omzweryen, DAVAU ven, en op nare wegen nis, geest: PSALM 59, 60. Schoon geen van hen verzadigd is. Maar ik zal U mijn sterkte noemen, Uw goedheid' s morgens vrolijk roemen, En zingen met een' dankbren #b Vernachten in de duister,, Gij zijt mijn hoog vertrek geweest." 10. Ik zal, omdat G' in bange dagen vlugt waart, van U gewagen; goedertierenheid Mijn toesterkte zij mijn zang En snarenspel, mijn leven Van U, mijn lang. Ik heb in nood, aan God verbonden, In Hem mijn hoog vertrek gevonden; In God, wiens PSALM 60. Zich over mij heeft uitgebreid. God! hoe hebben wij getreurd, Door U verstooten en gescheurd! Gij zijt op ons vergramd geweest; Keer weer tot ons, wij zijn bevreesd. Gij hebt, o Heer! het gansche land Geschud, gespleten door uw hand; Het wankelt, het gevoelt 151 uw slagen: Ai! red, genees het van zijn plagen. 2. Gij VAHVAL VÄÄÄÄÄÄÄÄÄÄÄÄVAL 152 2. Gij hebt uw volk een harde zaak PSALM 60. door uw gestrenge wraak; Door twist op twist het land gekrenkt, En ons met zwijmelwijn gedrenkt. Maar nu hebt Gij een heilbanier, Tot roem van uw geducht bestier, Hen, die U vreezen, op doen steken: Zoo is uw waarheid ons gebleken. # 3. Geef, Heer! opdat van angst en strijd minde volk moog' zijn bevrijd, Geef heil door Doen zien, ik met uw volk alom: uwe regterhand, En red het zuchtend vaderland. God sprak weleer in' t heiligdom, Dies juich 4. Nu zie ik Gilead gered, naar mijn wet; Heer, Sukkoth meten; Die zullen mijn bezitting heeten. PAUZE. ' t hoofd ' t Be' k Zal Sichem deelen, zijn' moed en kracht; Gehoorzaam luistren En knielt eerbiedig voor mij neêr; mijne legermagt, van Manasse kent mij als zijn' Aan Toont Efraïm Mijn Juda, tot die eer verkoren, Zal mijne rijkswet elk doen hooren. 5. Het CAVAVAVA 5. Het trotsche Moab, overheerd, PSALM 60. f waschpot, diep verneerd. Ik werp op Edom mijnen schoe, En eigen hem ten knecht mij toe: En gij, o Palestina! juich, Strekt mij ten met eerbied, buig U neêr om mij, die tot regeren Gezalfd ben, als uw' Koning teeren. 6. Wie voert mij in een vaste stad, Juich over mij Gij' t niet zijn, 7. Geef mijn vijand veilig schat? Wie zal mij door een heid. sterke hand Geleiden tot in Edoms land? Zult Daar zich geduchte God! Die ons verstiet tot' s vijands spot; Onz' uitgetogen legermagten Vergeefs naar hulp en heil deedt wachten? Gij ons hulp in tegenheên: Bij U is raad, bij U alleen.' t Is vruchtloos, waar men zich mee vleit; Want' s menschen heil is ijdelWij zullen dappre heldendaân In God verrigten: hoe' t moog' gaan, Hij, die van ons wordt aangebeden. Zal onze weêrpartij vertreden. PSALM 153 HAVAL 154 W MANAVAVIVAN PSALM 61. ken PSALM 61. il, o God! mijn bede hooren; Naar mijn zuchten en geweên. In verafgelegen streSchier bezweken, Zoek ik heil bij U alleen. 2. Leid mij, Heer! ik. zou in' t stijgen Nederzijgen; Leid mij op een hooge rots. Wil mij tot een toevlugt wezen, Als voor dezen,' s Vijands wreed geweld ten trots. 3.' k Zal in uwe tent verkeeren, Heer der heeren! Voor Neig uw ooren uw oog, in eeuwigheid. ' k Zal op U mijn vast vertrouwen Altoos bouwen, Door uw vleuglen overspreid. 4. Want uw goedheid, die wij loven, Heeft van boven Mijn geloft' en beê gehoord. Gij deedt mij tot d' erfnis komen Van de vromen', Wie de vrees uws naams bekoort. 5. Gij zult nieuwe dagen voegen, Vol genoegen, Bij des Konings levenstijd; Zijner jaren tal vermeêren In' t regeren, Door uw gunst van ramp bevrijd. 6. Hij zal eeuwig in vermogen, Voor uw oogen, op zijn' troon, o Heer! Zend uw waarheid, uw ontferming Ter bescherming; Zend ze tot zijn wachters neer. 7.' k Zal Zitten SOAVAVAVA 7.' k Zal dan door mijn blijde galmen, Door mijn Loven uwe majesteit; Mijn geloften U Menigmalen Plegtig aan U toegezeid. PSALM 62. Stem 24. psalmen, betalen, M PSALM 61, 62. ijn ziel is immers stil tot God; Van Hem wacht ik een heilrijk lot: Hij immers zal mijn rotssteen wezen, Mijn heil, mijn hulp in mijn gebrek, Mijn toevlugt en mijn hoog vertrek; Ik zal geen groote wankling vreezen. 2. Hoe lang, o wreedaards! zoekt gij dan Het kwade nog van zulk een' man? Uw kracht is veel te zwak en teeder; Haast sterft gij allen door Gods hand: Zoo stort een ingebogen wand, Een aangestooten muur ter 3. Zij raadslaan slechts, vervoerd door haat, Om bedrog; en zoeken neder. hem uit zijnen hoogen staat Te stooten met Met lust hiertoe een' logenvond; Zij zeegnen wel met hunnen mond. 155 Maar VAL VAUVAAVIVOS 156 AAAAAAAAAAAAAAA Maar' t godloos hart doet niets dan vloeken. 4. Doch gij, mijn ziel! het ga zoo' t wil, Stel u gerust, zwijg Gode stil. Ik wacht op Hem: zijn hulp zal blijken. Hij is mijn rots, mijn heil in 5. In #E nood, is groot: Ik zal noch wanklen, noch bezwijken. PAUZE. sterke God is al PSALM 62. rots, 0 volk! in Mijn hoog vertrek; zijn magt mijn tegenweer; God is mijn toevlugt in het lijden. Vertrouw op Hem, gansche hart; mijn smart heil, mijn eer, Mijn God is Stort voor Hem uit uw een toevlugt t' allen tijden. 6. Gemeene lieden immers zijn Slechts ijdelheid, een damp, een schijn; De grooten anders niet dan logen: Zij zouden, hoe hun hart zich vleit, Nog ligter zijn dan d' ijdelheid, In eene weegschaal opgewogen. 7. Vertrouwt, wat uw begeert' ook zij, Nooit op geweld of rooverij, En wordt niet ijdel, als' t vermogen Gedurig aanwast waakt en let, Dat gij het hart er nooit AVAVAVA nooit op zett'; Zoo wordt ge door geen' schijn bedrogen. 8. Eenmaal sprak God tot mij een woord, Tot tweemaal toe heb ik' t gehoord: ,, Dat' s Hee,, ren zijn de sterkt' en krachten!" Ook is bij U de goedheid, PSALM 62, 63. ling weer Vergelding naar zijn werk te wachten. PSALM 63. Stem 17. God! Gij zijt mijn toeverlaat. Mijn God! U zoek ik met verlangen, Zoo ras wij' t morgenlicht ontvangen, Heer! Dies heeft van U elk stery'Bij' t krieken van den dageraad. 0 Heer! mijn ziel en ligchaam hijgen, En dorsten naar U, in een land, Dat, dor en mat, van droogte brand Daar niemand lafenis kan krijgen. 9 om! 2.' k Heb. U voorwaar in' t heiligdom Voorheen beschouwd met vrolijk' oogen. Hoe zag ik daar uw alvermogen; Hoe blonk uw godlijk' eer alWant beter dan dit tijdlijk leven Is uwe goedertierenheid! Och! wierd' ik derwaarts weer 157 geVAAVALY vivives INNVVVVVV 158 geleid, Dan zou mijn mond U d' eere geven. 3. Dan zou ik, voor uw godlijk oog, Uw deugden al mijn leven prijzen, En in uw' naam mijn' zang doen rijzen; Mijn handen heffen naar omhoog. PSALM 63. Mijn ziel zou nieuwe kracht ontvangen, Verzadigd, als met vet en vol vreugd, o Heer! ELO # smeer; Mijn mond zou U 4. Wanneer ik op mijn legerstee Aan U gedenk, Verheffen in zijn lofgezangen. PAUZE. in stille nachten; Dan peinst mijn ziel met al haar krachten, Hoe Gij voorheen in angst en wee, mogendheden Als mij de vijand wild' omringen, Mij vaardig zijt ter hulp geweest: Dies zal ik nu ook, onbevreesd, In schaduw van uw vleuglen, zingen. 5. Mijn ziel kleeft U standvastig aan: Gij ondersteunt mijn zwakke schreden; Uw regterhand vol Doet mij getroost en veilig gaan. Maar dezen, die mijn ziel begeeren, Opdat ik tot ver DAVAVAH verwoesting raak', Staan bloot voor uw geduchte wraak; ' t PSALM 63, 64. 6. Men zal die boozen, door' t geweld Van' t scherp gewette zwaard, doen sneven, En aan de vossen Zij zullen haast ten afgrond keeren. overgeven, Ter prooi alom in' t open veld. Maar ' s Konings hart zal zich verblijden In God, die Hem zweert, ' t gansch heelal regeert; En elk, die heilig bij 7. Want, hoe het ga, de logenmond mer strafloos zegepralen: God stelt der boosheid IS Zal zijne trouw met roem belijden. Zal nimperk en palen, De logensprekers gaan te grond. PSALM 64. Stem 5. ehaag' U mij gehoor te geven; Ik zend $ mijn klaagstem tot uw troon: 0 Heer! dat zich uw hulp vertoon'; Laat mij voor' s VIJands magt niet beven; 2. Verberg mij voor de listigheden, En voor den heiBehoed mijn leven. melijken raad Der boozen, die, geneigd tot kwaad, 159 OpRUHVALS 160 #E VANAVANAVAN PSALM 64.4 Oproerig in hun doen en reden, Steeds onregt smeden. 3. Bescherm mij tegen' t wreed vermogen Van hen, wier tong is als een zwaard; Wier taal, met bitterheid gepaard, Tot pijlen dient op hunne bogen, Om t' oorelogen. 4. Zij leggen lagen voor de vromen, len zich voor hun gezigt, hen met hunn' schicht; hen om doen komen, ¡ VIVA hun booze werken: E 5.' t Is' t kwaad waarin z' elkander En treffen Dat hun tot zamenspraak verstrekt; Waardoor zij wreed Le VerschuiEn niemand schromen. PAUZE. straks strikken houden zij bedekt; Zij zeggen van sterken, , Wie zal die merken?" "" Hun 6. Hun drift, aan snood bedrog verbonden, Spitst daaglijks bloot zijn voor zijn aangezigt, zich op listigheên. Hun hart, hun binnenst' peinst alleen 7. Maar God, aanschouwend' al hun lagen, Op valsch' en eerelooze vonden Om elk te wonden. Die Zal ijlings met met een' scherpen schicht AVAVAVAVAVA door zware plagen, trotsch versmaân, PSALM 64, 65. 8. Hun tong, die andren durfd' onteeren, En ware vromen Le DE Hen treffen, en, 4 Hen straf doen dragen. Ja, elk zal hun den rug toekeeren, En hen verneêren. 9. Dan zullen alle menschen vreezen, Het werk verheffen van den Heer; Zijn' lof verbreiden en zijn eer, En op zijn daân, alom geprezen, talen Zal zelf met schande hen belaân; 10.' t Regtvaardig volk zal zich verblijden, Betrouwend' op den HEER alleen; D' opregten zullen, wel te vreên, Terwijl zij Hem hun harten wijden, Zijn' naam belijden. PSALM 65. Oplettend wezen. e lofzang klimt uit Zions zalen Tot U, met stil ontzag; Daar zal men U, o God! beGeloften, dag bij dag; Gij hoort hen, die uw heil verwachten, O Hoorder der gebeên! Dies zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treên. 2. Een stroom van ongeregtigheden Had d' overhand 11 161 ор WAAVALY VAANAMVIVU¡V¡V¡V 162 op mij; en zuivert Gij. en PSALM 65. Maar ons weerspannig overtreden Verzoent Dien G' uit al' t aardsch gedruisch Welzalig, dien Gij hebt verkoren, uw heilstem hooren, Ja wonen in 3. Daar zal ons' t goede van land, Doet naadren, uw woning reis op reis, En' t heilig deel, o groote Koning! Van uw geducht paleis. Gij, Gij zult vreesselijke dingen Ons, in geregtigheid, Doen hooren, en ons blij doen zingen Van' t heil, voor ons bereid. uw huis. 4. O onze God! o vast vertrouwen Van' t allerverste Verzaden, gen Doet pal staan door uw kracht, die uw almagt toonen, Op wien al' s aardrijks einden bouwen, ' t wijdstgelegen strand. Gij! die de hemelhooge berEn Zoodat zij vloed en stormen tergen, Gij zijt omgord met magt. 5.' t Gebruis der zee doet Gij bedaren, Daar Gij haar golven stilt;' t Rumoer der volken, als der baren, Betoomt Gij, waar Gij wilt. Die d' einden dezer aard' bewonen, Aanschouwen dag aan dag, De teeknen, Met vrees en diep ontzag. PAU HVAUHU 6. Gij geeft, dat d' uitgang van den morgen En van den avond juich'; En dat men U, voor al uw zorgen, Ootmoedig dank betuig'. Het land bezoekt Gij met uw' zegen, En, door U droog gemaakt, Verrijkt Gij' t grootliks weer met regen, Die tot den wortel raakt. 7. De Godsrivier doet G' overvloeijen, bereide land PSALM 65: PAUZE. Uw goddelijke hand En op' t Het nuttig koren welig groeijen. Maakt d' opgeploegde voren dronken, Tot uit de weeke kluit, Daar' t drop163 plend nat is ingezonken, Gezegend voedsel spruit. 8. Uw goedheid kroont de jaargetijen: Waar Gij uw' voetstap zet, Daar doet Gij' t al ten zegen dijen; Daar druipt het al van vet. Het woeste veld vangt zelfs die droppen, Zijn weide blijft niet droog: De heuvels steken blijde toppen, Met lagchend groen omhoog. 9. De velden zijn bedekt met kudden; De dalen zijn bekleed Met halmen, die van zwaarte schudden, En loonen' s landmans zwect. Zij juichen elk op zijne 11* wijRAME AVAIRIAUKVAVAVARSAVIVOS 164 ANAVAVAVIVAN PSALM 65, 66. wijze; Uw eer klimt uit het stof; uwen naam ten prijze, Uw goedheid en uw' lof. PSALM 66. 2. Al' t aardrijk smeek' U, uich, aarde! juich, met blijde galmen, ten Schepper van' t heelal: Zing d' eer zijns naams met dankbre psalmen; Verhef zijn' roem met lofgeschal. Gij doet Zeg: ,, o, hoe vreeslijk zijn uw werken! ,, uw wijdgeduchte kracht, O God! aan al uw ha,, ters merken, Die veinzend buigen voor uw magt." de schoonste psalmen aan; Zij zingen, Den grooneêrgebogen; stroomen, ons een pad; op stem en snaren, Het heff' Gezangen, die uw' naam verhoogen, De glorie van uw wonderdaân. allen! ziet Gods wijze wegen; Wat is zijn werKomt, king hoog geducht, Het zij Hij' t menschdom met zijn' zegen Bezoekt, of met zijn strenge tucht! € 3. God baande door de woeste baren En breede Daar rees zijn lof Nadat Hij ons beveiligd bad DAVAVAR had. Hij zal eeuw uit eeuw 00g bewaakt het heidendom. Hij zal d' afvalligen PSALM 66. verneêren; Hij keert hun trotsch' ontwerpen om. 4. Looft, looft den Heer der legerscharen, O volleven sparen, ken! heft een' lofzang aan! Hij wil ons in het regeren: het lijden, Voor wanklen onzen voet bevrijden. Gij hebt ons voor een tijd bedroefd, En ons gelouterd door vertreden; Ons hoeden op de steilste paân, 5. Een net belemmerd' onze schreden; Gelijk het zilver wordt beproefd. vaar ontkomen, hield ons bekneld; Gij liet door heerschzucht ons Een enge band Gij gaaft ons over aan' t geweld. Hier scheen ons' t water t' overstroomen; Daar werden wij gedreigd door' t vuur; Maar Gij deedt ons' t geVerkwikkend' ons ter goeder uur. PAUZE. 6. Door' s Hoogsten arm' t geweld onttogen, Zal ik, genoopt tot dankbaarheid, Verschijnen voor zijn heilig' 165 oogen, RE KARRHURU AVATHIAURVA 166 VVVVVV oogen, Met offers, aan Hem toegezeid. Ik zal, nu ik PSALM 66. mag adem halen, Na zoo veel bangen tegenspoed, Al mijn geloften U betalen, U, die in nood mij hebt behoed. 7. Ik zal het brandaltaar doen rooken Van' t edelst' vee uit kooi en stal; Zoo worden vet ontstoken, offer leiden, en Bij' t lieflijk rijzend lofgeschal. rookwerk zal zijn' geur verspreiden, Daar ram bij merg Het ram wordt aangebragt;' k Zal bok en rund ten Heer van harte vreest! Opdat men z' U ter eere slagt'. 8. Komt, luistert toe, gij godgezinden! Gij, die den Hoort, wat mij God deed ondervinden; Wat Hij gedaan heeft aan mijn' geest. ' k Sloeg, heilbegeerig,' t oog naar boven; Ik riep den Heer ootmoedig aan; Ik mogt met mond en hart Hem loven, Hem, die alleen mij bij kon staan. 9. Waar' ik door ongeregtigheden En haar aanlokselen bekoord, Dan had de Heer naar mijn gebeden En jammerklagten niet gehoord. Maar nu, DU MORVAVAL nu heeft met gunstig' ooren, Mijn God op mijnen wensch gelet; afgewezen, PSALM 66, 67. en hooren, Merkt' op de stem van mijn gebed. 10. God zij altoos op' t hoogst geprezen! zij Gods goedertierenheid, Die nimmer mij heeft 5 Hij, die het al kan zien PSALM 67. Stem 33. algoede God zij ons genadig, En zegen' ons met overvloed; Hij doe zijn aangezigt gestadig Ons lichten, en Hij zij ons goed; Opdat elk genegen Zich aan uwe wegen Op deez' aarde wenn'; En de blinde heiden, Nu van God gescheiden, Eens uw heil erkenn'. Noch mijn gebed gehoor ontzeid! zaak beslechten, aarde, Lof 2. De volken zullen U belijden, O God! U loven al te 167 zaâm; De landen zullen zich verblijden, En juichen over uwen naam: Volken zult Gij regten Hunne In regtmatigheid; Volken op deez' Die uw arm vergaarde, Die Gij veilig leidt. 3. De volken zullen, Heer! U loven! O Heer! U loven alRAUMA VAUVAVIVOS INANANAVAVIVANEV 168 PSALM 67, 68. altemaal, Die d' aarde vruchtbaar maakt van boven, Dat z' ons op haar gewas onthaal'. God is ons genegen, Onze God geeft zegen. Hij, die alles geeft, Hij zal zijn geprezen; Hem zal alles vreezen, Wat op aarde leeft. DEFC PSALM 68. Stem 36. e HEER zal opstaan tot den strijd; Hij zal zijn haters, wijd en zijd Verjaagd, verstrooid doen zuchten: Hoe trotsch zijn vijand wezen moog', Hij zal voor zijn ontzaglijk oog Al sidderende vlugten. Gij zult hen, daar G' in glans verschijnt, Als rook en Verdrijven en doen dolen. damp, die ras verdwijnt, E ' t Godlooze volk wordt haast tot asch;' t Zal voor uw oog vergaan, als was, Dat smelt voor gloênde kolen. # 2. Maar' t vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd, Daar zij hunn' wensch verkrijgen; Hun blijdschap zal dan onbepaald, Door' t licht, dat van zijn aanzigt straalt, Ten hoogsten toppunt stijgen. Heft Gode blijde psalmen aan; Verhoogt, verhoogt voor MORVAUHUR voor Hem de baan; Laat al wat leeft Hem eeren! Bereidt den weg, in Hem verblijd, Die door de vlakzen; PSALM 68 ke velden rijdt; Zijn naam is HEER der heeren! 3. Springt op van vreugd, verheft zijn' lof, HURUFUA URVAVAR Hij woont in' t hemelhof, Een Vader is der weeDie, vruchtbren in een huisgezin, Die weduwen haar regt verschaft, Die streng haar onderdrukkers straft, En voor zijn wraak doet te toonen, E daar vreezen: Een God, die zet, uit menschenmin, D' onuitgeleid, Gevangnen uit de boeijen redt; Maar die verlaters van zijn wet Doet in het dorre wonen. 1. PAUZE. En, om zijn magt # 4. O God! toen Gij, met majesteit, Uw Israël hebt En op uw heil doen hopen; Toen Gij langs Parans woesten grond Hun voortoogt, schokte d' aard' in' t rond; De hooge heemlen dropen: De bergen rezen zelfs omhoog; Men zag dit Sinaï voor' t oog Van Isrels Koning beven. Een' mil169 den DAUKORVAVAVENVIVES 170 WANANNAVANAVAN PSALM 68. den regen zondt G', o Heer! Op uw bezwijkend' erfnis neêr, Om sterkt' aan haar te geven. 5. Uw hoop, uw kudde woonde daar; Uit vrije goedheid waart Gij haar Een vriendelijk beschermer; En hebt ellendigen dat land uwe sterke hand, O Israëls Ontfermer! welhaast een groote schaar, Bereid door gaf rijke juichensstof, Om zijne wondren en zijn' lof, Met hart en mond te melden: Men zag 6. De koningen, hoe zeer geducht, De Heer de blijdste maar, Vervullen berg en velden. Met klanken van Zijn met hun heiren weggevlugt; Zij vloden voor uw oogen. E buit van' t overwonnen land Viel zelfs der vrouDe wen in de hand, Schoon niet mee uitgetogen. Al laagt g', o Isrel! als weleer, Gebukt bij tigchelsteenen neêr, Toen gij uw juk moest dragen, En zwart waart door uw dienstbaarheid, Uis een beter lot bereid; Uw heilzon is aan' t dagen. 7. Ge MORVAUHURU 7. Gelijk een duif door' t zilverwit, En' t goud, dat op haar veedren zit, Bij' t licht der zonnestralen, PSALM 68. Ver boven andre vooglen pronkt, Zult gij, door' t godlijk oog belonkt, Weêr met uw schoonheid pralen. Wanneer Gods onweerstaanbre hand De vorsten uit het gansche land Verstrooid had en verdreven, Ontving zijn erfdeel eedler schoon, Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon', Aan Salmon ooit kon geven. 2. PAUZE. 8. Dat Bazans hemelhooge berg Met al zijn heuvlen Zion terg', E gij, bergen! trotsch omhoog? Wat wilt g' u, in der volkren oog, B En wane t' overtreffen: Wat springt en zelf heeft dezen berg begeerd Ter woning, om, Bij Zions berg verheffen? God aldaar geëerd, Zijn heerlijkheid te toonen: HEER, die hem verkozen heeft, Die trouwe houdt, De eeuwig leeft, Zal hier ook eeuwig wonen. 171 9. Gods wagens, boven' t luchtig zwerk, Zijn tienVAVAVAVAL AURURVAVAVERVIVES 172 KAANANINVANAVA PSALM 68. tien- en tienmaal duizend sterk, Verdubbeld in getalen; Bij hen is zijne majesteit Een Sinaï in heiligheid, Omringd van bliksemstralen. ten hemel op vol eer; De kerker werd uw buit, o HEER! Gij zaagt uw' strijd bekroonen Met gaven, tot der menschen troost; Gij voert ' t wederhoorig kroost Altijd bij U Opdat zelfs zou wonen. 10. Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag, Met zijne gunstbewijzen. Die God is onze zaligheid! Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen? Die God is ons een God van heil; Hij schenkt, uit 11. Gewis, hoe hoog de nood moog' gaan, goedheid, zonder peil, Ons' t eeuwig zalig leven; Hij kan, en wil, en zal in nood, $ naadren van den dood, Volkomen uitkomst geven. 3. PAUZE. Zelfs bij het God zal zijns vijands kop verslaan; Dien haargen schedel vellen, Die MOHVAVAVA PSALM 68. B Die trotsch, wat heilig is, onteert, En, daar hij schuld met schuld vermeêrt, Zich tegen Hem durft stellen. De Heer heeft zelf ons toegezeid:' k Zal u, ,, door magt en wijs beleid, Uit Bazan weêr doen ko,, men; U zullen, als op Mozes' beê, Wanneer uw ,, pad loopt door de zee, Geen golven overstroomen. 12. ,, Dan moogt g' in zegepraal uw' voet, Ja uwer ,, honden tong in' t bloed Van elken vijand steken." O groote God! geduchte Heer! Uw gangen, zoo vol roem en eer, Zijn aan uw volk gebleken; De gangen van mijn' God en Vorst, Wien, schoon Hij ' s werelds rijkskroon torscht, Deez' woningen behaagden. De zangrei trad den speelrei vóór, In' t midden ging het vrolijk koor Der trommelende maagden. 13. Looft God in zijn gemeent' alom, Den Heer, gij, die in' t heiligdom, Als Isrels kroost, moogt naadren. Hoe vrolijk gaan de stammen op Naar Zions godgewijden top, Met Isrels achtbre vaadren! 173 De UAVRAVAEN AURORUAVAVATAJAJAJRVAVAVAVLAVIVES XX 174 De vorsten van PSALM 68. elk huisgezin, Zij trekken aan: hier Benjamin, Schoon klein, hij mogt regeren; Dáár Judaas stam, die glorie won; Ginds Naftali en Zebulon, Om God, hunn' Koning, t' eeren. 4. PAUZE. $ 11 14. Uw God, o Isrel! heeft de kracht gen; bevel u toegebragt. 0 God! schraag dat vermoVersterk hetgeen Gij hebt gewrocht, En laat uw hulp, door ons verzocht, Uw volk voortaan Door zijn verhoogen. Dan passen, uwen naam ter eer, Om uwes tempels wil, o Heer! De vorsten op uw wenken: Zij zullen U, het allerverste land, van alle kant, Zelfs uit Vereeren met geschenken. 15. Scheld met uw stem het wild gediert', Dat in het riet zoo weeldrig tiert, De stier- en kalverbenden; Het volk, dat stukken zilvers geeft, En dus zich onderworpen heeft, Maar loert op onz' ellenden. Gewis! wij zien hen reeds berooid, En' t oor MOHVAHURA PSALM 68, 69. oorlogzuchtig volk verstrooid: Gezanten zullen naadren; Egypte zal, met Moorenland, Tot God verheffen hart en hand, Den God van onze vaadren. 16. Gij koningrijken! zingt Gods lof! Heft psalmen op naar' t hemelhof, Van ouds zijn troon en woning; Daar Hij, bekleed met eer en magt, Zijn sterke stem verheft met kracht, En heerscht als Zions Koning! Geeft sterkt' aan onzen God en Heer; Hij heeft in Israël zijn eer En hoogheid willen toonen. Erkent dien God, Hij is geducht; Hij doet zijn sterkte boven lucht En boven wolken wonen. 17. Hoe groot, hoe vreeslijk zijt G' alom, Uit uw verheven heiligdom, Aanbidlijk Opperwezen! ' t Is Isrels God, die krachten geeft, Van wien het volk zijn sterkte heeft. Looft God! elk moet Hem vreezen. PSALM 69. Stem 51. God! verlos en red mij uit den nood: De waatHUHUHURUHURE 175 ren zijn tot aan de ziel gekomen; Ik zink in' t slijk, TUCS 176 AVANIN slijk, ik voel mij overstroomen; Ik ga te grond'; de vloed is mij te groot. Ik roep mij moê in dezen jammerstaat; Mijn keel is heesch, zij is van droogt' ontsteken; laat, PSALM 69. En, daar ik hoop op God, mijn' toeverSchrei ik mij blind; mijn oogen zijn bezweken. 2. Men telt veel eer de haren van mijn hoofd hen, die mij, doch zonder oorzaak, E Dan zoekt mijn' dood, geen onschuld kan mij baten: haten; Men Hen zie ik sterk; maar mij van kracht beroofd. Men eischt. van mij, daar ik m' onschuldig ken, ' t Geroofde weêr,' k moet voor voldoening zorgen. Gij weet, o God! hoe ver ik strafbaar ben; U is mijn schuld, mijn dwaasheid niet verborgen. 3. Beschaam door mij de stille hope niet Van hen, laat geen schande wedervaren die U, o HEER der legerscharen! Verwachten; Aan hen, die U steeds zoeken in verdriet. Met mij verging hun hoop, o Isrels God! Daar ik mijn' smaad om uwentwil moet moet dragen. Mijn aanschijn is bedekt met schand' en spot; eerd, 4. Mijn' broedren ben ik vreemd, door elk ontder; teerd. last MORVAUHURAAA ' k Vind onder hen noch schutsheer, noch behoePSALM 69. maken; Helaas wat heb ik stof tot bitter klagen! 1. PAUZE. laken; leed. En onbekend den zonen mijner moeder; bed: Ik heb geweend, mijn ziel heeft steeds gevast; $ Maar' k word te meer met smaadheid overladen. Want d' ijver van uw huis heeft mij ver5. Ik heb mijn vleesch met eenen zak bekleed; Ik draag den schimp, den smaad en overMaar hoor mijn' naam ten spot en spreekwoord Dergenen, die, alziende God! U smaden; De regters zelfs doen niet dan klappen, ' k Ben' t snarenspel van dronkaards in mijn Maar, HEER! tot U, tot U is mijn geDaar is, o God! een tijd van welbehagen, Een tijd van gunst, te mijner hulp gezet; Hoor, 12 177 naar VARVAE VAN KAVVVVANAVAVA 178 naar uw trouw en heilwoord, dan mijn klagen! 6. Ruk, door uw magt, mij uit het slijk; behoed, En laat mij niet verzinken in de waatren; Maar red mij uit de handen mijner haatren; Uit deze kolk en E PSALM 69. diepen watervloed. ' t hoofd niet gaan; Och! laat den stroom mij over diepte stuite; Dat toch de put niet worde toegeMaar dat uw arm' t geweld der daan, Noch over mij zijn mond voor eeuwig sluite. 7. Hoor mij, o HEER! uw goedertierenheid Is goed; zie mij dan aan met gunstig' oogen: Hoe teer, hoe 11 # 6 groot is mij uw mededoogen! die heete tranen schreit; Verhoor uw' knecht, Verberg voor hem uw aangezigt toch niet; Want ik bezwijk door angst en tegenheden. Ai! haast U mij ter hulp, in mijn verdriet; De nood klimt hoog, verhoor mijn smeekgebeden! 2. PAUZE. 8. Genaak, genaak in gunste tot mijn ziel, haar; laat de boozen, die mij haten, Bevrijd Vijan dig zijn en alle deugd verlaten, Nooit roemen, dat ik in hun handen viel. MOHVRUHURAAVA schaamt' en smaad mij treff, o God! Daar niePSALM 69. mand zich mijn onheil aan wil trekken. schandlijk ik der boosheid strek ten spot; maar, Gij kent hen, die mij dezen angst verwekken. 9. Versmaadheid breekt en scheurt mij' t hart van één; Ik ben zeer zwak; de lasteringen snijden Mij door Gij weet, wat de ziel; ik wacht naar medelijden, Naar troosters; tre gal gegeven; helaas! ik vind er geen. Ja, groote God! zij hebben mij tot spijs, Bij al mijn smart, nog bitgen Hoe 9 vangen. wijs, Wanneer de dorst mijn lippen zaâm doet kleven. 10. Hun tafel word', o God! hun tot een' strik, Een' valstrik, daar zij straks in blijven hanEen edikteug is zelfs een gunstbeEn vollen loon van al hun kwaad ontVervloek hun spijs, dat niets hun ziel verkwikk': Verblind hunn' geest, verduister hun 12* 179 ver AVARVAT MANAVGVANG VIVAN 180 verstand; Verdonker hun oogen; hand; 11. Stort E PSALM 69. over hen Verbreek hun kracht door uw getergde Dat rusteloos hun lenden wagglen mogen. 3. PAUZE. dit geslacht, uw dat H Uw' heeten toorn; grijp aan hen, # ten! Dat hun paleis verwoest zij en bewolk gezigt, zich gramschap uit, Dat niemand meer in hunne tenten woon'! Want hun levensboek der vromen: in' t kwaad 12. Doe misdaân toe tot al hun euveldaân; vaardig volk niet aan. vertoon die U haVervolgt dien Gij verwond hebt en geslagen; verlaten; smart strekt hun tot tijdverdrijf en vreugd; verheugt, doen van praat en schimp schier alles wagen. Zijn Zij uw geregtigheid niet komen; Maar delg hen uit het Laat hen tot Schrijf hen met uw regtMaar ik, ik ben ellendig en vol smart; Uw heil, o God! voer' m' in een hooge woning! Dan zing ik blij, en, uit een dankbaar hart, hart, ORVAVHU 13. Dat zal den HEER veel aangenamer zijn PSALM 69, 70. Den grooten naam van mijnen God en Koning. of var, die hunnen klaauw verdeelen. De blijdschap zen! HVAVA zal het hart der vromen streelen, Als zij mij zien verlost van smart en pijn. Gij, die God zoekt in zen, al uw zielsverdriet, Houdt aan, grijpt moed, uw Dan os hart zal vrolijk leven. Nooddruftigen veracht zijn goedheid niet; Nooit zal hij zijn gevangenen begeven. 14. Gij hemel, aard' en zee! vermeldt Gods lof! Laat al wat leeft zijn trouw en goedheid prijZij, Want God zal aan zijn Zion hulp bewijEn Juda's steên herbouwen uit het stof. Daar zal zijn volk weêr wonen naar zijn' raad; God eeuwig hun zijn volle gunst betoonen; Daar zullen zij, Gods knechten, met hun zaad, die zijn' naam beminnen, erflijk wonen. PSALM 70. Stem 17. aal haastig ter verlossing neêr, O God! en 181 red RAVAT INVVANAVANA 182 # red mij uit gevaren, Uit angsten, die mijn ziel bezwaren! ' k PSALM 70, 71. Spoed U ter mijner hulp, o HEER! alien, die mijn ziel belagen, Beschaamd en schaamrood van mij vliên; Laat, die met vreugd mijn rampen zien, In hunne wenschen nimmer slagen. 2. Laat allen, die, met schampren spot, Mij honen, tergen en onteeren, Hunn' schimp ten loon, Laat terugge keeren, Vergaan op uw geducht gebod. Laat hen, die zich tot U begeven, uw heil beminnen, Heer! B Hen, uw eer, En zingen: ,, God zij hoog verheven!" 3. Ik ben nooddruftig, arm en naakt; O God! mijn Helper uit ellenden! Haast u tot mij; wil bijstand zenden! U komst is' t, die mijn heil volmaakt. PSALM 71. Stem 31. die Gedurig juichen tot neer'. Red mij door uw geregtigheden; Dat etrouw op U; hoor mijn gebeden: mij geen schaamt', o HEER! In eeuwigheid verBevrijd mij, AVAVAV mij, neig uw ooren; Verlos mij, wil mij hooren! PSALM 71. 2. Wees mij een rots, om in te wonen; Een schuilplaats, daar mijn hart Steeds toevlugt vind' in smart: Uw hoog bevel zal blijkbaar toonen, Dat Gij, o groot' Ontfermer! Mijn burg zijt en vast vertrouwde, 3. Bevrijd mij van' t geweld des snooden, lig regt verkracht; Wiens trotschheid mij veracht. Ik wacht op U, o God der goden! Op wien ik beschermer. ik, in gezangen, Van dat ik' t licht aanschouwde. 4. Zoo Gij, van dat ik werd geboren, Ja, van ondersteund,' k waar' lang verloren: Die' t heimijn eerst begin, Mij niet uit teedre min, Hadt 5.' k Was als een wonder in elks oogen; Dies doe $ U steeds mijn' lof ontvangen. 1. PAUZE. Doch Gij, mijn Toevlugt! Gij Stondt mij met sterkte bij: Laat dan mijn mond uw' naam verhoogen, En 183 al mijn levensdagen Van uwen roem gewagen. 6. VerAURUME MAAVVIVAVAVA 184 6. Verwerp mij niet in hooger jaren: den ouderdom, PSALM 71. Uw voorzorg over mij niet varen; in hunnen raad, Dien' k in uw gunst beklom, 7. Hen, die op mijne ziele loeren, kracht van' t leven, Uw hulp mij niet begeven. regt, te zamen Een goddelooze schimptaal voeren, Laat, met de Laat, bij Uit onverzoenbren haat, 8. ,, Ziet," zeggen zij, ,, hij ligt verschoven; Hoort men, Mijn' ondergang En, tegen ,, vrij; Hij kan geen uitkomst zich beloven." 9. Doe hen beschaamd staan en bezwijken, ,, niet aan zijn zij'; Jaagt, jaagt hem, grijpt hem beramen. God staat toon m' uw ontferming, En haast U ter bescherming. O God! Wier woede mij bestrijdt, Wier haat mijn rust benijdt; 10. Mijn hart zal steeds op U vertrouwen; Doe hen met smaad en schande wijken, Die tegen mij zich sterken, En mijne ramp bewerken. 2. PAUZE. Mijn mond 5 mond vindt, tot uw lof, Gedurig ruimer stof, CAVAVAVA En zal uw regt en heil ontvouwen; PSALM 71. de reeks dier schatten Kan tellen noch bevatten. 11. Ik zal blij moedig henen treden, In' s HEEREN mogendleid en onderrigt; Schoon ik heid. Mijn hart is uitgebreid, O Heer! om uw geregtigheden, Ja, die alleen, te prijzen Op aangename wijzen. 12. Gij hebt mij, van mijn kindsche dagen, Le Zoo GeNog blijf ik naar mijn' pligt Van uwe wondren blij gewagen. O God! wil mij bewaren, Bij' t klimmen mijner jaren. 13. Blijf mij in mijne grijsheid sterken; kwik mijn' ouderdom: Bewaak mij van rondom: Zoo meld' ik dit geslacht uw werken; Zoo zal ' k uw grootheid zingen Voor hun nakomelingen. 3. PAUZE. 185 heerlijk schittert uit den hoogen. 14. Ik roem, 0 eeuwig Alvermogen!' k Roem uw geregtigheid, Die zoo veel glans verspreidt, Ver0 Heer RURVAL ANAMNAVN 186 Heer der legerscharen! Les drukkend harteleed; 15. Gij deedt mij veel benaauwdheid smaken afgrond trekken, 40 PSALM 71. Zult Gij mij weder levend maken; Mij uit den Wie kan U evenaren? hart, gen, 16. Gij zult met luister mij omringen, Maar, tot mijn hulp gereed, men, En En met uw vleuglen dekken. troosten in mijn smart: Dan zal ik, blij van 17. Mijn lippen zullen juichend roemen Mij Met luit en harp uw goedheid zinO heilig Opperwezen! Door Israël geprezen. U gewijd, Dat Gij mijn Helper zijt! Mijn tong zal U mijn' Redder noemen; Uw gunst, In psaleer herstelt, Die al mijn haters velt. den godgetrouwen, Den ganschen dag ontvouwen. 18.' k Zal uw geregtigheid verheffen, Die mij in ' k Zie hen door schand' en schaamte treffen; Ik zie hen schaamrood vlugten, Die mijne ziel doen zuchten. PSALM OAVAVAVA lig regt; eef, Heer! den Koning uwe regten, of maan PSALM 72. Stem 65. PSALM 72. geregtigheid Aan' s Konings zoon, om uwe knechten Te rigten met beleid: Dan zal Hij al uw beheeren, Regtvaardig, wijs en zacht; ellendigen regeren, Hun regt doen op hun klagt. 2. De bergen zullen vrede dragen, De heuvels heiHij zal hun vrolijk op doen dagen Het heil, hun toegezegd.' t Ellendig volk wordt dan uit lijden Door zijnen arm gerukt; Hij zal nooddruftigen bevrijden; Verbrijzlen, wie verdrukt. 3. Zij zullen U eerbiedig vreezen, Zoo lang er zon Bij' t nageslacht ten licht zal wezen, En op- en ondergaan. Hij zal gelijk zijn aan den regen, Die daalt op' t late gras; Aan droppels, die met milden zegen 4.' t Regtvaardig En uw vrede bloeijen, volk En uw twist en wrok verdwijnt, $ Tot dat geen maan Besproeijen' t veldgewas. volk zal welig groeijen; Daar 187 Zal alles door den * meer schijut. VARVATN VES MAHAMIVIGN 188 schijnt. Van zee tot zee zal Hij regeren, ver PSALM 72. men volkren kent; Men zal d' Eufraat vereeren Tot aan des aardrijks end. nevens Seba komen, Zoo 5. Het woeste volk zal voor Hem knielen; Zijn vijand Hem van likt het stof; En Tharsis voert met rijke kiegen, len Geschenken naar zijn hof; Met giften zullen langs de stroomen, De Koningen der zee, En Scheba Hem smeekend' om den vreê. PAUZE. #E 6. Ja! elk der vorsten zal zich buigen, En vallen voor Hem neêr; Al' t heidendom zijn' lof getuiDienstvaardig tot zijn eer.' t Behoeftig volk, in hunne nooden, In hun ellend en pijn, Gansch hulpeloos tot Hem gevloden, Zal Hij ten redder zijn. 7. Nooddruftigen zal Hij verschoonen; Aan armen, uit genâ, Zijn hulpe ter verlossing toonen; hun zielen gâ. Als hen geweld en list bestrijHij slaat den Al gaat het nog zoo hoog; Hun bloed, hun tranen en hun lijden, Zijn dierbaar in zijn oog. 8. Zoo ven, 8. ,, Zoo moet' de Koning eeuwig leven!" Bidt elk met diep ontzag, Men zal Hem' t goud van Scheba geHem zeegnen dag bij dag. Is op het land een OHVATHIR handvol koren, Gekoesterd door de zon,' t Zal op ' t gebergt' geruisch doen hooren, Gelijk de Libanon. 9. De stedelingen zullen bloeijen, Gelijk het malsche kruid. Zijn naam en roem zal eeuwig groeijen; Ook zal, eeuw in eeuw uit, Het nageslacht zijn grootheid zingen, PSALM 72. 10. Dan zal, Zoo lang het zonlicht schijn': schat van zegeningen, In Hem, ten erfdeel zijn. heidendom na zoo veel gunstbewijzen,' t Gezegend wig Wezen, ' t Geluk Die Davids troon beklom. Hun zal een in Israël geprezen, van dezen Koning prijzen, en volg mijn zangen Bekleed met mogendheên! De HEER, Geloofd zij God, dat eeu189 11. Zijn naam moet' eeuwig' eer ontvangen; loov Hem vroeg en spâ! De wereld hoor' Doet wondren, Hij alleen. Met Amen, Amen, Men na! PSALM URVAVAR MAHAVAVA 190 zen. PSALM 73. PSALM 73. a waarlijk! God is Isrel goed, rein zijn van gemoed; Hoe donker ooit Gods weg 440 moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vreegen voeten waren in mijn leed, Schier uitgeweken, en Maar, ach! hoe wèl mijn ziel dit weet, Mijn mijn treen Van' t spoor der godsvrucht afgegleên. 2. Ik zag met nijdig' oogen aan, Hoe dwazen hier op rozen gaan; En hoe godloozen in hun ganAl veeltijds rust Viv Voor hen, die en weten van geen tranenbrood, Van vreê erlangen: gouden keten, aan; Zij den, tot hunn' dood; Hun kracht is frisch, zij geene banzijn gezond, Tot op hunn' laatsten avondstond. ELCO 3. Zij weten doorgaans van verdriet En moeit', als ' t Geweld, andre menschen, niet; Men ziet hen bittre smart noch plagen, Als andre stervelingen, dragen; Dies zijn zij trotsch, en doen den waan, Gelijk een dat deugd en pligt AVAVAR pligt versmaadt, Bedekt hen, als een praalgewaad. beloven, 4. Indien men op hunn' voorspoed let, Hun oogen puilen uit van vet; Hun weelde, wat zij zich op PSALM 73. Gaat hun verbeelding nog te boven. Zij mergelen de menschen uit, En spreken, trotsch roof en buit, hun magt, Terwijl Steeds uit de hoogte van hun hart de deugd belacht. 1. PAUZE. 5. Hun mond tast zelfs den hemel aan, Gods albestuur schijnt hun een' waan; Terwijl hun tong op aarde wandelt, Geen mensch ontziet, maar elk mishandelt. van mijn klagen Daarom keert zich Gods volk hiertoe, En schrikt, wanneer hun, bang te moê, Het water, daar hun niets gelukt, Met bekers vol wordt uitgedrukt. 6. Dan peinst de ziel: is' t waar? zou God Ook weten van mijn droevig lot? Zou d' Allerhoogste En bittre rampen kennis dragen? Ziet dezen, hoe godloos en wreed, Zijn even191 wel HAB IVANAVAN 192 wel bevrijd van leed; De rust volgt hen op al hun paân, En hun vermogen groeit steeds aan. PSALM 73. 7. Zoo heb ik dan vergeefs gestreên, gezuiverd, en gebeên; Vergeefs heb ik in reine plassen Van ons uld mijne hand gewasschen; Want al den dag ben ik geplaagd; verschrikt, mijn boezem jaagt; 8. Zoo ik dit zeggen, staven zou, 19 En er morgenstond, Waarop ik geen kastijding vond. Mijn hart nooit verscheen Gewis, dan waar' ik niet getrouw Aan' t waard geslacht van uwe Mijn ziel kindren, En zou hun hoop en moed vermindren. Nogtans heb ik, met al mijn kracht, te plegen. in mijn oog, Mij moeilijk viel en 9. Dit duurde, tot ik uit dien drom regering overdacht; Maar' t was een stuk, dat, Die GodsDe voorspoed zelfs de boozen leidt, veel te hoog. ging in' t heiligdom, Om met de godspraak raad Van neevlen Daar zag ik, op wat gladde wegen En, hoe G' in DAVAVAVA den top van G' in' t eind hunn' val bereidt. Zij storten van PSALM 73. eer 10. Hoe worden zij, tot als in een oogenblik! onverwacht, In eeuwige verwoesting neêr. 2. PAUZE. nieren, AVAVAVA ven enden, Van angst verteerd in hun ellenden! ieders schrik, Vernield, Hun weeld' is als een droom vergaan. O Heer! wanneer Gij op zult staan, Hoe moeten zij het ledig schatten, 11. Toen' t zwellend hart met ongeduld En wreevle Zult Gij hun toonen, Hoe Gij hun ijdel beeld veracht. afgunst werd vervuld, En ik geprikkeld in mijn Gods waarheid niet geloofd; Om trotsch mijn crift den toom te vieren; Was mijn verstand van licht beroofd: Ik heb Maar was, door mijn' verwaanden geest, Bij U een onvernuftig beest. 12.' k Zal dan gedurig bij U zijn, nooden, angst en pijn; U al mijn liefde waarWijl gij mijn regterhand woudt 13 In al mijn 193 vatRURVAT KIRIBORHORU Vivive AMAVAN 194 E vatten. Gij zult mij leiden door uw' raad, God, mijn heil, mijn toeverlaat! PSALM 73, 74. 13. Wien heb ik nevens U omhoog? hart, wat zou mijn oog toe door U bereid, Opnemen in uw heerlijkheid. ivive lusten? Niets is er daar ik in kan rusten. afhoereren, En mij, hierWat zou mijn Op aarde nevens U toch zwijkt dan ooit, in bittre smart Of bangen nood, mijn vleesch en hart, Zoo zult Gij zijn voor mijn 14. Wie, ver van U, de weelde zoekt, WH 0 gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed. heid eerlang en wordt vervloekt; Gij roeit hen uit die PSALM 74. BeEn U den trotschen nek toekeeren; Maar' t is mij goed, mijn zaligst lot, wezen bij mijn' God:' k Vertrouw op Hem geheel Vergaat en al, Den HEER, wiens werk ik roemen zál. aarom, 0 God! zijn wij in Nabij te eeuwigVan uwe gunst en onderstand verstoken? Hoe Hoe kan uw toorn dus tegen ons nog rooken, Die schapen zijn, zelfs door uw hand geweid? 2. Herdenk de trouw, Zie, geten: CAVAVAVA PSALM 74. Denk aan uw volk, door U van ouds verkregen; Denk aan uw erf, het voorwerp van uw' zegen, Aan Zions berg, daar Geertijds hebt gewoond. 3. Ruk spoedig aan Zelfs, ren, ven, 9 HORA VAUHVAT hoe de Stad aan ons voorheen betoond; verdubbel uwe schreen; verwoest ligt en gesmeten, Uw heiligdom verdorven en vertreên. 4. Uw vijand heeft, ter plaatse van' t gebed, Gelijk een leeuw gebruld, bij' t zegevieren; U ten schimp, heeft hij zijn krijgsbaniever4 Des vijands magt heeft alles neêrIn trotschen moed, tot teekenen gezet. 5. Elk woedt om strijd en toont zich onbeschroomd; Men houwt en hakt, dat poort en bindten beven; Gelijk men slaaft om bijlen aan te geEn ijvrig kapt in' t hoog en digt geboomt'. 6. Dus hebben z' ook doldriftig, onbesuisd, Gra13* veer195 URUBURI MXMXIA KATAVA 196 veerselen, pilaren, wanden, bogen, sieraad zwaard, ligd. ligd, de lust houweel 至 7. Uw heiligdom is door het vuur Uw' naam ten één PSALM 74. Geen heeft zijn' glans voor' t woên des gloeds beveiUw schoon paleis, uw woning is ontheiTen gronde toe in puin en asch verkeerd. 8. ,, Laat,' zeiden zij, ,, Laat ons het gansche land, ,, Geplunderd, voor onz' overmagt doen zwichten!" Hun wreede vuist heeft al de godsgestichten, hoon, verbrijzeld of verbrand. 1. PAUZE. elks oogen, van was hamer en De vijand Wier kunst9. Wij zien aan ons, na al dit ongeval, teeknen meer van uwe gunst gegeven: Zal hij uw' woest vergruisd. verteerd; Niets Met profeet is ons tot troost stervling weet, hoe lang dit duren zal. 10. Hoe lang, o God! zal in dit zwaar verdriet, trotschheid ons zijn wreede naam in eeuwigheid dan Geen Niet gebleven; toonen? honen? Neen, Neen,' t kan niet zijn; dat duldt uw glorie niet. HAHAH 11. Ach! waarom trekt G' uw hand dus van ons af, ken? PSALM 74. Uw regterhand, die ons ten steun kan strekken, Het Ai! wil haar eens uit uwen boezem trekEn maak een eind van uw gestrenge straf. 12. Gij evenwel, Gij blijft dezelfd', o Heer! zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning, Die uitkomst gaaft, en, uit uw hemelwoning, Voor ieders 00g, uw haatren gingt te keer. 13. Gij spleet weleer de schelfzee door uw kracht: hebt den kop der woest' en felle draken, vreeslijk heir, dat Isrel dorst genaken, Gij In' t hart der zee verbroken door uw magt. 14. Uw sterke hand heeft' s Leviathans woen Betoomd, gestuit; deed Farao bezwijken; Daar ' t woest gediert' aan duizenden van lijken, Op' t dorre strand, zijn' rooflust mogt voldoen. 15. Hoe menigmaal hebt G'ons uw gunst betoogd, 2 G een fontein deedt uit een rots ont197 sprinFURUHVAT MXIXTA VINAVINAVINA 198 springen, Of op een hoop de waatren zamendringen, Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd. 16. De dag is d'uw', ook vormdet Gij den nacht. Gij schiept het licht, de zon met gloed en straDoor U is d' aard' gesteld in juiste palen; len. Elk PSALM 74 jaarsaizoen hebt stand Gij tot 2. PAUZE. 17. Herdenk, mijn God! herdenk die Een dwaas geslacht heeft uwen naam gelasterd; 19. Beschouw, De vijand, van uw vrees en dienst verbasterd, Het Heeft uwen roem met smaad en schimp belaân. 18. Geef' t wild gediert', dat niets in' t woên ontziet, Laat, groote Uw kwijnend volk gebragt. wonderdaân. De ziele van uw tortelduif niet over; God! om een' gehaten roover, herdenk niet eeuwig in land is vol van duistre ' t verdriet. uw vastgestaafd verbond; Laat dat uw hart tot ons in liefd' ontvonken: moordspelonken, Vanwaar' t geweld ons grieft met wond op wond. 20. Dat 20. Dat 1 Laat, ren; weren, 21. Rijs elk verdrukt' uw' bijstand eens erlang'! CAVAVAU laat uw volk niet schaamrood wederkeehoon, 22. Vergeet PSALM 74, 75. op, o God! Maar wil van hen ellend' en nooddruft ' t Is meer dan tijders: Opdat z' uw' naam verheffen in gezang. o Heer! Betwist uw zaak, wees onze pleitbeslechter: rijs tijd, gedenk, o hoogste Regter! Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag. niet, toon op, Heer! uw gezag; 199 dien onverdraagbren Dat luid geroep van al uw weêrparHet woest getier van uwe magtbestrijders Stijgt telkens op tot voor uw' hemeltroon. PSALM 75. alleen, U loven wij: Ja! wij loven Is tot onze vreugd nabij; Want uw naam, zoo rijk van eer, Dies vertelt men Wil ik, in ons land, Al de wondren uwer hand. 2. Als ik' t ambt ontvangen zal, volgens eed en pligt, Altoos regt doen in' t gerigt. AVAAVALA HURIALXIXIXIRIBURIHIRDAVAVA LORORV MXMXTAR AAVAANANANAN 200 rigt. Land was en volk PSALM 75. pijlers steld' ik vast, 3. Tot het dom en dwaas geslacht in verval; Tegen woed' ,, niet zinneloos!" Tot de snooden: West, noch zandwoestijn, ,, Dat gij hoornen, sterk van kracht, 29 Zeid' ik: Wees ,, naar boven steekt, En met stijven halze spreekt." 4. Geen geval, geen zorg, geen list, God ter eer, Maar zijn en overlast. Weest niet boos Doet ons 5. Want des HEEREN hand besluit der zijn; God is regter, die' t beslist; hoorn en magt Woedende Oost noch meer of minaller Oppervoogd, Deez' vernedert, dien verhoogt. Die, vol bitterheid, In zijn gramschap toebereid, als Eenen kelk Hij drenkt er' t menschdom uit; Doch der godEn deloozen mond Zuigt zijn hef uit, tot den grond. 6.' k Zal dit melden,' k zal altijd Zingen Jakobs Slaan der boozen hoornen neêr, Vellen wat zijn' naam bestrijdt; Maar der vromen Zal verhoogd zijn door Gods kracht. PSALM MORVAUHURAMA PSALM 76. PSALM 76. Stem 30. zijn' hoogen zetel nam; Zijn naam is groot in Isod is bekend bij Judaas stam, Daar Hij raël: In Salem staat, op zijn bevel, De hutte LE van dien Hemelkoning; Op Zion is zijn heilge woning. 2. Daar heeft de vijand boog en schild, En vuurge pijlen op verspild; God brak het zwaard, bedwong den krijg. Dat vrij het roofgebergte zwijg': Uw roem, o Le groot en heerlijk Wezen! Is tot veel hooger top gerezen. Į Į 3. Stouthartigen zijn daar beroofd; Daar sliep en heir en opperhoofd; De kloekste had geen handen meer; Maar viel in stof verslagen neer. O God van Jakob! door uw schelden Vergingen paarden, wagens, helden. 4. Gij! vreeslijk zijt Gij in' t gerigt: Wie zal bestaan voor uw oogen; voor uw gezigt? Zoo ras uw mond het vonnis streek, Uw oordeel van den hemel bleek; Toen vreesde d' aarde Toen werd ze stil door uw vermogen. 5. Als God ter hooge vierschaar steeg,' t Zachtmoedig volk verlossing kreeg, Ontzette zich het gansch heelal. Gewis, 201 der ARHATY MATATAE AVAVAVAVA 202 PSALM 76, 77. der menschen gramschap zal, Wanneer z' op' t hevigst is aan' t blaken, Uw' grooten lof nog grooter maken. 6. Woedt nog de wraaklust onbeschroomd, Die wordt door U ras ingetoomd. Doet dan geloften aan den HEER, Betaalt die, uwen God ter eer, Gij allen, die dien grooten Koning Omringt in zijn doorluchte woning! 7. Men voer' dien God geschenken aan, Die vreeslijk is in al zijn daân! Hij stoot de vorsten weg in' t graf, En snijdt hunn' geest als druiven af, Hij, die den koningen der aarde, Zelfs op hun troonen, vreeze baarde. M PSALM 77. ijn geroep, uit angst en vreezen, Klimt tot God, het Opperwezen, God, die in mijn ongeval, D' ooren tot mij neigen zal.' k Zocht Hem in mijn bange dagen;' k Bragt de nachten door met klagen;' k Liet niet af mijn hand en oog Op te heffen naar omhoog. E 2.' k Schatte mij geheel verloren;' k Mogt van geen vertroosting hooren; Als mijn ziel aan God gedacht, Loosd' ik MORVAURUR PSALM 77. ik niet dan klagt op klagt; Peinsd' ik aan mijn vruchtloos kermen, Vruchtloos roepen om ontfermen; Dacht ik, hoe God anders helpt, Mijne ziel werd overstelpt. 3. Slaap weerhieldt Gij van mijn oogen;' k Was verslagen, neêrgebogen, En, verstomd door al' t verdriet, Wars van menschen, sprak ik niet. 203 ' k Overdacht al d' oude dagen, Jaren, eeuwen, gunsten, plagen, En wat immer aan mijn ziel Van Gods hand te beurte viel. 4.' k Dacht, hoe' k God met vreugd voordezen Op mijn snaren had geprezen;' k Overleid' in diepe smart, ' s Nachts met een mistroostig hart, En mijn geest doorzocht de reden, Waarom God die tegenheden Mij in zulk een mate zond, En wat mij te duchten stond. 5. Zou de Heer zijn gunstgenooten, Dacht ik, dan altoos verstooten? Niet goedgunstig zijn voortaan? Nimmer ons meer gadeslaan? Zouden zijn beloftenissen Verder haar vervulling missen, Vruchtloos worden afgewacht, Van geslachte tot geslacht? PAUHAR THIRIBURUHOPLATAVAVAIRIAUKORVAVAVAVIVOS VANINANANAANVA 204 PSALM 77. PAUZE. 6. Zou God zijn genâ vergeten? Nooit meer van ontferming weten? Heeft Hij zijn barmhartigheên. Door zijn gramschap afgesneên?' k Zei daarna: ,, dit krenkt mij' t ,, leven; Maar God zal verandring geven; D' Allerhoogste ,, maakt het goed: Na het zure geeft Hij' t zoet." ***** 7.' k Zal gedenken, hoe voordezen Ons de HEER heeft gunst bewezen;' k Zal de wondren gadeslaan, Die Gij hebt van ouds gedaan;' k Zal naauwkeurig op uw werken En derzelver uitkomst merken; En, in plaats van bittre klagt, Daarvan spreken dag en nacht. 8. Heilig zijn, o God! uw wegen; Niemand spreek' uw hoogheid tegen! Wie, wie is een God als Gij, Groot van magt en heerschappij? Ja, Gij zijt die God, die d' ooren Wondren doet op wondren hooren; Gij hebt uwen roem alom Groot gemaakt bij' t heidendom. 9. Door uw' arm en alvermogen Hebt Gij Isrel uitgetogen; Jakobs kindren, Jozefs zaad Vrij gemaakt yan van Faroos haat.' t Water zag, o God! U komen; ORVAVAVAVAVAVA ' t Water zag U, en de stroomen Steigerden vol schrik omhoog; D' afgrond werd beroerd en droog. 10. Dikke wolken goten water; PSALM 77, 78. gen geklater; Uwe pijlen, zoo geducht, Vlogen vlammend door de lucht.' t Zwaar geluid der donderslaHooger zwerk gaf fel Deed het al in' t ronde wagen; reld werd verlicht, Door herhaalden bliksemschicht. 11. D' aarde sloeg van schrik aan' t beven, langs uw pad zag streven, Zee en groote waters door, eem, En de wehooren! In het nooit ontdekte spoor; Toen G' uw volk den weg leeren, 205 bereiddet, Daar Gij' t als een kudde leiddet; Mozes' Toen z' U en Aärors hand Bragt hen dus naar' t heilig land. PSALM 78. leer ter mijne neem o mijn volk! ooren! Neig oor en hart, om naar mijn stem te ' k Zal met mijn' mond u wijze spreuken Verborgenheên, van ouds af waardig t' eeren. Mii RAVAL TAURURUPUHURIAVAVAV HOAUKORVAVA MAAVVIVA 206 Mij vloeit een schat van wijsheid uit den mond, Gelijk een bron, die voortspringt uit den grond. 2. Verborgenheên, met diep ontzag te melden, PSALM 78. voorheen de vaderen vertelden, Die wij, hun kroost, Die ons ook niet verbergen mogen, Die stellen wij het nageslacht voor oogen; Des HEEREN lof, uit' s lands historieblaân, Zijn' sterken arm, en groote wonderdaân. B 3. Want God heeft zijn getuigenis gegeven Aan Jakobs huis; een wet, om naar te leven, Die Israël zijn nageslacht moet leeren, Opdat men nooit haar kennis lang, moog' ontberen: God vordert, dat de naneef, eeuwen Van kind tot kind, dit onderwijs ontvang'. In' t oog 4. Opdat z' op God hun hope stellen zouden, zijn daân, in' t hart zijn wetten houden, En nimmermeer weerspannig God verachten, Verdraaid en krom, als vorige geslachten, Wier hart niet was gerigt naar zijn gebod, Wier geest niet was getrouw met hunnen God. 1. PAUZE. 5. Wat kon de boog den besten schutter baten? Toen Efra hen gelet, HVAVHURAH PSALM 78. Efraïm Gods wegen had verlaten, ten dage van het strijden, En moest aldus de zwaarste neêrlaag lijden. Op Gods verbond werd niet van Vlood al het heir Zij weigerden te wandlen in zijn wet. 6. Zijn wonderdaân, door niemand af te meten, trouweloos en snood van hen vergeten; Die wonderdaân, Zijn waardoor Egypte's helden Bezweken zijn in Zoans Een vette velden; Daar Hij tot troost in hunner vaad7. Zijn almagt wist de zee van een te scheiden, 207 ren leed, Voor ieders oog de grootste teekens deed. En door te leiden: ' t angstig heir daar droogvoets Als op een' hoop deed Hij de waatren rijzen: Hij gaf des daags, om hun den weg te wijzen, wolkkolom; een licht des vuurs bij nacht; Tot dat Hij hen in' t vruchtbaar Kanån bragt. 8. Ook spleten zelfs de rotsen op zijn wenken; Geen afgrond kon het volk ooit milder drenken; De woestenij gaf zuivre watervlieten, Die d' Almagt uit de steenrots voort HURVAVES AVAVAVA CUKORVAVAVAJnvi XTAR VINNVVVV 208 voort deed schieten, Gelijk een stroom, die, golvend afgegleên, Zijn armen spreidt door al de velden heen. 2. PAUZE. 9. Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden, Nog pleegden z'in' t vervolg de snoodste zonden. In' t woest PSALM 78. gewest uit vetter land getogen, Vergramden zij des Allerhoogsten oogen; Verzochten God, en eischten, ten bewijs Van zijne magt, naar hunne lusten, spijs. 10. Zij spraken stout: ,, kan God in wildernissen Ook E , keur van spijs op onze tafels disschen?' t Is ,, waar, Hij sloeg de rots, en deed de stroomen, ,, In overvloed uit harde klippen komen; Maar, ,, is zijn magt ZOO onbepaald en groot, Hij ,, geev' dan hier zijn volk ook vleesch en brood." 11. Dit hoorde God, en werd op' t hoogst verbolgen; Zijn vuur ontstak om Jakob te vervolgen; De felle toorn van' t eeuwig Opperwezen Noch op Deed Israël al sidderende * 199 vreezen; Omdat zij niet geloofden aan Gods mond, zijn heil vertrouwden naar' t verbond. 12. Daar MORVAUHURAAA PSALM 78. VAURUAVAVAUBURT 12. Daar God, voor hen bezorgd, in hunne nooden De wolken zelfs van boven had geboden, De hemeldeur ontsloten, mild in' t zeegnen, En' t manna doen rondom hun tenten reegnen; Opdat zijn volk, ten blijk van zijne trouw, Dit hemelkoorn op reis genieten zou. 3. PAUZE. **** 13. Elk mogt zijn brood, zoo mild hem toegemeten, Dat wonderbrood der Magtigen, nu eten, Den teerkost, tot verzading hun gegeven. Een oostewind werd door Hem voortgedreven, En' t zuiden gaf, in' t aangevoerde zwerk, Geen minder blijk van zijn krachtdadig werk. 14. Toen daalde' t vleesch, als stof en digte regen. Een $ groote vlugt van vooglen, neêrgezegen, In menigte, gelijk aan' t zand der stranden, Viel toen van zelf hun rijkelijk in handen; Viel op Gods wenk, rondom elks woning neêr En spijsde' t heir van Isrels Opperheer. 9 15. Toen aten zij, en werden zat van eten; Hun eetlust werd voldaan, hoe godvergeten; Maar eer hun drift en toomeloos begeeren, Waarmee dat volk Gods almagt 14 209 dorst: Privives VANAANNANVivivivivi PSALM 78. dorst onteeren, Verzadigd was, ziedaar de straf terstond, Terwijl de spijs nog was in hunnen mond. 16. Ziedaar Gods toorn, gelijk een vuur, ontstoken; Zijn eer werd op hun magtigsten gewroken: Daar plaag op plaag geweldig nedervelden' t Aanzienlijkst deel, het puik van Isrels helden. Maar' t volk ging voort, hun ongeloof hield aan: God had vergeefs zijn wonderen gedaan. 4. PAUZE 17. Daarom deed Hij in ijdelheid hun dagen Vergaan, en, door een reeks van felle plagen, In schrik en angst hen slijten hunne jaren; Maar bragt Hij hen op nieuw in doodsgevaren, Dan vraagden zij naar God, en keerden weer, En zochten vroeg, uit bange vrees, den Heer. #E 18. Dan dachten zij, hoe' t eeuwig Opperwezen Hun rotssteen was, en hoe in angst voordezen De hooge God verlossing had gezonden; Dan vleiden zij Hem valschlijk met hun monden, En bukten laag, omdat de nood #E hen drong, Maar logen Hem met hun geveinsde tong. 19. Hun hart was boos, vervuld met slinksche streken den; ken; Van zijn verbond was groot en klein geweken. Doch God vergaf barmhartig hunne schulVerdierf ze niet, schoon zij de maat verHij wendde zelfs zijn gramschap dikwijls En wekte nooit zijn gansche wraak ter straf. vulden; af, gen; HURUHURVA 20. Hij dacht in gunst, door hunne ramp bewogen: Zij zijn toch vleesch, zij hebben geen vermoZij zijn een wind die gaat, en nooit zal keeren. onteeren! PSALM 78. Hoe dikwijls dorst hun wrevel God daân te stellen. De wildernis zag door hun booze paân Hem bitterheên en smarten aangedaan. 5. PAUZE. 21. Want elk ging voort; in God' t snoodst te tergen, op En nieuw bewijs van zijne magt te vergen; Den heilgen God van Israël te kwellen, En paal en perk aan zijne Zij dachten niet aan dien doorluchten tijd, Waarin Gods hand hen had van' t juk bevrijd: 22. Hoe Hij zijn oog op hen had neêrgeslagen, Egypte van zijn teekenen deed wagen, En Zoans veld, daar Hij hen 14* 211 ai AVAVAVAVAL SANA 212 ANANAVAVIVANA af wou zondren, Een streng tooneel deed worden van PSALM 78. zijn wondren; Daar poel en beek, en groot' en kleine vloed Ondrinkbaar werd, en niets dan walglijk bloed. 23. Hij zond een heir, door niemands hand te weren, Veel ongediert', om alles te verteren; groote kracht deed vorschen uit de stroomen wis bederf van gansch Egypte komen; kruidworm ' t gewas, met vlijt gekweekt, en' t kruid en den sprinkhaan 24. De wijnstok werd door hagel neêrgesmeten, Le 9 Verstoordheid, angst en Zijn een' tot 25. Ook zond Hij toorn, verbolgenheid Hij gaf Tot vreeslijk' Den buit. vijg daardoor van één gereten; vruchtbaar veld bederven; Zijn kleiner vee door zwaren hagel sterven; Zijn beesten door den fellen bliksem De landman zag zijn slaan, En jammerlijk door vuur en vlam vergaan. De wilde en nooden, onheilsboden; Hij baand' een' weg voor zijne grimmigheden, Waarlangs de wraak zou treên met wisse schreden: den: graf, MOHVAVAVAVAVAVA PSALM 78. Hun ziel werd niet onttrokken aan het Terwijl Hij' t vee aan' t pestvuur overgaf. 6. PAUZE. 26. Egypteland zag al het eerstgeboren Door' s hemels wraak geslagen, en verloren; De dood der jeugd,' t beginsel van Chams krachten, Vervulde tent en veld met jammerklagten, Waaruit Gods volk als schapen werd geleid, En vrij en blij op Parans grond geweid. 27. Ja, zonder vrees mogt Isrel veilig trekken, Het zag de zee zijn haatren overdekken; Want God, hun God, bragt hen bevrijd van banden Naar' t land, door Hem geheiligd uit de landen, Tot dezen berg, dien zijne hand verkreeg, En die daarna ten hoogsten luister steeg. 28. Het heidendom werd voor hen weggedreven; Aan elk, naar' t snoer, zijn erfenis gegeven, En Isrel mogt in eigen tenten wonen; Maar' t wufte volk ging veort in God te honen, Verzocht den Heer, versmaadde zijn gebied, En hield het regt des Allerhoogsten niet. 29. Zij weken af door trouweloozen handel, En volgden 213 dus FURRURE NAUHAVVIVEN 214 PSALM 78. dus der vaadren snooden wandel; Zoo keeren zich bedriegelijke bogen, Waardoor somwijl de schutter wordt bedrogen. Des Heeren toorn en ijver werd getergd Door beeldendienst en hoogten op' t gebergt'. 7. PAUZE. 30. Dit hoorde God, en heeft, op' t felst ontstoken, boos bestaan op Israël gewroken, Dat volk versmaad met beelden en altaren: Dies liet Hij tent en tabernakel varen, Die Hij zich daar ter woning had gesticht, En tot zijn eer te Silo opgerigt. 31. Het onderpand van' t heerlijk alvermogen, Zijn heilig' ark gaf Hij, voor Isrels oogen, Den Filistijn in d' ongewijde handen, Zijn volk ten zwaard', of in de slaafsche banden. Gods Majesteit, getergd, zag van Dit omhoog Zijn erfnis aan, met een verbolgen oog. 32. Het vuur verslond de strijdbre jongelingen; laag verneêrd, aan' t zwaard maagden lof vergat men op te zingen; Hun priesterschap, hoe hoog door God verheven, ter prooi Der Werd, gegeven'; ven; AVAVARVAHA PSALM 78. En d' arme weêuw bezweek van zielsverdriet, Of zat door schrik verstomd, en weende niet. heer 33. Toen stond God op met gunstige gedachten, Als na een' slaap ontwaakt met nieuwe krachten; Ja als een held, ontzaglijk in zijn gangen, Die nieuwen moed heeft door den wijn ontvangen; En sloeg tot smaad, met zijn geduchte hand, Het uiterst' deel van' s vijands ingewand. 8. PAUZE. 34. Doch Jozefs tent liet Hij verachtlijk varen; In Efraïm verkoos Hij geen altaren; Maar hij had lust in Judaas stam te wonen, Om daar zijn magt en heerlijkheid te toonen Op Zions berg, dien' s werelds OpperBemind' en koos ten zetel van zijn eer. 35. Daar bouwde Hij als hoogten zijne muren, Zijn heiligobo dom, dat d' eeuwen zou verduren, Gelijk deez' aard' gegrond door zijne krachten, In eeuwigheid geen wanklen heeft te wachten. Held David, dien Hij van de schaapskooi nam, Verkoos Hij zich ten Vorst uit Judaas stam. 36. Hij deed zijn' knecht van 215 achter' t vee zich spoeRUHVALY TXTA VINIVANNVV 216 PSALM 78, 79. spoeden, Om Jakobs zaad, zijn dierbaar volk, te hoeden, Zijn Israël, ten erfdeel Hem verkregen: Dus heeft die Vorst geheerscht met roem en zegen, Gods volk opregt en met verstand geweid, 31 dapper krijgsbeleid. En' t rijk beschermd door PSALM 79. etrouwe God! de heidnen zijn gekomen, Zij hebben stout uw erfland ingenomen; Jeruzalem, de tempel, uw altaren,' t Ligt al verwoest door die geweldenaren! Uw knechten zijn geveld, Door hun verwoed geweld; Hun lijken, onbegraven, Verzaden, na hunn' dood,' t Gediert' in hongersnood, En gier, en kraai, en 2. Het kostlijk bloed van uwe gunstgenooten, Als water om Jeruzalem vergoten, Doet wijd en zijd des vijands woede raven. blijken; Het gansche veld is nu bezaaid met lijken, Van d' eer des grafs beroofd. De nabuur schudt het hoofd, En lacht met onz' ellenden; Ons deerniswaardig lot Stelt ons ten smaad, ten spot Van vreemden en bekenden. 3. Hoe lang zult Gij in gramschap zijn ontstoken? Zal ' t he MAVAUHURAAA PSALM 79. ' t hevig vuur uws ijvers eeuwig rooken? wraak op hen, die ons verteren, Op volken, die uw' grooten naam niet eeren; Want Isrel, door hun magt Verschriklijk omgebragt, Ligt in zijn bloed verdronken; Zijn woning, al de troost van Jakobs kroost, Gelijkt thans naar spelonken. 4. Gedenk niet meer aan' t kwaad, dat wij bedreStort uwe ven; Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeEn lust PAUZE. ven! Waak op, o God! en wil van verder lijden Ons klein getal door uwe kracht bevrijden. Help ons, barmhartig Heer! Uw' grooten naam ter eer; Uw trouw koom' ons te stade; Verzoen de zware schuld, Die ons met schrik vervult; Bewijs ons eens genade. "" 217 5. Waarom zou zich der heidnen magt vermeêren? hoog gezag door bittre schimp onteeren, door hunn' trotschen waan bedrogen: Uw En vragen, Waar is hun ,, God? waar blijkt nu zijn vermogen?" Vergeld hunn' overmoed; Wreek uwer knechten bloed, O God van ons HUHURVE VINIMAViViViVviv 218 ons betrouwen! # dom uw wraak, Zelfs voor ons oog, aanschouwen. 6. Ai! hoor naar hen, die in gevangnis kwijnen; Laat hun gekerm voor uw gezigt verschijnen; Bevrijd hen, die, gedreigd met doodsgevaren, Op uwe hulp met smeekend' oogen staren; Vergeld den wreeden smaad, Waarmee des nabuurs haat venvoudig weêr; PSALM 79, 80, Verdedig onze zaak; Doe' t heidenschenden; Geef hun, o Opperheer! Die zeIn En zingen, Uw mogendheid dorst 7. Zoo zullen wij, de schapen uwer weiden, eem, Zie neêr op onz' eeuwigheid uw' lof, uw eer verbreiden; ellenden. van geslachten tot geslachten, Uw trouw, uw' roem, uw onverwinbre krachten. PSALM 80. Isrels Herder! neem ter ooren, Die Jozefs kroost, door U verkoren, Als schapen gunstig hebt geleid; Die eenen troon van heiligheid U tusschen Cherubs bo hebt gesticht; Verschijn weêr blinkend met uw licht. 2. Die AAAAAAAK AVAVAVAVAVAAVAT PSALM 80. 2. Die glans straal' Efraïm in d' oogen; Toon Benjamin uw groot vermogen; Verlos Manasse, tot uw eer; Getrouwe Herder! breng ons weer; Verlos ons, toon ons' t lieflijk licht Van uw vertroostend aangezigt. 3. Hoe lang, o HEER der legermagten! Verwerpt Gij, toornig, onze klagten; Hoe lang verlaat G' ons in den nood? Gij spijst uw volk met tranenbrood; Gij drenkt het in zijn' jammerstaat Met tranen, uit een volle maat. 4. In' t bitter leed dat wij verduren, Zien w' ons aan onze nageburen, Helaas! door U ten schimp gesteld; Ons door hun twisten neêrgeveld. Wij zien, daar ons by hun haat vertreedt, Hen spotten om ons harteleed. 5. Laat ons, o God der legermagten! Niet vruchtloos op 219 uw' bijstand wachten; Ga onzen haatren zelf te keer; Getrouwe Herder! breng ons weer; Verlos ons, toon ons' t lieflijk licht Van uw vertroostend aangezigt. PAUZE. 8. Gy vonut in ons een welbehagen; Gij bragt, o God! in HURDAVAVAVAJAJAJKVAVAVAVIRAVINGS VINVVVVVVVV 220 PSALM 80. in vroeger dagen, Uw' wijnstok uit Egypteland; Gij zelf hebt gunstig hem geplant; Voor hem de volken bo uitgeroeid, Hem plaats bereid, hem mild besproeid. 7. Hij heeft zijn wortels uitgeschoten; De bergen werden door zijn loten, Als waren' t ceedren, overdekt; Hij heeft zijn ranken uitgestrekt, In zijnen bloei bo en frisschen staat, Tot aan de zee, tot aan d' Eufraat. 8. Waarom hebt Gij zijn' muur verbroken? Hem van uw zorg en hulp verstoken? Men plukt, men trapt hem met den voet; Het boschzwijn heeft hem omgewroet; Het wild gediert' bo hem afgeweid, Daar' t zich door' t gansche land verspreidt. 9. Keer weêr, o God der legermagten! Tot ons, die op uw' bijstand wachten; Zie uit den hoogen hemel neêr; Herstel uw' wijnstok als weleer, Den stam, ter liefd' uws be f zoons geplant, Dien Gij gesterkt hebt door uw hand. 10. Hij ligt verbrand en afgehouwen. Als Gij verwoest, wie zal dan bouwen! Uw hand zij over' s menschen zoon, Dien G' U gesterkt hebt tot den troon: Zoo leven wij, door AVAVH door U bevrijd, Altoos aan uwe dienst gewijd. 11. Behoud ons, HEER der legermagten! Zoo zullen w' ons ' t lieflijk licht ZO voor afval wachten; Zoo knielen w' altoos voor U neêr. Getrouwe Herder! breng ons weêr; Verlos ons, toon ons bo Van uw vertroostend aangezigt. PSALM 81. ingt wezen PSALM 80, 81. nu Eenen VA blij ren moê te lofzang toe. not Worde Jakobs God Met gejuich geprezen! ,, der nieuwe maan, ' t Magtig Opper2. Zingt een psalm, en geeft reijen: Wat in Isrel leeft Roep' zijn grootheid uit; 4. Want dit is' t bevel Om ons 221 heilgeHarp en zachte luit Moet' zijn' roem verbreijen. Aan zijn Israël; 3.' t Blij bazuingeschal Klink' in Isrels ooren! ' t Regt van Jakobs God, Trommels aan de Doe nu overal Deze maar verstaan: ,,' t Feest ' t Feestuur is geboren!" Van den Heer der heeDit is' t hoog gebod, Dat wij billijk eeren. 5. Dit VARVAE URUHURUHURUAVAVAL AVIVAVAViviv 222 5. Dit doet Jozefs zaad in welk een' staat, Die het niet verstond, PSALM 81. "" 6. ,,' k Heb hunn' hals bevrijd Van den last te dragen: ,,' t Was die blijde tijd, ,, van 1. , Werd in' s vijands land Van den pot ontslagen. 7. ,, Op uw noodgeschrei Deed ik groote wondren. Onder u gehoord, ,, naam 8. ,,' k Nam te Meriba Aan Egypte denken, En Daar' t een sprake vond, ,, mijn gelei Vondt gij hulp; mijn woord Werd 99 God zijn heil wou schenken. PAUZE. alleen ,, op mijn bevel, Toen hun moede hand g' op mijn genâ, In uw tegenheên, Op mijn' Uit de plaats der dondren. * Proef van uw vertrouwen, of 9. ,, Hoort Mij, zei Ik toen, Onder u betuigen, E En mijn woord zoudt bouwen. Wat gij hebt te doen: Och! dat Israël Zich, Onder Mij wou buigen! 10. ,, Eert geen' uitlandsch' god; Wacht u voor uw zielen; ,, Wilt naar mijn gebod, Mijnen naam ten hoon, Voor geen AVA ,, heilig ,, geen valsche goon, Voor geen vreemde, knielen. ,, hand PSALM 81. 11. ,, Ik, Ik ben de HEER!' k Ben uw God, die IJvre voor mijn eer; Die u door mijn 12. ,, Opent uwen mond, Uit Egypteland Leidde vrij en veilig. 2. PAUZE. HUHUHUHUA VAVAVA Eischt van Mij vrijmoedig, Op ,, mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt, Schenk ,, Ik, zoo gij' t smeekt, 13. ,, Maar mijn volk wou niet ,, hooren; Israël verliet Mild en overvloedig. Naar mijn stemme Mij en mijn geboôn; 16.' k Had hun haters ras ,,' t Heeft zich andre goôn, Naar zijn' lust, verkoren. 14. ,,' k Liet hen dies, veracht, Naar' t hun goeddacht, ,, handlen;' k Liet dit boos geslacht, Naar de keuze ,, viel Van hun dwaze ziel, In hun wegen wandlen. 15. ,, Och! had, naar mijn' raad, Zich mijn ,, gedragen! Och! had Isrels zaad Op mijn effen volk , paân IJvrig willen gaan, Naar mijn welbehagen. 224 En geheel verslon,, den; BURULAVIVES 224 AHAVANA ,, den; 2. ,, kant, » ven, 17. ,, Haters van den HEER PSALM 81, 82. Wie hun tegen was ,, tijd, 18. ,,' k Had u dan tot spijs Mijn geduchte hand Zeker ondervonden. Had, "" aan alle ,, grocijen; En u, ten bewijs, Hadden Hem gegeSchoon geveinsd, zijn eer; Ook zou Isrels ,, en aan Van de smart bevrijd, Eeuwig zijn gebleven. Vette tarw doen viên, Honigbeken doen Uit de rotsen vloeijen." PSALM 82. Stem 46. Hoe Ik u kon n d'achtbre Godsvergaderingen Staat God, als rigter der gedingen; Hij oordeelt over goed en kwaad, In ' t midden van der goden raad: ,, Hoe lang zult gij van ,,' t rigtsnoer wijken, Een onregtvaardig vonnis strijken, ,, En achtslaan op het aangezigt Der goddeloozen in' t gerigt? ,, Toont aller goden God te vreezen; Doet regt aan armen weezen; Regtvaardigt hem die billijk klaagt, ,, Verdrukt of arm, uw hulpe vraagt; Verlost geringen uit ,, hun lijden, En wilt behoeftigen bevrijden; Rukt z' uit ,, der AVAVARVAVAU PSALM 82, 83. VHU AVAVAVAVAVAR ,, der goddeloozen hand! Geregtigheid verhoogt een land. 3. ,, Maar ach! hier is het regt vergeten, Men heeft noch ,, kennis, noch geweten, Men wandelt in de duisternis, 225 ,, Het wankelt al wat zeker is; Dies ziet men' s aardrijks Z grondvest beven!' k Heb wel voorheen u d' eer gegeven, ,, Dat ik u goden heb genoemd, En als Gods kinderen geroemd 4. ,, Gij zult nogtans het leven derven, En, als gemeene ,, menschen, sterven; Eens storten van den stoel der eer ,, In' t graf, als elk der vorsten, neêr!" Sta op, o God! en wil ontwaken; Ai! oordeel' t aardrijk, rigt de zaken; Want Gij bezit, op aard' alom, De volkeren in eigendom! PSALM 83. wijg niet, o God! houd U niet doof; Wij worden, zoo Gij zwijgt, ten roof; Wees toch niet stil; ai! wil ontwaen loos, Uw volk, dat zij zoo bits 15 ken; Want zie, o God! uw haaters maken Een krijgsgetier om zich te wreken; Zij durven stout den kop opsteken. 2. Hun aanslag is verwoed en boos; Zij zoeken, heimelijk hten, Te demAVAVEAVINGS ANANANANANAN 226 dempen met vereende krachten, PSALM 83. gunst en zorgen, Houdt, als een' schat, bij U verborgen. 3. Zij zeiden stout, en heet op buit: ,, Komt aan, men roei' ,, gansch Isrel uit, Opdat dit volk, gelijk voordezen, Dat Gij, met zoo veel Voortaan geen volk meer moge wezen, Dat niemand Isrels ,, naam doe hooren, Dat zijn gedachtnis ga verloren! 4. Want zamen zijn zij' t eens geraakt;' t Verbond is tegen U gemaakt; Daar zien wij Edoms tenten naadren; Ginds Ismaël zich zaam vergaadren; De Moabiten, Hagarenen, En Gebal zich in' t veld verëenen. **** 5. Met hen trekt Ammon ééne lijn, En Amalek, en Palestijn', En die in' t rijke Tyrus wonen; zij leunen, zich Assur bij hen troonen, Een magtig rijk, waarop En Lots ontaarde kinders Ook liet 47 6. Dat hen, o God! uw gramschap sla, steunen. Als Midian, als Sísera, Als Jabin, die bij Kisons stroomen En t' Endor gansch zijn omgekomen, Wanneer uw ijver niemand spaarde; Maar hen vertrad, als slijk der aarde! PAU AVAUHAVAVA PSALM 83, 84. PAUZE. HURUFUA VRVRAR 7. Sla hen en hunne prinsen, Heer! Als Oreb en als Zeeb, neer; Doe al hun vorsten, hoe verheven, Als Zebah en Zalmûna sneven, Die met geweld Gods 227 PSALM 84. land en daken Zich wilden ter bezitting maken. 8. Maak, dat dit volk geen rustplaats vind'; Verstrooi hen, door een' wervelwind, Als stoppels, door een' storm gedreven, Als wouden,' t vuur ter prooi gegeven, Als bergen, in wier ingewanden Ontstoken pik en zwavel branden. 9. Vervolg ze dus van oord tot oord, En drijf ze met uw onweêr voort; Verschrik hen met uw dwarrelwinden, Zoo dat zij rust noch schuilplaats vinden. Doe hen, o HEER! vol schande vlieden, Opdat z' uw' naam ens hulde bieden! 10. Beschaam, verschrik hen eeuwiglijk; Dat ieder schaamrood rugwaarts wijk'; Verniel hun heiren, doe hen weten, Dat Gij alleen de HEER moogt heeten. Die groote naam van' t hoogste Wezen Doe't wereld rond eerbiedig vreezen! oe lieflijk, hoe vol heilgenot, 0 HEER, 15* der Privives 228 VAVIVA der legerscharen God! Zijn mij uw huis en tempelzangen! ' S HEEREN voorhof in te treên! PSALM 84. Hoe branden mijn genegenheên, zwijkt van sterk verlangen; Mijn hart roept uit tot God, die leeft, En aan mijn ziel het leven geeft. 2. Zelfs vindt de musch een huis, o Heer! zwaluw legt haar jongskens neêr duchte HEER der legerscharen! van de God! Verwacht mijn ziel ecn heilrijk lot. bij uw altaren.' Bij U, mijn Koning, en mijn U Mijn ziel beverwacht, Die wegen: Om bij U woont, Gestaâg U prijst en eerbied toont. 3. Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen In' t kunstig nest, hen een' milden regen, De Steekt hen de heete middagzon Een' Welzalig hij, die Gekiest de welgebaanregen, E ' t moerbeidal, Gij zijt hun bron, En stort op In die hen overdekt, Verkwikt, en hun tot zegen strekt. PAU DAVAUHURVAAVA 4. Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort; Elk # hunner zal in' t zalig oord Van Zion, haast voor PSALM 84. PAUZE. F God verschijnen. Let, HEER, der legerscharen! let Op mijn ootmoedig smeekgebed; Ai! laat mij niet van druk verkwijnen; toegenegen oor, 0 Jakobs God! geef mij gehoor. Leen mij een 5. O God! die ons ten schilde zijt, En ons voor alle ramp bevrijdt, Aanschouw toch uw' gezalfden Koning. Één dag is in uw huis mij meer, Dan duizend, daar ik U ontbeer;' k Waar' liedan gewend ver in mijns Bondsgods woning Een dorpelwachter, eere geven; Aan d'ijdle vreugd in' s boozen tent. 6. Want God, de HEER, zoo goed, zoo mild, Is t' allen tijd' een zon en schild; Hij zal genaad' en Hij zal hun' t goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in den dood, Die in opregtHUPURVAVAAR 229 heid KORVAVARVELVIVES 230 heid U bouwt, voor Hem leven. Welzalig, HEER! die op toond, woont. gedaan; ij hebt uw land, o HEER! die gunst beden aan. iV uw' lust; bluscht. PSALM 84, 85. En zich geheel aan U vertrouwt. Dat Jakobs zaad op nieuw in vrijheid De schuld uws volks hebt G' uit uw boek Keer af uw PSALM 85. U verblij'? ons bevrij': Ook ziet Gij geen van hunne zonGij vindt in gunst, en niet in wraak, De hitte van uw gramschap is geO heilrijk God! weer verder ons verdriet; wraak, en doe uw' toorn te niet! 2. Heeft dan, o Heer! uw gramschap nimmer end? z' eindlijk niet eens worden afgewend? Of zal uw toorn ook op ons nakroost woên? Zal niet herleven doen, Opdat uw volk zich weêr in Zult G' uit den dood ons Dat toch, o HEER! uw goedheid Geef ons uw heil, en red door uwe hand, Uit vrije gunst, het zuchtend vaderland. 3. Merk AVAUHURVAVAVA 3. Merk op, mijn ziel! wat antwoord God u geeft; PSALM 85, 86. spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft, ' s hemels boog; en vree, gunstgenoot, van blijden troost niet weêr op' t spoor der dwaasheid tree. waar Gods heil is reeds nabij' t geslacht, Hetwelk Hem weêr doen zien; VAPUAVAAHAR vreest, en zijne hulp verwacht; Opdat er eer in onzen lande woon', En zich aldaar op' t luisterrijkst vertoon'. Hij in nood, Zijn' Mits hij 4. Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet, $ met een' kus van' t regt gegroet; Dan spruit de trouw uit d' aarde blij omhoog; Geregtigheid ziet neêr van VoorPSALM 86. eig, o HEER! uw gunstig' ooren, in mijn' angst te hooren. 231 De vrede Dan zal de HEER ons' t goede Dan zal ons' t land zijn volle garven biên. zigt, Hij zet z' alom, waar hij zijn treden rigt. Geregtigheid gaat voor zijn aangeOm mij ' k Ben ellendig, diep Gansch van heul en hulp ontbloot. Hoed JAVAVAJAJAURORVAVAVAJAVIVES 232 AMARA # ¢ PSALM 86. Hoed mijn ziel, Gij zijt almagtig, En ik ben uw gunst deelachtig. 0 mijn God, die mij aanschouwt! Red uw' knecht, die U vertrouwt. 2. Wie toch is, als Gij, weldadig? Wees mij dan, o Heer! genadig; Want mijn roepen en geklag Klimt tot U, den ganschen dag. Wil de ziel uws knechts verblijden; Ondersteun hem in zijn lijden; Want ik hef mijn hart en oog, Trouwe God! tot U omhoog. 3. HEER door goedheid aangedreven, Zijt Gij mild in ' t schuld vergeven; Wie U aanroept in den nood Vindt uw gunst oneindig groot. HEER! neem mijn gebed ter ooren, Wil naar mijne smeeking hooren; Merk, naar uw goedgunstigheên, Op de stem van mijn gebeen! 4.' k Ben gewoon, in bange dagen, Mijn benaauwdheid U te klagen; Gij toch, die d' ellenden ziet, Hoort mij, en verstoot mij niet. Heer! wat goôn de heidnen als uw groote daân, roemen, Niemand is bij U te noemen; Daden, Treft men nergens elders aan. PAU TAVAVARAMA 5. Al de heidnen, door uw handen Voortgebragt, in PSALM 86. PAUZE. alle landen, Zullen tot U komen, Heer! ken voor uw aanschijn neêr, 233 Bukeere leven. Gij zijt groot en hoog verheven; Gij En uw' naam ter doet duizend wonderheên; Gij zijt God, ja Gij alleen!" 6. Leer mij naar uw' wil te handlen;' k Zal dan in uw waarheid wandlen. Neig mijn hart, en voeg het zaam mij bewezen, Tot de vreez' van uwen naam. Heer, mijn God! ik 2008 zal U loven, Heffen' t gansche hart naar boven;' k Zal uw' naam en majesteit Eeren tot in eeuwigheid! 7. Want uw goedheid, hoogst gerezen, Hebt Gij dikwijls En mijn ziel, hoe zeer verdrukt, Uit het diepst van' t graf gerukt. O mijn God! de trotschaards spannen Boos te zamen met tirannen, Tot mijn' dood en zielverdriet; Zij ontzien uw hoogheid niet. 8. Maar Gij, Heer! Gij zijt langmoedig, Zeer barmhartig, overvloedig In genâ, die ons behoedt, Groot van waarRAVAN KORVAVAVENVIVES 234 waarheid, eindloos goed. Wend U tot mijn ziel genadig; Sterk uw' knecht, en geef weldadig steuning aan den zoon Uwer dienstmaagd, van den troon! 9. Doe een teeken mij Z PSALM 86, 87. haters in hun woede hunn' spijt, Y 640 Onderten goede, Dat mijn # 6 ¢* Mogen zien, hoe, tot gelegd op bergen, Hem gewijd; De HEER, die zich in Gij mij troost en mij bevrijdt. PSALM 87. ijn' grondslag, zijn onwrikbre vastigheden Heeft God Zions heil verblijdt, Bemint het meer dan alle Jakobs steden. 2. Men spreekt van u zeer heerelijke dingen, O schoone stad van Isrels Opperheer!' k Zie Rahab, ik zie Babel, tot uw eer, Bij hen geteld, die mijne grootheid zingen. 3. De Filistijn, de Tyriër, de Mooren, Zijn binnen u, o Godstad! voortgebragt; Van Zion zal het blijde nageslacht Haast zeggen: ,, deez' en die is daar geboren." 4. God zal hen zelf bevestigen en schragen, En op zijn rol, daar Hij de volken schrijft, Hen tellen, als in Isrel in HVA HAVA PSALM 87, 88. ingelijfd, En doen den naam van Zions kindren dragen. 5. Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen; en cimbel slaan, ten, zullen daar de blijde zangers staan, De speelliên op de harp 235 En binnen u al mijn fonteinen wezen. PSALM 88. God mijns heils, mijn Toeverlaat! Tot U hef ik mijn droeve klagten. Ik roep, bij dagen en bij nachTot U in mijnen jammerstaat. Dan wil mij hooren, En neig tot mijn geschrei uw ooren. Ik nader biddend: Gestuit in hunnen levensloop, 2. Mijn ziel, der tegenheden zat, wil mij begeven; Het einde nadert van mijn leven; ' k Ben krachteloos en afgemat. Ik ben, door overWordt moedeloos, maat van kwalen, Als zij, die reeds ten grave dalen. 4. Gij hebt mij in den kuil gelegd, 3.' k Ben afgezonderd bij den hoop ter neêr geslagen, In' t bloeijen van hun blijde dagen Der dooden, die, Met aard bedekt, van elk vertreden, Door uwe hand zijn afgesneden. In diept', in duisterRAHVATA ANANVIAVA 236 PSALM 88. ternis gesloten. Uw grimmigheid heeft mij verstooten, Mij neêrgedrukt, mij troost ontzegd; Gij doet op mij uw oordeel komen, Als onweerstaanbre waterstroomen. 5. Ik derf mijn vrienden, tot mijn straf; Zij zijn vervreemd van mededoogen; Ik ben een gruwel in hun oogen. Gij wendt hen allen van mij af. Een bange kerker doet mij zuchten: Ik kan de banden niet ontvlugten. PAUZE. 6. Mijn oogen treuren om mijn leed, Om al mijn' angst, om al mijn lijden. O HEER! wil mij van straf bevrijden; E Ach! toon U tot mijn hulp gereed;' k Smeek dag aan dag om uw ontferming: Leen mij de hand tot mijn bescherming. 7. Zult Gij aan dooden wondren doen? Zult G' overleednen doen verrijzen, Om hier uw' grooten naam te prijzen? * Zal' t graf uw' wijzen raad bevroên? Zal daar uw goedheid zich verspreiden? Zal' t woest verderf uw trouw verbreiden? 8. Wie zal uw wondren, uw beleid, Ooit in de duisternis vertellen? Wie ooit uw regt in' t daglicht stellen, Ter DAVAVAVAV PSALM 88, 89. Ter plaatse der vergetelheid? aan komt breken, Zal U, o HEER! om bijstand smeeken. 9. Waarom is' t, dat Gij mij verstoot? verbergt G' uw gunstrijk' oogen? der jeugd af, neêrgebogen, met den dood. Ik moet, vol angst, uw gramvergaan. Maar ik, eer d' uchtend rampen, Waarom 237 ' k Was, van Bedrukt, en worstlend schap dragen,' k Ben twijfelmoedig en verslagen. 10.' k Ben met verschrikking aangedaan. verflaauwt, mijn leden beven; heeft mij begeven; De vlam uws toorns doet mij ' k Moet dag aan dag met duizend Als met het woên der golven, kampen. Mijn moed Uw dierbre gunst PSALM 89. Van mij ver11. Gij hebt, en medgezel, en vrind, wijderd in mijn lijden, Zoo dat mijn ziel, hoe z' ook moet' strijden, Bij niemand heul of bijB stand vindt.' k Zoek hen vergeefs;' k moet eenzaam weenen: Al mijn bekenden zijn verdwenen. al eeuwig zingen van Gods goedertierenheên; Uw VAHVAT KORVAVAVE JAVIVOS VINNAVAA 238 2. Uw waarheid t' allen tijd' vermelden door mijn reên. Ik weet, hoe' t vast gebouw van uwe gunstbewijPSALM 89. zen, Naar uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen; Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken, Zoo min zal uwe trouw ooit wanklen, of bezwijken. Ik heb," dit was uw taal, ,, een vast verbond gemaakt ,, Met mijnen gunsteling, dien steeds mijn oog bewaakt; ,, Ik heb aan mijnen knecht, aan mijnen uitverkoren, Aan ,, zaad ,, David, in mijn gunst, met eenen eed gezworen: ,, van kind tot kind, tot aan het eind der dagen Uw bevestigen, bragt, en Ik zal uwen rijkstroon schragen.' 3. De hemel looft, o HEER! uw wondren, dag en nacht; Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegeDaar uw geheiligd volk van uwe trouw mag zingen; Want wie is U gelijk bij al de hemellingen? En, welke vorsten ooit het aardrijk moog' bevatten, Wie hunner is, o HEER! met U gelijk te schatten? 1. PAUZE. 4. God is op' t hoogst geducht in zijner Heilgen raad, En CAVAVAVA PSALM 89. En vreeslijk boven' t heir, dat om zijn' rijkstroon staat. Wie is als Gij, o HEER! o God der legerscharen? Wie is aan U gelijk? wie kan U evenaren? magtig zijt G', o HEER! ja eindloos in vermogen; Uw onverbreekbre trouw omringt U voor elks 239 en hemel, en wat leeft, of ooit zal leven, Grootoogen. Hoe 5. Gij temt de woeste zee, zij luistert naar uw' wil; hoog zij zich verheff', Gij wenkt, en zij is stil. Gansch Rahab is door U verbrijzeld, gansch verslagen; Uw vijand is verstrooid, uw arm heeft roem gedragen; En aard', Zijn d' uwe;' t gansch heelal hebt Gij' t bestaan gegeven. 6. Gij schiept het barre noord' en' t zoele zuiden zaam; Ginds juicht een Thabor, hier een Hermon in uw' naam. Gij hebt een' arm met magt; uw hand heeft groot vermogen;. Uw regterhand is hoog; uw troon blijft, onbewogen, Van regt en van gerigt zijn' vasten steun ontleenen; En waarheid en genâ gaan voor uw aanschijn henen. 7. Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort! Zij FURUHVALT AXVA VIVIANHAVA 240 PSALM 89. 5 Zij wandlen, HEER! in' t licht van' t godlijk aanschijn voort. Zij zullen in uw' naam zich al den dag verblijden. Uw goedheid straalt hun toe, uw magt schraagt hen in ' t lijden; Uw onbezweken trouw zal nooit hunn' val gedoo44 gen: Maar uw geregtigheid hen naar uw woord verhoogen. C 8. Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. Uw vrije gunst alleen wordt d'eere toegebragt! Wij steken' t hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen Door U, door U alleen, om' t eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in' t strijdperk van dit leEn onze Koning is van Isrels God gegeven. 2. PAUZE. ven, £ 9. Gij hebt weleer van hem, dien Gij geheiligd hadt, Gezegd in een gezigt, dat zoo veel troost bevat: ,, bij eenen held voor Isrel hulp beschoren!, ,, Ik heb Hem uit ,, het volk verkoogd; hem had ik uitverkoren.' k Heb Da,, vid mijnen knecht, mijn' gunsteling, gevonden, ,, hem, met heilge zalf, aan Mij en' t rijk verbonden. 10. ,, Mijn En MOHVA HIRVA PSALM 89. 10. ,, Mijn hand zal, hoe' t ook ga, hem ster,, ken dag en nacht; Mijn arm zal hem in nood ,, Voorzien van moed en kracht. De vijand zal Door list, of ,, hem nooit, door wreevle handelingen, ,, heisch bedrog, in uiterst' engten dringen; Den boos,, wicht zal' t geweld nooit tegen hem gelukken, Noch ,, in- noch uitlandsch vorst zijn' zetel onderdrukken. 241 11. ,, Ik zal integendeel, al wie hem wederstaat, Verplet,, tren voor zijn oog, en plagen, die hem haat; Mijn trouw ,, zal met hem zijn, mijn goedheid hem geleiden, ,, magt zal in mijn' naam zich over d' aard' versprei,, den; Zijn hand de groote zee, zijn schepter de rivieren, ,, Door mijn geducht bestel, met roem en eer bestieren. 12. ,, Gij( zal hij zeggen), zijt mijn Vader en mijn God, ,, De rotssteen van mijn heil!' k Zal hem ook stellen tot ,, Een' eerstgeboren' zoon, door al zijn broeders t'eeren; ,, Als Koning zal hij zelf de koningen regeren, Mijn goedertierenheid zijn' rijkstroon eeuwig stijven, En 16 ,, mijn Zijn RURVAL DAVAVAVELAVIVES ANANANANANANANA 242 PSALM 89. ,, mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven. 3. PAUZE. 13. ,, Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad, ,, Zoo lang de hemel zelf op vaste pijlers staat. ,, zoo zijn kinders ooit mijn zuivre wet verlaten; Maar Zoo ' t rigtsnoer van mijn regt ter reegling niet kan ba99 ,, ten, Zoo zij ontheiligen, wat ik heb voorgeschreven, ,, Dan mogen zij gewis voor mijne straffen beven! 14. ,, Dan zal Ik hen, die dwaas of wreevlig overtreên, ,, Bezoeken met de roê en bittre tegenheên; Doch over hem 15. ,, mijn gunst en goedheid nooit doen enden, Niet feilen in ,, mijn trouw, noch mijn verbond ooit schenden.' k Zal ,, nooit herroepen' t geen Ik eenmaal heb gesproken; ,,' t Geen uit mijn lippen ging blijft vast en onverbroken. ' k Heb eens gezworen bij mijn eigen heiligheid: Zoo 99 ,, Ik aan David lieg', zoo hem mijn woord misleid': Zijn ,, zaad zal eeuwig zijn, zijn troon zal heerlijk pralen; ,, Zoo duurzaam als de zon, zoo glansrijk als haar ,, stra MOAVAVAVAVA PSALM 89.. ,, stralen, Bevestigd als de maan; en aan des hemels bo" gen Staat mijn getuige trouw te schittren in elks oogen 1" 248 16. Maar ach, mijn God! waar blijkt uw trouw nu? waar uw eer? Gij stoot en werpt, vergramd, thans uw' Gezalfde neêr; Gij schijnt niet van' t verbond met uwen knecht te weten; Zijn kroon, ontheiligd, ligt ter aarde neêrgesmeten; Zijn sterke muren zijn door' s vijands magt verbroken; Zijn vestingen verwoest, en in het stof gedoken. 4. PAUZE. 17. Hij is door elk beroofd, den nabuur tot een' smaad; Gij hebt de regterhand verhoogd van die hem haat; Gij deedt den vijand in zijn' rampspoed zich verblijden; Zijn 3 zwaard ligt om,' t is stomp, en nutteloos in' t strijden: Gij doet hem, vol van schrik, van' t bloedig slagveld vlugten, En onder' s vijands juk, van U verlaten, zuchten. 18. Zijn schoonheid is vergaan, zijn troon ligt neêrgestort; De dagen zijner jeugd zijn door uw hand verkort; Met schaamt' is hij bedekt; elk kan hem strafloos ter16* gen. FURUHVAL DAVAVAVFAVIVES iivivivivAVAN 244 gen. Hoe lang, getrouwe God! zult Gij U steeds verberPSALM 89, 90. gen? Zal dan uw grimmigheid, die niemand af kan keeren, Gelijk een brandend vuur,' t verdrukte volk verteren? 19. Gedenk, o Heer! hoe zwak ik ben, hoe kort van duur; Het leven is een damp; de dood wenkt ieder uur. ' t menschdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen? Zou Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen? Wie redt zijn ziel van' t graf? ai! help ons, als te voren, Gelijk Gij bij uw trouw aan David hebt gezworen! 20. Gedenk den smaad, dien elk van uwe knechten lijdt, Waarmee elk magtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt, Den smaad, o HEER! waarmee uw haters ons beladen, Waarmede zij den gang van uw' Gezalfde smaden. Gij GE ren, immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen? HEER zij eeuwig lof! en elk zegg': Amen, Amen! PSALM 90. Den ij zijt, 0 Heer! van d' allervroegste jaVoor ons geweest een toevlugt in gevaren! Eer wigheid, MAVAUHRZ Eer berg en rots uit niet geboren waren, d' aarde rustt' op hare grond pilaren, Gij de God, ren; deren, door een' wenk den mensch zijn 3. Gij gen God, 0 2. Uw oppermagt, die wij ootmoedig eeren, Een enkle dag, Want in uw 00g gen; PSALM 90. Les overtogen Zij die eeuwig die eind noch oorsprong zijn voor elks oogen; FAURA een nachtwaak, Uw wenk alleen, al schijnt ons Verbrijzelt ons, doet ons tot aarde keeren; zijn leeft! overstroomt het menschdom; zijn als 4. Door uwen toorn Van eeu' t gras, Uw gramschap doet Eer Zijt heeft. broosheid leeIs, als een slaap, een ijdle droom vervloKan duizend jaren, Heer! 245 niets te dat' s morgens, D Met frisschen dauw, in bloei staat en niets meer. ons hart van vermosneden wordt, Op' t open veld in weinig tijds verdort. Maar's avonds, als het afgevergaat ons kwijnend leven; doodschrik beVAAVAL DAVAVAVAVIVES AVANA MAAANANAMA 246 beven, ven, ven, rigt, 0 God! PSALM 90. Het onregt, dat w' in' t openbaar bedreals Gij, in majesteit verheEn' t kwaad, door ons in' t heimelijk verIn' t licht stelt voor uw glansrijk aangezigt. PAUZE. 5. Wanneer uw toorn en gramschap ons bezwaren; b Dan wenden, dan verdwijnen onze jaren; Wij hoogste tot den top zien hen, als gedachten, henen varen! Of, blijft uw gunst ons in het leven sparen; Dan klimmen wij ten 6. Helaas het best # 6 ¢* Van zeventig of tachtig jaren op. van onze beste dagen dikwijls smart, geeft dikwijls stof tot klagen; Baart Daar zorg, verdriet en jammerlijke plagen, Steeds, beurt om beurt, de matte ziel doorknagen. De levensdraad wordt schielijk afgesneên; Wij schenen sterk, en ach! wij vliegen heen! 7. Wie kent uw toorn? wie zijn geduchte krachten? Wie vreest dien regt, geduchtste Magt der mag ten, magten? Leer ons den tijd des levens kostlijk achzen; AVAVARA Keer weder, HEER! uw gunst koom' ons te stå: $ Hoe lang ontzegt G' uw' knechten uw genâ? zen 8. Uw gunst sterkt meer dan d' uitgezochtste spijzen. verrijzen; Opdat ons hart de wijsheid moog' betrachten. ken, ken, PSALM 90, 91. Laat, met het licht, haar licht voor Uw druk, En 9. Laat uw Verblijd HUFVAVAU al goedheid, Zoo zal ons hart op liefelijke wijons oovrig leven, prijons naar naar den tijd van al genâ ons met ons 247 de maat van onzen ons ongeluk. haar' troost verrijEn laat uw werk aan uwe knechten blijwijken! Uw liefd' uw magt behoed' " Uw heerlijkheid niet van hun kindren ons voor bezwijken! Sterk onze hand, en zegen onze vlijt; Bekroon ons werk, en nu, en t' allen tijd'! PSALM 91. ij, die op Gods bescherming wacht, Wordt door den VARVAE ( 80RIA ADRIA rivives AVANAVA ANAVAVAVAVAVA 248 den hoogsten Ko- ning Beveiligd in den duistren nacht, Beschaduwd in Gods wo- ning: Dies noem ik God, zoo goed als groot Voor hen, die op Hem bouwen, Mijn' burg, mijn toevlugt in den nood, Den God van mijn betrouwen! 2. Hij zal uit' s vogelvangers net U veilig doen ontkomen. Hij is het, die uw leven redt; Gij hebt PSALM 91. geen pest te schro- men. Hij zal, in lijf- en zielgevaar, U met zijn vleuglen dekken, Zijn waarheid u ten beukelaar, En ter rondas verstrekken. 3. De schrik des nachts doet u niet vliên, Waarvoor de boozen be- ven; Geen pijlen hoeft gij' s daags t' ontzien, Die hevig om u zwe- ven; De pest, met welk een' snellen spoed Zij moog' in' t duistre waren, Noch' t streng verderf dat' s middags der boozen zij, woedt, 4. Gij zult, aan d' een' en d' andre hand, Tien duizenden zien val- len; Terwijl gij, in gerusten stand, Bewaakt blijft boven al- len. Het dreigend leed vliegt u voorbij; Y Alleenlijk zien uw oogen, Zal uwe ziel vervaren. Die Hoe schriklijk' t loon LE d' Almagt niet verhoogen. PAU CHAUHAVA PSALM 91.E PAUZE. VAVAVA HRVAT 5. Ik steun op God, mijn' Toeverlaat! Dies heb ik niets 249 te vreezen. Wie God vertrouwt, dien deert geen zuch- ten, kwaad, Uw tent zal veilig we- zen; Hij zal zijn ongenug- ten. Engelen gebiên, Dat z' u op weg bevrijden; Gij zult hen, in gevaren, zien Voor uw behoudnis strijden. 6. Zij zullen u, Gods gunstgenoot, Naar' s Hoogsten welbeha- gen, Opdat gij aan geen' steen u stoot, hunne handen dra- gen. Gij zult op jonge leeuwen treên, Op giftig adders stappen, En, door gevaar noch vreez' bestreên, Den leeuw en draak vertrappen. 7. Dewijl zijn ziel Mij teêr bemint( Dus laat God zelf zich hoo- ren), Heb Ik voor hem, als voor mijn' vrind, Een heilrijk lot bescho- ren; Omdat hij mijnen naam erkent, Zal hem mijn gunst verzellen; Ik zal hem redden uit d' ellend', En op een hoogte stellen. 8. Hij zal, in alle ramp en pijn, Tot Mij om uitkomst Op En ik gestadig bij hem zijn, In al zijn ' t Gevaar zal Ik hem doen ontvliên Zijn KUREHOPU AVANA NANANANANARIVANAN 250 Zijn levensdagen rekken;' k Zal hem mijn eer en En nooit mijn hulp onttrekken. PSALM 92. heil doen zien, PSALM 91, 92. aat ons den rustdag wijden Met psalmen tot Gods eer.' t Is goed, o Opperheer! Dat w' ons in U verblijden;' t Zij d' uchtendstond, vol zoetheid, Ons stelt uw nst in' t licht,' t # ons de nacht berigt Van uwe trouw en goedheid. 2.' t Voegt ons, met blijde klanken, ' t voorbedachte lied, Hem, die het al gebiedt, Op harp en luit te danken. Gij hebt, door uw vermogen, 0 HEER! mijn hart verheugd; Door zal, verrukt van vreugd Uw groote daân verhoogen. 3. Hoe groot zijn, HEER! uw werken! ver gaat uw beleid! Hoe Gij stelt, met mogendheid, * Elk deel zijn juiste perken. Een ziel, aan' t stof gekluisterd, Beseft uw daden niet; Geen dwaas weet, wat hij ziet; Zijn oordeel is verduisterd. 4. Dat hem AAAAAAA 4. Dat vrij, als groene telgen, De booze welig groei'; Gij zult, in zijnen bloei, Voor eeuwig verdelgen. Niets stelt U immer palen, Gij zijt de hoogst' in magt; Gij 14 HEER! Uw kracht PSALM 92.29 strooijen eer 5. Wie U durft wederstreven; begaan, Zult Gij, o God! en PAUZE. hooren, doen sneven. Ik ben door uwe hand Zal eeuwig zegepralen. kens onrust brouwen; zijt HURUARVAVRUVAVAT weerstaan, Wie onregt durft de vergrooten, Mij sterken in mijn' stand; Gij zult mijn VerDat Gij de boozen straft, Met olie overgoten. 6. Mijn oog zal hen aanschouwen, Die listig al mijn paân In' t heimlijk gadeslaan, Mij tel1 251 Ook zal mijn oor eens Dat Gij mij wraak verschaft Van hen, die mij verstoren. 7.' t Regtvaardig volk zal bloeijen, Gelijk op Libanon, Bij' t koestren van de zon, De palm en ceder groeijen. Zij, die in' t huis des HEEREN, Vivives MANAVAVAL 252 REN, In' t voorhof zijn geplant, Zien door des Hoogsten hand Hunn' wasdom steeds vermeêren. 8. In Blijft hunne grijze dagen bo gewis; Zij zullen groen en frisch, D # vruchten dragen, den, PSALM 92, 93. mijn vaste rots, vestigt 2. Gij Te roemen E Dat schoon gebouw hebt kleed met sterkt', omgord met heerlijkheid, d' aard', en siddert al geweld met Om e HEER regeert! de hoogste Majesteit, De waatren, HEER! Rivier en meir 9 ' t regt mijns Gods. In Hem, uw' troon Is' t onregt nooit gevonden. PSALM 93. hunne vreugd verheugde Gewenschte ' t op van monhoudt door zijne hand onwankelbaar in stand. woedend verheffen hun geruisch; Beeeuwigheid gegrond. verheffen zich in' t rond'; Be3. Maar, HEER! Gij zijt veel sterker, uw Der waatren, dien stroomgedruisch. Het dan ' t almagt palen stelt; stelt; gaan! staan. ORVAUHURAAA Eeuw en wil, Hoe fel zij bruis', hoe fel zij woede, stil. 4. Uw magt is groot, PSALM 93, 94. uit De groote zee zwijgt, op uw' wenk uw vreugd, De heiligheid is voor uw huis, O HEER! Al wat Gij ooit beloofd hebt zal betot HUHURUHURUAAT trouw zal nooit verin, eeuw en sieraad PSALM 94. erschijn nu blinkend, God der wrake! 258 tot eer! Dat eens uw arm voor ons ontwake! Vertoon uw glansrijk aangezigt! Gij Regter, die de wereld rigt! hef U, en vergeld Hoovaardigen hun trotsch geweld! 2. Hoe lang, HEER! zullen dan de boozen, Hoe langen tijd de goddeloozen Noch hupplen, vol van dartle En laster braken op de deugd, En spreken, als in zegepraal, Baldadig d' allerhardste taal. 3.' t Verbrijzeld volk, o HEER! moet bukken, Daar zij uw erfdeel wreed verdrukken. De zwakke weêuw, van hulp ontbloot, Wordt met den vreemdeling gedood; Zelfs wordt d'onnoozle wees vermoord; Naar regt noch reden wordt gehoord. 4. Zij Sta op, ver VANANANA VANAVAAX 254 4. Zij zeggen, stout op hun vermogen: ,, De HEER slaat op E ,, ons doen geen oogen; De God van Jakob merkt het PSALM 94. ,, niet!" Let, onvernuftigen! en ziet; Blijft g' eeuwig van verstand beroofd, Gij dwazen! die het licht verdooft? 5. Zou dan de Schepper, die onz' ooren Geplant heeft, zelf 目 niet kunnen hooren? Zou Hij, die' t oog formeert, niet zien? Zoudt gij des Rigters wraak ontvliên, Die volken straft, en wijsheid leert Den mensch, die wetenschap ontbeert? PAUZE. 6. Neen, dwaas! de HEER weet uw gedachten, Dat z' ijdel zijn bestuur verachten. Welzalig is de man, O HEER! Die, door uw tucht en hemelleer, Het nut der onderdrukking weet, En voordeel trekt zelfs uit het leed. 7. Zoo leert hij zich geduldig dragen; Zoo ziet hij' t eind der kwade dagen; Zoo wordt de roede zelfs geEn d' onderwerping geeft hem rust; Tot dat kust, de kuil gegraven wordt, Waarin de zondaar nederstort. 8. De HEER zal, in dit moeilijk leven, Zijn volk en erfdeel nooit begeven. Het oordeel keert, vol majes- teit. loon, VAARAAVA PSALM 94. ELE PUPUHURUHVAT teit, Haast weder tot geregtigheid; Al wie opregt is van gemoed, Die merkt het op, en keurt het goed. 9. Wie helpt mij tegen al die boozen? die goddeloozen? Zoo mij de HEER, mijn schild en Geen sterken bijstand had geboôn, Dan waar' 255 Wie wederstaat mijn leven haast verkort, En ik bijna in' t graf gestort. 10. Wanneer ik zei: ,, mijn voeten glijden;" Toen hebt Gij mij gesterkt in' t lijden. Wanneer mij' t afgepeinsde hart Door al mijn denken werd verward, En ik in druk schier was gestikt; Toen heeft uw troost mijn ziel verkwikt. 11. Zou ooit de stoel der schandlijkheden Bij uwen troon een plaats bekleeden, Die moeit' en wetten boos verdicht? Zij rotten zaam, en, wars van' t licht, Verdrukken zij het vroom gemoed; 12. De HEER, mijn Bondgod, was voordezen, Mijn hoog Ja doemen zelfs' t onschuldig bloed. vertrek in al mijn vreezen, Mijn steenrots en mijn toeverlaat. Hij straft de boozen, wreekt hun kwaad, En loont hun boosheid met den val;' t Is God, die hen verdelgen zal! PSALM ANANANANAN 256 K AVAVAVAN PSALM 95. PSALM 95. omt, laat ons zamen Isrels HEER, Den rotssteen van ons heil, met eer, Met godgewijden zang ontmoeten! Laat ons zijn gunstrijk aangezigt, Met een verheven lofgedicht, En blijde psalmen, juichend groeten! 2. De HEER is groot, een heerlijk God, Een Koning, die het zaligst lot, Ver boven alle goôn, kan schenken Het diepst van' s aardrijks ingewand, Het hoogst gebergt' is in zijn hand;' t Is al gehoorzaam op zijn wenken. 3. Zijn' is de zee; z' is door zijn kracht Met al het drooge voortgebragt;' t Moet alles naar zijn wetten hooren. Komt, buigen w' ons dan biddend neêr! Komt, laat ons knielen voor den HEER! Die ons gemaakt heeft en verkoren! 4. Want Hij is onze God, en wij Zijn' t volk van zijne heerschappij, De schapen, die zijn hand wil weiden; Zoo gij zijn stem dan heden hoort, Gelooft zijn heil- en troostrijk woord, Verhardt u niet, maar laat u leiden. 5. Verhardt u niet; neemt zijn genâ Ootmoedig aan. Laat Me VARAAAAAA AVAUAVAVAUHVAT PSALM 95, 96. Meriba, Laat Massa u ten afschrikk' wezen, Waar' k door uw vaders ben verzocht, Toen alles, wat mijn al257 magt wrocht, Hen niet bewoog, om Mij te vreezen. 6.' k Heb aan dit volk, dat Mij vergat, Een langen tijd verdriet gehad, Ja, veertig jaar hunn' hoon verdragen, En zei: ,, dit volk, dat steeds mij sart, Heeft een verdwaasd ,, en dwalend hart;' t Schept in mijn wegen geen behagen." 7. Dies heb Ik, door hun tergend kwaad Op' t hoogst vergramd, dit volk versmaad, En met een' duren eed gezwoD ren, Dat, wegens zijn geschonden trouw, Het nooit mijn rust genieten zou. Die voor mijn volk nog blijft beschoren. PSALM 96. ingt, zingt een nieuw gezang den HEERE! Zing, aarde! zing dien God ter eere; Looft' s HEE' t wereldrond; REN naam met hart en mond; Vermeldt zijn heil op Dat dag aan dag zijn roem vermeêre. 2. Nu moet uw tong de heidnen nooden; Meldt allen volken zijn geboden; Vertelt zijn wondren en zijn eer. Groot en 17 prijs VANHVV AVAVAVAV 258 prijswaardig is de HEER, En vreeslijk boven al de goden. 3. Al d' afgoôn zijn slechts ijdelheden; die van heemlen heeft 6. wordt ons PSALM 96. 重 4. Hoe blinkt het alles door vertooning lerlei geslacht! kracht En voor 11 lijk aangezigt Zet eer met majesteit haar treden. en sieraad in zijn woning! gesticht, beleden, Is' t, die de Aan van Den roem Isrels grooten PAUZE. majesteit, Maar God, in' t heiligdom verheven, ziju 5. Geeft d' eer aan' t eeuwig Opperwezen: Aanbidt Hem nedrig al uw leven, Geef dan, o algodVan sterkt' van heerlijkheid en zich verspreidt. Leer, naam wordt nooit genoeg geprezen. Verheft zijn deugden, blij te moê; Brengt in zijn huis Hem God en Koning! offer toe, Hem, dien de volken moeten vreezen! Zijn Hem, die, Een godlijk licht Leer voor zijn aangezigte aarde! voor zijn beven. 7. Zegt, 7. Zegt, om de heidnen te verlichten: De HEER UHURVAVAAAA regeert, die d' aard' wou stichten; PSALM 96, 97. vestigd t' allen stond, Nooit wanklen zal op haren grond; Hij zal naar' t regt de volken rigten. 8. Dat zich de hemelen verblijden; het vee, Hij komt, zij d' aard' aan alle zijden, Verheugd de volheid van de zee; Het veld spring' op met al tigheid, Dies zij, beVAURUA VAUHAR 9.' t Juich' al voor' t aangezigt des HEEREN; Verheugd En' t woud moet' juichend God belijden. die d' aarde zal regeren En rigten vol van majesteit; De wereld zal geregPSALM 97. Het menschdom zijne waarheid eeren. od heerscht als Opperheer; Dat elk Hem juichend eer'! Gij, aarde, zee en eiland! Vertroon Op heilge rijksgeboon, " 17* 259 heugt u in uw' Heiland! Hem dekt met majesteit Der wolken donkerheid; Hij vestigt zijnen Vol regt en wijs beleid. 2. Een AVIVAN WiViVVVVINGVAVIV 260 PSALM 97. 2. Een vuurgloed gaat Hem voor, Den ganschen hemel door, En blaakt aan alle zijden Hen, die zijn magt bestrijden. Zijn felle bliksemschicht Snelt door al' t zwerk, verlicht Den ganschen wereldkloot; aardrijk ziet zijn' nood, En ijst, en beeft, en zwicht. 3.' t Gebergte smelt als was, En wordt geheel tot asch Voor' t aangezigt des HEEREN, Wien al wat leeft moet eeren.' t Verbaasde hemelrond Meldt, in dien naren stond, Zijn billijkheid en magt; Leo Het volken zien zijn kracht. Op' s aardrijks ruimen grond. PAUZE. 4. Dat ieder schaamrood zij, Die, onbeschroomd en vrij, De Een beeld durft eer bewijzen, En nietig' afgoon Hem, al gij goon! prijzen, Den waren God ten hoon. Knielt voor Zwicht voor den Opperheer! Buigt u met ootmoed neêr Voor zijn' geduchten troon. vreugd, Met Judaas do chtrenscharen, 5. Gansch Zion was verheugd, En juicht', o HEER! van Wanneer' t de CAVAUHURVAVAVA PSALM 97, 98. de blijde maren Uws oordeels had gehoord; Want Gij heerscht ongestoord, En toont uw magt alom, 6. Beminnaars van den HEER! Ver boven' t godendom,' t Welk siddert voor uw woord. VAUHURVAVARVAT eer! Hoopt steeds op zijn genade, En haat altoos het kwade. Hij, die in tegenspoed Zijn gunst0111* $ 261 Verbreiders van zijn genooten hoedt, Verleent hun onderstand, En redt z' uit' s boozen hand, Die op hun onschuld woedt. smarten. Juicht, vromen! om uw lot; 7. Gods vriendlijk aangezigt Heeft vrolijkheid en licht, Voor all opregte harten, Ten troost verspreid in vol sterkt', en eere, Verblijdt u steeds in God! Roemt, roemt zijn heiligheid! Zoo word' zijn lof verbreid Voor al dit heilgenot. PSALM 98. ingt, zingt een nieuw gezang den HEERE, Dien grooten God, die wondren deed! Zijn regterhand, Zijn heilig' arm wrocht heil na leed. Dat heil heeft God nu doen verkonden: Nu heeft ANAL ANAMANAVA 262 heeft Hij zijn geregtigheid, Zoo vlekkeloos en ongeschonden, Voor' t heidendom ten toon gespreid. 2. Hij heeft gedacht aan zijn genade, Zijn' trouw aan PSALM 98. Isrel nooit gekrenkt; Dit slaan al' s aardrijks einden gade, psalmen Nu onze God zijn heil ons schenkt. Juich dan den HEER' met blijde galmen, Gij gansche wereld! juich van vreugd; Zing vrolijk in verheven # Het heil, dat d' aard' in' t rond verheugt! 3. Doe bij uw harp de psalmen hooren; Uw juichstem geev' den HEERE dank; Laat klinken, door uw tempelkoren, Trompetten en bazuingeklank! ' S HEEREN huis van vreugde druische, Voor Isrels grooten Opperheer; De zee met hare volheid bruise; De gansche wereld geev' hem eer! 4. Laat al de stroomen vrolijk zingen, de, springen Dat De handen klappen naar omhoog;' t Gebergte, vol van vreugEn hupplen voor des HEEREN 00g! Hij komt, Hij komt om d' aard' te rigten, De We eert, AVAVAVAVAUHAVAN wereld in geregtigheid; Al' t volk, daar' t wreed geweld moet zwichten, Wordt in regtmatigheid geleid. PSALM 99. PSALM 98, 99. od, de HEER, regeert, Beeft gij volken! schen Cherubs woont, En zijn grootheid toont; Dat zich d' aard' bewege; € Eert zijn hoog bestel, Die bij Israël Tus2. God, die helpt in nood, u dan in' t stof, UAVHUHURVAVAVAVAT Aller volken magt Niets bij Hem geacht; Buigt gaaft, ' t Heilig Opperwezen; Wilt het eeuwig vreezen. Hij is Isrels zege! 4. Roemt nu Is in Zion groot; 3. Looft met hart en stem, Looft de kracht van onzen God; En verheft met lof, Hem Die het regt bemint In zijn rijksbewind! Voor zijn voetbank neer, Op zijn' hoogen troon I ' t Regt hebt Gij gestaafd;' t Geen G' aan Jakob Toond' aan Isrels leden Regt en billijkheden. 263 Knielt, op zijn gebod, Heilig is de HEER, Amrams groote zoon, En VAAVAA VANHANAVAVANAVAN 264 En zijn broeder waren Bij zijn priesterscharen. PAUZE. 5. Ook was Samuël, dend voor zijn volk, Als een hemeltolk; en andren meer Riepen tot den HEER, met gunstig' ooren, 6. Uit zijn Hij PSALM 99. heiligdom, zijne wet ' s Heeren kracht Op Gods hoog bevel, In Hun Bij hen ingezet, ' t Nakroost der Hebreeuwen Daar zijn heiligheid een wolkkolom, Van geroep Gij, Gij waart hun lot, Schoon z' ook om hun zonden lig toch en t' eeren Wou hen werd BidHij Die hooren. 7. Gij, met hen begaan, Hebt hunn' wensch voldaan; 8. Geeft dan eeuwig' eer Onzen God en Die door HEER! die naar uw woord Hun gebed verhoort, Heeft volbragt. Volge dit all' eeuwen. Hun vergevend God; Straffen ondervonden. Haren glans verspreidt; Klimt op Zion, toont Eerbied, daar Hij woont, HEER! HeiIs de HEER der heeren! PSALM AAAAAH PSALM 100, 101. PSALM 100. AVAVAVAVAVRUHVATN uich, aarde! juicht alom den HEER'! Dient God met blijdschap, geeft Hem eer. Komt, nadert voor zijn aangezigt; Zingt Hem een vrolijk lofgedicht. 2. De HEER is God! erkent, dat Hij Ons heeft gemaakt( en geenszins wij) Tot schapen, die Hij voedt en weidt, Een volk, tot zijne dienst bereid. 3. Gaat tot zijn poorten in met lof, Met lofzang in zijn heilig hof, Looft Hem aldaar met hart en stem. Prijst zijnen naam, verheerlijkt Hem! 4. Want goedertieren is de HEER! Zijn goedheid eindigt nimmermeer. Zijn trouw en waarheid houdt PSALM 101. 265 haar kracht, Tot in het laatste nageslacht. al van de deugd der milde goedheid zingen, Van ' t heilig regt der strenge regtsgedingen: Een psalmgeUw' naam ter eer. zang, o hooggeduchte HEER! 2.' k Zal met verstand den weg betreên der vromen. Wan VIVIVAVAVVIVINA 266 PSALM 101. Wanneer zult Gij, mijn Bondgod! tot mij komen? Ik C zal doen zien in al mijn huisbeleid D' opregtigheid. 3.' k Zal met vermaak naar' t kwaad niet overhellen, Geen godloos stuk mij zelv' voor oogen stellen. Ik haat het doen der schendren uwer wet, En schuw die smet. 4.' t Verkeerde hart, in wien' t mij ook moog' blijken, Zal uit mijn huis en van mijn' omgang wijken; Mijn gunst zal hen, die booze wegen gaan, Nooit gadeslaan. 5.' k Zal over hem, die achterklapt, mij belgen, Den Die, lasteraar zijns vriends zal ik verdelgen; van hart, met nijdig' oogen ziet Verdraag ik niet. trotsch 6. Ik sla, op die getrouw in' t land zijn, d' oogen; Ik zal in eer hen aan mijn zij' verhoogen, En doen hem, die in' t spoor der deugd zal treên, Mijn' dienst bekleen. EC 7. Maar elk, die snood, door listige bedrijven, Zijn voordeei zoekt, zal in mijn huis niet blijven; Geen leugenaar, die waarheid stout verbant, Houdt bij mij stand. 8. Ik zal mijn wraak godloozen ieder' morgen, Gevoelen doen AVA HRVAVAVA PSALM 101, 102. doen, en' t regt zijn klem bezorgen, Om in de stad des HEEREN niet te voên, Die' t kwade doen. PSALM 102. oor, o HEER! verhoor mijn smeeken! KVARVAVAVAVAVAVAVAVE m' uw' bijstand niet ontbreken; Ai! veracht mijn tranen niet, Daar Gij al mijn angsten ziet. leed moet klagen; ik, in benaauwde dagen, U, mijn' God, mijn Wil 2 Want mijn leeftijd is door weenen, dan spoedig aan mijn gebeente naauwde klagt, Laat rook, verdwenen; Mijn gebeent', in droeven stand, fermen, Wil mij door uw magt beschermen! F Als een ijdle 3.' k Voel de krachten mij begeven, kleven, Als een haardstee uitgebrand. Mijne ziel, door rouw bezweken, Kwijnt als' t gras in dorre streken; mijn ellend' vergeten Mijn gewone spijzen t' eten. 267 ontWegens mijn Als ' k Heb in ' t Vleesch beDie ik uitstort dag en nacht. Ik gelijk, in' t eenzaam kwijnen, Aan den roerdomp VANAL AVVVVI 288 demp der woestijnen, Aan den steenuil in de wouden; PSALM 102. Daar geen menschen zich onthouden. 4.' k Slijt den nacht in eenzaam waken, Als een muschj' op stille daken: Daar mijn wreevle vijand raast, En door hoon mijn ziel verbaast, Zij, die mijn bederf betrachten, Mij den ganschen dag verachten, Mij in ' t openbaar onteeren, Durven roekloos bij mij zweren. 1. PAUZE. 5. D' asch verstrekt mijn kwijnend harte Thans tot brood in zoo veel smarte; Daar ik mijnen drank vermeng Met de tranen, die ik pleng. Heer! uw gunst had mij verheven; Maar nu mij uw toorn doet beven, Zie ik # mij van glans ontblooten, Mij in' t stof ter neêr gestooten. 6.' k Zie in rouw en ongenugten Al mijn dagen mij ELE ontvlugten, Als een schaduw, die verdwijnt; Ik verdor als' t gras, dat kwijnt. Maar Gij, HEER! zult eeuwig blijven; Eeuwig zal uw roem beklijven; En uw naam blijft in gedachten Tot de laatste nageslachten. 7. Gij zult opstaan, ons beschermen, Over Zion U ontfer fermen; Want de tijd, uw stad voorspeld, Aan haar leed ten perk gesteld, Die zoo lang gewenschte dagen Van uw gunstrijk welbehagen Zijn, o God! in' t eind geboren; Gij, Gij zult haar klagt verhooren! UHUR 9. Als, 8. Reeds verlangen uwe knechten Hare steenen op te regten; Elk heeft deernis met haar gruis; Elk toont ijver voor Gods huis. Albestierend Opperwezen! Dar PSALM 102. zal' t heidendom U vreezen; Al de vorsten, neêrklagten HA gebogen, Doen dan huld' aan uw vermogen. E 269 voor' t oog der nageburen. Gods ontferming Zions muren Weêr zal hebben opgebouwd, En' t zijn heerlijkheid aanschouwt, Als zijn goedheid op de geboren, ' t onheil weren; Des verdrukten en verachten Letten zal, en Dan zal elk Hem juichend eeren. hole 2. PAUZE. 10. Dan, dan wordt Gods trouw verheven, En zijn dierbre gunst beschreven Voor het dankbaar nageslacht, Dat met lust zijn wet betracht.' t Volk, in later eeuw Zal zijn magt en goedheid hooren; Zich in zijURUHVAT AVANANANANANANANAVAVAVAVA 270 zijnen roem verblijden, Hem zijn lofgezangen wijden. 11.' t Zal met blij gejuich Hem loven, Die, uit zijn paleis van boven, Isrels leed en ongeval Eens in gunst beschouwen zal, En gevangnen in hun zuchten HooPSALM 102. ren, als zij tot Hem vlugten; Om hen uit de wreede kaken Van den dood eens los te maken. 12. Dus zij' s HEEREN naam geprezen, En in Zion Dus hoor elk de vreugdestem In het eer bewezen; blij Jeruzalem; met Als de volken zaam vergâren, Zich ' S HEEREN erfvolk paren, Als de koningen 50 zich buigen, En Hem hun ontzag betuigen. 3. PAUZE. 13. Ach! de Heer heeft mij doen bukken, ' t gewigt der ongelukken; God, Voor Ja, mijn' levenstijd $$ verkort, Mij met rampen overstort.' k Riep: o mijn welbehagen, Spaar m' in' t midden van mijn dagen! Gij, door eeuw noch tijd te krenken, Kunt mij hulp en uitkomst schenken. C 14.' t Aardrijk en de hemelbogen Zijn gewrocht door uw ver nen, vermogen; Allen zijn z', in hun verband,' t Kunststuk HUHUVA van uw wijze hand. Doch, hoe duurzaam zij ook schijPSALM 102, 103. KAVAVAVAVAVAVAVAVAE les om zal keeren, Gij blijft staand', o Heer der heeren! 15. Als een kleed zal' t al verouden; Niets kan hier zijn' Eens zal al hun glans verdwijnen; Maar, schoon' t alstand behouden; Wat uit stof is, neemt een end Door nen; den tijd, die alles schendt. Maar Gij hebt, o Opperwezen! Nooit verandering te vreezen; Gij, die d'eeuwen acht als uren, Zult all' eeuwigheid verduren. ven. 16. Uwer knechten trouwe zonen Zullen altoos bij U woM Ja, bevestigd in hunn' staat, Voor uw aanschijn, met hun zaad, Uwen naam ter eere leZij, van smart en smaad ontheven, Blijven aan ま uw dienst geheiligd; Daar uw goedheid hen beveiligt. PSALM 103. 271 oof, loof den HEER, mijn ziel! met alle krachten; Verhef zijn' naam, zoo groot, zoo heilig t' achten. Och of nu al, wat in mij is, Hem preez'! Loof; loof mijn ziel! den VANVAAVAI VAVAVAVAVA 272 den Hoorder der gebeden; Vergeet nooit één van zijn weldadigheden; Vergeet ze niet;' t is God, die z'u bewees! Leo PSALM 103. 2. Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven, Hoe veel het zij, genadig wil vergeven. liefderijk geneest; Die van' t verderf uw leven wil Uw krankheen kent en verschoonen, Met goedheid en barmhartigheên u kroonen; Die in den nood uw redder is geweest. 3. Loof Hem, die u vergunt uw zielsverlangen, En' t goede # tot verzading doet ontvangen; Uw jeugd vernieuwt, geLES lijk eens arends jeugd. De HEER doet regt, is heilig in zijn rigten; Treft iemand druk, Hij wil den druk verligten, En hart en mond vervullen met zijn vreugd. 4. Hij heeft voorheen aan Mozes zijne wegen, Aan Isrels zaad, tot hun behoud genegen, Zijn daân getoond, en trouwlijk hen geleid. Barmhartig is de HEER en zeer genadig; Schoon zwaar getergd, langmoedig en weldadig; De HEER is groot van goedertierenheid. 5. Hij zal zijn volk niet eindeloos kastijden, Noch eeuwiglijk VAVAV PSALM 103. VAVAURUR VARAT lijk zijn gramschap ons doen lijden; Hij is het, die ons zijne vriendschap biedt. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden; Hoe zwaar, hoe lang wij ook zijn wetten schonden, Hij straft ons; maar naar onze zonden niet. 6. Zoo hoog zijn troon moog' boven d' aarde wezen, Zoo groot is ook voor allen, die Hem vreezen, De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan. Zoo ver het west verwijderd is van' t oosten, Zoo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten, Van ons de schuld en zonden weggedaan. PAUZE. 7. Geen vader sloeg, met grooter mededoogen, Op teeder kroost ooit zijn ontfermend' oogen, Dan Isrels HEER op ieder, die Hem vreest. Hij weet, wat van zijn maaksel zij te wachten; Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krach278 ten, En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest. 8. Gelijk het gras is ons kortstondig leven; Gelijk een bloem, die op het veld verheven, Wel sier18 lijk VivaVivaVVVVIVA 274 lijk pronkt, maar krachtloos is en teêr; 5 de wind zich over' t land laat hooren, kent en vindt haar standplaats Le PSALM 103. haar steel, haar schoonheid gaat verloren; 10. De ning, 9. Maar' s HEEREN gunst zal over die Hem vreezen, In HEER eeuwigheid altoos dezelfde wezen; Zijn trouw rust zelfs op' t late nageslacht, Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden, Noch van zijn wet afkeerig d'ooren wenWanneer den, Maar die, naar eisch van Gods verbond, betracht. glen! die Dan knakt zich, heeft zelfs niet meer. op Men Een' troon gevest in zijne hemelwoning; Zijn koningrijk heerscht over' t wereldrond. Looft, looft den HEER, gij zijne legermagten! ' t woord als d' allerhoogste KoHem dient met heldenkrachten! van zijnen Gij EnEn mond. vaardig past 11. Looft, looft den HEER, gij zijne legerscharen! lust het is op zijnen wenk te staren. Dat hemel, aard', en zee, en berg, en dal, Hoe ver men ook zijn' schepWier ter VAUHIR ter ziet regeren, W PSALM 103, 104. Nu zijnen naam en groote deugden eeren! En gij, mijn ziel! loof gij Hem boven al! PSALM 104. aak op, mijn ziel! loof d' Oppermajesteit. Wat zijt Gij groot! wat spreidt uw heerlijkheid, Geduchte God! al luisterrijke stralen! Zij baart ontzag door al de hemelzalen. Het blinkend licht bedekt U als een kleed; De hemel, dien G' als een gordijn verbreedt, En uitspant voor uw goddelijke woning, Verbergt voor d' aard' uw prachtigste vertooning. 2. Gij zoldert in de waatren uwen troon. De wolken, steeds gereed op uw geboôn, Op' t hoogst verëerd, dat zij haar' Koning dragen, Verstrekken U als tot een' zegewagen. Gij wandelt op de vleuglen van den wind, Dien G', als' t heelal aan uwe dienst verbindt. Een geestenheir maakt Gij uw afgezanten; Een vlammend vuur uw trouwe rijkstrawanten. 3. Uw wonderkracht heeft, in den morgen 18* Des vlug275 gen UFURUHVATY NANANANANANANANAN 276 gen tijds, deez' aarde vast gegrond. Wat in haar' kreits ooit wanklen moog' of wijken, Zij zal, door U gevestigd, nooit bezwijken. Zij, die ten blijk van uwe E PSALM 104. magt verstrekt, Was eertijds met den afgrond overdekt, Als met een kleed; de hoogte van de golven Hield al' t gebergt' in' t grondloos diep bedolven. 4. De Godheid sprak en donderd' in de lucht! woeste zee, verschrikt door' t sterk gerucht, haastig heen naar' t perk, Het log gevaart' der bergen, opgerezen, ' t eerst zijn' korts onzigtbren top, fiere kruinen op. haar De Vlood aangewezen. Vertoonde En hief alom de ' t Ontelbaar tal van vruchtbre dalen Zij overschrijdt de vaste stranden niet; daalde Te juister plaats, die Gods bevel bepaalde. 1. PAUZE. 5. D' ontembre zee houdt stand, waar' t God gebiedt; Zij ziet En zal haar magt door hooger magt betoomen, deez' aard' nooit weder overstroomen. Gods goedheid zendt DAVAVAVA zendt de koele bronnen uit; Zij wandelen, met ruischend stroomgeluid, De bergen om, en dwalen, en verspreijen Zich wijd en zijd door beemden en valleijen. PSALM 104. 6. Het nuttig vee en' t roofziek boschgediert', Zelfs d' ezel, die door woeste wouden zwiert, Die, ongetemd zich kreunt aan juk noch koorden, Vindt lafenis aan hare frissche boorden.' t Gevogelte, dat in zijn snelle vlugt ren " lucht, Of uit het loof zijn schelle stem laat hooDe vlerken klapt, en opstijgt naar de Heeft aan haar' zoom zijn woningen verkoren. 7.' t Is God, wiens hand de bergen water schenkt, Den droogen grond uit zijnen hemel drenkt, Den regen geeft uit zijne hooge zalen, En vruchtbaarheid doet zweven in de dalen. Dan schiet voor' t vee de teedre grasscheut uit; Tot' s menschen dienst ontluikt dan' t 277 geurig kruid; Dan spruit het brood, nog in den halm besloten, Uit d' aarde voort, door milden dauw begoten. 8. God geeft den wijn, tot vreugd voor' t hart bereid, En d'olie, VAUHVATN VivVVIV 278 PSALM 104. d'olie, die een' glans op' t aanschijn spreidt, En' t lieflijk brood, dat onze kracht moet voeden; verkwikken en behoeden.' t Is God alleen, die door Hij wil ons dus zijn sterke hand Den Líbanon met cederen beplant, ' t Geboomte voedt, en kracht schenkt, onder' t kweeken, Aan' t lommrig woud, aan schaduwrijke streken. 9. Het vogeltje vindt schuilplaats in hun loof, zijn nestj' uit zijn' vergaarden roof; daar z' opgaan als pilaren, Het stijl verblijf der klepEn vormt len, pend' ooijevaren. De steenbok springt en kloutert, De dennen zijn, van den top Des heuvels, tot de kruin der bergen op; De hooge rots houdt, in verborgen hoHet schuw konijn voor ons gezigt verscholen. 2. PAUZE. wonderbaarst verbonden, 10. De gouden zon weet, waar zij schuil moet gaan. De wisseling der wisselende maan, Aan tijd en loop op' t Verschijnt ons oog op haar bepaalde stonden, Gij, Heer! beschikt door uw geduch AVAH PSALM 104. duchte magt De duisternis, en' t wordt op aarde UAVHUFURVAVARVAT nacht. Wanneer' t gediert' door woud en veld mag dwalen, Om voedsel voor het hongrig nest te halen. 11. Het donker bosch weergalmt op' t heesch geschreeuw Van leeuwenwelp en fieren jongen leeuw, Die, heet op roof, in afgelegen hoeken, Al brullend, spijs van God, den gever zoeken; Maar op geraad, Op' t zien der zon in' t luisterrijk gewaad, Keert elk van hen naar zijn verborgen kuilen, komst van licht en daDaar zij, verzaad, zich voor ons oog verschuilen. moedren; 12. Dan wordt de mensch door' t rijzend morgenlicht 279 Gewekt, gewenkt tot arbeid, tot zijn' pligt. Hij plant, hij bouwt, men ziet hem zwoegen, draven; Tot ' s avonds toe laat hij niet af van slaven. Hoe schoon, hoe groot, o Oppermajesteit! Is al uw werk, gevormd met wijs beleid! Uw wijsheid streelt oplettende geAl' t aardrijk is vervuld met uwe goedren! 13. D' onpeilbre zee bergt in haar ruimen schoot Een talloos TATATA! ANAVAVAVAV 280 E loos tal van schepslen, klein en groot, Die in haar diept' al weemlend zich vergâren. Het golvend ruim der PSALM 104. rustelooze baren Wordt steeds doorkruist van schepen, wijd en zijd; heir om strijd; Daar zwemt en duikt het schubbig M Daar laat Gij zelfs den Leviathan spelen, Den schrik der zee in deze vreugde deelen. 3. PAUZE. 14. Wat in de lucht, op d' aard', in' t water leeft, ' t Wacht al op U, die elk zijn spijze geeft;' t Wacht al op U, die alles kunt behoeden. Als uwe gunst al' t schepslenheir wil voeden, En liefderijk aan hunne nooddruft denkt, Vergaadren zij den voorraad, dien Gij jegend, schenkt, En worden, door uw goedheid mild beElk op zijn' tijd, in overvloed gezegend. 15. Verbergt G', o God! uw glansrijk aangezigt, siddren zij, op' t missen van dat licht, licht, waardoor zij' t licht verwerven. hand hunn' adem weg, zij sterven, Dan Dat troostrijk Neemt uwe Zij worden stof, ge AVAVA gelijk zij zijn geweest. Bezielt Gij hen door' t zenden PSALM 104. van uw' Geest, Dan ziet men hen weêr leven als te voVAVAURUHURUHVAT ren; Dan wordt al d' aard' met nieuwen glans herboren. 16. De heerlijkheid der hoogste Majesteit Zij hoog geroemd, en duur' in eeuwigheid! Zij blink' alom, en kenn' noch paal noch perken! Dat zich de HEER verblijd' in al zijn werken! Het aardrijk schudt, als God in gramschap blaakt; Wanneer zijn hand de hooge bergen 281 raakt, Slaan zij terstond aan' t sidderen, aan ' t rooken, Inwendig door Gods almagt aangestoken. lofgezangen eeren, 17. Ik zal, zoo lang ik' t levenslicht geniet, Gods mostaan, gendheid verheffen in mijn lied; Ik zal mijn' God met verkeeren. Mijn aandacht zal op Hem gevestigd 18. De zondaar Terwijl ik nog op aarde mag En met vermaak zijn grootheid gadeslaan. Ik zal mij in den God mijns heils verblijden, En dag op dag aan Hem mijn psalmen wijden. zal verdelgd zijn op Gods wenk; De AAVAAVAA ANANANAN VIN 282 De boosheid zal PSALM 104, 105. ING vergaan, eer' t iemand #bo Waak op, mijn ziel! wil uwen Schepper eeren; denk'! Geloofd zij God! men loov' den HEER der heeren! PSALM 105. ooft, looft, verheugd, den HEER der heeren! Aanbidt zijn' naam, en wilt Hem eeren. Doet zijne glorierijke daân Alom de volkeren verstaan, En spreekt, met Van zijne wondren, dag aan dag! 2. Juicht, elk om strijd, met blijde galmen; Zingt, zingt den Hoogsten vreugdepsalmen; Beroemt u in zijn' heilgen aandacht en ontzag, naam! Dat die Hem zoeken nu te zaam Hun hart vereenen tot zijn eer, En zich verblijden in den HEER! 3. Vraagt naar den HEER en zijne sterkte; Naar Hem, die al uw heil bewerkte; Zoekt dagelijks zijn aangezigt. Gedenkt aan' t geen Hij heeft verrigt, Aan zijn doorluchte wonderdaân; En wilt zijn straffen gadeslaan. 4. Gij volk, uit Abraham gesproten, Dat zoo veel gunsten hebt genoten! Gij Jakobs kindren, die de Heer Heeft VAVAVAUR PSALM 105. INS VIVAVAVAVAVAVAVAVAVAT Heeft uitverkoren, meldt zijn eer. De HEER is onze God, die d' aard' Alom door zijn gerigt vervaart. 1. PAUZE. 283 5. God zal zijn waarheid nimmer krenken; Maar eeuwig zijn verbond gedenken. Zijn woord wordt altoos trouw volbragt, Tot in het duizendste geslacht.' t Verbond met steld; Abraham, zijn' vrind, Bevestigt Hij van kind tot kind. 6. Al wat Hij Izak heeft gezworen, Heeft Hij ook aan zijn' uitverkoren, Aan Jakob, tot een Van al' t beloofde heil verzeld; wet geEn aan gansch Isrel toegezeid, Tot zijn verbond in eeuwigheid. 7. Hij sprak: ,, Ik zal de schoonste landen,' k Zal Kanân ,, leevren in uw handen,' t Welk' t snoer uws erfdeels wezen ,, zal." Het volk was weinig in getal,' t Verkeerde daar als vreemdeling, Toen't zulk een gunstrijk woord ontving. 8. Geleid door' s Heeren alvermogen, Zijn zij van volk tot volk getogen, Van' t één naar' t ander rijksgebied. Hij dulde hun verdrukking niet; Maar heeft zelfs vorsten, op KTA AAAAAANVANAVA AVANAVAN 284 op dien togt, Om hunnent wil, met straf bezocht. 2. PAUZE. PSALM 105. 9. God sprak, en deed den vorsten weten: ,, Tast mijn gezalf,, den, mijn profeten Niet aan door eenig leed of schand'!" Hij riep een' honger in het land; Hij brak vergramd den staf des broods, En' t volk kwam in gevaar des doods. 10. Wie kan Gods wijs beleid doorgronden? Een man werd voor hen heen gezonden; De vrome Jozef, rijk in deugd, Tot slaaf verkocht in zijne jeugd, In ijzren boeijen wreed gekneld, Werd, hun tot heil, in eer gesteld. E 11. Toen hij door' t godlijk alvermogen Beproefd was; toen voor aller oogen Zijn woord in' t helder daglicht scheen; Toen bood de Koning, om zijn reên Verbaasd, hem straks #L de vrijheid aan; Der volken Heer deed hem ontslaan. 12. Hij kreeg van Faraö in handen' t Bestier van huis, en goed, en landen; Dies bond hij vorsten naar zijn' lust. Van zijn verstand en deugd bewust, Deed gansch Egypte's Opperheer d' oudsten luistren naar zijn leer. 3. PAU CAVAVAVA PSALM 105. 3. PAUZE. 13. Daarna toog Israël, gedreven Door nooddruft, tot behoud van' t leven, Naar' t rijk Egypte; Jakob kwam Als vreemdeling in' t land van Cham. Daar groeid' en bloeide zijn geslacht, En overtrof zijns vijands magt. 14. De harten der Egyptenaren, Die eertijds Isrel gunstig waren, Verkeerden toen in bittren haat; AVAVAVAVAVARAT Des Heeren volk werd bits versmaad. Men smeedde lagen tot hunn' val; Verdrukking trof hen overal. 15. Maar God zond Mozes, die te voren Door Hem met Aron was verkoren; ternissen overtogen. 285 Zij beiden voerden Gods besluit Door teekenen en wondren uit, En toon$$ 3000. den in Egypteland De plagen van zijn strenge hand. 16.' t Werd alles door zijn groot vermogen Met duisNiets wederstreefde' t hoog bevel Van God, den God van Israël, Die beek en bron verkeerd' in bloed; Den visch deed sterven in dien vloed. 4. PAUZE. 17. Ook deed God uit de waterstroomen Een magtig heir van XTA AVAAVAANANANANANA 286 VAN van vorschen komen, Dat doordrong tot in' s Konings PSALM 105. hof. De luizen kwamen voort uit stof; God sprak, LC E en een ontelbre drom Van ongedierte zweefd' alom. 18. Hij zond, in plaats van vruchtbren regen, Zijn' hagel neêr, die allerwegen, Met een verslindend vuur gepaard, Den frisschen wijnstok sloeg ter aard'; Den vijgeE boom, met kruin en tak, En al het vruchtgeboomte brak. 19. De sprinkhaan en de kever kwamen, Gelijk een talloos leger, zamen; Verslonden, wat het aardrijk gaf. Toen heeft God, als de zwaarste straf, Al d'eerstelingen hunner kracht, Hun eerstgeboornen omgebragt. 20. God deed zijn volk met wisse treden, Daar niemand struikeld' in zijn schreden, Met zilver en met goud belaân, Blijmoedig uit Egypte gaan. Toen juicht' om hun vertrek al' t land; Daar' t al door schrik was overmand. 5. PAUZE. 21. God breidd' een wolk uit, om zijn scharen Bij dag te hoeden voor gevaren; Hij gaf hun, door zijn hoog bestuur, CAVAVAVAVA PSALM 105, 106. stuur, Des nachts ten licht een wondervuur. Zij baden, VAURUAUHVARVAT en hun Opperheer Zond straks een heir van kwakklen neêr. 22. Zij werden daaglijks begenadigd; Met manna, hemelsch brood, verzadigd. Gods hand bragt, in dien dorren oord, Rivieren uit een steenrots voort; Hij dacht om' t geen 287 Hij aan zijn' knecht, Aan Abraham had toegezegd. 23. Dus toog' t verkoren volk des Heeren Al juichend uit, op Gods begeeren. Het land der heidnen van rondom Schonk Hij hun tot een eigendom. Der vol24. Die gunst heeft God zijn volk bewezen, ken arbeid werd geheel Aan Israël ten erflijk deel. PSALM 106. Opdat het altoos Hem zou vreezen, Zijn wet betrachten, en voortaan Volstandig op zijn wegen gaan. Men roem' dan d' Oppermajesteit, Om zoo veel gunst, in eeuwigheid. ooft God, den trouwen Opperheer! Geeft, geeft Hem vrolijk roem en eer, Wiens goedheid perken kent noch palen. Maar wie, hoe hoog verlicht hij zij, Wie kan zijn mo PATAY VANANANANANAVAN VIVAN Vis 288 PSALM 106. mogendheen verhalen? Zijn' lof verbreiden naar waardij? 2. Welzalig elk, die' t regt betracht; Die t'allen tijd' zijn wetten acht. O HEER! laat mij, naar' t welbehagen Dat G' in uw volk steeds hebt getoond, Ook roem op uw beE scherming dragen, En met uw' zegen zijn bekroond. 3. Geef dat mijn oog het goed' aanschouw',' t Welk Gij, uit onbezweken trouw, Uw' uitverkoornen toe wilt voegen; Opdat ik U mijn' rotssteen noem', En, declend in uws volks genoegen, Mij, met uw erfdeel, blij beroem'! 1. PAUZE. 4. Wij hebben God op' t hoogst misdaan; Wij zijn van't heilspoor afgegaan; Ja, wij en onze vaadren tevens, Verzuimend' alle trouw en pligt, Vergramden God, den God des levens, Die zoo veel wondren had verrigt. 5. Onz' ouders, in Egypteland Beveiligd door zijn sterke hand, Vergaten al zijn gunstbewijzen; Zij den aan de roode zee, In plaats van' s Heeren morgunst te prijzen; Dies dreigde hen een zwaarder wee. 6. Doch DAVAVARVA PSALM 106. HUHUHURUF VARVAT 6. Doch om zijns naams wil, om zijn magt Te toonen aan dat dwaas geslacht, Schold Hij de zee, dat z' uit moest droogen; Hij deed hen langs haar gronden gaan, En toond' aan ' s vijands heir' t vermogen, Dat hun in nood had bijgestaan. 7. De waatren keerden in hun kolk; Daar paard en ruiter, vorst en volk, Tot één toe, in den vloed versmoorden. Toen had gansch Isrel juichensstof; Toen, toen geloofden z' aan Gods woorden; Toen zong al' t volk des Hoogsten lof. 2. PAUZE. 8. Maar zij vergaten' s Heeren werk; Zij stelden hunnen God een perk; Zij wilden in Hem niet berusten; Maar durfden in de wildernis, Zijn magt beproeven 299 door hun lusten, En' t hunkren naar Egypte's disch. 9. Toen heeft Hij hen met vleesch gevoed; Maar zond hun ziel, bij d' overvloed, Een magerheid, die z' uit deed téren. Zij dorsten Mozes' t hoog bewind, En Aron' t priesterambt des H E EREN Benijden, door hun' waan verblind. 10. Maar' t aardrijk opende zijn' mond, Waarmee' t Abí19 l'ams PATAR ViviÀN ĂN 290 PSALM 106.. Irams volk verslond En Dathans snoode vloekverwanten; Een vuurgloed stak de tenten aan Van' t godloos rot, aan alle kanten, En deed het door de vlam vergaan. II. Zij maakten zich, den Heer' ten spot, Horeb tot een' God, Waarvoor zij zich eerbiedig bogen. E Een os, die gras eet op het veld, Een beeld, o gruwel Een kalf bij in Gods oogen! Werd toen aan Hem gelijk gesteld. 3. PAUZE. 12. Hun hart vergat den Opperheer, Hunn' dierbren Heiland, die weleer Hen redde van d' Egyptenaren; Die wondren deed in' t land van Cham; Zich vreeslijk maakt' in 66 ' t ruim der baren, En Faro' t levenslicht benam. 13. Toen dreigde God hen met den dood; En nimmer waren z', in dien nood, Zijn hooggeduchte wraak ontweken, Zoo Mozes, zijn verkoren held, Zich niet bij God, met ernstig smeeken, Voor hen had in de bres gesteld. 14. Zij hebben' t langgewenschte land Versmaad uit strafbaar onverstand, En niet geloofd aan' s HEEREN Woor den. AVAVAVAVA den. Zij morden daaglijks in hun tent; Dewijl zij naar zijn PSALM 106. stem niet hoorden, Hoe duidlijk ook aan hen bekend. in de woestenij, VAVRUPURVA VARVAT 15. Dies zwoer d' Almagtige, dat Hij Die snooden, doen zwerven, dat Hij hen, met al hun zaad, Zou bij de heidnen om Zou nedervellen en verderven; Ja, Van elk gevloekt, van elk versmaad. 4. PAUZE. 16. Zij hebben zich voor' t vloekaltaar, Verleid door Moabs dochtrenschaar, Tot Baäl- Peors dienst begeven: Zij aten' s afgods offerand'; Doch' t kostt' aan duizenden het leven; Gods wraak ontstond in fellen brand. 17. Toen weerde Pínehas de straf; Die, moedig,' t regt Meriba, 291 voldoening gaf, En' t eerloos bloed langs d' aard' deed stroomen. Die daad, ten zoen voor' t volk volbragt, Deed hem F een eeuwig' eer bekomen, Die stand hield bij zijn nageslacht. 18. Zij tergden, twistend, Gods genâ, Bij' t wonderwater Verbitterden den knecht des Heeren; Hij sprak in onbedachtzaamheid, Dies moest hij' t vrucht19* baar NANANANANANAN 292 PSALM 106. baar land ontberen, Den ganschen volke toegezeid. 5. PAUZE.' 19. Zij spaarden volken, tot Gods hoon, had te doôn; En, aan der heidnen stam verbonden, Vervielen zij tot afgodsdienst, lijke zonden, Zich zelv' een strik, op' t onvoorzienst. Die Hij bevolen 20. Men zag hen zelfs, door drift verblind, Hun dierbaar En wrochten, door gekroost, hoe teêr bemind, Den duivelen ten offer bren21. Die onnatuurlijk' offerand', gen. Men zag hen, trouwloos en verwoed. Op Kanâns vloekaltaren plengen Der kinderen onschuldig bloed. een smet op' t land. Die bloedschuld bragt erf, zijn hoogst vermaak Zij werden onrein door hun daden, Door hoererij en vuil gedrag; Zij durfden Isrels God versmaden; Maar beelden toonden zij ontzag. 22. Dit alles spoorde God tot wraak. Zijn volk, zijn Werd nu een gruwel in zijn oogen; Hij gaf hen in der heidnen magt, Waardoor zij, zonder mededoogen, In slaafsche keetnen zijn gebragt. PAU AVA HRVAV PSALM 106. 6. PAUZE. AVAUFUFURAHAT 23. Hun vijand heeft hen wreed verdrukt; Zij lagen jammerlijk gebukt; En schoon d' Algoedheid op hun smeeken, Hun rampen dikwijls heeft geweerd, Zij zijn weêr telkens afgeweken, En door hun zonden uitgeteerd. 24. Nogtans was God met hen begaan; Hij zag hunn' angst, hun tranen aan, En hunner hateren verwoedheid; Hij dacht aan zijn gestaafd verbond, En had berouw, naar al zijn goedheid, Meêdoogendheid met Isrels wond. 25. Dies hebt G', o God! hunn' last verligt, Zelfs voor huns vijands aangezigt. Verlos ons ook, als onze vaadELCº ren! Wil ons, nog overal verspreid, Genadig weer bij één vergaadren; Zoo word' uw naam en roem verbreid! 26. Geloofd zij Isrels groote God! Zijn gunst schenk' ons dit heilgenot; Zoo zullen wij zijn goedheid danken. Dat al wat leeft Hem eeuwig eer'! Al' t volk zegg': Amen! op mijn klanken! Juich, aarde! loof den Opperheer! 293 PSALM Ves FATA IXTA 294 PSALM 107. PSALM 107. ooft, looft den HEER gestadig: Die Oppermajesteit Is gunstrijk, zeer genadig, En goed in eeuwigheid. Dit zegg' elk, die, gered Door Hem van slaafsche banden, In vrijheid is gezet Uit' s weêrpartijders handen! 2. Die Hij van ver uit d' oorden Van' t oost' en' t westen bragt. En van de zee en' t noorden Geleidde door zijn magt; Die op een aaklig pad, In woeste wildernissen, Omzwerfden, en een stad Ter woning moesten missen. 3. Hier raakten zij aan' t kwijnen Door dorst en hongersnood; Hun ziel leed duizend pijnen En angsten van den dood. Doch toen zij, in' t gebed, Tot Isrels HEER zich wendden, Heeft hen zijn arm gered Uit angsten en ellenden. 4. God bragt, na tegenheden, Hen weêr op' t regte pad, En rigtte hunne schreden Naar een gewenschte stad. Laat zulken voor den HEER Zijn milde gunstbewijzen, Zijn wondren, Hem ter eer, Voor' t gansche menschdom prijzen! 5. Dewijl Hij hen verzaadde, Die dorstten, en met goed Den CAVAVARVAAVA PSALM 107. Den honger, uit genade, Vervuld' in overvloed; HURUAVAVAVAVAL Daar 6. Zij, die gebonden zaten 295 z' in die bitterheên Den dood voor oogen zagen, Van alle kant bestreên, Deed God hun heillicht dagen. 1. PAUZE. In schaduw van den dood, Omdat zij God vergaten, Vervielen in dien nood. Toen werd hun wreevlig hart Verneêrd door zwarigheden; Zij struikelden, hun smart Werd hulpeloos geleden. E be 7. Doch, riepen z'.in d'ellenden Den HE ER ootmoedig aan, Hij deed hun angsten enden, En hen' t gevaar ontgaan; Hij hielp hen uit den nood; Hij bragt hen uit het duister Der schaduw van den dood; Hij brak hunn' band en kluister. 8. Laat zulken eer bewijzen Aan' s HEEREN gunst en magt, En al zijn wondren prijzen Voor' t menschelijk geslacht; Hij was' t, voor wien gereed De koopren deuren weken, Die ijzren grendlen deed In duizend stukken breken! 9. De zotten overtreden, En krijgen hunne straf; Om d' ongeregtigheden Mat plaag op plaag hen af; Zij walgden VAVAVAVAVAVIVIM VANANA ANANANANANAVAVVIV 296 den zelfs van brood; Geen beste spijzen smaakten; Terwijl zij vast den dood PSALM 107. Met schrik en vrees genaakten. 10. Doch, riepen z' in d' ellenden Den HEER ootmoedig aan, Hij deed hun angsten enden, En hen' t gevaar ontgaan. Hij zond zijn krachtig woord, Hij deed hen bij zich schuilen, Bragt hun genezing voort, 11. Laat zulken eer bewijzen Aan' s HEEREN gunst en magt, En al zijn wondren prijzen Voor' t menschelijk geslacht!' t Lofoffer word' om strijd Hem juichend opgedragen, Terwijl zij wijd en zijd Van al zijn werk gewagen! 2. PAUZE. 12. Zij, die de zee bevaren Zien op de groote baren En rukte z' uit hun kuilen. Daar leer en zij le laân # Met schepen, rijk bevracht, Gods wijsheid, gunst en magt; ken, En in de diepe paân ven' t hoofd omhoog. Des HEEREN klaar bemer13. Hij wekt, met siechts te spreken, Zijn groote wonderwerken. Een' stormwind voor hun oog; Dan beeft het al, dan steken Nu ziet men De gol' t schip de lucht, CAVAUHURVA PSALM 107. lucht, Dan weêr den afgrond naadren; Hun hart geeft zucht op zucht, Hun bloed verstijft in d' aadren. 14. Zij dansen, wagglen, vallen, Gelijk een dronken man; De wijsheid van hen allen, Hoe groot, bezwijkt er van. Doch toen zij, in' t gebed, Tot Isrels HEER zich wend15. Hij doet den storm bedaren, AURUFURUHAR den, Heeft hen zijn arm gered Uit angsten en ellenden. Nu rijst de vreugd; de baren 16. Laat zulken eer bewijzen gunst en magt, ' t gemeen, 297 De golven zwijgen stil. Nu wijkt verslagenheid, Na zoo veel angstig slaven, Daar God hen veilig leidt, In hun begeerde haven. ba Aan' s HEEREN Zijn effen op Gods wil; En al zijn wondren prijzen Voor' t menschelijk geslacht; En dankbaar, bij God hunn' verlosser noemen, En bij ' s lands Overheên Zijn' naam en deugden roemen. 3. PAUZE. 17. Nu stelt God waterbeken Tot bar en dorstig land; Herschept, in dorre streken, Rivieren door zijn hand. Hij stelt TATA AKVANAL 298 E stelt een vruchtbaar oord, Tot woest' en zoute gronden; En ViViV straft ze, naar zijn woord, Die daar zijn wetten schonden. PSALM 107. 18. Dan maakt Hij weêr woestijnen Zeer rijk van 5 nen, vruchtbaar nat; Daar' t land, dat eerst moest kwijNu beek bij beek bevat, En hongerigen voedt, Die nu de weeld' aanschouwen; ten daar, met spoed, Een stad ter woning bouwen. 19. Daar ziet men hen dan zaaijen; De wijngaard Zoo dat zij wordt geplant; Zij mogen rijklijk maaijen De vruchvan het land; Daar God zijn' zegen geeft, En' t huis vervult met kindren, En' t vee, dat ieder heeft, Op' t veld niet doet vermindren. 20. Maar, wil dit volk niet bukken Voor God,' t wordt ras verneêrd;' t Raakt t' onder door verdrukken; Het wordt van' t kwaad verteerd, Daar Hij zelfs PrinE sen slaat, Op wie Hij hoon doet dalen, En die Hij tot een' smaad Doet in het woeste dwalen.. by 21. Maar die nu hulploos kermen, Verdrukt en vol ge AVAUHAVA HAAVA PSALM 107, 108. gebrek, Brengt God, door vrij ontfermen, in een hoog vertrek; De vruchtbaarheid verheugt Hun huis van ganscher harte. D' opregten zien ' t met vreugd; Maar d' ondeugd zwijgt met smarte. 22. Wie wijs is, merk' die dingen; En geev' verstandig acht ijn hart, o Hemelmajesteit! VAVAVAVAVARAT Op's HEEREN handelingen, Zoo vol van gunst als magt! PSALM 108. Haast lof bereid;' k Zal zingen voor den Opperheer; den volken doen verstaan; 299 Is tot uw dienst en psalmen zingen tot zijn eer! Gij, zachte harp! gij, schelle heid heeft noch paal noch perk; kringen, luit! Waakt op! dat niets uw klanken stuit';' k Zal in den dageraad ontwaken, En met gezang mijn' God genaken. 2. Ik zal, o HEER! uw wonderdaân, ' k Zal Uw' roem Want uwe goedertierenheid Is tot de heemlen uitgebreid; Uw waarMaar streeft tot aan het hoogste zwerk. Verhef U boven' s hemels En leer al d' aard' uw grootheid zingen! 3. Zoo ANAVANAMANVIM VAINANANANANANAVAVAVAVANA XTA 300 3. Zoo word' uw dierbaar volk in' t end Bevrijd van rampspoed en ellend'. PSALM 108.631 door uw hand! Verhoor ons, zend ons onderstand! Gij hebt, tot onze vreugd, voorspeld, En in uw heiligdom gemeld, Dat Sichem mij zijn' Vorst zou heeten, En ik het dal van Sukkoth meten! PAUZE. O God! verlos ons 4. Gansch Gilead behoort aan mij; kroon; nasse heerschappij: Ik zie hen knielen voor mijn ten, zijn gedachte magt, versterkt, Daar' t moedig Efraïm mijn' troon, Door ' k Voer in Maheid medewerkt, Om mijnen zetel vast te zetmij voor zijn' Opperheer; En Judaas wijsDoor welgeschikt' en schrandre wetten! 5. Gansch Moab buigt zich dienstbaar neer, Daar' t, Erkent van zijn' hoogen troon gestort, Verachtlijk mij ten waschpot wordt; Ik werp mijn' schoen op Edoms grond, Op Edom,' t welk mijn magt weêrslond;' k Juich over CAVAUHURVAU over u, o Palestijne! PSALM 108, 109. die mij in Edom leidt? 6. Wie heeft mij zoo veel heils bereid? Wie is' t, EZ AUFUR VRVRAR stad? O God, die ons verstooten hadt! Gij, die ik in zegepraal verschijne! met onze legerschaar Ten strijd' niet uittoogt in ' t gevaar! O God! wiens gramschap ons deed vreezen, Wie voert mij in een vaste Wiens gunst ons troost! zult Gij' t niet wezen? 7. O God! die' s lands benaauwdheid ziet! Red toch uw volk uit zijn verdriet; Want' s menschen heil wij duizenden verslaan; wederstreven, is ijdelheid; Maar als Gods almagt ons geleidt, God, Dan doen w' in Hem de kloekste daân, Zoo dat bedrog durft plegen, Want allen, die ons Zal Hij vertreden en doen sneven! PSALM 109. 301 zoo waardig mijn gezangen! Zwijg niet! laat mij mijn regt erlangen. De booze, die Staat, wars van deugd, mij bitter tegen; Hij heeft zijn' mond wijd op20 WANAN VIVIMY VAYAY PATAY VAHVANNAVANAVANA 302 ¢ gedaan, PSALM 109. 2. Z' omringden mij met booze woorden, Mij met een valsche tong verraân. als priemen,' t hart doorboorden; gen ' t allerfelst bestreden reden. ' k Heb voor Verdrukt, mishandeld temijn Die mij, Ik werd op behaald; Ik bad; maar' k werd met vloek betaald. 4. Verklaar hem schuldig in' t gerigte; liefde 3. Zij hebben kwaad voor goed vergolden, Voor liefde haat; mijn deugd gescholden. Gij, God der wraak! straf haat dezen booze! Stel over hem een' goddelooze; De satan bie hem tegenstand! En sta aan zijne regterhand! als weduw, hulploos vreezen, ginds zijn kindren zwerven, van uw aangezigte; Houd zijn gebeden zelfs voor zonVerdrijf hem den; Hij heeft zich tegen God verbonden. Verkort zijn dagen; vel hem neêr; Een ander neem' zijn ambt en eer. 5. Laat zijne kinderen, als weezen, Zijn vrouw, Laat hier en Steeds beedlen en de nooddruft derven, Die' t huisgezin, gesmaad, ge ORVAUHURVAAAA gevloekt, PSALM 109. Uit zijn verwoeste plaatsen zoekt. 800 303 6. Al wat hij heeft, hoe hij moog' klagen, Word' om zijn schulden aangeslagen; Hij zie de vrucht van al zijn slooven Door woeste vreemdelingen rooven. Dat niemand hem in nood verblij', Of zijnen weezen gunstig zij. 1. PAUZE. 7. Laat kwaad op kwaad zyn huis omringen. Roei uit al zijn nakomelingen; En dat, in' t volgende geslachte, Elk hunn' verstorven' naam verachte; Der vaadren misdaad zelfs verschaff Den HEERE reden tot zijn straf. loos heeft vergeten, 8. Dat niets uit Gods gedachtenisse De zonde zijner moeder wissche; Laat die, door God hun toegerekend, Gedurig staan voor Hem geteekend; Dat God daarover steeds zich belg', En hunnen naam van d' aard' verdelg'. 9. Omdat hij, tegen zijn geweten, Het weldoen trouwEn den ellendigen en armen Vervolgd, in plaats van zich t' erbarmen; Ja, den verslagene van geest Is tot een' moordenaar geweest. 10. Ilij FURUHAL Ves AVANAN INANANANANAMA 304 AVANVANG PSALM 109. 10. Hij heeft den vloek op zich genomen; vloek hem overkomen. Hij heeft geen' lust gehad tot zegen; Dies word' die nooit van hem verkregen; Maar dat de vloek hem overdekk', En tot een aaklig kleed verstrekk'. 11. Laat dien, om al zijn handelingen, Laat dan dien En door de beendren ingedronken; als water, dringen; Als olie, rijkelijk geschonken, Tot in zijn hart, zijn deksel geev', En als een gordel aan hem kleev'. Dat hem die vloek 12. Dit loon krijg' elk, van' s HEEREN handen, Die zoo godloos mij aan durft randen, En met zijn lastertong mij doo13. Uw gunst is groot; zij is bestendig. den! Maar Gij, o HEER! o God der goden! Dat uwe hand mij heil bestell'; Doe, om uws naams wil, aan mij wèl! 2. PAUZE. 100+ Verlos mij dan! ik ben ellendig, Nooddruftig,' k voel mijn kracht verbroken; Ik ga gelijk Mijn hart met wond op wond doorstoken; de schaduw heen, Wanneer de zon snelt naar beneên. # 14. Gelijk een sprinkhaan omgedreven, Berg ik nu hier dan daar CAVAUHVA PSALM 109. daar mijn leven; Mijn knieën weigren mij te schragen, En' t afgematte lijf te dragen! Mijn vleesch is mager, uitgeteerd, Zoo dat het alle vet ontbeert. P 15. Al ben ik met die smart beladen, Nog gaan zij voort met mij te smaden, Met mij, al schimpende, te groeten; Zij schudden' t hoofd, die mij ontmoeten. O HEER! help mij, die U verbeid, Naar uwe goedertierenheid! 16. Opdat zij weten en belijden, Dat uwe hand mij wil bevrijden; Dat Gij, o HEER! mijn regt doet gelden. Laat hen dan vloeken, lastren, schelden; Maar zegen Gij mij, o mijn God! Gij zijt mijn erfdeel en mijn lot! 17. Beschaam hunn' raadslag t' allen tijde; Maar dat het heil uw' knecht verblijde! Dat schande mijnen vijand dekke, Dat schaamte hem ten kleed verstrekke! Dat zij hem tot een' mantel dien', Waarmee wij hem omhangen zien. 18. Ik zal den HEER op' t hoogste prijzen;' k Zal Hem bij velen eer bewijzen; Want Hij zal zich gewis erbar4 men, En staan ter regterhand des armen; Hem redder 20 305 uit VRUHVAT vives PATA ANANINAVINAV 306 uit het spood gerigt, Daar' t vonnis tot zijn doodstraf ligt. PSALM 110. us heeft ,, Mij, 2. Uit sproken: ,, Zit op den troon ter regterhand naast Tot Ik de magt uws vijands hebb' den, ,, broken, En U zijn nek tot eene PSALM 109, 110. En zeggen: de Zion zal hend HEER tot mijnen Heer gede 5. De Den schepter van heersch HEER Zoo ver de magt uws HEER uw' vervoetbank zij." vijands zich verspreidt! 8. Uw volk zal op uw' heirdag tot het strijden Gewillig zijn, in heilig krijgssieraad; U zal de dauw van uwe jeugd verblijden, Geboren uit den vroegen dageraad. 4. U heeft de HEER, wien' t nooit berouwt, gezwoschepter zenuw Oppermogendheid, tot' s werelds uiterst' enden, ren:,' k Heb U, mijn volk tot heil, mijn' naam ten 99 ,, prijz', In mijnen raad het Priesterambt bescho,, ren, Dat eeuwig duurt naar Melchizédeks wijz'." zal steeds uw regterhand verzel H gaan, len, zellen! Zijn mogendheid met U ten strijde ten, AVAVARZ 7. Hij 6. Hij zal naar' t regt de woeste heidnen rigten, 오소 Met lijken' t veld bezaaijen door zijn hand; Zijn PSALM 110, 111. strijdbre hand zal straks het hoofd doen zwichken, Le WAVAVA En koningen, die tegen U zich stelTen dage van zijn grimmigheid verslaan. zal ' t Weerbarstig hoofd van een zeer magtig land. Daar Hy gevaar noch strijd, noch moeit' ontop weg eens drinken uit de beken, ziet; Daarom zal Hij het hoofd naar boven steMet eer bekroond in' t godlijk rijksgebied. PSALM 111. ooft, Hallelujah! looft den HEER! Mijn gansche hart verheft zijn eer; Ik zal zijn' naam en grootheid prijzen.' k Zal, met d' opregten onderling Veréénd, in hun vergadering 2. Des HEEREN werken zijn zeer groot; Wie ooit En raad, Hem plegtig eer bewijzen. daarin zijn' lust genoot, 20 AVAVARRE 307 Doorzoekt die ijvrig en be ANANANANANANANAN 308 PSALM 111. bestendig. Zijn doen is enkel majesteit, delijke heerlijkheid, En zijn geregtigheid onendig. 3. Hij maakte, Hij, die heerlijk is, hun, die Hem vreezen, spijz', Aanbidgedachtenis: Hij is barmhartig en genadig: Hij gaf Zijn wondren een En, zijnen grooten naam ten prijz', Gedenkt Hij zijns verbonds gestadig. PAUZE. 4. Hij heeft de kracht zijns werks getoond waarbij Hij gunstrijk woont; Hij gaf, te hunnen nutt' Hij zal' t verbond Aan' t volk, en voordeel, Hun d'erve van het heidendom. Des Heeren 5.' t Is trouw, al wat Hij ooit beval; B regt en waarheid pal, Hij is het, die verlossing zond werken zijn alom En altoos waarheid, regt en oordeel. Het staat op Als op onwrikbre steunpilaren. Aan al zijn volk: Met hen in eeuwigheid bewaren. De vijand beeft op 6. Zijn naam is heilig en geducht! zijn gerucht; Maar' s HEEREN vrees zal altoos wezen ' t Begin der wijsheid; wien Gods hand Die doet betrachten, heeft verstand. Zijn naam blijft eeuwiglijk geprezen! PSAL l Z CAVAVAVA PSALM 112. PSALM 112. Welzalig hij, die God blijft ingt, zingt den lof van' t Opperwezen! magtig zijn op aarde; dig, zijn geboden houdt in waarde; Zijn zaad zal zal hij have tellen. mer vruchten missen; vreezen, nakomelingen Een schat van dierbre zegeningen. 2. De rijkdom zal zijn huis verzellen; Bij have Les Zelfs daalt op zijn Hem rijst het licht in $$ duisternissen. Hij toont zich ieders liefde waarEn b Zijn deugd zal nim3. Wel hem, die steeds zich zal erbarmen, van het zijne leent den armen: Is goed, barmhartig en regtvaardig. Die Hij schikt 4. Geen kwaad gerucht zal hem ontzetten; 309 naar' t regt zijn huisbelangen; Nooit zal hij wanklen in zijn gangen: Zijn naam, beroemd door zijn bedrijven, Zal eeuwig in gedachtnis blijven. VAVAVAVAVRE Zijn hart is vast in' S HEEREN wetten; Want hij be ANANVANINA V 310 betrouwt op Gods genade; Hij vreest voor schande, leed noch schade: Wel ondersteund, zal hij PSALM 112, 113. niet wijken, Tot hij zijn' vijand zie bezwijken. 5. Hij strooit steeds uit aan alle zijden, onwrikbre geeft hun mild, die nooddruft lijden; Zijn regt, hoe dikwerf ook geschonden, Steunt eeuwig op FE gronden. Zijn hoorn en 6. De goddelooze zal dit goede God verhoogen, En nimmer zijnen val gedoogen. wen, gram te moede; ren; En G magt zal Want nooit zal zelv' vertéren; De nijd zal zijne smart vermeeVan hem aanschouMet tandgekners zich Vergeefs wenscht hij de val der vromen, God dien wensch doen komen. PSALM 113. ij,' SHEEREN knechten! looft den HEER! Looft zijnen naam, verbreidt zijn eer! De naam des HEEREN zij geprezen: Zijn roem zij door' t heelal verbreid, Van nu tot in all' eeuwigheid; Men loov'' t aanbidlijk Opperwezen! 2. Van CAVAUHURVA # PSALM 113, 114. 2. Van daar de zon in' t oosten straalt, Tot daar VARU z' in' t westen nederdaalt, Zij' s HEEREN name lof gegeven! De HEER is boven' t heidendom: Zijn heerlijk311 heid, bekend alom, Is boven zon en maan verheven. 3. Wie is gelijk aan onzen HEER? Aan God, die, tot zijn eeuwig' eer, Zijn' troon gevest heeft in den hemel? Die, daar Hij' t wereldrond gebiedt, Van zijnen hoogen zetel ziet Op' t laag en nietig aardsch gewemel? 4. Wie is aan onzen God gelijk, Die armen oprigt uit het slijk; Nooddruftigen, van elk verstooten, Goedgunstig opheft uit het stof, En hen, verrijkt met eer en lof, Naast Prinsen plaatst en wereldgrooten? 5. Wie roemt niet' s Heeren wondre trouw, Die mildelijk welzijn waakt? d' onvruchtbre vrouw, Op hare beê, een blijde moeder Van liev' en frissche telgen maakt, En dus voor aller Men loov' den grooten Albehoeder! PSALM 114. volk, oen Israël' t Egyptisch rijksgebied, En' t URUHVAT AVAN TATA ANNAVINA AVVEN 812 volk, zoo vreemd van aard en taal, verliet, Werd Juda God ter woning; Hij wijdde zich dit volk ten heiligdom, dien Hij beklom, E 46 2. Dit zag de zee met bevend' oogen aan, waarts gedreven. PSALM 114. op in vlood terug. De bruisende Jordaan Werd achter' t rond, telt op den grond, En stichtte daar den troon, L Als Isrels God en Koning. Het hoog en laag gebergt' sprong Als' t wollig vee, dat dar3. Wat was' t, 0 zee! dat u zoo vlugten deed? E En gij, Jordaan! wat angst, wat prangend leed Kon u terugge dringen? Gij bergen en gij heuEn vels! wat gerucht Deed u met schrik dus steigren naar de lucht, Als lammeren, die springen? 4. Beef, aarde! beef voor' s Heeren aangezigt, rel hulp wou zenden! En deed de velden beven. Jakobs God, die uit het eeuwig licht de rots verandren kon steen in een bron, Voor Zijn IsHij is' t, wiens magt In eenen vloed, den keiVoor Isrels matte benden. PSALM leen CAVAUHUR iet ons, PSALM 115. PSALM 115. 0 HEER! niet ons, uw' naam alobo Zij, om uw trouw en goedertierenheên, All' eer en roem gegeven! Waarom, o Heer! zou' t VAA heidendom, met spot, Dan zeggen: waar, waar is toch nu hun God, Bij hen zoo hoog verheven? 2. Nogtans is God het doel van onzen lof; Hij, onze God, Hij woont in' t hemelhof, En doet al zijn behagen. Hun afgoôn zijn van zilver en van goud; Slechts menschenwerk, waaraan, ZOO Wel oogen, Le snood als stout, Gods eer wordt opgedragen. 3. Zij hebben wel een' mond, doch die niet spreekt; şb doch waaraan' t gezigt ontbreekt,' t Licht aan; kan hun niets ontdekken; Geen klank, hoe schel, dringt immer hun in' t oor; Men zett' hun vrij den besten wierook vóór,' t Kan hun geen' reuk verwekken. 4. Hun hand, hoe fraai bewerkt, tast nooit iets $ 13 Ilun voet, hoe wèl gevormd, kan nimmer gaan; Hun UHURE TATAY KANINAVINAAMUA VAVAV 814 Hun keel geen klanken geven. Hun maker deel' in hun verachtlijk lot! Die op hen steunt, miss' * nevens hen' t genot Van' t duurgeschatte leven! PAUZE. 5. Maar, Israël! vertrouw gij op den HEER! Hij B obs is hun hulp, hun sterkt' en al hun eer, schild, dat nooit zal wijken. Vertrouw op God, 11 gij, Arons nageslacht! Hij is hun schild, hun PSALM 115. hulp, die hun zijn magt Zoo menigwerf deed blijken. 6. Vertrouwt op God, gij allen, die Hem vreest! bo Hij is altoos hun schild, hun hulp geweest; De ELC op HEER was ons gedachtig. Zijn zegen blijft ook Israël verspreid; toebereid. Hun Aärons God is getrouw en magtig! zal ze grooter maken, huis is die 7. Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, ' t kroost, dat gij bemint, Wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot; Hij En z' u, zoo wel als Dat, nevens u, zich aan ORVAUHURVAAVA PSALM 115, 116. aan Gods wet verbindt, In dubble maat doen smaken. 8. D' algoede God, die, door zijn groote kracht, Den hemel schiep, deez' aard' heeft voortgebragt, Beschenkt u met zijn' zegen. VAUVAUHURUHAN ELC eigendom, zijn troon; Maar' t menschdom heeft de De hemel is zijn vruchtbaar' aard', ter woon, Van onzen God verkregen. 9. In' t stille graf zingt niemand' s HEEREN lof; by Het zielloos lijf, gedompeld in het stof, Kan PSALM 116. Hem geen glorie geven; Maar onze tong zingt, tot in eeuwigheid, Des HEER EN lof, zijn' roem en majesteit. Looft God, de bron van' t leven! od heb ik lief; want die getrouwe HEER Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen; Hij neigt zijn oor;' k roep tot Hem al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer. 315 2. Ik lag gekneld in banden van den dood, Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen; Ik was TATA! PATA AVANAVANNANHVV 316 was benaauwd, omringd door droefenissen; riep dig; den dig, 3. ,, Och HEER! och wierd mijn ziel door U ge9 ,, red!" Toen hoorde God. Hij is mijn liefde waarPSALM 116. dus HEER ' k Was 4. D' eenvoudigen 5. Gij De HEER is groot, genadig en aan in al mijn' nood: En onze God ontfermt zich op' t gebed. uitgeteerd, maar neder. Keer, mijne ziel! hebt, wil God 0 HEER! Maar der: Gij zijt verlost; God heeft Mijn' voet geschraagd; 6. Ik heb geloofd, Hij zag steeds gadeslaan, regtvaartot uwe ruste weop mij u wel gedaan! # in' t doodlijkst tijdgewricht, Mijn ziel gered, mijn tranen willen droogen, dies sprak ik dies zal ik, voor Gods oogen, Steeds wandelen in' t vrolijk levenslicht. PAUZE. tot Gods eer. ' k Was zeer bedrukt; ik liet, in haast, mijn lippen, Door drift vervoerd, deez' harde taal ontglippen: ,, Bij men ORVAUHURVAUHAVE ,, menschen is noch trouw noch waarheid meer!" 7. Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân, Dien trouwen HEER voor zijn genâ vergelden? den, bij den kelk des heils, zijn' naam vermelPSALM 116. 9. Och 8. Nu zal ik voor de weldaân, die' k genoot, Hem onder al zijn gunstgenooten prijzen. Aan Hem, naar mijn geloften, eer bewijzen; knecht, VAVRUPURVARAR den En roepen Hem met blijd' erkentnis aan. kostlijk is in' S HEEREN oog hun dood! ' k Zal, 10. Ik zal uw' mijne banden. Dies doe ik U gewillig' offeranHEER! ik ben, 0 ja! ik ben uw Uw dienstmaagds zoon; gij slaaktet gaan, Hoe Van of en dank, U plegtig toegezegd. naam met dankerkentenis 11. Ik zal heffen, U al mijn geloften brengen;' k Zal Verliefd' en lof voor U ten offer mengen, In' t heiligdom, waar' t volk vergaderd is. 317 met vreugd in' t huis des HEEREN Om daar met lof uw grooten naam le dan VANAN TATAY VAVAVVIVIXX 318 L danken. Jeruzalem! gij hoort die blijde klanken. # PSALM 116, 117, 118. Elk heff' met mij den lof des PSALM 117. oof, loof den HEER, gij heidendom! volken! prijst zijn' oneindig groot. mermeer. Les!! naam heid is, in nood en dood, Voor ons, zijn volk, Zijn alom! HEEREN aan! PSALM 118. Zijn goedwaarheid wankelt nimZingt, Hallelujah! zingt zijn goed is d' Oppermajesteit; aat ieder' s HEEREN goedheid loven, Gij heid. Laat Isrel nu Gods goedheid loven, eer! Zijn goedheid gaat Want het al te boven; Zijn goedheid duurt in eeuwig2. Laat Arons huis Gods goedheid loven, En zeggen: roemt Gods majestelt! Zijn goedheid gaat het al te boven; Zijn goedheid duurt in eeuwigheid! En zeggen: roemt Gods majesteit! Zijn goedheid gaat het al te boven; Zijn goedheid duurt in eeuwigheid! Laat HVAUHURVAV Laat die God vreezen Hem nu loven, te boven; PSALM 118. roemi Gods majesteit! Zijn goedheid gaat het al 3. Ik werd benaauwd van alle zijden, VAVAVAVAVARVAT En zeggen: Zijn goedheid duurt in eeuwigheid! hulp wil wezen, den HEER ootmoedig aan; De HEER verhoorde den, En riep mij in' t lijden, En deed mij in de ruimte gaan. De HEER is bij mij,' k zal niet vreezen: De HEER zal mij getrouw behoên. Daar God mijn schild en Wat zal een nietig mensch mij doen? 1. PAUZE. 4. De HEER is aan de spits getreden Dergenen, die mij hulpe biên; Ik zal, gered uit zwarigheMijn' lust aan mijne haatren zien.' t Is beter, als w' om redding wenschen, Te vlugten tot des HEEREN magt, Dan dat men ooit vertrouw' op menschen, Of zelfs van Prinsen hulp verwacht'! 319 5. Toen ik de heidnen aan zag rukken, Heb ik in' s HE E17 REN kracht gestreên; Ik hieuw z' in' s HEEREN naam ANANANANANANANANAVANEVAVA 320 PSALM 118. naam aan stukken, Vertrouwend' op dien naam alleen. Ik kon noch voor- noch rugwaarts keeren, ja gansch omringd ter dood; Ik sloeg hen in den naam des HEEREN, Die mij goedgunstig bijstand bood. 6. Zij hadden mij omringd als bijën, doornenvuur vergaan;' k Mogt hen in' s HEEREN Omringd, kracht bestrijen, In' s HEEREN naam hen gansch Tot vallens toe mij onderdrukt; Maar zijn als verslaan. Gij hadt m', o vijand! hard gestooten, De HEER bewaart zijn gunstgenooten; De HEER heeft zelf mij uitgerukt. 至 7. De HEER is mij tot hulp en sterkte. hoort der vromen tent weêrgalmen lied, mijn psalmgezang; Hij was het, die mijn heil Hij is mijn bewerkte; Dies loof ik Hem mijn leven lang. 8. Gods regterhand is hoog verheven; Men Van hulp en heil, ons aangebragt; Daar zingt men blij', met dankbre psalmen: Gods regterhand doet groote kracht! 2. PAUZE. Des HEEREN ster HVAUHAVAVA sterke regterhand Doet door haar daân de wereld beven; Houdt door haar kracht Gods volk in stand. PSALM 118. Ik zal door' s vijands zwaard niet sterven, Maar heils verwerven, HVAVAUA leven; en des HEEREN daân, Waardoor wij zoo veel 9. De HEER mijn lijden, Elk, tot zijn eer, doen gadeslaan. wou mij wel hard kastijden, Maar stortte mij niet in den dood; Verzachte vaderlijk En redde mij uit allen nood. Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden De poorten der geregtigheid; Door deze zal ik binnen treden, En loven' s HEEREN majesteit! moedig t'eeren, 10. Dit is, dit is de poort des HEEREN; Daar zal ' t regtvaardig volk door treên, Om hunnen Gcd ootVoor' t smaken zijner zaligheên. 321 Ik zal uw' naam en goedheid prijzen: Gij hebt gehoord: Gij zijt mijn' geest, Door uw ontelbre gunstbewijzen, Tot hulp, en heil, en vreugd geweest! 3. PAU21 VARVAR TATA NAAMINAMVNAVAVANZA 322 PSALM 118. 3. PAUZE. 11. De steen, dien door de tempelbouwers was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers, Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Dit werk is door Gods alvermogen, REN hand alleen geschied; onz' oogen; Het is God geheiligd heeft; Wij zien het, maar doorgronden' t niet. 12. Dit is de dag, de roem der dagen, Verachtlijk Och HEER! geef thans uw zegeningen! geef heil op dezen dag! Door' s HE ELaat ons verheugd, van zorg een wonder in ontslagen, Hem roemen, die ons blijdschap geeft. 13. Gezegend zij de groote Koning, komt in' S HEEREN naam! Dien Isrels Och, dat men op deez' eerstelingen Een' rijken oogst van voorspoed zag! vrolijk licht, na bang gevaar; Och HEER! Die tot ons Wij zeegnen u uit ' SHEEREN woning; Wij zegenen u al te zaam. De HEER is God, door wien w' aanschouwen Het Bindt d' offerdieren dan MOHVAUHURAAVA PSALM 118, 119. dan met touwen Tot aan de hoornen van' t altaar. 14. Gij zijt mijn God, U zal HUAVA HUAHVAL Wis uwe majesteit! Mijn God! niets gaat uw' roem loven, Verhoogen te boven; U prijz' ik tot in eeuwigheid! Laat ieder' s HEEREN goedheid loven; Want goed is d' Oppermajesteit! Zijn goedheid gaat het al te boven; Zijn goedheid duurt in eeuwigheid! PSALM 119. elzalig zijn d' opregten van gemoed, Die, ongeveinsd, des HEEREN wet betrachten; Die Hij op' t spoor der godsvrucht wandlen doet. * zalig, die bij dagen en bij nachten, WelGods wil bepeinst, en Hem, als' t hoogste goed, 323 Van harte zoekt met ingespannen krachten, 2. Die, wars van' t kwaad, niet in de zonde leeft; Maar zijnen gang bestiert naar' S HEEREN wetten. Gij, groote God, die ons bevelen geeft! Gij eischt, dat w' op uw woord gesta21* dig FATA ANANANA MINAAVANVIVIN 324 # dig letten, En dat w' ons hart, aan uwen wil verkleefd, PSALM 119. Mogt Geduriglijk dekken, 3. Och, schonkt Gij mij de hulp van geweest, op uwe die mij op mijn paân ten leidsman strekken!' k Hield dan uw wet, dan leefd' ik onbewegen vreesd; Dan zou geen schaamt' mijn aangezigt been' t heilig oogmerk leer Wanneer ik steeds opmerkend waar' den roem van uwe grootheid geven, uwen Geest! Hoe uw geboôn mij tot uw liefde wekken. 4. Ik zal, opregt van hart, uw' naam, o Heer! Gestaâg zetten. Als ik' t gezag Van' t vlekloos regt, door uwe hand beschreven.' k Zal uw geboôn bewaren tot hij het houdt naar' t heilig uw eer; Verlaat mij toch niet ganschlijk in dit leven! 1. PAUZE. # 5. Waarmede zal de jongeling zijn pad, ijdelheen omsingeld, rein bewaren? blad! mijn hart, mijn oog blijft op U staren; Door Gewis, als U zoekt Laat mij MORVAUHURAMAA mij van' t spoor, in uw geboôn vervat, Niet dwalen, Heer! laat mij niet hulploos varen. PSALM 119. 6.' k Heb in mijn hart uw rede weggelegd, Opdat ik mij mogt wachten voor de zonden. Gij zijt, 0 HEER! gezegend; leer uw' knecht Door' t godlijk woord, een helder licht bevonden, En door uw' Geest, al d' eischen van uw regt; wordt uw eer nooit stout door mij geschonden! 7.' k Heb andren al de regten van uw' mond Met lust moed gerezen, verteld, hen vlijtig onderwezen. Uit al den schat van ' t groote wereldrond Is nooit die vreugd in mijn geDie' k steeds in uw getuigenissen vond, Zoo Door mij betracht, en andren aangeprezen. † † †** paden let. 8. Ik zal, o God! bepeinzen uwe wet, In' t onderzoek van uw bevelen waken; Terwijl mijn ziel op uwe In uw geboôn zal zich mijn geest vermaken, En, daar ik hulp verwacht op mijn RRURAT 325 gebed, Uw heilig woord vergeten noch verzaken. 2. PAUh MANINVANINAMAAL 326 9. Doe bij uw' knecht weldadigheid, o Heer! Opdat ik leev', uw woorden moog' bewaren, mij ware wijsheid leer', vels op doe klaren; en eer', PSALM 119. 2. PAUZE. 脚 treên, 10. Ik ben, o Heer! een vreemdling hier beneên; Die in uw wet alom zich openbaren! uw geboôn op reis mij niet ontbreken, En dat uw Geest Mijn oog verlicht', de neDat mijne ziel de wondren zie ziel, omringd door duisterheên, Zoo dikwijls van vernooit langen is bezweken, Om U te zien ter hooge vierschaar uw Tot straf van hen, die snood zijn afgeweken. 11. Gij scheldt en straft vervloekte hoovaardij, Gewend zoo wijd van uw geboôn te dwalen. toch uw gunst mijn ziel van smaad bevrij', straf Daar mijne op mijn hoofd verachtlijk neêr zou dalen; ' k U mijn dienst, naar uw getuignis, wij', mij Laat op den Dat Die Daar Om hals te halen! 12. Wanneer ik zelfs door Vorsten werd betigt, In' t hoog ge MORVAUHURVAVA gestoelt' op uwen knecht gebeten, naar uw geboôn gerigt, nood; PSALM 119. opregt geweten; Ook waren zij mijn raadsliên en mijn ven! bloot; licht;' k Heb, met vermaak, mijn' tijd daarin gesleten. 3. PAUZE. 13. Hoe kleeft mijn ziel aan' t stof! ai! zie mijn' beven, Heb ik mijn' weg En die betracht met een Herstel mij, doe mij naar uw woord herle' k Lei' voor uw oog mijn' weg en Gij hebt verhoord; maak voorts En welk een angst mij immermeer deed rigt mij daân groot, 14. Och! dat ik klaar en onderscheiden zag, ' k mij naar uw bevelen moet gedragen, naar uw dren regt betrachten dag aan dag! druipt weg van treurigheid * op, AURURURURVAT En laat uw wet mij onderrigting geven! woord, en klagen; verander mijn geklag: 327 mij gunstig handel uw wel15. Weer snood bedrog, o God! van mijn gemoed; Hoe Uw wonMijn ziel Ai! Wil, onderschragen! Laat uw ANANAMAN MAVIN 328 uw genâ mij uwe wetten leeren! PSALM 119. waarheid voor mijn' voet, Om mij van' t pad der zonden af te keeren. Uw regten, die zoo heilig zijn en goed, Steld' ik mij voor; die wil ik needrig eeren. Ik kies den weg der 16. Mijn hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd; Het zal op uw getuigenissen hopen. Beschaam mij niet, wil mij, in U verheugd, Tot uwe vreez', o HEER! gestadig nopen! Als Gij mijn hart verwijdt door ware vreugd, Zal ik het pad van uw geboden loopen. 4. PAUZE. Dan zal ik 17. Leer mij, o HEER! den weg, door U bepaald; dien houd' X ten einde toe bewaren. mij verstand, met godlijk licht bestraald; zal mijn oog op uwe wetten staren; ik die, hoe ligt mijn ziel Geef Dan op dat spoor mijn wankelende gangen; Dan ook dwaalt; Dan zal zich' t hart met mijne daden paren. 18. Doe mij op' t pad van uw geboden treên; Schraag Daar strekt zich HVA HRVA zich al mijn lust en liefde heen. Ai! neig mijn hart en vurig zielverlangen, O Heer! naar uw getuigenis alleen; Laat gierigheid mij in haar' strik niet vangen! PSALM 119. 19. Wend, wend mijn oog van d' ijdelheden af; Verlevendig mijn hart door uwe wegen! Dat mij' t betreên dier paden vreugd verschaff'; Bevestig toch aan uwen knecht den zegen, Waartoe uw woord hem blijde hope gaf; Hij is opregt tot uwe vrees genegen. 20. Weer van mij af de smaadheid, die ik vrees! Uw regten, Heer! zijn goed en vrij van vlekken, Waarom ik die gestaâg als heilig prees. Zie al mijn' lust tot uw ***** bevel zich strekken. Och! dat er kracht en leven in mij reez'! Wil die door uw geregtigheid verwekken! 5. PAUZE. 21. Dat mij, o ik overkoom', naar HEER! Uw goedertierenheid Toch ор uw beloftenissen; Dan geef aan mijn' smader juist bescheid; Dan zal 329 zijn' schimp geen antwoord missen; Want FURUHVAT 2 AVANINAVINAAAVANA 330 Want ik vertrouw ор' t woord, mij toegezeid; 22. Ai! ruk Geen leed zal' t ooit uit mijn geheugen wisschen. Van ten, IVANAVAN PSALM 119. het woord der waarheid niet mijnen mond; ik hoop Waarin Gij trouw gezorgd hebt Daar eeuwig en Dan houd ik steeds, o God! met al uw knech# Uw heilge wet; dan zal ik meer en meer op en zin, altoos het hart allergrootst gewin; te zeer uwe regten, vermaak, mijn zielgenoegen achten; voor uw eer! 23. Dan wandel ik vol moeds op ruimer baan, Omdat mijn aan hechten. ziel gezocht heeft uw bevelen; koningen verstaan, Hoe zeer mij uw getuigenissen streelen; Dan zal ik mij niet schamen, noch uw Dan doe ik zelfs aan daân Uit slaafsch ontzag of dwaze vrees verhelen. Ec 24.' k Zal uw geboôn, die ik opregt bemin, Mijn hoogst Ik reken die mijn naar, Ik grijp er en zal er heil uit wachten; Ik heb ze lief, en zal met hart Al' t geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten. 6. PAU MORVAUHURA 25. Gedenk aan' t woord, gesproken tot uw' knecht; Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven! is mijn troost, in druk mij toegelegd; leert mijn ziel U achter aan te kleven; aan mijn VAKAA VAURUF VRVRAR PSALM 119. 6. PAUZE. ' t geen uw mond aan mij had toegezegd hart vertroosting, mij Ik dacht, o HEER! aan hun rampzalig lot, getroost, 27. Daar ik geest uw gerigt, van ouds af reeds gebleken. kort van duur is al het aardsch genot! 26.' t Hoovaardig volk heeft mij op' t felst bemijn ziel spot;' k Ben echter niet van uwe wet geweken. hoe moet zien, snoodaards Dit Verlaten, heeft beroering mij bevangen; Dit en leven. van het regt, dat Gij hebt ingezet, Al 331 Gaf uwe is niet bezweken. En Hoe ' k Heb wet Maar Heb ik gemaakt mijn blijde lofgezangen. In vreemdlingschap heeft niets die vreugd belet, Wat nijpend VANANVAAVAVAVINVVVVVNAVAN TATA 332 pend leed daar mijn gemoed mogt prangen. 28.' k Heb, HEER! des nachts aan dacht, geten. gesleten, En Dat PSALM 119. Uw wet bewaard, uw deugden niet vertoegebragt, En ZOO veel tijds heb ik met vreugd die behoed, uwen naam geheil, dien troost hebt Gij mij Omdat ik uw bevelen nam in acht, 29. De HEER is mijn genoegzaam deel, mijn goed; Ik bewaard' in een opregt geweten. 7. PAUZE. heb gezegd: ik zal uw woord bewaren. been met mijn geheel gemoed, 17 effen baan, mij mogt openbaren. Wees naar uw woord genadig; ai! ' k Heb U geDat zich uw heil aan Behoed uw' knecht en red hem uit gevaren. 30. Ik heb bedaard mijn wegen nagegaan, Mijn' voet gekeerd tot uw getuigenissen, En my gehaast, die paden in te slaan, Waarin mijn ziel zich nimmer kan vergissen;' k Heb niet vertraagd, om, op die Het doel van uw geboden niet te missen. 31. Een TAVAUHURVA 31. Een godloos rot heeft mij ten roof gesteld; Nogtans heb ik uw wetten niet vergeten; Te middernacht heb ik uw' lof vermeld; Dan sta ik op, om verzelt, met een blij geweten Het regt, dat uw geregtigheid VAVIVAR PSALM 119. 32. Ik ben een vriend, ik ben een medgezel Van allen, die uw' naam ootmoedig vreezen, En leven naar uw goddelijk bevel. O HEER! hoe wordt uw goedheid ooit volprezen! Gij doet op aard' aan alle schepslen wèl. Och! wierd ik in uw wetten onderwezen! 8. PAUZE. den. Tot uwen roem, ten breedsten uit te meten. 33. Gij hebt veel goeds bij uwen knecht gedaan; staan, den; Hem, naar uw woord, gered uit al zijn nooheid aan, 34.' k Sloeg, Leer mij, o HEER! een goeden zin ver333 En wetenschap, der dwazen waan ontvloWijs Gij mij zelf den weg der waareer ik werd Naardien ik heb geloofd aan uw geboden. verdrukt, het dwaalspoor VAHVALA VANANANANANANANANANAVAVAVAVAVAVAN 331 spoor in; Maar nu, geleerd, houd ik uw woord en wegen. Wat zijt Gij goed! wat schenkt uw menschenmin PSALM 119. den zegen! zin, Aan ieder, die U vreest, al milLeer mij uw wet in haren regten En maak mijn. hart tot uw geboon genegen! 35.' t Hoogmoedig volk dicht leugens tegen mij; bewaar van harten uw bevelen. smeer, vol hoovaardij, niet deelen; Maar uwe wet, waarin ik mij verHun hart is vet als Dies zullen zij in uwe gunst blij', Zal met het zoetst vermaak mijn zinnen streelen. 36.' t Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest, Doch ik Opdat ik dus uw godlijk regt zou leeren; heeft mijn hart voor hoovaardij gevreesd. boven goud, en mensch bekoort, doe mij steeds uw' wil als heilig eeren! en zilver, wat meest zal ik uw wet 9. PAUZE. Sints Ai! Ver Den waardèren. 37. Uw hand heeft mij gemaakt en toebereid. Ai! AVA HRVA Ai! maak mij ook verstandig in uw wetten; Zoo leer ik uw geboon en heiligheid. vreest, zal op mijn' heilstaat letten, loos dat ik, door uwe hand geleid, * op PSALM 119. uw Al wie U Verheugd, Niet vruchtwoord mijn hoop mogt zetten. 38. Ik weet, O HEER! dat uw gerigten zijn Geregtigheid, en Gij mij liet verdrukken Uit enkle uit angst en nijpend leed te rukken; trouw. Och! dat uw gunst verschijn', Om mij in nw wet alleen. bestreen; mij, uw' knecht, die nu angstvallig kwijn'; Troost Mij is die troost belcofd in ongelukken! 39. Breng over mij al uw barmhartigheên, Opdat ik leev'; want al mijn vergenoegen, Al mijn vermaak is 335 Beschaam, die zoo hoovaardig zich gedroegen, Wier leugentong zoo valsch mij heeft Doch ik wil mij naar uw geboden voegen. * 40. Dat ieder, die U vreest, zich tot mij keer', ARHAR Die kundig is in uw getuigenissen! Maak, dat mijn MANANANANAVAVAVAN 336 mijn hart opregt uw lessen eer'; ooit uit mijne ziel moog' wisschen; Opdat mij ik niet beschaamd word'. Laat, o Heer! z' aan die gen: PSALM 119. gunst 41. Mijn ziel bezwijkt, zij is gansch afgemat, ,, neer, aarde op 10. PAUZE. Dat niets die 0 Mijn oogen zijn bezweken van verlangen nimmer ' t geen mij was beloofd, terwijl ik bad: uw heil met al haar lust blijft hanGod! zal ik Waarop uw woord mij hoop gegeven had. uw' vocht heeft in den rook verloren; missen! Laat رو Daar Naar Wantroost ontvangen?" 42. Ik ben, helaas! een' leedren zak gelijk, Die al zijn Hoewel ik niet van 43. Een listig volk heeft, boos en trotsch van aard, uwe wetten wijk. Hoe lang blijft nog uw' knecht dit leed beschoren? Wanneer zult Gij, opdat mijn onschuld blijk', Hen regten, die mijn rust, uit wrevel storen? Tot mijnen val een' diepen put gegraven, Hoe zeer uw wet daar HVA HAVA PSALM 119. daar tegen zich verklaart. Al uw geboôn zijn waarheid; ' k wil die staven. Ik word vervolgd, met leugentaal beFAVFUFUA zwaard; Help mij, o Heer! ten spijt dier zondeslaven. 44. Zij hebben mij bijkans op aard' vernield; Maar ik bleef uw bevelen dierbaar achten. Ai! beur mij op; laat mij, met moed bezield, Weer leven en op uwe goedheid wachten; Dan zal ik steeds, daar mij uw trouw behield,' t Getuigenis van uwen mond betrachten. 11. PAUZE. 45. O HEER! uw woord bestaat in eeuwigheid, Daar' t hemelheir zich sehikt naar uw bevelen; In uwe trouw, eeuwen deelen. zoo gunstig toegezeid, Zal elk geslacht, ja' t eind' der Naar Deez' aard' is hecht door uwe hand bereid; Haar stand blijft vast, al wislen haar tooneelen. 46. De hemel blijft nog met den aardkloot staan, 337 uw bevel; zij allen zijn uw knechten. Ik waar' reeds lang in mijnen druk Indien ik mij met uwe wet en regten, 22 vergaan, Tot mijn ver ANANA VINAVANGAVANA 338 vermaak aan 47.' k Ben Want uw ' k Ben Behoud gegeven! spoord ¢ 48. Der wacht, en PSALM 119. troost, trouw alleen mijn ik ontving door mij niet eeuwiglijk gedachtig d' uwe, Heer! toch, had boozen schaar beraân, naar' t hoop te hechten. uw bevelen aan uw woord; geleid mij ' t leven. woord aan Om ongestoord; Ik heb met lust uw wetten nageEn die gezocht, door uwen Geest gedreven. heeft lang ор mij geellenden; Ik neem op uw getuigenissen acht. mij Om mij te doen vergaan in mijn ik het oog op aarde heen moog' wenden, listig ook mijn snoode vijand woel', Den ganschen dag haar ijvrig te betrachten. Waar maakste vindt een eind' en derft zijn kracht; ' t VolMaar uw gebod is wijd, en zal nooit enden. 12. PAUZE. 49. Hoe lief heb ik uw wet! het is mijn doel Hoe ' k Heb wij CAVAUHURVAVA wijzer' geest en edeler gedachten Door uw gePSALM 119. boon, wier kracht ik staâg gevoel, ' k eeuwig zal met heilgen eerbied achten. Die 50. Ik overtref mijn leeraars in beleid, Want ik betracht al uw getuigenissen. Ik overtref zelfs in voorzigtigheid De grijsaards, die de ware godsvrucht missen; ' k Bewaard' uw wet, die zulk een licht verspreidt, En van mijn heil mij best kan vergewissen. 51. Ik heb mijn' voet geweerd van kwade paân, Opdat ik steeds uw woord ZOU onderhouden. ' k Heb mij gewacht die wegen in te slaan, Die Want Gij mij van' t spoor der deugd verbijstren zouden; hebt mij geleerd daarin te gaan Met allen, die op uwen naam betrouwden. 339 52. Hoe zoet zijn mij uw redenen geweest! Geen honig kon' t gehemelt' beter smaken. Alleen door uw bevelen krijgt mijn geest Verstand van God en goddelijke zaken; Dies heb ik al de leugenpaân gevreesd, En zal bedrog en slinksche wegen wraken. 22. 13. IP A UURVAVAVE RIHURVAVAU urvives iVivi VAN VINTAHANVIVIAIN 340 53. Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet, Mijn pad ten licht', om' t donker op te klaren. zwoer, en zal dit met B tigen, in al mijn levensjaren, 54. Ik VV HEER! PSALM 119. 18. PAUZE. heilig is en goed, Door uw genâ bestendig zal bewaren. woord mijn leven! Laat ben op' t diepst verdrukt; ai! schenk mij, 55. Mijn een blij gemoed vaar; Vernieuwde oogen; Dat ik uw wet, die Ik kracht, Beveshoe ik U eer'; Hoe hart en mond vrijwillig' offers geven. Ai! zie daarop met welgevallen neer: sterk naar uw Merk op in gunst, mijn God! ziel is in mijn hand, in mijn hart uw regten zijn geschreven! steeds in ge' k Verlies nogtans uw wet niet uit mijn Zij blijft mijn doel, en, schoon een booze schaar Mij strikken heeft gelegd door list en logen, Ben ik van uw bevelen hier of daar Niet afgedwaald, noch tot hun kwaad bewogen. 56.11 MORVAVAVAVAVAU 56. Ik heb voor mij al uw getuigenis, Ter eeuwig' erv', " volvaardig aangenomen, Naardien mijn hart daardoor vervrolijkt is. Ik heb gepoogd mijn lusten PSALM 119. in te toomen, En' t hart geneigd, om eeuwig en Ten einde toe, uw wetten na te komen. 14. PAUZE. gewis, 57.' k Haat vrucht; wetten. ranken, vol van kwaad' en bittre Maar ik bemin met al mijn hart uw Gij zijt mijn schild, de rots, waarheen ik vlugt; Gij kunt en wilt mijn' ondergang beletten. ' k Vertrouwd' op U, en' t blijft nog staag mijn zucht, Om op uw woord mijn vaste hoop te zetten. 58. Gij boozen! wijkt, opdat ik steeds' t gebod Van mijnen Heer naauwkeurig moog' bewaren. Schraag mij naar uw beloften, o mijn God! Орdat ik leev', U lovend' op mijn snaren. Dat niemand mijn verwachting ooit bespott'; Ai! 341 laat die mij toch nooit beschaamdheid baren! 59. Wees HURAVALY OROAUKORVAVAVILAVINGS ivivivivivi 342 59. Wees Gij mijn steun, dan zal ik, vrij van leed, Maar Gij, 0 Heer! die mij behoudt, vertreedt En stoot Mij dag aan dag in uw geboôn vermaken! Want hun bedrog is leugen,' t is gesmeed hen Het heeft PSALM 119. mijn verderf, maar' t zal hen zely' genaken. 60. Al' t godloos volk verdoet ik deel, d' aard'; Dies zal ik uw getuigenissen vreezen. op weg, die uwe wet verzaken; Ja zelfs is mij het haar te berg' gerezen, uw Heer! 2017 G' als schuim van mijn ziel verschrikkingen gebaard, Tot kan niet dan vreeslijk 15. PAUZE. gerigten heb gestaard; Uw oor61. Geregtigheid en regt heb ik gedaan; dan niet in' s onderdrukkers handen! mijn borg, en neem de regtzaak aan Als knecht, daar Gij hem aan ziet randen; wezen. Geef mij Wees Gij Van uwen Laat trotschaards toch niet stoutlijk meer bestaan, Mij, naar MORVAVAU PSALM 119. naar hunn' wensch, te knellen in hun banden! 62. Mijn oogen zijn bezweken, rood geschreid, In ' t uitzien naar uw heil met heet verlangen; Het heil, aan mij regtvaardig toegezeid. Ai! wisch dan toch de tranen van mijn wangen! Doe stand, VAUVAVAVAVAVAVAVALY bij uw' knecht naar uw goedgunstigheid; Leer mij uw wet, dan zal ik troost ontvangen. 63. Ik ben uw knecht, geef mij dan regt verZoo zal ik uw getuigenissen leeren. Nu is het tijd, dat' s HEEREN regterhand Haar kracht vertoon', in' t godloos kwaad te weren: Men schendt uw wet zoo stout van alle kant; Men schroomt niet meer uw' grooten naam t' ontëeren. 64.' k Heb uw geboon, mijn God! dies meer dan goud, Ja' t fijnste goud, bemind; en uw beve' t hoogst len, In alles, regt en vlekkeloos geschouwd, Op volmaakt tot in hun minste deelen; 343 ' k Heb op geen pad der valschheid mij betrouwd, Maar dat gehaat, hoezeer' t mijn vleesch kon streelen. 16. PAU AVANANA KTATAY NAVINAHAVANAVAN 344 65. Iloe wonderbaar is uw getuigenis! mijn ziel die ook getrouw bewaren; PSALM 119. 16. PAUZE. ning van uw woorden zal gewis, licht, het donker op doen klaren; verstand aan slechten, wien' t gemis een' glans een' eeuwgen 66. Ik heb mijn' mond begeerig opgedaan, verlangd, gehijgd naar uw geboden. nu Want d' oopDies zal van hen, rast, Gelijk een Zij geeft nacht Zou Van zulk dan met gunstig' oogen aan, En wees mij baren. Ik heb Zie, zie mij genadig in mijn nooden, Naar' t die, deugdzaam van bestaan, liefde tot uw' naam, van' t kwade vloden! 67. Maak in uw woord mijn' gang en treden vast, * Opdat ik mij niet van uw paân moog' keeren! regt Uit En wordt mijn vleesch door' t kwade ☆ Ai! laat het mij toch nimmer overheeligt verren! Verlos mij, Heer! van' s menschen overlast, MOHJAUHURVAVA last, Dan zal ik U, naar uw bevelen, eeren! * 68. Uw aangezigt vertoon' aan uwen knecht Een vriendlijk oog, een troostrijk liefdeteeken; Leer mij den eisch van ' t altoos heilig regt! Ik stort, bedrukt, geheele tranenbeken, Omdat men U gehoorzaamheid ontEn zich niet schaamt uw wetten te verbreken. 17. PAUZE. zegt, PSALM 119. 69. Gij zijt volmaakt, Gij zijt regtvaardig, HEER! 트 Uw oordeel rust op d' allerbeste wetten; loon, eischt van ons, ' t uw straf beantwoordt aan uw eer. Gij Dat wij altoos op hoogen prijs uw leer heilig regt Uw dat w' op uw waarheid letten; van En uw getuignis zetten. 70. Mijn ijver heeft van smart mij doen vergaan, Omdat uw woord zoo schandlijk wordt vergeten; Mijn vijand ziet dat met verachting aan. Uw woord is rein, dat mag gelouterd heeten; Uw knecht wil zich daar daaglijks mee beraân; 345 Hij VAVAVAVA TATATATA! ANANANANANINAHAVAVAVINA 346 PSALM 119. Hij heeft het lief, wijl' t hem zijn' pligt doet weten. 71. Ik ben wel klein, veracht, maar niet verleid; ' k Vergeet in smaad noch armoê uw bevelen. Uw regt, 0 Heer! is regt in eeuwigheid; zult aan elk zijn loon of straffen deelen. wet, waarin zich steeds uw glans verspreidt, mij door' t licht der zuivre waarheid Gij Uw Kan streelen. 72. Als' t mij benaauwd of bang gevallen is, Dan heb ik mij vermaakt in uw geboden. De zuiverheid van uw getuigenis Blinkt altoos uit, zelfs in de zwaarste nooden; Leer mij' t verstaan, zoo leeft mijn +4 ziel gewis, Het naar verderf in eeuwigheid ontvloden! 18. PAUZE. 73. Ik riep U aan, o HEER! met al mijn hart; Verhoor mij, en ik zal uw wet bewaren! Ik riep U aan, in druk en leed verward; Verlos mijn ziel uit angsten en gevaren; Dan houd ik uw getuignis, en in smart Zal ik daar troost en wijsheid uit vergâren. 74. lk CAVAUHURVAVA 74. Ik heb somtijds het scheemrend morgenlicht VerD rast, om U mijn schreijen te doen hooren;' k Heb PSALM 119. op uw woord gehoopt, en mijn gezigt, nog het uur der nachtwaak was geboren, slaap ontroofd, om, naar mijn' iust en pligt, heid, Eer De wijsheid van uw reednen na te sporen. en leven! Den 75. Hoor, HEER! mijn stem naar uw goedgunstigbereidt: En geef mij naar uw regten kracht Zij naadren mij, wier list mijn' val Zij zijn in' t kwaad, in' t listig kwaad bedreven, En wijken van uw wet, zoo wijd verleid, Terwijl zij zich aan boosheid overgeven. 76. Maar, HEER! Gij zijt nabij, Gij ziet mij aan; De waarheid is aan uw geboôn verbonden. Ik wist van ouds reeds uit uw woord en daân, Dat al, wat Gij getuigd hebt, ongeschonden En vlekkeloos voor eeuwig zal bestaan, Gevestigd op onwankelbare gronden. 19. PAUZE. 77. Zie mijn ellend', o Heer! en help uw' knecht; 347 Want HAL Ves VIVIM Vivivivi AVAN NAAMAAVA 348 PSALM 119. Want uwe wet is in mijn hart geschreven! twist Gij zelf mijn twistzaak naar uw regt, los mij, sterk met nieuwen moed mijn leven, Naar' t godlijk woord, mij gunstig toegezegd, 78. Het heil is ver van' t goddeloos geslacht, gansch vervreemd van deugd en reine zeden, En mij ten troost in angst en druk gegeven! inhoud van uw wetten niet betracht. Ai! hoe veel zijn uw barmhartigheden! Ver80. Ai! Dat, Den O HEER! mij op, vernieuw mijn levenskracht, # ' t godlijk regt; verhoor toch mijn gebeden! 79.' t Getal van mijn vervolgers is zeer groot, Van SANDERSO Ai! beur hen, die mij als weêrpartijders haten; Maar' k wijk Naar van uw getuignis in geen' nood. Ik heb gezien, hoe zij, die U vergaten, Trouwloosheid doen. Gij weet, hoe ' t mij verdroot, Als ik hen zag uw heilig woord verlaten. zie, 0 HEER! dat ik uw wet bemin; Uw gunst vernieuw' mijn leven en mijn krachten! AVAHAAAAA ten! Uw godlijk woord is waarheid van' t begin; Uw regt heeft nooit verandering te wachten; Leer door uw' Geest mij dat gestaåg betrachten. 20. PAUZE. PSALM 119. 81. Toen Vorsten mij vervolgden zonder reên, Vreesd' ik uw woord, met die uw heil beminden. Dies houd ik dat met een' verblijden zin. ben verblijd om uw goedgunstigheên, Die meer die en meer mij aan uw dienst verbinden.' k Vind grooter vreugd' in uw beloft' alleen, zonden; hoedt. Ik 82 Ik haat bedrog en valschheid van gemoed, bonden, ooit een' grooten buit mogt vinden. ' k Heb in mijn hart een' gruwel van die goed Dan hij, ' k Bemin uw wet, die mijne ziel beIk loof, o Heer! aan uwe dienst verU zevenmaal des daags, om al het En' t regt, in uw geregtigheid gevonden. F 83. Wat vree heeft elk, die uwe wet bemint! 349 Zij URVAL AIXIXIAIRIAURIAIPIATAVAVAJRIAUKVAVAVAVAAVIVOS VA! A! ATATATATATATAN 350 Zij Ik, Hoop ' k Doe VAVAVA kan zullen aan geen' hinderpaal zich stooten. nen HEER! die al mijn blijdschap in U vind, PSALM 119. op uw heil met al uw gunstgenooten; liefdedienst heeft mij nog uw geboon opregt en welgezind; Uw 84. Mijn ziel bewaart uw trouw getuigenis; Die B heb ik lief, ook doe ik uw bevelen. mij, nooit verdroten. ofschoon ik alles miss', Door zijsmaak, en hart en zinnen streelen. Gij ken! Zie Uw woord weet mijn' weg, en hoe mijn wandel is; ' k Wil niets daarvan voor U, mijn God! verhelen. 21. PAUZE. 85. O HEER! sla toch op mijn geschrei uw oog; Wil, naar uw woord, mijn' geest verstandig magunstig op Laat mijn gebed voor mij neder van omhoog; uwen troon genaken! Red, daar mij' t leed zoo diep ter nederboog, Red mij naar uw beloft', en rigt mijn zaken! 86. Dan AVAVAVAVA 86. Dan eer, den; leer, PSALM 119. HAU vloeit mijn mond steeds over van uw Gelijk een bron zich uitstort op de velWanneer ik door uw' Geest uw wetten Dan zal mijn tong uw redenen vermelden; Want uw geboôn zijn waarlijk regt, 0 Heer! Gij zult de vlijt van die U zoekt vergelden. 87. Kom mij te hulp! mijn ziel, die U verbeidt, Heeft uw bevel met lust en liefd' ontvangen. 1k lijk haak, 0 HEER! naar' t heil mij toegezeid; Bestier in gunst naar uwe wet mijn gangen. Al mijn vermaak stel ik, met rijk beleid, In uw gebod, dat is mijn hoogst verlangen. 88. Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp: stier mij in regte sporen. Geeen schaap heb ik gedwaald in' t rond, Dat, onbedacht, zijn' herder heeft verloren; Ai! zoek uw' knecht, schoon hij uw wetten schond; 351 Want hij volhardt naar uw geboôn te hooren! PSALM ViviviviviNANANANANAVA TATAY VIA FAMAVA 352 R iep tot den Oorsprong aller dingen, Tot PSALM 120. PSALM 120. God, in mijn bekommeringen, En Hij verhoorde mijn gebeden, Naar zijne goedertierenheden. 0 HEER! doe mij den strik ontslippen Der veinzerij en valsche lippen; bitse tong Behoed mij voor de Die mij met leugentaal besprong! 2. Wat voordeel zal' t bedrog u baren, Vermetel rot van lasteraren! Wat voordeel zal u in dit leven Uw bitse tong, uw boosheid geven? Gij haalt op u, o leugensprekers! De pijlen eenes sterken wrekers, En een' jeneverkolengloed, Waardoor gij haast verbranden moet. 在 3. Wee mij, die rust en hulp moet derven, In Mesech als een vreemdling zwerven, En steeds in Kedars tenten wonen, Bij menschen, die mij bitmijn bitterst wee, ter honen! Ik heb reeds lang mij opgehouden Bij hen, die nooit op God betrouwden; Bij hen, die, tot Een' afschrik hebben van den vreê. 4. Ik CAVAUHURVAVA ' k 4. Ik zoek den vreê steeds aan te kweeken; Maar kan er naauwelijks van spreken, Of' k zie mijn reden PSALM 120, 121. afgebroken, En hen tot woed' en krijg ontstoken. PSALM 121. la d' oogen naar' t gebergte heen, Van waar ik dag en nacht Des Hoogsten bijstand wacht. Mijn hulp is van den HEER alleen, Die hemel, zee en aarde Eerst schiep, en sints bewaarde. 2. Hij is, al treft u' t felst verdriet, Uw wachter, Hij, die uw' voet Voor wankelen behoedt; Isrels Wachter, sluimert niet. Geen kwaad zal u genaken; De HEER zal u bewaken. 3. Zijn wacht, waarop men hopen mag, Zal, daar zij u bedekt, En u ter schaduw strekt, De maan bij nacht, de zon bij dag, In koud' en gloed vermindren, Opdat zij u niet hindren. タ 4. De HEER zal u steeds gadeslaan, Opdat Hij in gevaar Uw ziel voor ramp bewaar'. De HEER 23 FRAVAL 353 zij VCS AMAVAMAVIVAM Vivivivivivi TATAY AAVAAVAANVANAVAV 354 PSALM 121, 122. ' t zij g' in of uit moogt gaan, heen moogt spoeden, Zal eeuwig u behoeden. PSALM 122. k ben verblijd, wanneer men mij opwekt: zie wij staan En waar g'u zalem, dat ik bemin! Gereed, om naar Gods huis te gaan; Kom, ga met ons, en doe als wij. Godvruchtig Wij treden uwe poorten in; Zal haar voor' s Bouwheers Daar staan, o Godstad! onze voeten. Jeruzalem is wel gebouwd, W zaamgevoegd, wie haar beschouwt, 2. De stammen, naar Gods naam genoemd, waarts op, daar elk zich buigt Jerúkunstwerk groeten. 3. Dat vreed' en aangename Gaan derNaar d' ark, die van Gods gunst getuigt; Daar elk zijn' naam belijdt en roemt. Want d' achtbre zetel van' t gerigt voor Davids huis gesticht; De regterstoelen staan daar rust, binnen. Bidt, met een algemeene stem, Om vrede dáár voor Jeruzalem; Het ga hun wèl, die u beminnen! En milde ze AVAUHURVA zegen u verblij'; Dat welvaart in uw vesting zij, PSALM 122, 123. In uw paleizen vreugd' en lust! Om vriend en broedren spreek ik nu: De vrede zij en blijv' in u! Nooit moet haar nijd of twist verkloeken. Om ' S HEEREN huis, in u gebouwd, Daar onze God zijn woning houdt, Zal ik het goede voor u zoeken. PSALM 123. oogen op, en bid. k hef tot U, die in den hemel zit! Mijn de hand zijns heeren, Om nooddruft te begeeGelijk een knecht ziet op ren, En' t oog der maagd is op haar vrouw ge$ slagen, Om hulp of gunst te vragen; Zoo slaan wij ' t oog op onzen HEER, tot Hij Ook ons genadig zij! 2. Geef ons genâ, geef ons genâ, o HEER! En den. red ons tot uw eer. Wij zijn reeds moe van al ten, de schampre woorden, Die wij van smaders hoorOns treurig hart is moê van al het spotEn' t honend zamenrotten 23* Der hoovaarHURUHVALS 355 dij. SUATATATATATATATATATATATATA TATA ANANANANANANAVIMA 356 PSALM 123, 124. dij, die needrigen veracht En weelderig belacht. PSALM 124. D at Israël nu zegge, blij van geest: HEER, die bij ons is geweest; ons heeft bijgestaan, Toen' s vijands heir en aanval Indien de Indien de HEER, die werd gevreesd, Niet had gered, wij waren lang vergaan. 2. Dan hadden zij ons levendig vernield; Hun heete toorn had ons gewis ontzield, Bedolven in een' diepen jammervloed; Dan had een stroom, dien niemand tegenhield, Ons gansch versmoord, had God het niet verhoed. 3. Dan had geen mensch naar onze klagt gehoord; Dan had een zee van rampen ons versmoord. Geloofd zij dies de HEER, die redt van' t graf, Die ons, schoon wreed vervolgd van oord tot oord, Tot eenen roof niet in hun tanden gaf. 4. W' ontkwamen haast des vogelvangers net, strik, tot ons bederf gezet; zijn vrij geraakt. Den loozen De strik brak los, en wij De HEER is ons tot hulp op ons gebed; Die God, die aard' en hemel heeft gemaakt. PSALM ORVAUHURA PSALM 125, 126. PSALM 125. ij zal noch wanklen, noch bezwijken, den HEER vertrouwt, En op zijn goedheid bouwt; Die op Hij zal, als Zions berg, nooit wijken, Wiens grondslag door geen aardsch vermogen Ooit wordt bewogen. 2. Gelijk' t gebergt', dat, hoog gerezen, Om Salem ligt gespreid; Zoo is in eeuwigheid De HEER rondom hen, die Hem vreezen; Rondom zijn volk,' t welk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden. W 3. Want hoe de boozen zich doen schromen Door E wreede heerschappij, Nog zal hun dwinglandij Niet rusten op het lot der vromen; Opdat zij nooit, van' t regt geweken, Zich zelven wreken. $ 4. Geef, HEER! den goeden uwen zegen; wel aan' t vroom gemoed; Maar hem, die onregt Doe doet, En die zich neigt tot kromme wegen, Zal God verdoen; doch Isrel leven En vrede geven. PSALM 126. 357 anneer de HEER, uit' s vijands magt,' t GeVAAR vivivivivivivivi TATA 358 AMARAVANAVAVAVANAV PSALM 126. Gevangen Zion wederbragt, En dat verlost' uit nood en pijn, Scheen' t ons een blijde droom te zijn. Wij lachten, juichten; onze tongen ' s Heeren naam, en zongen. heidnen aan: ,, De HEER heeft hun wat groots gedaan!" Toen hieven zelfs de 2. God heeft bij ons wat groots verrigt; Hij zelf Verhieven heeft onzen druk verligt, Hij heeft door wondren ons bevrijd; Dies juichen wij en zijn verblijd! Breng, H- E ER! al uw gevangnen weder, der op uw erfvolk neder, 3. Die hier bedrukt met tranen zaait, Verkwik het, als de watervloed, Die' t zuiderland herleven doet! Zie vergoeder uur, chen, als hij vruchten maait. Die' t zaad draagt, dat al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Zal juimen zaaijen zal, Gaat weenend voort, en zaait het Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, te Zijn schoven dragen in de schuur. PSALM AVAVAVA Vilc ' t huis voltooid te zien, werk ergeefs op bouwen toegelegd; Vergeefs, om zweet, o arbeidsliên! Zoo God zijn hulp aan' t PSALM 127. PSALM 127. ontzegt. Gezwoegd, ge2. Vergeefs van' s morgens vroeg geslaafd Tot dag gedraafd; Vergeefs, 0 wachters! is uw Zoo God niet zelf de stad bevrijdt. ' s avonds, en het brood der smart met een angstig hart; toont, Freet Gegeten, Vergeefs den ganschen der schraap', Dien Hij bemint, als in den slaap. 3. Zoo gaat het elk, dien God bemint. Wie kindren voortbrengt tot Gods eer, God geeft het, hoe een anerfdeel van den HEER; Wie zich met kroost geVerkrijgt een zegend vindt, Dat zich opregt en dankbaar Ziet al zijn zorg naar wensch beloond. 4. Gelijk de pijlen in de hand Eens sterken helds, die, fier en blij, Door hunne kracht zijn weêrpartij Doet zwichten voor zijn' tegenstand; Zoo zijn ook, 359 VRVAVAVE tot HOAUKORVAVAVANVIVES AVAN ( TATA! KTA 360 L VANAVAN AVIVANCE PSALM 127, 128. tot der vaadren vreugd, De brave zonen hunner jeugd. f 5. Welzalig hij, die, als een held, Deez' pijlen in zijn' koker gaart, En zijne zonen ziet gespaard; Zii zullen, schaamrood noch ontsteld, Het hoofd den weerpartijdren biên, En in de poort voor hen niet vliên. PSALM 128. mag men zalig heeten, Dien' s HEEREN vrees bekoort; Die, met een goed geweten, Steeds wandelt naar zijn woord. Gij zult uw nooddruft vinden Door d' arbeid van uw hand; Wat g'u moogt onderwinden, Komt, naar uw' wensch, tot stand. 2. Uw echtvriendin zal bloeijen Gelijk een wijnstok tiert, Die, vruchtrijk onder' t groeijen, Uw' huismuur dekt en siert. Niets zal uw welvaart stuiten; Uw kroost zal blij en frisch, Als groen' olijvenspruiten, Versieren uwen disch. 3. Dit lot is u beschoren, Zoo gij, met diep ontzag, Naar' s HEEREN wet blijft hooren; Voor u MORVAUHUR u zal, dag aan dag, jen. PSALM 128, 129. lem zien bloeijen,' t Welk God zijn' zegen geeft. aan, 4. Blijft gij op Hem betrouwen, Dan zult gij, op uw beê, len; Het heil uit Zion vloei' t Kroost van uw kroost aanschouwen. In Israël zij vree. Gij zult, zoo lang gij leeft, Jeruzadaan; PSALM 129. en heeft mij fel benaauwd van jongs af is, Zegg' Isrel nu! men juichte, toen wij vieMen heeft mij reeds van jongs af leed geGeen overmagt kon m' echter ooit vernielen. 2. Men heeft mijn' rug door ploegers diep geploegd; Die hebben wreed hun voren lang getogen, En smart bij smart tot mijn verderf gevoegd, Voor' t kermen doof, en wars van mededoogen. 3. De HEER, die goed, doch ook regtvaardig Hieuw gunstig af der goddeloozen touwen. Dat smaad hen treff', en dat hun aanslag miss'; 361 Drijf hen terug, die Zion rampen brouwen. 4. Maak HURT VAVAVAVAVAVAVAVAVIM iviviviviviv NANANANANANANANA 362 4. Maak hen gelijk aan' t ligtverdorrend gras, Dat hier en ginds gezien wordt op de daDat, eer men' t plukt', alree verwellekt ken; was, 5. Maak nooit, PSALM 129, 130. Ontbloot van grond om wortels in te maken. z' als dat gras, waarmee de maaijer Wij Wanneer hij gaart, de nijvre hand zal vullen; Dat in den oogst geen garvenbinders ooit, Bij één gepakt, in d' armen dragen 6. Waarvan ook geen voorbijgaand wandelaar zeggen zal: ' S HEEREN God will' uw' oogst vermeêren, Dat gunst zich met uw arbeid paar'! u zegenen zullen. in den naam des HEEREN! PSALM 130. Ooit it diepten van ellenden, Roep ik, met mond en hart, Tot U, die heil kunt zenden: O HEER! aanschouw mijn smart; Wil naar mijn smeekstem hooren! Merk op mijn jammerklagt; Verleen mij gunstig' ooren, Daar' k in mijn' druk versmacht. 2. Zoo MORVAUHURVA 2. Zoo Gij in' t regt wilt treden, en gadeslaan Onz' ongeregtigheden; Ach! wie ving PSALM 130, 131. zal dan bestaan? Maar neen, daar is verge0 HEER! Altijd bij U geweest; Dies wordt Gij, Heer! met beving, Regt kinderlijk gevreesd. 3. Ik blijf den HEER verwachten; Mijn ziel en zorgen, wacht ongestoord. Ik hoop, in al mijn klagten, Op zijn onfeilbaar woord. Mijn ziel, vol angst M ters op den morgen; Den morgen. Ach! wanneer? 4. Hoopt op den HEER, gij vromen! Is Isregtigheden. Wacht sterker op den Heer, Dan wachraël in nood, Er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot. Hij maakt, op hun ge$ 11 J beden, Gansch Israël eens vrij Van ongeZoo doe Hij ook aan mij! PSALM 131. ijn hart verheft zich niet, o HEER! Mijn oogen 363 zijn niet hoog;' k verkeer, Ik wandel niet in' t geen HAT VivaViVIVAVAVANAMAMANAVIVAM VANANAAVANAVINAVIAN 364 L geen te groot, Te vreemd is voor uw' gunstgenoot. 2. Heb ik gespeend, ELE verloochend naar uw wet, Gelijk het pas ge4. Dat speende kind Zich stil bij zijne moeder vindt? 3. Mijn ziel, die naar den vrede haakt, mijn ziel niet PSALM 131, 132. rend ongenoegen wraakt Is in mij als een kind G Isrel op in zijn beleid, stil gezet, en mond En heeft zich met uw' wil veréénd. hoop op Gods ontferming bouw', den HEER U plegtig deed; den duur gezworen eed, En mij En' t morvertrouw', PSALM 132. edenk aan David, aan zijn leed! Dien eed, Van nu tot in all' eeuwigheid! Zijn En stil berust' Gedenk Dien hij, o HEER! waarmeê zijn hart Aan Jakobs God zich dus verbond: 2. ,, Zoo ik in mijne woning tree, Of klimm' op mijne leZoo ik de ,, gerstee, Zoo ik ter nachtrust ga in vreê; ,, sluimring zelfs geheng', Tot dat ik dezen eed volbreng": 3. ,, To 3. ,, Tot ik een rustplaats voor den HEER Gevonden hebb' te ,, zijner eer, Daar Jakobs Magtige verkeer', En Hij, naar ,, mijn gemaakt bestek, Zijn vaste woningen betrekk'!" 4. Ziet,' t blij gerucht der Ark liep voort, En AVAUHAVAVA werd in Efrata gehoord; Wij vonden haar in Jaars oord, Kiriath, 5. Wij gen PSALM 132. 9 U In' t boschrijk veld van Dat God dusver verkoren had. liet, zullen in zijn woning gaan, Ons bui$ daar zijn troon zal staan, voor zijn voetbank aan. Sta op tot uwe rust, met geregtigheid! O HEER! Met d' Arke van uw sterkt' en eer! 6. Bekleed, o hoogste Majesteit! En bidden Uw gunstvolk juich', door Uw Priesters geleid! Versmaad hem, dien Gij zalven 7. Tot staving van de waarheid, deed Om uwen knecht, om David niet. PAUZE. die van geen wanklen weet, 365 De HEER, Aan David eenen HAT AVANANANINVANINANAVAVV TATATATATATATA TATAY 366 eenen ,, uwen 10. duren eed. PSALM 132. ,, Ik 6 8. ,, Houdt uw geslacht mijn heilverbond, Zoon Eens zetten op uw glorietroon! ' t vast getuignis van mijn' mond, 59 ,, die zal( dus sprak Hij), ,, hen leer ten allen stond; Dan is hun' t rijkszijn woning hoog vereerd; ,, bestuur bereid, Op uwen troon, in eeuwigheid!" 9. Want Zion is van God begeerd,' t Wordt met het al beheert), En Die ik , nen naam ten prijz', ,, Hier( sprak Hij, ' k Zal Zions,' k zal der armen spijz', "" Hier zal Ik wonen ,, naar mijn' lust; Hier is in eeuwigheid mijn rust! ,, zeegnen op de ruimste wijz'; Hier zal Ik, mijHier 11. ,, Daar zal Ik David, door mijn kracht, De Priesters met mijn ,, heil bekleên, En' t volk doen juichen wel te vreên. Een ,, hoorn van rijkdom, eer en magt Doen rij,, zen uit zijn nageslacht;' k Heb mijn' gezalfden ,, knecht een licht, Een heldre lampe toegerigt. 12. ,, Wat 7HV 12. ,, Wat vijand tegen mij zich kant', Mijn hand, PSALM 132, 133. ,, mijn onweerstaanbre hand Zal hem bekleên met. ,, schaamt' en schand'; Maar eeuwig bloeit de glo,, riekroon Op' t hoofd van Davids grooten Zoon." PSALM 133. i ziet! hoe goed, hoe lieflijk is' t, dat zonen Van' t zelfde huis, als broeders, zamen wonen, Daar ' t liefdevuur niet wordt verdoofd!' t Is als de zalf op' s Hoogepriesters hoofd, De zalf, waarmee hij is aan God gewijd, Die door haar' reuk het hart verblijdt. 2. Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen, Als d' olie, die, van Arons hoofd gedropen, Zijn' baard en kleederzoom doortrekt. Z' is als de dauw, die HerE mons kruin bedekt, Die Zions top met vruchtbaar Daar vocht besproeit, En op zijn bergen nedervloeit. 3. Waar liefde woont, gebiedt de HEER den zegen; woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen, 367 En' t leven tot in eeuwigheid! PSALM HAL Ves AVANAVAVAVivivivivivi PATAL VAAMAAVIAZA AVANANANA 368 knechten! geeft Hem eer; Gij, die des nachts zijn huis bewaakt, En voor zijn dienst in ijver blaakt! 2. Heft uwe handen naar omhoog; neêr; # PSALM 134, 135. PSALM 134. heiligdom uw oog, En knielt eerbiedig voor Hem Looft, looft nu naam ter eer. bod, Gij, zijne 3. Dat' s HEEREN zegen op u daal', Zijn gunst Slaat naar het aller heeren uit Zion u bestraal'! Hij schiep' t heelal, zijn' Looft, looft dan aller heeren HEER! PSALM 135. rijst den naam van uwen God,' S HEEREN knechten! hier vergaârd. Prijst zijn' naam en wijs geHEER! Daar g' in' t voorhof staat geschaard, dom geschikt; 2. God is goed! looft Hem te zaam; Want de HEER heeft Israël ambt bekleedt met eer In het huis van onzen HEER. En uw zang en snarenspel; Prijst zijn' lieffelijken naam: Met geZich ten eigenJakob door zijn heil verkwikt. 3. God 3. God is groot! ik weet, dat Hij alle goon. AVAAR zee beheerscht van zijnen troon Hemel, afgrond, 用 PSALM 135. Onze God voert heerschappij! Hij 4.' t Eind der aard' werpt dampen uit Door Gods magt, die' t al volbrengt, En met' s donders schor geluid Bliksemvuur en regen mengt; God brengt en aard'. God is aller hulde waard! gen naam ter eer, HURVAVA winden, door één woord, Uit zijn schatgewelven voort. alom, Hooger is dan 5. God, die vreeslijk is en groot, Sloeg, zijn' heilX van Velde vee en menschen neêr; Daar Hij teeknen schen Kananiet van zijn kracht Over gansch Egypte bragt. 6. Hij verbaasde Faro's hof; Sloeg de volkeren hon, Og, en' t vorstendom Alle d' eerstgeboornen dood; hunnen staat; Wierp de koningen in' t stof; SiB Van den trot7. Isrel kwam door' s Hoogsten hand In' t bezit En den stouten Amoriet. God gaf hun gezegend 24 369 land RURVAVE SURVIVE VIVIM Jivivivivivivivil TATALAN ANINAVINAAMAL 370 land Tot een erf aan Jakobs zaad. uw naam en majesteit 8. Van geslachte tot geslacht' 9. D' afgoon van PSALM 135. goon in schijn, duren pligt, Bij het volk uw gunst herdacht; Gij zelf, 0 HEER! hen rigt, 10. Ooren ziet PAUZE. hulp genaakt Blijven tot in eeuwigheid. schoon diep in schuld, Met berouw gedenken zult. 11. Israëllers, hooren er niet mee; Wordt, naar men aan God der eer! looft HEER! Zij, die' t werk van menschen zijn, E geenen geest in vindt, Hebben oogen, maar zijn blind. hoofd, Maar zij Zij, van ademtogt beroofd, Zijn nog minder dan het vee. het Heidendom, Goud of zilver, hun En aan Hebben lippen, maar zijn stom; onzen Wijl al t' zaam hen, Huis van Levi, looft den HEER! Daar men Worde hun gelijk gemaakt. Die tot hen om Uwen God, den Looft, Aärons huis, zijn' naam! Looft, gij allen, AVA HRVA die Hem vreest, PSALM 135, 136. Looft Hem met verheugden geest! 12. Zion, loof met dankbre stem God, uw' HEER, die eeuwig leeft, En het schoon Jeruzalem alom HURUFURURAT Door zijn woning luister geeft! Loof Hem voor uw heilrijk lot; Loof al juichend uwen God! PSALM 136. L ooft den HEER, want Hij is goed; Looft Hem met een blij gemoed; Want zijn gunst, verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! 2. Looft den grooten God, wiens troon ger rijst dan die der goôn; Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! rig voor Hem neêr; 3. Looft der heeren Opperheer, Buigt u needHoo4. Looft Gods magt, die, onbeperkt, looze wondren werkt; Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! GadeWant zijn gunst, 371 alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! 24* 5. Looft ViVidiVives AANANANAKAWAAMAAVAA iviviviviviviviv TATAY 372 在 5. Looft Gods wijsheid; door zijn woord Hij al de heemlen alom verspreid, alom 6. D' aard' hief uit der waatren schoot 7. God lichten, rijk 8. Aan verspreid, hoog, toen' t God gebood; Want zijn gunst, alom verspreid, alom 9. Maan PSALM 136. de aan schiep zon heerschappij bij 10. Looft verspreid, voort; Want zijn gunst, Zal bestaan in van glans; Hem, alom verspreid, schonk Zal bestaan in eeuwigheid! $ hemels des 383 Zal bestaan in sterren, en dag; Hij heerschappij bij nacht; in' t eerstgeboren Gods die trans eeuwigheid! Zich Bragt Want zijn gezag zaad; omGroote gunst, eeuwigheid! Zal bestaan in eeuwigheid. min in pracht, Schonk Egypte's Staat D' opperWant zijn gunst, Zal bestaan in eeuwigheid! 1. PAUZE. Want zijn gunst, Sloeg Want zijn gunst, OHVAHURAAVA alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! 11. Looft den Heer, wiens heerschappij alom rel voerd' uit slavernij; Want zijn gunst, PSALM 136. 12. Looft den Heer, wiens sterke hand rel leidd' uit Faro's land; verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! 13. Looft Hem, die het Roode meir verdeeld voor Mozes heir; 14. Die, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! 15. Die raëls geleider was; om alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! door door dien verdeelden plas, zee t' onderbragt; vorst Faro's legermagt verspreid, IsWant zijn gunst, Zal alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! 16. Die zijn volk, als bij IsWant zijn woestijn en zand; TE Want zijn gunst, Heeft Isde hand, gunst, Want zijn gunst, alIn de Schelfbestaan in eeuwigheid! Leidde Want zijn gunst, 373 347 RUHVAT Vivives JAVAVAVAVIV RVIVAVIVAviviviviv VANANAL TATAY FAHAMAVA 374 alom 17. Die, gen alom 18. Die alom alom 20. Looft verspreid, om 21. Die heeft neêrgeveld; tot wering van verspreid, om doen smoren in hun bloed; Want zijn gunst, PSALM 136. verspreid, grootschen zetel stiet; 19. Looft Hem, die den Amoriet Zal bestaan in eeuwigheid! 22. Looft de Vorsten, trotsch van moed, Heeft Koning t' onderbragt; verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! verspreid, Hem. ' t geweld, Zal bestaan in eeuwigheid! 2. PAUZE. Hem, wiens geduchte magt raël heeft toegedeeld; hun land, dat nu Want zijn gunst, verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid! Zal KoninZal Want zijn gunst, bestaan in Van bestaan in zijn' Want zijn gunst, aldie erfenis, Bazans d' oogen streelt 9 Want zijn gunst, aleeuwigheid! Naar Iseeuwigheid! zijn woord MORVAUHAVAAJA om woord, bevestigd is; Want zijn gunst, al23. Die, in om 24. Die verspreid, dig bood de hand; verspreid, alom PSALM 136, 137. onzen ons, om verspreid, om W ' s vijands magt gerukt; Zal bestaan in lagen stand, men Zal onder' t leed gebukt, aller schepslen Heer'; verspreid, bestaan 25. Looft Hem, looft Hem, al wat leeft! verspreid, Zal in Want zijn gunst, al26. Geeft den God des hemels eer! AURUAVAVAUHVAT eeuwigheid! Ons bestaan in ' t vleesch zijn voedsel geeft; Want zijn gunst, Zal bestaan in eeuwigheid! Zal bestaan in PSALM 137. genaWant zijn gunst, aleeuwigheid! Heeft 375 uit Die al 9 eeuwigheid! Want zijn gunst, alLof zij Elk stortte daar zijn bittre jammerklagt, eeuwigheid! zaten neêr, wij weenden langs de zooVan Bábylons wijd uitgebreide stroomen; Als hij VIVIM ANANANTAINAAMAUVAVANA ViVa AVAVAVAVA TATAY 376 E hij met smart aan' t heilig Zion dacht! wars van vreugd' en vrolijke gezangen, daar ' t Gevangen Dat PSALM 137. 2. De vijand dorst, bij al ons leed, ons tergen; X volk, in zijne jammren, vergen, En zijn harp aan sombre wilgen hangen. elk zijn hart, regterhand, niet een gezang uit Zions liedren zong! Hoe zou ( zeid' elk), ons, die in rampen zwoegen, In' t vreemd gewest een lied des HEEREN voegen? 3. Jeruzalem! dat, ZOO ik u vergete, van schoon overstelpt, bedwong, mijne tong aan mijn gehemelt' kleev', 4. Gedenk, zich zelve wete! ik u niet steeds mijn achting geev'; of leed mijn hart van Zion scheure, Dien bittren Elk, Gods Stad mijn hoogste vreugd niet Liet HEER! 0 dag, ZOO vol Mijn Dat Indien Zoo ramp En ik gedenk aan d' Edomiten, keure! Aan Salems dag, toen wij ons land verlieten; van grievend leed. Ge MORVAUHURVAVA PSALM 137, 138. Gedenk aan hen, die zoo ontaard en wreed zeiden, toen z' ons zagen overvallen: ,, Ont5. O Bábylon! wij zien eerlang u straffen. ,, bloot, ontbloot ten grondslag toe hun wallen!" kig hij, die u zal loon verschaffen; Z AUFURURVAVAR Die u ver* die geldt al wat g' ons hebt misdaan! Gelukkig hij, Nog u ter neêr zal slaan, Uw kinderkens zal grijpen, o zen! D gij trotschen! En wreedelijk verplettren aan de rotsen. PSALM 138. paleis, al met mijn gansche hart uw eer Gelukden, Heer! U dank bewijzen;' k Zal U in' t midden van de goon, Op hoogen toon, Met psalmen prij377 waarheid zaam, VermelIk zal mij buigen, op uw' eisch, Naar uw Het hof der ho- ven; En, om uw gunst en Uw grooten naam Eerbiedig loven. 2. Door al uw deugden aangespoord, Hebt Gij uw woord En trouw verheven; Gij hebt mijn ziel, op haar gebed, Verhoord, gered, Haar kracht gegeven. AI ' s aard JAVAVAVAVIVIM A Vivivivivivivivi ATATAY ANAVAVAVA 378 ' s aardrijks vorsten zullen, HEER! Uw' lof en eer Alom doen hoo- ren; Wanneer de rede van uw' PSALM 138, 139. mond, Op' t wereldrond, Hun klinkt in d' ooren. $ 3. Dan zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd, Van' s HEEREN wegen; Want groot is ' S HEEREN heerlijkheid, Zijn Majesteit Ten top gestegen; Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, Op hen het oog, Die needrig knie- len; Maar ziet van ver met gramschap aan Den ijdlen waan Der trotsche zielen. 4. Als ik, omringd door tegenspoed, Bezwijken moet; Schenkt Gij mij leven; Is' t, dat mijns vijands gramschap brandt, Uw regterhand Zal redding geven. De HEER is zoo getrouw als sterk; zijn werk Nie Hij zal Voor mij volen- den! Verlaat niet wat uw hand begon, O Levensbron! Wil bijstand zenden! PSALM 139. iets is, o Oppermajesteit! Bedekt voor uw alwetendheid. Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daân, Gij MORVAUHIRVA Gij weet mijn zitten en mijn staan; Wat ik beraad', E of wil betrachten, Gij kent van verre mijn gedachten. 2. G'omringt mijn gaan en liggen, Gij, altoos nevens mij. Uw onbepaalde wetenschap 4. Waar mijnen weg van stap tot stap. Geen woord is nog mijn zou m' PSALM 139. tong ontgleden, of Gij, Gij weet alreeds mijn reden. 3. Gij hebt van achtren mij bezet Vooruit wordt mij de vlugt belet; Ik word bepaald door uwe hand. Hoe zou ik, met mijn zwak verstand, Naar uwe won9 dre kennis streven? Z' is mij te groot, te hoog verheven! zou neder, VAVAVAVRURAT ik O Heer! zijt o Heer! uwen Geest ontvliên? op naar' s hemels trans, Kent Daar zijt Gij, 379 uw oog niet zien? Al voer ik Waar vertoont G'uw' glans! Al daald' ik zelfs ter helle daar Daar vond ik ook uw aanschijn weder! plaats van mijne legerstee; Dáár zoud' ook 5. Al nam ik van den dageraad De vleugelen des #E lichts te baat; Al waar' aan' t uiterste der zee De uwe hand Viviviviv FARVAVAVAV 380 hand mij leiden, Uw regterhand niet van mij scheiden! 6. Indien ik zeg: ,, de donkerheid Bedekt mij voor ,, uw majesteit!" Dan is de nacht een helder licht, Dat mij ontdekt aan uw gezigt. Voor U, o Heer! is ' t aaklig duister Den dag gelijk in glans en luister. * 7. Gij hebt mijn gansch gestel doorgrond, PSALM 139. vóór mijn eersten levensstond. dre magt, boven; zend voortgebragt. Op' t nagaan van uw wonB 9. Gij Ik ben verbaMijn' Sla ik verrukt het Zelfs oog 8. Mijn ziel bepeinst uw wonderdaân, Die al' t begrip te hebt, ' k Zal U, mijn' Schepper! altoos loven. 47-27139 PAUZE. boven gaan. Uw oog heeft mijn gebeent' verzeld, Toen ik, verborgen zaamgesteld Als een borduursel, lag naar verscholen; Van mij was niets voor U verholen. ongevormden klomp beschouwd; wijl niets uw oog weerhoudt, Ja, Gij, wiens wijsheid nimmer faalt! Hadt mijn' ge MORVAUH HAH geboortestond bepaald; Eer iets van mij begon E te leven, 100 PSALM 139. ADE 10. Hoe dierbaar zijn m' uw wonderdaân! Zij zijn onmoogbepalen. lijk na te gaan; Hoe menigvuldig zijn z', o Heer! Zou ik die tellen?' k zou veeleer' t Getal der korlen zands 100 Was alles in uw boek geschreven. Uw wondren zijn niet af te malen. 11. Wanneer ik in den nacht ontwaak, Ben ik bij U, mijn zielvermaak! O God! laat door uw groote magt De boozen worden omgebragt; Doe, doe hen voor uw' arm bezwij ken, Gij, bloedvergieters! gij moet wijken. 12. Stel hunnen hoogmoed perk en paal! Zij honen U door snoode taal; Z' ontzien zich niet U, t'allen stond', LO Te lasteren met hart en mond, Daar zij, ten spot van 381 uw vermogen, Al uwer haatren trots verhoogen. 13. Zou' k hen niet haten in mijn hart, Wier snoode haat komen haten, uw goedheid tart? Zou ik hen, die U weerstand biên, Niet met verdrietig' oogen zien? ' k Zal hen altijd volAVAHVAL Die trotschlijk uwe dienst verlaten. 14. DoorAIAIAIAIAIRLAVAVAVA DAURORY VIVIM AVANANA iviviviviv TATAY MAAHAMAVIN 382 PSALM 139, 140. 14. Doorgrond m', en ken mijn hart, o Heer! denk niet tot uw eer? Beproef m', en zie, of mijn gemoed lets kwaads, iets onbehoorlijks voed'; En doe mij toch met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden! PSALM 140. HEER! verlos mij uit de banden, de booze mij beknelt; Behoed mij voor des wreed2. Red mij van hen, die kwaad bedenken, aards handen, Voor dwinglandij en woest geweld! Is' t geen ik mijne gangen, lijks zamen zich beraân, Om mij door' t oorlogs9 3. Hun tongen scherpen zij als slangen; zwaard te krenken En t' eenemaal ter neêr te slaan. den valschheid en bedrog; Waarin o Regter van' t heelal! Die daagZij passen loos op Met monden vol van adderspog. Zij sme4. Bescherm mij voor de goddeloozen, O HEER! 5. De trotschen, nijdig om mijn' zegen, o m Verlos mij van' t geweld der boozen! Die niets bedoelen dan mijn' val! Belagen mij mij met koord en net; pued Zij hebben heimlijk op de wegen PSALM 140. Voor mij een' valstrik uitgezet. 6. Ik dacht in mijn verdriet te smoren'; Dies riep ik: HEER! Gij zijt mijn God! Neem mijne smeekingen ter ooren; Verzacht in' t eind mijn droevig lot! PAUZE. 7. O HEER, mijn rotssteen, mijne sterkte! mij steeds tot heil verstrekt, En in den strijd, daar' t Gij hebt elk bemerkte, Mijn hoofd, als met een schild, bedekt. 8. Laat nooit des boozen wensch gelukken, Maar stuit hem, eer zijn hand mij treff'; Verhinder zijne gruwelstukken, Opdat hij zich niet trotsch verheff'! 9. Doe tot vergelding, Heer der heeren! Op mijner haatren moedig hoofd, Den smaad der lippen wederkeeren, Die mij van al mijn eer berooft! kuilen storten, 10. Schud, daar zij dus mijn' roem verkorten, Schud vuurge kolen op hen uit; Laat hen in' t vuur, in Geef hen aan' t nare graf' ten buit! 883 11. Een HURVAL URTAURVAVAVAV AVAL INAVININ ivivivivivi TATAY VANINAVVIVAAMAVAM 384 11. Een lasteraar, een leugenspreker aard' bevestigd zijn; ' k onrustkweeker, Tot dat hij uit elks oog verdwijn'. 12. Ik weet, dat God, getrouw in' t rigten, armen regtzaak, daar hij schreit, Hoe valsch hem d' ontrouw moog' betigten, Beslissen zal naar billijkheid. uw PSALM 140, 141. 13. De vromen zullen U verhoogen, Gezegend door oogen R haast Men jaag' een' twist- en milde hand. D' opregten zullen Zal nooit op PSALM 141. toegerigt; voor 2. Mijn beê, met opgeheven handen, Steeds bloeijen in gewenschten stand. Des oep, HEER! in angst tot U gevloden: Ai! tot mijn hulp en red; Hoor naar de stem van mijn gebed, Daar ik U aanroep in mijn nooden! uw uw heilig aangezigt, Als reukwerk, Klimm' voor 3. Zet, HEER! een wacht voor mijne lippen; voor U Als offers, die des avonds branden! Behoed de deuren van mijn' mond, Opdat ik mij, tot gee MOHVAUHURVAVAVA PSALM 141. geenen stond, Iets onbedachtzaams laat' ontglippen. 4. Neig nooit mijn hart tot kwade zaken, Om tot godloosheid mij te spoên, Met mannen, die verkeerdheên doen: Laat mij hun lekkernij niet smaken! 5. D' opregte sla mij zonder vreezen, zulks weldadigheid; En zijn bestraffing, die Ik reken niet vleit, Zal olie op mijn' schedel wezen. PAUZE. 6. Dat slaan zal mij het hoofd niet breken;' k Zal, door dat liefdeblijk vermaakt, Als één uit hen in acht op gaf, rampspoed raakt, Te vuurger om zijn redding smeeken. 7.' k Heb hunne Regters vrij gelaten; De rots getuigt, elk heeft gehoord, Hoe aangenaam mijn vriendlijk woord Was ingerigt tot die mij haten. 8. Men heeft ons wreed van één gereten, Verstrooid & als beenders aan het graf: Als iets, daar niemand Gekloofd, verdeeld, en weggesmeten. 25 385 9. Doch op U zien mijn schreijend' oogen; Op U beUHVAT URTAURORVAVAVAD NAVIVAN Viviviviv TATAY HAVANAVAAHAVAVAVAVAN 386 betrouw ik in' t verdriet. PSALM 141, 142. mijn ziel toch niet, O HEER! o eeuwig Alvermogen! 10. Bewaar mij voor' t geweld der strikken, mijn' val mij zijn gelegd, hunner in zijn garen vall'; hinderd, zal van' t heilig regt, Het booze doen all' oogenblikken. 11. Dat, die godloos zijn, siddrend vreezen, TK R Verlaat, ontbloot Door hen, die, wars en riep vol angst tot Hem. Die tot Voorbijgegaan en veilig wezen. PSALM 142. Elk Tot dat ik, onveriep tot den HEER met luidcr stem; Ik smeekt' mijn geest in mij bezweek, ' k Heb, voor zijn aangezigt, mijn klagt In mijn benaauwdheid voortgebragt. 2. Als mij geen hulp of uitkomst bleek; 4 3. Zij hebben, vol arglistigheid, Wanneer En overstelpt was door ellend', Hebt Gij, o Heer! mijn pad gekend. Een' strik op mijnen weg gespreid.' k Zag uit, in nood, ter regterhand, Maar vond noch vriend, noch onderstand. 4.' k Wou CAVAUHURVA 4.' k Wou vlugten, maar kon nergens heen, Zoo dat PSALM 142, 143. mijn dood voorhanden scheen, En alle hoop mij gansch ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel. Gij zijt mijn 5. Ik riep tot U, ik zeid': o HEER! toevlugt, sterkt' en eer, leef, mijn deel, Mijn God, wien ik mij aanbeveel! 6. Hoor mijn geschrei!' k Ben uitgeteerd, Door mijn vervolgers overheerd. den nood, Gij zijt, zoo lang ik Ei! help en red mij uit Want hunne magt is mij te groot! 7. Voer mij uit mijn gevangenis, gezworen; naams, die heerlijk is! Dat mij' t regtvaardig volk omring', En vrolijk van uw weldaân zing'. PSALM 143. o Oppermajesteit! HEER! wil mijn gebeden hooren; Neig tot mijn smeeken gunstig' ooren, Tot roem uws Verhoor m', Om uwe trouw, aan mij FURURUHVATA 387 Verhoor m' om uw geregtigheid! 2. Wil uwen knecht, door schuld verslagen, 0 25* Heer! ORORVAVAVVIVE Vivivivivivivivivivi ATATATATATAY VINNINGAHAMAV 388 Heer! niet voor uw vierschaar dagen; niemand zal in dat gerigt, Daar zelfs zijn hart hem voor aan moet klagen, Regtvaardig zijn voor uw gezigt! 3. Ik zie mijn ziel vervolgd door snooden; het stof vertreên; PSALM 143. 4. Dit overstelpt mijn' 19 ' s vijands haat gevloden, Mijn leven afg folterd hart. ik mijn deerlijk lot beschouwe, trouwe, 5. Ik lijk de dooden, Omringd van nare duisterheên. denk, U evenaren? Ik met geest ziel is voor in' t midden God! Algoede lig, helaas! der aan uw gunst van vroeger jaren; Want genees mijn dor, een dorstig land, Ik zie, rouwe; Gij weet, dat ik op U begevaren, uw alziend' oogen, 6. Ik hef mijn handen naar den hoogen; in geBezwijkt mijn Als uw werken na te gaan. O God! wie kan smart! Nog Hoe heerlijk zijn uw wonderdaân! Ik tracht Mijn Gelijk een Dat sedert lang ligt uit CAVAVHIRVA 7. HEER! doe AVIVAVE PSALM 143.2 uit te droogen, Verkwijnend' in dien doodschen stand. PAUZE. mij spoedig adem halen; Wil mijn' bezweken geest bestralen; Verberg m' uw vriendlijk aanschijn niet; Ik zal eerlang ten grave dalen, Indien Gij mij geen' bijstand biedt! 8. Laat mij uw dierbre goedheid prijzen, Wanneer ik' t morgenlicht zie rijzen;' k Betrouw op U in mijn ellend'. Wil mij het ware heilspoor wijzen; Mijn ziel heeft zich tot U gewend! 9. O HEER, mijn toevlugt! hoor mij klagen: los mij uit des vijands lagen; Red mij van hen, die mij vertreên! Ik schuil, in mijn benaauwde dagen, Bij U, mijn God! bij U alleen. 10. Leer mij, o God van zaligheden! Mijn leven Verin uw dienst besteden; Gij zijt mijn God, 389 vat Gij mijn hand! Uw goede Geest bestier' mijn schreden, En leid' mij in een effen land! 11. Laat VAHVAL ViviviviviVAVAVAVIVI VIVIVIM TATAY VANK MAHARVAVAGNA 390 5 11. Laat mij, om PSALM 143, 144. uwe gunst mij niet begeven; uwes naams wil, leven; ziel, die tot U schreit, G heid zijn ontheven; Red mij om uw geregtigheid! 12. Laat nooit mijns vijands wensch gelukken; Schenk Laat mijne Van haar benaauwdz' allen uit, die mij doen bukken, Om uwe gunst, mij toegezegd. Verdelg hen, die mijn ziel ver¥ drukken; Want ik, o Heer! ik ben uw knecht! PSALM 144. ezegend zij de HEER, die t' allen tijde tot den krijg mijn vingers toebereid; burg, mijn goedertierenheid, rotssteen is, mijn handen leert ten strijde, schild, op wiens vermogen Roei Mijn En Mijn hooge Die mij bevrijdt; mijn Ik vast vertrouw, wiens arm mij wil verhoogen; Die heerschappij, en roem, en sterkte geeft, En die mijn volk mij onderworpen heeft! 2. Wat is de mensch? wat is in hem te prijzen? Dat Gij, O HEER! hem gunsten wilt bewijzen; Dat Gij hem kent? MAVAHIRVA AVAVAVA kent? Wat is des menschen kind, Dat Gij het acht, 5 PSALM 144. en zoo getrouw bemint? Hij mag den naam van IJdelheid wel dragen; Zijn tijd is kort, en al aarde zij, zijn levensdagen, Hoe groot, hoe sterk hij op deez' Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorbij. 3. Daal neder; neig, in gramschap fel ontstoken, Uw heemlen; raak de bergen, dat zij rooken, En bliksem, HEER! uw bliksems op den grond; Verstrooi hen; zend uw pijlen uit in' t rond; Verniel hen; steek uw handen uit den hoogen; Ontzet mij: toon uw godlijk alvermogen, En ruk mij uit een zee van ramp en nood! Der vreemden hand dreigt mij een' wissen dood. 4. Hun mond is vol van lastren en van liegen; Hun regterhand bevlekt zich met bedriegen. Ik heilig U, na al mijn zielverdriet, Getrouwe God! een nieuw en vrolijk lied. Ook zal mijn luit en harp van U niet zwijgen, Die koningen de zege doet 391 verkrijgen, Die uwen knecht, die David gunstig redt, RURAL VivivivivivivivivivAVAVAVAVAVAVIVIN TATAY ANINAVINAMAMVAN 392 11 redt, En door uw' arm van' t booze zwaard ontzet. PAUZE. 5. Ontzet mij; red mij uit der vreemden handen, leugenmond mij wreevlig aan durft randen! Hun regterhand wordt door de list bestierd, Daar z' aan' t bedrog ten, PSALM 144. den ruimen teugel viert. Zoo zullen zich, als planLe sterk vertoonen; De dochters zijn, als steenen, naar den eisch Gehouwen, op de hoeken eens paleis. onze zonen, In hunne jeugd reeds groot en 6. Zoo word' in' t land de handel ruim gedreven, En Wier voorraad steeds na voorraad uitgegeven; Zoo blijk' uw gunst, die' t vee in overvloed, Bij duizend, E ja tien duizend werpen doet; Ons rundervee zij sterk en wèl geladen; Geen uitval of geen inbreuk moog' S ons schaden; Dat geen gekrijsch de rust der stad verstoor', Noch iemand daar van boozen oproer hoor'! 7. Welzalig is 50 Dit het volk, dat, dus heuglijk lot door ' s Hemels gezegend, gunst bejegent; ORVAUHUR gent; Welzalig is het volk, dat, bij' t genot Van overvloed, den HEER heeft tot zijn' God! God, PSALM 144, 145. 2. Ik zal, PSALM 145. Ik zing, verheugd, uw' grooten naam ter eer. Ik zal den roem van uwe majesteit Verhoogen tot in d' eindlooz' eeuwigheid.' k Zal dag aan dag U eer en dank bewijzen. De HEER is groot! al' t schepsel moet Hem prijzen; Zijn grootheid streeft het kloekst begrip te mijn God! Gij aller versten Heer! boven. Laat elk geslacht zijn werk en almagt loven! 0 Heer! dien ik mijn' Koning noem, Den luister van uw majesteit en roem Verbreiden, en uw wonderlijke daân Met diep ontzag aanlofzang paren, dachtig gadeslaan. Elks juichend hart zal uw geducht vermogen, De groote kracht van uwen arm verhoogen; Ik zal mijn stem met aller En overal uw grootheid openbaren. 393 3. Zij zullen, uit de volheid van' t gemoed, GedachRURVAL invives Diviviviviviv. ATAY ANANANINVANHAVA 394 dachtig aan den milden overvloed regtigheên. PSALM 145. die roemen bij elk een', En juichen van al uw geen weldadig, Van uwe gunst, vriendlijk, en De HEER is goed, Barmhartig, mild, langmoedig en genadig! Hij doet zijn gunst aan allen klaar bemerken; Zijn goedheid is verspreid op al zijn werken. PAUZE. heven, 4. Al wat Gij wrocht, zal juichen tot uw eer; Uw gunstvolk zal, verblijd, U zeegnen, HEER! En roemen van uw koningrijk, uw magt, Uw heerlijkheid en goddelijke kracht; Om, waar zich' t hart ooit voelt in leerzucht blaken, Uw heerlijkheid, uw magt bekend te maken, En d' eer uws rijks, zoo groet, zoo hoog verVoor aller oor, den hoogsten roem te geven. 5. Uw heerschappij verduurt zelfs d' eeuwigheid. Uw koningrijk is eindloos uitgebreid. Gij ondersteunt hem, die voor' t onheil zwicht; Wie nederstort, wordt door U opgerigt.' t iet al op U;' t blijft alles op U wachten; MAAVAAVAA ten; PSALM 145, 146. Gij sterkt door spijs, te regter tijd hun krachten. G' ontsluit uw hand, ontfermend en welVAUVAU dadig, Opdat uw gunst al wat er leeft verzadig'. 6. De HEER is regt in al zijn' weg en werk; Zijn goedheid kent in' t gansch heelal geen perk. Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht; Hij troost het hart, dat schreijend' tot Hem vlugt; Dat, ongeveinsd, in' t midden der ellenden, Zich naar Gods troon met zijn gebeên Hem vreezen; blijft wenden. Hij geeft aen wensch van allen, die Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen. 7. De HEER bewaart de ziel, Maar Hij verdelgt dien Hij die Hem bemint; godloos bevindt. Mijn blijde tong zal roemen in den HEER, En alle vleesch zal juichen tot Gods eer. PSALM 146. rijs den HEER met blijde galmen! Gij, mijn ziel! hebt rijke stof.' k Zal, zoo lang ik leef, mijn 395 psalmen Vrolijk wijden aan zijn' lof;' k Zal, zoo lang HAT HJAUKURVAVAVISVIVES INAVININ AVINANANANNIVAHUVIVIN ATAY 393 lang ik' t licht geniet, Hem verheogen in mijn lied. 2. Vest op Prinsen geen betrouwen, UPSALM 146. wen? mer heil bij vindt! Zoudt g' uw hoop op menschen bouAls Gods hand hunn' geest ontbindt, 3. Zalig hij, die, in dit leven, Daar meu nimzij tot d' aarde weêr, Storten met hunn' aanslag neer. in' t hachlijkst lot, hulpe heeft; Hij, die, door den nood gedreven, Zich tot Hem om troost begeeft; Die zijn hoop, Keeren Jakobs God ter die Hem verbeidt, 4.' t Is de HEER, wiens alvermogen barmen, Vestigt op den HEER, zijn' God. heeft voortgebragt; Die, genadig, uit den hoogen Ziet, wie op zijn' bijstand wacht, En aan elk, ' t Groot heelal Trouwe houdt in eeuwigheid. PAUZE. 5.' t Is de HEER, die' t regt der armen, verdrukten gelden doet; Die, uit liefderijk erHongerigen mildlijk voedt; Der Die gevangnen vrijheid schenkt, En an hun ellende denkt. 6.' t Is HVA HRVAVE PSALM 146, 147. 6.' t Is de HEER, wiens mededoogen schenkt het lieflijk licht. Wie in' t stof lag neergebogen, Wordt door Hem weêr opgerigt. God, die Blinden lust in waarheid heeft, Mint hem, die regtvaardig leeft. 7.' t Is de HEER, die vreemdelingen Met een wakend oog beschouwt; Weeuw en wees, in twistgedingen En in kommer, staande houdt; Maar zijn arm, der vromen hoop, Stuit de boozen in hunn' loop. 8.' t Is de HEER van alle heeren, ter eer! PSALM 147. Zions God, geducht in magt, Die voor eeuwig zal regeren, Van geslachte tot geslacht. Zion! zing uw' God Prijs zijn grootheid, loof den Heer! 397 aat' s HEEREN lof ten hemel rijzen; Hoe goed is' t, onzen God te prijzen!' t Betaamt ons, psalmen aan te heffen, Die lieflijk zijn en harten treffen. De HEER wil ons in gunst aanschouwen; Hij wil Jeruzalem herbouwen; Vergâren en in vreê doen HRVAT AVAVAVILAVIVES Viviviviviviviv ATATAN ANANANANANAMAN 398 doen leven AVAVAVA 2. Hij heelt gebrokenen van harte, PSALM 147. Hen, die uit Isrel zijn verdreven. bindt z' in hunne smarte, Die, in hun zonden en ellenden, Tot Her zich ter genezing wenden. Hij telt het groot getal der starren, Hij gezigt op aard' verwarren; Hij roept dat talloos heir te zamen, En noemt die allen bij haar namen. bukken, 3. Zeer groot is onze Heer, vol krachten; Onpeilbaar diep zijn Gods gedachten; Daar zijn verstand, nooit af te meten, Ver overtreft al wat wij weze staand' in hun gevaren; ten. Zachtmoedigen wil Hij bewaren, En Hij veroog der volken, Bezwijken Die' t scherpst psalmen onzen God ter eere! onder Hij houdt Maar goddeloozen doet 4. Zingt beurtelings, en dankt den HEERE! d' ongelukken. Zingt Dien God, die, voor het De heemlen dekt met dikke wolken; En haar Die d' aarde eroont met gunst en zegen, besproeit met vruchtbren regen; Die' t gras, door mild' en CAVAVHIHVA en frissche droppen, Doet groeijen op de heuveltoppen. PAUZE. PSALM 147. 5. God wil al' t vee steeds spijzen, laven; Hij hoort $$ de stem der jonge raven. Hij heeft geen' lust aan ' s menschen krachten, Aan hen, die daaruit heil verwachten. De magt van' t paard en' s mans vermogen Zijn beiden nietig in zijn oogen; Aan die vertrouwen op hun beenen Wil Hij geen gunst of hulp verleenen. 6. De HE- ER betoont zijn welbehagen Aan hen, die needrig naar Hem vragen. Hem vreezen, zijne hulp verbeiden, En door zijn hand zich laten leiden; Die, hoe het ook moog' tegenloopen, Gestadig op zijn goedheid hopen. O Salem! roem den HEER der heeren; Wil uwen God, o kindren; Zion! eeren! 7. Hij wil in gunst uw heil bewerken, De grendels uwer poorten sterken, En zegent in uw land uw Hij doet geen' krijg uw' wasdom hin399 dren; Hij deelt den liefelijken vrede, Zelfs aan uw HAR Diviviviviviviviviv VINANANANNAAHAN ATAY 400 PSALM 147. uw verste grenzen mede, Met vette tarw' wil Hij u spijzen, En kroonen met zijn gunstbewijzen. The 8. Hij zendt op aarde zijn bevelen; Zijn woord loopt snel door' s werelds deelen. Hij geeft de sneeuw, om ' t land te dekken, En tot een zachte wol te strekken, Wier wondre vlokken, voor elks oogen, en wijsheid klaar betoogen; Of strooit weêr, ten bekwaGods magt men stonde, Den rijm, als stuivend' asch in' t ronde. 9. Wie zou niet voor Gods grootheid bukken? Hij werpt zijn ijs daar heen als stukken! Wie zal bestaan voor zijne koude? Daar niemand die verduren zoude, Moet rijm en ijs weêr met elkandren, Op zijn bevel, in vocht verandren; Want, waait zijn wind, de waatren vloeijen; Rivier en beek begint te groeijen. 10. Hij gaf aan Jakob zijne wetten; Deed Isrel op zijn woorden letten; Hij leerde z' in zijn wegen Die moesten zijn getuigenissen wandlen. Zoo wou Hij met geen volken handlen; En zijn verbondsge AVARVAVA PSALM 147, 148. geheimen missen. Laat dan Gods lof ten hemel rijzen! Laat al wat adem heeft Hem prijzen! PSALM 148. ooft God, zingt eeuwig' s HEEREN lof, Gij, die in' t glansrijk hemelhof, Die in de hoogste plaatsen woont, Daar God u zijn nabijheid toont! Looft Hem, gij, englen, legermagten, Die op zijn' wil en wenk blijft wachten! Looft, heldre starren, maan en zon! Looft d' Almagt, looft der lichten Bron! 2. Verbazend hof van d' Opperheer, Gij, hoogste hemel! zing zijn eer! lucht Uw dropplen Gij, wateren, die uit de t' overtreên, stort op veld en vrucht! Looft allen, looft Hem met gezangen, Hem, die u' t wezen deed ontvangen; Die u een perk, niet Gesteld heeft door all' eeuwen heen! 3. Loof, aarde! loof Gods wonderdaân! Gij, wal20 visch, grondlooz' oceaan! Gij, sneeuw en hagel, damp 401 en gloed! Gij, stormwind, die zijn' last voldoet! Gij, 26 ' berHURURLA VAVAVAVIVES VIVAVAVAVIM VINAVA MANINGARVAVAVAVA RORVAVIVI Viviviviva ATATATATATAK 402 bergen, heuvels, landen, stroomen! oppermagt, PSALM 148, 149. vrucht- en cederboomen! Looft, looft des Scheppers 4. Looft, kruipend, wild en tam gediert'! Looft, vogels! Die u uit niet heeft voortgebragt! Hem, die' t al bestiert! Gij, Koningen en Regters! zaam; Gij, Vorsten, volken! roemt Gods naam! Gij, maagden, en gij, jongelingen! sche jeugd! Gij, dierbre af zijn' lof te zingen, hoogen, Laat nimmer Eerwaarde grijsheid, frisWeest in den God uws heils verheugd! 5. Looft, looft met waar' erkentenis, Zijn' naam, hoorn, zoo vol vermogen, die hoog verheven is: Dewijl zijn wondre majesteit Door aard' en hemel is verspreid! Hij wou den Den roem van Israël verDat woont bij Hem,' t heeft zingens PSALM 149. stof; Looft God, zingt eeuwig' s HEEREN lof! ooft, looft den HEER, dien, onbedwongen, Een nieuw gezang zij toegezongen, In' t midden zijner gunste AVAVARVAR PSALM 149. stelingen, Die Hem ter eere zingen! Dat Israël, met blijden klank, Zijn' milden Schepper loov' en dank'! Dat 群 Zions kroost, met lofgejuich, Zich voor zijn' Koning buig'! 2. Laat d' ijverige tempelreijen, Op fluiten' s Hoogsten naam verbreijen, Hun psalmgezangen vrolijk paren Met trommelen en snaren, Nu God met lust zijn oogen slaat Op Jakobs uitverkoren zaad, Zachtmoedigen * zijn gunst betoont, En hen met heil bekroont! 3. Op' t heuglijkst zien zijn gunstgenooten, Door ' t heilsieraad, hun eer vergrooten; Dies mogen zij van blijdschap springen, En op hun legers zingen. Het lied, gewijd aan' s Heeren lof, Die hooger rijst dan' t hemelhof, Vervult hun keel; be hun hand aanvaart Een scherp tweesnijdend zwaard. 4. Dus wil d' Almagtig', op hun smeeken, Door hen zich aan de Heidnen wreken; by de wreevle volken straffen; Elk loon naar werk 26* Door hen 408 verAURURE livivives TA! A! AINAVANAVAVIVAVIVAVAVAVAVAVAVivio A VANHAVANAVAN 404 # verschaffen; PSALM 149, 150. L Hun Koningen in ketens slaan; Hun grooten doen in boeijen gaan, En' t regt, gelijk ' t beschreven staat, Volvoeren naar zijn' raad. 5. Zoo zal de heerlijkheid der vromen Op' t luisterrijkst te voorschijn komen; Zoo schenkt Gods goedheid hun begeeren. Lof zij den Heer der heeren! PSALM 150. ooft God, looft zijn' naam alom! Looft Hem in zijn heiligdom! Looft des Heeren groote magt, In den hemel zijner kracht! Looft Hem, om zijn mogendheden! Looft Hem, naar zoo menig blijk Van zijn heerlijk koningrijk, Voor zijn' troon en hier beneden! Ft to z 2. Looft God, met bazuingeklank! Geeft Hem eer, bewijst Hem dank! Looft Hem, met de harp en luit! Looft Hem, met de trom en fluit! Looft Hem, op uw blijde snaren! Laat zich' t orgel overal Bij het juichend vreugdgeschal, Tot des Heeren glorie, paren! 3. Looft God, naar zijn hoog bevel, Met het klinkend cim AVAVAVA PSALM 150. cimbelspel! Looft Hem, op het schel metaal Van de vro下一 lijke cimbaal! Looft den Heer! Elk moet Hem eeren; 405 Al wat geest en adem heeft! Looft den HEER, die eeu4 wig leeft! Looft, verheugd, den Heer der heeren! EINDE DER PSALMEN. par Anste AHVAL AVAN ivivivivivivi NAVINAVINAMA IVANZIV EENIGE GEZANGEN. DE TIEN GEBODEN DES HEEREN. Exod. XX: 1-17. Deut. V: 6-21. G ijn ziel! herdenk met heilig beven, Hoe God, met majesteit bekleed, Zijn wet op Horeb heeft gegeven, Daar Hij deez' woorden hooren deed: 2. ,, Ik ben de HEER, uw God en Koning! Die ,, van Egypten u bevrij', U leidend uit uw slaaf,, sche woning; Dient dan geen Goden nevens Mij! 3. ,, Voor beeldendienst zult gij u wachten! Ik ben de ,, HEER, een ijvrig God;' k Straf dien in drie en vier ,, geslachten; Maar schenk mijn' dienaars' t zaligst lot! 4. ,, Misbruikt geenszins den naam des HEEREN, Zweert ,, nimmer eenen valschen eed; Want hun, die zij,, nen naam onteeren, Is zijn getergde wraak gereed! 5. ,, Gedenkt en viert, met vee en magen, Den Sabbath, ,, na zesdaagsche vlijt; God schiep' t heelal in zoo ,, veel dagen, En heeft den Sabbath zich gewijd! 6. ,, Gij AVAVAVA DE LOFZANG VAN MARIA. 6. ,, Gij zult uw ouders needrig eeren, Opdat uw ,, God, die eeuwig leeft, Uw dagen gunstig moog' ,, vermeêren In' t land, dat zijne hand u geeft! 7. ,, Gij zult niet doodslaan, noch u wreken! Breekt nooit ,, den echt! Steelt niemands goed! Gij zult geen valsch ,, Wat ,, getuignis spreken; Bemint elk met een vroom gemoed! 8. ,, Uw hart zal nimmer iets begeeren Van alles, uws naasten is! Uw ziel zal, als uw ,, mond, God eeren, En houden zijn getuigenis!" 9. Och! of wij uw geboôn volbragten! Genâ! 0 hoogste Majesteit! Gun, door' t geloof in Chris* tus, krachten, Om die te doen uit dankbaarheid! DE LOFZANG VAN MARIA. Lukas 1: 46-55. 407 ijn ziel verheft Gods eer; Mijn geest mag VAVAHVAA blij' den Heer Mijn' Zaligmaker noemen, Die, in haar' lagen staat, Zijn dienstmaagd niet versmaadt, Maar van zijn gunst doet roemen! 2. Want iVivi ANNAHAVAVAVA 408 *** 2. Want zie, om' s Heeren daân, Zal elk geslacht voortaan, Alom mij zalig spreken; Wijl God, na ramp en leed, DE LOFZANG VAN MARIA. Mij groote dingen deed. 3. Hoe heilig is zijn naam! Laat volk bij volk te zaam' Barmhartigheid verwachten; Nu Hij de zaligheid, Voor die Hem vreest, bereidt, tig 4. Des Heeren arm is sterk; Heeft werk, Nu is zijn magt gebleken. Hij wat het hart Door al de nageslachten! Isrel op, Hij deed een krachDie hoog zijn van gevoelen, verstrooid, verward, Met alles, Dier trotschen mogt bedoelen. $ 5. Die stout zijn op hun magt, Heeft Hij versmaad, veracht, Gestooten van de troonen; Maar Hij verhoogt en # hoedt Het nederig gemoed, Waarin zijn Geest wil wonen. 6. Hij heeft, na lang geduld, Met goederen vervuld Der hongerige monden; Hij zag geen rijken aan; heeft z', in hunnen waan, Gansch ledig weggezonden. 7. Zijn goedheid klom ten top; $ Naar' t heil, zijn' knecht beschoren; Maar Hij nam zijn Ge L OHVAVAVAVA DE LOFZANG VAN ZACHARIAS. Gelijk Hij, ons ten troost, en zijn kroost, Voor eeuwig had gezworen. DE LOFZANG VAN ZACHARIAS. Lukas 1: 68-79. Aan Abram of zij den God van Israël, Den Heer, die aan Dat wil Hij ons nu schenken; zijn erfvolk dacht, En, door zijn liefderijk bestel, Verlossing heeft te weeg gebragt, Een' hoorn des heils heeft opgeregt!' t Geen Davids huis was toegezegd, wijzen mond, van' s aardrijks ochtendstond, Door der Profeten Gelijk Gods trouw, 409 Zich hiertoe aan de vaderen verbond. 2. God had hun, tot hunn' troost, gemeld, Hoe zijn HAAVALA genâ ons redden zou Van onzer haatren wreed geweld, Nu blijkt zijn onverwrikbre trouw; Nu toont Hij zijn barmhartigheid, Van ouds den vaadren toegezeid; En dat Hij wil gedenken Aan' t heilverbond, aan dien gestaafden eed, Dien Hij weleer aan Abram deed, $ Aan zijn verbond, dat van geen wanklen weet. 3. Hi AIHIATRIXBUR URUPURTAVA Ves AVAMINAVIVIN ATA KANINVAINAAMA 410 DE LOFZANG VAN ZACHARIAS. 3. Hij speld' ons, dat wij t' aller tijd, Wanneer die blijde heildag rees, Van' s vijands dienstbaar juk bevrijd, Hem dienen zouden, zonder vrees, in ware deugd. O dierbaar kind! o stof van vreugd! Geschenk van' t Alvermogen! feet, en geev' u eer! Gij treedt voor' t aanschijn van den Heer, En baant zijn' weg door leven en door leer. 4. Dus wordt des Heeren volk geleid met ons Naar' t heilig regt, Elk noem' u Gods Pronu ontstoken is, Tot kennis van de zaligheid, f hunne schuldvergiffenis; Die nooit in schooner' glans lot bewogen, ongeval t' ontslaan, verscheen Dan nu, door Gods barmhartigheên; Die, E van zond' en zon Door' t licht, dat een helder licht, doods bestraalt, In Om ons gaan, De zon des heils doet aan de kimmen staan. 5. Voor elk, die in het duister dwaalt, Een star in Jakob op doet Verstrekt deez' Dat hem in schaâuw des Op' t vredepad zijn voeten rigt! DE MORVAUHURUVA Z DE LOFZANG VAN SIMEON. DE LOFZANG VAN SIMEON. Lukas II: 29-92. 00 laat Gij, 2. Een woord, hem toegezegd, Thans henen gaan in vrede; Nu hij uw zaligheid, Zoo lang Heer! uw' knecht door hem verbeid, Gezien heeft, op zijn bede. 0 licht, Naar' t ZOO groot, ZOO schoon, Gedaald van' s hemels troon, Straalt volk bij volk in d'oogen; Terwijl' t ' t Heidendom verlicht, En Isrel zal verhoogen. HET GEBED DES HEEREN. Matth. VI: 9-13. Luk. XI: 2-4. het blind gezigt Van allerhoogste Majesteit! Die, in het rijk der heeft genoeg gedaan, heerlijkheid, De heemlen hebt tot uwen troon! Wij roepen U, in uwen Zoon, Die voor ons bo Als onzen Vader needrig aan. 2. Geheiligd word' uw naam! Ai! geef, Dat elk, 411 waar hij op aarde leev', Dien Vadernaam erkennen moog' VAHVAL VINAHARVINAI 412 HET GEBED DES HEEREN. moog'; Uw deugden roeme hemelhoog! Dat elk, als kind, aan U gelijk', En in zijn doen uw beeldtnis blijk'! 3. Uw Koningrijk koom' toch, o Heer! Ai! werp den troon des satans neer. Regeer ons door uw' Geest en Woord! Uw lof word' eens alom gehoord, En d' aarde met uw vreez' vervuld, Tot dat G' uw Rijk volmaken zult! 4. Uw wil geschied', uw wil alleen, hemel, hier beneên! Uw wil is altoos wijs en Als in den goed,' t Is Majesteit, al wat Gij doet. stil daarin berust', En uw bevelen doe met lust! Dat ieder 5. Geef heden ons ons daaglijksch brood! Betoon uw trouwe ons dan geen gebrek bedroev'; zorg in nood; Gij weet, wat elk op aard' behoev', Dat Dat nooit uw zegen 6. Vergeef ons onze schulden, Heer! van ons wijk'! Die maakt alleen ons blijd' en rijk. Wij schonden al te snood uw eer; De boosheid kleeft ons altijd aan. Wie onzer zou voor U bestaan, Had Jezus niet voor ons MORAVARVA HET GEBED DES HEEREN. ons geleen? Wij schelden kwijt, die ons misdeên. 7. Leid ons in geen verzoeking ooit! Verberg voor ons uw aanzigt nooit! Gij weet het, onze kracht is klein, De driften veel, en' t hart onrein. Wat wordt er van ons in dien staat, 0 Vader! zoo Gij ons verlaat? 8. Verlos ons uit des boozen magt! Bescherm en sterk ons door uw kracht! Wij zijn toch zwak, zijn sterkt' is groot; Dus zijn w' elk oogenblik in nood; Hier komt nog vleesch en wereld bij. !!**$$ 9. Want uw is' t Ai! sterk ons dan, en maak ons vrij! LOS $$ ↓ ↓ koningrijk, o Heer! Uw is de kracht, uw is al d' eer. U, die ons helpen wilt en kunt, Die, in uw' Zoon, verhooring gunt, Die door uw' Geest ons troost en leidt, U zij de lof in eeuwigheid! 10. Ja, Amen! trouwe Vader! ja, Wij maken staat op uw genâ. Ons hart, o God! die alles ziet, Veroordeelt ons in' t naadren niet; b G' op ons bidden let, Geloovig, Amen! op' t gebed. Het zegt, daar 413 DE RE VIVAL VOS IVIVIME MANINAVINAMAMAIA 414 DE XII. ARTIKELEN DES GELOOFS. ' k DE EERSTE BERIJMING VAN DE XII. ARTIKELEN DES GELOOF S. G eloof in God, den Vader, groot van magt, En in Die hemel, aard' en zee heeft voortgebragt; Gods Zoon, zijn' eengen, onzen Heer, In Jezus, dien ik als den Christus eer; Die uit een maagd, na heilg' ontvangenis Van' s Heeren Geest, voor ons geboren is; Die voor ons leed in Pontius ge#F regt, Bespot, gekruist, gedood, in' t graf gelegd, Ter helle daald', en op den derden dag, Zijn volk tot heil, op nieuw het leven zag; Ten hemel voer, en daar in' t heerlijk leven Ter regterhand zijns Vaders zit verheven, Van waar Hij weêr zal komen, op zijn' troon, Ten oordeel van de levenden en doon. 2.' k Geloof ook in den Heilgen Geest, dien w'eeren; Die onzen geest wil troosten, leiden, leeren.' k Geloof één Kerk, een algemeen genootschap, Geheiligd, en vergaard door' s hemels boodschap; Dat Christus volk in heilgemeenschap leeft; Dat God, om't bloed zijns Zoons, mijn schuld ' k HVAHVRZ DE XII. AKTIKELEN DES GELOOFS. 415 schuld vergeeft; Dat ook mijn vleesch zal uit het stof F verrijzen, En ik mijn' God in' t eeuwig leven prijzen. XII. G DE TWEEDE BERIJ MING VAN DE ARTIKELEN DES GELOOFS. eloof in God, den Vader, die' t heelal Geschapen heeft, en houdt in wezen; En dat Hij, om zijns Zoons wil, zal Mijn Vader zijn, mijn smart genezen, # Mij schenken al het noodig goed, En' t kwaad, dat mij op aard' ontmoet, Genadig doen ten beste keeren. Zijn almagt zal mij steeds behoên; Dat wou Hij, als mijn Bondgod, zweren, Dat wil Hij, als mijn Vader, doen. 2.' k Geloof daarbij in Jezus, onzen Heer, Des Vaders Zoon, zijn' eengeboren'; Dien ik gelijk den Vader eer, Den Christus, van God uitverkoren, Ontvangen van den Geest van God, Maria's Zoon, gehoond, bespot; Die, in Pilatus tijd, door lijden En kruisdood, heeft voor ons betaald; Begraven is, na angstig strijden, En dus ter helle neergedaald. 3. Hij HURT RAVINAVINIME AMMAVI 416 BEDEZANG VÓÓR DE PREDIKATIE. 3. Hij stond weêr op, ons tot geregtigheid, de licht rees uit de kimmen, Om nu, Toen' t dermajesteit, Ten derden hemel op te klimmen; Daar bekleed met Hij, in hoogstverheven stand, Ten troon zit aan Gods regterhand, Van waar wij Hem ten oordeel wachten, Met Englen en bazuingeschal; Wanneer Hij alle de geslachten,' t Zij dood of levend, regten zal. 4.' k Geloof ook in den Heilgen Geest, die één algemeen, 0 Zoon en Vader is in Wezen.' k Geloof één Kerk, die Met Die Christlijk, van God uitgelezen, heilig is; daar klein en groot Van' t zelfde heil is deelgenoot; Dat God mijn zonden wil vergeven: dat mijn vleesch, weêr opgewekt, Dan eeuwig, met mijn ziel, zal leven, Volzalig, heerlijk, onbevlekt. BEDEZANG VÓÓR DE PREDIKATIE. En En God! die onze Vader zijt; Die t' aller tijd Ons End uwe tegenwoordigheid, In Christus, wilt betoonen, Wanneer men, in uw' naam vergaard, Uw woord verklaart; AVH klaart; Zie ons nu zaam daartoe bereid! Uw Geest koom' bij ons wonen! Ontsluit des dienaars hart en MORGENZANG, mond; Wil hem en ons verlichten, Opdat hij, uit uw heilverbond, Zich zelv' en ons moog' stichten: En wij, op uwe leer gegrond, Ons leven daar naar rigten! W ij danken U, barmhartig God! Beschikker van ons deel en lot! Voor uwe hoed' en trouwe wacht, Ons weêr betoond in dezen nacht. kroon'; VANRUFURUHVALS MORGENZANG. 2. Verleen ons, na genoten rust, Op nieuw gezondheid, kracht en lust; kwijt, den slaap verkwikt, Zich weder tot den arbeid schikt. 3. Dat wij ons ambt en pligt, o Heer! Getrouw verrigten, tot uw eer; Dat uwe gunst ons werk bevoorspoedig ga; 4. Zie op ons neder in genâ, 0 Daar' t ligchaam, door Uw Geest ons leid', en in ons woon'! Opdat ons werk En scheld ons alle misdaân Heer! die vol ontferming 27 zijt! 5. Ver417 AURUBURIHIRVAVAVATAJATAUKO Ves KAVANAVANIME AANANA HAVIVAHAAVAN 418 5. Verlicht ons hart, dat duister is! BEDEZANG VóóR HET ETEN. naar uw getuigenis, de paân, En ijvrig 6. Schenk uwen zegen bij uw Woord! 640 des satans word' verstoord; 0 Doen vlieden alle kwain uw wegen gaan! onz' overheid, In' t werk, door U hun opgeleid! Wil ons, 7. Troost allen, die, in nood en smart, B verheffen' t angstig hart; Maak ons in tegenons voor overdaad ons 0 Sterk leeraars, sterk spoeden stil; Hoor ons, o God! om Jezus wil! BEDEZA NG VOOR HET ETEN. Vader, die al' t leven voedt! gedragen als' t behoort; Het rijk tafel met uw' zegen; En spijs en drenk ons Tot U met dit goed, Van uwe milde hand verkregen. EFF wachten; Kroon onze Leer Dat w' ons Doe ons het hemelsche betrachten; Sterk onze zielen door uw Woord. DANKZANG NA HET ETEN. Heer! wij danken U van harte, Voor nood nooddruft en voor overvloed! Daar menig mensch AVOND ZAN G. eet brood der smarte, wel gevoed. Doch geef, dat onze ziele niet Aan Hebt Gij ons mild en dit verganklijk leven kleev'; Maar alles doe, wat Gij gebiedt, En eindlijk eeuwig bij U leev'! AVOND ZANG. groote Christus, eeuwig licht! Niets is bedekt voor uw gezigt; Die ons bestraalt, waar wij ook gaan, Al schijnt geen zon, al licht geen maan. 2. Toon ons uw goedheid en uw magt, Door uw bescherming, dezen nacht; Behoed ons tegen ramp en leed, En blijf tot onze hulp gereed! 3. Verkwik ons door een zoete rust, Om goed te * doen met nieuwen lust; Dat onze slaap gematigd zij, Ja zelfs uw' naam tot eer gedij'! wen leeft, 4. Houd ons gemoed voor U bereid, Opdat het blij uw komst verbeid'; Daar' t in een stil vertrouVURVAVAVAL 419 Dat Gij ons onze schuld vergeeft! 27* 5. BeIAIAIAIXIAIXINURIAIRIAVAVAVAIRIAUK VIVAVAVAVIM AVINANANINVANINGARVAVAVAVA Viviviviviviv TATAY 420 5. Bescherm ons, in den bangen tijd Van zielverzoeking en van strijd; vijand toe, AVOND ZANG. 6. Behoed het gansche Christendom; Dat hij ons ons neêr; Laat nooit den boozen uw beeld gelijk; 200 kruis uw vreugd weêrom; Vertroost het neêrgeboeenig gen hart, En heel in gunst der kranken smart! 2161150 ila 7. O Vader! dat uw liefd' ons blijk'; O Zoon! maak ons Drieëenig hinder doe! Geef dat in God! U zij 0 Geest! zend uwen troost EINDE. taigow this sons 0000 al d' eer! Beim 19d 2005 16093 2. AAN MORVAUHURVA AANWIJZING VAN EENIGE PSAL P S A L M E N, geber DIE BIJ BIJZONDERE GELEGENHEDEN, EN BIJ HET VERKLAREN VAN DE CHRISTELIJKE LEER KUNNEN GEZONGEN WORDEN. » den Zomer > den Oogst > den Winter In vruchtbare tijden >> tijden van schaarschheid » tijden van onweder > de Lente VOOR LAND EN KERK, Ps. 65. 67 > verdrukkingen der Kerk » Vrede» Oorlog » Pest en besmettelijke ziekte tijden van vervolging > verlossing der Kerk » tijden van overwinning Boetpsalmen Van het geloofsvertrouwen In tijden van twijfelmoedigheid > bestrijding over der goddeloozen voorspoed VOOR BIJZONDERE » gebrek van toegang tot de openbare Godsdienst » 29. » 104. » 65. » Dankzegging voor genezing Op het huwelijk In ouderdom VAH >>> >> >> Jeonduct 65. 67. >> 147. » 46. 79. 80 >>> 85. 147. » 3. 27. 83. » 91. 121. 10. 12. 13. 14. 44. 94. 123. 124. 126. 46. 74. 108. 124. 33. 107. 145. 146. PERSONEN. Ps. 6. 25. 32. 38. 51. 130. 143. >>> 56, 57. 62. 121. 125. 138. >> 77. 88. » 37. 49. 73. 92. 94. >> 42. 63. 84. verdrukking van vijanden Wanneer men met laster bezwaard is» » 7. 120. 4. 7. 17. 26. 31. 64. Gebeden om heiligheid des levens In krankheden » 25. 86. 119. 143. » 6. 38. 39. 41. >> 30. » 127. 128. >> 71. 92 de Pauze, BIJ UHURE HAURVAVAVAVIVAVIVOS VIVAVAVAVIM * A! 0! 0! 0! 0! 0! 0!!!!! AAVANA VAIVANHAVANAVA ATATATATATAY 422 Op de Kersdagen Op den eersten dag van het jaar » des Heilands lijden » de Paaschdagen AANWIJZING VAN EENIGE PSALMEN. BIJ PLEGTIGE GELEGENHEDEN. » den Hemelvaartsdag » de Pinksterdagen Voor de Belijdenis- predikatiën Bij de Voorbereiding tot het heilige Avondmaal Op het heilige Avondmaal 845678 » Bededagen » Dankdagen Bij het aanvaarden van ambten » de bevestiging of intrede van Opzieners de Dankzegging na het heilige Avondmaal 101112 13 Zondag. 1 Van den eenigen troost 2» de kennis der ellende uit de wet » den oorsprong der ellende » de straf der zonde » de voldoening » den Middelaar » het geloof » God Ps. 89 het begin. 98. 132 de Pauze. de Lofzangen. 39. 90. 144. 16. 22. 40. 41. 55 de Pauze. 69. 109 het begin. » 16. 22,8 Pauze. 40 de Pauze. 69, 3 Pauze. 118,3 Pauze. » de H. Drieëenheid 9» de Schepping » de Voorzienigheid » den naam Jezus >>> >> » den naam Christus >> » BIJ HET VERKLAREN VAN DEN HEIDELBERGSCHEN CATECHISMUS. » » >>> » den naam Christenen » Gods eeniggeboren' Zoon, onzen Heer > » >> » 8. 47. 68,2 Pauze. 110. 45 de Pauze. 68, 2 Pauze. 72 de Pauze. 87. 133. 19. 86 de Pauze. 119. de 12 Art. des geloofs. 15. 24. 25. 26. 27. 32. 139 de Pauze. 23. 42. 43, 63. 65. 84. 130. >> 14» des Heilands ontvangenis en geboorte 15» des Heilands lijden 66 de Pauze. 103. 106 het begin. 116. 118. 60, 79. 80. 85. 144. 66. 81. 107. 136. 147. 75. 101. Ps. 73, 2 Pauze. 115 de Pauze. 122. 182 de Pauze. 133. 134. 138. >>> » » 49 het begin. > 25. 36. 130. 01 » 2 de Pauze. 139 het begin. 145 het begin. >> 33 het begin. » 115 de Pauze. 136 het begin. 146. >> 33. 104. 147. De Lofzang van Maria. Ps. 2 het begin. 89. >> 45 de Pauze. 72 de Pauze. 19 de Pauze. 51 aan het begin. 5 het begin. 11. » 2 de Pauze. 45 de Pauze. 72 de Pauze. De Lofzang van Maria. Ps. 22. Zon Zondag. 16 Van des Heilands dood, begraving 20 21 en nederdaling ter helle 17» des Heilands opstanding 18 19 22 23 24 25 26 27 28 29 138 38 34 35 38 37 38 39 40 41 4 44 33 36 43 CAVAVAVAVA » des Heilands hemelvaart » des Heilands zitting aan Gods regterhand » des Heilands wederkomst ten oordeel 4546 47 48 49 50 51 52 AANWIJZING VAN EENIGE PSALMEN. » den H. Geest » de Kerk substantiatie 30» de paapsche mis » het eeuwige leven » de regtvaardiging » de ongenoegzaamheid onzer goede werken voor God » de Sacramenten » den H. Doop » den kinderdoop >> » de gemeenschap der heiligen» » de vergeving der zonden de opstanding des vleesches » het H. Avondmaal » de wederlegging der trans» de bekeering » Gods wet » het eerste gebod » het tweede gebod » het derde gebod » den eed » de vereischten der Avondmaalgangers » » de sleutelen des hemelrijks» 32» de noodzakelijkheid der goede werken." » het vierde gebod » het vijfde gebod » het zesde gebod 42» het achtste gebod » het zevende gebod » het negende gebod » » » het tiende gebod » de noodzakelijkheid der wetprediking » de noodzakelijkheid en vereischten des gebeds de aanspraak des gebeds de eerste bede de tweede bede de derde bede de vierde bede » de vijfde bede » » Ps. 22. » 16. 118, 3 Pauze. >>> 47. 68, 3 Pauze. » » de zesde bede. » 110. » het besluit des gebeds >>> >> >>> >> >>> >>> >>> 19 de Pauze. 143. 111. >> 51. » 71, 2 Pauze. 87. » 23. " >> >> >> >> >> >> >>> » >> » >> » >> >>> >> » » » 96 de Pauze. 119, 3 Pauze. 143 48. 133. 32. 49 de Pauze. 73, 2 Pauze. 84 de Pauze. 32. 103. 130. 119, 4 Pauze. 115. 25 de Pauze. 26 de Pauze. 15. 24. 65. 119 het begin. 119, 9 en 22 Pauze. » 62 de Pauze. 120. 131. 19 de Pauze. 65. 145 de Pauze. 103 de Pauze. 89 het begin. 72 het begin. 1. 81, 1 Pauze. 115. 145 de Pauze. 24. 63. 84. 92. 34, 1 Pauze. 78 het begin. 119, 5 Pauze. 5. 50 de Pauze. 51 de Pauze. 423 119. 145 de Pauze. 51. FURUHVALA >>> >> 141 het begin 5 het begin. NE De LIJST DAVAVAVAVAVIVES VIVIVIM VAVAVAVIVIivivivivivivi CATATATATATAY HAVINGARVAVAVA LIJST VAN ALLE PSA L M NAAR DEN RANG VAN HET A, B, C. A. Aardsche Magten! looft den Heer; Ai ziet! hoe goed, hoe lieflijk is' t, dat zone Al d' aard' en alles wat zij geeft, B. ' t Behaag' U, HEER! naar mijn gebed, ' t Behaag' U mij gehoor te geven; Behoud, o HEER! wil ons te hulpe komen, ' k Betrouw op U; hoor mijn gebeden: Bewaar mij toch, o alvermogend God! 540 EN, D. 9 Daal haastig ter verlossing neêr, D' algoede God zij ons genadig, Dat Israël nu zegge, blij van geest: Dat op uw klagt de hemel scheure! De God des heils wil mij ten herder wezen: De HEER is groot; elk zing' zijn' lof De Heer zal opstaan tot den strijd; De HEER regeert! de hoogste Majesteit, De lofzang klimt uit Zions zalen Der goden God verheft zijn stem met magt De trotsche dwaas zegt in zijn boos gemoed: De trotsche dwaas zegt in zijn boos gemoed: Dus heeft de HEER tot mijnen Heer gesproken: G. Gedenk aan David, aan zijn leed! Geduchte God! hoor mijn gebeden; Geef, Heer! den Koning uwe regten, Gená, o God! bescherm mij door uw hand; Gena, o God! genâ, hoor mijn gebed; Genâ, o God! genâ, hoor mijn gebeên: Getrouwe God! de heidnen zijn gekomen, Gezegend zij de HEER, die t' allen tijde Gij hebt uw land, o HEER! die gunst betoond, Gij,' s HEEREN knechten! looft den HEER: Gij, volken! hoort, waar g' in de wereld woont Gij zijt, o Heer! van d' allervroegste jaren, God, de HEER, regeert! God heb ik lief: want die getrouwe HEER God heerscht als Opperheer; 502 194 Psalm 29 133 24 eab obed 15 17 4 12 1 16 64 71 074 2038855 5043 10 67 124 48 68 93 65 14 150 53 Todbe stalls d= 132 botsy 例 州 龙 闖 178 43 72 56 51 57 79 144 85 113 49 90 99 116 97 God AVAVAVAVA LIJST DER PSALMEN. God is bekend bij Juda's stam, God is een toevlugt voor de zijnen, God is mijn licht, mijn heil, wien zou ik vreezen! Groot en eeuwig Opperwezen! H. ' k Heb lang den HEER in mijnen druk verwacht, HEER, onze Heer, grootmagtig Opperwezen! ' k Hef mijn ziel, o God der Goden! Het ruime hemelrond Het trotsch gedrag des boozen doet Hoe lang, o HEER, mijn toeverlaat! Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot, Hoe vreeslijk groeit, o God! Hoor, o HEER! verhoor mijn smeeken! Hij, die op Gods bescherming wacht, ' t Hijgend hert, der jagt ontkomen Hij zal noch wanklen, noch bezwijken, I. Ja waarlijk! God is Isrel goed, Ik ben verblijd, wanneer men mij Ik hef tot U, die in den hemel zit! Ik loof den HEER, mijn' God; Ik roep tot U, o eeuwig Wezen! Ik zal met al mijn hart den HEER, Ik zal met hart en mond, o HEER! Ik zei: nu zal ik letten op mijn paân, In d' achtbre Godsvergaderingen, Juich, aarde! juicht alom den HEER'! Juich, aarde! juich, met blijde galmen, Juicht, o volken! juicht; K. Komt, laat ons zamen Isrels HEER, L. Laat' s HEEREN lof ten hemel rijzen: Laat ieder' s HEEREN goedheid loven, Laat ons den rustdag wijden Looft den HEER, want Hij is goed, Looft God, looft zijn' naam alom! Looft God, zingt eeuwig' s HEEREN lof, Looft God, den trouwen Opperheer! Looft, Hallelujah! looft den HEER! Loof, loof den HEER, gij heidendom! Looft, looft den HEER gestadig; Loof, loof den HEER, mijn ziel! met alle krachten; Looft, looft den HEER; dien, onbedwongen, Looft, looft nu aller heeren HEER, Looft, looft, verheugd, den HEER der heeren! M. Men heeft mij fel benaauwd van jongs af aan, Mijn geroep, uit angst en vreezen, $ 1858 22²* 25*****-= 284 o 425 salm 8080 76 46 27 38 40 8 19 36 13 84 3 102 91 42 73 122 123 34 9 30 39 100 66 47 95 147 118 92 136 pin 150 148 106 111 el 117 107 103 al 149 18134 105 129 77 Mijn ARAL VAVAVAVAVAVAVAVINA Vivi MAMAHAVIA 426 LIJST DER PSALMEN. Mijn God! mijn God! waarom verlaat Gij mij, Mijn hart, o Hemelmajesteit! Mijn hart verheft zich niet, o HEER! Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, Mijn ziel is immers stil tot God; WANAN N. Neem, HEER! mijn bange klagt ter ooren; Neem, Isrels Herder! neem ter ooren, Neem, o mijn volk! neem mijne leer ter ooren, Neig, o HEER! uw gunstig' ooren, Niets is, o Oppermajesteit! Niet ons, o HEER! niet ons, uw' naam alleen Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen, 0. O God, mijn God! Gij', aller vorsten Heer! O God! Gij zijt mijn toeverlaat. O God! hoe hebben wij getreurd, O God! mijns heils, mijn Toeverlaat! O God! neem mijn gebed ter ooren, O God! verlos en red mij uit den nood; O God! verlos mij uit den nood, O God! wij mogten met onz' ooren O God, zoo waardig mijn gezangen! O gij vergadering, gezeten OHEER! de Koning is verheugd O HEER! doe Gij mij regt! O HEER! gij zijt weldadig; O HEER, mijn God, volzalig Wezen! O HEER! verlos mij uit de banden, O HEER! wil mijn gebeden hooren; Op God alleen betrouw ik in mijn nooden; Op U betrouw ik, HEER der heeren! Prijs den HEER met blijde galmen. Prijst den naam van uwen God, R. U alleen, U loven wij: Uit diepten van ellenden U mag men zalig heeten, Red mij, o God! uit' s vijands handen ' k Riep tot den HEER met luider stem; ' k Riep tot den Oorsprong aller dingen, mits ' k Roep, HEER! in angst tot U gevloden: S. ' k Sla d' oogen naar' t gebergte heen, T. Toen Israël' t Egyptisch rijksgebied, Twist met mijn twisters, Hemelheer! U. P. set as ago Jel TEOSED 100! Finis Psalm 22 108 131 45 62 Ell 5 80 78 86 139 115 18 1211519888585358886 telgeat 58 21 ud 26 6 140 11 146 135 59 142 120 141 121 114 35 175 130 128 V. HVA HRVA LIJST DER PSALMEN. Vergeefs op bouwen toegelegd; Verschijn nu blinkend, God der wrake; W. Waak op, mijn ziel! loof d' Oppermajesteit. Waarom, o God! zijn wij in eeuwigheid Waarom, o HEER! blijft Gij van verre staan? Waartoe u dus beroemd in' t kwade, V. Wanneer de HEER uit' s vijands magt, Wat drift beheerscht het woedend Heidendom, Wees over' t heil der boozen niet ontstoken; Welzalig hij, die in der boozen raad Welzalig hij, die zich verstandig draagt Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; Welzalig zijn d' opregten van gemoed, Wie zal verkeeren, groote God! Wil mij, wanneer ik roep, verhooren, Wil, o God! mijn bede hooren; Wij zaten neêr, wij weenden langs de zoomen, Z. ' k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên; ' k Zal met mijn gansche hart uw eer k Zal van de deugd der milde goedheid zingen, Zingt nu blij te moe ingt vrolijk, heft de stem naar boven; Zingt, zingt den lof van' t Opperwezen! Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE! Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE, Zwijg niet, o God! houd U niet doof; Zijn' grondslag, zijn onwrikbre vastigheden 339 EENIGE GEZANGEN De tien geboden des Heeren. De lofzang van Maria. De lofzang van Zacharias. De lofzang van Simeon. Het gebed des Heeren. Morgenzang. Bedezang vóór het eten Dankzang na het eten. Avondzang. UHURUR VAUHVAT 198 427 Psalm a De eerste berijming van de twaalf artikelen des Geloofs. De tweede berijming der Geloofs- artikelen. Bedezang vóór de predikatie. 2011 127 94 M 4102128 2714819 15487 104 74 52 126 37 89 138 1.0 101 32 61 81 33 112 96 198 83 87 hey guimig! EVENDOTA PSALTUCS AANVAKA VATATATATAY VIVAHVAMAGA Ps. 5. 64. 14. 53. 17. 63. 70. 18. 144. 24. 62. 95. 111. 28. 109. >> >> >> >> >> >> >> » PSALMEN EN GEZANGEN, WELKE MEN OP ÉÉNERLEI WIJZE ZINGT. Ps. 51. 69. >> 60. 108. >> 65. 72. 66. 98. 118. 74. 116. 77. 86. 30. 76. 139. 31. 71. 33. 67. 36. 68. 46. 82. BA >>> >> 20 sxeod 78,90. 100. 131. 142. Stem Morgenzang. To le » 117. 127. » 140. Stem van de 10 Geboden. PSA L M E N UIT DE BERIJMING VAN DEN HEER JOHANNES EUSEBIUS VOET. 1. 3. 6. 7. 8. 9. 10. 12. 14. 15. 16. 18. 20. 21. 22. 25. 27. 28. 30. 31. 32. 36. 38. 39. 40. 41. 44. 45. 48. 50. 51. 53. 54. 55. 57. 58. 60. 62. 63. 65. 68. 69. 72. 73. 76. 77. 78. 81. 83. 84. 85. 86. 87. 89. 94. 95. 96. 98. 99. 101. 103. 107. 109. 110. 111. 112. 114. 116. 117. 118. 119. 124. 129. 131. 132. 133. 137. 138. 141. 142. 144 en 147. De 10 Geboden, de Lofzang van Maria, het Gebed en de 2de Berijming van het Geloof. UIT DE BERIJMING VAN HET GENOOTSCHAP 1 LAUS DEO, SALUS POPUL 0. 2. 5. 11. 13. 17. 19. 23. 24. 26. 29. 33. 34. 35. 37. 42. 43. 46. 47. 49. 52. 56. 59. 61. 64. 66. 70. 71. 74. 79. 80. 88. 90. 91. 92. 93. 97. 102, 104. 105. 106. 108. 113. 115. 120. 121. 125. 127. 128. 134. 135. 136. 139. 140. 143. 145. 146. 148 en 149. De Lofzang van Zacharias en de Lofzang van Simeon. UIT DE BERIJMING VAN HENDRIK GHIJ SE N. 4. 67. 75. 82. 100. 122. 123. 126. 130 en 150. De 1ste Berijming van het Geloof, Bedezang vóór de Predikatie, Morgenzang, Bedezang vóór het Eten, Dankzang na het Eten en Avondzang. CAVAUHUR EVANGELISCHE GEZA NGEN, OM NEVENS TAAVE HET BOEK DER PSALMEN BIJ DEN OPENBAREN GODSDIENST IN DE NEDERLANDSCHE HERVORMDE GEMEENTEN GEBRUIKT TE WORDEN; OP UITDRUKKELIJKEN LAST VAN ALLE DE SYNODEN DER VOORNOEMDE GEMEENTEN BIJEEN VERZAMELD EN IN ORDE GEBRAGT IN DE JAREN 1803, 1804 EN 1805. TE AMSTERDAM, BIJ J. BRANDT EN ZOON. TE HAARLEM, JOHANNES ENSCHEDE EN ZONEN. TE GRONINGEN, DE ERVEN R. J. SCHIERBERK EN DE ERVEN DE WED. M. VAN HEYNINGEN BOSCH. 187 9. VHURE AVAVAVAVAVIVES ATA ANINAMAU HODZAVE MIDZANI T223102 # 203/ De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk houdt geene afdrukken van dit Evangelisch Gezangboek voor echt, dan die onderteekend zijn door één der leden van de benoemde commissie van toezigt. Mun' ,, ۰/ ۰ AVAVHURVA AAN DE NEDERDUITSCHE HERVORMDE GEMEENTEN IN ONS VADERLAND. Geliefden in den Heere Jezus Christus! Een der voornaamste gedeelten van onze openbare godsdienstoefening is het gemeenschappelijk gezang: hierdoor brengt de geheele gemeente openlijk hare hulde toe aan God en den Heere Jezus Christus, onzen dierbaren Zaligmaker, door den Heiligen Geest; hierdoor verklaart zij haar geloof in, en haar vertrouwen op Hem, die ons zoo lief heeft gehad, dat Hij zijn' eengeboren Zoon voor ons heeft overgegeven, opdat wij zouden leven door Hem; hierdoor wordt zij versterkt in het geloof aan die waarheden, die een milde bron van allen wezenlijken troost en blijdschap zijn in leven en in sterven; hierdoor wordt haar ijver opgewekt, aangevuurd en onderhouden, om het pad van geloof en godzaligheid, in afhangen van Gods goeden Geest, standvastig te bewandelen, hare heiligmaking te voleindigen en zoo geschikt te worden voor die zaligheid, tot welke wij door Jezus Christus geroepen worden. Trouwens, bij het openbaar kerkgezang vereenigen zich niet alleen de dicht- en toonkunst, om de aandoeningen onzer zielen in beweging te brengen; maar ook het gemeenschappelijk zingen, en onze bijzondere deelneming daaraan, de menigte der stemmen, de plegtigheid der vergadering, de statelijkheid van de plaats en den tijd, de belangrijke inhoud, benevens het doel van het gezang, en andere omstandigheden meer, die op het hart werken, geven aan het gezang den' voorrang, boven andere deelen der godsdienstoefening. Niet ligt zal er iemand gevonden worden, wiens gemoed eenige indrukken van godsdienst heeft, die niet meermalen dezen veelvermogenden invloed van het gezang op zijn eigen hart ondervonden heeft, en door het zingen der Psalmen, tot dus verre alleen onder ons in gebruik, in eene aanmerkelijke mate gesticht is. De Psalmen, die dit boven alle andere dichtstukken vooruit hebben, dat zij van een goddelijke herkomst zijn, behelzen zoo veel schoons, zoo vele treffende uitboezemingen van velerlei godsdienstigen aard, dat zij URUHURUES UROAUKORVAVAVAVAVIVOS AVAVANAVIVIM 0! 0! 0! 0! 0! ATALAY AVIVAVIVANAVAV zij daardoor uitnemend geschikt zijn, om het echt godsdienstig gevoel bij ons te verwekken, te verlevendigen en te bevestigen. Geen wonder dan, dat de Nederlandsche Kerk, overtuigd van de hooge waarde der Psalmen, tot hare stichting van dezelve heeft gebruik gemaakt, en zich niet weinig verheugde, toen zij, voor ruim dertig jaren, eene zoo schoone berijming van dezelve ontvangen heeft; doch, dewijl de Christenheid, door alle eeuwen heen, geestelijke gezangen bij de Psalmen gevoegd heeft; daar alle de Protestantsche Kerken buiten' s lands Evangelische Gezangboeken hebben; en de Hervormde Engelsche en Walsche gemeenten in ons land derzelver nuttig gebruik hebben ingevoerd; ja zelfs achter ons gewoon Psalmboek eenige gezangen gevoegd zijn; zoo is het niet vreemd, dat een aanzienlijk deel onzer gemeenten, opgewekt door de proeven van gezangen, in den geest en toon van het vervulde Evangelie gestemd, reeds lang naar een Evangelisch Gezangboek verlangd heeft. Alle de Nederlandsche Synoden hebben, om aan dit verlangen te voldoen, ons benoemd en gelast een zoodanig Evangelisch Gezangboek te vervaardigen. Wij, vereerd met dat vertrouwen, hebben deze zeer moeijelijke taak, onder Gods zegen, ten einde mogen brengen, en danken den hemelschen Vader, dat Hij ons bewaard en onder dezen arbeid gesterkt heeft; zoo dat wij allen, de Groninger Hoogleeraar LUBBERS alleen uitgezonderd, die door zijnen medearbeid aan de nieuwe Psalmhet berijming der Nederlandsche Kerk aan zich verpligt heeft, einde van ons werk mogten zien. Schoon wij meermalen in de gelegenheid zijn geweest, te betreuren, dat de Nederlandsche dichters over het geheel zoo weinig hebben gedaan voor het kerkgezang, hebben wij nogtans het genoegen gehad, eenige schoone gezangen te vinden in de werken van Lodensteijn, Vollenhoven, Sluiter, Schutte, van Alphen en anderen die nog in leven zijn, welke, door de noodige veranderingen in den vorm, voor het kerkgebruik zijn gerced gemaakt, en nu niet weinig strekken tot aanprijzing van dezen bundel. Voor het overige hebben sommige leden van onze Vergadering, of oorspronkelijke stukken, of navolgingen en vertalingen geleverd,' t welk ook door andere dichters en dichteressen geschied is, die wij openlijk daarvoor onzen dank betuigen: wij hebben van dezen arbeid zoodanig gebruik gemaakt, als wij meenden met de stichting onzer gemeenten meest overeentekomen, zonder dat wij eenigzins aan andere stukken, die niet door ons gebruikt zijn, den roem, als dichtstukken verdienen, willen onttrekken. dien ze Wij MAVAHURVAHA AKVAVAVAVAVAVAVAVAVAR Wij bieden aan onze Geloofsgenooten dit Evangelisch Gezangboek, te hunnen dienste vervaardigd, met zoo veel te grooter gerustheid aan, als zij zullen zien, dat wij geene andere gezangen hebben geplaatst, dan die met de belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, uitgedrukt in hare formulieren, overeenkomen. Trouwens, gelijk wij voor ons in deze belijdenis van harten instemmen, zoo beseffen wij tevens, hoe weinig wij haar belang zouden behartigd hebben, indien wij de leerstukken, die onze belijdenis kenmerken, en die een' zoo vermogenden invloed hebben op de heiliging van ons hart, en op onzen troost in leven en in sterven, niet klaar en krachtig hadden willen voorstellen. Ja, wij meenden met grond te mogen vertrouwen, dat onze liederen, aldus vervaardigd, onder Gods zegen van groot nut zouden kunnen wezen, om de zuiverheid der leer, midden in den stroom van velerlei gevaarlijke nieuwigheden, in onze gemecnten te bewaren; gelijk de oude en latere kerkgeschiedenis, zoowel als de ondervinding van den tegenwoordigen tijd leeren, dat zulke liederen daartoe altijd van groote nuttigheid geweest zijn. Er zal eenig onderscheid van toon en wijs van spreken in een en ander lied gevonden worden; is het eene, bij voorbeeld, een toon, die meer hoog en dichterlijk is, in het andere een toon, die meer eenvoudig is: dan, en de onderscheidene dichterlijke vernuften, waaraan wij de gezangen verschuldigd zijn, en de natuur der onderwerpen zelve gaven daartoe aanleiding; wij konden juist hierdoor voor allerlei soort van kerkleden des te nuttiger zijn. Uitersten hebben wij getracht te vermijden. Wat taal en spelling betreft; reeds bij den aanvang onzer werkzaamheden, in den jare 1803, hadden wij daaromtrent bepalingen gemaakt, die, gedurende den voortgang onzer verrigtingen, grootendeels bevonden werden overeentekomen met de onlangs algemeen aangenomene regelen, die door den Hoogleeraar SIEGENBEEK zijn voorgedragen, en hebben getracht hierin met de meeste naauwkeurigheid te werk te gaan. Wat de Melodijen aangaat; wij hebben ons niet alleen bediend van de aangenaamste onzer gewone psalmwijzen, maar ook van de meest bekende zangwijzen in de Hoogduitsche Kerken gebruikelijk; doch hebben getracht te zorgen, zoo wel voor de gemakkelijkheid, als voor de welluidendheid; en wenschen hierdoor zoo veel te meer toegebragt te hebben tot opwekking van den heiligen zanglust. Wij erkennen, ons werk zal op verre na niet volmaakt zijn; dan AVAVAVAVAVIVOS AVIVIM Vivivivivivivavi ATAY FAMAVAL dan het hoofddoel onzer werkzaamheden, de sticnting der Ge meenten, en hare opbouwing in dat geloof aan de genade,' t welk heiligt en zaligt, heeft ons, in deze en gene gevallen, wel iets doen opofferen aan de uiterste kieschheid in de Dichtkunde, en deze wederom aan die der Taal; zoodat wij ons wel eens vrijheden hebben moeten veroorloven, welke wij anders niet zouden genomen hebben. Even datzelfde hebben wij ons ook veroorloofd ten aanzien van den spreektoon in de liederen zelven, die niet altijd de toon is van eene sprekende gemeente, maar toch altijd van eenen spreker in en met de gemeente; waarvan men nog daarenboven dit voordeel heeft, dat onderscheidene gezangen ook voor het meer bijzonder of huisselijk gebruik kunnen dienen, waartoe wij dezelve ook meenen te mogen aanprijzen. Ontvangt dan, zeer geliefde Geloofsgenooten! dit gezangboek, met hetwelk wij nogmaals op de plegtigste wijze betuigen, niets anders, dan de eer van God en onzen gezegenden Zaligmaker, en uwer aller leering en ware stichting bedoeld te hebben de ondervinding zal u leeren van hoe groote nuttigheid het voor uw hart, onder den goddelijken zegen, wanneer het zonder vooroordeel gebruikt wordt. wezen zal, Vergunt ons in het bijzonder de vrijheid, dat wij u onzen arbeid, bij de godsdienstige opvoeding uwer kinderen, met allen nadruk aanprijzen: jonge harten, in welke de zaden van godsdienstige kennis en godsvrucht vroeg gestrooid zijn, kunnen, onder Gods zegen, daarvan, zoo lang zij leven, groote nuttigheid hebben. Den troost voor onze harten te genieten, dat wij in dit gewigtig stuk aan het welzijn van het opkomende geslacht medegearbeid hebben, is een van onze allervurigste wenschen. God zegene ons werk daartoe! Hij zegene zijne Kerk in dit Land, ook door het gebruik van deze gezangen, om zijns Zoons wil, door zijnen Heiligen Geest! Amen. Gegeven in onze algemeene Vergadering in den Haag, dezen 6 September 1805. Uit aller naam A. VAN DEN BERG, Praeses. J. A. LOTZE, Scriba. J. SCHARP, Scriba. VER CAVAUHAVAMAA VERKLARING, GEVOEGD ACHTER HET AUTHENTIQUE AFSCHRIFT DER ARVAAVAT EVANGELISCHE GEZANGEN. wwwm Wij ondergeschrevene Predikanten en Ouderlingen, door alle de Synoden der Nederlandsche Hervormde Gemeenten, volgens derzelver bijzondere Resolutien, gecommitteerd en geauctorizeerd tot het verzamelen en vervaardigen van een EVANGELISCH GEZANGBOEK, om, benevens het Boek der Psalmen, bij den openbaren Godsdienst gebruikt te worden, daartoe opzettelijk alhier in den Haag vergaderd, verklaren de voorstaande EVANGELISCHE GRZANGEN, overeenkomstig onze gedane keuze, gemaakte veranderingen, aangenomene spel- en schrijfregels geboekt te zijn, en dus voor het eenige echte afschrift van dezelve te houden; als mede dat wij met alle naauwkeurigheid hebben toegezien, dat daarin niets mogte voorkomen, eenigzins strijdig met de aangenomene leer der Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo als die naar Gods Woord, in den Heidelbergschen Catechismus, de Belijdenis des geloofs, en de Canones van het Synode Nationaal, te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619 gehouden, vervat is; gelijk wij ook in gemoede verklaren, dat in dezelve niets gevonden wordt, in het allerminste afwijkende van de bovengemelde Formulieren van eenigheid: hetwelk alles wij getuigen met onderteekening onzer handen. ( Is geteekend). Wegens de Synode van GELDERLAND: AHAZUERUS VAN DEN BERG, Predikant te Arnhem. PETRUS ISAACUS DE FREMERIJ, Professor en Predikant in den Bosch. Wegens de Synode van ZUID- HOLLAND: JAN SCHARP, S. S. Theol. Doct. en Predikant te Rotterdam. MATTHIAS JORISSEN, Predikant in' s Gravenhage. Mr. PIETER LEONARD VAN DE KASTELLE, Oud- Ouderling in ' s Hage. We. ivivivivivivivis ATATATATATAY AVAKVA INAVIANHAVANA Wegens de Synode van NOORD- HOLLAND: ENGELBERTUS MATTHIAS ENGELBERTS, Predika ABRAHAM RUTGERS, Predikant te Haarlem. te Hoorn Wegens ZEELAND: HERMANNUS ADRIANUS BRUINING, Predikant te Vere. PETRUS JANSSEN, Predikant te Bergen op Zoom. Wegens de Synode van UTRECHT: GERHARDUS MASMAN, Predikant te Utrecht. JOHANNES ANTHONIJ LOTZE, voorheen Predikant aan den Maartensdijk, nu Theol. Doctor, Professor en Aca demie- Prediker te Franeker. BAREND TAAIJ, Predikant te Rhenen. Wegens de Synode van VRIESLAND: MARCUS JAN ADRIANI, Predikant in Aengwirden. BERNARDUS VAN WEEMEN, Predikant te Leeuwarden. Wegens de Synode van OVERIJSSEL: Mr. RHIJNVIS FEITH, Oud- Ouderling te Zwolle. Wegens de Synode van Stad en Landen van GRONINGEN: HERMAN TUNTINGHE, Theol. Doct., Professor der II. God geleerdheid en Kerkelijke Geschiedenissen, en Academie- l're liker te Groningen. JOHANNES RUTGERS, Predikant te Groningen. Wegens de Synode van DRENTHE: GERARDUS SMIT, Predikant te Meppel. ( Lager staat) De bovenstaande onderteekening is geschied in de algemeene Vergadering der Gecommitteerden voornoemd, den 6 September 1805. mij present 10310 J. SCHARP, Scriba. H AVA HAV HAAAH EVANGELISCHE GEZANGE N. VAN GOD EN ZIJNE VOLMAAKTHEDEN. geeft Hem eer, AURUR VRUHVAT 1. AAN GOD. Nieuwe zangwijze. alléluja! lof zij den Heer! Aanbidt den Vader, roem van Den Schepper aller dingen! Den zijn barmhartigheid, Zijn wijsheid, magt en majesteit Moet al het schepsel zingen. 2. Halleluja! lof zij den Zoon! Gedaald van' s hemels hoogen troon, Tot heil van stervelingen: Hem, die voor onze zonden stierf, En' t leven door zijn' dood verwierf, Moet al het schepsel zingen. 3. Halléluja! den Geest zij eer! Als in zijn' tempel daait Hij neêr In' t hart van stervelingen: Hem, die ons troost en leert en leidt, En voor den hemel toebereidt, Moet al het schepsel zingen. 4. U, I AVAVAVAVAVIVES Ziviviviv ALATATATATAY VANA VANINAVINAMAMA 2 D 4. U, Vader, Zoon en Geest zij prijs! HUMANAN als God regeert, GEZANG 1, 2. op Englenwijs Gebragt door stervelingen: driemaal heilig! wees geeerd! Uw' roem, daar Gij gevaar behoedt, U lof en dank Moet al het schepsel zingen. 2. AAN GOD. WIJZE: Psalm 36. en hoogen God alleen zij eer! Elk kniel' voor Hem aanbiddend neêr! Elk moet Hem dank bewijzen! Ja Heer! Hem, die ons ZOO eindloos goed Verzorgt en in Moet al het schepsel prijzen. Zingt dan den hoogen God ter eer! glans omgeven. aan, heft aan! roemt zijn gena'! Hij sloeg ons mededoogend ga', Hij schonk ons zijn bescherming. schappij, O Bron van licht en leven! Heft Aanbidt Hem! Looft God! looft zijn ontferming! buigt u dankend neêr! 2. Ja, Vader! ja, ons lied zijt Gij! Wij eeren uwe heerUw grenzenlooze magt gebiedt; Daar rijzen werelden uit niet, Van uwen ' t Is wijs en goed al wat Gij werkt, GU gen! CAVAUHUR GEZANG 2. Gij heerscht alom en onbeperkt, U loven alle tonAVAVAVAVAVAHVAT U, Vader! wien' t heelal vereert, U danken wij, dat Gij regeert, Nooit wordt uw lof volzongen. 3. Geloofd zij' s Vaders eenge Zoon! Hij bragt ons van b zijns Vaders troon De rijkste zegeningen: Hem, onzen *** helper in den nood, Hem, onzen redder van den dood, Moet al wat ademt zingen. Verlosser, Midlaar, Hoofd en Heer! Voor U knielt uw gemeente neêr, Lofzingend in uw wooning. Eens wordt alom U toegebragt Lof, eer en heerschappij en magt; Zoo heerscht G' als aller Koning. 4. Den Heilgen Geest zij eer en prijs! Hij wil door godlijk onderwijs Ons in zijn waarheid leiden. Hij, van ons erfdeel' t onderpand, Hij wil ons door zijn eigen hand Ten hemel toebereiden. 0 Geest van God! bestuur ons hart, Verbeter ons, troost ons in smart, Schenk moed en kracht in lijden! Zoo zullen wij, door U geleid, 3 Eens in volmaakte zaligheid Ons eindeloos verblijden. 1. 5. Zingt, ivivives VAVAVAVAVAVIVAM VATATATATAY UNAKA VAINAAMAVAVAVAL 4 5. Zingt, aard en hemel! zingt uw' Heer! maal heilig meld' zijn eer! Zingt Hem op hooge was. toonen! De lof van God vervull'' t heelal, Die is, die W GEZANG 2, 3. rafs, die komen zal, 3. AAN GOD. WIJZE: Psalm 89. ij loven U, o God! wij prijzen uwen naam! eeuwig' Vader! U verheft al' t schepsel zaam. Zingt SeEn onder ons wil woonen. Englen zingt! den, Onafgebroken rijz' uw lied op hooge den; Het drieen heft magten aan Profeten, Martelaars vermelden daar uw driemaal heilig zijt G', 0 God der legerscharen! Dat aard en hemel steeds uw grootheid openbaren. 2. U looft d' Apostelschaar in heerlijkheid, o heel uw Kerk wordt steeds, daar boven, toonen! Gij, U. troonen! Onpeilbaar in verstand, eer. Heer! Door hier beneIn strijd en zegepraal, uw groote naam beleZij looft, o Vader! U, oneindig in vermogen, onmeetbaar in meedoogen. 3. U, AVAARA GEZANG 3. 3. U, Vader! U zij lof, op een' verhoogden toon! Lof uwen eigenen, uw' eengeboornen Zoon! Lof uwen Geest, die ons ten Trooster is gegeven, Ten LeidsAVAVAVAVAUHAN man op den weg naar' t eeuwig zalig leven! U looft uw Kerk alom, waar Gij die ook vergaarde, U * loov', wat loven kan, in hemel en op aarde. 4. U, Christus onzen Heer, bekleed met majesteit! U,' s Vaders eengen Zoon, zij lof in eeuwigheid! Het mensclidom lag in schuld en vloek voor God verloren, Gij werdt, den mensch tot heil, uit eene maagd geboren; Gij hebt 00 aan' t kruis voor ons den dood zijn magt ontnomen, Zoo baandet G' ons den weg, om weer tot God te komen. 5. Gij zit in heerlijkheid aan' s Vaders regterhand, Tot dat G' als Regter eens de laatste vierschaar spant: Laat kocht ons ons in geenen nood uw' bijstand ooit ontberen! Gij met uw bloed; blijf, Heiland! ons regeren, Blijf ons, uw erfenis, door uwe magt bewaren, 5 Wil, met uw heilgen, ons voor uwen troon vergâren. 6. Wi iVives TALA! ACTINGNANANA AHARVAVAN 6 6. Wij zegenen, o Heer! uw goedheid al den dag! Geef, dat eeuw in eeuw uit ons lied U loven mag, Geef, dat we bij uw komst onstraflijk wezen mogen! ontferm U, Heer! toon ons uw mededoogen! Op U steunt onze hoop, o God van ons vertrouwen! Zij worD GEZANG 3, 4. den nooit beschaamd, die op uw goedheid bouwen. 4. GODS VOLMAAKTHEDEN. WIJZE: Mein Hertzens Jesu, meine Lust! Hem, gij vromen! Heer, Zoo heerlijk, e Heer is God, en niemand meer; Verheerlijkt is groot, zijn naam Les ner deugden groot, 2. Hij is, van eeuwigheden; Wie Ontdekken, was, als Wie is, gistren, wij! was Hij, volkomen? ZOO is groot, A Oneindig wat Hij is, en blijft al * wie ontleden? Wij Ja! Ontferm, aller schepslen De groot zijn naams zal zijns De Heer luister zijeerder, dan wezen. Tot in all' geheimenis menschen zijn Maar eer het aardrijk A de heemlen. 3. Zija AAHAH 3. Zijn' troon omringt een glansrijk schittrend voor onz' oogen; gevormd ten GEZANG 4. ken' t aangezigt, Aanbiddend neêrgebogen: Der heemlen boog omvat Hem niet, Hij is onzigtbaar, Fr ' t schepsel ziet Hem enkel in zijn werken. 4. Waar waren wij, had zijne kracht Ons niet licht, 00g, Zelf's Englen dekleven? Hij kent verbergt ANAVAVAVAVAR ' t geen zijn magt Ooit aanzijn heeft gegeven: gedachten is 6. Wie, Te ons, Bij Hem is wijsheid en verstand, Bij Hem is aard, sterkte; zijne hand Omspant en aard en hemel. 5. Hij is, hoe ver Hij schijnen moog, Nabij, waar w' ons bewegen; Geen nacht bedekt ons voor zijn kent al Hij ziet al wat wij plegen: Voor Hem ☆ duisternis; geen buiten U, zal voor den val De kiem zelfs der ◊ Niet Voor zijn 00g verborgen. 4 Deez' God! behoeden? Wie, buiten U, dit gansch iVivaViViVAVAVAVAVAVAVAVIVAM TALA ANINAVINAMAA gansch heelal Altegenwoordig voeden? Gij slaat de tig, vol ELCO gansche schepping ga', Gij zijt GEZANG 4, 5. wilt Gij woonen; de doet, Een gena', ook 7. Gij zijt regtvaardig, heilig, goed, Bij reinen vader, Hem, verteren? barmhareen ontfermer. die uw' wil met vreugZult G' ook met vreugde kroonen: Gij hebt d' onsterflijkheid alleen, Hoogst zalig zijt ✦ G' in eeuwigheên, Orijke Bron 8. Of, zou de gloed dier majesteit > van vreugde! Mij zondaar Neen! nu' t geloof uw heerlijkheid In Christus mag vereeren, Nu klimt mijn lied: de Heer is groot! De Heer is onuitspreeklijk groot! Oneindig groot in liefde! 5. GODS GROOTHEID. WIJZE: Psalm 66. neindig, onbegrijplijk Wezen!' t Heelal gehoorzaamt uw gebied; Maar d' uiterst' einden van uw schepping Omschrijven uwe grootheid niet. Gij leeft en heerscht MOHVAVAVAVAAAAAAVAVAVAVAVAVARURVAL heerscht, waar stofjes zweven, Waar geesten denken, grenzenloos: Maar' t heerlijk licht van uwe wooning Bedekt voor' t schepsel U altoos. GEZANG 5. 2. Zelfs gij kunt onzen God niet kennen, Gij Geesten van het hemelhof! Gij zijne grootheid niet bevatten, En wat zou dan de zoon van stof? Vrijmagtig, eeuwig, onbeschrijflijk Voor menschentong en Englenstem, Bestaat Hij enkel door zich zelven, En al, zand der zee, wat is, bestaat door Hem. 3. Hij wenkt, en millioenen wezens En werelden, als' t Zijn door dien wenk aan' t niet onttogen, En Hij deelt zich aan allen mee; En zulk een God gedenkt ook mijner! Hij schiep het stof, Hij schiep ook mij. Dacht Gij ook aan een' worm, een made? Oneindig' God! dacht Gij aan mij? 4. Maar, toen die God voor mij, godloozen, Zijn' Zoon 9 ter kruisstraf overliet, Zoo groot, zoo godlijk, zoo on TA! A!!! A! 0! 0! 0! 7 TATAY MAKINAAMAAVVIATA 10 oneindig Zie ik Hem in de schepping niet.' k Aanbid U, nooit begrepen Liefde! ik zink, mijn Vader, God en Heer! aanbidding, 0 ooit bewogen, zijt, eeuwen vatten Bedwelmd door uwe grootheid, neer. 6. GODS EEUWIGHEID. WIJ ZE: Gezang 4. F neindig Wezen! door geen' tijd GEZANG 5, 6. zal, 2. Geen nieuwe Verzwelgt mijn denkvermogen. zonder tal, 100 nog niet, Voor U, in sprakelooz' Het denkbeeld, dat Gij eeuwig geen ginds en weer, waart Gij Ik meir en dicht Van Englentongen rollen; weet niet, hoe schoot zon Beperkt, of Al peinz' ik nog haar licht blijft steeds hare wereldbollen, Men hoorde nog geen lotgeDreef ik ' t ' t op nog 0 eeuwig. Up Het drooge was vlakke En toen reeds waart Gij eeuwig. A 3. Gij zaagt reeds van all' eeuwigheid,' t Aanstaand heelal verschijnen; Maar blijft dezelfde Majesteit, Wat CHAUHAVAAAAAAAAAAVA Wat word', of moog verdwijnen. lot Les * tot den worm in' t zand, Bepaalt Gij ieders en 4. Uw wereld stand, U steeds onderhouden; heb GEZANG 6. duurt reeds eeuwen voort, Maar nimmer groeit uw jaartal aan, En noemt het al Leo Uw trouw en naar uw woord, Reeds zien wij haar verouden: 5. Ja, eeuwig blijft Gij' t geen Gij zijt, A * Gij zuit, Van d' Engel ik dan te vreezen? zelf in eeuwigheid bestaan, Gij zult dezelfde blijven. op bij name. zal ik U vertrouwen. weest, haar Haast komt uw erbarming is en dood, altijd Mijn rots, mijn toevlugt wezen. E Door Mijn ligchaam rust cinde 6. Mijn ligchaam sterft, maar niet mijn geest, 11 Gij zult als uw wezen is: Heil mij! die daarop bouwe! in nood Wat Zoo eeuwig slechts voor een poos, Dien O troost! daar Gij mij Eens zal ik U aanschouwen! Dan zal HAL VAVAVAVAVAVAVIVANS AVANANVAL Vivivivivil TATATATAY VINAAMAANAVIA 12 zal ik bij U eindeloos, Volmaakt gelukkig leven. 7. Schoon alles om mij heen vergaat,' k Heb geen vergaan eeuwig staat, te toegezeid; GEZANG 6, 7. vreezen; hebt de hoogste zaligheid Ook mij, Voor Zal ik ook eeuwig wezen. uwen 50.0 8. O God! die mij d' onsterflijkheid A met kracht en moed, troon, Uw' vrienden eeuwig bereid, Laat mij daaraan steeds denken: ook mij voor eeuwig die eens zult schenken, Houd mij voor uwe komst Gij Om tot uw Waar mijn gedachten zwe- ven, Daar boven mijn troost, mijn dierbaarst goed, Die sterke mij 4 Die zij 7. GODS OVERALTEGENWOORDIGHEID. Nieuwe zangwijze. eer te leven. p bergen en in dalen, En overal is God! Waar wij ook immer dwalen, Of zitten, daar is God; Of stijgen, daar is God; Omlaag en hoog verhe- ven, Ja, overal is God! 2. Zijn trouwe Vaderoogen Zien alles van nabij; Wie steunt ор AVAHURAAA GEZANG 7, 8. op zijn vermogen, Dien dekt en zegent Hij: Hij hoort de jonge ra- ven, Bekleedt met gras het dal, Heeft zelfs Ja, zorgt voor' t gansch heelal. 3. Gij aardrijks woest gewemel, Gij, die in' t water voor wormen ga- ven, FURUHURUAAR ELE zweeft, Of onder zijnen hemel, Of in zijn' hemel leeft, to opo to Gij alle zijne wer- ken Ontdekt bij dag en nacht, In' t 13 voeden, hoeden, ster- ken, De goedheid zijner magt. 4. Roem, Christen! aan mijn slinke En regter zijd' is God; Waar' k magtloos nederzinke, Of bitter lijd', is God: Waar trouwe vriendenhan- den Niet redden, daar ELE is God; In dood en doodsche ban- den, Ja, overal is God! 8. GODS ONVERANDERLIJKHEID. WIJZE: Fransche Cantique 65.( met eene verzetting in den laatsten regel.) God! eer' t aardrijk was gegrond, Eer G'al, wat eenmaal niet bestond, Uit niet riept in het wezen; Eer d' aanvang was van plaats en tijd, Waart G'alles, wat Gij heden zijt, Oneindig, nooit volprezen. 2. En dan, als van' t gesloopt heelal Geen spoor meer over VIVIVIN Vivivivivivivivi VINAMANINAVINAHAVNAVANAVAN ATATA 14 over wezen zal, Zult Gij dezelfde blijven: Uw groot#E heid en uw wonderkracht dringbre nacht, 3. Gij zijt, en niets hemel 69 aan Verbergt geen 4 Zijn in geen perk t' omschrijven. gaan voorbij GEZANG 8. den hemeltrans, Hun zijn is als d' ontleende glans Der wolken bestaat als Gij, 5. U zelv' genoeg, U Als dampen, die buiten U bezwijk', Geen schepping, hoe volmaakt z' ook zij, 4. Gij zijt al' t geen Gij eeuwig waart, Behoeft noch hemelheir, noch aard, Noch duizend wereldklooten; Van' t zonnelicht beschenen. ondooruw volmaaktheid bij, Niets kan haar ooit vergrooten. En aard en Gij blijft; uw Evangeliewoord verdwenen: U zelv' gelijk, Schoon alles 6. Dat berg en heuvel nederstort', Schoon werelden verouden, verbrijzeld word', Dat aard en Voegt iets tot God! uw eeuwig heilverbond ongestoord Zijn kracht en stand behouden. Zal eeuwig met Dat klip en rots zee verdwijnen; Rust op een' onver verwrikbren grond, Dien niets kan ondermijnen. 7. Wat klaag ik in' t verdwaasd gemoed, Wat zucht ik dan om nietig goed GEZANG 8. leven! Wat jaag ik naar een broos genot, Als of 120 mij van geen duurzaam lot Verzeekring waar gegeven! HAAKAV VAUHURVAVARAR 8. Wat klaag ik, die uw woord ontving #to gen, volle schuldvernietiging, Door Jezus bloed verkreVan eeuwig erfdeel in het licht Van uw Jezus dierbaar bloed liefde leidt mij bij heb Van' t onbestendig vertroostend aangezigt, Ver boven aardschen zegen! 9. Gewis, mijn misdrijf is geboet, Gij hebt m' om van geheel mijn lot! den; de Genadig aangenomen; Uw Van hand, het onderpand * 10. Ja, U behoor ik, U, mijn God, Beschikker Van uw En ik, ik gena' 15 bekomen. Van U zal niets mij scheiDe wereldvreugd vergaat met haar, Maar Gij zijt onveranderbaar; Uw heil wil ik verheiden. 9. GODS AIXIXIAIRIAURIAIPURUR Ves iviviviviva ATATAN VINAVINANMAAVAAGAVAL 16 W GEZANG 9. 9. GODS ALWETENDHEID. WIJZE: O süsser Stand, o selges Leben! aar zijn de wijzen, die mij zeggen Al' t geen de hooge Godheid kent? Wat stervling weet mij uit te leggen, Waar Gods verstand begint en endt? Hem, in' t onnaakbaar licht gezeten, Heeft nimmer menschenoog gezien. Hoe is zijn naam? zoudt gü hem weten? Wat eindig schepsel noemt mij dien? 2. Zoo ik d' ontelbre starrenheiren, Elk deeltje van het licht der zon, Elk zandj' aan d' oevers van de meiren, Van hunnen oorsprong, tellen kon: Zoo zou ik mooglijk wijzer wezen, Dan immer mensch of Engel wordt, open, Maar' k schoot bij U, alwetend Wezen! Nog onbegrijplijk veel te kort. 3. Uw alziend' oogen, Heer! doorloopen' t Heelal, hoe groot, hoe uitgebreid: Voor U ligt ieder schepsel En ieder punt van d' eeuwigheid. O Gij, die wat is, wat ' t al weet op te noemen, Wat was, AVAUH GEZANG 9. wat worden zal, Wie kan naar eisch uw kennis roemen? God! uw AVAVAVAVAVAVAVAVAHVAT verstand heeft geen getal. 4. Ja, U bewondren, U vertrouwen ' t heerlijk licht van uwe wooning Is' t dat mij mijn hart gebiedt; Met eerbied mag ik U beschouwen, Maar U begrijpen kan ik niet. Naar bedriegt zijn oog, Zoek ik met onverzaadbren lust; Dat ziet G' en brengt, tot KE mijn belooning, Verstand en hart in U tot rust. 5. Uw alziend oog schrikt m' af van' t kwade, 4 eerst, zelf bedrog en huichlarij; Ik denk, Gods oogen slaan mij gade, Hoe diep ik ook verborgen zij. Voor Hem kan mij geen afgrond dekken, Geen valsche schijn Van Dat oog zou mij nog schrik ver* wekken, Waar' t mooglijk, dat ik d' aard ontvloog. 6. Wie kan zijn eigen hart vertrouwen, Zijn hart, ZOO vol arglistigheid? Gij blijft het, Heer! 17 geheel doorschouwen, Daar' t voor U naakt en open DAIHIATAIMIAURIBORURIPUAVA VIVIVIM ivivivivivi ATATAK INVAINAAMAVANAVAN 18 open leit. GEZANG 9, 10. VINA Treft Gij mij aan op booze wegen, leid mij op de regte baan; het eind de zegen Van ongeveinsde godsvrucht aan. 10. GODS ALMAGT. WIJZE: Preis, Lob, Ehr, Ruhm, Danck! neindig' God! het nietig stof 3. Natuur 0 5 zetel doortedringen, Om staamlend uwe grootheid lof, voort, lacht mij Dan spreekt, Uw almagt glorie toetezingen. Och! dat ons hart opregt uw eer bedoel', Zijn niet beseff, zijn onmagt diep gevoel'! 2. Uw oppermagt reikt verder, Heer! Dan aarde, zee, en voelt op hemel reiken; Uw adem werpt den ceder neêr, En velt de honderdjarig' eiken: Daar siddren wij, en toch vertoont die kracht De schaduw slechts van uw geduchte magt. Zoo Poogt tot uw' enkel woord 11W in Gij het is; godlijk doel beperken; Gij zet uw wijz' ontwerpen wenkt, En' t gansch heelal moet medewerken: het Zich tot uw staat Gij reeds daar, Wat immer was, en zonder U nooit waar. 4. UW CAVAVAVAVA 4. Uw wil riep zonnen uit het niet, Daar dreven AKVARVAVARUR VRHURE z' op uw welbehagen; En waar het oog uw' hemel GEZANG 10. ziet, Hij meldt de magt, die hem blijft schragen; Meldt, dat de wenk, die hem heeft uitgerekt, Hem en zijn heir ten eeuwgen pijlaar strekt. 5. Gij schreeft natuur haar wetten voor, En sints kon niets haar' loop beletten: Maar, waar' t uw ダ die wetten: EL ¢ wijsheid ooit verkoor, Onthief één wenk haar aan Dan staafdet Gij uw eindloos albestuur Als Opperheer en Schepper der natuur. 6. Maar meest in uw genaderijk Vertoont uw almagt liefdemerken; Uw lokken is geen' dwang gelijk, Gij werkt het willen en het werken: Uw liefde wekt in ons dien liefdegloed, Dat ook ons hart U eeuwig lieven moet. 7. Zoo vaak dan' t hart tot Jezus vlugt, En zich beveelt aan 19 zijn genade, Of op uw woord vertrouwend zucht, Dat ons uw bijstand koom te stade; Dan breekt uw magt der zon2* den PATATAY VAINAAMAANVIAV 20 den heerschappij, En maakt de ziel ten eeuwgen leven vrij. GEZANG 10, 11. 8. Erbarmer! o die liefdemagt Verheerlijk' zich door heel ons leven! Gij werkt al' t goed, en elke kracht Ter deugd is ons door U gegeven. Hij, die't getrouwst op aard zijn taak verrigt, Is' t meest aan U en uw gena' verpligt. 11. GODS HEILIGHEID. WIJZE: Psalm 42. eilig God! voor wien steeds waarheid, van het harte geldt; Eeuwig Licht! daar niets dan klaarheid, Niets dan vlekloos licht uit welt, 2. Heilig is, o heiligheid, o Heer! Onze harten meer en meer bestralen, zoo verhoogen, Dat zij heilig worden mogen. God! stof, wezen, uw Reinheid Laat uw Reiner, Onbekwaam tot uwen lof, zonnelicht: Englen zelfs, hoe rein in wezen, Zoo Vol van dan het ken voor U' t aangezigt: Wij zijn nietig, onrein Dekzonden, vol van vlekken, Die ons angst en schrik verwekken. 3. Nooit kunt G' iets beminnen, Vader! Hoe volkomen ' t AVAUHUR aan, ' t ons ook schijn', Wat uw heiligheid niet nader', U niet poog gelijk te zijn. Och! neem U dan onzer ven niets vermogen, GEZANG 11. Die op' s levens donkre paân Uit ons zelNiets, dat goed is in uw oogen. rein en goed, UFUFUA VAUHAT D 4. Wat uw rein verstand ooit denke, Dat is heilig, * Wat uw wil tot aanzijn wenke, Dat 9 is heilig, rein en goed: Ons verstand is zwak en klein, Onze wil is diep onrein; Ach! dit moet bij zoo veel vlekken, Smart en vrees in ons verwekken. 5. 0, verzacht die vrees, die smarten! Is hier onze kracht te klein, Schep Gij zelf ons reine harten, Gij troon, zijt rein, maar maakt ook rein: Wasch ons diep 21 onrein gemoed, Wasch het rein in Jezus bloed, Heer! uw goede Geest geleide Ons verstand en harte beide. 6. Heilig' God! doe ons gelijken Naar uw godlijk deugdenbeeld: Heiligst! alle smet t' ontwijken Zij, wat hier ons' t meeste streelt, Tot wij eens voor uwen Gansch verlost door uwen Zoon, Onder rei ViViv AWIN. FAMARAVAALIA AVANAN 22 GEZANG 11, 12. reine Hemellingen,' t Heilig, Heilig, Heilig zingen. 12. GODS GOEDHEID. WIJZE: Psalm 66. goedheid Gods! nooit regt geprezen! Heet hij een mensch, dien gij niet treft? Hoe snood ondankbaar moet * hij wezen, Die' t hart niet vrolijk tot U heft! Neen! alles aan God dank te weten Zij steeds mijn pligt, mijn werk, mijn lied! De Heer heeft nimmer mij vergeten; Vergeet, mijn ziel! den Heer ook niet! 2. Wie wou mij wonderbaar bereiden? mij niet noodig heeft. Wie wou mij zoo geduldig leiden? Hij, wien mijn hart zoo vaak weêrstreeft. sterkt in mijn gemoed den vrede, Wie schoort mijn geest met nieuwe kracht, Die God, die Wie Wie deelt mij zoo veel zegen mede? Is' t niet zijn arm, zoo sterk van magt? 3. Sla' t oog, mijn ziel! op' t ander leven, Uw toegewezen erfenis, Waar gij, met heerlijkheid omgeven, God eeuwig ziet, gelijk Hij is. Die hoop mag u met regt yer VAVAUHAVA verblijden,' tI's u ten duren prijs gekocht: Want daarom GEZANG 12. moest de Christus lijden, Opdat gij zalig worden mogt. 4. En dezen God zou ik niet eeren, Ik zou zijn AVANAVAVAHAR goedheid niet verstaan? Hij zou mij raden, ik niet leeren? Den weg, dien Hij mij wijst, niet gaan? Zijn wil bestier' mijn hart en zinnen, Zijn woord blijv' mij bestendig bij! God moet ik boven alles minnen, En mijnen naasten, ZOO als mij. 5. Dit is mijn dank, dit zijn behagen, Ik moet 3 volkomen zijn als Hij; Mag ik mij naar dit doel ExLeeft zijne liefd' in mijne ziele, zwakheid viele, gedragen, Dan prijkt zijn heerlijk beeld in mij: Zij leert mij * doen, wat Hij gebiedt, En schoon ik vaak uit steeds voor in' t goede, 23 Toch heerscht in mij de zonde niet. 6. Dat uwe zorg en trouwe hoede, Mijn God! mij Die sterke mij gestaag oogen zij! * Dat ik U heel mijn leven wij'! Die Ves TALATA ATAY ANINAVINAAVIA Die leide mij in blijde dagen, Die trooste mij in En leer' mij zonder schrik veraaklig denkbeeld van den dood! tijd van nood, dragen GEZANG 12, 13. Het 13. GODS GETROUWHEID. Nieuwe zangwijze. od sprak( men stell' op berg en rots Zijn woord in eeuwig schrift; En ieder, die dat schrift aanschouwt, Die leze, wat Hij sprak:) 2. ,, Eens wordt de sterkste rots vergruisd, E ,, hoogst gebergt stort in; Maar mijn , verbond met u, 3. ,, Treedt heen door gloeijend vuur en vlam, ,, waterstroom en zee; Opregten! wankelt ,, schaduwe des doods; ,, bergt in zee verzink', ,, ik ken die paân, Ik zal daar bij u ,, zelfs geen hair, En' t water schaadt 11 niet. 4. ,, Treedt stout door' t ijslijk schrikdal heen 5. ,, Schoon' t alles' t onderst boven raak', En' t vuur verzengt 11 En' t En d' genaaard niet. Vreest daar geen kwaad, Door zich Der zijn. ' t Geuit ,, baar AAAAA ,, haar plaats verzett', Ik zal uw toevlugt zijn!" 6. Elk leez' dit als het woord van God, en GEZANG 13, 14. En neem' t geloovig aan: onwankelbaar geen berg, 7. Ja, zijn verbond staat eeuwig 1s, wat Jehova spreekt. geen rots: Want eeuwig sterflijk oog, vast, Zoo staat En toeft Hij al, Hij kent zijn' tijd, Hij komt, Hij komt gewis. VAN DE SCHEPPING EN VOORZIENIGHEID. 14. LOF DES SCHEPPERS. WIJZE: Psalm 36. 25 eindelooze Majesteit! W' aanbidden uwe heerlijkheid, Zoo groot, als onbegonnen! Zijt Gij bedekt voor' t Uw naam gloeit aan den hemelboog In HUBUHVAT duizend, duizend zonnen. O hemel, aarde, zee! hoe luid Roept gij uws Scheppers glorie uit! In u zien Hem onz' oogen: Gij meldt een wijsheid, die niet feilt, Een liefde, die geen Engel peilt, Een eeuwig alvermogen. 2. Wie livivives AVINANANAVANNAHAV Vivivivivi ATATATATA 26 2. Wie bragt, o licht! op' t enkel woord, GEZANG 14. verborgen? u uit zijne schatten voort, Toen gij nog waart O starren! die den donkren nacht O zon! wie teekend' u het spoor d' ongemeten ruimte voor, En roept u elken morgen? Verheerlijkt door uw stille pracht, Wien volgt gij op zijn wenken, En loopt en wendt in uwe vaart, 99 ,, Wij allen zijn van zijn verstand Wees!" strijd geschaard, Op' t woord huns veldheers zwenken? E wij voelen ons in' t stof, 3. ,, God, God!" roept elk, ,, ons wrocht zijn hand, ,, dachte!" Dus juichen z' allen uwen lof, prezen. Als benden, die ten Door Een enkele geEn wij, Oneindig'! uw geslachte. Wat nacht zich om ons henen stort', Een wijz' 4. Ja, groote Schepper van' t heelal! en liefdrijk' oorzaak wordt Ook van den mensch geO stervling! hoe gij hier ook schreit, God riep u tot aanwezigheid, Het doel moet godlijk wezen! W' ontzonken door HVARIAVA door den diepsten val Aan onzen eersten luister. F Ons eens ZOO De trekken van uw heerlijk beeld, glansrijk meegedeeld, Verzwolg een aaklig duister: Maar in dien nacht van' t bangst verdriet ren, GEZANG 14. en ken w' aan uw liefde niet; Wij durven wederkeeons ' t bloed van uwen Zoon, Ook als Herschepper eeren. 5. Nog spreekt uw almagt: ,, Er zij licht!" duisternisse Daar w' U op een' genadetroon, Gegrond in ons, zwicht Ontzon27 En onder eenen tranenvloed, Dien' t waar berouw Dan zien w' in Jezus onzen door In onze donkre harten, En nacht weenen doet, Kiemt ons geluk uit smarten. Heer, lieven Vader weer, Die alles heeft vergeven: In U den U ter deugd bereid, Door En deze VARAL zichtbre schepping leidt Tot een onsterflijk leven. 6. Hoc blinkt in bloem, in gras, in kruid, Dan een weldadig' almagt uit, Waarop wij veilig bouwen! Hoe Ves TATAY ANA AVIVAVIVAAMAUHAVAUFVA 28 Hoe blinkt ons dan in zon en maan loutr' ontferming aan, GEZANG 14, 15. de werken uwer hand, Gij houdt wat G' eenmaal schiept in stand, lage stof des doods, wij, een prooi des diepsten neods, 7. Hoe heerlijk zijn uw Die uitlokt tot vertrouwen! orde. E U loov', U prijz', U eer', Oneindige! niet zinken. H een' hooger' trap van deugd, En starren worde! Gij schept uit lijden hemelvreugd, Een eedler schepping blinken. werken, Heer! U dank', bij' t heil ons aangebragt, Wat is, wat O zaligheid van ons geslacht! Zien uit het En laat Hier lof Ook oe blinkt uw majesteit alom En uit verwarring 15. LOF DES SCHEPPERS. WIJZE: Psalm 36. was of Uit zond' Hoe zwijmt en dank te gader! În Adam door den dood geveld, 手 zus schooner weêr hersteld! Lof, Halleluja, Vader! heiligdom Der schepping, eeuwig' Koning! in JeIn' t onbegrensde Straalt ons MAVAVARVA TEX ons bij nacht de hemel aan, Dan zien wij maan en sterren staan, Als wachters voor uw wooning; Verlicht de zon ons oog bij dag, Zij leert ons, vrolijk met ontzag, wen; GEZANG 15. uwe volheid mededeelt, En uitlokt tot vertrouwen. In haar uw licht aanschouZij is de spiegel, die ons' t beeld Van 2. Bij' s werelds aanvang sprak uw mond:, Het licht ,, zij daar!" en' t was terstond, De duisternis werd luister: Zoo zal eens' t heil ons toegezeid, Op uw bevel, met majesteit Verrijzen uit het duister. Ete Heer uw licht zijn' zachten gloed In ons verkieumd en stug gemoed, Door levenswekking, toonen; Dan schijns, ook bij nacht, zal ons hart, dat U verwacht, In' t licht uws aanwijsheid en leven; 3. In mensch en dier, iu bloem en kruid Laat, vermogen uit, 29 Getroost en zeker woonen. nimmer ledig, nimmer moe', Blinkt Uw liefde schept hun Aan' t schepsel reikt Gij voedsel toe, En, Stelt Gij uw eer in VAVAVAL LAVINAVIAVIM AVIV. 30 GEZANG 15. ' t geven; Dit predikt ons het gansch heelal, En zee, en woud, en berg, en dal; De stemmen vloeijen ** zamen; Zij roepen luide: wordt verlicht! En zeg, o mensch! met toeverzigt Op Gods beloften, Amen. 4. Nog heeft de schepping schooner' glans Voor ons, nu wij aan' s hemels trans De wooningen aanschouwen Van Hem, die schuld om niet vergeeft, En daar als onze Vader leeft, Aan wien w' ons lot be5. De rijke, vrolijke natuur trouwen:' t Verhelderd oog zoekt nu alom, zus in dat heiligdom, Door' t stil geloof, te vinden; Tot Hij ons zelf in heerlijkheid, Door' s heOm Jemels ruime velden, leidt Als zijn verhoogde vrinden. Doe ons haar schoonHoe meer heid, uur op uur, Vollediger bevatten; zij ons den Schepper toont, Нос meer zij onze vlijt beloont, Hoe hooger wij haar schatten. zoon beschouwt zijns vaders magt, Zijn' rijkdom, wijsheid, liefd' en pracht, Met oogen nooit verzadigd; Hoe Een HVAHUR GEZANG 15. Hoe scherp beluistert hij die stem, Die van zijn' vader spreekt tot hem, Zijns vaders eer verdadigt. 6. Als wij in stroom of waterval, In zee, in storm, bij rots of dal Gods majesteit bewondren, Dan zwelt een traan in' t kinderoog; ren wij omhoog HUAVA VAHVAL Ja, moedig hooDen God der eere dondren. Is Hij een God, die ons behoedt, Maar elken vijand vlugten doet Als golven voor de winden; Dan is Hij' t ook, aan wien w' in nood, Ook in den strijd met hel en dood, Een rots der eeuwen vinden. 7. Vertoont ons worm, en rups, en mier, en mug, ja' t kleinste dier Zijn wijz' En vlieg, * en goede wetten; Dan stremt ons onze kleinheid niet, Om ons vertrouwen, bij verdriet En leed, op Hem te zetten. 31 In Jezus Christus zijn wij groot, Hij Midlaar, ' s Vaders Troongenoot, Verhoogd' ons tot zijn leden: Zou God, daar Hij zijn' Zoon bemint, Aan hen, die Hij in Hem bemint, Zijn' rijkdom niet bested P 8. Laat 201 AVANANANINVANINAAMA AVAVAN 32 8. Laat eens de glans van zon en maan relds avond ondergaan, ken, zal eerst voor' t verhelderd oog De schepping zigtG GEZANG 15, 16. baar spreken; Daar zal natuur op ieder blad, Dat Hier is de wijsgeer slechts hier Jezus meest bemint, ten; zij op aard verzegeld had, Geheimen ons doen lezen. # h ¢* Als' t Lam de kaars is daar omhoog: den, FLO * te; Ons zal geen licht ontbreken t' achten, Het gansch 2. Hij spreekt als Heer, od is mijn lled, 16. GODS VOORZIENIGHEID. WIJ ZE: Gott ist mein Lied. en orden Bij' s weHij is de God der krach* Heer is zijn naam, groot zijn zijn werheelal is zijn gebied. 3. Zijn kleed is' t licht, Daar een kind; Maar die Zal daar de wijste wezen. Hij heerscht En Hij spreekt als Heer, en uit zijn' stand Keert alles tot zijn niet straks weer. wereldstelsels worals God, En zijne keus de besen zijnes zetels ves veste d' eeuwen zen, AVAUHURAH 4. Oneindig rijk, Volzalig, nooit volprezen, Voor mel mel, 0 Heer! wie is aan U.gelijk? 5.' t Zij klein of groot Op aard, in zee of hezegen, GEZANG 16. geve, Is op de trouw en' t regt gesticht. 6. Om mij in' t rond zweve, ten UAVAVAVAVAR God, om eeuwig God te weHij kent het al, al hun gemengd gewe7. Steeds aan mijn zij', Wat is, of was ligt voor Hem bloot. geven, * mijn wegen, En mij, en u kent Hij gegrond. € Hij geeft mij betrachten, Schept Hij mij rust en kracht en hulp op al Waar ik mij ook beWaar ik omhoog, waar in de laagte 8. Hij kent ons hart, Ons wenschen, bidden, smachAl waar ik ben, verzelt Hij mij. Wat kwaad wij doen, wat goed wij ooit En ijlt ter hulp in onze smart. 9. Hij woog mij af, Wat mij zijn guust Woul Schreef in zijn boek, hoe lang ik hier 3 33 zou Viva !!!!!!! ATAY VAMA 34 Eboo zou leven, 10. Niets, # 11. Wie aan U denken, geschenken, Mijn hart, pronken? len; dalen! AVAN 500 13. Gij is niets kent geschonken, 12. In gras en halm Lang, eer Hij mij het aanzijn gaf. # b ¢ 0 lerwegen, GEZANG 16. ' t mijn, wezen, Verkondigt het drenkt En Waarmee de pracht, wijn, en zegen 14. Valt hier op aard 0 Uw lof op mijne lippen zijn. Elk stofje zelfs, dat G' aanzijn hebt land alles Maar dag en Heer! zal eeuwig Gij lucht, gij zee, gij velden, bergen, Gij zijt zijn loflied, gij zijn psalm. Schenkt blijdschap alGods uw zijnes Scheppers Zien wij zijn wijsheid pra15. Is God mijn schild, nacht, wondren en magt. koorn wille, Heer! dat mijn hart zich met dien troost en Ontvangen wij van uwe hand. Geen musch, dan met uw dan stille, Dat d' eigen zorg ook mij bewaart. Wil God mijn Redder Wat heb ik dan met mijnen God te vree DAAAAAH W vreezen, Wat woede d'afgrond om mij spilt? En 17. GODS VOORZIENIGHEID. WIJZE: Wer nur den lieben Gott läszt walten. GEZANG 16, 17. ie maar den goeden God laat zorgen, op Hem hoopt in' t bangst gevaar, bij Hem veilig en geborgen, Dien redt Hij schen dag: godlijk, wonderbaar: Wie op vertrouwt, Heeft zeker op geen zand gebouwd. 2. Wat baat ons al' t zwaarmoedig vreezen? Wat den Heer baat ons' t zuchten, wee en ach! ons kermen wezen, Al kermden w' ook den ganHij wil; vrij, Is P zijn' raad geleiden, Hij Drukt maar te meer, hoe meer men klaagt. 3. Men blijy eerbiedig God verbeiden, den hoogen God De last des jammers, dien men draagt, Vergeefs zou al weet, ootmoedig stil; Hij zai ons naar En zwijg' ' t is goed en heilig, wat Vertrouw het aan zijn wijsheid 35 wat elk het nuttigst zij. 8* 4. Zeg NARVAE Vivivivi AVIANINANTANAVANU 36 4. Zeg nimmer in uw droefenissen, ,,' t wel gaat, is # ,, zijn liefde missen, God bemint. schijn', 5.' t Is ken # 640 en doet 6. Treed GEZANG 17, 18. ligt voor rijk? Ligt ziet, W Gods kind; Wie klagen over ongelijk, Als Hij den rijeindlijk alles u Hij toont eens, wie zijn kindren zijn. arm wil maken, daarop wacht: God, Hoe donker hier Gods weg ook ,, De man, dien Ik Want voorspoed volgt dien en moet gewis neem uw' pligt getrouw in acht; wie zal' t wraken, in' t geen niet Of ook den armen groot Voor ons de kiem van' t heilzaamst goed? il, groote vrolijk voort op' s Heeren wegen, verlaat ons treuren ten zegen, Wanneer gij biddend En ' t Wordt Wie steeds geloovig op Hem Begeeft, 18. GODS VOORZIENIGHEID. WIJZE: Fransche Cantique 86.( met verandering van den derden regel.) niet. eeuwig Hij God! in onze lofgezangen Den CAVAUHAVA L Den diepen dank ' t Welk jesteit, X Ons 2. Uw alziend oog aanschouwt ons in genade, Het GEZANG 18. slaat ons steeds alom naauwkeurig gade; Terliefd' wijl uw gunst, waardoor al' t schepsel leeft, van nietig stof ontvangen, Gij, ZOO hoog, ZOO groot in ma3. Voor onze voet baant Gij ons effen wegen, te, Bekroont met heil en goedertierenheid. Gij bestrooit met heil en milden zegen; 4 leidt gij ons, 140 5. Gij leven, vreed en vreugd, ja alles geeft. Die 4. Nooit voelen wij de kleinste zielesmarte, De Die ons Dus flaauwste wensch ontstaat nooit in ons harwat eer! met uwe hand, Vol en trouw, naar' t hemelsch vaderland. duldt, Niet straks geneest, of liefderijk vervult. Die Gij, ZOO' t maar uw wijze liefde ziet de kracht, het woelen onzer lusten, 97 zoo zeer, zoo menigmaal ontrusten; Gij ziet VAURVAL IV. FAHAMAVALGA 38 ziet het ook, hoe En # b ¢ 0 den, den, kent den Dan 6. Gij weet, hoe graag wij naar uw voorschrift leef$ En naar het doel van onze roeping streefGEZANG 18. strijd daartegen voelen wij, dat zeer dat kwaad mer ongeval, En, welk een troost! als onze voet vertraagt, Tot leidt Gij 7. Voert Gij ons ooit in ongeval of lijden, aan, schikt den strijd altoos naar onze kracht, uwe geeft Gij ons een zwaren strijd te strijden, Gij van ons, ons tot ' t wordt ons heil, hetgeen men rampspoed dacht. 8.' t Bepaald getal van onze levensjaren Zult Gij ons, zelfs elk' oogenblik, bewaren; Zoo staat het vast, dat nimons hart. kracht ons schraagt. Met eene trouw, die alles wel zal maken; zelfs smart, 9. Zoo ziet Gij ons, zoo blijft Gij voor ons waken, in, Of menschenhand ons leven korten zal. door tot over Of En graf den grootsten nood, en Zoo dood. 19. GODS AVAVAVAVAHAAKAAVAVAVAVAVARVAT ten tijdstip hebt 19. GODS VOORZIENIGHEID. WIJ ZE: Auf dich, mein Vater! will ich trauen. ( veranderd.) en menschenmin; God! gelijk Gij ons het leven Ten regduren, keurig d'uren, Hoe lang ons aanzijn hier zal 3. De in uw hand; ademhalen, dalen, 2. Wie, wie van alle menschenkindren uw' vrijen raad verhindren? kel Met GEZANG 19. griefde, gegeven Met wijsheid, magt liefde, Zoo telt Gij ook naauwwijsheid, magt en menschenmin. wijslijk toegedeeld; 4. Gij hebt, ze rampen en bezwaren, Uw wenk maat van onze levensjaren, En, Uw wil, uw raad houdt eeuwig stand. Geheel ons lot is doet, Uw wenk doet ons ten grave Kan ooit Heer! ons Van onHebt Gij ons Uw tuchtigen was enGij hebt die wonde weer waar de smart ons immer geheeld. 0 albestierend' Koning! De plaats 99 beivivives ATAY MAAHANMAZA 40 bestemd van ieders wooning, in hij werken moet, zegeningen, gen; 5. Wat En troonen zinken, GEZANG 19. Die wij blijft in eeuwigheid regeren, 6. O Vader! wat afhanklijk ons hier beneên; verhooren, verloren: schen 7. Laat nimmer al, wat Gij bepaalt, is * De maat bepaald dier uit Dan Heer de majesteit:' t Moet alles voor uw wenontrukken; Maar deze magt werkt ken bukken, Niets kan zich aan uw magt uwe hand ontvinDen kring, waarder den naar wijsheid Uw wij ooit bedoelen, dood; heeren! G' onze dagen moogt vermeêren, kent ons te dwaas Uw is de kracht, te voelen Zij onze blijdschap was' t geluk voor Woudt G'altijd onzen wensch In goed. Gij zaligheid. Van begeeren, heil ons U uwe hand ons alleen. Dat Noch jagend wenzijn w'al MAVAVA heilig, w' altijd veilig, Al wat Gij doet is wijs en 8. Leer ons dan steeds besteden, den, 9. Zoo zal ons En liefd' is al, wat Gij besloot. uw bestelling hope bouwen, Geef ons, * wij den kostbren tijd Getrouw in uwen dienst Door GEZANG 19, 20. vrolijk op uw uw 0 op U FVAVAVAVARAVAR vertrouwen, of ongeval, de schaal ven, vroeg of spade, Om Jezus Om door' t geloof Hem natetreOp toekomst wachten; wien Gij onze Vader zijt. ons steeds voor U bereid; Zoo zij ons sterdat hart den dood verachten, En Och! houd genade, 20. RUST IN GODS BESTUUR. WIJZE: Psalm 134. bloed, door Een ingaan in de zaligheid. ns hart verheugt zich, dat bij God' t Bestuur is van geheel ons lot, Dat Hij ons vreugd, Naar wij behoeven, zenden zal. 2. Hij, die ons gansch bestaan doorziet, Houdt ook van ons verdriet; Zijn wijsheid weet, 41 of DAIRIATRIXIAIRURORIAURUAVAU KORVAVADIVAVIVES JAVAVANA VIVIM SOOTATATATAY AHAHAVIN 42 of ongeneugt 3. Hij, die zijn' eigen' weg wil gaan, Ziet dwaallicht vaak voor starren aan, op schijnsel door, Dan dwaalt hij ligt van' t regte spoor. 4. God kent alleen het naaste pad, gemoed, ¢ 5. Daar die ons de hemelstad; ons GEZANG 20. Ons best bereidt voor alles, 6. Hij, die nimmer Of smart, Hij En, gaat hij op dat weet, leidt ons hemelvreugd. of blijdschap voordeel verwachting in ons leeft, verlaten zal, ons opgeleid, Ons vormt tot hooger zaligheid. door' t aardsche wanneer in ons wat Hij geeft; Wijl elke last, 8. Als wij de doodsvallei Dat uitloopt Heeft elk aardsche vriend alleen; zijne Behaagt betreen, doet. dal, trouw verpand Voor onze komst in' t vaderland. liefd' en 7. Waar ons geen schepsel helpt, helpt Hij, alles vlugt, staat Hij nabij; in nood en strijd, Blijft Hij dezelfde t'aller tijd. Die Laat in rust en vreugd, Maar Hij, de Als ons beste vriend OHVRUHURAAAAAVAVAVAVAVAVAVAVAVAL vriend vertrouwen in nood, F 9. Komt! treen wij dan gemoedigd voort, 조 op zijn H GEZANG 20, 21. Verzelt ons over graf en niet met al; sta, woord; Hoe moeilijk weg ook schijn', Het eind zal zeker zalig zijn. 21. TEVREDENHEID IN GODS BESCHIKKING. WIJZE: O gesegnetes regieren! blinken, eilig, heerlijk Opperwezen! Die het groot heelal gebiedt, Alles moog verdonkring vreezen, dood. In vast ons de dat vreest uw luister niet: Zitten wij in treurig duister, Nog behoudt dat eeuwig licht Al zijn'glans en al zijn' luister, Waardig aller lof en dicht. 2. Gij alleen zijt alles waardig, Wij, die stof zijn, Alles zij ten dienst U vaardig, Doe dan vrij al wat Gij doet; Maar 43 dan of het vall'; Zoo uw luister maar mag Of het Of wij drijven, of wij zinken, Wat Gij doet is even goed. 3. Zou die ootmoed ons niet voegen? Wij zijn niet, N dan voor den Heer; In uw' wil is ons genoegen, En ons heil is in uw eer, En uw eer in al uw werVOS Vivivivi PALATAY MAHARVAVIATA 44 GEZANG 21. werken, Zelfs als Gij ons zinken doet: Kunnen wij uw' lof maar sterken, Wat Gij doet is even goed. 4. Diepe wijsheid zijn uw paden, of paal Zijn, o hooge God! uw daden, Zijn uw Wijsheid zonder eind wegen altemaal; Zijn ze zuurheid, zijn ze zoetheid, Wij aanbidden, zwijgen stil: Want de wezenlijke Goedheid Maakt het goed met dat Zij' t wil. 5. Wie zou dan uw doen bedillen? Kwaad, zegt somtijds ons gevoel Op uw godlijk doen en willen; Maar den ramen, die wijsheid mist haar doel. Konden w' ooit de reWaarom dus de Hemel koos 6. Vaak, door eigenheid bedrogen, 9 Ach! hoe zonden wij ons schamen, Onze zin bleek zinneloos. Waanden wij, des Heeren eer, Wijsheid, goedheid, alvermogen Bleek op andre wijs veel meer; Maar wij lieten ons verleiden, En wij feilden in dien vond, Omdat anders, dan wij zeiden, In dien raad geschreven stond. 7. Raad, dien schepslen nooit doorgronden, Raad, waardoor CAVAUHAVA GEZANG 21. AVAVAVAVAVAVAAVAL door de hemel staat, Onuitspreeklijk wijze vonden Van des aardbols wigt en maat, Waardoor' t al is afgeteekend, Kunstig op zijn plaats gesteld, Eeuw en dag en uur berekend, Starrenheir en stof geteld. 8. Onbegrijplijk hoog beramen, Raad, waarnaar de hemel zweeft, Al het schepslenheir te zamen Zich veren beweegt en roert en leeft, Die de raadren en de Van dit magtig uurwerk drijft, Zoo dat, in hun talloos keeren, Niets verwrikt, of achterblijft. 9. Ja, wij bukken voor dien wijzen, Dien bepaalden raad, die wis Al ons lieven, al ons prijzen, Meer dan alles waardig is; Wie zou ooit, om eigen voordeel, Wenschen, dat die keten brak, Of dat schatten in zijn oordeel Ligter, dan zijn ongemak? 10. Nutter ging nog, een' der dagen, Dit geheele wereldrond, Dan uw godlijk welbehagen, Dan een stip daarvan, te grond. Hier verdwijnt, wat ooit moog 45 blinken, Vrienden, rijkdom, eer of staat, Laat het valDAVAURUAUKURVAVAVIVAVives AVIVAM Vivivil LAVAVAVAVAVAV 46 vallen, laat het zinken, Niets besta dan deze raad. 22. DE BESTE KEUZE. WIJZE: Glück zu, Creutz, von gantzem Hertzen! de ust, mijn ziel! uw God is Koning, wereld zijn gebied; wenken, 2. Ieder GEZANG 21, 22, 23. ze dag aan woelt hier Maar tevreden met dag, at Hij om En Alles zelf lot; uw verandring, Hunkert naar zien zal, Wenscht terug' t geen hij wisselt zwoegt een 3. Rust, mijn ziel! uw God is Koning, verandert Zie, op hoe * wijsheid, die geen' eindpaal heeft, En betreurt het geen hij handvol stofs, Heel alles zijn eens zag. 4 niet. verandert, verlang alleen naar 23. TEGEN ONMATIGE ZORGEN. WIJZE: Wenn mein Stündlein vorhanden ist. tot zijn' wensch En klein ontwerp te schikken! W Bezield voor oogenblikken, Om hier de toekomst naar Wees hier God. mensch Daar En tijd en eeuwigheid doorzweeft,' t Heelal bestuurt en re- gelt. 2. Een AVAVAVA 2. Een blik op d' eindelooze baan Van' t vast gesternt daar boven, Waar zonnen op Gods wenk niets vermag, ontstaan, En op Gods wenk verdooven, Stelt mij * mijn kleinheid in den dag, Die luttel weet, die 3. Mijn ziel! pleeg met d' ervaring GEZANG 23. Oog Jozef, Mozes, David na, stondig leven? hoeft, En toch met God durft twis- ten. uw klagen prijzen; Hoe vaak deed God uit kent schijnbaar kwaad Het heerlijkst goed verrijzen! HAAVAVAAAL raad, * op Golgotha, En leer Gods weg 4. Waartoe u dan beangst, bedroefd zinbedrog, Dan wordt Staar Jezus aan aanbid- den. In dit kortUw Vader weet, wat gij beEn zal' t u zeker geven. Alleen Hij uw duurzaam nut; Zijn wijsheid blijv' in nood uw stut, Op haar verlaat g' u vei- lig! 5. Wat ziet gü van de toekomst toch, Wat van den dag van morgen? Uw vrees en hoop zijn En dwaasheid al uw zorgen. Volbreng 47 alORORVAVAVAvivives VIVIVIVAVĀVANĀVIVAM Viva VALS VIVAHAAVAVINE 48 alleen getrouw uw' pligt, En eens wordt u het duistre licht, 6. Uw uws aan stout vermeten; ten verdre $ Gods Wat zorg GEZANG 23. d' uitkomst hier is louter ' t geluk van' t groot geheel onderdeel, Zijn loos licht zelfs Het miertje Of waant g' in' t liefdrijk plan trots, liefd' Heilands bloed, aanschouwen, moog 7. Zou ik, wie ooit hier twijflen moog, Uw trouw, woog, Om mij uw' Zoon te schenken; vergeten? Neen, mijn God! verdenken, Nadat uw goedheid U bewe- zen. 8. Maar, Vader! daar wij om u heen Uw pogen omvat die al- len. Strekt ieders heil ste twijfling waar hier hoon; Of zoudt Gij met Zich naar uw' eigen' Zoon Niet alles aan mij schen- ken? Wat, 9. Dan rust ik in uw' Vaderschoot De flaauwEen vlekdan een gewiss' alleen, Kan ooit op U vertrouwen? geef, dat mijn onrein gemoed, Ontzondigd in mijns rein Och uw wetten rig- te! Met al mijn angst VAAVAAZ dood angst en zorgen; mijn eenig al, GEZANG 23, 24. wat mij ooit ontvall', In uwen Zoon geborgen: Dan blijft Gij, Mijn rots, mijn deel, 24. hoop bedekt, Dan ben ik boven nood en HURVAVAVAVAVAVAVAZA Voor dit en' t eeuwig le- ven. ls de nacht van bange zorgen' t Uitzigt uwer gesmaakt, BEMOEDIGING. Nieuwe zangwijze. Ons, uit dezen nacht van zorgen, nieuwe zorgen wekt: Als de lichtstraal van den morgen Slechts tot ben uwe magtig' armen by Ach! wie geeft dan nog voor menschen Trost in zulk een bitter lot? Ja, by aan d'eindpaal uwer wenschen, Christen staat er hulp voor menschen, Staat uw Vader en uw God. & boo Z dit veege 2. 0! wat hoop aan u in' t leven, In jammerdal, Op uw moeilijk pad gegeven Tot een leidstar door dit leven, Als' t u donker vallen zal! Jezus! in uw magtig' armen Wordt de zoetste troost by Als zich niemand scheen t' erbarmen, Heb49 IJzren ketens losgemaakt. 4 3. Ноор VAVAVARVA AVI iViVil 50 3. Hoop op Hem! uit al de zorgen, vig aarde geeft, E gen, leven, zonder zorgen leeft. G dat leven, voor d' uitkomst beven; Dat men, na een' nacht van zorgen, oby ES GEZANG 24, 25. is eef, nog groot, 25. Rijst het licht eens van dien morDoor dit donkre tranendal, Doe u niet boy drukt, Die deez' droeSterveling! de weg door' t altijd moog staren; Wat leed blijft bij het leed Waar men nooit meer zorgen zal. ONDER RAMPEN. WIJZE: Gezang 4. al mijn lijden bo Kies dien Leidsman naar Jezus! dat ik in mijn' nood Op 2. Zou, met het oog Eeuwig Dat U is wedervaren? klein, En tot E lig, ik onrein, Ik niets dan rampspoed waardig. Daarbij Heer! is weldaad, Gij waart heiU gewend, Mijn hart nog angstig klagen? Gij hebt van mijn verdiend' E ellend Den zwaren last gedragen. Wat mij nog Het zuivert, heelt, maar OHJAUHURAAAAAAA maar doodt niet meer, Geheiligd door uw lijden. 3. Door GEZANG 23. U geleerd ken ik in God Den allerbesten vader, En ieder Brengt mij zijn liefde nader; en rein geluk: op door ramp en druk, Tot onspoed in mijn lot Neen, Hij leidt mij ware deugd Daarvoor zal ik Hem danken. 4. Zou ik, in' t prangen van mijn' nood, Den bittren heildrank schroomen, Daar Gij door uw' verzoeningsdood Het wrangst aan hebt ontnomen? starend op dat liefdepand, Kus ik de vaderlijke hand, In' t midden van mijn lijden. zegt mij aardsch' ellend? 5. Mogt ik maar onder tegenheên In deugd en godsvrucht winnen, En U, mijn' Leidsman hier beneên, Steeds vuriger beminnen! Met U, wat Met U bereik ik ' t zaligst end, Met U blijf ik verwinnaar. 4 8. Zoo juich ik midden in' t verdriet, Waar andren HAP TALAY AAAAAVING 32 dren angstig vreezen. mij niet, Dat ik, ziet, alleen geloov', ten ken, # L ¢* van niet tranenbeken zorgen, GEZANG 25, 26. Kastijd mij, waar' t moet Aan voor eigenliefde doof, Gij! die mijn ellende, 26. ONDER RAMPEN. WIJZE: Psalm 130. Tot wien ik d' oogen mij nog open mij redding aan, En De Mijn verdriet, Verhoor, 0 Van Waar alles mij ontvlugt; aan leen te zien, 3. Och! leer mij Vader! och 2. Ach, Heer: waar straalt erbarmen, uw trouw, 0 staan? nood, Dan in ' t hart, dat Mijn die' t uwe liefd' 4 Mijn bange dagen wende in nachverlaat God! mijn smeewezen; voor U verborgen, Die mijne Aanschouw de tot U zucht. angst en Vader! uw Vaderarmen, Waar lacht hart beknelt, in mijn nooden Op al tranen U Mijn' eigen' wil te dooden, Die mijn Zijn telt. alEn HIIL d'u gen, d uwen hulde biên. Toon mij bij al uw slaDat Gij nog vader zijt. Wat kan mijn hart niet dragen, Zoo lang m' uw wil verblijdt? bron en steun mijns levens, Mijn Vader 4. Ja, en mijn God! Uw liefd' en wijsheid tevens AAAAAAA Bestuurden steeds mijn lot. Wat rampen mij Wat om mij zamenspant, De bebe ker van mijn lijden Komt van een vaderhand. bestrijden, den 5. Ook bij mijn bangste smarten Blijft G op mijn heil bedacht; Gij plaagdet nooit van harten Het menschelijk geslacht: Het leed, dat zelfs door HW kwaad GEZANG 26. Er een boozen Hier strekt tot tuchtiging, Werd 6. Gij huwd' aan zonde smarte, 4 hand gekozen Tot hun verbetering. hier pijn, lijden, Aan zeedlijk Opdat in' t eind hun harte aan gespeend zou zijn. Dan juichen z' om Dat ZOO veel heils verving, 53 Daar Englen zich verblijden Om hun verbetering. 7. En HAVAL WEATATATATAT A! A! O!! ATATATATAK 54 AVAI 7. En zou uw vaderhand aanschouwt? naam vertrouwt, Als' t onder uwe slagen toen 조 mindren Van' t hart, aan U gewijd? obo liefste kindren, 8. Ja, Vader, trouwe versagen, dan' t hart en mond: Nooit was verbeide, treên GEZANG 26, 27. eer op Wij G' ons lijden zondt. ons, Vader! Dat ons wilt leiden, Zou ramp de hoop veruw liefd' uw geleide Gerust op Die Gij het meest kastijdt. Wat ons hier * stellen' t in uw hand, uw' Neen!' t zijn Reeds juichen hart ons nader, naar Een 27. ONDER RAMPEN. WIJZE: Psalm 77. Dan nog En ' t vaderland. Vader! U verbeiden, Volgen, waar Gij Steunen op uw trouw en magt, Psalmen zingen in den nacht, Hooren, wat Gij ons wilt leeren, Uw bevel met daden eeren, En, voor d' uitkomst willig blind, Stil zijn als' t gespeende kind. 2. Leer ons warsch zijn yan het zorgen Voor den nade VAVAVAU derenden morgen, Bij het kwaad, dat ons ontmoet, Stil gelooven, God is goed: Biddend waken, moedig strijden, Needrig wachten, hopend lijden, Vrolijk zijn met stil ontzag, Leer ons, Heer! dit elken dag. 28. TROOST IN TWIJFELMOEDIGHEID. Nieuwe zangwijze. den: oet gij steeds met onspoed strijden, Christen! trear niet om uw lot, Hulp ontbreekt u nooit in' t lij2. Is GEZANG 27, 28. vreden met uw lot, 0, uw Redder is uw God! zen: AAVAVAVAHVAAVAA Moet gij steeds met onspoed strijden, Wees teuitkomst ziet, Nog hebt gij geen kwaad te vree* de nood zoo hoog gerezen, Dat gij nergens gen: Is de nood zoo hoog gerezen, Hem alleen, uitkomst ziet, God, uw God vergeet u niet. Dat gij nergens 3. Vest in bang' en droeve dagen Al uw hoop op Schroom niet Hem om hulp te vraVest in bang' en droeve dagen Al uw 55 hoop op Hem alleen, Hij kan helpen, Hij alleen. 4.' k Weet iviviviviva PATATAN VARARIVAL 56 4.' k Weet zijn woord is Ja en Amen, Zijn beloften feilen niet, Nimmer zal Hij ons ' k Weet zijn woord is Ja en Amen, ten feilen niet, GEZANG 28, 29. getroost, 5. Ja, in duizend bange stonden gered, den: steeds Zalig hij, die zaam zijn gebod, tot beschamen: Zijn belofHem vliedt! Heeft Hij steeds Eeuwig wordt Hij trouw bevonJa, in duizend bange stonden Heeft Hij getroost, gered Op het kinderlijk gebed. 6. Weg dan met uw bange zorgen, Volg gehoorVrees niet voor den dag van morVan het lied der dankbaarheid: gen, Laat Hem, uwen Vader, zorgen: Volg gehoorzaam zijn gebod, Hij, uw Redder, is uw God. 29. DANKLIED. WIJZE: Jesu, meines Lebens Leben! loei nu, laat u niet bedwingen, Stille traan! voor God geschreid, Vloei nu, vloei nu onder' t zingen Tot een eeuwig zalig leven Is mijn aanzijn mij gegeven;' k Voel verrukt reeds hier beneên, Wat ik word' voor eeuwigheen. 2. El 2. Elke dag geeft mij genoegen, Stof van danken ieder Zelfs de smart, die mij deed zwoegen, Wordt uur, GEZANG 29. mij zegen op den duur: Ruisschen in deez' dorre landen Ook geen bronnen door de zanden, Heeft de nacht niet zelfs zijn licht, Schoon de zon schuilt voor' t gezigt? 3. Zijn niet alle mijne zinnen DE maak voor mij? Elk geluk, dat wij gewinnen, Wie verleent het ons, Bronnen van verdan Gij? Hebt Gij, Heer! mij met het leven Deze zinnen niet gegeven, Mij genot voor elke kracht, Als een vader, toegebragt 4. Heer! hoe vele blijde dagen Vloeiden zonder tegenheen, Zonder kommer, zonder klagen, Als een klare beek daarheen! Kwelden m' immer leed of zorgen, ' t Was slechts kort, en elken morgen, Als mij * uwe zon verheugt, Spelt ze mij vernieuwde vreugd. 5. Wilt Gij, boven' t geen ik denken, bidden mag, Mij niet haav' en voedsel schenken, Schut en hulp op elken dag? Komt Gij mij met Boven' t geen ik 57 VAVAL VES ALAVALAVATA DiviviviviVAVING TALAN 58 AVIVAVA uwen zegen Onverwacht niet telkens tegen, Was U ooit gevaar te groot, Waarin Gij geen' bijstand boodt! 6. Van de velden, uit de stroomen, Uit de diepten van de zee, GEZANG 29. Deelt G' ons milden zegen meê; Uit de wolken, Met dagen, stonden, Altijd, Vader! ondervonden liefde, wij uw magt: Eeuwig zij U eer gebragt om 7. Maar wat weldaân ons omringen, Nog ontbreekt ons steeds, o smart!' t Wijs gebruik dier zegeningen, van de boomen 74 Jaren, maanden, een regt tevreden hart: Wij uw Daarom vlieten, daarvloten Rijke bronnen, ongenoten, Ons voorbij aan alle kant, Als een woudstroom in het zand. 8. Veiligheid in onze landen, Orde, wet, en regt, 3 9. Hebt G'ons in dit droevig leven en wacht, Deze sterke, vaste banden Voor het menschelijk geslacht, Vrienden, die ons hart verblijden, Die ons troosten in ons lijden, Raad en hulp, ja eindloos meer, Hebben wij van U, Heer! Reeds zoo veel ge ORVAUHAVAA geluk bereid; 0! wat heil zult G' ons eens geven In de zalig' eeuwigheid, Als w' aan' t einde van dit strijden, GEZANG 29, 30. Als verwinnaars, ons verblijden Bij' t ontvangen van de kroon Uit de hand van uwen Zoon! 10. Vloeit nu, laat u niet bedwingen, Stroomt nu onder' t lofgezang, Dat wij God ter eere zingen, Vreugdetranen van mijn' dank! Tot een eeuwig zalig leven Is mijn aanzijn mij gegeven:' k Voel verrukt, in' t aardsche dal, Wat ik eeuwig worden zal. 30. BLIJDSCHAP IN GOD. WIJZE: Psalm 35. te zij het al, 59 eez' aarde zij een tranendal, Verdriet en moeiWat haar genot ons ooit kan geven; De Christen mag er vrolijk leven, Hij vindt, bij' s werelds eb en vloed, In God voor' t hart een vaster goed, Een goed, dat met de reinste vreugd Hem zelfs voor d' eeuwigheid verheugt. 2. Ja, wereldvreugd is smart hierbij, lend haar genot ook zij; Men vindt steeds doornen Hoe streeaan HAR VAHARAVAU 60 GEZANG 30. aan haar rozen, Zij doet in' t eind van schaamte blozen, Z' ontrooft ons allen zielevreê: Maar vreugd in God brengt zielrust mee, Een zielrust, die geen weerga' heeft, Die voorsmaak van den hemel geeft. 3. Al wordt de ziel door zondenschuld fenis en rouw vervuld, meerder vreugde, Dan hier den zondaar ooit verDit treuren zelfs geeft heugde: Het vast geloof aan Gods gena' ' t hart vermindren, 201 Met droeferbloed van Golgotha Geeft vreugd aan' t hart, hoe In Christus U als Vader kent, ' t oog ook schreit, Zulk treuren zelfs is zaligheid. 4. Die vreugd in' t hart kweekt ware deugd, Geen dengd voor God, dan met die vreugd; Gij, Vader! wacht die van uw kindren, En nooit zal zij in Op' t ofDat kinderlijk tot U zich wendt, En, bij het vlieden 5. De zorg eens aardschen vaders spreidt van het kwaad, Zich daaglijks meer op U verlaat. Door' t huis CAVAVAVAVAHAAVA huisgezin tevredenheid, En kindren smaken stil genoegen, Maar meer genoegen smaakt uw kind, Dat in uw zorg zijn ruste vindt, nood voorziet: GEZANG 30. Als zij naar' s vaders wil zich voegen; nen; 6. Gij, die geen vogelken vergeet, Daar d' almagt in zijn' van geen zaaijen weet, En leliën, die nimmer Zoo zorgen aardsche vaders niet. spinnen, Zoo kleedt, dat zij' t van Vorsten winwenken: hoe veel levenszorg verward, Ofschoon het Hoe waardig zijt Gij, dat ons hart, In les' t onz'! sel, voor kleedij, Voor alles zonder kommer zij. 7. Wat immer ons op aard ontbreekt Is U bekend; sterkte geeft; Op U voor voeduw almagt spreekt, Straks dient ons alles op uw schenken? Ja, hemel, aarde, leven, dood, Is alWat zult G' ons met uw' Zoon piet In allen nood Is' t vreugd in U, die 61 ' t Is ons genoeg, Gij, Vader! leeft. ELHVALA vives INIVIVIM 62 HUMA 0 GEZANG 31. ELLENDE EN VERLOSSING. 31. ONZE BESTEMMING. WIJZE: Psalm 65. sterveling! gevoel uw waarde; nog vleit, Uw hart is veel te groot voor d' aarde, Gij leeft voor d' eeuwigheid: De tijd, die alles weg Wat u in' t stof doet zinken, Bepaalt uw grootheid niet; voor uw volmaking blinken 2. Zoudt g'om een wuft geluk hier slaven, Een eindeloos verschiet. Gij ziet genot reeds vliedt, En met een handvol stofs begrabiedt Hij den Geest des levens ven Wat eeuwig' aanwinst biedt? Uw hart, dat eindioos en sterkt u tevens Door d' Evangelieblaân; Dat bij' t 4. Dit aanzijn zal u ras begeven, blijft begeeren, Is niet bestemd voor schijn; grootsche taak is hier te leeren Aan God gelijk te zijn. 3. Daartoe wordt g', onder smart en strijden, en opgevoed; Daartoe vergoot, bij' t vreeslijkst lijden, Uw Heiland eens zijn bloed; Daartoe roept God Uw Gevormd Daartoe U als uw Vader aan. O mensch! gebruik het ORVAUHAVA GEZANG 31. het wijs; Het heeft, verknocht aan' t volgend leven, Een' eindeloozen prijs; De kleinst' ontwikkling houdt haar waarde, Wat ooit de tijd verstoort; Maar' t zaad, dat hier verstikt in d' aarde, Brengt nimmer vruchten voort. 5. Het stof moog met den wind verwaaijen, Tot vroeger stof vergaârd; De mensch zal eenmaal zeker maaijen, Wat hij hier zaaid' op aard: Hier hangen van geringe schreden Vaak deugd en ondeugd af, blikken eeuwigheden Aan gindsche zij' van' t graf. 6. Och! dat wij nimmermeer vergeten, Als ons de Hoe zij der rust van ons geweten Haar doodlijk striknet spreidt, Hoe diep wij van' t ge* luk vervielen, Hoe duur wij zijn verlost, En wat de redding onzer zielen Aan Jezus heeft gekost. 7.0 Gij, aan wien wij deugd en leven En alles zijn verpligt, Getrouwe Heiland! leer ons streven Naar zonde vleit, Van oogen' t rijk door U gesticht; Dat wij den prijs der menschheid voelen, Zoo hoog door U vereerd, En altijd dat geluk bedoelen, Dat d' eeuwigheid vermeêrt. 63 8. Dan HAVALA AVAVAVAVAVAVAVIMA Viva OLOLOTATATATA VARAVA 64 8. Dan zal ons hart het stof verachten, Dat dwazen GEZANG 31, 32. aan zich boeit, En naar de zalig' oorden smachten, Waar' t heil gedurig groeit; Dan zullen w', onder ' t aardsch gewemel, Op d' aangewezen baan Voorspoedig rijpen voor den hemel, En dien eens binnengaan. 32. STAAT DER REGTHEID EN VAL. WIJZE: Wachet auf, ruft uns die Stimme. eer! uw schepping, aard en hemel, Was nu vole bragt, en aard en hemel, En alles, wat Gij schiept, EE was goed; Ook de mensch, uw beeld op aarde, Bestemd tot heil van hooger waarde, Was, Heer! U waardig, regt en goed, en licht Tot elken reinen pligt, 4 Adam was, Voorzien van kracht U ter cere: Uw Uw Eva was In alle neiging onbevlekt. 2. Geen de minste lust tot zonden Werd in' t onschuldig hart gevonden, Zij minden U, U, Heer! alleen, Vrij van sterven, vrij van zorgen, ↓ de schoonste morgen, En vrolijk als Die ooit d' onschuldig' aard be bescheen; Zij kenden ramp noch druk, Daar stroomen van geluk Voor hen vloeiden, Door dat genot, GEZANG 32. Steeds meer tot God, Meer tot volmaking opgeleid. 3. Maar die reingeschapen menschen, Gelukkig boven alle wenschen, Door helsche list te snood verleid, Durfden Gods gebod vertreden, En stortten uit die zaligheden In jammer en ellendigheid; Die afval staat ons duur; uw natuur Diep bedorven, Met zond' en schuld heid aanteklagen, Voor God vervuld, En onbekwaam tot eenig goed. Treuren wij! want wie zou' t wagen De hooge GodDaar, mensch! is goed: Laat ons onzen val betreuren, Maar' t hoofd ook dankboet, De mensch is schuldig, God is goed; baar opwaarts beuren, Zelfs nog is God voor zondaars Door Jezus Christus bloed Is onze schuld geWelk een liefde! Nog hier op aard, Hoe zeer 5 65 ✓ onVAHVAL VIM Viviviviviviv MOTATATATATAT AANVA 66 onwaard, M mij' t vergif der zonden! Wordt ergens Vernieuwt zijn Geest ons naar zijn beeld. 33. ZEDELIJK BEDERF. WIJZE: Gezang 4. A ijn God! hoe krachtloos, hoe ontaard GEZANG 32, 33. ik U, 0 Heer! treurenswaard Een schepsel Gods gevonden? een Adams val heeft mij ZOO zeer Bedorven, dat Kan vreezen, noch klinkt in mijn oor 3. Hoe A Maakt ZOO be2. Hoe zeer is mijn verstand verblind, Mijn wil * slaaf der lusten, Ach! In mijne duisternisse: dat hij bemint, Mij armen nergens rusten: beminnen. ' k Ontzeg aan Gods bevel gehoor, Maar liefelijk Laat, buiten' t kwaad, rust, tot ik' t kwaad volbragt, De lokstem der verleiding.. vaak gaaft Gij mij raad en licht Maar altijd wederstond ik pligt, Gevoel, verstand., gewisse: Vol onHad wederstand hier zelden kracht, De zonde zegepra alde. 4. Wie MOHVAUHUR 4. Wie deez' ellend ook loochnen moog, Ik niet, 五 A ' t oog, o God! mij armen, Mij opend' uw ontferming GEZANG 33. Geloofd zij uw erbarmen! derf met smart, verlichting, en mijn hart Gevoelde mijn beIk kreeg 5. Gij trokt mij, Heer! en steldet mij Den weg Den jammer mijner zonden. des heils voor oogen; Gij hebt, o ja! zoo goed mij aangedaan waart Gij, Mijn trotsch gemoed gebogen:' k Nam uw gena' in Christus aan, En straks vond ik Met lust en kracht ten goede. 6. Verbreek in mij nu, voor altijd, De neiging tot de zonden, Geef mij, dat ik in dezen strijd Verwinnaar word' bevonden; Versterk mijn kracht tot alle goed, Dat ik, met een opregt gemoed, Godvruchtig voor U wandel'. 7. Nog immer zweef ik in gevaar, Nu zwak, dan traag in' t werken: O God! Gij kent dat groot 5 67 HALA JAVAVAM Vivivivivivivivivi VivaVivi NEA VIVIU 68 gevaar, voorzigtig, welbedacht, En tegen' t kwaad steeds be op de wacht, En kloek van moed in' t strijden. 8. Verflaauw ik, help mij zwakken gaan, Bewaar mij, wil mij sterken; Maak mij tot bidden aan, blijf mijn krachten stijven, Spoor zelf mijn hart GEZANG 33, 34. W Of val ik, Vader! vat mijn hand, Dat ik naar D U ' t hemelsch vaderland Mijn reis met vreugd volbrenge. 34. ZEDEL IJ K BEDERF. WIJZE: Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ! 2 schuldbesef verslagen: A ij werpen ons Zoo moog ik staande blijven; voor uw oogen God! dan heen? Heer! Och hoor, verhoor ons klagen! voor U ter neer, Och! zijn' t niet waardig, neen, o neen! Dat Gij ons Zoudt gedoogen, Doch waar, 0 E 2. Ach! ons verstand, door zinlijkheid verdonkerd, Ontferm U, och! ontferm Door Waarheen met zoo veel zon- den? waan misleid, Miskent, 0 God! Wij Door UW heer MORVAVHIH heerlijkheid, in onz' oogen Het eert uw heilge wetten niet, God! Gij ziet, GEZANG 34, 35. haten. Hoe helder die ook flonkert; Schittren mogen; kwaad ter prooi gelaten, dien Gij ons geeft, 3. Ons hart, waarin de zonde leeft, uw' Zoon dood, o God! HAVAVAVAHAR Hoe rein die Hoe diep wij zijn gezon- ken. 4. Wij komen nogtans tot uw' troon, die schuld gevloden; Gij ziet het, O God! 0 God! wat hulp, wat raad! Waar vinden wij het ende Dier ellende? Ons denken zelfs is kwaad, Ja, tegen U vij- andig! Verwerpt den raad, Bemint, wat G' ons leert Aan' t Met al Gij laat ons immers in Als zondaars tot U nooden: Wij komen, Heer! op uw gebod, O Heer! wil ons vergeven, Schenk ons' t leven; Des zondaars Imagtig' God! door waar berouw bewogen Kan U toch niet beha- gen. 35. BELIJDENIS VAN ZONDEN. Nieuwe zangwijze. Belijden 69 IVAVIVAM INAVINANZAVi 70 AVIVA GEZANG 35. den wij voor uwe heilig' oogen, rampzaalge zondaars zijn, Dat w' onrein stof, ELC in schuld en smet ontvan鼓 gen en geboren, Geneigd tot kwaad, en die de kracht verloren Tot alle goed, dat meerder is, dan schijn. 2. Dit diep bederf, die bron van all' ellenden, 金 daaglijks ons uw reine wetten schenden. woedt in opstand met uw eer: Dit diep bederf blijft elke heilbron stoppen, Het doet in ons een bang geweten kloppen,' t Stort in een' poel van jamren ons ter neêr. Doet En woelt en 3. Dan, Heer! een waar gevoel van onze zonden. hartlijk leed, dat w' uwe wetten schonden, Een Doen ons voor U beschaamd, veroordeeld staan. Ontfermend' God! kom ons met uw genade In onz' ellend en diep bederf te stade. Gij, Gij alleen biedt ons nog redding aan. 4. Hoe gansch onwaard w' uw gunst ook wezen mogen, Verheerlijk nog aan ons uw mededoogen, O Gij! die steeds erbarmer zijt geweest; Vertroost ons hart door 3 vaderlijk vergeven, En schenk, vermeêr ons voorts door al MOHAHIRVAUHU H 5. Zoo treur' in ons een diep getroffen harte, Zoo al ons leven De gaven, Heer! van uwen goeden Geest. 五 voelen wij die ongeveinsde sm.rte, Die ons steeds D meer der zonde sterven doet. Zoo zullen wij die eedle hagen, GEZANG 35, 36. vruchten dragen. Die U, o God! om Jezus wil, beeugelijke En blijken zijn van een vernieuwd gemoed. 36. HET EVANGELIE. WIJZE: Jesu, meine Freude! ding, Evangeliewoord, Woord van God gegeven, Woord van eeuwig leven! Zalig, die( 1 hoort; Zalig hij, Wiens harte gij, Met een onbe tijding, Bron van hartverllijverwrikt vertrouwen, Leert op God te bouwen! bloed. 2. Door zijn vredeboden Doet God zondaars nooden exort ☆ Tot het hoogste goed: God heeft ons vergeven, God schenkt ons het leven, Door des Heilands by Ja, de Heer Wil nog veel meer, Boven 71 bidden, boven denken, Alles aan ons schenken! 3. Hoe DEUREUERUHURURUPURVAVA VIVES iViv TATAY 72 3. Hoe Hoe gehecht aan' t kwaad; Wilt gij zalig wezen, Niets hebt gij te vreezen, Hier is hulp en raad; God vergeeft, De Midlaar leeft, Zelfs heeft Hij ' t rantsoen gevonden Voor de grootste zonden! ven, GEZANG 36, 37. ook afgezworven, Hoe geheel bedorven, 4. Zalig, die' t gelooven! Troost, hun nooit t' ontrooB en Wekt hen steeds tot vreugd; werken Voelen z' in zich sterken, bo deugd: Door Gods kracht, In hen volbragt, wen, Komen zij gedurig nader' t Beeld van hunnen Vader. 5. Woord, waarop wij bouwen, Daar wij op vertrou***** Kracht tot goede Dat ons, Kracht tot liefd' Evangeliewoord! Bergen mogen wijken, Gij zult nimmer wijken, Want gij zijt Gods woord! bo Heer! Den troost dier leer Geene zonde! bron van al twijfling ooit ontroove! Sterk ons in' t geloove! 37. ZONDE EN GENADE. Nieuwe zangwijze. vlugtig menschdom, sints t d' ellende, Die' t u kende, Verzin CHAHIRA zinken doet in leed, bekoren, GEZANG 37. afgezworen; Wat kon m' ор nieuw in u Dat ik voor u mijn' God vergeet? 2. Die eeuwig' onrust van mijn le, zen, ' k Heb harte, Die stildiep verborgen smarte, Die alle vreugd ontvlugt, En mij ZOO vaak voor' t beste D Wezen Als voor een' dwingeland doet vree3. Ach! om mij voor' t verderf te is, wreede zond'! uw wrange vrucht. goochelt zij mijn wufte zinnen, ken; duizendmaal u 9 En, Schoon' k winnen, bedrog niet door; met duurzaam wroegen Een vlugtig oogenblik geBeEn' k. zie' t noegen Voor' t hart beloont, dat haar verkoor! 4. Geen opzet baat, waar z' aan komt lokMijn hart, van diep bederf doortrokken, Staat haar vervoering bij: Daar zinken wil en krachten beide, wat ik gistren nog beweet, dat zij 73 schreide, Wordt heden ligt weêr lust in mij. 5. Mijn Heiland! hoor miju angstig smeeken; Gij slechts, VIVES VIVIVIVI Vivivivivivi 74 C slechts, ik, niet ik, 0 Heer! gena' gelooven, Gij kunt die bauden breken, zondaars zijn: te boven, En zonde heerscht in mij niet meer. 6. Schoon niets mijn snoodheid evenaarde, ven, nade ziet niet neêr op waarde, Daar allen zijn GEZANG 37. vergeven, Opdat zij, op de zee van' t le8. Zou 7. Hoe' t ongeloof zich, onder' t roemen, gestalten hoovaardije, schappije, Voor alle vleesch ter noordstar trouwheid met zich zelf moog noemen, Och leer m' aan Gods Dan kom ik cens haar kracht aan zich millioenen waar te snood Nooit heeft ze, dan om niet, kroon'; zely' Waar God het godlijk wil beschenken? zonden Niet ' t zondig stof aan zich nog denken, Uw albetalend bloed ten hoon. Zijn needrigheid is Z ontwringt gena' haar heereen waan: Geverbonden, Gods schijn'. Één Verzinken in dien Geliefd' schuld En Dit is en oceaan. 9 On CAVAUHURVA 9. Oneindig' God! bij uw genade in zich den worm te stade? zondaars neer. erlangen, gen: 10. Mijn GEZANG 37. Dan zonden, die dit hart bewoonen, neergezeten, een' enklen traan; mij zelv' vergeten, Ik ben hier niets; Gij alles, Heer! Jezus! schoon' k U niets kon toonen, zorgen, Ach! eer ik' t aanzijn mogt Had ik vergeving reeds ontvanen geborgen, Wat komt z' ook in mijn leen, bouwe, Gij ziet op zal haar heerschappij verdwijnen; 11. Dan zal de zond' in mij verkwijnen, derf ter neêr, Och! leer m' ook daar Om, aan uw' kruispaal Niets dan genade ga' te slaan. En niet zonken ook mijn laatste blikken 12. Dan zal de dood mij niet verschrikken, Dan Of, sluipt ' k Zal, in U veilig Met al mijn nooden, al mijn Tot een' vergevend Vader treên. Al Nog op beDe grond, waarop ik eeuwig Ligt niet in mij, ligt in Gods trou75 we; AURUHURUHURUAVAVAVAURTAURORVAVAVIVAVIVOS ViviviviviviviviViVIVIMIVIVAN NEAN 76 we; heen daar alleen op sterf ik, Heer! 38. ALLES IS GENADE. WIJZE: Sollt ich meinem Gott nicht singen? En B Heb ik van mijn' God genoten,' k Roem in vrije gunst alleen: Ja, eer ik nog was geboren, GEZANG 37, 38. Ile roem is uitgesloten! Onverdiende zaligEer Gods hand, die alles schiep, aanzijn riep, Heeft zijn liefde mij verkoren: God is liefd', o Englenstem, Menschentong, verheerlijkt Hem! 2. Met mijn' zwaren liefde mij de hand; bedenken, Liefde boven mijn verstand! B 3. Zoo, o Englenstem, lets uit niet tot val bewogen Bood Gods Vleeschlijk, ontfermend mededoogen, Vijandschap was mijn kocht, Had ik nimmer Hem gezocht, Hij wou onder' t kwaad verm' eerst zijn liefde schenken: God is liefd', Menschentong, verheerlijkt Hem! ZOO lief had God de wereld, Dat Hij zijnen eigen' Zoon Voor die afgevallen wereld AVA reld Overgaf aan smaad en hoon; wij nog zondaars waren, GEZANG 38. ons gena', Stierf zijn Zoon op Golgotha, Stierf voor ons, die die zondaars waren: he is dr o Englenstem, 20 geloof ten leven, moed; rouwe, 4.' k Bleef Gods, roeping nog weêrstreven, Maar, A verzoend door Jezus bloed, Schonk d' Ontfermer Ja, toen Menschentong, verheerlijkt Hem! God is liefd', loofd' aan' s Vaders trouwe: En vernieuwing van ge' k Zag mijn schuld met schaamt' F 5. Om te sterven aan de zonden, met Christuszin, Schonk Hij mij ' k Zag, wat God m' in Christus ✨ gaf;' k Lei mijn' snooden argwaan af En gemij' t waar geluk leert kennen, en o Englenstem, Menschentong, verheerlijkt Hem! The God is liefd', liefde mij den Geest, Wiens vertroosting al de wonden Van mijn zondig hart geneest, Die Schenkt zijn Mij vervult En door dankbre wedermin Mij 77 aan AURUBURIAURURVAVAVAIRIAUK VSURVIVAVIVOS VIVIN Vivivivivivivivi VIVAHV 78 aan zijnen dienst wil vennen: o Englenstem, ming, ELO 6. Dat heet gadelooz' ontferming, Dat, genade, rijk en vrij! God schenkt redding, schenkt bescherGEZANG 38. Schenkt z' aan zondaars, schenkt z' ook mij; Dan zelfs, als mijn onvermogen, Als mijn o Englenstem, diep bederf mij smart, Toont mij' t godlijk Vaderhart Zijn verlossend mededoogen: God is liefd', God is liefd', Menschentong, verheerlijkt Hem! der heeten, al F 7. Kan een vrouw haar kind vergeten, nooden ziet, zuigling schreit van pijn? Zou z' een ware moedit heb ik En o Englenstem, Menschentong, verheerlijkt Hem! Als haar kon dit mooglijk wezen, Vader! die mijn zoo weinig moeder zijn? Vader! Gij vergeet mij niet; Maar, 8. Zal eens' t graf mijn stof verzaamlen, Neen, nooit te vreezen: God is liefd', Menschentong, verheeriijkt Hem! Juichend zal AVAR GEZANG 38, 39. zal, in stervenspijn,' t Laatste woord, dat ik zal staamlen, Vrije gunst, genade! zijn; Ja, die zal ik eeuwig danken, Waar' k den Vader en den Zoon Eeuwig lofzing voor den troon, Dan herhaal ik nog die klanken: God is liefd', o Englenstem, Menschentong, verheerlijkt Hem! 39. VERLOSSING. WIJZE: Jesu, meine Zuversicht! ezus neemt de zondaars aan! Roept dit troostwoord toe aan allen, Die van' s levens regte baan Op den dwaalweg zijn vervallen:' t Regte pad leert Hij hen gaan, Jezus neemt de zondaars aan! 2. Geen genade zijn wij waard; Maar in d' Evangeliebladen Heeft ons God zijn gunst verklaard: Dat wij, hoe met schuld beladen, Dan geloovig tot Hem gaan! Jezus neemt de zondaars aan! ELCO 3. Als een herder wil Hij trouw' t Schaap, in een woestijn aan' t dwalen, Daar' t zich zelf verlie79 zen VIVIM iVivi VIVINAMAAVAAN 80 zen zou, Van den doolweg wederhalen, op de regte baan: Jezus neemt de zondaars aan! 4. Komt gij allen, komt tot Hem! Zondaars, komt! wat zou u hindren? gij tot Jezus gaan; GEZANG 39. Hij maakt zondaars tot Gods kindren: 5. O! dit geeft mij er vast op gaan, Jezus roept u, hoort zijn stem, nieuwen moed Bij de grootheid van mijn zonden. Door zijn godlijk offerbloed mij aan mogt klagen: Jezus neemt de zondaars aan! Heeft Hij mijn rantsoen gevonden: Nu kan ik Brengen 6. Ja, nu spreekt mijn hart mij vrij, Vrij moogt Jezus neemt de zondaars aan! Die heeft zelf mijn schuld gedragen. aan' t eind der baan, 7. Jezus neemt de zondaars aan, Die eens vonnist over mij, A vertrouwend tot Hem komen: Wie bij God nu eeuwig schaân, Jezus neemt de zondaars aan! Niets kan mij aangenomen, Mij den hemel opgedaan;' k Mag Mij ook heeft Hij ' k Juich dan, zelfs Jezus neemt de zondaars aan! 40. VER AAAAAAA 40. VERLOSSING. WIJZE: Ach Gott und Herr! 00 slaat G' uw oog, Nog van omhoog. 0 God! op zondaars neder! Van Adam vindt In U 2. Zijn afval bragt eindelooz' ellenden: harden wij 3. Door zinlijkheid GEZANG 40. hoog gezag 4. Ons wreevlig hart, kan dan nu 6. Verdienen? Het schuldig kind ongeregtigheden, Wordt dag aan dag een' Al' t nageslacht Ontaard als neen! op redding hopen, Uw reine wet te schenden. vader weder! En waan verleid wereldliefd' en lusten, 0 God! ontziet 41 Te snood door ons vertreden. Te diep verward Gena' Zet in 6 in hoogheid niet, 5. Aan' t aardsch genot Verkleefd, o God! Ziet G' ons de zonde dienen: Zoo tergen w' U: En Volalleen Tot Uw Wil niet in U berusten. Die mensch nog iets verdienen? uw' Zoon in Uw Doet ons Tot 81 U !!!! AHA 83 uwen troon 7.' t Geloove juich', schulden vrij, voor die liefde neder: GEZANG 40, 41. Den weg voor zondaars 2. Wij Aanbidd' en buig' heil, waartoe wij zijn uicht heemlen op een' hoogen toon, Zoo komen wij, 41. DE ONTFERMER. WIJZE: Mir nach, spricht Christus.( met verandering in den tweeden regel.) ven lijden, ,, vergeet, Tot U als Vader weder. verheven! hebben regt door dezen dood zelf gaf ons zijn' Zoon Tot onzen troost in open. dood en leven; Opdat Hij voor de zonden Zich stierf, En' t leven door zijn' dood verwierf. Van Straks klagen: ,, ach! 3. ,, Maar kan een moeder De Regter Verlaat de zijnen in hun Om' t wig stooreloos verblijden, En zouden W' om den minsten nood, Dien W' immer in dit leharen zoon, Op eeude Heer leed?" Haar' lien AVAUHAVA ,, lieven zuigling ooit vergeten? ,, al, dat zij haar' zoon, Haar' eerstgeboornen ,, kon ,, l niet, vergeten; 조 Ik, zegt de Heer, verlaat u GEZANG 41, 42. 4. Dat hebt Gij zelf, 0 God! verklaard, En ware' t Ik, zegt de Heer, ter eer, 42. F mogen' t op uw woord gelooven; Wat ramp Ja, ons hier ook wedervaart, Niets kan ons van vergeet dien troost berooven: Sterk dat geloof uw' naam niet." ' Amen! wij gelooven' t, Heer! TROOST DER VERLOSSING. WIJZE: Ich danck dir schon, durch deinen Sohn.( met eene kleine verandering in den tweeden regel.) Wij uw majesteit, denkbeeld, dat ons leven geeft! Wat stery'2. Gij boven' t perk der eindigheid ling waant u door te denken, Dat God zoo lief de wereld heeft, Om ons zijn' Zoon te schenken? Omringd van heilge duisternisse, Gij treft ons door En stilt ons het gewisse. 83 3. Van' t wonder zamenstel der zon Kon ik ver6* stomd RAVAL LAVAVAVIVA Vivivivivivivivil VAIVAUHAVAAVAN HVAVAVA stomd nooit reden geven; schijnsel, en ik 4. Zoo kan mijn Jezus GEZANG 42. Verlosser is, kon Bij geest God is, offer niet doorgronden; 5. Als ik dien troost des levens geen Gods 7. Neen, dezen Maar' k zag hare warmte leven. heeft van die liefdedaad Het godlijk' ondervonden. hoogen spotter ooit niet voor mij wou sterven, Niet God, niet mijn mis, raad In 6. Zoo' k in zijn woord Gods zin niet ken, 3-4 al mijn kennis dwaling heeten, haar Maar' t hart ontrooven; Als Jezus ' k Moet dan in wanhoop sterven. wat ik ben En worden zal, niet weten. * troost der Christenheid Zal mij En' k zal, wat Neen, Moet ik gevoel 8.' k Ben' t eigendom van' s Vaders Zoon, zijn godlijkheid,' k Gevoel z', en blijf gelooven. Door wien ik' t eeuwig leven erve; Dit is mijn troost, mijn roem, mijn kroon, Mijn leven, als ik sterve. 9. Hij AVAVARVA 9. Hij geeft ons zijnen Geest, het pand, WaarGEZANG 42. wij zijne liefde merken, En vormt ons aan 4 door zijn eigen hand Tot alle goede werken. 10. Als ik met vreugd zijn' wil betracht, In goed 소 $ te doen mij mag vermaken,' k Voel dan cen goddelijke kracht,' k Mag rust en vrede smaken. 11. Als mij' t gevoel der zonde krenkt, En ik tot Jezus kruis mag treden,' k Zie daar, dat Hij aan mij gedenkt, Mij hoort op mijn gebeden. 12. Ik weet het, dat mijn Heiland leeft, dat ik, uit het stof verrezen, Als Hij zich ten gerigt begeeft, Bij Hem altijd zal wezen. 13. Zou ons geloof en liefde nu, Daar G' ons ZOO o God! aan U lief hebt, ooit verkouden? Geef, dat w' in liefd', 14. Vervul En aan uw woord ons houden. mijn hart En met lof en dikwijls ik uw' naam ook noeme, dank, Zoo En maak, VAHVAL 85 dat ViViViViViVi NEA MAAHAHAVIATIVA 86 dat ik mij levenslang om GEZANG 42, 43. 15. Ja, zoo ik ooit mogt waardig zijn, U hier smaad verbeidde; geen smaad of pijn 16. Is' t hart in Bij elk van mijn geloof soms Mij van altijd niet 43. even kleiner; U beroeme. ik op mijn sterfbed denken, Dat mij Bewaar mij, 17. Schonk God ons zijn' geliefden Zoon, uw liefde scheide. dat blij, De kracht uw werk in mij, En maak mij daaglijks reiner. Versterk, volbreng Zoo mag Zou zulk een God ons met zijn' Zoon Niet alle dingen schenken? ZIELVERHEFFING TOT JEZUS. WIJZE: Psalm 42. oog, omhoog, het hart naar boven! Hier beneden is het niet:' t Ware leven, lieven, loven Is maar, daar men Jezus ziet. Wat men hoor' of zie op aard, * Is ons kostlijk hart niet waard: Wil men leven, 2, Pracht en schoonheid moog wat schijnen, lieven, loven; Hoog, omhoog, het hart naar boven! ' t Is aan d'ij MAAAAAAA GEZANG 43. d'ijdelheid gelijk; Bij' t gebruik zal' t al verdwijnen, Goud en zilver is als slijk: Niets, o Jezus! dan uw bloed, Geeft voldoening aan' t gemoed; Wat wij lieven in dit leven, Niets kan ons voldoening geven. 3.' t Eeuwig leven, eindloos heerlijk, Dat ons na dit leven wacht, Is voor' t hart alleen begeerlijk, Werkt onzigtbaar, maar met kracht. Sluiten wij slechts' t zonder pijn, vleeschlijk oog,' t Ware leven is omhoog;' t Leven, dat wij lieven, loven,' t Heerlijk leven is daar boven!' 4. Zalig heil, dat w' eenmaal erven! Gode leven, * Zonder moeite, ziekt' of sterven, Eeuwig zonder zonde zijn, Leven in volmaakte deugd, Vrolijk zijn in' s hemels vreugd; Loven, lieven wij dit leven, Dat ons Gods gena' zal geven! 5. Jezus! bron dier hemelvreugde, Die ons hart eens smaken zal; Wat ons ooit op aard verheugde, Gij verheugt ons boven al! Daar Gij ons reeds hier be87 reidt Voor des hemels heerlijkheid, Waar w' U eeuwig HE Vivives ^!^! 88 wig lieven, loven; 6. Och! dat aller HAAVAAVANAV zang, 0 Heer! lof, W GEZANG 43, 44. wig tot uw' lof en hart naar boven, Jezus! trek ons hart naar boven! menschen tongen, Aller Englen Zamenstemden, zamen zongen Eeuhebt Jezus! ons de rijkste stof: Trek tot U ons eer! Zonder einde geeft uw Dat w' U eeuwig lieven, loven. 44. AAN JEZUS. WIJZE: Die Wanderschaft in dieser Zeit. ij knielen voor uw' zetel neêr, Wij Heer! en al uw leden, En eeren U als onzen Heer, Met liedren en gebeden. verheven, hoe groot, Voor U, o Gods getui- ge, O eerstgeDat alle magt, hoe hoog, boren' uit de dood! Zich diep eerbiedig bui- ge. 2. Die ons, gewasschen in uw bloed, Tot Priesters En ons den hoogen rang, den moed Van Koningen gegeven: U zij de roem, U zij de lof! U d'eerkroon opgedra- gen, Geheel deez' aard en' t hemelhof Moet van uw eer gewa- gen. 3. U, HAAK GEZANG 44, 45. 3. U, die als Heer der heerlijkheid der volken, Verwachten wij in majesteit Eens wezien, AVANAVA VAVR RE der op de wolken. Hij komt! elks ooge zal Hem Verreest tot heil Ook die Hem heeft doorste- ken; Elk zal Hem P juichend hulde biên, Of om ontferming smee- ken. Ja, Halleluja! ja Hij komt! 4. Hoe ras of traag de tijd verdwijnt, ' t al verstomt, dag zal zeker komen; Het licht, dat aan de kim verschijnt, Wordt reeds van ver vernomen. Die Juicht, menschen, Englen, za- men! Juicht met een vreugd, die 45. AAN JEZUS. WIJZE: Gezang 19. Juicht allen, Amen! A- men! ij Jezus! die ten troon verheven, Door duizend, duizenden omgeven, Geplaatst zijt aan Gods regterhand, En daar uw vreugde ziet volmaken, Nu al die duizenden reeds smaken De vruchten van uw offerand; 89 2. Gij ziet ook duizend, duizend zielen Hier op uw voet VIVIM FA! A! 7 MOLOTATATATAY MANMARAVNAVAVAVANA 90 # voetbank nederknielen, En bij die duizenden ook mij: Voor U, die met uw bloed en tranen Den toegang ons # ¢ GEZANG 45. tot God woudt banen, Voor uwe voeten knielen wij. 3. Wij knielen neder op die aarde, heelal een schouwspel baarde, gen, 3 4. Die groot is voor verdween; Toen bij' t gejuich der Hemellingen, Die' t heil der aardbewooners zin* Die aan' t Waar al wat D' Oneindig' in het vleesch verscheen. werdt Gij, Jezus! Gij geboren, eer was aan deez' aard beschoren, Hier ster pralen Gods beter zijt, dan' t licht; Hier zien W' uw Gij, die ons liefde nederdalen, En hier met al haar' luidoornen U in' t vleesch gegeven, grootheid in uw aangezigt. 5. Dit aardrijk, ja! heeft U zien leven, Maar Het zag uw liefd' en' t zag uw' strijd; Het heeft uw bloedzweet ingedronken, En' t zag, dat Gij, aan' t kruis geklonken,' t Vertrouwen van het menschdom zijt. 6, Al VAVAHURAAA VAAVAAAAAAAAA 6. Al moest het gansch heelal bezwijken, GEZANG 45, 46. liefde, die G' op aard liet blijken, zaam als uw majesteit: verloren, heid niet geboren, Ging met uw sterfuur niet Z' is' t kenmerk uwer godlijkheid. 7. Hier op deez' aard, die wij bewoonen, Gij woudt lijden, bevrijden, De Zij, met uw menschzond' en dood haar krachten toonen, Hier toont Is duurG'ons, wat genade zij: En op deez' aard, waar Daar Voor Jezus, onzen Koning! En ons. van zond' en dood Hier zingen, hier aanbidden wij. 46. JEZUS GROOTHEID. WIJZE: Ich danck dir schon, durch deinen Sohn. EERSTE AFDEELING. om, Christenschaar! kom, knielen wij zoo lang verwacht, Zijn kroon is niet bepereld; zijn heerschappij, Al is een stal zijn wooning. ' t Heelal erkent 2. Zijn grootheid schittert niet door pracht, Zijn koningrijk, Is niet van deze wereld. 91 3. De Viviviviviviviv AINAVINANAVivivi 92 3. De grootheid, daar de mensch op ziet, Vorsten roem op dragen, re grootheid niet, 4. Een Vorst heet groot, wien alles dient, 5. Hij GEZANG 46 gansche volken vreezen; Maar Jezus komt, om deling, E 6. Hij, ' s menschen vriend, En' s Vaders knecht te wezen. achte zijn Englen henen, Opdat zij, aan den vel* Niet bij zijn krib, verschenen. en komt, behoeftig en gering, die der Die Jezus kan behagen. 8. Hier zich Nazaret, Die is de wazee haar palen zet, God der eere dondert, Woont in' t vermensch te zijn, beteekent, 7. Hier leert Hij ons reeds in zijn jeugd, Miskend en Daar met wijsheid F Wien gaf een zachte needrigheid, paarde, En zendt afgezonderd. Als Hij, die de godsvrucht de deugd, Als mensch, zijn grootheid rekent. Aan Wat Die d'ijver yoor AAAAA voor Gods majesteit Een onbekende waarde. 9. Ja, wie met godsvrucht immer spott', blonk zij zonder zonden, En hier heeft z' ook gena' bij God, En bij den mensch gevonden. TWEEDE AFDEELING. 10. Geen heerschzucht vormt Hem tot den troon, Maar GEZANG 46. ootmoed tot het lijden; Hij wacht uit' s Vaders hand zijn kroon, Maar wacht die kroon na' t strijden. 11. En al zijn strijd is voor Gods eer, van zijn leer, 12. Hij, elk zijn' Vader prijze: Gods liefd' is d' inhoud in weldadigheden, voeten zet, gansche nachten in' t gebed, 14. Als Hier van den dood, 13. Die alle lofspraak scherp verbood, in' t weldoen diende, 4 Gods wil te doen zijn spijze. Dat Alom, waar Hij zijn Den ganschen dag besteden. Wil burger van zijn vaderland, Maar God Verbreekt de kluisters En maakt de blinden ziende. Als Leeraar 1063 ۱/۱۱/۱۱/۱۱/۱ HARVAVININ 94 aar nenst toont 16. Al ingewand leven, zijn doet, om God, vloekt GEZANG 46. 15. Zijn wensch is d' eisch van Gods gebod, # kent geen andre wenschen; Hij doet al wat Hij 17. Hij, schoon met Gods wetten zijn geschreven. de boosheid Hem het meest, Dat onregt noemt, En niets om gunst van menschen. in zijn bin' t zien der grootste krachten; Hij blijft ontfermend, en geneest All', die zijn hulp verwachten. duldt, vol beleedigd word', 18. Hij, die de zonde nooit verbloemt mededoogen, den noch in vrinden', doornen vlecht, almagt aangegord, Hij Hoe fel Hij Om hun Bij 19. Die onverschrokken, wee u! zegt, Hij Zijn haters voor zijn oogen. ook In vreemMaar' t onregt altijd En Isrels leidsliên blinden; niet in' t vermanen; Maar stort, daar d' ondeugd Vertlaauwt gevaar, nog tranen. 20. Geen mensch, hoe groot zijn schuld ook waar Ont AAAR Ontzegt Hij zijn ontferming; Den diepst verachVerleent Hij zijn bescherming. ten Tollenaar 21. Hij, vol van God, aan allen goed, wondren doet; GEZANG 46. hen der Godheid nader,' t Zij Hij bestraft, of 22. O Zoon van God! o eeuwig Woord! oogen' t al regeren, Die Hem ziet, ziet den Vader. DERDE AFDEELING. 23. Hoe groot U uw verneedring maakt God alleen waarderen; wat Gij verzaakt, schepping hoort, Dien w' als den Vader eeren! 25. Gij, Brengt uw Wiens stem de gansche Uw Vader Wiens Kan 24. Hij, die zelf God, wat God is, weet,' t Geen zonnen maakt tot lichten, En weet, Die kan alleen U eeren. schepsels vruchtloos wenschen, Hij kent den prijs, dien Gij besteedt, O eeuwig God! voor menschen. die' t gesternt voor U ontbiedt, De B s d' Englen in 95 rijksgebied Gebruikt als bliksemschichten: 26. Gij VAZ 0! 0! 0! 0! 0! 0! 0!!!!!!!!! ATATATATAN MAMARAVINA 96 26. Gij vindt, daar Gij Gods troon verlaat, ven komt op aarde, Daar G'U met' s menschen 27. Wij schuld belaadt, In niets dan menschleid, waarde. wijl punt van 29. Zoo zinken de smaad, geen lijden, U vloek, geen' dood, 31. Uw Hemellingen 30. Gij, die, Door uw GEZANG 46. uw eer, ZOO voor 28. Gij, door die liefd' ondenkbaar groot, Gij schuwt geen zond' op' t kruis te dragen; zelven laat A diep ' t zondaars redt, zijt liefd' uw als is Uw ' s Vaders heerlijkheid, Gij' s Vaders welbehagen! voeten heerschappij, verzaken, Voor Als' t hoogste topGeen' angst, geen kruis, geen' Zoo' t zondaars kan bevrijden. groot, zondaarsliefde zingen. neer, Hij, de zonde haat En sterGij' t Dat is bereid Gij Onpeilbaar Terd' eeuwen nooit volprezen; beeld van groot als als G' onbesmet ons tot zonde maken. De Wilt uw U Gij, Oneindig als wezen. VIER AVAVAVA GEZANG 46. VIERDE AFDEELIN G. 32. Buig, zondig menschdom! buig u neêr, Ons heil is in' t gelooven, Zing Jezus liefde, zing zijn eer, 33. Bidt aan, HURVAVAVARHAR Bidt aan, verloste Al gaat z' uw' lof te boven. verbaasd, verrukt van geest, scharen! zonden' t allermeest Zijn grootheid openbaren. Ziet hoe uw 34. Aanbidt Hem, zondaars! als uw' vriend, Aan4 re duisternis, bidt Hem in zijn wonden; Ziet in zijn' dood, wat gij verdient, Hij sterft voor uwe zonden! 35. Ziet, hoe geducht zijn lijden is, van den dood, leert de zonden haten; Hij wordt, En in naOm haar van God verlaten. 36. En daar ook blijft uw Jezus groot: Men spot, daar Hij vertrouwde, En eischt, bij' t grimmen ,, Dat Hij zich zelv' behoude." 37. Maar Hij, wiens adem' t aardrijk schudt, Die dood en graf deed beven, Die mensch werd 7 97 tot vives AINAVINAVivivivivivivGVRRVAVI ViviviviviviN INAVINAATAMAANA 98 tot zijns vijands nut, 38. Hij sterft, lasterd, maar geduldig, God verkleefd, 40.' t Heelal de 41. Z' gelijk 39. Hij sterft en geeft zijn' Vader d' eer, a GEZANG 46. zag majesteit menschdom snood geschonden, Hij sterft, en geeft zulken top geklommen, aanbidden aan' t menschdom meer, Dan z' ooit in Eden vonden. doken aangezigt 43. Gods Jood het niet, nooit Terwijl zij' t kruis Englen Wil sterven en vergeven. Menschlievend en onschuldig. Hem heeft met onzigtbre koren, geleefd, Behoeftig, maar aan om zijn Godheid Jezus Van gehoorzaamheid Daar d' Englen 42. Ja, d' Englen zingen daar een lied, zweven deugd als' s werelds omringen, GeEn t'eeren, Door' t Jezus verstommen. Hem driemaal heilig zingen. na, Tot Dan voor licht. Het klinkt, al hoort de Den Heiden zelfs in d' ooren. met geSchoon om Min van Hem AVAUHAVAAAAAAAAAAAAAAR Hem op Golgotha Gehoorzaamheid te leeren. 44. Ja, uw gehoorzaamheid ZOO groot, nooit Gods oogen zagen, den 45. Uw uw GEZANG 46.' riebaan, dood, En doet ons d' eerkroon dragen. VIJF DE AFDEELING. Vader is met U voldaan, * heilig' oogen, menschheid kroonen wijl 46. Hij zelf verheft uw heiligheid, offerand 49. ,, Hij Immanuël! verwint ' t Geen' t meest U kan verhoogen. 0 Heiland! op uw gloAls majesteit, Als slechts bij God kan woonen. 47. Hij plaatst U aan zijn regterhand, 404 de Hemellingen, Dat' s in overwon met Met zulk een' glans en En wil uw 7* leeuwenmoed 4 Deez' nieuwen lofzang zingen: 48. ,, Het Lam, voor ons op aard geslagt, Is ,, eeuwig waard t' ontvangen De wijsheid, rijk,, dom, eer en kracht, En dankbre lofgezangen! TerTer eere van uw De hel 99 », en IVOS ۱/۱۱/۱۱/۱۱ TATALA ANIVVIVAAVA 100 50. ,, en ,, de 33 Triomf! ,, reinigd 51. ,, Het al haar met zijn in 52. Komt, zus ,, kroond en vrij, 53. Hier slist ,, Godsrijk zocht 54. Al als van Zijn Lam door luister delgt volken GEZANG 46. magten, opent bloed Priesters de zonden, verwon te deez' aardsche wooning, Hij A het lot der wijsheid niet, strijdgenooten! ook uit, ,, het Lam is waard Gods zegelen t' ontsluiten!" d' eeuwen Uit al naadren Hij A stuiten: wat Van allen dwang ontbonden! kocht ons Goallerlei geslachten. liggen staten, Als bindt die wij, Hij is ook aard ор een Koningen geTriomf! lied Gods raadsbesluit, GeAI zien wij JeSchept bloot Voor Het triomf! onze Koning! zamen; 55. Zijn Kerk, gevestigd in zijn bloed, En vormt zich onderzaten. Hier Hij Benatiën, Hem, zal d' Evangeliestem Het ongeloof beschamen. Zal voor geen VAVAHAA geen' vijand bukken; Geen list, geen magt, hoe fel zij woed', 56. Hij, die als GEZANG 46. zijn' Geest ons zegent, tot dat hart, Zal z' ooit aan Hem ontrukken. Hoogepriester leeft, en sterkte geeft, Wat kwaad ons ook bejegent. 57. Hij meet de maat van al de smart, geweest, ooit ons hart bestormde, En heeft den toegang 58. Die in ons 00g de moeite leest, Hij betreedt, Hij is' t, die moed ons zijn medelijden; Hij is, als wij, verzocht 59. Hij is' t, die al ons lief en leed 60. Triomf! die voor ons stof begeert, En met Dat Hij als Schepper vormde. brengt ons telkens En sterkt ons, als wij strijden. schikt, of wil gehengen, Om op het spoor, Die ons stierf regeert! nader, Toont En, Ons weer tot God te brengen. Bedat Hij 101 als het graf NAVAVAL Voor eeuwig bij den Vader. ZES VAL TAAVIVAAHAVAVA 102 61. Triomf! GEZANG 46. ZESDE AFDEELING. nietigde de zonden! is de dood die al verstomt; des 64. Al 62. Hij is' t, die op de wolken komt! Buigt, Christtoont zijn welgevallen, ons het nen! buigt u neder Voor Hem, voor wien' t heeld' aard voor ,, is die Door 63. Hij komt en draagt de gloriekroon, menschen Zoon, d' Immanuël hemelheir, " 65. Hij vonnist, heelal getuigt: graf Hij komt! ja, Hij kont weder Hem Wiens ontsloot en de Triomf! voor eeuwig Jezus dood verslonden! eere waardig!" En geeft aan Vergeheel de hel gebogen, Het oordeel over allen. Erkennen hemel juicht: God Hem, 66. Hij vonnist, Hij, de vriend van God, Al grootheid wij verhoogen. Hem Hij vonnist 9 ,, Zijn vonnis is regtvaardig!" ,, Hij en' t De vriend ook van de menschen! Waar kan de zondaar ARARA Z 67. Kom, daar beter lot, Waar beter' Regter wenschen? GEZANG 46, 47. Christenschaar! Hij let op onze gangen, Hij, onze RegF+ F ter, is nabij, Hij,' t voorwerp onzer zangen! kom, 47. JEZUS LOF OP AARDE. WIJZE: Psalm 36. ing, Christenschaar! de schoonste stof, Zing Jezus naam, zing Jezus lof! Heeft hier waken wij! vervuld, ons op aarde, Hij, uit den hemel neergedaald, goddelijke waarde. Hij kwam voor voor ons' t rantsoen betaald Al wierd deez' aard, door onze schuld ,. Met smart, en angst, en vloek deez' aard, daar Jezus leed, Van Al staamlen onze tongen, 109 Hier op Daar Jezus aan Gods eisch voldeed, Hier zij zijn lof gezongen. 2. Gij Zoon van God! Gij mensch, als wij, Gij Gij' s Vaders eer Jezus! onze roem zijt Gij, E F op aarde! Gij grootst, daar Gij U diepst verzaakt, VIVRES KL.VE VIVIVIVIVINS ivivivivivivis NEA HVAKAL HORVAAMAV 104 zaakt, Hebt hier door lijden U volmaakt, En gaaft der menschheid waarde. O welk een heil! *** o welk een eer! neêr, Aanbidt den Zoon des menschen. Ons heil GEZANG 47, 48. P staat vast voor d' eeuwigheid, Gods Zoon voldeed Gods majesteit: Wat kan men grooter wenschen? 3. Deez' aard, waar Gij uw lijden leedt, Valt, volken! valt voor Jezus lessen gaaft, uw wondren deedt, Waar' s Regters vloek U griefde; zonk, bloed zweet dronk, voor U getuig', Z ELES Uw zich buig', lied, zij U tot vreugd, Deez' aarde, die uw Waarin uw lijk ten grave Verkondig' uwe liefde: Dat elke knie Dat elke tong uw' lof Elk hart, U opgedragen, Zij U een En wij, och! dat w' in liefd' en deugd, Uw beeld op aarde dragen. 48. AAN DEN VERLOSSER. WIJZE: Psalm 81. ingt, zingt blij te moe', Adams dankbre zonen uws Redders lof, nen! Jezus glorie toe! Uit het laagste stof Klink' CAVAVARVAMUA 2. Zingt des Hoogsten Zoon, Ons van God gegeven.! Van zijn' hoogen troon, Op gena' gegrond, L Stroomt voor' t wereldrond Eeuwig heil en leven. 3. Juicht dien Koning aan, ELCO GEZANG 48. Zondaars wil ontslaan: Elk de hoogste vreugd, Leo Waar ook menschen woonen. Welk een straf hij ducht', Alles wil vergeven. 4. Die ons door zijn bloed Kocht tot onderdanen, 5. Die ons, bij de hand, 264 En ons stug gemoed, Tot de reinste deugd, Leidt naar' t vaderland; Woord en trouwe houdt 6. Ach! HAVA Peer! 肝 Die, hoe hoog verheven, Meldt uw liefde niet. 9 ons schamel lied, die tot Hem vlugt, Tot Hier den weg wil banen. Door dit moeilijk leven, En, wie op Hem bouwt, Onzen dank, sonz' eer, Tot in' t eeuwig leven. Vurigst aangevangen, Och, vergeef ons, Onze lofgezangen. 105 7. Wat, wat zien w' in' t stof, Heiland van uw waarVAHRES BURURURURURURURVAURORV; HVORVAVHU 106 waarde! Wat is hier uw lof! Van' t verlossingswerk, GEZANG 48, 49. Jezus! ziet uw Kerk Slechts een stip op aarde. 8. Wat Gij ons geslacht, Toen de dood U griefde, Heer! hebt aangebragt, Meldt slechts d' eeuwigheid: Niets, dan d' eeuwigheid, ** 00 9. Welk een licht hier schijn', Meldt een eeuwge liefde. wenschen, Alles, wat wij zijn, Zijn wij U ver10. Ja, U kiest ons hart pligt, U alleen verpligt, Redder van de menschen! Onder vreugd en smart Wat wij heilrijks stervling biedt, Eeuwig tot zijn' Koning! Geld' uw liefd' ons' t meest. Strekk' ons hart uw' Geest Eeuwig tot een wooning! 49. AAN JEZUS DEN VERLOSSER. Nieuwe zangwijze. erlosser, Vriend! o hoop, 0 lust Van die U kennen, neem het lied, Dat U in' t stof een Een zondaar, die uw voeten kust; Een zondaar, een verlost', o Heer! En nu geen zondaar meer: O! neem het aan, Gij laat CAVAUVAU laat geen bidder staan, Gij hoort in HemellinGEZANG 49. gen Verloste zondaars zingen; 0! neem het aan. 2. Ja,' t was uw lust, een mensch te zijn! Uw Vader heeft, op uw gebed, Zijn eer gehandhaafd, ons gered; Uw liefd' ontzag, noch leed, noch pijn: Daar traadt Gij op, met moed en kracht, Tot heil van ons geslacht. Wij zijn verlost, Maar' t heeft uw' dood gekost, Gij leeft, Gij leeft! en' t leven Wordt ons teruggegeven; Wij zijn verlost! 3. Nu leeft Gods Zoon in menschlijk vleesch! Hij stierf voor ons, maar leeft bij God, En sterft niet meer. O zalig lot! Gods Zoon, dat d' aard haar Schepper daar plaats bereid; 4 ' t schepsel dient, vreez'! Gods Zoon, verhoogd in heerlijkheid, Heeft mij Ik ben zijn vriend! Hij, wien al A 107 Der Englen Hoofd en Koning, 4 Verwacht mij in zijn wooning; Ik ben zijn vriend! 4. Bedreigt mij leed, ontmoet mij smart, Ik vrees geen kwaad, Z.XE i\/\/ ATAY MAVIVAHU HVAVA 108 kwaad, maar klaag het Hem: Hoe groot in eer, Hij hoort mijn stem; Hoe ver mijn hart, Gods Zoon vergeet den broeder niet, Dien Hij op aarde liet; ✦ wiesch mij met zijn' doop, GEZANG 49, 50. keert tot God, ker,' k Ben van zijn liefde zeker; Hij is mijn hoop! noch peil:. In van d' aard, Hij kent 5. Waar is een vreugd, een kalmt' een heil, Zoo zabij mijn' God; Hij is mijn hoop, Hij lig, als dit hoogst genot? Het vloeit uit God, en Hij geeft mij brood en be50. zijn liefd' en 9 Hij is mijn lust, Ook als mijn A 42-3 stof eens rust. 0! prijst Hem, mijn gezangen! Het heeft, noch maat, noch perk, ☆ Jezus is mijn zalig lot Verborgen t Ik blijf zijn komst verlangen; Hij is mijn lust! AAN JEZUS. WIJZE: Gezang 38. da alleluja! lofgezongen Jezus Christus onzen Heer! Paart, verlosten! hart en tongen, Juicht magt ter eer! Hem, die redt uit CHAVA uit alle nooden, Die waarachtig en getrouw, Vastheid geeft aan' t Godsgebouw; van' t heelal, gewijd, eerstling uit de dooden, Hem, den Koning * den loon GEZANG 50. dood. 2. Halleluja! onze zangen Zijn voor eeuwig Hem op rein gemoed HVAVAVAVAAAAAE F Die het Godsrijk heeft ontvangen, Als zijnen strijd; Die aan' t kruis zich liet verhoogen, En ons minde tot den den slaakt, * Wien' t heelal eens eeren zal. Hem, Met een liefd' ondenkbaar groot, ken, den een godlijk mededoogen; Hem, die ons onkweekt onder lijden, 3. Halleluja!' t loflied rijze! Hem, die onze banHeeft gewasschen in zijn bloed. * Met En bidden leert en 109 Hem, die ons, zijn' naam ten prijze, Koningen en Priesters maakt; Die ons opons, bestuurd, Door zijn' kruisdood aangevuurd, Wadoor zijn' Geest strijden: Hem zij heerlijkVIVE VARVAVAViviviviviviviviviviviViViViVIVIVIVING ATALALA ANINAVINARAVNAVAN 110 GEZANG 50, 51. lijkheid en magt, Eeuwig, eeuwig toegebragt. 4. Amen! Jezus Christus! Amen! Ja, Gij zult in' t groot heelal' t Rijk der duisternis beschamen, Tot het niet meer wezen zal. 0 Heiland! in ons midden: Onder uwe F ons strijden, leer ons bidden! Woon, schappij Zijn wij zalig, zijn wij vrij; Leer heerAmen! heerlijkheid en magt Word' U eeuwig toegebragt! 51. JEZUS TROUWE. WIJZE: Psalm 88. ezus is mijn Heer en Koning, Die mij wooning In zijns Vaders huis bereidt; Wat mij hier ook moog ontbreken, In die streken Wacht mij rust en zaligheid. knagen;' t Licht zal dagen 2. Zonde, zwakheid, angst en zorgen Voor den morgen Van den dag, die nog niet is, hogen aan mijn blijdschap Midden uit de duisternis. 3. Mijn verwachting zal niet wijken, Niet bezwijken, * ' k Sta op eene rots gegrond; Jezus heeft mijn' naam ten AVAUHAVAMAA GEZANG 51, 52. UHUHUHUHURUVAVA ten leven Opgeschreven, Hij, die nooit beloften schond. 4. Dit geeft lust, en moed, en krachten, Om te wachten Tot mijn proeftijd is vervuld, Vol te houden in het strijden, En, in' t lijden, Hoop te voegen bij geduld. 5. Als gevaren mij omringen, Wil ik zingen genade, trouw en magt; Zelfs in onbewoonde streken Vloeijen beken, Lichten starren nacht op nacht. 6. Dat mijn ziel, met woord en daden, Op mijn paden Zich dan gansch aan Hem gewenn'; Laat vooral mijn laatste dagen Blijken dragen, Dat ik Jezus eigen ben. GELOOF EN VERTROUWEN. 52. DE GELOOFSARTIKELEN. WIJZE: Gezang 21. 111 Van k geloof in God den Vader, Die, almagtig, wijs en goed, Aard en hemel heeft geschapen, Nog bestuurt en blijven doet; Door Hem leef, beweeg m' en ben ik, Hij beschikt en stuurt mijn lot, Dat blijf ik Hem toevertrouwen Als mijn' Vader en mijn' God. 2. Ik geloof in Jezus Christus, D' eengeboren' Zoon van God, AUXURVAVARU: O: O: O: ORORVROPORVR XLXK NAAMANAVA MUAWANAN 112 God, Door wien alles is geworden,' t Woord bij God, en zelf ook God;' k Eer dien Zoon, gelijk den Va* ' k Buig mij dankbaar voor Hem neêr, Die mij der, GEZANG 52. vrijkocht en verloste, Hem erken ik voor mijn' Heer. 3. Van den Heilgen Geest ontvangen, En geboren uit een maagd, Is Hij vleesch voor ons geworden, Hij zoo diep voor ons verlaagd: Ja, Gods Zoon werd onze broeder, Zoo bemint Hij Englen niet; wel hooger wezens, Maar Gods Zoon hun broeder niet. 4. Jezus, onze Zaligmaker, Leed vervolging, smaad en hoon; God verzoende zich de wereld Door den Englen zijn kruisdood van zijn' Zoon: Onder Pontius PilaTUS Heeft Hij onze schuld betaald, ven, is begraven, Is ter helle is gestorneergedaald. 5. Hij verrees ten derden dage, Wien de dood niet houZoo is Hem ons heil betrouwd, den kon, Die, door sterven en herleven, Dood en graf en hei verwon: Zoo bleek Hij Gods Zoon te wezen, Hem, wiens sterven HAHAHHUMUHA GEZANG 59 AAAAARVAVARS ven ons verzoende, Hem, wiens leven ons behoudt. 6. Hij voer op ten hoogsten hemel, Door de heemlen doortus gegaan; Aan Gods regterhand gezeten Nam Hij' t roer der schepping aan: Zoo werd Hij ten Heer en ChrisDoor Gods Englen toegejuicht,' t Voorwerp van der menschen hulde, Voor wien eens' t heelal zich buigt. 7. Eenmaal zal Hij wederkomen, Eenmaal houdt Hij, ' s menschen Zoon, Plegtig oordeel over allen, Rigt Hij levenden en doon, Elk naar' t geen hij deed in' t ligchaam, Zoo beslist Hij ook mijn lot: Maar dit troost mij, Hij, mijn Regter, Heeft mijn schuld betaald bij God. 8. Ik geloof van ganscher harte In en Heilgen Geest, dien Geest, Die Gods Kerk en heilgezanten Steeds ten Leeraar is geweest; Die ook mij wil troosten, 113 leiden, En, betracht ik eenig goed, Beide' t willen en' t volbrengen Godlijk in mij werken moet. 9. Ik geloof een Kerk, die heilig, en algemeen, In geloof, en hoop, en liefde, En in Christlijk is, UAVACHUALAURURURURURVRORU XIX VIRAHAAAAA 114 in zalig uitzigt één; Ook der heiligen gemeenschap, Zamen één elkanders vreugde, Deelend' in elkanders smart. laars bloed; 10. Ik geloof de schuldvergeving Enkel om des MidGEZANG 52. 12. Ik van zin en hart, Deelend' in geen troost voor mijn gemoed, Alles, alles is geIn mijn eigen werk en waarde nade: Hoe strafschuldig ik dan zij, Ja, mijn Vader! ik geloove, Al mijn schuld vergeeft Gij mij. 11. Ik geloof, dat dit mijn ligchaam, en asch vergaan, In den jongsten aller dagen verheerlijkt op zal staan; Dan onsterflijk, onverganklijk, Kent het geen verderfenis, Dan zal' t schoon en heerlijk wezen, Als mijus Heilands ligchaam is. zaligheid, is Is geloof een eeuwig leven, Mij door Jezus zelv' bereid, Ongekende hemelvreugde, Stoorelooze de zonder eind of paal. uw prikkel? Leven zonder ooit te sterven, Schoon tot stof Graf! Weer VreugZond' en dood! waar waar is uw zegepraal? 18. Eeu AAAAAA 13. Eeuwig, onbegrijplijk Wezen, Heilge Geest! Leer mij daaglijks meer U kennen, U gelooven allermeest;' t Heil van zondaars voert uw liefde Tot den allerhoogsten top: Amen! godlijk Evangelie! Amen! zegt mijn ziel daarop. leven; GEZANG 52, 53. zink' 53. Vader, Zoon en ijn God! > GELOOF AAN GOD. WIJZE: Psalm 36. blink', wat ik altijd aan U geloov', Aan deugd en eeuwig ooit in mij verdoov', Dat hobblig hier mijn pad ook zij, Mijn' boezem nooit begeven. Op welk een' nacht mijn oog ook Dan zal' t gevoel van mijn waardij, Hoe Schoon ook geen star meer voor mij Met U zal ik niet vreezen: Zweeft Gij m' in nood nog voor' t gezigt, Dan zal, wat om mij vall' of zwicht', Mijn deugd beveiligd wezen. 2. Gij, algenoegzaam in U zelv', Die' t wormpje schiept, en stargewelf Met zonnen hebt ontsteken 8* 115 Zijt AANVRE VIVE VALAX UNIVAHUAVAVAVAVAVA 116 3. Zijt ook mijn Schepper, ook mijn stof EE GEZANG 53, 54. liefde tot uw' lof, Niets kan dien band verbreken. Gedachte, die mijn ziel verrukt, Hoe diep in' t stof ter neêrgedrukt, In troost niet aftemeten! ,, Ik nietig stipjen in' t heelal Ben, onder' t maatBezield' uw ,, loos schepslental, Niet van mijn' God vergeten!" 0! zoo mijn hart, nog afgeleid Door mijne diep' onwaardigheid, Uw liefde kon mistrouwen; Hoe zinkt mijn laatste twijfling neêr, wen: schenk, o Heer! De gift uws Zoons, mag schouAls ik op uw geWies Och! dat ik starend' op dien Zoon, E tot uw' genadetroon Vertrouwend, vrolijk nader' En, veilig in uw' liefdeschoot, Tot U nog stamel' in den dood, ,, Mijn Schepper en mijn Vader!" 54. NOODZAKELIJKHEID DES GELOOFS IN JEZUS CHRISTUS. Nieuwe zangwijze. ¹ Altijd aartoe toch al dat angstig schroomen? Komt twij AAAAAAA twijfelzucht ons ooit te sta'? Wie moet niet als een GEZANG 54. zondaar komen, Niet enkel leven door gena'? hij, die, uit zijn nooden Tot Jezus en zijn heil geO zalig vloden, Daar dankbre liefdetranen schreit! Op't woord des Vaders te vertrouwen, En door' t geloof den den, Zoon t' aanschouwen Is hier de weg tot heiligheid. 2. Geen heiligheid wordt hier gevonden, dezen wortel groeit; Hieraan is alle deugd verbonDie niet op Die immer voor den hemel bloeit. Vergeefs is uw daden meten, al het moedloos duchten, Vergeefs' t wanhopig kerby y men, zuchten, Niets buiten Jezus heelt de smart; De vrees van een geprangd geweten Moog naar Gods wet ' t Geloof alleen vertroost het hart. 3.' t Geloof, ja, leert ons heilig leven, Daar' t pligt uit dankbaarheid betracht, Maar' t werken kan die rust niet geven, Waarnaar de ziel zoo 117 hijgend smacht. Hoe diep g' uw schuld voor God moogt VAVAVAVA URURURORVAURURURURU: VIVE VIVIVIVING / i\/ i\/\ ATAY TXANA VIVAHANA 118 moogt voelen, GEZANG 54. VAN De zonde zal steeds feller woelen, bø Zoo lang gij niet op Jezus ziet. Rigt, waar g' ook henen wilt, uw gangen, Als zondaar A gunst ontvangen, Uw eigen deugd verdient die niet. moet gü 4. Ach! zal dit booze vleesch nog woelen, Wanneer mijn laatste stond genaakt, En zal ik stervend nog gevoelen, Dat zonde mij ellendig maakt! Maar, o mijn Vader! wat moog wijken, Uw vast verbond zal niet bezwijken, Uw eed wordt nooit van kracht beroofd; Uw Zoon voldeed aan uw bevelen, Volbragt uw wet in al haar declen; En ik, ik heb in Hem geloofd. 5. O Gij, die onze schuld woudt boeten Door uwe gadelooze pijn, O Heiland! leer mij aan uw voeten eigen oog een zondaar zijn. Met al mijn deugd, bij al mijn werken, Vind ik geen' troost, In die mij kan sterken, Geen hoop, dan die ik op U bouw: Op uw genade zal ik leven, Op uw gena' den doodsnik AVAVARVAHV7 snik geven, GEZANG 54, 55. O Heer! aan wien ik mij vertrouw. 53. VASTE GROND DER HOOP. WIJZE: Psalm 42. od heeft ons zijn woord van God blijft eeuwig waar: ' t allergrootst gevaar; ooit doen beven, Zelfs in' t allergrootst gevaar? ' t Woord van God blijft eeuwig waar, vergaan; gegeven; 2. Trotsche bergen zullen wijken, ' t Woord Wat zon ons dan Zelfs in Wat ZO11 ons dan ooit doen beven? God heeft ons zijn woord gegeven! 119 Zelfs in' t hachlijkst levenslot. Vaste rotsen eens Zijne trouw zal nooit bezwijken, Zijn verbond blijft eeuwig staan: Laat de wereld zelfs vergaan, Wat ooit wanklen Zijne trouw blijft eeuwig staan: moog of wijken, Zijn verbond zal nooit bezwijken. ' t Hoofd naar bo3. Treurigen, het hoofd naar boven! ven, hoopt op God! Wat Hij zweert moet gij gelooven, Vest uw vaste hoop op God, Zelfs in' t hachlijkst levenslot; Heft blijmoedig ' t hoofd HAVA BURURORVAURORURORU VIVE ViViVIVIVING TA VINAHAVAAVAA 120 GEZANG 55, 56. ' t hoofd naar boven! Wat God zweert moet gij gelooven. 56. OPWEKKING TOT KINDERLIJK VERTROUWEN. Nieuwe zangwijze. VIV een dwaze vrees beklemm' uw harte; Of wanhoopt ooit een kind? vrees beklemm' uw harte, smarte, Dat hem zijn vader mint? Geen dwaze ders eer; Gevoelt het niet in al zijn Uw Vader kent zijn kind. 2. U al uw zonden te vergeven Dat is uws VaEn, hebt gij ook op nieuw misdreven, Reeds heeft, wat wilt gij meer? Uw Vader al die schuld vergeven: Geef dan uw' Vader d' eer. 3. Nog leeft, nog werkt in u het kwade,' t Is billijk, dat gij vreest; Maar hoop met een op Gods genade, En bid om zijnen Geest; Die overwint in u het kwade, En alles, wat gij vreest. 4, Het kind vertrouwt zich aan zijn' vader, Dat A is een vader waard; Uw Vader ook! wien hebt gij nader In hemel of op aard? Uw Schepper is TAVAVAVA GEZANG 56. is uw trouwe Vader, Al uw vertrouwen waard. 5. Ontvang het pand van zijne liefde, Ontvang zijn' eigen' Zoon; Omdat uw treurig lot Hem griefde Verliet Hij zijnen troon, En stierf voor zondaars: God is liefde! zonde meer; ren, VAUVAVAU HRVAVALY 6. Och! was ik zoo uit God geboren, Ik deed geen Ontvang Hem in zijn' Zoon. Zoo zucht gij:' t is ook u beschoGeloof en dien den Heer; Dan juicht g', ik ben uit God geboren, Ik doe geen zonde meer! * 7. Wij mogen alles van Hem wachten; is 200 mild: Hij geeft op ons gebed de krachten, zich zelv' den dood? Geen vader En helpt, zoo gij maar wilt. Bid, zondaar! bid, laat God niet wachten; Die Vader is zoo mild. Jezus eeuwig leven, 8. Wie wil voor Hem niet gaarne leven, Wie kiest Gevallen Englen mogen beven, 121 Maar gij, vrees gij geen' nood: Gij kunt met Voor u is hel, noch dood. 9, Geen FO: O: ORORVAURUTURUR VIVE VIVIVINT Viviv ZIVANJNÄVAVI AMAHAVIAU 122 9. Geen dwaze vrees beklemm' het harte, Of wanhoopt ooit het kind? Het voelt, te midden zijner GEZANG 56, 57. smarte, Dat hem zijn vader mint: Geen dwaze vrees beklemm' dan' t harte, Uw Vader kent zijn kind. 57. BLIJDSCHAP DES GELOOFS. WIJZE: Gezang 36. hoe blij te moede, e ◊ Maakt Gij mij het hart! smart. E Doet G' uw heil aanschouwen, bo Nimmermeer Doet Gij, o Heer, Vriend en ten, Gever van al' t goede, D Die ep U vertrouwen pogen; troost in droefenissen! Mij verkwikking Redt G' uit alle 2.' k Zal met zin en lusten In uw' wil berusWat Gij wilt is goed: missen. Niets vermag mijn Maar uw mededoogen Rust mij toe met moed. Als' t heelal Zich neigt ten val, Als uw oordeel angst zal wekken, Zult Gij mij bedekken. 3. Aan mijn laatste snikken Denk ik zonder schrikken, Mijn Verlosser leeft!' t Ligchaam moog verderven, ' k Weet HVAVAVA GEZANG 57. ' k Weet, dat Hij, na' t sterven,' t Heerlijk wedergeeft. Bange dood, O laatste nood! Doe vrij' t hart van zondaars siddren, Wat heb ik te siddren? 4. Ook voel ik met smarte 4 Mij met kracht bestrijdt: uw ginst blijft wachten, 5. Dat ik in U roeme, AVAVAVAVAV Redt mij uw genade, bo ' t Zuchtend hart, Dat in zijn smart Redding van Vrij tot U mag treên; ve, Zonde, die in' t harte Doch uit al dit kwade d Naar uw woord, altijd. Zult Gij niet verachten. U mijn' Vader noeme, Uwen hemel erve, V Dat uw hand Mij houdt in stand, Komt van 123 ↓ Dat ik, als ik sterU alleen. Dat Gij mij behoedt voor' t kwade, O! dat is genade. Opdat 6. Jezus, die uw leven Voor mij hebt gegeven, nimmer nood Hopeloos mij griefde, Groot is uwe liefde, be Sterker dan de dood! En ik, Heer! Zou tot uw eer 1xprik In uw heil mij niet verblijden, U mijn hart niet wijden? 7. U VAL DAURURUBURURURURURURUORURUBURURURURU VRE JAVIVAM ¡ Vivivivivivivil MAVIVAAMAAIVIV 124 7. U opregt te vreezen Moet mijn blijdschap weGEZANG 57, 58. zen, Zonde mijn verdriet: exo gen, O! dat is' t genoegen tobo Mijn gemoed Kan al het goed, zen ooit naar trachten, 8. Heeft het goed der aarde E Schept het vreed in' t hart? zult allen, die U eeren, 9. Vol van uw genade, kwade, Leef ik in U blij: harte, Wereldsch vergenoeMijner ziele niet; 58. Waar hier dwaRijk in U, verachten. vermaken, Daar wij hier naar haken? IJdelheid be en smart. Gij verheugt Met ware vreugd; Gij 1024 Wezenlijke waarde, Neen! wat zijn Eeuwig weder eeren. Trouw behoed voor' t * In de grootste smarte, obo te zij! Zoo verblijd Wacht ik den tijd, Om het Dat die vreugd mijn Steeds tot sterkdoodsdal door te streven Naar het eeuwig leven. GELOOFS ROEM. WIJ ZE: Gezang 29. wijfling zwijg, zwijg bange smarte! God, die AAAA die trouw is, is mijn vrind, kind. zegt aan mijn harte, Dat ik eeuwig ben Gods GEZANG 58. Vrees voor straf doet mij niet sagen, Wil mijn hart mij al verklagen, Nogtans vat ik moed in smart; God is meerder, dan mijn hart. 2. Hij, de kenner van' t verborgen, zorgen mij, en weet alleen, Hijg' En zijn Geest geloof en waan, Hij weet, hoe diep mijn zonden Hoe ik hier in al mijn nieuw mijn ziel doorwonden: naar zijnen dienst alleen. Kent ook En door Hem ten hemel gaan. Ja, Steeds op Niet mijn onMijn geloof dat ziet Hij aan. 125 3. Mij heeft Hij zijn Zoon gegeven, Door' t geloof F nam ik Hem aan: Ja, ik weet het, ik zal leven, Zelfs eer ik nog Eer was geboren, Heeft mij God in Hem verkoren, de stem van zijne magt Immer iets had voortgebragt." 4. Wie zou dien nu nog verklagen, Wien God zelf verkoren heeft? Wie zou daar' t verdoemen wagen, AVANPAR AVAURURVAIRURURURURVAURURURURURURO VIVIA HARVAAMAAVAA 126 vrij verklaren, gen, Waar God zelf de vrijspraak geeft? geen hel kan mij vervaren, Wien God zelf wou verdoemt, GEZANG 58. 5. Jezus Christus is gestorven, IVAVAN Wien geen schuld, hoe groot, Daar mij God regtvaardig noemt. verworven ook voor mij. voor mij; Heeft de zegepraal verworven, Die gezeten, Zal Hij nimmer mij vergeten; zal mij getrouw behoên. Neen, heen zij nacht, hoeden, Is verrezen ook Aan God deernis met mijn lot, Treedt Hij voor mij in bij God. 6. Trots de wereld en haar' laster, Trots de hel en al 7. Ruwe stormen mogen woeden, haar woen, Steun ik op Gods liefde vaster; God regterhand Neen, uit scheiden,' k Zal, wat ramp mij moog verbeiden, Juichen midden in de pijn, Meer dan overwinnaar zijn. Niets dat mij van God kan Moet ik lang zijn hulp verbeiden, Alles om mij God, mijn God zal mij beGod houdt voor mijn heil de wacht. Zijne liefde blijft VAAAAAAA hoe digt, blijft mij leiden: Door een' nacht, hoe zwart, ' s werelds goed, 8. Ja, verleidend is' t vermogen, Op ons hart, van Glans van eer verbijstert d' oogen, Vleijend is de gunst Weeldeteugen smaken zoet; der grooten, 9. Maar, Vaak met groot gevaar genoten: Hooge lof leidt ligt van God, En nog ligter bittre spot. * begeven: Gunst GEZANG 58, 59. wat Voert Hij mij in' t eeuwig licht. van A of rouw, of eer, mij ooit verwacht', Jezus zal mij nooit lot, Ben PUPURVAVAVRAS of dood of leven, is ik zwak, bij Hem menschen, raad Smaad kracht: haat van kwaadgezinden, Hoogte, diepte, vreugd Bittre van vrinden, Niets ontrooft mij aan Gods trouw. 127 HET DANKBAAR LEVEN VAN DEN CHRISTEN. ,, Ik kenne God," spreekt logen; 59. WERKDADIG GELOOF. WIJZE: Mir nach, spricht Christus, unser Held. wie Gods woord niet houdt, en zegt, ' t Geloof is in AURURUKORURURURURURUAVAVAVAUTÚRU ALATASALATA NARAVVIVI 128 脚本 in hem niet opregt, drogen: waart, GEZANG 59. Maar wie dat woord getrouw beHij heeft zich zelv' beDie is uit God, en niet van d' aard. 2.' t Geloof, dat door het woord ontstaat, Dat moet ook liefde werken; Hoe hooger uw vertrouwen gaat, Hoe meer het die moet sterken:' t Geloof verlicht ons niet alleen, Het sterkt, en reinigt ons met een. 3. Gezuiverd door des Heilands bloed, Schenkt God ons zijn genade: Die dit vertrouwen op Hem voedt, Die wacht zich ook van' t kwade: Hij wordt dus daaglijks, meer en meer, Gelijk aan' t beeld van zijnen Heer. 4. Zij zijn' t, die God in gunst aanschouwt, Die zich gehoorzaam toonen; In elk, die Gods geboden houdt, Moet ook de liefde woonen: Christen toont Een daaglijks werkzaam Het waar geloof, dat in hem woont. 5. God blijft in ons, en wij in Hem, Als w' in de liefde blijven, Door haar voelt zich der Englen stem Tot Z AAAAAAA GEZANG 59, 60. Tot Gods verheffing drijven: God is de liefd', en Hij bemint Geen hart, waar Hij geen liefd' in vindt. 60. BRON VAN GOEDE WERKEN. WIJZE: Wenn zur Vollführung deiner Pflicht. 00 gij, in ijver tot uw' pligt, iets goeds verrigt, Gods liefde zijt ontsteken, Zoo roem niet, dat AAAAAAAA Niet door ontbreken: Zoo wellust, vleeschlijk overleg, of hoogmoed u ten goede raden, Al doet gij ook de 2. Wees, door de grootheid van uw in alles meest, De ware deugd blijft u beste da- den, Bij God hebt g' uw belooning weg. Gods 00- gen wonder en' t geluk der menschen, Bedoelt g' u zelv' Het ls d' eer het wit van uwe wenschen, Is' t niet Gods liefde, die u drijft, Zoo weet, dat gij, bij' t grootst vermogen, Bij Englenwijsheid, in 3. Sticht huizen, geef daar d' armoe' brood, Niets meer, dan klinkend koper, zijt. Deel kleedren uit, die naakten dekken, Ontruk de weduw 9 129 aan AURURORURURURURURUTUROR VIVIVIMA Vivivi ALOLOTATOLATA MAHARVAVA 130 GEZANG 60. aan haar' nood, Blijf' t weesken tot een' vader strekhart niet dre- ven, ken, Deel onder hen uw haav' en goed; hebt g' in Gods oog gegeven, Viv volken, heele landen, 4. Beschaam den grootsten heldenmoed, Niets, dat u eenig voordeel doet. niet ba- ten, Zoo liefd' en dank uw g' u daarop verlaten; Nog niets uw bloed, Laat voor de waarheid u verbranden; Red steden, Vergiet voor' t vaderland Voert niet de liefd' in u' t gebied, Te dwaas zoudt ' t Kan alles u voor God 5. Was doen bij Hem alleen de pligt, Hij acht all' uwe werken niet. Zoo kon Hij ons tot alle dingen, Door banden der natuur, zeer ligt, Door krachten zijner almagt, dringen: Geldt wijsheid Voor Hem, die alles geeft en maakt, niets, niets gelden krachten; Hij wil het doel zijn van uw trach- ten, Hij eischt, dat gij in liefde blaakt. 6. Een hart, voor dwaze zelfsmin doof, Door ijdlen hoog TAAHHVA GEZANG 60. hoogmoed niet verheven, Vernieuwd tot liefd' uit waar geloof, Door zuivre godsvrucht aangedreven; A zoo wij niet dat hart bezaten, Dat is' t, wat God in ons behaagt, En, men, VAAAAAAAAAAA 4 ons met ba- ten, Dat roem op Englendaden draagt. 7. Vergrijp u dus niet aan den schijn, Noch aan den klank der ij dle namen, Vraag niet slechts, wat uw daden zijn, Vraag meer uit welk een hart zij kwaZoo zou een leven Doorzoek voor God, die alles ziet, Of' t ook door liefde zij ontsteken; Hij wien' t aan liefde liefde, die gij oefnen zult, list of treken blijft ontbreken, Heeft ook het waar geloove niet. 8. Bezielt u liefde jegens God, Zij zal u in het goeddoen sterken, Gij zult de kracht van haar genot Aan liefde tot den naasten merken; De Is goedig, zonder Lacht nooit om' t aanzien van gebreken, Zij zwelt niet op, z' is zelfs geduld. 9. Zij sluit het oog voor ' s naasten kwaad, Neemt 9* 181 nimBUXURURURURVROPOTURVAV: 0: 0: 0 VIVIVIVAVVIVIVIVINS VIVIVAN AHAU 132 GEZANG 60, 61. nimmer in zijn' val behagen, lijk' eigenbaat, Kan' t al gelooven, hopen, dragen; Werkt nooit uit schandZij is' t, die ons met kracht voorziet, volmaakte deugd te streven, vreugd en le- ven, 61. Zij maakt Gods wil uw 4 Om naar En namaals zelfs begeeft z' u niet. WET VAN GOD. WIJZE: Gezang 54. k nader voor uw heilig' oogen, Oneindig' Oppermajesteit! Gij, die geen zonde kunt gedoogen, Eischt dankbre liefd' en heiligheid; De schrik van Horeb is verdweabx nen, Gena' en waarheid zijn verschenen; d'immanuel uit Ephrata Wou, door gehoorzaamheid en lijden, Ons van den vloek der wet bevrijden, Dat is volbragt op Golgotha. 2. Maar, als ik in' t geloove roeme, Doe ik dan ook de wet te niet? Neen! Jezus! wien' k mijn' Heiland noeme, Dat leert uw Evangelie niet!' t Gebod is heilig, wijs, regtvaardig,' t Geloof maakt mij tot goeddoen vaarbø øð- dig,' k Gehoorzaam uit erkentenis;' k Geloof, en toon graag CAVAVAVAVAH GEZANG 61. graag in mijn daden, VAVAVAVAVAR 133 Dat, die mijn schuld op zich wou laden, Geen dienaar van de zonden is. 60 3. Al ben ik niet als Abrams zonen' t Egyptisch diensthuis uitgeleid, God wil mij grooter gunst betoonen, Voor vloek schenkt Hij mij zaligheid; Hij wil mij al mijn schuld vergeven, Opdat ik tot zijn eer zou leven, Dan, dan ben ik in waarheid vrij: Geef mij, mijn God! dat ik uw wetten Ten regel van mijn doen winnen, moog zetten, Uit dankbaarheid gehoorzaam zij. 4. Ik ben den dienst der valsche goden, Ik ben der groov' afgoderij, Bij' t licht der waarheid, wel ontvloden, Daar is geen ander God, dan Gij; Maar, ach! het snood bedrog der zinnen, En' t zondig eigen t' overDat valt mij zwaar, en baart mij smart: Och! mogt, wat ooit mijn driften streelde, Geboorte, rijkdom, eer of weelde, Nooit afgod wezen voor mijn hart. 5. Geen beeldendienst kan mij bekoren, Ik buig voor hout VIVIM WAFA RAHVARAV 134 hout noch steen de kniên; B achten, hooren U steeds in geest en waarheid dien'? Ach! neen, HES ik blijf in' t pligt betrachten Te vaak mijn eigen daden by Naar' t geen voor menschen deugdzaam scheen: Naar' t geen in uw oog niets beteekent, Heb ik mijn' godsGEZANG 61. dienst vaak berekend, Gij, God! ziet op het hart alleen. duchte naam, o God! 6. Laat nimmer mij iets zwaarder wegen, Dan uw gegen, Maar of ik daarom naar be7. Uw voor ligtvaardig zweren, Voor misbruik van den naam des Heeren, Wanneer ik met mijn' naasten spreek, Wanneer men uwen naam bespot; Behoed mij En, kan ik uwen eed niet mijden, Leer mij dan A* 4 liever alles lijden, Dan dat ik ooit dien eed verbreek. E Nooit worde laf door mij gezwevangen, eerdienst zij mijn zielverlangen, mijn eer en zaligheid, Dat uwe heilleer, daar onteindig' in zes dagen, Mij voor den hemel toebereid': Zij steeds Mijn arbeid En mijn gezin, van werk ontsla AVAVAH 100 slagen, Vier' dan den rustdag nevens mij. Uw GEZANG 61. roem, mijn Schepper! zij geprezen, Maar dat, nu Jezus is, verrezen, Die rustdag Hem geheiligd zij! AVAVA VAVAVA 8. Geef, Heer! dat ik mijn ouders eere, Voor hunne º zorge dankbaar zij, Uit hun ervaring wijsheid leere, heil bestede, 135 Door liefd' en eerbied hen verblij'. Dat elk, wat rang hij ook bekleede, Zijn kracht tot aller dat, door U, o God van orde! En nuttig zij in zijnen stand, Opzijne beulen waren, Elk naar 4 woord gezegend worde In een gelukkig vaderland. 9. Partijschap, haat en zucht tot wreken, Wanneer men mij beleedigd heeft, Blijv' eeuwig ver van mij naar' t leven dingen, uw geweken, Daar Gij mij al mijn schuld vergeeft: Mijn Heiland bad voor moordenaren, Voor hen, die In' t midden van de felste pijn; En ik, zou ik, om beuzelingen, Mijn' medemensch Ik liever' t beeld des satans zijn? 10. Heer! AURURURURURURURURURURURGAR VIVE AVIVIVAVIVAN LATA 136 10. Heer! reinig Gij mijn hart en daden; Ook dan, wanneer geen mensch mij ziet, Vest Gij uw oog op al mijn paden, En donkerheid bedekt mij niêt: Laat mij het huwlijk heilig wezen, Leer mij d' afschuwlijk' ontucht vreezen, Ontzag voor U behoede mij; Help mij verzoekingen verwinnen, Beteugel drift en lust GEZANG 61. der zinnen, 19 11. Geef, Heer! dat ik in al mijn' wandel De trouw Geef, dat ik biddend waakzaam zij. en eerlijkheid beminn', Opregtheid heersch' in al mijn' handel; Zoo tracht ik nooit naar vuil gewin, Zoo drijf ik, door mijn braafheid kloeker, Met mijn bebe zitting nimmer woeker, Pleeg nooit bedrog met waar of 1100 maat, Sta gierigheid en spilzucht tegen. En' t goed, in Les uwe gunst verkregen, Blijv' nog ten zegen voor mijn zaad. 12. Bewaar mijn tong voor logenspreken! Gij, die de God der waarheid zijt, Zult vroeg of laat de valschheid wreken; Opregten rijst het licht altijd! Dat ik nooit twist TAAAH GEZANG 61. twist of tweedragt zaaije, Mijns naasten woord noch daad verdraaije, Nooit anders spreke, dan ik denk: Moet ik een prooi des lasters wezen, O God! die in mijn 4 hart kunt lezen, Dat mij uw gunst vertroosting schenk'! mede, Die ik niet heb, ja zelfs niet ken; dan uw bestelling prijzen, 13. Heer! maak mij in mijn lot tevrede heb, en wat ik ben, En deelt G' aan andren gaven HAVAVA 187 m' U voor alles dankbaar eeren, Met wat ik gunstbewijzen, Die Gij aan mij genadig biedt: ' k Verdien niet een der Leer mij ' k weet ook, dat mijn' medemenschen O God! zoo zal ik nooit begeeren Mijns naasten goed, ook' t minste niet. zinnen, Is' t eerst en tevens' t groot gebod: Daaraan gelijk staat, God der goden! Leer 14. Ja,' k weet het, U geheel te minnen, mijn Heer en God! Met kracht, gemoed, verstand en U boven al, Maar Te doen, te willen en te wenschen, Al wat mijn hart voor mij verlangt, En dat aan deze LX% ViviviviviviviviviviVIVIVIVINE VANGURGARNARVAVIVAO 138 E ze twee geboden 15. O God! ik beef! zoo moest ik wezen, fen vreezen, ik? wat zijn mijn daân?' k Moest uw geduchtste strafGEZANG 61, 62. Zoo Gij mijn schuld woudt gadeslaan: 4 Maar, eeuwig dank! voor al mijn zonden Wordt bij mijn' De hoofdsom mijner pligten hangt. H Jezus heil gevonden; Vernieuw mijn hart door zijne 62. Maar wat ben kracht, Ontsteek dat hart tot ware liefde, 100 ééne woord DE LIEFDE Wordt uw geheele wet volbragt. gegeven, Want in dit eilge Jezus! mij ten leven, Ter heiligmaking mij heilig mij! JEZUS VOORBEELD. WIJZE: Gezang 32. Hoe heerlijk zijt G' in heiligheid! Hemelsch voorbeeld! al de luister Van Englenheiligheid wordt duister, Bij' t licht van uwe heiligheid: 0 Gij! zoo onbesmet, Gij zijt mijn Hoofd en wet; Heilge Jezus! 0, Dat ik als Gij In hart en wandel heilig zij. 2.' s Vaders wil was boven allen, O Jezus! steeds uw Wel HAAR welgevallen, Gij zweegt voor Hem op alles stil; Och! mogt, all' mijn levensdagen, Wat Hem behaagt ook mij GEZANG 62. behagen, Mijn wil zich voegen naar zijn' wil, Dat ik met 1000 al mijn' lust In zijnen wil berust': Hoor mijn zuchten, 139 O, heilig mij! Dat ik als Gij In alles onderworpen zij. dig vondt, 3. Steeds arbeidzaam, vol van zorgen, Waart G' altijd bezig, van den morgen Tot aan den laten avondstond; ' s Vaders wil was daags uw spijze,' t Gebed uw nachtrust, Hem ten prijze: Och! dat G' ook mij nooit le10 Maar werkzaam nacht en dag, ooit uw oog mij zag: blonk in uw oogen, Waar mij! Dat ik als Gij Ook in mijn roeping wakker zij. Leer mij waken, O, heilig 4. Welk een liefde, wat meêdoogen, Wat teederheid Wat minzaamheid in uw gelaat; Haters zelfs, zoo wel als vrinden, Elk mogt u willig, vaardig vinden Tot troost of hulp, met raad en daad: Och! waar die minzaamheid Ook in mijn doen URUBURURURURURURURURU: 0 liViVives ARGURNHAViviviviviviviviviviViVIVAVIVAVAVIVANS WALSE MAHAR 140 doen verspreid; Dat ik als Gij 5. Gij, 0 Jezus! L GEZANG 62. Dierbre Heiland! O, heilig mij! scherpste leed geduldig, ' t uw eere gold: In al mijn' omgang minzaam zij. Gij onschuldig E U schold; D' eer uws Vaders aan te randen Viv geving was uw lust: uwen ijver doen ontbranden, Gij zweegt wanneer Gij scholdt niet weder, wie Verdroegt Geen terging stoord' uw rust, VerLieve Jezus! menschen ligt ontberen, 6. Ootmoed deed U, Heer der heeren! G' ook wezen mogt, Dat ik als Gij Zachtmoedig, graag vergevend zij. voorkeur gaf, uw wikkend oordeel het Mogt maar; Waar men aardschen roem of voordeel O, heilig mij! Uws Vaders eere zocht Gij 7. Reine Jezus! geene togten Den lof van evenaar: Gij, die geen hoogheid zocht, Ooit Bestuurde juist den Hoe groot Gij, d' ootmoed zelf! O, heilig mij! Dat ik als Gij Voor God en mensch ootmoedig zij. Van' t vleesch, geen drif AAAAAA GEZANG 62. driften overmogten De reinheid immer van uw hart, Kuischheid heerscht' in al uw leden, Nooit waart Gij, door begeerlijkheden, Of lusten in haar strik verward; Uw doen was HVAV 3 naar Gods wet, denken onbesmet: Kuische Jezus! O, heilig mij! Dat ik als Gij Ook kuisch van hart en wandel zij. Uw 8. Matig in uw levenswijze Mat U de rede drank en spijze, Nooit dartelheid of lekkernij; Niets, dat meer uw' honger stilde, Dan' t doen van' t geen uw Vader 9. Heilge Jezus! wilde, Dit was uw spijs, uw lekkernij: In zelfsverloochening Vondt G' uw verzadiging: Heilge Jezus! O, hei141 lig mij! Dat ik als Gij In drank en spijze matig zij. Mijn vorm mijn leden, ' t Oog in' t zien, de voet in' t wandlen; krachten en begeerlijkheden, Dat aan mij alles U gelijk', Dat in In alles uwe beeldmijn denken, spreken, handlen, nis blijk': Hervorm vooral, volmaak Mijn hart naar HAVAL BURBURUBURUORVRORURURUGA VIVIVER ARAZZAVIVAviviviviviViViViViVAVAVAVAVAVIVING 142 naar uwen smaak; Tot ik als Gij 63. TIV GEZANG 62, 63. Heilge Jezus! O, heilig mij! Geheel volmaakt en heilig zij. LIEFDE TOT GOD. WIJZE: Gezang 38. Z en zullen wij, o Vader! niet beminnen, Zulken vader niet als Gij, U niet boven alles achten, U die alles waardig zijt? Komt ons goed, onz' eer al een kind zijn' vader minnen, Liefdrijk' God! P en tijd, Al ons denken, al ons trachten, Wat men spreke, kiez' of doe, Komt het U niet eeuwig toe? derlot, 4 2. Wie kan uwe liefde peilen? Neen, wij kunnen' t nimmermeer, Englendoorzigt zou hier feilen, Elk staat hier verstomd, o Heer! O genaderijk ervaren, Onuitspreeklijk zalig goed, Dat Gij ons hier smaken doet! O weldadig zorgen, sparen, Liefdrijk weldoen aan een kind, Dat U veel te flaauw bemint! 3. En wij mogen ons beroemen In dat heerlijk kin= P in Christus Vader noemen, Vader, U, on HAAR oneindig' God! Wij, wij wederspannelingen, Wij, bedorven van natuur, Overtreders ieder uur, Wij w' U, o Heer! GEZANG 63. van zulk een voorregt zingen! Nimmer geven VAVAVAVAVAVAVAVAVRE voelen, 4. Wij weerspannig, tegenstrevend, Spottend met uw Van die gunst, naar waarde, d' eer. ** hoog gezag; Gij verschoonend, graag vergevend, Steeds ontfermend al den dag; Wij gevoelen, wij geGod! daar is geen God, als Gij, Gij alleen dooven oor; FV zijt waard, dat wij Onze liefd' en ons bedoelen heugd, Eenig rigten naar U heen, Vader! ja, naar U alleen. 5. Och! drong eens dat alvermogen Uwer liefd' alomme door; Open aller blinden oogen, Open aller Geef, dat alle stervelingen, Geef, dat ouderdom en jeugd, Jood en Heiden, eens verF Van uw liefd' in Christus zingen, Juichen 143 om uw heerschappij, Meer U minnen nog, dan wij. 64. LIEF iviviviviviviviviviVIVIVIVIVING MATATATALAES 144 64. Whe GEZANG 64. LIEFDE TOT JEZUS. WIJZE: Psalm 77. ie blijft U geen liefde schuldig, Die uw trouw zoo menigvuldig Voor een worm, een Adamskind, Jezus! voor een' zondaar vindt? Wij gevoelen' t, maar ons harte Zegt ons daaglijks nog met smarte, Dat, wat onze liefd' ook schijn', Wij te flaauw in liefde zijn. 2. Waar blijkt ons opregt verlangen, Om uw gunstbewijs t' ontvangen? Waar is liefd' in U alleen, Nergens buiten U, tevreen? Dank voor uw verzoenend lijden, Kracht, om voor uw eer te strijden, Vreugd, die zich in U verlust, Moed, op uw gena' gerust? 3. Waar is vlijt, die uw behagen Trouwlijk dient, niet los bij vlagen, Schrik voor' t kwaad, dat U verstoort, Ootmoed, bevend voor uw woord, Hart en hand, tot hulp ontsloten Van uw arme gunstgenooten, Deugd, die uit uw liefde welt, Kwaad met weldoen vroom vergeldt? 4. Waar blijkt ongeduld, ontsteken durft spreken? Als men U te na Waar geduld, dat lief en leed U ten dienst dienst geheel vergeet? Dit, dit regte liefdeteeken HAAAARVAN AAAAAAAAAAE Zien w' ons overal ontbreken; Vreugd en rouw, verkeerd geduld, Moed en vrees ontdekken schuld. GEZANG 64, 65. 5. Onze liefde doelt op voordeel, Zoekt ons zelven slechts; uw oordeel, Eer en liefde geldt daar minst, > Waar gewinzucht vlamt op winst: Wereldliefde, die ons prikkelt, En in zoo veel kommer wikkelt, Schoon nadig, van ouds uw vijandin, Wint, betoovert hart en zin. kracht, 6. Heiland! Liefdebron vol liefde, Die U diep in' t harte griefde,' t Leven kostte met uw bloed, Stook, och stook een liefdegloed In ons koud gemoed geSterk dat liefdevuur gestadig, Dat het, in geluk en nood, Altijd gloeije tot mijn' dood! 65. LIEFDE TOT JE ZUS. WIJZE: Psalm 116. wende; eb Jezus lief! Hij is mijn licht en Waarheen ik mij in angst en droefheid 145 Och, wierd alom dien Redder uit el10 Jen ViviviviviviviviVVIVANAVAVANS PALATA VIVA 146 lende, 2.' k Heb daan; fen, heffen, 3.' k Heb ken, 4.' k Heb pad, den, den, Van mij, Jezus Den Wij Die Hem tot smart, 6. k GEZANG 65. lief! Geen vloek der wet kan immermeer ons trefDoor woord en Geest, van mijn onreine vlekken, van elk die hulde toegebragt! $ Hij heeft mogen' t hoofd lief! Jezus Zijn Midlaarsdood bragt ons verzoening aan. last, TIN > Jezus lief! Zijn doel, zijn Gods regt volHij reinigt mijn gemoed, vrijmoedig opwaarts 5.' k Heb Jezus lief! ik zal, Daar Hij zijn beeld in mij herleven doet. en mij En stiert daarop mijn kinderlijke schrewil tot schande strekHij ziet vooruit het wanklen mijner treEn, eer ik val, heeft Hij mijn hand gevat. Hij leidt mij langs zijn dien Hij mij oplegt, willig dragen: is ook mijn welbehagen, Wat Hem mishaagt is mijn verdriet, mijn smart. zus lief! Hij zal mij door zijn' raad Ge verruimd van hart, CHAVAA Geleiden tot den laatsten mijner dagen; dank AAAAAAAAVAVAV GEZANG 65, 66. wordt mijn ziel van alle zond' ontslagen, Dan * ik Hem voor al' t geleden kwaad. 31$ 7.' k Heb Jezus lief! de blijde dag genaakt, Die alles voor en in mij zal volenden;' t Gewormte moog in' t graf mijn nood, daar Hij, 8. Verlosten, juicht! hebt Jezus lief, dat Wie, Dan 66. ligchaam schienden, Geen Hij zelf mijn stof bewaakt. Dat wij ons zaam in dat gevoel vereenen; Laat dankbaarheid aan zijne voeten weenen, wij, wie verdient die tranen, ZOO als Hij? AFMANING VAN DE ZONDE. WIJZE: Die Seele Christi heil'ge mich! " God! die, eindloos goed en groot, Voor ons uw' Zoon gaaft in den dood, Gij eischt, dat deugd en heiligheid Ons hier ten hemel voorbereid'. 2. Och! dat uw Geest ons hart verlicht', In ons de magt der zonde zwicht', En wij, door uwen Zoon 147 geleerd, Zien. hoe G ons waar geluk begeert. 103. Wat LVE IVAVAVAVAVAVAVIVANA A!^!^!^! 0 !!/ X!(!/\!\! TATALAES ANIMIVIVANHA 148 3. Wat oogst de mensch hier zonder deugd? berouw na korte vreugd: ving zwicht, wetten GEZANG 66. gemoed, 4. Wie hier zijn kracht der zonde wijdt, bedrieglijk werk zijn vlijt: En nu, houdt, En 7. Algoede stig zoekt, Wordt vaak zelfs bij' t genot vervloekt. 5. Maar die op uw genade bouwt, Bedwelming wijkt, verdoonu dreigt het jongst gerigt. eens 6. Bij elken pligt, getrouw ' t Geluk, dat hij zoo angVindt hier de rust reeds in' t bij U het zond' iets van haar kracht, Een lang God! och, leer En dankbaar uwe betracht, waar wij de zonde vliên, Wijdt een hoogste goed. eens voldaan, Wint zij te meer in krachten aan. Dat wij, ons zien, Bij elken lust hier En ons Verliest de ontworstlen aan haar juk, Den weg betreên tot waar geluk. C 8. Leer ons, hoe' t zaad, met smart gezaaid, Eerlang De zaaijer hier slechts met blijdschap wordt gemaaid; uren schreit, De maaijer juicht voor d' eeuwigheid. 9. Leer 9. Leer ons, hoe' t kwaad ons zelv' verlaagt, Aan' t 9 der aard, waar geluk des levens knaagt, En, onder al de vreugd * In' t eind toch niets, dan wroeging baart. VAHA om 10. Leer ons, hoe bij al' t aardsch verdriet, Hij toch het zaligst lot geniet, Die een gerust geweten heeft, En voor geen' dood of oordeel beeft. 11. Leer ons, dat wie U Vader noemt, Daar hij in' t kruis van Jezus roemt, Bij' t licht, dat zijne leer verspreidt, Hier daaglijks rijpt voor d' eeuwigheid. 12. O Vader! Gij, die op' t gebed Van zondaars, uws Zoons wil, let, Sta ons in onze nooden GEZANG 66, 67. bij, 67. gaven, En maak ons van de zonde vrij. 00T M OED WIJZE: Gezang 29. ij naar alles stil te voegen, Hoe veracht en 149 bitter' t schijn', Zonder woorden, knechten knecht te zijn, Nooit te pralen met mijn met genoegen, Nooit om menschenroem te slaven, Aller Heer! ik zoek bij U alleen Deze wijsheid met gebeên. 2. Leer HAVRE VIXE VivivivivivivivivivivivivIVAVI VIVIVIVIN ANIVVIVAAHANA 150 VIVIVA GEZANG 67. 2. Leer mij stil op paden wandlen, Waar uw oog alleen mij ziet, Stil verdragen, zwijgend handlen, Al ziet mij de wereld niet: Jezus! Gij kunt, door uw leering, Harten vormen tot bekeering; Bron van ootmoed! leer Gij mij Stil, ootmoedig zijn als Gij. 3. Schoon' k vergeten, ongeprezen, Bitsen hoon te lijden had, Schoon' k mijn' broedren vreemd mogt wezen, Elk van mij terugge trad,' k Zou nog vrolijk juichen mogen, Sloeg ik maar gedurig d' oogen, Jezus! op hetgeen Gij deedt, Toen Gij alles voor mij leedt. 4. God des needrigen en stillen, Wien geen menschenroem behaagt, Die, wat G' ooit moogt doen of willen, Eenzaam doet, of eenzaam draagt; God van hen, die nimmer klagen, Als zij zware lasten dragen, Die, hoe hoog ook' t leed moog gaan, Zwijgend d' oogen op U slaan! 5. God! Gij zijt mijn God, ik kniele Vol van vreugd voor uwen troon, Gij verkwikt, vertroost mijn ziele In het aanschijn van uw' Zoon. Jezus! die U zelv' verzaak 00g, AAAAA zaakte, Gij gezegend' en volmaakte, Maak mij naar uw voorbeeld, Heer! Regt ootmoedig tot uw eer. 68. ZELFSVERLOOCHENING. WIJZE: Liebe, die du mich zum Bilde. alig, zalig, niets te wezen, In ons eigen voor God, Eigen' zin en lijk en stil Steeds te rusten in ons lot, Needrig, kindergezind, GEZANG 67, 68. Ons 2. Is ons zielverdervend eigen Nog zoo dikwerf onHAVA het hart maar rust in vindt; Werp die trotschheid A lust te vreezen, Om zich tot dien wil te neigen, Waar dan, o Heer! Door uw' Geest in ons ter neêr. genoegen, Ons te voegen naar zijn' wil. spreke, doe, 3. Wat wij hebben, of vermogen, Wat ons lief is, wat ons lust, Al' t begeeren onzer oogen, 4. Niets met al, vaardig, onze Wat rust, men denke, Alles hoort den Hemel toe. niets zijn wij waardig; Eischt Gij dan uw giften weer, Nimmer is dit onregt151 Alle ding behoort zijn' Heer: Leendet Gij ons 10: 0: 0: 0: 0: 0: 0: 0 ZIXE NALAFATA!!!!!!!!!! \/\/\/\/\/\/ NAA HAHAHA 152 ons eenig goed,' t Was uit goedheids overvloed. 5. U te danken zijn wij schuldig, Maar ook, eischt Gij ons iets af, Niets te weigren ongeduldig; P terug tot Hem, die' t gaf: als trouw, 6. Vragen wij, wat goed of kwaad is, GEZANG 68, 69. geloof is alles goed; Al wat d' uitvoer en wijsheid is' t, 7. Mag uw naam maar Weet best, wat ons schaden zou. raad is, Vader! dat is alles goed: Altijd goed E n welken In Gij, o Heer! zoo wijs Hem zijn slecht, of' t ga ons goed, Dat alleen is ons verlangen, Trouwe Vader! wat Gij doet: Eer is' t ons, oord aller lust en leven eer ontvangen, hoe laag het schijn', Zalig, niets voor U te zijn. 69. BROEDERLIEFDE. WIJZE: Psalm 21. ' t Keert Wat de Wijsheid zelv' beslist. men Voor' t van uw' vromen ' t Ga ons vindt, w' allen eensgezind, Is Jezus aantekleven; Hun In Hem zija AAAAAH zijn w' allen één, 2. Wij naderen tot éénen troon, voor aller schuld, Tot éénen God door zijnen Zoon, van éénen Vader, Door éénen Geest te gader, GEZANG 69. land, één behoeder Één uitzigt is 3. In Hem is God onz' aller God; die allen leidt belang gevoelen, Verbinden w' ons in vreugd En eeuwig lotgemeen. onz' met elkandren, en pijn, Gods eischen heeft vervuld. aller HAVA Als' t kroost lot, Is onzer aller broeder: Die eens, 4. Als één van ziel, als één van zin, Die één in broedermin; Eén HeiP In' t spoor der zaligheid. Elkandren Één Geest, Die' t zelfde wit bedoelen, 158 alles Zoo dat w', zijn. 5. Komt, wandelaars op' t zelfde spoor! Wij reizen Één Wij helpen d' een den andren; vriend, één leidsman gaat ons voor, In Hem, en door zijn kracht, Maakt eendragt meerder magt. 6. Komt, BURBURURURURVFOR ZIVE ViviviviviviviviviMAVINAVININ NIVOIMAAMA 154 L 6. Komt, sterken wij dien liefdeband! is' t, dien wij strijden, Één lijden, dat wij lijden, Op reis naar' t hemeisch vaderland, Les GEZANG 69, 70. 7. Gij, Jezus! die ons maal binnentreên;- Daar zijn wij eeuwig één, dien band versterken, ken; AVAN uwen naam ter eer, ga', 70. zaam verbindt, ' t schuldvergeven, Dat, waar ons ooit de wereld vindt, Zij, od! oneindig in gena', Één strijd Waar w' eenLaat liefde liefde werVan ons ook liefde leer'. LIEFDE TOT VIJANDEN. WIJZE: Abglantz aller Majestät! Wil zelf Slaat Gij ons, Schenkt G' afvalligen het leven; Eindloos groot in Wie ons haten, lastren, plagen, uw haatren, Hoe betaamt het ons, dat wij Ook vergevend zijn, als Gij. 2. Ja, uw liefd', uw zondaarsmin Stort ons liefde tot verdragen, Naar uw godlijk voorbeeld, in; Wij vergeven graag, o Heer! Ons vergeeft Gij eindloos meer. 3. Wie HAARV GEZANG 70, 71. 3. Wie zal bij uw majesteit Zijn geringheid ooit gevoelen, En nog wraak en bitterheid In zijn harte laten woelen? HAVAVAVA dwee, Duldt geen' wrok, zoekt liefd' en vree. 4. Lijden w' immer om uw zaak, Gij zult zelf uw lijdzaamheid Ootmoed maakt het hart gezaken rigten, Nimmer staat aan ons de wraak; ' t Blijft de zaligst' onzer pligten, Dat wij ook in 71. aan' t kruis verhief: Volgen, waar het Lam 5. Geef ons, dat wij in geloof Op des Heilands voorbeeld staren; Hij, voor smaad en laster doof, Bad zelfs voor zijn moordenaren, Toen men Hem ons leidt. Zoo had Hij zijn' vijand lief. LIEFDE TOT VIJANDEN. WIJZE: Psalm 65. W il nimmer iemands nadeel zoeken, Schoon hij mijn nadeel zoekt; Mijn' vijand wil ik nooit vervloe155 mij, ken, Ofschoon hij mij vervloekt. Zachtmoedig wil ik hem bejeegnen; Al dreigt hij,' k dreig hem niet, En scheldt hij ALVE WALALALALALAL AVA!! A!!/ RAVAUVAv 156 FAAVANAVANAN mij, ik wil hem zeegnen, GEZANG 71. 2. Mijn Heiland, aan geen misdaad schuldig, Vergold met liefde h Omdat mijn Heer' t gebiedt. . met liefde haat, En leed zachtmoedig en geduldig Het allergrootste kwaad. Zou ik, zijn leerling, wederschelden, Da:: Hij nooit wederschold, Ik niet t vergelden, Gelijk Hij haat vergold? 3.' t Is waar, mishandling te vergeten Blijft steeds een zware pligt; Maar, als voor God een goed geweten Ons vrijspreekt, valt het ligt.' k Wil mij verbeetren, en niet klagen, Dan leert mijn vijand mij, Dan leer ik wijzer mij gedragen, Hoe leed hem dit ook zij. hem mijn leed, 4.' k Zal dan met zorg den misslag mijden, Dien hij van mij verzon; En ook dat kwaad in mij niet lijden, Dat hij niet weten kon. Zoo wil ik mij zachtmoedig wreken, Zijn' lof elk doen verstaan, En sluiten' t oog voor zijn gebreken; Kan hij mij dan nog smaân? 5. Om hem zijn' wrevel moe' te maken, Vergeef ik En ben, waar' t ooit zijn heil moog ra AAAA raken, Tot zijnen dienst gereed. En wordt hij, tot mijn leed en schade, Door weldoen meer verwoed,' k Wil voor hem bidden om genade Tot God, die mij behoedt. 72. MEDEDEELZAAMHEID. WIJZE: Gezang 4. W el hem, die zich verstandig draagt, Waar d' ard moe' zit te kwijnen, Of, waar z' in' t donker kermt GEZANG 71, 72. of klaagt, Een' straal van troost doet schijnen, Wiens hart om' s naasten lijden bloedt, LES met raad of goed, Uit al zijn magt wil helpen. ter ons elk in nood, of pijn, Leo AVAVA 2. Wil ons op aard, ontfermend' God! Voor broodsgebrek bevrijden, Maar geef, dat w' uit een ruimer lot D' ellende mild verblijden: Och! laat hulpe zijn, En Jezus D der armen! En die hem graag, Was eindeloos erbarmen; Of armoe' straks 3. O Jezus, loost in alle leed, Getrouwe Vriend voorbeeld volgen. Al wat Gij hier aan menschen deedt 157 Voor ons zelfs gaaft G'U VIVE A viviviviviviViViVi VIVIVIVIVINA \/\/\/\/\ 158 G'U in den dood, den nood 4. Maak ons volvaardig op hun klagt, GEZANG 72, 73. door ons volbragt, een, na in hunne smarte, En, zoo' t ons ooit ontbreekt Niet graag aan armen aan magt,' t Ontbreek ons nooit aan' t harte; 73. Viv Elk liefdewerk word' in uw kracht, in uwen naam, zaamheid, Wat moeten wij dan in A met vreugd: WAAKZAAMHEID. WIJZE: Gezang 17. geven? zwak blijft hier de beste deugd, Maar, waakzaam steeds op al mijn wegen, Jaag ik dat kleinood Tot hulp Dan zal het God behagen. ' k heb den prijs nog niet verkregen, Nog 2. Zoo lang ik omzwerf door dit leven, een kind, dat wagglend gaat; dachtzaam acht te geven, ste valt, nog staat: Ons hart, ontbloot van waakD Wordt tot zorgloosheid ligt verleid. Ben ik ' t Past elk beDie, als zijn naaZelfs een bestreden booze Inst lust HAARAT HAVAAVAVAVAVAVAL Wordt nooit in ons geheel gebluscht. 3. De tijd kan ook verbeetring baren, Is dan verbeetring altijd deugd? Het wordt bedaardheid met de jaren, GEZANG 73. Wat heete drift was in de jeugd; En, ach! hoe vaak ziet onze waan Voor deugd het werk der jaren aan! 4. Vaak is het kunst en ijdel pralen, Het geen men godsvrucht in u acht; De nijd, of snoode zucht tot smalen Had u welligt in haat gebragt; Gij wilt voortaan voorzigtig zijn, Vliedt niet de laakzucht, maar den schijn. 5. Omdat een drift 11 niet kan roeren, Die sterk in' t hart van andren leeft, Waant gij, geen drift roert, kan u vervoeren, Daar toch elk hart zijn wereld heeft: Hem, wien noch goud, noch eerzucht Heeft vaak een lonk, een woord vervoerd. 6. Vaak slaapt in' t hart de drift ten kwade, Gij schijnt zachtaardig van gemoed; dulden, dat men smade, Maar straks stuift gij weer op, en woedt, En scheidt zoo liefdeloos, 159 Nu kunt gij ZOO VIXE VivivivivivivivivivAVIVAVIVAN !!!!!! ANY 160 Zoo heet, 7. Vaak waant gij, in het eenzaam leven, U deugdzaam GEZANG 73. 64 E ANA 1**.0 Als die u eerst schold immer deed. in de stille rust, Naauw hebt g' u in' t gewoel begeven, 8. Gij offert zwakkre driften Gode, Door strengheid in 5 Of aanstonds werkt de booze lust; Dan wordt gij ras het waken moe' En geeft aan' t kwade strafbaar toe. uw levenswijs, Maar hebt uw liefste lusten noode, Zeer noode, voor zijn liefde prijs; Dit is het 00g, dit ' s de voet, Die gij u zelv' ontrukken moet. 9. Gij zijt regtvaardig; ook bescheiden? Mint matigheid; maar ook geduld? Gij laat geen' armen hulp verbeiden; Vergeeft g' uw' vijand ook zijn schuld? Uw hart, hoe goed het u ook schijn', Moet aller zonden vijand zijn. 10. Ach!' t hart is vol van snoode listen, Vol van bedrog in elken hoek; Dus past de waakzaamheid den Christen, En daaglijks ernstig onderzoek: Hoe vaak ziet onze dwaze waan Den schijn van deugd voor' t wezen aan. 11. God kan alleen dat hart doorgronden: Maar zoekt gij, voor CAVAVAVA GEZANG 73, 74. voor zijn aangezigt, Opregt naar uw verborgen zonden, Hij geeft u telkens meerder licht; Dan is uw weg en gang gewis, Dan wandelt g' in geen duisternis. NO 12. Wees niet vermetel, waak ten strijde, Zeg nooit, ik heb genoeg gedaan; Elk hart heeft zijne zwakke zijde, Daar valt de zielevijand aan: Zorgloosheid dreigt u met den val, Waak daarom steeds, waak overal. 13. Wil mij, door uw genade, sterken Tot al wat aan mijn roeping past, En zet, op' t pad van goede werken, O God! mijn wankle schreden vast, En houd mijn hart, in waakzaamheid, Altijd voor uwe komst bereid. 74. GEESTELIJKE STR IJ D. WIJZE: Gebed des Heeren. VAVAVAVAVAA 161 oe naauw ik mij aan U verbind' Wat zaligheid ik in U vind' Nog houdt de lust van' t zondig vleesch Mijn hart, o God! gestaag in vrees; Hoe sterk gevoel ik vaak dien drang, Wat valt die strijd mij zwaar en bang! 2. De deugd, o ja! ik vind ze schoon, Zij strekt zich zelv 11 ten VIXE HAHA 162 ten grooten loon, Ik volg haar pad met vreugd en moed, H Ik weet, dat, die geen zonde doet, V ten niet vergeet, Met reden hoogst gelukkig heet. GEZANG 74. E Die zijne plig3. Maar, o hoe ras word ik ontrust Door onderdrukten 14 boozen lust! Die zet mij tot zorgloosheid aan, Tot hoog 41 #E gevoel en trotschen waan; Gelukt hem dit, ik dwaas! dan schijn Ik straks mij zelv' een held te zijn. 4. Een held? maar ach! wat ben ik ras? Hij valt welhaast, die zorgioos was, Hij steunt zoo op zijn eigen kracht, Dat hij geen hulp van boven wacht, Versmaadt zijn looze by weerpartij, Wordt loom en traag, zelfs sluimert hij. *********** EGC 5. Poe na is hij dan bij zijn' val, Als hij, verzocht van overal, Van buiten, in zijn eigen hart, Door drift, door winzucht, vrees of smart, Aan' t strijden moet; hoe ligt, hoe ligt Verliest hij alle kracht, en zvicht! Ik voel mijn zwakheid, ja, mijn God! Hoe ligt verleidt 6. gevaar en spot, Verstrooijing, driften, trotsche waan, Kwaad voorbeeld, weekheid van bestaan, Een fijn gevoel voor HAARAH GEZANG 74, 75. HAUAPUAVARVATES voor weeld' of smart, Hoe ligt verleiden zij het hart! 7. Wie kan mij helpen? Gij alleen, Gij zijt mijn hoop, en anders geen: Och! dat mijn zwakheid immer mij, Ten mijnen nutt', voor oogen zij; Och! dat ik op U bouw' in nood, Aan U getrouw tot in den dood. 75. TOEVLUGT IN VERZOEKINGEN. WIJZE: Gebed des Heeren. ier is het nog beproevingstijd, Hier leven wij nog steeds in strijd, Hier, waar de booze heimlijk loert, Het zwakke vleesch zich zelf vervoert, De kracht der zinnen lokt en trekt, En menig voorbeeld lust verwekt. 163 2. Vaak nemen zonden d' overhand, En overstroomen' t gansche land; Wees op uw hoede,' t jongst gerigt Brengt al' t verborgen aan het licht; Wees door' t gebe loof altoos bereid, En bid met ernst om waakzaamheid. 3. De wereld kleedt haar schandlijk kwaad Voor' t oog somtijds in deugdsgewaad, Prijst ons' t genot des levens aan, 11* Houdt HORVAUXORVATURORURORURVIV /\\/\/\ AAAH 164 Houdt vroomheid voor bedrog en waan; En wie verwacht standvastigheid Van hem, die zelf graag wordt verleid? 4. Mijn opzet is wel toetezien, Maar hoe zal' k al GEZANG 75.0 dat kwaad ontvliên, Daar ik gevaren bij gevaar, aan alle zij'; En strik bij strik, alom ontwaar? be Waar vlugt ik heen? waar berg ik mij? 5. Gij Jezus! trouwend op Mijn vijand dreigt moet ons hulpe biên, wacht, zien; Ben ik niet een van uwe leen, E Uw broeder, Heer! uw vleesch en been? Verlaat mij Ik blijf ver* niet in dezen staat, Opdat ik U ook niet verlaat. Held! Gij staat mij bij, 6.' k Erken,' t geloof is zwak, maar Gij, Ik weet, wat ik van U verWat ik vermag door uwe kracht; Gij sterke Maar ik, ik vrees geen' oogenblik: Op U verlaat in allen nood Mijn hart zich vast tot in den dood. 7. Met U, o Heer! kan ik bestaan, Al zou de wereld zelfs vergaan; De huichlaar beev', de zondaar schrikk', Want hij, wiens toe AVA HAVAU HAVAVAVAVAVAVA GEZANG 75, 76. be toevlugt bij U is, Komt nimmer in verdoemenis. 8. Gij zijt het dan, op wien ik hoop In' t moeilijk perk van mijnen loop, Tot daar de kroon in' t eind mij #E wacht, Waarnaar mijn hart zoo hijgend smacht: Heer! sta in allen strijd mij bij, Dat ik door U verwinnaar zij. 76. OM BIJSTAND VAN GODS GENADE. WIJZE: Psalm 51. 165 k vind mij, Heer! zoo broos, zoo zwak van aard, Verleid, vervoerd, en van uw' weg geweken: Och elders ga, help mij, Heer! der zonden boeijen breken, Verbreek het juk, dat mij zoo zeer bezwaart. Och! breng mij weer te regt door uw gena', Die is' t begin, de voortgang en het ende Van' t pad des heils; Fi waar ik Verzink ik, ach! nog dieper in ellende. 2. Zoo uw gena' niet voor mij henen gaat, Geen' aanvang maakt, niet wekt, niet mee wil werken, Niet bij mij blijft, wie zal mijn' arm dan sterken? Helaas, mijn God! dan weet ik troost noch raad. Schenkt Gij geen HURURURUBURURURORVROROTURURU: 010 VIVE VIVIVINA ANIMIVIVAHU 166 geen licht, zoo kan mijn oog niet zien, En zie ik niet, wat goeds zal ik bedrijven? Verlaat Gij mij, dan zal ik moeten vliên, En moet ik vliên, hoe zal ik bij U blijven? 3. Uw goedheid werk' het willen en het doen, EE GEZANG 76. werk ik ook met vreezen en met beven, Gij zelf hebt mij dood? uw eigen' Zoon gegeven, Gedenk, o God! aan Hem en E aan zijn' zoen; Gaaft Gij Hem niet om onzentwil ten ten? E * Zoo Wat hebben wij dan niet van U te wachIk weet, dat Gij geen' smeekeling verstoot: ' t Gebroken hart zult Gij toch niet verachten. 4. Dat uw gena' met zachte kracht mijn hart, Mijn E ziel, mijn' zin beweeg en buig' ten goede, In heil en ramp beschaduw' door uw hoede: Zoo sta ik pal in blijdschap en in smart. Doe mij verstaan, hoe ver uw goedheid gaat, Wat Gij belooft; zoo krijg ik nieuwe Dat leert mij, U ter krachten, Dat sterkt mijn hart in onspoed en in smaad, mijn' pligt betrachten. eer, 5. Och! mogt mijn pligt mij steeds ter harte gaan, En HAAR En wordt die eens aan uwen wil gewogen, boven, W ook dan voor uwe heilig' oogen, Door uw gena', in Jezus bloed bestaan! Gij hebt uw hulp mij dikwijls GEZANG 76, 77. aangeboon, Gij zondt mij die zoo menigmaal van Vy 10020 manlijk, wees Zoo zal mijn hart, zoo zal mijn mond U loven. 77. CHRISTENPLIGT. WIJZE: Psalm 84. Dat niemand u die kroon ontroov'. AVAVAVAVAVA bevolen werk, Laat mij 2. Voeg, Verleen mij die nu weder in uw' Zoon, F aak, Christen! waak, blijf in' t geloof, te wederstreven; verstand, Gedraag u Volijvrig, altijd overvloedig: Uw arbeid zal in kloekmoedig In' s Heeren aanonzen Heer Niet ijdel wezen; Hem zij d' eer! Standvastig, onbeweeglijk, sterk, 167 Christen! bij geloove deugd, Den fieren moed in smart en vreugd, Um steeds het kwaad Voeg bij de deugd een kloek Dat eigenzin en waan verbant; Bij kloek AUBURURUBURURURORVAURUTURVAVAUA 3X77 AVAVIVINA INIVOIVAN 168 kloek verstand een matig leven; Voeg bij de matigheid geduld, Als God wil, dat gij lijden zult.. 3. Voeg bij geduld godzaligheid, Opdat, beeld staren; GEZANG 77. uw licht verspreidt, De menschen op uw voorderlijken zin 3 JAN gebod, Met liefd' en eerbied jegens God, De broederlijke liefde paren, Blijf, naar' t volmaaktst en groot jongste dag heilig, U betaamlijk doel 5. Dan, En, 4. O God! sta met uw Geest ons bij, Opdat dit met alles in ons zij, Steeds meerder in ons word' Ook d' algemeene menschenmin. bevonden: Dan zullen wij met waar gevoel lijk beschoren dien broesingswerk doorgronden, Och! dat Van' t groot verlosHet zoo de ZOO geheiligd in' t gemoed, Zoo Niet ledig, niet onvruchtbaar zag. den hemel opgevoed, Dan zien w' ons rijkeDen ingang in uw eeuwig rijk; AAAH 0 God! die hebt GEZANG 77, 78. ZOO ' t geslacht, Hier Hem AVAVAVARURVAVAR In Jezus ons * 78. DE WARE CHRISTEN DE BESTE BURGER. WIJZE: Psalm 100. daar boren toegebragt! omt, Christnen! toont met woord en daad, lof, door al Dat, wie de ware godsvrucht smaad, Een Chrisvleijerij, ten zonder huichlarij Altijd de beste burger zij. 2. Zich zijner roeping steeds bewust Werkt hij in al' t onedel vuur zijnen kring met lust; Hij streeft naar grootheid, geld, of goed, Nooit booger, dan bij streven moet. 3. Zoo, vlijtig in zijn eigen werk, Jaagt bij maar rang 4. Erkentnis van Gods albestuur in Staat, noch Kerk: Wat God hem geev", of wat hij miss Hij schaamt zich nooit hetgeen hij is. Van wrok, Dooft in hem partijschap, 180 Wie ook aan' t roer van zaken zij. 5. Hij geeft gewillig schot en lot, Hi bidt voor ' t beil AURURURURURU NAL VINAVINAATAMA MAGAVANAVANINING 170 ' t heil des lands tot God; Getrouw, gehoorzaam aan' t gebied, Schendt hij zijn heilig' eeden niet. # 640 6. Of, roept hem God tot hooger' staat, Om nut 50 te doen met raad of daad, Dan is hij edel, deugdzaam, vrij, De steun en d'eer der maatschappij. Ebe GEZANG 78. 7. Zoo, Heiland! zijt Gij voorgegaan, Zoo hebt Gij zelf ons voorgedaan; Gij, die de Vorst der Vorsten waart, Werdt dienstknecht op uw eigen aard. 8. O dat uw voorbeeld elk en mij, Als mensch be** en burger, heilig zij; Dan wordt nooit, in den burgerstaat, Uw naam, om mijnentwil, gesmaad. Le 9. Verheerlijkt op den Gij aller volken lot; ligheid 盘点 10. Mogt * Komt ons overheid en * ken, Heer! voor U: troon En van van God Bestuurt orde, regt, en veiU, burger nu Elk vreez' door d' overheid. Eerbiedig bukdien God, die' t gansch heelal Door U regtvaardig rigten zal. 11. Zoo bidden w' U, voor wie regeert, Wie Regter TAAAAA GEZANG 78, 79. ter is, wie Godsdienst leert, Zoo bidden w' U voor FVAVAN elken stand; Geef orde; heil zij' t vaderland! OEFENING EN VOORDEELEN DES GEBEDS. 79. NUTTIGHEID DES GEBEDS. WIJZE: O Ewigkeit! du Freudenwort! 0 zalig is' t genot, Dat hier het hart mag smaken, Als' t U in Christus Vader noemt, Bij' t bitterst leed in U nog Heer! hoe heuglijk is het lot, Hoe zoet, hoe roemt, Die' t alles wel zult maken, U zelfs zijn minste smart 171 ste nooden klaagt, En uit elk onheil redding vraagt. 2. Wat heil voor zondaars, welk een eer, Tot aller heeren Opperheer Als kind te mogen spreken, Van Hem vertroosting, kracht en licht, Bij elk bezwaar, tot elken pligt Vertrouwend aftesmeeken! Zulk bidden in de grootDat is reeds troost voor' t biddend hart. 3. Dat dan geen donker oogenblik' t Kleinmoedig hart vervull' met schrik, Geen onheil ons doe wijken! Neen! voor den AVA! NEA VINAVINGAHA 172 MUGAVANAMAVIVA den troon, waar God ons wacht, is raad, en troost, en GEZANG 79, 80. moed, en kracht: Welk hart zou dan bezwijken?' t Is God, die onze tranen telt, En' t smeekend kind ter hulpe snelt. 4. Stort eigen dwaasheid ons in smart, O, dat geen vrees E ons weenend hart Verwijder' van Gods oogen! God is een vader, die vergeeft, ELC heeft, Een God vol mededoogen, loofsgebed, Het zuchtend kind uit angsten redt. Die blijdschap in verlossen 5. O Jezus! die den strijd volstreedt, Die lijdend badt, en Die, op het stil gebiddend leedt, Wil Gij ons bidden leeren; Uw Geest vuur onzen ijver aan, Die leer' ons tot den Vader gaan, #E En Hem als Vader eeren: 80. hier bereid Voor' t eeuwig lied der dankbaarheid. Zoo worden wij reeds God hoort noe- men; KINDERLIJK TOE VERZIGT. Nieuwe zangwijze. en ander zij vervuld met schrik, Wanneer hij Ik mag m' in Hem beroemen, Ik HAHA Ik vrees voor Hem geen' oogenblik: En waarom zou ik vreezen? Hij wil mijn Vader wezen: P 2. Mijn trouwe Vader, die zijn kind, Hoe zeer' t 4 5. ven, ook af moog zwer- ven, GEZANG 80. Als' t zwarte van zijn oog bemint: Die' t geen ik heb misdreven Mij altijd wil vergeven. 3. Mijn goede Vader stelt zijn eer ontfer- men, En tegen Hem' t bedermet zuchten, #beo ik tot Hem in Christus weer, Hij luistert naar mijn kermen: Kom 4. Bekommeringen ken ik niet In eindeloos zijne lus- ten, Met tranen en Zoo heb ik niets te duchten. voor mor- gen; Ik laat mijn' Vader zorgen: Voor heden of Mijn Vader, die mijn nooden ziet, door heel mijn leven, Al wat mij nut is geven. 173 Zal mij, O zaligheid! wanneer mijn hart, Gespeend aan In' s Vaders wil kan rusten, Zijn' wensch kan missen zonder smart, En zich kan AV O: O: O: O: O: ORORORO VIVE IVIVIN TAVA! NEA ANIVVIVAAMA 174 kan vergenoegen, MAGAVAVANANANING 6. Schenkt Hij mij hier een sober deel, Dat doet Hij uit gena- de, Iets meerder deed mij schade; # b ¢ 0 ' k Heb weinig, want mij nut niet veel: Zou Hij * Hoe Hij' t mij toe moet meten? niet best het weten, GEZANG 80. 7. Schiet ik aan moed of kracht te kort, m' ook kna- gen, Hoe Hij het ook wil voegen. gen' t kwaad te strij- den, Mijn Vader ziet mijn lijden: Ja, zelfs de tranen, die ik stort, met zorg vergâren, En in zijn flesch bewaren. 8. Zijn immer zonden mij tot smart, Die ik, hoe zij # 100 ' k Ontlast bij Hem mijn zwoegend hart: geneest mijn smarte, schier steken, Om teneigt Hij d' ooren, Nooit aan een' mensch durf klagen, Wil Hij 9. Al blijft in alles, wat zij zegt, Mijn stramme tong Hij kent mijn taal, al spreek ik slecht, Want Hij En reinigt mij het harte. ' k Durf tot mijn' Vader spreken, Tot staamlen Zelfs zwijgen wil Hij hooren. 10. Wil LE MAAAAAA GEZANG 80, 81. 10. Wil Hij mij somtijds door verdriet En rampen zwaar kastijden,' k Draag met geduld dat lijden; men: VAVAVAVAVAVAVAVAVATA Een' bastaardzoon kastijdt Hij niet: En zou' k die liefdeslagen Dan als zijn kind niet dragen? 11. Ik mag, hoe zeer een ander schrikk', Wanneer hij God hoort noe- men, Ik mag m' in Hem beroeIk vrees voor Hem geen' oogenblik, En waarom zou ik vreezen? Hij wil mijn Vader wezen. 81. OM OPGEWEKTHEID TOT BIDDEN. WIJZE: Gezang 23. God! hoe zalig is' t voor' t hart Zijn nooden U te klagen! Hoe zalig, met berouw en smart, Vergeving neen! U te vragen! Hoe zalig, U naar' t hemelhof, In geest en waarheid, onzen lof Vertrouwlijk op te zen- den! 2. Maar, ach! ons hart, zoo hard als steen, Zelfs bij ' t gezigt van zonden, Wil niet tot U naar boven, 175 ' t Is vast aan' t stof gebonden;' t Ontbreekt ons, Heer! aan lust en moed, Wij kunnen' t logge vleesch VIXE AVAVIVIVAVIVING TA!!!!!! VINAVIVAHVA 176 vleesch en bloed 3. O God! dat kwaad grieft ons ZOO zeer, Meer GEZANG 81. dan all' aardsche smarten; Woont dan uw goede Tot bidden naauwlijks drin- gen. Geest niet meer In hard' Hij dan met zijn onderrigt, leiding aan Hem kracht en licht, Bedroefd, van ons gewe- ken? Ee 4.' t Is waar, wij durfden vaak zijn stem en koude harten? Is Vertroosting, aandrift, wederstreven, Zoo hebben wij, wij zelv' neiging tot het kwaad *** Daar reden toe gegeven: Wij pleegden met het vleesch steeds raad, Dies woog de smeeken, Heer! En niet nog veel meer gedreven; Wat aardsche vader zou, 5. Zie ons dan, Vader! in den nood Tot uwen schoot In ons gedurig o- ver. Zijn' kindren steenen geven? En Gij, zoudt Gij Den Geest, waarom w' U Fo Ons op ons bidden schen- ken? 82. DA voor brood, TAVAARAVA AKAAVAAAF VAVAVAL 82. DAGELIJKSCH GEBED. WIJZE: Herr Jesu Christ! dich zu uns wend! tus onze Vader zijt! ler nood groote God, die t' aller tijd In Chrisdigheên, tot 2. Doe ons gelooven op uw woord, Dat Gij ons meer GEZANG 82. arme zondaars hoort, Niet om onz' eigen waar3. Geef, dat wij op uw Vadertrouw, Hoe schul* F dig zich ons hart beschouw', Niet twijfelen, of Jezus bloed Heeft al die schuld voor ons geboet. Ootmoedig in uw' Vaderschoot. 4. Dat steeds in ons dit vast geloof smart, Maar om uw' Zoon, om Hem alleen. het kwaad verdoov', geleid' Tot eeuwig zeker is 6. Dat steeds, Wij storten onzer alF 5. Geef ons, dat uw getuigenis *** Christendeugd en heiligheid. De liefde En dagelijks ons 12 En woord, dat Ons alles zij in vreugd en Als' t eenig rustpunt van ons hart. 0 hoogste Majesteit! Ons hart 177 uw UROBORORUTURORVRORORV XIXEL VIVIVIVIVIVING A!^!^!^! NEAZ NANANINANIVANV 178 uw tegenwoordigheid, diep gevoel', GEZANG 82. Bij al zijn pogen, 7. Stort ons die liefde tot U in, Die zich vertoont Opdat het U alleen bedoel'. in menschenmin: Opdat, waar w' op ook treên, Wij vreugd verspreiden om bedrijf, 8. Dat onze hand graag tranen droog', * heid ons hart verhoog', En, onder hoog of laag De menschheid ons steeds heilig blijv'. 4 9. Sterk, waar verzoeking lokkend lacht, Ons zin10. Lacht ons op aarde voorspoed aan, uw aard ons heen. lijk hart door uwe kracht, En geef ons tot de deugd steeds moed, Al kost z' ons welvaart, eer en goed. Weldadigdankbren ootmoed staan; Of vloeit ons ramp op Dat wij naar 12. Dat wij in welstand of in nood ramp hier, toe, Dat z' ons uw' Zoon gelijken doe. 11. Dat slechts, bij voorspoed of bij leed, Ons hart geen oogenblik vergeet, Hoe, zonder zelfsverloochening, Geen stervling ooit ten hemel ging. Gedurig denken AAAAH lijks meer ken aan den dood, En die gedacht' ons daagGEZANG 82, 83. 13. Zal onze leeftijd hier voortaan Bedachtzaamheid en wijsheid leer'. blikken slechts bestaan, Zoo vind' de dood ons 14. Of wel bestemd' uw ontschiet', vroeg bereid, En rijp voor U en d' eeuwigheid. langre loopbaan hier, HUFVAVAVFURAHVARA schuld bedekt, Uit oogenalbestier 2. Der sterren pracht Ons dan ook in de grijsheid niet! 15. En is ons eind eens daar, o Heer! Zie dan Ons eene genadig op ons neêr, En dat, om Jezus dierbaar bloed, Uw vrede heersch' in ons gemoed. 83. BEDE OM GELOOF EN HEILIGHEID. WIJZE: Fransche Cant. 104. Begeef, wat immer ons od, enkel licht, Voor wiens gezigt Niets zuiver wordt bevonden, Ziet ons bevlekt, Met hel zij schittren mogen: 12* Misvormd door duizend zonden. Is bij Hem nacht, Hoe En wij belaân Met 179 eu AVIVAVIVivivivivivIVINAVININ MAVI 180 euveldaân, 3. Heer! waar dan heen? tot uw' troon zult ons niet verstooten: 4. Ja, voor ons LC E 6. Wil, Amen! ja, gemoed GEZANG 83, 84. onze zonden; Wat zijn wij in zijn oogen? L Hoe' t ons berouwt 5. Maar, ach! wat smart! U ter ader, ' t Geloof in ons ellende neêr, Tot U alleen, Uw eigen Zoon eer, Den weg ons weêr ontsloten. En door zijn bloed Gereinigd van Op Golgotha Stierf Hij Doet ons gedurig vreezen. O God! G' aanschouwt, Dit Gij Heeft dwaalziek versterken! de zonden. Wordt Steeds weer bevlekt te wezen. Dan zullen hart Steeds meer en meer Gereed en blij, Uit liefde' t goede werken. 84. ZUCHT OM MEERDERE HEILIGING. WIJZE: Gezang 28. wij, vol van mededoogen! Zie op mijn Wend tot mij erbarmend' oogen; Vader, vol van mededoogen! Zie op mijn ellen VAVAVAVA lende neêr, 2. O! Gij ziet het, wat ik lijde Bij' t bederf, dat in mij woont, in mij woont, Hoe ik worstle, hoe ik strijde; 3. Duizend bittre 4 0! Gij ziet het, wat ik lijde Bij' t bederf, dat kende smart, tanen; GEZANG 84. Vorm mij, vorm mij tot uw eer. Duizend bekende smart, AVAVAVAVAVAVAU tot mij weêr, En zich telkens nieuw vertoont. F hartetranen, U alleen beDoen de vreugd mijns levens bittre hartètranen, gelden, geen gena', U alleen Knagen rustloos aan mijn hart. 4. Moest mijn eigen deugd mij schoren,' t Regt hier gelden, geen gena', Ach! ik waar gewis verloren, Moest mijn eigen deugd mij schoren,' t Regt hier Als ik voor uw vierschaar sta. 5. Zelfs mijn tranen en gebeden Keeren schuldig Als ik tot uw' troon mag treden; 181 Zelfs mijn tranen en gebeden Keeren schuldig tot mij weer, Smeeken om vergeving, Heer! 6. Hoe XIXEA AVAVAVAVAVIVANA AAA!! VAFA VINNIIVIVA 182 ontmoet; 6. Hoe ik dieper poog te delven, ontmoet, ik dieper poog te delven, GEZANG 84. VIN Ach! ik wanhoop aan mij zelven: daar ooit versmaadt; Hoe ik meer bederf Hoe ik wen; * Daar mijn kracht voor zwichten moet. 7. Heiland, eindloos van ontfermen! Die geen' zonHoe meer bederf fermen!' k Werp mij raadloos in uw armen: Nu gevoel van schuld, Heiland, eindloos van ontmij alles hier verlaat, Daar, en daar alleen is raad. 8. Ja, in U is redding, leven, Schuld vergeving, kracht tot deugd, Van uw' Vader mij gegeven; Ja, bij U is redding, leven, Schuldvergeving, kracht tot deugd, Ware zielrust, reine vreugd. 9. O! dat kinderlijk vertrouwen, Dat, bij al' t gevoel van schuld, Op Gods Vadertrouw blijft bouO! dat kinderlijk vertrouwen, 10. Dit geloof geeft moed en krachten, Dat, al' t In' t gemoed geen twijfling duldt! Staaft, dat God ten, AAAH God waarachtig is: O! hoe blijft mijn harte smachGEZANG 84, 85. Hoe naar dat geloove trachten, Dat, bij voorspoed en gemis, Leeft op Gods getuigenis! VAVAVAVAVAHVAHURE 11. Dierbre Heiland! hoor mijn smeeken, Wek in mij dien kinderzin; Dan moog alles mij ontbreken: Dierbre Heiland! hoor mijn smeeken, Stort mijn hart dien kinderzin Voor uw liefd' en bijstand in! 12. Blijf, in leven en in sterven,' t Eenigst rustpunt € 9 van mijn hart! Wat, wat kan mijn ziel niet derven, onder smart, Blijft G' in leven en in sterven, Onder voorspoed, ' t Eenigst rustpunt van mijn hart! 85. GEBED IN VERZOEKINGEN. WIJZE: Psalm 38. iefdevolle Hemelvader! Wien ik nader Met een 2. Zie mij voor diep verslagen ziel; Steeds mijn toevlugt in het lijden, Kracht in' t strijden, Als de nood het bangste viel! uw' troon gebogen, Sla uw oogen Gunstig neder op mijn smart;' t Woelen der verdorven183 heXIXE IVIVIVIN Vivivivi INANANINAVINAH 184 heden in mijn leden, Zond' op zond' ontrust mijn hart. 3. Naauw ben ik gevaar ontvloden, Of mijn nooden, Nieuwe nooden groeijen aan. Nieuwe heiren van verzoe조 king, Wier verklocking ik, helaas! niet kan weerstaan. 4. Strijden moest GEZANG 85. niet #CE ik, slechts klagten: Ach waar berg, waar berg ik mede, mij!' t Hart, steeds morrend, ontevrede, Strijdt VIV maar mijn krachten Zijn Groot' Ontfermer! sta mij bij. te kort in mijnen nood 5. Aller schepsien mededoogen En vermogen Schiet Vader! Gij alleen, o Vader, Licht en Rader! Gij zijt Redder uit den dood. 6. Jezus Christus heeft geleden, bonden, Dood en zonden Overwonnen, ook voor mij, Klaagde, dat Gij Hem verliet: Heeft volstreden, Helsche list en magt geOverwonnen, ook voor mij. 7. Jezus streed, en leed onschuldig En geduldig, Zoudt Gij, Vader! mij verlaten? Mij verlaten, Nu G' in Jezus op mij ziet? 8. Geef mij Jezus geest in' t lijden, En in' t strijden Je MAAAR Jezus afkeer van het kwaad:' k Zal Hem dan standvastig volgen, Hoe verbolgen Ook de zee van rampen slaat. elaas, GEZANG 85, 86. 86. TEGEN VERSTROOIJING VAN GEDACHTEN. Nieuwe zangwijze. dat leidt ons' t ijdel zingenot Steeds af van' t heil, AVAVAVAVAVAVAVA zwerven der gedachten! Hoe dat wij verwachten, Van' t geen Gij wilt dat wij betrachten, Van uw gemeenschap zelfs, o God! 2. Niet slechts bij aardsche bezigheden ons die zwerfzucht van het hart, tot U treden, zelfs, als wij met gebeden zelingen; 3. Bij onze godsdienstoefeningen, lijks te bedwingen, Kwelt Maar dan Of dankerkentnis Gevoelen wij die bittre smart. zaam en in' t openbaar, Is d' aandacht naauwIn' t een185 Gestaâg verrast door beuHelaas wat valt die last ons zwaar. 4. Wie helpt ons dit met moed bestrijden, Wie breekt de kracht der ijdelheen, Wie zal ons treurig Vives AVIVING FATA! (! 0! 0! 0!! AN IVA 186 rig hart verblijden, GEZANG 86, 87. bevrijden, Van zulk een zwerfzucht? zie op onze smart, verleenen; henen, 5. Och! zie ons aan uw voeten weenen, 0 Jezus! 6. Leer Gij ons dan Wie zal ons der zwerfzucht breken; en ons spreken Nooit zondt Gij klagers hulploos Nooit kon U dat van' t liefdehart. die d' ontferming zelve zijt, 87. WIJZE: wij niet van dien last Och! wil ons vaardig hulp Gij alleen! ootmoedig smeeken, Gij, Geheel, alleen aan U gewijd. AMEN. Siméons Lofzang. 2. Gij, die ons bidden ziet, Help ons de kracht a, Amen! Vader, ja! Gij slaat ons smeeken ga', bidden is geen wensch, Dan wordt ons denken Gij zult ons niet beschamen: Het woord van uw gena' Slechts vragen, Blijft, Vader! eeuwig Ja, In Christus, Ja en Amen. Verlangt ook, dat maar verwachten: Ons Die opgaat tot een' mensch, HAAR mensch, GEZANG 87, 88. Wien' t faalt aan wil, of krachten. 3. Ons oog is op uw' Zoon, Die ons tot uwen troon, Als Midlaar, in wil leiden; 4. Geeft ware Christuszin Heeft die ons hart genezen, Gelijk zijn voorschrift leert, Dat mag' t geloof verbeiden. uw AVAVAVAVAVAVAVA Die biddend nederviel, Bij' t opstaan, Amen wezen. Al wat ons hart begeert, 5. Dit Amen geeft U eer, Dit Amen vraagt niet meer, Zou Ons reine wenschen in, God mijn bede schenken? Dit Amen stelt gewis, Dat Hij, 11 Dan moet de gansche ziel, die d' Amen is, Zijn waarheid nooit zal krenken. BIJ DE VIERING VAN DEN OPENBAREN GODSDIENST. onbepaald gebod, dien pligt ons 88. VOORTREFFELIJKHEID DER OPENBARING BOVEN DE REDE. WIJZE: Psalm 113. leere! mensch, geloof aan uwen God!» 187 Is, Heer! Och! dat uw Geest Wat komt, in dezen kinRUBURURURURVROURUR VIVE VIVIVAVIVING RAVAUVAviviviViv 251V AVVIVIA 188 kinderstaat, baat? #E baar onderrigt zwicht, ' t Bevel 2. Wat zou ons naauwbeperkt verstand, Ons kortziend oog, dat schaars' t verband doorziet, ooit ontdekken, Ons 3. Waar zou ons bij het naadren GEZANG 88. kren nacht, meerder dan ten daartoe is weldaad, Heere! aan, staan, Ter heldre fakkel mogt verstrekken? Ons niet, waar onze van den dood, 睡 zien in zijn ellende, Zoo' t niet, in zijnen donna' t graf ons beidt, Slechts geloof te hart, in elken nood, Waar, Zoo uw onfaalLE rede licht omgeven? Waar leerden bragt, Zich tot een' God, een' Vader wendde? 조 4. Wat wisten wij met zekerheid # Der dingen Bij' t licht, door Jezus aangeDie ons, in dit Reeds vormen Ooit uitkomst voor een 5. Ja, uw bevel is weldaad, Heer! door het redeVan alles, wat wij die pligons eerst behooger leven? Waar zou, was heid was hier' t geloof niet meer, TAAVAA genwoordig lot God GEZANG 88. nen de rust verbeiden? B Alleen tot hooger' stand ons leiden. 6.' t Zegt weinig, of de geest in' t end, In' t geen hij van uw werken kent, Één stip meer van ' t geheel vergader'; Maar, dat van' t eindloos schepslental Geen muschjen ooit op aarde vall', HURUPUHURUHURUA Onz' eindigKan onbepaald geloof aan Neen! in ons teDan met uw' wil, 7.' t Zegt weinig, dat ons zoekend oog Één star te meer ontdekken moog, Waar millioe00g ontvlugten; nood en dood ons krachten. 189 dit troost ons, Vader! Majesteit, Die z' allen leidt, Dit doet ons voor geen rampen duchten. 8.' t Geloof aan God verhoogt Maar, dat dezelfde den moed, voert, ook ons getroost ons hart in tegenspoed, En leent in Het Och! dat w' ootmoedig, needrig, kleen, Met dit geloof ons pad beAURORURORO: 0: 0: XIXE VINZIVIVivivivivi AFS ANIMIVIVAH 190 betreên, 9. Stort, 89. Van W Vader! GEZANG 88, 89. dit geloove troost ons dien kinderzin, paald vertrouwen in Op uwe leiding door dit leven, Dat wij gerust aan uwe hand Hier spoeden naar het * vaderland, En op uw woord den doodsnik geven. bezit op aarde! VOORTREFFELIJKHEID VAN JEZUS LEER. WIJZE: Psalm 84. Daar gij in Jezus reine leer verwachten! at zwoegt g', o mensch! naar goud of eer, Dat onbeDen grootsten schat Waar is u hooger heil bereid? 2. O! voel de waarde van dien schat, grootst geschenk in zich bevat, Zij voedt u op voor d' eeuwigheid, u eenmaal Englenwaarde, Zij stemt uw hart tot En schenkt ware deugd, En vormt uw ziel voor hemelvreugd. Die' t Dat in het stof u kon verbeiden, Een gift der hoogste liefde waard, Om menGod gaf ze door zijn' Zoon aan d' aard, schen tot Hem opteleiden: Zij wijst, bij al den aard HAHAH aardschen druk, Den zeekren weg tot waar geluk. op uwe levensbaan, 3. Lacht u hier ware grootheid aan, Gij kunt z', GEZANG 89. wachten; Z' is juist geschikt voor uwen stand, stand biedt, Staat met uw aanleg in verband, En is berekend naar uw krachten: Mensch! zoo zij u geen' bijzweefde, 4. Beproef, of ooit in schooner licht beeld voor uw gezigt E AUFURVAVAVRE Alleen van haren invloed Bereikt gij uw bestemming niet. den won, hart en daân beleefde, Dan d' echte Christen wezen zou, aan zijns Heilands leer getrouw, Haar met zijn keloos in heiligheid, Volmaakter Van menschelijke grootheid 5. Waar vindt g' een' God, een Majesteit, Die, En daaglijks in die deugDie hij door haar bereiken kon. Zoo vlekZoo boven allen lof verheven, E Zoo vreeslijk voor het boos gemoed, Maar voor' t boetvaardig hart zoo goed, Zoo rijk, zoo mild in 191 ' t schuldXIX VIVINIVIVIN AAVAA! 0!!!!! AVININIVAHU 192 ' t schuld vergeven? groot, zoo goed, Als Jezus leer aanbidden doet. GEZANG 89. 6. Waar dringt de reinste menschenmin veel kracht ten boezem in, Kom, toon m' een' God, zoo Wezen na leert volgen; verbolgen, Dan daar, waar' t hart geen' vijand heid zoo schoon, heeft, Voor haatren bidt, altijd vergeeft, En' t beste 13 Waar zijn de driften min Zoo goddelijk een' glans ten toon? 7. Baart liefd' alleen hier reine deugd, Slechts Jezus loopt, Met zoo Waar spreidt menschlievendleer, die' t hart verheugt, Doet haar ter bron der deugd verstrekken; Wie zonder liefd' om d' eerkroon Wordt ligt door loon of straf genoopt, hoogmoed tot zijn taak ligt wekken: hart met zijn gebod, 8. De liefde tot den hoogen God ware liefd' alleen, Was pligt en zaligheid steeds één. Kan Voor liefde, Vereent ons der vreezen; De liefde tot den evenmensch Doet ons Hem dienen zonMaakt zijn CAVAVAVAVAUHAVA GEZANG 89. zijn geluk tot onzen wensch, HUHUHUHUHUHURITY Doet ons hier alles voor hem wezen: Waar is een deugd, die meer bekoort, Waar vloeit z' uit reiner bronnen voort? 9. Waar wordt aan uw beklemd gemoed Vergeving, om een godlijk bloed, Voor al uw schuld om niet geschonken? Waar wil een Geest, door niets beperkt, Die' t willen en' t volbrengen werkt, Uw hart, uw magtloos hart ontvonken? Waar loopen Gods volkomenheên Zoo met ons waar geluk in een? 10. Waar vindt de mensch in zijn verdriet Den troost, dien Jezus leer hem biedt? Waar is in' t lijden God hem nader? Waar ziet zijn oog in schooner licht, Ook waar de tuchtroe' nimmer zwicht, Het doel van een vergevend' Vader? Waar is zijn eeuwig 13 zalig lot Gegrond op d' eer van zijnen God? 11. O stervling! wat u ooit ontzink', Dat deze leer nog voor u blink', Waar gij uw' jongsten 198 snik XIXE VIVIVIVIN !!!!! LAFS AVVIVAAT 194 snik zult geven; TV% * GEZANG 89, 90. Zij is het licht voor uwe voet, De staf, die u voor wanklen hoedt, Uw zeekre FF gids tot beter leven; Met haar zijt gij in elken kring, In elken stand Gods kweekeling. 90. VOOR DE PREDIKATIE. WIJZE: Psalm 66. at w' U deez' dag, o Jezus! wijden, Hem vrolijk vieren in den geest, Den dag, waarop wij ons verblijden, Dat Gij weer uit het graf verreest; Laat ons uw eer alleen bedoelen, Uw eer, die al ons leven is, Dan zullen w' in ons hart gevoelen De kracht van uw verrijzenis. 2. Hier zullen wij ons met uw vrinden, Die voor A uw godlijk aanzigt staan, Door liefd' en door geHier, loof verbinden, Vermelden uwe liefdedaan; waar uw heilgen zich verzaamlen, Hier zingen w' U ons needrig lied, Al kunnen wij uw' lof maar staamlen:' t Ootmoedig hart versmaadt Gij niet. 3. Hier danken w' U, met al uw leden, Hier wordt uw VAVARAH # VVFVHFUFUA URUA uw llefdestem gehoord, Hier zenden w' in uw' 9 GEZANG 90, 91. naam, gebeden Tot Hem, die ons als Vader hoort: Zend uwen Geest nu in ons midden, Verlicht, vertroost ons hart, o Heer! Dan zal ons zingen, hooren, bidden Ons zalig zijn, en U tot eer. 91. VOOR DE PREDIKATIE. WIJZE: Psalm 84. W ij wijden, gunstrijk' Opperheer! Deez' feestdag aan uw' dienst en eer: Heb dank! uw boven' t stof, godlijk welbehagen Vergunt ons rust van bezig** heen, En roept ons, om aan U alleen Godsdienstig' offers optedragen; Verhef ons hart nu omhoog! En stem het, Heer! tot uwen lof. 2. O Vader! dat uw vriendlijk oog Ons hart bestrale van Daar wij met onze smeekgebeden, In naam 5 van Jezus, uwen Zoon, Vertrouwlijk naadren tot uw' troon: 0 milde Bron van zaligheden! Stort, in den 195 * rijksten overvloed, Uw' zegen uit in ons gemoed. 13* 3. Och! VIVER VIVIVIN \/\!\!\!\! ('/ ۱۱/ ۱/ AVINAVIVAH 196 3. Och! dat uw Geest den Leeraar sterk', gel zett' op al zijn werk; TAJ voor altijd, GEZANG 91, 92. hart doordringen, Dan brengt het schoone vruchWie ten voort: Door dankbren ijver aangespoord eer, onze mond dan vrolijk zingen; Dan is ons leven, Ons Dan zal uw ons eerbiedig neêr, 92. VOOR DE PREDIKATIE. WIJZE: Psalm 24. harte gaan, Geheel aan uwen dienst woord ons ij, allerhoogste Majesteit! In uwe tegenwoordigheid Godsdienstig in uw huis verschenen, Wij buigen uwen Het zeen diep' ellend, Doe ons de waarheid regt verstaan, Geest bij' t woord Zal gewijd. En smeeken U, wil, U ter 2. Bepaal Gij zelf ons zwerfziek hart, Zoo ligt in zond' en zorg verward; Verleen Gij zelf ons luistrend' ooren, 3. Maak, door uw woord, ons zoo bekend verleenen. En laat ons diep ter Wat Gij ons tot ons heil doet hooren. Met ons bederf Dat wij in ootmoed die betreuren ,, En AAAAAAA 抜 zondaars is, GEZANG 92, 93. En geef, dat uw getuigenis Van' t geen uw Zoon voor HURUHURUFAHAVAD Ons uit die droefnis op moog beuren. 4. Wil, door een vast geloof, ons hart, Bij lief en leed, 聖 be bij vreugd en smart, In Hem vertroosten en versterken; Ontsteek dus, in ons koud gemoed, Een' onuitbluschbren ijvergloed Tot dankbaarheid en goede werken. 5. Uw eer, ons heil zij' s Leeraars doel, Verwek in hem een warm gevoel Tot krachtig spreken, vurig bidden: Gij hebt ons immers zelf verklaard,» Al waar men in mijn' Geest gegeven, « naam vergaart, Daar ben ik zelf ook in uw midden.>> 93. VOOR DE PREDIKATIE WIJZE: Liebster Jesu! wir sind hier. ieve Jezus! zie ons zaam Hier op vergaderd, Waar ons hart in uwen naam Dankbaar tot den Vader nadert; Och! wees zelf nu in ons midden, Bij ons danken, bij ons bidden. 2. Heiland! Gij hebt aan uw Kerk Uwen Heilgen 197 uw bevel Die' t geloof in' t harte werk' Door uw VIVE \/\/\ PALAES AVINAVINAH 198 uw woord ten eeuwgen leven; iets op aarde 3. Zet GEZANG 93, 94, 95. ons harte liefdelessen open, loofsvertrouwen nen, 94. Bij uw heilleer koom in waarde. door dien Dat wij daaglijks onbevreesd Op uw heilbeloften hopen, Tot dat G' ons geTot Dat ons nimmer genadig op ons neêr, 95. Geest Voor Ons vereenen, Eens verwisselt in aanschouwen. VOOR DE PREDIKATIE. WIJZE: Psalm 38. la, o God vol mededoogen! Sla uw oogen uw 2. Dat ons hart uw' Geest verbeide, Die ons leide Nu Daar wij, in uw huis verscheNaar uw voorschrift, tot uw eer. In uw waarheid, naar uw woord; gelooven Nu van boven; Spreek dan, uw gemeente hoort. NA DE PREDIKATIE. WIJZE: Psalm 138. Schenk uw' bijstand tot Vader! U zij lof en prijs Voor' t onderwijs, Aan ons gegeven; Uw woord, uw waarheid maak ons vrij, En blijv' ons bij, Door al ons AAARVA ons leven: Doe ons, o Oppermajesteit! Uit dankH GEZANG 95, 96, 97. baarheid Uw' wil betrachten, En steeds geloovig, om uw' Zoon, Van uwen troon Uw' zegen wachten. 96. NA DE PREDIKATIE. WIJZE: Herr und Aeltster deiner Creutz- Gemeine! alleluja! eeuwig dank en eere, Lof, aanbidding, wijsheid, kracht, Word', op aard en in den hemel, Heere! Voor uw liefd',' U toegebragt! Vader! sla ons steeds in liefde gade; Zoon des VIVAMAVAHUHURUF ÜRUHURS Vaders! schenk ons uw genade; Uw gemeenschap, Geest van God! ook God en Heer! roemen uw genade; 97. BIJ DEN DOOP. WIJZE: Gezang 40. ons zaad, 2. Hoe zondig zij voor U geboren; Amen! zij ons eeuwig Zij eeuwig eer, Ontfermend slaat Om Jezus offer, Ook zijn, als wij, Gij, zalig lot! lot. Wij Gij gade. Onrein Gij zijt 199 hun URURURURURUBURU 3X1X LAVAVAVAVIVING iviviviv !!!!! 4 ANIMIVIVAH 200 hun 3. Heeft uwe hand ons God, uw verbond, gegeven, Die blijde troost dit kroost, zwaar, wordt ligt 5. Wil ons beleid GEZANG 97, 98. W en moed, en krachten: Aan wien zij toebehooren. Den Doop, ten pand 4. Uw zondaarsmin Stort blijdschap in, En lust, Tot Met vreugd, U kroost uw' zegen geven: zullen wij U hier, door uw' Geest leên uws Met waakzaamheid, Voor hen, die op U wachten. Der oudren pligt, Hoe 98. NA DEN DOOP. WIJZE: Psalm 103. overgeven. Zoo zullen zij, Dat G' uit gena' ons en ons kroost te gader, eeuwig en bloed uws Zoons, all' onze schuld vergaaft, Van Doet ij danken U, barmhartig' God en Vader! Zoons, tot kindren En door den Doop dit heil Ons Zoo leven. Om' t hebt tot uw Kerk doen komen, Ons aangenomen, ons plegtig staaft. 2. Wij AVAVAVAVAJ 2. Wij bidden U, wil ons om Jezus hooren, Aanschouw het kroost, thans door den Doop regeer, herboren! Dat hen uw Geest, uw Heilge Geest En GEZANG 98. bes HURUHURUPUHURUHURUS In ware deugd steeds wandle voor uw oogen, Opdat het, vroom en Christlijk opgetogen, 3. Zoo word' uw gunst, wassen moog in Christus, hunnen Heer. Die G' ook, 0 Heer! ons allen hebt bewezen; uw Vadergunst geprezen, Zoo stemm' ons hart steeds met uw wetten in, ze, Opdat het trouw, in alle deugdbetooning, Zijn' bewijze, Heiland volg', als Leeraar, Priester, Koning, En onder Hem, wat zonde kweekt, verwinn'; 4. Opdat uw Naam, o eindloos goede Vader, O Zoon, o Geest, o eenig' God te gader! Door hen en ons altijd verheerlijkt word'; Opdat ons hart U dankbaar eer U vrolijk roem', U rustloos loov' en prij201 Tot dat de tijd in d' eeuwigheid zich stort. 99. BIJ XIXE iVivi AVEVAVIVA ATALALA IVANANINIVAVAH 202 99. BIJ DE BELIJDENISPREDIKATIE. WIJ ZE: Psalm 66. ANAL GEZANG 99. ie ons te zaam uw' naam belijden, O God! met eerbied voor uw' troon, Ons zelven U ten dienste wijden In Christus uwen lieven Zoon, Vereenigd in gevoel van zonden, zijn schuldrantsoen; Och! dat W', in liefde zaamverbonden, Uw liefde dankbaar hulde doen. 2. Ja, zondaars zijn wij, diep bedorven, W' erkennen dit voor U met smart; Maar Jezus, aan het kruis gestorven, Geeft rust en troost aan' t schuldig In uitzigt op hart: Die waarheid is' t, die ons te zamen Aan Waarop ons hart U, en uwen wil verhecht, geloovig, Amen, Met al uw kindren, Amen zegt. 3. Door éénen Heer zijn onze harten, smarten Geest en doop vereend, Één Trooster is het, die in Door éénen één geloof, waardoor wij leven, Ons zamen sterkt, en hulp verleent; ' t Is Één hoop AAAH op uwe zaligheid; len geven, GEZANG 99. 4. Och! heilig ons dan in uw waarheid, Zij voer' in ons steeds heerschappij, Uw woord, o Vader te zamen Één hart wilt Gij ons alis de waarheid; Zet Gij ons licht en ijver bij, HUFUFUA URVA Dat hebt Gij zelf ons toegezeid. Zoo zullen w' uwer ons nooit schamen, Wien hart en mond geheel behoort, Zoo zoo verbinden w' ons 5. Gedenk aan onze nieuwe leden, Die, door' t begeloove, In trouw aan U, en aan uw woord. lijden van uw' naam, Met ons nu in verbindnis treden; O Vader heilig z' in uw' naam, Dat niets hun' ijver ooit verdoove, beminnen, waarheid blijv' hun bij, Dat hun geloof opregt Uw liefd', uw 6. Bewaar, o God! hun ziel en zinnen, Hun keus de keus des harten zij. Dat, hoe de wereld vleijen moog, Zij boven alles U 203 In vreeze wandlen voor uw oog: Zoo rigVIXE AVANS NANANIMIVAH 204 GEZANG 99, 100. rigten zij getroost hun treden Op Jezus spoor, hoe zwaar' t ook schijn', Zoo zal, op' t geen VINA zij nu beleden, Hun wandel' t sprekendst Amen zijn. 100. BIJ DE VOORBEREIDING TOT HET AVONDMAAL. WIJZE: Mein Hertzens Jesu, meine Lust!( met herhaling der drie laatste regels.) et heuglijk tijdstip nadert weêr, Dat w' in uw bitter lijden, Met diepen ootmoed, ons, o Heer! Aan' t Avondmaal verblijden; Wil ons, bij' t naadren van dit feest voor ons ontsloot, goeden Geest Ter voorbereiding schenken, Opdat w' aan uw verzoeningsdood, Die zoo veel heils 2. Uw liefde, die aan A terst van uw lijden, Den invloed van uw' Naar waarde mogen denken. ons nog dacht uw gedachtenis, Ons Toen G', in den allerbangsten nacht, Uw laatsten strijd gingt strijden: Uw liefde schonk ons dezen disch, In' t bitzaam Daar wij, tot vereenen zouden, En, AAAAA En, met het oog op die gena', Die G'ons beGEZANG 100. weest op Golgotha, Uw liefdefeestmaal houden. not, 3. Ontfermer! nooit verdienden wij' t Geringste meAVAVAVAVAVAVAVA dedoogen, Gena', oneindig groot en vrij, Wilt Gij aan ons verhoogen: Verslaafd aan' t zinnelijk geGeheel afvalligen van God, Vertreders van zijn wetten, Had ons de hoogste Majesteit Ten doel van haar geregtigheid En straffen kunnen zetten. zigt, 4. Uw tusschenkomst hebb' eeuwig eer! Verteeder maar ons harte, Dan vallen w' aan uw voeten neêr, Dan voelen wij, met smarte, Met weedom, voor uw aangeWat snoodheid in dien afval ligt, Wat boosheid in de zonden: Bewaar ons bij dat smartgevoel, Opdat w' ootmoedig, naar uw doel, Uw' liefdedood verkonden. 5. Geen ontrouw, die Gij in ons ziet, Geen flaauwheid in het strijden, Geen misdaad blijv' er, die 205 wij niet U weenende belijden; Opregtheid, die geen VIVINA VININVAI 206 geen kwaad verbloemt, heen noemt, Beziel' ons voor GEZANG 100, 101 ons geen wanklen weet, aan' t kruis voldeedt, Geen zonden immer zwakvoor uw oogen: Gij, die 脚本 ELCO 6. Of zouden w' aan uw liefdemaal, U, Jezus! nog ver# Wiens liefde van denken, U, bij dit vriendelijk onthaal, Nog geen verZult onze tranen droogen. trouwen schenken? Och! leer ons hier, bij brood en wijn, Die panden uwer liefde zijn, Uw ligchaam onderscheiden, En dankbaar, in verbindtenis Met al uw 0 zijnen dood verkonden, volk, aan dezen disch Uw' roem naar eisch verbreiden. 101. BIJ HET AVONDMAAL. WIJZE: Gezang 39. roeders, komt! de Heiland noodt, tus werd gegeven Laat ons Komt, gedoopt in zijnen dood, Komt door Hem verlost van zonden Geven wij Hem hart en hand; Zijn verbond houdt eeuwig stand. 2. Neemt en eet, gij eet zijn brood, Jezus ChrisVoor den zondaar in den dood; Neemt Neemt en drinkt, gij drinkt ten leven, Ja, Hij VAAH gaf zich in den dood, In den bittren zondaarsdood. 3. Laat, die zich met toeverzigt, Jezus! in heil verblijden, B GEZANG 101. Eeuwig aan uw' dienst zich wijden; Dat hun hart Eeuwig wandlen in uw licht, van hoogmoed vrij, Vol van uwen ootmoed zij. 4. Help de ziel, die raadloos schreit, Naauwlijks op uw heil durft wachten, Help haar, Heer der heerlijkheid! uw Geef haar zwak vertrouwen krachten: Die bedrukt # b ¢ o van verre staan, Neemt gij met ontferming aan. 5. Halleluja! Jezus dood Wordt de wereld door verkondigd, Jezus dood, die ons, hoe snood, Hoe ringd, ontaard, bij God ontzondigt: Zondaars! zwaar met schuld belaân, Neemt zijn heil geloovig aan. ** 6. Ja, tot in den hemel dringt Ons gezang met blij de klanken, Waar, van Alle zaligen Hem danken, Engelen om** Eeuwig jui207 chen FURUHVA URUHURURURUHURURURURVATORUTURORVAROVAVAVAVAVI VIVIXE INAXANINAVI 208 chen K van omt, GEZANG 101', 102. gena', VIA 102. BIJ HET AVONDMAA L. WIJZE: Psalm 51. Van zijn liefd' op Golgotha. bereid, heffen w' ons eerbiedig hemelwaart! leeft de Heer, wiens zoendood wij nu vieren; Mogt ootmoed, mogt geloof ons hart versieren, Daar is Hij voor godloozen niet gestorven, hun' zoen bij God verworven, de rouw met stille vreugd gepaard: met diep' eerbiedigheid Zijn menschenliefd', op Golgotha gebleken, Nu Hij zijn' disch voor zondaars heeft Hun van die gunst ten onderpand en teeken. 2. Dat niemand zegg', ik heb te zwaar misdaan! Zoo ging Bewondren wij of En heeft Hij niet En wijst Hj ons dit aan zijn' disch niet aan? Laat schuldgevoel, bij zijne liefd', uw hart Tot meer geloof en sterker liefde dringen; Zoo wijkt de vrees, zoo lenigt zich de smart, En rust en vreugd zal ons met kracht omringen. 3. Ik neem, geloof, en val aanbiddend neer; Wat zal ik, HUAR GEZANG 102, 103, 104. ik, Heer! tot al uw goedheid zeggen? Ik kan mij slechts voor uwe voeten leggen, Gij kent mijn hart; ik heb geen woorden meer. Geeft Gij U zelv' aan mij, ik mij aan U, Sterk mijn geloof, dat werk van uw vermogen, Aan uwen disch, en' k leef alleen, TE om U In leed en vreugd als Redder te verhoogen. 103. BIJ HET AVONDMAA L. WIJZE: Psalm 138. erhoogde Heiland! trek ons hart Uit vrees en smart Tot U naar boven; Laat ons, door uwen 조 Geest geleid, In needrigheid Uw woord gelooven: De waarheid straal ons helder aan, Leer' ons verstaan, 1720 godlijk licht, Naar lust en pligt, Uw' dood gedenken. Wat Gij wilt schenken, Opdat wij bij dat 104. BIJ HET AVONDMAA L. WIJZE: Gezang 28. VOOR DE BEDIENING. aat ons, Heer! uw' dood gedenken,' t Leven vinden in uw dood, Wil ons licht en toegang schen14 209 ken; HURM AURUXORVAURORVAURURVAVAVAURORUKVIN Vive JAVAVAVAVIVAVIVINA VINVOIVAHARAA 210 ken; Laat ons GEZANG 104: vinden in uw dood, Bij' t genot van wijn en brood. uwen dood gedenken,' t Leven 2.» Neemt, het brood wordt u gegeven," was uw eigen taal,' k Heb mij zelv' voor u gegeven, Neemt den wijn, gij drinkt ten leven," 3. Werwaarts zouden wij ons wenden, was uw eigen taal In den nacht aan' t Avondmaal. o Heiland! niet, veel en groot, ons, o Heiland! niet, Zoo vol nooden en ellenden? Werwaarts zouden wij ons wenden, Wisten wij, Heer! dit Om zijn zware wanbedrijven? Heer! dit Dat G' op zondaars nederziet? 4. Zwaar zijn onze wanbedrijven, Onze schuld is Maar wie zou teruggeblijven nog zoo groot, Zulken zijn 5. Waren w' in onz' eigen oogen Riept Gij Onze Waren w' in onz' eigen oogen schuld zij het, die Gij noodt. Niet bederf, van top tot teen, Gij zoudt ons hier niet gedoogen; Niet bederf, van top AAAAAAAA GEZANG 104. top tot teen, Dan zondt Gij ons ledig heen. HURUFURURUHVAT 6. Vol van schulden en van zonden Komen wij, met waar berouw, Gij hebt ons rantsoen gevonden: Vol van schulden en van zonden Komen wij, met A waar berouw, Op uw woord: Gij zijt getrouw! NA DE BEDIENING. ven tot uw eer, 7. U te loven, U te danken, Steeds te leMet opregte vreugdeklanken U te loven, U te danken, Steeds te leven tot uw eer, Zij nu al ons 8. IJdel was, o ja! ons pogen, Steunden wij op eigen kracht; Maar uw eindloos alvermogen heil, 0 Heer! Ondersteunt het flaauwe pogen, Helpt en sterkt 9. Wacht, o ziel! dan met vertrouwen de zwakke kracht Van de ziel, die U verwacht. Op den Heer, als Hij verbeidt, Blijf op Hem uw hope bouwen; Zulk een wachten met vertrouwen, Zelfs wanneer 14* 211 de SURUBURURURURURURORURVIV: Vives VINTAHAVAVAVAN 212 GEZANG 104, 105. de Heer verbeidt, Strekt Hem meest tot heerlijkheid. 10. Ja, die keas is nu bezworen Bij' t gebruik van brood en wijn: Heer! wil ons gebed verhooren, Sterk ons in die keus, bezworen van brood en wijn, Dan zal zij voor eeuwig zijn. 105. B IJ HET AVONDMAAL. WIJZE: Was Gott thut, das ist wohlgethan. Bij' t gebruik ier ben ik, om aan uwe smart, Uw' bittren dood te denken, En voel, van dezen disch, mijn hart U naar boven wenken: Mijn Middelaar! De schat is daar 2. Mijn Heer en Heiland! welk een dank Tot Van allen, die U vreezen; Daar wil mijn hart ook wezen. E Betaamt mij in deez' uren! Wat hooge toon voegt aan mijn' zang, Om' t 3. En U, mijn Vriend! U zou ik niet geen Gij moest verduren! Gij mindet mij, Gij stierft voor mij, Gij hebt voor mijne zonden Den zoen bij God gevonden. Als mijn' Verlosser roemen? Niet ijvrig doen, wat Gij gebiedt, U al mijn heil niet AAAAAAAA GEZANG 105, 106. niet noemen? Niet hand aan hand In naauw verband VANHUF URVAVRES Met all' uw ware vrinden, M' in liefd' aan U verbinden? 4. Och! wil mij hier, bij brood en wijn, In' t waar geloof versterken, Om U steeds meer getrouw te zijn, Steeds naar Gods wil te werken: Zoo word ik, Heer! Steeds meer en meer Gelaten, zacht en goedig, En naar uw beeld ootmoedig. 5. Eens komt de tijd, o ja! zoo wis Wij zaam hier zijn gezeten, Dat ik met U, aan uwen disch Daar boven, eens zal eten; O zalig goed! Hoe groeit mijn moed, Tot hopen en vertrouwen: Geloof wordt eens aanschouwen. 106. BIJ HET AVONDMAAL. WIJ ZE Schmücke dich, o liebe Seele! ( Naar het Berlijnsch Choraalboek.) loste ziele! 213 reed nu toe, verloste ziele! Zit hier aan, vervrij hier toetetasten, zijn vrinden, Jezus zelf wil u vergasten;' t Staat u Ook voor u heeft Hij zijn leven Willig in den dood gegeven: Kom u hier, met al Weer op nieuw aan Hem verbinden. 2. Snel ORURURURURURURURURURURV WXWA AVANAVAVAVA! IVANAN GEZANG 106. 2. Snel Hem, ziel! geloovig tegen, hand zijn' zegen; Kom, Hij wil u hier verblijden Bij ' t gedenken aan zijn lijden, drenken, Uit zijn volheid alles schenken; 3. Ik verheug mij, Heer! met beven, vol geloof en liefde, O hoe groot was zijne liefde! Neem uit zijne Aan zijn tafel spijzen, Uw gena' is onafmeetlijk, hand het leven, Hier wilt Gij U met uw vrinden, Ook met mij, op' t naauwst verbinden, 4. Heiland! laat mij waardig komen, verhooren, nooit verachten: niet meer gedenken, U, U zelv' mij eeuwig schenken; Kom, kom ik blijmoedig komen, ' k Neem uit uwe zondaars waren, Mijne schuld O! zij is mij onvergeetlijk. levensstroomen; Ja, Gij zult ook mijne klagten Nu 5. Gij, wien' s hemels reine scharen, Drinken uit uw dorsten, Naar U, Levensbron! te dorsten; Nu mag Ach! hoe vaak zat ik te Drinken uit uw levensstroomen. Die als ik ook Dank en lof en eere zingen, Dat z'eens MAAHA GEZANG 106, 107. z' eens hier dat brood ontvingen; Jezus!' k val hier aan uw voeten, Doe mij waardig U ontmoeten, Eten van uw hemelspijze, Mij tot heil en U ten prijze. HUHURUAVAVRUS 6.' k Vier gedachtnis van uw lijden, Tot een proef van dat verblijden, Dat Gij hebt voor mij verworven, Toen Gij zijt aan' t kruis gestorven, Zoon des Vaders, Licht en Leven! Godslam, ons ten zoen gegeven, Godlijk offer voor mijn zonden, Schuldig om mijn schuld gevonden! mij U wijden, 7.' k Zal mij in uw heil verblijden, Eeuwig, eeuwig Om alleen voor U te leven, Naar volkomenheid te streven;' k Zal U eens, o Heer! geten daar boven Beter kennen, beter loven, Beter, vuriger beminnen, Help mij, help mij overwinnen! 107. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. Nieuwe zangwijze. eb aan' s Heilands disch gezeten, Van het brood, dat zielen voedt; 215 ' k Heb geDaar, daar werd Vivives 216 NAV werd mij wijn geschonken, verkwikking smaken doet: zijn boden hoog ontbod, GEZANG 107. Mij doen nooden, Die, gedronken, Zielken; 2.' t Brood, het welk ik daar zag breken, Werd m' een Jezus zelf had docr En was welkom; dank zij God! teeken Van zijn ligchaam, dat weleer Werd voor mij aan' t kruis verbroken, En doorstoken; kruisdood van mijn' Heer: In den wijn, dien' k dit Ik verscheen op zag gieten, Zag ik' t vlieten Van zijn toen vergodat Hij mij deed erlangen, ten bloed;' k Zag door Hem mijn schuld geboet. # ¢ 3. Laat ons zaam, met blijde klanken, den Heer met hart en stem! Hoogsten troon, Christenschaar! die ook van Hem vreugdegalmen, Liedren, psalmen ' k Zag den Zing ter eere 4. Lof zij Hem, die ons onthaalde, Hebt ontvangen, Jezus dan' t Heil, Loof Laat de dankbre Stijgen voor des van Gods Zoon En bestraalde Met Met gena' en majesteit; Lof zij Jezus, door wiens sterven Wij verwerven Eindelooze zaligheid! Jezus stierf aan' t kruis geklonken: Hij, gezonken In het graf, en opgestaan, Heeft aan' s Vaders eisch voldaan. 5. Lof zij Hem, die, opgetogen In den hoogen Aan des Vaders regterhand, Ons nog, door een GEZANG 107. Før zigtbaar teeken, Toe wil spreken; Brood en wijn AUFVHURUPUHUVAARA ons geeft ten pand, Bij' t herdenken van zijn 20 en hel: lijden, Van zijn strijden Tegen zonde, dood prijzen, 6. Wie zou Hem geen' dank bewijzen, Hem niet E FJ J Hem niet loven? wie zich niet Aan dien Herder overgeven, geeren, pen niet ontziet? Dat al d' aard zijn' lof vertell'! 7.' t Die zijn leven Voor zijn schaWie Hem niet tot Heer beHem niet eeren, Die ons van' t verderf behoedt, Ons gekocht heeft door zijn bloed? 217 ons naar zijn welbehagen, ? Steeds te ja NEA VAKANINAVININ 218 jagen Naar de hoogste heiligheid;' t Lust ons Hem met vaste schreden GEZANG 107, 108. Hij ons ten hemel leidt; oor te leenen, 8. Dierbre reldsch' ijdelheen, Jezus! ZOO G' in ons werktet, Na te treden, Daar ' t Lust ons Hem het Ons te spenen We Van de WeHem te dienen, Hem alleen. weldadig, Dierbre Zaligmaker! Gij, Die' t geloof, dat Zoo genadig, Heden sterktet, Sta met uwen Geest ons bij, Die verleen' ons moed en krachten! Al ons trachten Naar volmaking vordert niet, Zoo uw Geest geen' bijstand biedt. 108. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. WIJZE: Psalm 103. ij hebben zaam aan Jezus disch gezeten, Zijn' wijn gesmaakt en van zijn brood gegeten, En zijn vervuld met dank en vrolijkheid: Nu hart en mond voor God en mensch ontsloten! Komt, heffen w', als versterkte dischgenooten, Den lofzang aan der hoogste Majesteit. 2, Gij # AAAA 2. Gij hebt ons, Heer! oneindig veel vergeven, Om Jezus GEZANG 108, 109. AUFOFURVAVRVS dood vergunt Gij ons het leven, Die onze schuld verzoende vreugde, de, door zijn bloed! Zie ons dan hier, vol dankbaarheid en Vol van den roem der hoop, die ons verhengMet nieuwe kracht bij wijn en brood gevoed. 3. Die kracht zij U, zij U alleen geheiligd, En door 219 ons vertrouwen! ' t geloof, in uwe kracht, beveiligd, Voor elk ten blijk wat Jezus dood vermag; Dan zullen wij als broeders zamenwoonen, Zijn heilig beeld in ons gedrag vertoonen En kinderlijk U dienen met ontzag. 4. Genaakt de tijd, dat onze ziel, ontbonden Van' t logge vleesch, die kweekplaats van de zonden, Niet langer deelt op aard aan' t Avondmaal, Dan zullen w' U, o God van Van aangezigt tot aangezigt, aanschouwen Bij' t lied des Lams aan' t beter Avondmaal. 109. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. WIJZE: Sieh, hie bin ich, Ehren- König! ezus! die voor doemelingen, Door uw' kruisdood NALAFATA! AVALAVA! AMAZ 220 dood, hebt geboet, Zou ik niet uw liefde zingen, 4* 4 Daar Gij mijn bezwaard gemoed HE Zoo genadig, Aan uw' feestdisch hebt gevoed? 古 中医 2. Meer verkwikking smaak ik nimmer, Wat mij GEZANG 109. ook de wereld bied': Arme wereld! waar' k mij 4 lustte, immer Dwaaslijk door verleiden liet, 3.' k Zal zijn liefde dood mijn leven is, 9 eten, 4 # 500 Zoo weldadig, Zieleruste Vond ik, buiten Jezus, niet. * nooit vergeten; Hij, wiens Drinken aan zijn' liefdedisch, Gaf m' in handen D' onderpanden Van mijn schuld vergiffenis. Wat m' ooit 41210 Deed mij naadren, nemen, be ** 4. Amen! Amen! ik geloove; Jezus! geef, dat Blijft het hier beproevingstijd, schuld noch strijd Immer mij dien troost ontroove: 5. Blijf mij in die hoop versterken; mij gade,' k Weet, dat Gij mijn Heiland zijt. Uw genade Slaat Zalig, dat Gij eeuwig leeft! Mogt maar elk aan mij bemerken, Dat HAAHAHA Dat de troost, dien Gij mij geeft, Op mijn' handel, Op mijn' wandel, Tot verbeetring invloed heeft. 110. GEZANG 109, 110. DANKZEGGING NA HET AVONDMAAL. WIJZE: Psalm 24. loov' en dank' wat in ons is, 0 Heiland, die aan uwen disch Op nieuw U zelv' ons hebt gegeven, Die ons, door schuld bezwaard, gemoed Gesterkt hebt met uw vleesch en bloed Tot een onsterflijk zalig leven. 2. Nu juichen wij uit onzen nood; Wij lagen midden in den dood, Maar vonden' t leven in uw liefde; Och! dat ons hart het nooit vergeet, Wat Gij, Getrouwe! voor ons deedt, Toen U de doodschicht voor ons griefde. 3. O! vierden wij gedachtenis Van eene liefd' aan uwen disch, del, uwen lof, Die duizend levens niet vergelden; Hoe moesten w' in het lage stof, Door onzen wanUw gadelooze gunst vermelden! 4. Ontvlam, mijn ziel! ontvlam voor Hem, Paar dankbaar voor HALVVE NEALALALA!! voor Hem hart en stem, Zijn eer zij eeuwig uw bedoelen! Dat, wat in zond' en wereld blink', Bij U voor eene liefde zink', GEZANG 110. 5. Ja, dierbre Jezus, vriend in smart! Gij slechts hebt Die zelfs de dood niet kon verkoelen. aanspraak op ons hart, Gij hebt ze door uw bloed verkregen: Ja, dierbre Jezus! ja voortaan Moest elke polsslag voor U slaan, Moest Gij ons meer, dan alles wegen. 6. Maar, ach! Gij kent uw maaksel, Heer! Gij be weet, hoe ras' t zich van U keer', Naauw door brek, U aan den dood ontrezen; Och! dat uw liefd' ons E tot U trekk'! Wat uit ons voortvloeit blijft geWat G' in ons werkt zal heilig wezen. 7. Och! dat de Geest, door U beloofd, Die in U is, gezegend Hoofd! Ook ons uw leden meer doe leven! Vaders eer, Dan leven wij, getrouwe Heer! Tot uw en tot uws En ons geloof zal vruchten geven. OP AAAAARUFUF VAVAVALA GEZANG 111. OP CHRISTELIJKE FEESTDAGEN. 111. JEZUS VRIJWILLIGE VERNEDERING. WIJZE: Psalm 103. mmanuël! o doelwit onzer zangen! Wij schepslen, wij, die' t aanzijn slechts ontvangen, Wanneer ons 229 God dit vlugtig leven geeft, Wij eeren U, voor ons in ' t vleesch geboren, Gij hebt U zelf de sterflijkheid verkoren, Gij Eeuwge! kiest een mensch te zijn, en leeft. tes 2. Gij, op den troon van' t groot heelal gezeten, Zaagt reeds vooruit de lange jammerketen, Die' t schandlijk kruis met uwe kribbe paart: Gij hebt voor U die jamren zelf berekend, Gij zelf' t ontwerp van al uw leed geteekend, Gij kent uw lot, o Liefd'! en komt op aard. 3. Schoon' t kinderhart geen weet heeft van gevaren, Geen zorgen kent van rijper levensjaren, Maar van elk uur zijn eigen vreugd geniet; Gij Jezus! mogt hier zulk een vreugd niet smaken, Gij zaagt reeds toen uw lijdensuur genaken, Gij zaagt uw kruis, maar Gij onttrokt U niet. 4. De VAVAVAVAVAVIVANS 224 theo s GEZANG 111. 4. De tijd snelt aan, en Gij voorspelt uw banden, Gij ziet van ver uw' vijand knerssetanden, Gij weet, hoe reeds zijn list en boosheid woedt, Gij ziet uw kruis, Gij telt de naadrend'uren, Maar trekt vol moeds naar' s wreevlen vijands muren, Daar G'openlijk een plegtig' intreê doet. 5. Gij, die op zee de stormen doet bezwijken, Gij kunt de magt uws vijands wel ontwijken, Gij, sterke Held! die ' t Englenheir gebiedt, Gij, wiens bevel uw volgelingen spaarde, Wiens woord,» Ik ben' t," uw vangren wierp ter aarde, Gij toont uw magt, maar Gij ontvlugt hen niet. 6. Immanuël! o doelwit onzer zangen! Al zien wij U in' t stof door angsten prangen, Daar, in dat stof, ontvouwt G' uw majesteit; Gij klaagt, en lijdt met een gevoelig harte, Gij lijdt, maar lijdt gewillig al die smarte, Uw lijden is bij God gehoorzaamheid. 7. Men hoort, als God zijn gramschap toont, U * klagen, Gij kunt dien last niet onverschillig dragen, gen, ' t Geen ons verplet, daartegen worstelt Gij; Gij ziet met angst het woen der hel genaken, En Gij verzoekt uw vrienden, dat zij waken, Gij VAVARVAHAAHAHHUHVA HVAVARS Le GEZANG 111. Jezus! hebt een menschlijk hart als wij. 8. Ja, Jezus! Gij gevoelt, en daarom strijdt Gij, Gij eert Gods wil, en daarom, Jezus! lijdt Gij. Dat vrij' t heelal verstomd U worstlen zie, Gij Ja, hoe rigt U op, en treedt uw vijand nader; G' ook weent en smeekt, Gij zegt,» mijn Vader! Niet mijn, niet mijn, uw wil alleen geschie'." 9. Gods wil geschiedt. Wat schriktooneel op aarde! Toen om U heen d' ontboeide hel zich schaarde, U hoonde met haar bitse spotternij, Met vreugd, van dorst, U Jezus! hoorde klagen, En diepst verneerd aan uwen Vader vragen, Mijn God, mijn God! waarom verlaat Gij mij?" 10. Ja, Jezus! Gij gevoelt, en daarom klaagt Gij, Gij hebt ons lief, en daarom, Jezus! draagt Gij, Uw lust is, dat Gij' t leven 15 925 225 ons verwerft;' t Is vrucht VIVIVIVIVAS TAAVIVAHAAAAAA 226 A. D L vruchtloos, wat het woen der hel U AV aan GEZANG 111, 112. Hoe z' U verzoek', en hoe z' U lastrend terge, 112. Het is vergeefs, Gij Jezus! zwijgt, en sterft. GEZANGEN OP JEZUS GEBOORTE. OP JEZUS GEBOORTE WIJZE: Vom Himmel hoch. it is de dag, dien God ons schenkt, in' t groot heelal Door Jezus is en verge, thans ieder Christen denkt; Hem viere, wat 2. Men had Hem eeuwen lang verwacht, zijnen troon WaarGods tijdperk was volbragt, Toen zond Hij ons van wezen zal. D Tot dat Het heil der wereld, zijnen Zoon. 4. Opdat de zondaar leven moog, E 3. Als ik dit wonder vatten wil, Staat mijn verstand vol eerbied stil,' t Verstomt bij' t geen het jesteit, Wordt vleesch, wordt niet doorziet,' k Aanbid, maar ik doorgrond het niet. Daalt zelfs de Schepper van omhoog, Verbergt zijn hooge maonze zaligheid. 5. U₁ VAVAVA hart, 5. U, die voor ons geboren zijt, onze stem ons lied gewijd, Wij voegen juichend dren vensch, VRVICA GEZANG 112. 6. Geloofd, die komt in' s Heeren naam! Wij Christ8. Gedachte vol nen zeegnen U te zaam, U Vredevorst! der vaaHUHURUFURURURUVA U zij ons Bij' t Englenheir van Bethlehem. U Zaligmaker, God en mensch! 7. Gij, al ons heil, ons hoogste goed! Vereenigt U met vleesch en bloed, Wordt onze vriend en broeder, Gij, En, o! Gods kindren worden wij. van zaligheid, land heeft, ware vreugd bereidt, Gedachte vol van maning ziet, jesteit, Die heel ons hart ten hemel leidt! dien de wereld zag, Die ons de 9. Door ééne misdaad vielen wij, Door één' Verlosser zijn wij vrij; Wie vreest nog, die een' HeiDie voor ons bij den Vader leeft? 10. Roem, hemel! dien geboortedag, Den schoonsten, Juich, aarde! nu g' uw' Ko227 Zing Hem een nooit gezongen lied. 15 11. Dit iviviviviviviviviViVIVANAVAVINS /\/\/\/\ ANANIMIVIVANHA 228 11. Dit is de dag, dien God ons schenkt, GEZANG 112, 113. in aan eens heel de wereld denkt; Hem viere, wat ' t groot heelal Door Jezus is en wezen zal. Waar113. OP JEZUS GEBOORTE. WIJZE: Psalm 36. dankbre tranen uit uw oog P uicht, Christnen! juicht tot God omhoog! L Voor Hem d' Algoedheid vloeijen! Viert vrolijk dezen blijden dag, Den schoonDat sten, dien de wereld zag Aan hare kimmen gloeijen: Gods liefde, met ons leed begaan, Zag' t schuldig Hoe diep de menschheid zonk ter neêr, kroost van Adam aan; En Jezus werd geboren. 2. Wij voelen' t, Vader! onze lof Nu rees zij uit dien afgrond weer, Veel schooner dan te voren. Zinkt bij uw liefde weg in' t stof; Wie kan haar waardig denken! Toch klimt ons danklied tot uw' troon, Gij schonkt ons uwen eigen' Zoon, Gij zult ons alles schenken. 0 Je TAAHHA uw kribbe neêr, GEZANG 113. Jezus, Broeder, Redder, Heer! Wij vallen voor HORVAAVANAVATA Daar voelen w' onze waarde: Maar, wat ons in de toekomst beid', Gij blijft al onze heerlijkheid, Gij, troost en licht der aarde! 1 ¢ 3. Hoe duur is' t menschdom U verpligt! door uwe leer verlicht, Kwam straks der waarheid ' t Verstand, nader: Gij bragt ons tot Gods liefde weêr, Het schulven, digst hart valt in U neêr Voor een' vergevend' Vader. Het rijk des doods verloor zijn magt,' t Verslindend graf zijn' donkren nacht,' t Gordijn werd opgeheEn' t oog zag aan zijn gindsche kust, Na eene korte, zoete rust,' t Onsterflijk, eeuwig leven. 4. Wie had in' t weemlend stof des doods, Bij zoo veel SEO schuld, in zoo veel noods, Die uitkomst durven wenschen? Ontvlamd van godlijk liefdevuur, Naamt Gij der Engelen natuur Niet aan, maar die der menschen: 920 Gij heft z' uit haar verachten stand; Gij voert ze tot \ WXY! ANANANANAIVINAHAVAVAVANAVAN 230 tot Gods regterhand, Niets kan haar ten. Wij staren op uw rijksgebied, GEZANG 113, 114. E eindeloos verschiet dat vooral ons 5. O God! dat zoo veel liefd' ons treff', Dat haar ons zen eer vergrooEn zien eeuwig lied verheff', En dankbaar tot U rijze! Maar hart haar eer', Van heil voor ons ontsloten. Broeder zien, een Jezus reine leer, U door zijn' wandel prijze; Wat schijngenot het stof moog biên, Dat wij op onEn elk, naar En onze grootheid voelen: of ZOU de menschheid, in uw' Zoon Verheven tot den wereldtroon, Voortaan iets laags bedoelen? 114. OP JEZUS GEBOORTE. WIJZE: Psalm 134. og juicht ons toe die zaalge nacht, Waarin' t gestarnt met nieuwe pracht, En' t Englenheir met nieuwe vreugd, Zich over Jezus komst verheugt. 2. Hij komt, die.' t beeld des Vaders draagt, Geboren uit een reine maagd, Gods Zoon in' t vleesch, der Englen Heer, HAVA Heer, GEZANG 114. HVAHVAHUHAARAT God zelf, Hij komt, elk zing' Hem eer! 3. O Zoon van God! den mensch gelijk, Voor wie verlaat G'uw' troon en rijk, Voor wie wordt Gij in' t stof verneêrd, Die met een' wenk' t heelal regeert? 4. Voor wie? voor heilig' Englen? neen! Die zingen' t heil der aard alleen: Voor zondaars daalt der * Englen Heer, Voor armne zondaars daalt Hij neêr. 5.' t Is hier, waar niets dan zonde woont, Dat God zijn welbehagen toont:« Geluk voor d' aard, den « mensch gena'!" Zoo juicht Gods koor: Halleluja! 6. Ons hart herhaal nog eens dat lied, Wij hooren' t, maar doorgronden' t niet! Gena' den mensch, Gods Zoon daalt neêr, Geluk, o aarde! God zij d' eer! voor ons, 7. Kom, Christenschaar! kom, zingen wij! Het is voor u, voor mij, Dat God zijn' Zoon gegeven heeft, Het is voor ons, dat Jezus leeft. 8. God mensch voor ons! voor menschen? ja! o rijkdom van gena'! Buig, zondig menschdom! buig O diept', 231 u NALALALAA! VINAN MINIVINAHAVAALA 292 u neêr, 9. Wij voor armoe' Aanbid Gods liefd'. U, Immanuël! GEZANG 114, 115. buigen ons ор Gods bevel, Voor U, 10. Verberg hier vrij in uw sterflijkheid: lijdt, Omdat Gij onze den vrij: zijn AVANC uw ons behagen en zing Gods eer! gena', Voor U, majesteit, d' aard, Zoo Gij als mensch niet sterflijk waart? vindt, 11. Dies loven w' U, Immanuël! Uw dood verwint # 12. Geloofd zij God, die ons bemint, die smart en en dood en hel, Uw dood maakt ons van zonHeiland zijt. Ons heil Wat zou uw leven zijn voor is En d' aard Dies juichen en aanbidden wij. Om U in vervult met Geloofd zij God! Halleluja! 115. OP JEZUS GEBOORTE. WIJZE: O Jesu Christ! dein Kripplein ist. ier, blij van geest, Vier' s Heilands feest, Zing, Christen! Hem ter eer op schoone wijzen; De liefde zij De melodij, Waarop wij Hem, den God der liefde, prijzen! 2. Juich MAAA GEZANG 115. 2. Juich in uw lot! Zoo mind' ons God, 5 Zoon der wereld wilde geven: 0! wie zijn wij, Mijn God! dat Gij Uw' eigen' Zoon der wereld wildet geven! 3. Hij, God, werd mensch; Der vaadren wensch ders liefd' L ¢ Werd onze vriend, toen wij zijn haters waren, UHVAHUA > Werd ons gelijk, Om' t godlijk rijk En' s VaDat Hij 4. Geloof Gods stem! Neem deel aan Hem, zijn' Christenheid, in' t vleesch ons t" openbaren. Die, ons tot heil, zich zelven wou verzaken. Hij gaat u voor Op' t hemelspoor; Volg, volg Hem na! Hij zal ons zalig maken. 5.' k Zal, in uw leên, Uw vleesch en been, U, Zoon van God! U kleeden, spijzen, drenken; Der armen hart In hunne smart Vertroosten, Heer! en U daarbij gedenken. 6. Door uwe magt Is voortgebragt Al wat bestaat op aard en in den hoogen; Uw' roem verbreidt De 233 En alle knie wordt eenmaal U gebogen. 7. Loof, mensch! uw' God: Juich in uw lot, Nu JeLan. AVAVAVAVAVViviviviviviviviviviviviviviVAVINIVIVAN MIVVIVAHAHAVAALIA 234 Jezus komt, om voor uw schuld te lijden! Halleluja! L Halleluja! Wil, menschdom! u in Jezus komst verblijden! E メ ren! Majesteit, Die in' t ongenaakbaar licht GEZANG 115, 116. 116. O P JEZUS GEBOORTE. WIJZE: Psalm 150. zetel heeft of en dank en heerlijkheid Zij der hoogste een gesticht: Zingt een nooit het wonder nu geschied, 2. Aarde! zing des gij schooner stof; ' t Zaligst mensch: Wat heil, den Eeuwig blijde *** gezongen lied, Zijnen hemelkoHoogsten lof, Nimmer hadt wensch,' t Woord wordt vleesch, Gods Zoon rijze tot den troon: Zingt Jezus, Jezus is geboren! der verscheen, vaadren geluk hebt gij verkregen! waren vreê Brengt Jezus komste mee, Aarde! juich om dezen zegen. 11 3. Menschen, juicht! de hooge God, Diep bewogen met uw lot, Schonk u zijn' geliefden Zoon,' t Loflied God heeft in den mensch be behagen! Lof en H HUFAHVAHUR AVAG RA GEZANG 116, 117, 118. hoogste Majesteit, Eeuwig, eeuwig, opgedragen! dank en heerlijkheid Zij der Hem eer! 117. ENGELENZANG. WIJZE: Psalm 150. alleluja! looft den Heer, Hoogste heemlen geeft Halleluja! loof Hem aard! God geeft zijnen Zoon aan d' aard; God heeft in den mensch behagen. Vreed op aarde, Jezus leeft! Alles loov' wat adem heeft: God heeft in den mensch behagen. B. LIJDENS- GEZANGEN. 118. OP HET LIJDEN VAN JEZUS. WIJZE: Hertzliebster Jesu! was hast du verbrochen! eer mij, o Heer! uw lijden regt betrachten, In deze zee verzinken mijn gedach- ten, O Liefde! die, om zondaars te bevrij- den, Zoo zwaar woudt lijden. 235 2.' k Zie U, God zelv', in eeuwigheid gepre- zen, Tot in den dood als mensch gehoorzaam we- zen, In onze plaats livivi VAHAHAVATA 236 VANING GEZANG 118. plaats gemarteld en versla- gen, De zonde dragen. 3. Ons hart bezwijkt, het beeft en doet ons dein- zen, Ontzaglijk kruis! als w' aan uw wondren pein- zen, O Liefde! # 669 ' k zie en voel in uwe won- den Den vloek der zonden. 4. De Heer is regt, een wreker van het kwa- de, De Heer 0-0080 is goed, en schenkt ons zijn gena- de: wraak met beving en vertrou- wen Aan' t kruis beschouwen. 5. Dit slaat mijn' trots, al mijn verdienste, ne- der,' t Ver睡 laagt mij diep, maar o!' t verhoogt mij we- der:' t Meldt ' k Mag liefd' en mij mijn heil, die van Gods tegenstan- der In vriend verander. 6. Ik buk in' t stof, op U mijn' rotssteen bouw ik, Ik zie E uw bloed, en op dat bloed ver- trouw ik;' k Verlies mij zelv', daar' k voel, hoe ik U grief- de, 7. Zij overklimt onz' eindige gedach- ten, van God iets goddelijks verwach- ten: mensch, zou die zich onderwin- den In uwe liefde. Maar' k moet Ik ben een Haar uittevinden? 8.' t Is GEZANG 118. VHURAAVAANRES 8.' t Is' t grootst in God genade te bewij- zen;' t Is' t grootst in ons ootmoedig die te prij- zen, Te zien hoe hoog, als wij gena' verkrij- gen, Gena' kan stijgen. 9. Mijn Heiland! laat uw' Geest mij telkens lee- ren, Hoe' k in geloof uw' kruisdood moet veree- ren, Om in mijn hart de liefdevlam t' ontste- ken En aantekweeken. 10. Het goed te doen, het kwaad met zorg te mij- den, 4 Heer! dezen pligt leert mij uw heilig lij- den: Zou' k tevens mij het kwaad veroorelo- ven En' t kruis gelooven? 11. Daar G'U voor mij hebt in den dood gege- ven, Hoe zou 4 ik dan naar mijnen wil nog le- ven? Zou' k U, o Heer! die voor mijn schuld woudt lij- den, Mijn hart niet wijden? 12. Zou ik mijn leed in kommerlijke da- gen, Het druk237 kendst kruis met lijdzaamheid niet dra- gen? Daar Gij 4 zoo veel uit liefde wildet dul- den Voor mijne schulden. 13. Hoe zoud' ik ooit mijn broeders durven ha- ten, Voor wie VIVAVIVA VIVIVINS JA!^! A! A! NEA VIVA TVAVIVAHATAZA 238 INING GEZANG 118. wie Gij zelf uw leven hebt gela- ten? Neen,' k zend als Gij voor hen, die mij vertre- den, Tot God gebeden. 14. Ik wil geen' haat met wederhaat vergel- den, Niet die mij ☆ scheldt ooit grimmig wederschel- den; Gij Heer, ons Hoofd! Gij hebt nooit kwaad vergol- den, Nooit weêrgescholden. 15. Och! dat mijn hart naar' t uw' in reinheid zwee- me, # En in Gods kracht ik U ten voorbeeld ne- me: Dit is de dank, dien' k voor uw bitter lij- den 16. Oneindig heil! Gij leedt voor ons ten goe- de, verzoend in uwen dierbren bloe- de: U toe moet wijden. Ik ben Mijn heil bij God hebt Gij, aan' t kruis gestor- ven, Voor mij verworven. door U met heerlijkheid omge- ven, 17. Dit maakt mij hier reeds zalig door geloo- ven, Dus zal mij niets, niets ooit dat heil ontroo- ven, Ik zal, Voor eeuwig leven. 18. Dit moet mij tot den strijd steeds moedig ma- ken, Mi E in' t geloof en in' t gebed doen wa- ken, ' k Heb dan, 200 VAVAVA GEZANG 118, 119. LE zoo waar als Jezus leeft, den ze- gen Zijns doods verkregen. HUHUHUHUHHRVAARALLY 19. Lokt mij' t gevlei der lusten in zijn strik- ken, Dan doe 4 uw kruis mij voor de zonde schrik- ken, En zoo ik ooit verflaauw' in goede wer- ken, Moog' t kruis mij sterken. 20. Hoor' k ooit uw kruis door wereldwijzen doe- men, +4 Een ergernis of eene dwaasheid noe- men; Och! dat het mij, wie ooit er spot meê drij- ve, Gods wijsheid blijve. 5 21. Vertoef! och wil die spotters niet verte- ren! Och! mogt nog een dier dwazen zich bekee- ren, Zoo vinde hij bij U, dien hij versmaad- de, O Heer! genade. 239 22. Och, als ik, Heer! om mijne zonden be- ve, Dat dan uw kruis mij weder ruste ge- ve: Dat kruis zij mij dan vreed en vreugde te- vens, O God mijns levens! 119. OP HET LIJDEN VAN JEZUS. WIJZE: O Jesu, Quel der Gütigkeit! ntsluit, o Heer! ontvlam ons hart, En wil ons kracht verleenen! Wij denken aan uw lijdens VIVIVIVIN Viviviviviv NEA AVINAHANAVAVA 240 denssmart, Aan uwe liefd' en weenen; Wat wondren van barmhartigheid Hebt Gij voor ons ten toon gespreid, En aan het kruis bewe- zen! liefd' en trouw, die' t al volbragt, Hier nooit VANAN genoeg door ons herdacht, Zij eeuwiglijk geprezen! 2. Schoon Gij God zelf, Gods eenge zijt, het vleesch gekomen, Gij hebt, daar Gij voor zondaars lijdt, De schuld op U genomen. de woede blaakt, GEZANG 119. barst los, de hel genaakt, ga voorbij!" Gelijk een worm van' t hemelhof « Mijn Vader! zoo het mooglijk zij, 3. Uw zweet wordt bloed, ziele zich verheft, 4 Uw Gij in Gij wordt beangst, versla- gen: ter neder; ' t Verraad De vriendschap slaapt, Zoo moet de Godmensch klagen. Och! deze beker Gij bukt in' t stof En Gij, Gij Vorst Hervat het bidden weder: Gij voelt, daar onze straf U treft, En d' angst der Uw hart in liefd' ontbran- den; G' ont THE GEZANG 119. * G' onttrekt U niet aan onze schuld, met goddelijk geduld U in der boozen handen. 4. Gij Isrels Vorst, Gods eigen Zoon! Gevangen en gebonden, G' ontvangt der overtreedren loon, En Gij, Gij kent geen zonden; Men lastert U, Gij HUHUHUHUHMARA Maar geeft groot van moed Verdraagt en zwijgt; men eischt dat bloed tot God te gaan, uw bloed, Gij laat het willig stroo- men. Om met weld zen vloek belaân, In' t uur des doods gekomen. 5. Verachtelijk ten toon gesteld, Maar altijd groot van harte, Verdraagt Gij valschheid, smaad, geschoon lang verbeid, heid, Zijt Gij, met onEn d' allerwreedste smarte; Men ziet in U, zijn aangezigt Durft zelfs uw Godheid schen- nen: Thans geen gedaant' of heerlijkVoor U, wiens trouwe nimmer zwicht, Verbergt uw vriend 241 En einst U niet te kennen. 6. Gijin't offer jandat aan God behaagt, Waarop al 16 d' of NTA 242 d' offers zagen, draagt, Gij draagt ook onze plagen; Gij d' onschuld GEZANG 119. zelv', Gij duldt en zwijgt, Daar Gij voor ons ten kruisberg stijgt, Dat naar Gods raad de zonden VIV U de woede velt, Gij ondergingt het doodsgeweld, En duldt, dat reed, hun spotternij, Gelijk een lam ter slag- ting: Zij lastren uw 7. Hoe klimt de nood! zij hebben wreed U, en voet doorgraven, En als U dorst, staan zij geIsraëls verwachting. Om U met gal te laven; Uw smart ontvlamt wordt uw hoop bespot, vertrouwen: Uw hand Roept Gij tot God, dan lagchen zij, « Hij heeft," dus Hij heeft vertrouwd op zijnen God! Wat is nu zijn vertrouwen?" 8. Bij' t zwijmen van het zonnelicht, Verlaten van zijn vrinden, Verbergt Hem God zijn aangezigt, Waarin Hij troost moest vinden; Hij riep en zweeg, nu klaagt Hij weer, Hij roept, Gij antwoordt niet, o Heer! Hoor aarde! hoor Hem kla- gen:« Mijn GEZANG 119. « God! waarom verlaat Gij mij?" De boosheid spot; en Gij, ook Gij, Mijn God! Gij laat Hem klagen. 9. Ziet heemlen, ziet Gods eengen aan, nen God verlaten! dien arbeid kost, Van zijDie smart heb ik Hem aangedaan, Om mij werd Hij verlaten: De mensch, die U Wat is de mensch, dien Gij verlost? Wat hebt G' in hem gevon- den? Mijn Jezus!' t is gena' alleen, weer, als voorheen, U kruisig' door mijn zonden! 10. W' aanbidden U, Gij wankelt niet, Gij treedt den dood zelfs nader; En, daar Gods wil aan U geschiedt, Noemt G'onzen Regter, Vader: Gij neigt het hoofd, en' t aardrijk beeft, Gij sterft, en' t veege menschdom leeit, Gij' t eind der offeran- den! Het voorhang scheurt, de weg staat vrij, Het is vol4 bragt! de heerschappij 11. Gij sterft, en laat dien troost ons na, De zonden 18Och! dat ik nooit Des doods ligt nu aan banden. UFURVAVRE 243 zijn FURURUHURURURORORURORORV VIVINA ATA XIVAL MIVVIVAHANAT 244 zijn vergeven; Gij hebt voldaan op Golgotha, Dit onze smart, GEZANG 119, 120. geeft ons kracht ten leven: Uw zoendood lenigt hart, TINK Verkwikt, vertroost, versterkt ons Niets heeft zoo. groot een zoendood zij mijn steun in nood, druk, en in den dood Mijn laatste troost op aarde. 120. JEZUS LIEFDE IN ZIJN LIJDEN. WIJZE: Gezang 21. dalen Op deez' diep bedorven aard, iddelpunt van ons verlangen, Trooster van' t ontrust gemoed, Jezus! onze dankbre zangen Loven uwen liefdegloed, Gij woudt van den hemel 2. Liefde! met wat medelijden waar- de. Uw Mijn heil in van den vloek ontslaan; schuld betalen, Die ons bang gemoed bezwaart. Zaagt Gij Adams kindren En voor ons de aan! Voor die snooden woudt Gij strijden, nen In het bang Gethzemané, * Ja, Gij storttet bloed en traZulken Om voor ons den weg te banen Naar' t gewest van rust en vree. 3. Lief 3. Liefde! Gij moest spottaal hooren, Die U drong door merg en been; Ja, Gij droegt uws Vaders tooren, Gij GEZANG 120, 121. voor allen, Gij alleen: Welk een' beker moest Gij drinken Op het aaklig Golgotha! Daar liet G' U aan ' t kruishout klinken, Daar aanbidden w' uw gena'. 4. Liefd'! in U is al ons leven, Gij, Gij zijt ons hoogste goed; Ja, uw kruis heeft ons gegeven Wat bonden, ons eeuwig juichen doet. O hoe zijn w' aan U verHURUFUFURVAL 121. ten, onze monden Juichen dankbaar tot uw' troon. JEZUS GROOTHEID IN ZIJN LIJDEN. WIJZE: Psalm 24. Jezus, Redder,' s Vaders Zoon! Onze harGeeft aan den grooten lijder eer, Hij, nielt, Christnen! voor uw' Redder neêr b Wien Englen zelfs hun' lofzang wijden; vernederd zij, Hoe diep Hij ook Geen Engel was zoo groot als Te midden van zijn gruwzaamst lijden. 245 2. O Jezus! groot, waar' t oog hier staart, Gij spreekt, UHURURORORVIURURO NEALALALALA! ATAX NAAVAN AVIVAAHUAVINAVINA 246 spreekt, zoo spreekt geen mond op aard, uw zwijgen velt de snoodheid; Uw grootheid rijst Jw kruis strekt U ten glorietroon, bij spot en Econ, * Hier is veel meer, dan menschengrootheid. #b bespott', 4. Kniel, 8. Gij strijdt, Gij lijdt, ZOO als geen mensch ooit leed, voelt en kiest uw lot, GEZANG 121, 122. 190 bid F deed U ooit uw zielrust derven; Gij kent, Gij ZOO lof, als H t HE hemel! geef Hem eeuwig' Gij redt aarde! kniel Zijn geen in' t stof, mensch voor bo Gij zwijgt, Gij sterft, en wie U ook een wereld in uw sterven. Jezus ooit streed, eer, Wijd uwen aller lof ontvangen: Maar gij, o mensch aaneelal getuig' van Jezus lof! neer, Niets Hi, by uw Geef, Hij moet al Redder uw' eeuwig grootheid 122. JEZUS ON SCHULD. WIJZE: Mein Hertzens Jesu, meine Lust! ( met weglating der herhaling.) gezangen. Laat ons zijn onschuld zingen; Al klinken onze toonen dof, Zij geeft aan d' aard AAAAA 600 GEZANG 122. d' aard de schoonste stof, Z' is' t lied der Hemellingen. HURUFAUHORVAVAVA 2. Wat Jezus deed was welgedaan; Hij vlekloos, zonder zonden, Hij kon in' t strengst gerigt bestaan, En werd, 247 al viel Hem d' afgrond aan, Onstraffelijk bevonden. 3. Geen aanklagt laat Jeruzalem Noch Galilea hooren: Leo Ik vind geen schuld, niets kwaads in Hem," 4 klinkt Pilatus Regterstem Der Priesterschaar in d' ooren. 4. En hij, die Jezus gangen weet, Zelfs zijn verborgen paden, Sprak, toen hij stervend schuld beleed, En aan de waarheid hulde deed,»' k Heb d' onschuld zelv' verraden!" Zoo rader 5. Maar, o! wat haalt getuigenis Van Regter en verin zijn verrijzenis, Bij' t geen oneindig meerder is? Hij heeft, 4 De vrijspraak van den Vader. 6. Ja, Jezus! Gij, ja Gij alleen Zijt rein in' s Vaders oogen, Uw deugd blinkt door de wolken heen, En, door haar' glans, wordt hier beneên De Heiden zelfs bewogen. 7. Ja, Jezus is beproefd als' t goud, Al braakt de helgeest las iViViVIVIVING ZEIN. VIVAHARVAVIATA 248 GEZANG 122, 123. laster; Het is vergeefs, wat kwaad men brouwt, Wat list de boosheid zich verstout,' t Maakt Jezus deugd te vaster. 8. Hij werd, zelfs toen Hem God verliet, Aan' t vloekhout rein bevonden; De schepping, die zijn lijden ziet, Bezwijkt, Bij al' t gewigt der zonden. 9. Zijn onschuld is' t, die voor ons strijdt, En ons de kroon maar Jezus wankelt niet zal geven; Zij maakt, dat Hij, die ons bevrijdt, Voor ons, niet voor zich zelven, lijdt, Z' is' t leven van ons leven. 123. ΖΙΕ DEN MENSCH. WIJZE: O Haupt, voll Blut und Wunden! s dat, is dat mijn Koning! wensch! dat, is dat zijn krooning? Zie, zie, Moet Hij dat spotkleed aanschouw den mensch! dragen, Dat riet, die doornenkroon? Lijdt Hij dien smaad, die slagen? Hij, God! uw eigen Zoon! 2. Ja, ik kost Hem die slagen, Dat aller vaadren die doornenkroon. hoon; Ik doe dat kleed Hem dragen, Ik sloeg Die smarten en dien Hem al Dat riet, die wonden, AAAAAAAA GEZANG 123, 124. den, Voor mij moet Hij daar staan, Ik deed door mijne zonden, Hem al die jamren aan. wensch, 3. O Jezus! man van smarten, Gij aller vaadren VAVARVAVAM Herinner aller harten' t Aandoenlijk, » zie den mensch! 조 geten Die kroon, dat kleed, dat riet; Dit troospot van snoode smaders; Laat mij toch nooit verste mijn geweten,' t Is al voor mij geschied. 124. DE VERLOSSER AAN HET KRUIS. Nieuwe zangwijze. ijn Verlosser hangt aan' t kruis, Hangt ten maakt Hij mij vrij, Zoon des Vaders! Waar is toch uw almagt thans, Waar uw goddelijke glans? 2. Mijn Verlosser hangt aan' t kruis, Al zijn grootheid is verzwonden: Niets dan wonden, Builen, * striemen overal, Niets dan smarten zonder tal. 3. Mijn Verlosser hangt aan' t kruis, En Hij hangt er mijnentwegen, Mij ten zegen. Van den vloek 249 En zijn sterven zaligt mij. 4. Mijn VIVIVIVIVIVINAY AFAX FAVHUM 250 4. Mijn Verlosser hangt aan' t kruis, Ook voor mij heeft Hij zijn leven Veil gegeven. Brand, mijn hart! ontbrand in gloed lust der zinnen 5. Mijn Verlesser hangt aan' t kruis, kwaad zoo groot: GEZANG 124. naar uw vermaken, Nog beminnen? 6. Mijn Verlosser hangt aan reld! neen, ik zij Jegens Hem, mijn hoogste goed. ooit om sma', droeve dagen bij dit gezigt Deze kostte Hem den dood. ' t kruis, nog schamen? Zijns nog schamen? Wereld! haken? Neen, ik ken geen En ik zou den 7. Mijn Verlosser hangt aan' t kruis, En ik zou mij zijns 8. Mijn Verlosser hangt aan' t kruis, U gekruist, en gij aan mij. En ik zou Troostloos klagen? Neen, o weNeen! wie mij hier ' k Draag zijn kruis Hem vrolijk na. En ik zou in Klagen? neen! Valt mijn zwaarste last mij ligt. D 9. Mijn Verlosser hangt aan' t kruis: al mijn handel, Al mijn wandel; bloed mij koopt, In wiens dood ik ben gedoopt. 10. Mijn Hem verheerlijk' Hem, die met zijn 10. Mijn Verlosser hangt aan' t kruis: MELO GEZANG 124, 125. Heer! in dood en leven U gegeven;' k Leef, in vreugd en tegenheên,' k Leef en sterf voor U alleen. 125. KRUISLIED. WIJZE: Psalm 17. leer? HUHUHUHUHUHUHVA VRS dood niet te zingen, ijn Heiland, Davids Zoon en Heer! Wat zou mijn' lust, mijn tong bedwingen, Om van uw' kruis' k Heb mij, ten spot. Hier leer ik, wijs, mij zelv' vergeten, Mijn' Waar' k zoo veel nuts en godlijks levensdroom vol ijdelheid, Den lust, die vleijende verleidt, Den valschen waan van veel te weten. doornenkrans, 2. Daar hangt mijn Midlaar, Zoon van God, men mensch tot heil geschonken, Aan' t ijslijk moordhout vastgeklonken, Den Heiden en den Jood Den arDaar zie' k dat hoofd, dat eens met stralen Zoo heerlijk blonk van hemelglans, Gekroond met eenen Waar stroomen bloeds bij nederdalen. 251 3. Daar zie' k zijn lijf gescheurd, mismaakt, Het lijf van Hem, iViViViVIVAVIVING Vivix 252 Hem, die' t vee met huiden, Den mensch met kleêren, ' t veld met kruiden, De lucht met starren dekt, gansch naakt. GEZANG 125. Zijn hemelsch aanzigt, elks verlangen, schoon als immer aanzigt was, Bestierf daar, als een bloem in' t gras, Die' t hoofd verflenst laat nederhangen. 4. Maar' k wijt het aan geen Pharizeen, Geen PrieE sterschaar op Hem gebeten, Geen' Regter over Hem gezeten;' t Is onze schuld,' t is d' onz' alleen: Wij zondaars, wij, wij zelv', wij schonken dien kelk, zoo wrang, vol gal, 0 wonderbare zich geheel en al, Ten bodem toe, hebt leég gedronken. schen beide, Die z' alle bei' 5. Regtvaardigheid hield aan om straf, om vrij geleide, Hier trad Gods wijsheid tusGods geregtigheid, Zoo gunstbetooning! Dien Gij aan' t kruis ' t kruis van verspreidt! U, Heer! 0 Genade dong voldoening gaf. licht, Hier dat schittert Hier straalt genadige verschooning. 6, Hem Ele 6. Hem looft nu onze blijde tong, GEZANG 125, 126. dankbre zielen; Komt, laat ons zaam voor Jezus knielen, Die voor ons aan den kruispaal hong: sigd is, Hier hebben wij' t bewijs gevonden Van volle schuldvergiffenis; Daar hangt, waar Hij gekruidra: Hem loven onze 7. Komt, volgen w' onzen Heiland na, Komt, dat FVHUHURUF RAAMA ' t Gescheurde handschrift van de zonden. w' ons kruis, met welbehagen, Ook achter Hem gemoedigd dragen! Na' t kruis volgt ook de kroon wel* Zoo kan men best de kruisles leeren, Zoo dooden w' ook den ouden mensch, Zoo zal in ons de nieuwe mensch Zijn krachten daaglijks zien vermeêren. 126. JEZUS OP GOLGOTHA. ' s hemels trans, beschenen. WIJZE: Psalm 138. Is gansch verdwenen; a, Halleluja!' t is volbragt! De bange nacht De zon heeft weêr van Met nieuwen glans, Het is volbragt, Immanuël Het kruis Heeft dood 253 en ViviViVIVAVAVAVAVAVINS ATAZ AVIVAVI en hel Golgotha Hun prooi ontno- men. GEZANG 126, 127. Doet Gods gena' 2. Wat Jezus doen moest is volbragt, ge klagt hield kracht Door heel zijn leven; hergeven. Nu zal, daar alles is volbragt, van Golgotha Het is volbragt! van Vertroosting stroomen. moest lijden is geleên, De strijd volstreên, De vree Ons' t hart doorbo- ren. bragt! Zal nu weldra 3. Gevallen zondaars! ziet op Hem, wint, Uw heil begint triomf! zing wereldrond, Zijn deugd ' t Geen Hij Geen banTriomf, triomf! Om toe te treden; Hij lijdt, Hij sterft, Hij overDe wereld hooren. U lokt zijn stem, Voor eeuwigheden. Triomf, Uit éénen mond, schenkt ons' t le- ven! Ja, Halleluja!' t is volWacht, stervling! wacht' t Onsterflijk leven. 127. HET IS VOLBRAGT. WIJZE: Gezang 9. omt knielen wij voor Jezus zamen, Hij Met vrolijk uitzigt op ons lot! Het is volbragt, volbragt, ja, AAAAAA ja, Amen! Het is voor ons volbragt bij God. Het groote werk, dat Hij aanvaardde, Al d' eeuwen door met smart verwacht, Dat is volbragt. Juich hemel, aarde! Juicht zondaars!' t is voor u volbragt. 2. Gij Jezus! hebt den last gedragen, Dien zond' en van' t leven, GEZANG 127. schuld te dragen gaf, God zag uw werk met welbehagen, En wendt van ons zijn straffen af: Wij schuldig, snood, van God verdreven, Wij bleven ver van Eden staan, Maar' t kruis werd ons de boom pad; Dien wees uw Vader zelf ons aan. 3. Wat d' oude godspraak deed verwachten, Wat ooit Gods regt gevorderd had, Hebt Gij volbragt met al uw krachten, Volbragt op' t moeilijk lijdensGeen vlek, geen' mistred zagen d' oogen Der vlekkelooze Majesteit, En' t vonnis, dat ons zal verhoogen, Is d' uitspraak der regtvaardigheid. 4. Gods heiligheid, op aard verdonkerd Door Adams diep ontaard geslacht, Daagt op met nieuwen glans, 255 en URVAVARVAS OROROGORORORVAURORV NALAFATA!!!!! A \/\/ VIIVIVAHVA 256 en flonkert Bij' t heilrijk woord, » bragt!" Men hoort den Seraf lof betalen 5. Wij heven menschendeugd, Ja, van uw menschheid schijnen stralen, Waarin de Godheid zich verheugt. geven we door willen GEZANG 127, 128. waar Gij ons geleid!, Ons U geheel ten offer Z genade Het uwe kracht, In >> Het is volneedrig Gode leven, U volgen, Met nooit volbragte dankbaarheid. GetrouLeidsman! sla ons gade, Voleinder! 128. Aan uw verook ons houdt eeuwig kracht; heerlijk werk van Gods eenmaal zijn volbragt. HET IS VOLBRAGT. WIJZE: Psalm 66. laat, a, Halleluja! wat verkeere, Dat God belooft Ja, Halleluja! U zij eere, Verlosser, Redder!' t is volbragt! Wat voorgevoel van Ja, mijne eeuwig leven Wekt deze zegetoon in mij! zonden zijn vergeven, Opdat ik mij in God verblij'. 2. Zou ik door ongeloof versmaden Hem, die zun # 19 trou AVARA trouwe nimmer krenkt, En mij, hoe zwaar met VAKAUFVHUHURUHURUAN RE schuld beladen, Van alle schuld vergeving schenkt? GEZANG 128. Zou' k, met uw eigen woord gezegend, Door twijfelzucht van verre staan? En, daar mij zoo veel gunst bejegent, Niet vrolijk tot een' vader gaan? 3. Ja,' t is volbragt! en Gij, mijn Vader! Berust in' t offer van uw' Zoon: Och! dat ik op uw roepstem nader', En U door twijfling niet meer hoon'! Uw gift is uit genade, Heere! Uit onter eere, verdiende gunst alleen; Wat kan een zondaar, U Dan op uw woord slechts toetetreên?" D 4. Leer mij, o Heer! dien pligt betrachten, Door kinderlijk geloof geleid, Dan zal mijn hart van liefde smachten, Dan vind ik kracht tot heiligheid; Dan zal uw waarheid wacht, Amen mijn hoop mij nooit beschamen, Daar' k alles van Dan zeg ik needrig, dankbaar, 257 Op' t woord uws Zoons:» Het is volbragt!" 17 129. DE NAALATASAVALAVA LATA VINANZANIMIVIVATAV 258 129. a! Daar Hij de in Zijn' geest slaat zijn Jezus ons 2. Hij sterft dat DE STERVENDE JEZUS. hart veel neêr, en ligt gezonken Op zijn vermoeide borst; God GEZANG 129. en WIJZE: Psalm 65. sterft, aan' t kruis zonde torscht; liefde beveelt oogen voor ader, neêr, ons, Hij vloeit Jezus bloed, drijft; HV aan En vader, een' uw hart Hem dankbaar Zijn Zijn Die zijn' Vader, o Christenscharen! Zijn dood doodsgevaren, Daar Hij voor zondaars boet: hoofd hangt geklonken, bloed nader', Jezus leeft niet meer. Gij vindt door 3. Komt, vallen wij voor Jezus neder, verstijft redt ons uit Hij voor ons aan' t kruishout sneven, Hij Wien Voor vader eeuwig ons dankgebed, Zijn sterven schonk ons ven weder, Zijn dood heeft ons gered: Och! Hem in ZOO blijft. Hij hoort ' t leWou Voor ons VAVAVARAAAA GEZANG 129, 130. ons geen smaad ontzien, Och! dat wij eeuwig Hem eeuwig hulde bien! voor Hem leven, 4. Zie, daar wij in uw' naam vergâren, 0 Jezus! op ons neêr! uw' kruisdood staren, eer: steeds uw liefd' ons leid', deugd moog schenken, VAUHVAVARA Och! dat wij zoo uw' dood gedenken, Dat Uw Geest, daar w' op Ontvlamm' ons tot uw as zondaars aan. Dat zij ons kracht tot 130. DE STERVENDE JEZUS. En eens de zaligheid. WIJZE: Psalm 42. iep, o God! in' t stof gebogen, Schuldig voor uw hoog gerigt, Vloeijen tranen uit onz' oogen, Dekt de schaamt' ons aangezigt.' t Zondig stof ontvangt gena', Jezus sterft op Golgotha! Voor een wereld diep verloren 2. Heilig, heilig, heilig Wezen! Aan uw wetten is voldaan; Heilig, heilig, heilig Wezen! Siddring grijpt O hoe schriklijk hangt Gods Zoon 17* Geeft God zijnen eengeboren'. 259 Voor NATAL VAVARIVAVivivivi ANANAN FAHAV 260 Voor de zonde hier ten toon! ons bedreven 00 GEZANG 130. VIN God! om' t kwaad door Moest uw Zoon aan' t kruishout sneven. 3. Ja! Hij leed voor zulke snooden zijn gemoed, En Hij redt uit al hun nooden Ach! wat kan hier' t nietig stof? kindren door zijn bloed. Englen staamlen zijnen lof, R laat, 4. Kan het hart die liefde roemen Helsche smart in die liefde, Die voor ons aan' t kruis Hem griefde. Adams 9 Wij verzinken in bemint? Neen, wie ooit uw' naam moog noemen, 5. Om van zond' ons te bevrijden, liefde voor ons sneven, Jezus! zij als Gij gezind. Wie zich op uw bloed verDat de zonde nog En de zonde schuwt noch haat, Zal zijn snood vertrouwen boeten; Hij vertreedt uw bloed met voeten. Stierf Gods Zoon den wreedsten dood; Wie zijn hart Hem toe wil wijden Houde, wat zijn mond gebood: omring', Jezus! dat uw liefd' ons dring'; Woudt G'uit Dat wij eeuwig voor U leven! 6. JeHoe de zond' ons ooit ons hart. AAAA 6. Jezus! uw verzoenend sterven Blijft het rustpunt van aan, ons bij in smart. Och! wanneer mijn oog eens breekt, GEZANG 130, 131. ' t Angstig doodzweet van mij leekt, Dat uw bloed mijn F hoop dan wekke, En mijn schuld voor God bedekke. 7. Vader, vol van mededoogen! Zie ons arme zondaars Als wij alles, alles derven, Blijft uw liefd' voor ons voldaan, Ja! Hij heeft voor ons voldaan, Hem deed sneven, niet; Sla op ons uw vriendlijk' oogen; Jezus heeft God neemt ons als zondaars aan:' t Zelfde regt, dat WILL aan HURUFFURVANA Schenkt ons' t eeuwig zalig leven. 131. GEDULD NAAR JEZUS VOORBEELD. WIJZE: Maria's Lofzang. at bitter zielverdriet, O Jezus! leedt Gij Wat angsten, pijnen, slagen, Wat smart ' t kruis, wat spot Zoon van God! Hebt 2. Dat dulden in uw smart Gij, 0 Niet met geduld verdragen! Stilt in ons zwellend hart De drift, die los wou breken; Daar 261 zelfs FORORORURORTORO AMAHAVIALFA 262 zelfs de Heiland den steeg, 3. Laat mij, o ren strijd, zal in mijn regt 4. Dan den; Les 5. Dan woed', dulden mijn' schand' en smaad 6. Dan GEZANG 131. Heer! altijd, Past mij daar ooit het spreken? mijn' oudsten vriend, zweeg, Hoe hoog draag ik drink Op U in' t lijden staren! w' allen Al word ik Viv Gij mij vult, gemoed, Hoe zeer ook ik dood, Niet allen Maar meest in Het stil geduld bewaren. Dan zal ik in mijn' nood, haat, Zelfs onze onverdiend, last, het lijGelasterd en Al wordt met Dien schouders past, Hoe zwaar die vall' te dragen; * Al zwaEn mij, hoe wrang hij vall', Dat ' t ontrouw vergolZelfs van Hoe gescholden. G' op mijn met geduld, Den kelk 9 duurt die tot morren, zelfs niet klagen. Gij zult dien heilzaam maken, dien zeer doormengd met gal, Uw liefd' er in doen smaken. 132. GE GEZANG 132. 132. GEDULD NAAR JEZUS VOORBEELD. WIJZE: Psalm 73. ooit viel mijn' Heiland kruis te zwaar, Hoe drukHUHUHUHUHUVAANPAR kend dan dat kruis ook waar, Hij bleef altijd met welbehagen, Wat Hem zijn Vader oplei', dragen: Geen enkel onbetaamlijk woord nen mond gehoord; Hij, die nooit kwaad met kwaad vergold, treden, Werd ooit uit zijHij zegend' elk, wie Hem ook schold. 2. Och! volgd' ik steeds dat voorbeeld na, Dat voorbeeld zonder wederga': Och mogt ik steeds dat spoor beAl is' t met ongelijke schreden:' k Weet, dat mijn vleesch daartegen streeft, En mij gansch andre wetten geeft; Maar geef, o Heer! mij lust en kracht, Dat ik kloekmoedig die veracht'! 3. Dan draag ik al wat mij de Heer Heeft opgelegd, al waar' t nog meer; Zou Hij mij met een' last bezwaren, Die niet mijn kracht zou evenaren? Dies wijs en goed: zwijg ik Hem; al wat Hij doet Is altijd heilig, Drukt mij zijn hand een poos ter 263 neer, AVAA! !!!/ MAX 264 VIVIATA E neêr, 4. Aan hoe veel kwaads ik schuldig sta, Mijn Regter zelf schenkt mij gena'; En ik, zou ik zijn Vaderslagen, Als zijn gehoorzaam kind, niet dragen? O God! op wien mijn hoop blijft staan, ten druk GEZANG 132, 133. Ik vrees niet, want Hij redt mij weer. mijn oogen slaan, 133. Wat 2. Jezus ch! hoe dwaas is' t met vertrouwen Heil te bouwen Op iets sterflijks, wat is roem? Op U, die Hier opkweekt voor het hoogst geluk. MENSCHELIJKE ZWAKHEID. WIJZE: Psalm 38. flensen, Zij vergaan sleepen, Leer mij op U standvastigheid van menschen? Zij ver' t spreken, In Maar zij mij door korvrienden zelfs bezweken, zien gelijk een ' t beloven wonder Hem pas gegrepen of z' ontvlugten Hem 3. Ach! hoe zwaar viel Hem dit Stout in bloem. lijden, groot: Henen in nood. Dus te zwakheid te strijden Ongetroost en onverzeld! Maar deez' tig; loozer, vaardig 4. Christen! schaam u dan, die boozer En trouwSchaam u, als dien Heer onwaardig, Die niet 6. Gij, ten ons GEZANG 133. 5. Nog zijn ons rigten: Ach ons armen! wie houdt stand 9 Tegen' S werelds dreigen, hoonen, toont Hem krachtig En almagGansch verlaten houdt Hij' t veld. met schermen loonen? Bied, 0 bied ons, Heer! de hand. wennen, Christus, vrij van ramp, verlaat: 9 7. Leer ons KAUFVHFUFUH UHVAARALA van allen eens Om zijn' dienst het liefste haat. Of ontwijken, veel zwaarder pligten Te uw liefd' Schoon ons verlaten, Wie ons haomarmen, alles verblijf ons bij! Blijf Vleijen, hart zijn ontrouw kennen Daar ons goed, en bloed, En beontrouw zij. En ontSterk ons in den jongsten nood: en leven Gansch 265 be RVIVAVIVAVivivi AVANI AHAHAVIALIA 266 begeven, #E 134. En, Nog Deez' aard ontvangt Hem in haar' 2. Hij, ven, graf: ven, 3. Hier eindigt stonds Zijn 100 4. Dit Wat W Heiland wordt in' t graf geborgen, Hij Blijf ons bij, ook in den dood. OP JEZUS BEGRAFENIS. Nieuwe zangwijze. Christen! angstig GEZANG 133, 134. rust Zoo is u' t leven * * Zoo sterft g' ook zijn voor graf en voor uw schuld aan' t kruis gestorA al zijn volgt geest Nam ook den vloek der zond' in' t graf zoudt gij dan Hij uit van al zegel is de houdt smaad en schand'; ook reeds in wacht slechts kroon nog eens der zonden af. Hem niet den zijn lijden, weer verworschoot; zorgen, dood? ' s Vaders grafsteen Zoo aanор' t strijden, 4 tot den derden Hier lang geborgen, hand. sluit'; morgen, gen, HUAV C. GEZANG 134, 135. 5. Nu zal u' t graf ten rustbed strekken; En stapt dan als Christen! breekt die morgen aan, Dat Jezus zelf D B verwinnaar ook u zal wekken, En gij voor eeuwig op zult staan. GEZANGEN OP JEZUS OPSTANDING. 135. DE OPSTANDING VAN JEZUS. WIJZE: Gezang 112. dag van' t groote Christenfeest; in gedachtenis, Zing Jezus, die 4. De erinner u met vreugd, mijn geest! 2. Voel alle dankbaarheid voor Hem, starren op haar baan, FUHURUHURVAVAN magt, die was de lof, Hij leeft, en Haast, g' in dit uur zijn stem, Als sprak Hij, ndat u » vrede zij:" Verblijd u zoo, mijn geest! in mij. 3. Zie naar omhoog en bid Hem aan! d' eerbiedenis uit. verrezen Houd Jezus Den Als hoordet ' t hoogst bewind; Hij is uw Koning en uw vrind. is. Zij Hij leidt de en eeuwig is, Zijn naam word' 287 heerscht in Hem, overal RORORURO NALA ATNANANINVIVAHA 268 al verbreid, 5. Geloof! gij heft ons hemelwaart, grootheid dezer aard, eeuwig bedenkt, Dat God, in zijnen Zoon, ons schenkt? GEZANG 135, 136. 6. Eens zonder zonde, ramp of pijn, Als Englen Zijn roem verdure d' eeuwigheid! zalig zijn; 0 ten naam all' heerlijkheid, Oneindig' God! door kruis Christen! Wanneer mijn geest het heil verworven: a, Amen! Jezus is in' t leven! gestorven 7. Mijn hart bezwijkt van vreugd daarbij, wondring, liefde dringen mij; En vol van eerbied, dank en pligt Val ik, o God! op' t aangezigt. 136. DE OPSTANDING VAN JEZUS. Nieuwe zangwijze. zijn. Is mij, ook eer te geven Wat wordt de God en Mijn Heeft Moet u leven U Heiland, mij, 2. Laat ons Hem met aanbidding uit bereid! die Zijn' grooVernu ernst, aan den een eeuwigheid is eeren, het dood mijn. Hem nooit MAAARVA leruste! nooit door twijfeling onteeren, Hij leeft, wij te, eindeloos met Hem, Hij leeft, 0 hooge zieHij leeft, Al wat wij doen, doen wij door Hem. 3. O ja, Gij leeft! Gij ziet ons hopen, hart, ons doen ligt voor U open, le wezen, GEZANG 136. 4. Ja, ' t Hem ons, wat U mishaagt: Ons moet, wat Gij niet deedt voor dezen, Wat Gij verbiedt, een helwat ons nu ooit gelus5. Ja, HUHURUF VAVAVAVAR aanbiddend ceren, hart vermeêren, geloovig zoekt in smarte; besluit Hem langer niet: Jezus leeft! dat voelt ons harte, Schoon iedereen er roem op draagt. boezemzonden, Ons Een schrik zij Jezus leeft! veel duizend harten Als Het graf Hoe meer wij Hem En zijne liefd' in' t A Hoe meer Hij op ons nederziet. 269 Gevoelden in de bangste smarten 4 troost, dat Jezus leeft; In heeten strijd met Den hoogen In bangen doodstrijd, ondervon VINAVIANHAMINAVINV 270 vonden 6. Gij zielverkwikking, als wij onz' leeft, 0 Jezus! welk verblijden, in den hoogen Veel duizend harten, dat Hij leeft. GEZANG 136, 137. 20 troost in alle pijn! Gij leeft, Gij leeft, en oogen, Roept ook lijden, Als w' eens met U onsterflijk zijn. 137. DE OPSTANDING VAN JEZUS. WIJZE: Gezang 39. ons Aanschouwen W' U met deez' ezus leeft, en wij met Hem, Dood! waar is uw schrik gebleven? Jezus leeft, en zijne stem Wat Hoe zacht een eens weer in' t leven, Zal ons 2. Jezus leeft, zijn is het rijk, eens met eer bekleen: Dit is onze troost alleen. wig eens met Hem regeren. ooit wanklen? neen! Koning eeren; Wij ook zullen Hem gelijk, en God onteeren; Elk moet Hem als EeuZou Gods woord Dit is onze troost alleen. 3. Jezus leeft, wie nu nog vreest, Zou, en Hem, Zondaars mogen onbedeesd Zich GEZANG 137, 138. Zich tot zijn genade keeren. Jezus zendt geen zondaars heen: Dit is onze troost alleen. * 4. Jezus leeft, ons hoogste goed, Hem behoort geFax heel ons leven; Ons past reinheid van gemoed, Ons, het kwaad te wederstreven. Jezus sterkt der zwakken schreen: Dit is onze troost alleen. 5. Jezus leeft, dit is gewis; Waar ons pad ook heen moog leiden, Zelfs geen magt der duisternis, Niets zal ons van Jezus scheiden:' t Steunen op zijn mogendheen, Dit is onze troost alleen. 6. Jezus leeft, nu is de dood Ons een ingang tot het leven; Welk een rust in stervensnood Zal dit woord ons harte geven: » Gij, 0 Hei* T* » land! Gij alleen, Gij zijt onze troost alleen." uich nu, 138. DE OPSTANDING VAN JEZUS. WIJZE: Psalm 47. Christenschaar! Juich! het feest is 271 daar, Alles is volbragt, Wet noch dood heeft magt, NAL ANANIMIVINAHANA 272 magt, God verklaart Hem vrij: Eeuwig leven wij, Jezus heeft voldaan, lijk stijgt Gods Zoon geeft, en helsch geweld Zijn ter neêr geveld; 2. Christen! juich, Hij GEZANG 138. ten! Jezus hoor overwon; zijn Les stem, Hem U ten hemel leidt, 3. Aarde! ken uw' Heer, #E leeft, ' t Graf, uw schrik weleer, Hij, de hel te sterk, Leef, o Koning! leef, Zondaar! hoor zijn stem, Al der zonde kracht Is te niet gebragt: ChrisGeef, dat w' aan uw hand 4. Eeuwig leven wij Hij i Maak ons los van d' aard, Uit het graf ten troon. Al Die opgestaan, wat Aardsch Heerdooden ' t u Englen leven kon, ' t Sterven, dat door Christnen! geeft Hem eer, Mist zijn bitterheid; Is geen kerker meer. voltooit Hij hooren Hem; zijn werk. Dat U niets weerstreev'; Treên naar' t vaderland: ' t Spoor loopt hemelwaart. Opgewekt als Gij; Hemel, zing zing triomf! Aarde, galm triomf! Onze woonplaats AAAAA is Thans zijn erfenis: Englen, juicht triomf! K Menschen, roept triomf! Daar zijn rijkstroon is, Ligt onz' erfenis; Eeuwig leven wij Opgewekt als Hij. 139. DE OPSTANDING VAN JEZUS. WIJZE: Psalm 24. GEZANG 138, 139. omt, heffen w' onzen. lofzang aan! be Heer is waarlijk opgestaan; Ons past gejuich in plaats van klagen, De Levensvorst heeft door zijn kracht ven VAUHUHUHUHVANA 3. Dat toegebragt: De laatste vijand ligt verslagen. 2. Hij, die voor ons zijn leven gaf, ons de kluisters brak van' t graf, leeft voor ons den strijd volstreden: Nu zijn wij aan, met Hem opgestaan, Nu vangt het nieuwe levrees Den dood den doodsteek De Voor bo Hij heeft noch * voor ons: Immanuël Dat w' eeuwig in zijn' dienst besteden. angst ons hart beknell'; 18 HÜ Kan, wil, noch 273 zal VIVING AMANI VIVINAHAVAVA 274 zal ons L ons sche nood? ooit den dood? GEZANG 139, 140. begeven; En nu, Verwon Hij niet voor wat zegt onz' aard3 Wij zullen eeuwig met Hem leven. 140. DE OPSTANDING VAN JEZUS. WIJZE: Sollt ich meinem Gott nicht singen? ( met weglating van de herhaling.) ooft Gods Zoon, den doodvertreder! Hij, die stierf op Golgotha, Geeft zich zelv' het leven weder: Looft zijn' naam, Halleluja! Ziet, Hij stierf op Golgouw lof! tha! Looft, aanbidt en dankt Hem teeder! Uit den grafkuil keert Hij weer; Aard en hemel geeft Hem eer! 2. Laat ons zijne grootheid zingen, van blijdschap beeft! Laat ons lied ten hemel dringen Dat ons' t hart Hem, die stierf en eeuwig leeft, Dat ons' t hart van blijdschap beeft! Laat ons, laat ons vrolijk zingen Hem, die stierf en eeuwig leeft, Hem, die stierf en eeuwig leeft! 3. Door uw leven vrijgesproken, Zingen wij verrukt Door dat heil tot ernst ontstoken, Rukt de geed AAAAA geest zich los van' t stof, Stijgt zijn dank naar' t heGEZANG 140. melhof: Door uw leven vrijgesproken, Looft U, J40 Godmensch aller mond, U, die stierft en overwont. aardrijk zweeg, HURUFAFORVAVAL 4. Toen in d' ochtendschemeringen Nog het luistrend dend zweeg, ' s Heeren Engel nederzeeg, En bij' t graf aanbidToen uit' s hemels hooge kringen Stondt Gij op: de Hemellingen Zongen straks in' t Englenhof, Doodvernietiger! uw' lof. 5. Om Hem in het graf te vinden, Ging zij heen, waar Christus sliep: Maar wat moest zij ondervinden, Toen de van mijn lot, Hij zacht,« Maria!" riep, En toen zij,« Rabbouni!" riep? Heer! ik zal U ook eens vinden In het einWaar uw God is en mijn God, 6. Breekt G' eens van ons graf de kluister, Als G' ons met uw komst verblijdt; ' k Zie uw aanschijn dan vol 275 luister, Met de kroon op uwen strijd;' k Zie U dan 18* ge ۱/ ۱۰/ ۱۱/ ۱۱/ ۱۱/ ۱۱/ ۱۱/ ۱/ ۱۰/ ۱- VINANANIVAIVINAHARVAVAVAVAVEN 276 gelijk Gij zijt; GEZANG 140, 141. reekt G' eens van ons graf de kluister, O! dan ben ik in uw rijk U, mijn Heiland! U gelijk. 7. Looft den Heer, zingt Hem nu psalmen! E Jezus Christus overwon! Vlecht den overwinnaar palmen, Dien de dood niet houden kon: Jezus Christus overwon, Zingt Hem hooge zegepsalmen!' t Lied van ' t overwinrenkoor Galmt den wijden hemel door. 141. DE OPSTANDING VAN JEZUS. WIJZE: Psalm 36. riomf! triomf! Immanuël Verrijst, de magt van dood en hel Moet voor zijn grootheid bukken: Lof, eer den held, die overwon, Die ons met God verzoenen kon, En aan den dood ontrukken! Triomf! triomf! Hij zegepraalt, De volle losprijs is betaald, De kwijtbrief afgegeven: God spreekt van zijn' genadetroon:»' k Berust » in' t offer van mijn' Zoon, Hij leeft, en gij zult leven." 2. Triomf! wij zien op' t moordveld neér, Maar Jezus hangt hangt aan' t kruis niet meer; Reeds is de dood versionGEZANG 141, 142. den: Daar, waar het zoekend oog Hem mist, Hangt, HURUFUFURUAVA maar voor eeuwig uitgewischt, Het handschrift van de zonden. Triomf! triomf! op Golgotha Ontsprinren; gen stroomen van gena', Geen donder laat zich hooIn' t suizen van een' zachten wind Spreekt God als vader tot zijn kind, Nu langer niet verloren. 3. Triomf! de Heer is opgestaan, Wij kunnen vrolijk grafwaarts gaan, Zijn liefde zal ons wekken; Hij, ** d' eersteling in zijnen stand, Kan ons ten zeekren onderpana Van ons verrijzen strekken: Triomf! triomf! wat hier bezwijk', Eens zullen wij, aan Verklaard, onsterflijk wezen, opstaan, opstaan zal ons stof; Zingt, stervelinHem gelijk, Ja, gen! Jezus lof! Zijn naam blijft onvolprezen. 142. DE OPSTANDING VAN JEZUS. Nieuwe zangwijze. 00 brak' t gewenschte tijdstip aan, Waarop 277 ODS ATXANANIMIVINAHARVATAV 251 278 3. voldaan, ons' t heilrijkst licht mogt dagen; uit het graf gegaan,' t Geschonden Godsregt is 2. Hij stond gewillig' t leven het graf, straf, 0 Jezus! onze schuld betalen: Nu rijst Hij heerlijk uit Gij hebt 4. Dat verrijzing in ons #E Wat zou nog ons geluk vertragen? ** GEZANG 142. Opdat dood Op gewenschten 5. Welzalig VIVE volbragt, 9 sterk ons in die V doe ons meer de kracht wij, en op wij onze hope bouwen, stond, U Dat af, Zoo wou Hij De Heer is merken;' t Geloof aan den vrij van eens graf moed en magt, Tot wederliefd' en goede werken. Dat gord' ons zond' vasten grond, De toebehoort, zegepralen. Van Dien en aan ' t geen uw uwen mond, U in uw heerlijkheid aanschouwen. met Waarhoop op dien opgewekt door kan geen dood of graf doen beven, Die gaat zijn weg TAVAVA D. gemoedigd voort, Daar hij zich vast houdt aan uw woord:« Die Mij gelooft zal eeuwig leven." GEZANG 142, 143. too 143. DE HEMELVAART VAN JEZUS. WIJZE: Psalm 81. GEZANGEN OP JEZUS HEMELVAART. - der, Zing uws Redders eer: Hij, de Vorst der aard, 3. Ziet, arde! zucht niet meer, Kom den hemel naJezus Christus vaart Tot zijn' God, zijn' Vader. Starren, zon en maan! Dient Hem op zijn wenken, Heemlen! bidt Hem aan, HUFVHUHUHUHURVAVA Mensch! vertrouw op Hem, der 9 vaart naar omhoog, Hij zegepraalt, Die als Plaatsbekleeder Onze schuld betaalt; Hij, die uit ons oog HeenEnglen! hoort zijn stem, 4. Christnen! treurt niet meer, Die aan u blijft denken. Zendt zijn Englen neder. Zingt uws Redders eer: Komt den hemel na279 Hij, het heil der aard, Jezus Christus vaart Tot uw God, uw' Vader. 5. Hij, des menschen Zoon, Hij, die' t al volbragt heeft, VIVING Vivi VivivVTT 280 God, heeft, Hij beklimt den troon; 6. Ziet, o ziet Hem na! GEZANG 143.00 Droeg op Golgotha, Hij beschikt ons lot, Ook, mijn ziel! voor u, 7. Schoon geen oog Hem ziet, ten? Hij vergeet mij niet: 000 Voor den Godmensch is 8. Deed Hij aan het kruis In zijns Vaders huis, Zal zijn liefde nooit, 9. Zondaar hoor zijn stem, Waak, en wacht op Hem! ' t Leven ons verwierf, der, 10. Leef, o Koning! leef! wij, Les VIV Opgewekt als Gij, 11. Q! die dag breekt aan, Hij, de Zoon van Hij, die alle magt heeft. Hij, die onze zonden Leeft en bidt ook nu, Hij droeg ook uw zonden. Wat zou' t zien hier baSchoon' k zijn bijzijn mis, ' t Heengaan geen verlaten. Nooit weer van ons wijken. Ons zijn liefde blijken, Waar Hij' t heil voltooit, Leef in ons en geef, Buig u voor Hem neder, Hij, die voor ons stierf, Jezus komt eens weder. Breng tot U ons naDat ook eenmaal Leven bij uw' Vader! ' k Zie zich d' Englen scha scharen Langs de hemelbaan; Hij, die ons geleidt, VHUFVHUHUHUHUHURAA Heeft den weg bereid, Is vooruitgevaren. 144. DE HEMELVAART VAN JEZUS. WIJZE: Gezang 32. GEZANG 143, 144. ooft den Koning, alle volken! Looft Hem, die boven lucht en wolken Ten troon stijgt, Hem, Gods eigen' Zoon! Looft uw' Heiland, Christenscharen! Ziet Hem voor u ten hemel varen, bereiden voor Gods troon: Verheft zijn majesteit U plaats Met diep' eerbiedigheid, Halleluja! Loof wereldrond! reeds is gegeven Uit éénen mond, Loof Jezus Christus, wereldrond! 2. Menschheid! tot Gods troon verheven, Wie alle magt ning ziet In Jezus, waar God schepslen heeft, Menschheid juich, gevoel uw waarde, Uw lot is niet bepaald aan d' aarde, Eens leeft g' omhoog, waar Jezus leeft: Hoe zalig is' t verschiet, Waar' t oog den KoIn zijn' luister. Weg stof der aard, Een 281 hart AVIVIAL AVATA ANANINIVINAHA 282 hart onwaard, GEZANG 144, 145. VINININ Dat eens tot God ten hemel vaart. 3. Jezus, Redder onzer zielen! Zie ons aanbiddend nederknielen, Gij werdt voor ons, voor ons geslagt: Dank, aanbidding, ceuwig' eere, Lof, dank, aanbidding, eeuwig' eere Word' U, Verlosser! toegebragt. Na lijden, hoon en spot Wordt heerlijkheid ons lot. Want Gij regeert, SEE Ja, Halleluja! Gij regeert! 145. DE HEMELVAART VAN JEZUS. WIJZE: Gezang 8. Halleluja! Deugd triomfeert, tijg nu mijn loflied! daar de Heer juicht het hemelhof, voer met eeuwig' eer, Hij dood- en helverwinnaar; Ten hemel Een wolk ontvoert Hem aan het stof, En ijlings Lof zij den overwinnaar! 2. Des hemels Heer, des menschen Zoon Stijgt in triomf op' s Vaders troon, Nu juichen alle troonen: Hij komt, de Heer der heerlijkheid, Hij komt, bekleed met majesteit, Om eeuwig hier te woonen. 3. Heel GEZANG 145. 3. Heel' t Englenheir knielt voor Hem neêr, Messias, onze Heer, Geeft menschen Englenwaarde, Hij heeft. het grootste werk volbragt, Zijn is En juicht, de wijsheid en de kracht In hemel en op aarde! 4. Hoe heerlijk zijt G', o Heer, mijn God! Wij deelen in uw heilrijk lot, Voor ons voert Gij ten hemel; 5. O Heer! die hemel, zee Gij Hoogepriester! treedt G' eenmaal ingegaan, Wij volgen U ten hemel. en aard Almagtig riept, vooraan, hart naar' t hemelhof, Voor ons zijt en nog bewaart, O Heer! door wien wij leven: Zoo lang wij zwoegen in het stof, Blijv' steeds ons Van' t stof, tot U verheven. 6. Onttrek ons hart door uwe kracht, Die' t alles werkt, daar' t al op wacht, Aan' t aardsch', waar' t aan blijft hangen, Laat ons van uw' genadetroon, O Zoon des 283 Vaders,' s menschen Zoon! Tot strijden kracht ontvangen. 7. Ja, Gij gedenkt aan onzen nood, Gij, die voor ons gingt in den dood, Dat wij dit nooit vergeten: Gij zult, AVAVA i\/ i\/\\/\\/ i\/ i VIINIVINANZ 284 zult, schoon G' in den hemel woont, En' t Englenheir GEZANG 145, 146. uw grootheid toont, Uw broeders nooit vergeten. 146. DE HEMELVAART VAN JEZUS. WIJZE: Psalm 36. riomf, Halleluja! triomf! triomf! O glorie aller dagen! Wij staan niet meer op Golgotha, nen, lucht en wolken voeren zal, wagen, Die onzen Vorst, met blij geschal Door vrienden voor te gaan, 2. Triomf, Halleluja! triomf! Ja, tot in eeuwigheid 300-500e Om, ons tot heil, voor God te staan, En zijnen omf! De strijd is afgestreden; knielen zamen; Halleluja! Halleluja! Maar bij den zegeknielen voor het Lam, Ver boven duizend zonDie hier den strijd begonnen. Ja, tot in eeuwigheid trivoor Hem neêr, De gansche hemel geeft Hem eer, Nu De dood en hel knielt Hij zal binnen treden: Hij komt, zoo roept de Seraf uit, Hij komt, roept heel de hemel uit, Elias, Enoch, Abraham Al d' Englen En Mozes ' t Juicht alles dankend, Amen! 3. Tri AAAAAAAAAAUFVHUPUPUHURUAN GEZANG 146, 14%. 3. Triomf, Halleluja! triomf! Ja, tot in eeuwigheid triomf! Nu staat de toegang open; De Regter is geen Regter meer, Wie wil, mag veilig op zijn' Heer, Als op zijn' Vader, hopen. Snelt aan gij allen, wien de schuld Het bevend hart met vrees vervult, Uw sterkte zij vertrouwen: Berust in' t geen Hij heeft volbragt, Wie hier op Gods genade wacht Zal eeuwig Hem aanschouwen. 4. Triomf, Halleluja! triomf! Ja, tot in eeuwigheid triomf! Nu is de Zoon gezeten Als Midlaar aan Gods regterhand, Nu is de hemel vaderland, Dat mag verlossen ten; heeten! Nu vindt het neêrgedrukt gemoed Een' rijken troost in tegenspoed, Voor duizende geslachMiljoenen zullen, Hem gewijd, In druk beA proefd, voleind in strijd, Zijn toekomst zalig wachten. 147. DE HEMELVAART VAN JEZUS. WIJZE: Psalm 36. erheft u, Christnen! boven' t stof, Vereenigt u tot 285 Jezus lof, Nu wij Hem zien verhoogen; De luister van zijn VRVRORURURURURU MAGUGURKANVivivivivi MANNVIVINAL 296 zijn majesteit Straalt, in het rijk der heerlijkheid, In 100 aller Englen oogen. GEZANG 147. zing', Daar Hij het rijksbewind ontving, Dat ook de mensch zijn grootheid L aanvaardde: Hij, schoon geen sterflijk oog Hem ziet, Is ' t voorwerp van' t vereenigd lied Van hemel en van aarde. En glorierijk E 2. Wij buigen ons ootmoedig neêr Voor U, gezalfde Vorst Dat uw genadeen Heer! Elk juich', de Koning leve! heerschappij Al d' eeuwen door gezegend zij, woord Bij alle volken word' gehoord, En heil aan' t aardrijk geve: Och! dat de klank van' s Konings En elk zijn beeldnis drage. Wij, eeuwig aan uw' dienst gewijd, Verlangen biddend naar dien tijd; Och! dat die heileeuw dage. 3. Ons hart, dat zich op U verlaat, Schroomt geen vervolging, hoon of smaad, Wij kunnen rustig zingen: Nu Gij regeert, is alles wel, De zonde, wereld, dood en hel Zijn uw verwonnelingen. Wij wachten' t heil door U beloofd, Wij zijn uw leden, Gij ons Hoofd, Gij zult ons nooit AVAVARVA GEZANG 147, 148. UHURUH UHVAM 287 nooit begeven; Gij hebt den hemel ons bereid, Waar wij met U in heerlijkheid Ook eeuwig zullen leven. 148. DE HEMELVAART VAN JEZUS. WIJZE: Psalm 105. omt Christnen! laat ons Jezus loven, Komt heffen wij het hart naar boven! Daar zit de Koning op zijn' troon, Daar zegeviert Gods groote Zoon; Daar zij ons hart, daar is de schat, Die al ons heil in zich bevat. 2. Is Hij ons Hoofd, zijn wij zijn leden, Dan voegt het ons Hem natetreden: Al zwerven wij in tegenheên En vreemdlingschap nog hier beneên; Ons burgerregt is niet op aard, Hij baande' t spoor ons hemelwaart. 3. Hij ging ons voor met lijdzaam lijden, Hij ging ons voor in' t moedig strijden; Nu aan Gods regterhand gekroond, Ziet Hij zijn' arbeid rijk beloond: Komt, volgen wij ons heerlijk Hoofd! Ook ons is zulk een loon beloofd. 4. Wil, Heer! in ons dien ijver wekken, Wij voelen ons naar d' aarde trekken; Maak, Jezus! maak ons los van d' aard, GU10 ViviviviviviviviVANAVANAVAVIN NAFAZ UNIVVIVAATA 283 GEZANG 148, 149, d' aard, Trek zelf ons harte hemelwaart, Schenk ons den Geest, door U beloofd, Dan volgen w' U, gezegend Hoofd! E. GEZANGEN OP DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST, EN VERDERE GEVOLGEN VAN JEZUS VERHOOGING. enast 149. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. WIJZE: Gezang 8. e Heer is waarlijk opgestaan, En heerlijk uit zijn graf gegaan, De vijand lag verslagen; Gods Englen daalden neêr op d' aard, Niet langer met den vlock bezwaard, Dien had Hij weg gedragen. 2. Hij voer weêr op,' t gestarnt voorbij, ten loon, de heerschappij Uit' s Vaders hand verkreEn heeft, gen: Die Jezus kennen zijn verheugd, Gods Englen deelen in hun vreugd, Al' t schepsel in hun' zegen. 3. Elk heff' met ons een' lofzang aan! Gods Zoon heeft aan Gods regt voldaan, Hij heerscht als aller Koning; Hij zendt zijn' Geest, den Trooster, neêr: Zingt, Halleluja! zingt zijn eer,' t is' t feest van Jezus krooning. 4. Wie 4. Wie zou, AAAAAA GEZANG 149, 150. 150. HUFURAH ten troost verwierf, Wie zou zijn beeld niet dragen, En vol van God, die in ons woont, Den Geest, die daar Jezus voor ons stierf, En ons den Geest ons zijn vriendschap toont, Niet zoeken te behagen? 5. Wij mogen' t heil voor Jezus Kerk, Des Vaders lust, des Geestes werk, Al d' eeuwen door verwachten: Hem, die bij God voor zondaars spreekt, Hem wien' t aan ken! liefde nooit ontbreekt, Ontbreekt het nooit aan krachten. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. WIJZE: Psalm 22. et hart omhoog! wij vieren' t heuglijkst feest, Den blijdsten dag, die immer is geweest, God gaf aan d' aard, op dezen dag, zijn' Geest: Verheft uw klan289 Wie zal met ons dien trouwen God niet danken? Hij wou zijn' Zoon, Hij wil ook ons verblijden: Die voor ons stierf ontving, na' t zwaarste lijden, Den grootsten loon. 2. Zoo zegepraalt op aarde Jezus eer, Zoo daalt van Hem een stroom van zegen neêr, Zoo blijkt Gods trouw, zoo keert 19 RE AVIVAN AVAVIVAVAViviviva AVVIVAAHAHA 290 GEZANG 150, 151. keert de vrede weêr; Zingt Gode psalmen! Elk tempelkoor moet van ' t gejuich weêrgalmen: herleeft! Wij deelen in dien zegen, Nu God zijn' Geest, gelijk een' milden regen Na droogte, geeft. E 3. Juich, Christen! juich, in uwen God verheugd! Dat alle vleesch thans deel' in onze vreugd, Deez' aard vids Zoon met luister wou verhoogen Voor God zich buigen! Dat rijk en arm, dat ouderdom en jeugd Het laatst geslacht moet van dit heil getuigen, Valt, volken! neêr, Bukt voor Gods alvermogen, 4. Ja, Jezus heerscht! het ongeloof verstomm', Geest van Vader en van Zoon! Die DaTot aller Heer! De leer Heel' t aardvan' t kruis verspreid' haar kracht alom, rijk word' dien Heer ten eigendom, Zijn haatren zwichten: Trots alle magt zal God zijn' zetel stichten; Hem hulde ' t Geloof verbeid', Dat elk Hem eere geve, In eeuwigheid! doe, en juich', de Koning leve 151. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. WIJZE: Psalm 84. 0 Die ons den weg wijs VAVA GEZANG 151. UFVH wijst tot den troon, Getrouw' Bestierder onzer gangen! U, die ons in de waarheid leidt, U, die ons' t hoogst geluk bereidt, U loven onze feestgezangen, U, die in ons al' t goede werkt, Bewaart, vermeerdert en versterkt. 2. Toen Jezus alles hier op aard Volbragt had, voer Hij hemelwaart, En schonk U, om zijn Kerk te planten: Bij sterken wind, die' t huis doordrong, Zag elk verbaasd een vuurge tong Op' t hoofd van uwe heilgezanten; Straks waren zij met kracht omgord, En hun uw gaven ingestort. 3. Straks leerdet Gij door hunnen mond, Dat elk verstomd, verbijsterd stond, In velerhande vreemde talen; Straks door' t land, wrocht Gij wondren door hun hand, Genezing, overal Van ongeneesselijke kwalen: Dus bleek, wat grootheid Hij bezat, Die U en hen gezonden had. 4. Nu zegepraalde Jezus leer, De Jood aanbad Hem als 291 zijn' Heer, Vervuld met schuldbesef en boete; De Heidenen, bij schaar op schaar, 19* Vergruisden afgod en altaar, MALALA \/\/\/\/\/\/\/\/\/\/\/\/. j INAVINAATNAA 292 taar, En vielen smeekend Hem te voete: Zoo werd zijn rijk in korten tijd Verbreid, gevestigd, wijd en zijd. 5. Wij zelv', wier vaderen voorheen voor 脚 GEZANG 151, 152. bewijzen, een hout of steen, Wij zelv' zijn sprekende Ook ons bestraalt uw godlijk licht: Wat tong kan Ook hier hebt Gij uw rijk gesticht, bogen: Hier knielden U naar waarde prijzen? F ons, o Heer! Uw naam alleen hebb' eeuwig d' eer. * 6. Och! brak die dag ook spoedig aan, uw 0 Niet ons, fer, Moor en Indiaan De knie voor U, o Jezus! 0 0 Geest! Geest! Heer! niet door! Dat alle volk zijn heilleer hoor'; w dankbre Christenschaar, Dat Kafbreek door, breek godlijk alvermogen, Zoo wordt zijn godsdienst één alom, En heel deez' aard zijn heiligdom. 152. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. WIJZE: Psalm 19. Zoo blijkt Verhoogde Middelaar! Juicht in uw heerlijkheid; Van uwen troon vol eer Zondt Gij AAAAAVA GEZANG 152.23 VAURUVAUH UHAMME 293 Gij den Leeraar neêr, Die in de waarheid leidt: Uw woord houdt eeuwig stand, Gij hebt uw Kerk geplant, Gij blijft haar lot bestieren, Gij schenkt haar uwen Geest, Waarvan wij, op dit feest, Verheugd gedachtnis vieren. 2. Toen kindsch' eenvoudigheid, Door dezen Geest geleidt, Het licht der aard ontstak, De Galileesche mond, Voor ' t ruime wereld rond, In vreemde talen sprak, Toen vielen volken neer, Gewonnen voor een leer, Die eer noch wellust baarde; De tempels stortten om, Het weerloos Christendom Verwon de magt der aarde. 3. Och! dat die heilfontein, Zoo godlijk, mild en rein, Niet vruchtloos voor ons vloeij': Dat door de zaligheid, Zoo ruim ons toegezeid, Ons dankbaar hart ontgloeij'. O Levensvorst! heb dank, Dat w' onder' t blij geklank Dier heilmaar zijn geboren, En voor een' schooner' dag, Dan immer' t menschdom zag, Door U zijn uitverkoren. 4. Och! waren w' aan uw' Geest Altijd getrouw geweest, Hoe rein waar onze vreugd: Ach! elke goede zucht Was van WALALA AVANAVARIVAUVViviviviv PALAESZ VIVIVINAHAMAVA 294 GEZANG 152, 153. van dien Geest de vrucht, Zijn lokstem tot de deugd. O Heiland! leer ons zien, Dat wij, door' t licht te vliên, Altijd uw' Geest weêrstreven; En dat aan ons gemoed Elk aandrang tot het goed Was door dien Geest gegeven. 5. Geef nu, dat voor zijn licht zwicht', Het bijgeloof verzink', Uw eigen leer ons leid', En deugd en heiligheid nooit het diep gevoel Het blind vooroordeel Uit uw verlosten blink'; Ook' s werelds uiterst end Jezus, trouwe Heer! Van onmagt ons verkoel', w' aan uw woord gedenken:» De goede Vader let Op' t » kinderlijk gebed, Hij zal zijn' Geest u schenken.' 6. Dat ras al d' aard U roem' De Jood zich naar U noem', De Heiden voor U buig', En, waar het oog zich wendt, erhef, verhef uw Die' t menschdom moet verhoogen: Van uw' triomf getuig'! Dat Maar Het menschdom volg' uw leer, zegezangen, O Koning van uw Kerk! Bekroon uw eigen werk, Uw wenk is alvermogen. 153. DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST. WIJZE: Psalm 66. Uw 0 loflied, Chris VAARA Christen! rijz' omhoog! De Kerk heeft' s Vaders Geest ontvangen, Hij daald' op aard voor aller oog; Aan vuurtong, wind en vreemde talen Erkennen w' onzes Konings trouw, Daar Hij den Geest ons neêr doet dalen, biddend buigen GEZANG 153. HUFVFUFUFUVA 2. De vreemdste volken zelfs getuigen, Hier werkt, hier spreekt Gods majesteit, Daar scharen zich aanzijne krooning, Voor Jezus magt en heerlijkheid: Triomf! zoo leeft, zoo heerscht de Koning, Zingt Den Geest, dien Hij ons zenden zou. zijne zegepraal alom! De Geest, het pand van troon; Troost in smarte! 3. Dankt, feestgenooten! dankt den Vader, Geeft eer aan' s Vaders grooten Zoon, Zijn Geest brengt ons der Godheid nader, Maakt zich het hart ten heiligdom. En voert ons loflied voor den U, U, Herschepper van ons harte! U, trouwe Leidsman, goede Geest! U, Waarheidsleeraar, U wijden wij dit heuglijk feest. 4. Bewaar ons, dat w U nooit bedroeven, Uw invloed 295 AURORORORORURORURO VIVIVINA \/\/\/\/\/\/\/\/\/\/\/\/\/\/\/ TAFA MIVVIVAAMAATAVFA 296 vloed is ons toegezeid; Gij weet en schenkt, GEZANG 153, 154. wij behoeven, Gij blijft ons bij in eeuwigheid: Zoo maakt G' ons vrolijk, moedig, heilig, G' ons in den bangsten nood; 154. wij veilig, En gaan wij juichend in den dood. UITBREIDING DER KERK. WIJZE: Gezang 68. P, nu op, het hart naar boven! den ouden dag Met Voor het licht, dat Hij verspreidt, 2. Maakte God, in dag van zaligheid; Alles noopt ons God te loven geliewoord Zelfs tot' s werelds uiterst end: Wordt uw geleide zijn wat van Zoo sterkt volk Alles slechts door neevlen zag. vroeger jaren, * zijn woord bekend; Nu wil Hij zich openbaren, ' t Is de Daar men in 3. Zij, die nooit van Jezus hoorden, Jakob slechts ' t Heuglijk Evantot volk gehoord. Heidnen blind en woest van aard, Ver in' t Zuiden, ver in' t Noorden, Worden tot Gods Kerk vergaard: N ger, MAAAAVA VIVAI GEZANG 154, 155. ger, Moor en Indiaan Bidden ook den Heiland aan. 4. Goddelijke liefdekoorden zus heen, Maken uit verschillend' oorden, z' ook zijn, hen met ons loof en doop, Een in Trekken hen naar een, nu lotgemeen; Smelten W ken! zingt; Voor elkaar dan ook in een, u door; 5. Nieuwe broeders, Jezus leden! Ja, wij zijn 297 keuze, liefd' en hoop. JeEen in Heer, ge' s menschen Zoon; Wie Een in hart en zin: Bij' t geloof voegt broedermin. 155. UITBREIDING DER KERK. WIJZE: Gezang 68. onze smeekgebeden ingt, gij afgelegen landen! Zingt, gij verste volJezus reikt u zelf de handen, schenliefd' omringt zijn' troon: in wensch, hoort! zijn heilstem dringt Ook in' t einde tot Volken, Al wat leeft dank' Hem daarvoor. 2. Jezus wil zijn' roem verhoogen, Jezus, Gods en In zijn hand is alvermogen, MenWelk een stof tot lof VAVIL INAVINAHAHAAAA 298 lof en vreugd! liefdestem, 3. Ja, wij zien ontelbre scharen Luistren naar zijn gen en, slaven dienen Hem; GEZANG 155, 156. neêr! Hemel, men, Hier beschaafden, daar barbaren, VrijH aarde, weest verheugd! Baant den 4. Ziet! Hij komt, om alle volken Mild te zeegnen, als hun God; Met Hem dalen uit de wolken Dalen rijst! zinkt berStroomen neer van heilgenot: Zelfs in' t land van slavernij Maakt de Zoon in waarheid vrij. 156. weg voor onzen Heer! 5. Zoo, zoo zien wij' t Godsrijk komen, steeds meerder elken dag! Amen, zeggen alle vro' t Koom schelijk geslacht Aan den Heer word' toegebragt! Kom, ja kom, o blijde dag! Dat al' t men*** BEWARING DER KERK. WIJZE: Ein veste Burg ist unser Gott. ( met verandering in den 1. en 3. regel.) oudt Christus zijne Kerk in stand, Zoo mag de hel vrij woe- den; Gezeten aan Gods regterhand, Kan Hij haar AAAAAAAA haar wel behoe- den; Hij is in alle leed Tot hare GEZANG 156. hulp gereed, Hij staaft zijn' roem alom, En waakt voor' t Christendom: Dies mag de hel vrij woe- den. verzetten, 2. God ziet zelfs Vorsten op den troon Zich tegen Hem VAUHURUA Hij ziet hen zijn' gezalfden Zoon VersmaJezus onzen Heer, den in zijn wet- ten; Zij schamen zich de leer Zijn kruis is hun ten spot; * hoe belacht hen God! Zij mogen zich verzet- ten. 3. De spotter mag de waarheid smaân, Ons kan hij Van geen dreigen vree- zen: hemel schouwt, haar niet roo- ven, D' onchristen mag haar tegenstaan, 9 299 Wij blijven haar geleo- ven: U Jezus U zij d' eer! Die U verkiest tot Heer, Uw woord opregt betracht, Maar Dien kan geen helsche magt De zaligheid ontroo- ven. 4. Gij, Christen! die op Hem vertrouwt, Gij moet Die God, die van den Zal ons een toevlugt we- zen: Der AVAVAL INAVIN ANANINAVINAHARAVILHA 300 5 Der en eer, GEZANG 156, 157. legerscharen Heer Waakt voor zijn woord RO Geeft ons geduld in nood, En kracht, en moed in dood, Wie zou dan dreigen vree- zen? 157. O M BEKEERING VAN ZONDAARS WIJZE: Gebed des Heeren. k wil niet, dat de zondaar sneev'," Zoo zweert God zelf,» maar dat hij leev';' roept, bekeer, bekeer u dan » behouden kan, druisch Tot Mij, die u Verlaat, verlaat uw kwade zoudt gij verloren Hij » paân, Waarom 2. Maar ach! dat dierbaar, godlijk woord Wordt hun onbekeerlijk hart, schaars van zondaars regt gehoord, Hun dwaas, gaan?" In' s werelds woest geverward, bo Is voor die stem der liefde D doof, En wordt aan ' t wis bederf ten roof. 3. Och Heer! och Heer! leen ons gehoor, Och! open zulken dooven' t oor, Och! wierden z' eens hun groot gevaar, Met ernst, met diep geyoel MAAAAA voel, zijn, 4. Maak hen gevoelig voor den druk eer' ontwaar: hart en schandlijk zondejuk: Zij heid! vrij, 5. Vertoon hun, en be En ach! wat zal dan' t einde zijn? die slavernij, Zich zelven, ach wat dwaas6. Met vergaat, GEZANG 157. roet; En geert, wat Elk levensuur kan' t laatste verscheurd van felle smart, van' s werelds zoet geweerd, Hoe haar zeer hoe hun ledig hart Wanneer hand hen niet geleid? by tot den laagsten dienst verneer’. HUHUHURUAA VIVARUST een wanen, keten hen ontvreugd, Geschonken, Van' t Eens Verkeert in alsem, gal wat in Wanneer de smaak die Hun niets dan wroeging overlaat. wat geduld, wat teederheid Heeft uwe word' Wat zware rampen afVer boven allen wensch gedaan? haast G' ook deedt, daar hielp niet hun hart be301 Maar aan. 7. Gij URORURORURVRO \/\/\/\/\ MAVININIVAHAHAVA 302 7. Gij schonkt hun nog oneindig doe' t hun regt beseffen, Heer! hun uwen lieven Zoon, uwen troon, bloed; GEZANG 157, 158. verwacht; obo Bekeer 8. O God! geef onze bee gehoor, hun het hart en oor, door hen veracht, 0 158. Hij, Maar, ach! zij treden' t met de voet. Gij zelf Vergoot voor zondaars eens zijn toekomst eer: meer; den Och! Gij schonkt HET LAATSTE neergedaald van Toon hun al' t goed, En wat verschrikking hen Bewerk hen tot geloof, bekeer, Och! open WIJZE: Psalm 84. zondaar, Heer! OORDEEL Jezus! dat ik nooit vergeet, Dat G' over alles, wat ik deed, Hierna de Regter eens zult wezen; Opdat ik hier, bij elken pligt, Bij ieder werk, door mij verrigt, Uw uitspraak afwacht' zonder vreezen, En juich', daar ik uw Kom, Jezus! ja, kom haastig, Heer! 2.0 AAAAAA 2. O dag van schrik en heerlijkheid! verdwijnen, GEZANG 158. uw' glans en majesteit De glans der zonnen zal U vliedt, ken zult verschijnen; Het stof ten leven wederkeert, Gij op de wolstroomde, De dood U als verwinnaar eert, 3. Hoe rilt, hoe beeft op HUF UFAFA blind voor' t godlijk licht, Als voor En al wat leeft, U hulde biedt! Als aard en hemel voor bezweken? dat gezigt, Wie willens Dat ieder een' in d' oogen Uw roepstem smaadd', uw bloed vertrad, En, waar' t geweten prikkels had, Zich alles gaarn' als fabel droomde. Hij ziet U, ijst, gilt uit: 4. Maar wie, o God! zal daar bestaan, Hij is' t!" Hij voelt zijn eeuwig lot beslist. Daar hier zelfs onze beste daân, Getoetst aan onzen pligt, Wie zal bestaan, waar' t heiligst regt Het lot van groot en klein beslecht, En waarheid' t vonnis uit zal spreken, Terwijl' t geweten 909 voor AURORURVROHORUROR NEALALA ivivivivivi VINNINFAHAMA 804 voor' t heelal Le GEZANG 158. 5. Hij, die, daar hem zijn deugd begeeft, ' t Regtvaardig vonnis staven zal? Midlaar in zijn' Regter heeft, E duizend wonden, hem had gedreven, En sints zijn vreugd en wellust vond, Om, naar de leer uit Jezus mond, Hier dankbaar voor zijn' God te leven, Hij ziet gerust het oordeel aan; Gods waarheid doet hem veilig staan. 6. Wie beev', hij beeft niet voor' t gerigt, Hij wandeld' in het godlijk licht; En, sloeg' t bederf hem Hij weet, hij voelt in zijn gemoed, Hem reinigt Jezus Christus bloed, van alle zonden: Tot wien' t geloof Zijn' mijne loopbaan zij, 7. Mijn Heiland! dat uw toekomst mij Geen vonnis baart hem vrees of smart; Hij heeft de vrijspraak in zijn hart. Het reinigt hem Op mijne reis naar d' eeuwigheid; Tot troost in Tot baak en rigtsnoer van mijn' handel, Ter noordstar, die mij veilig leidt Opdat ik als ed MAAARVA een wijze wandel', En juich', daar ik uw toeGEZANG 158, 159. HURUFUHURURUH ARVAVA komst eer: Kom, Jezus! ja, kom haastig, Heer! OP BIJZONDERE TIJDEN EN GELEGENHEDEN. 159. OP HET NIEUWE JAAR. WIJZE: Es ist das Heil uns kommen her. s God, die' t licht heeft voortgebragt, De zon en maan doet rij- zen, Om ons' t verloop van dag en nacht, Laat ons, voor' t afgeloopen jaar, ning geeft, den Opperzegenaar, 2. U, groote God! die eeuwig leeft, En maand en jaar te wij- zen: wij' t licht ontvon- gen, zegen ge- ven, Den God der eeuwen prijzen! bo ons vreed en welvaart schenkt, Met dank U zij een lied gezon- gen! Die ons een veilge wooVan wien U, die Met raad en troost aan ons gedenkt, 3. Wil in dit jaar, weldadig' Heer! Ons ook uw' En uwen Geest, om U ter 20 305 U loven onze tongen. eer VINAVINANT 306 eer aardsche ons lot tevreê, L In uwe vrees te le- ven: 4. Geef ons, naar lijke tij-den; den zou, 5. Toon welvaart smart, heil GEZANG 159. sterk met lijdzaamheid ons hart, nooit in druk en smart, in oude da- gen, en mee trouw Naar' t ware heilgoed streven. be& uwe liefd' en trouw, Neêrlands volk uw vredenheid stig ieder goede daad, Maar, zoo die vreugd ons schaGeef ons dan kruis en lij- den: Verraad Als zijn' luister too- ne: Onz' Gij deelt ons wij maar, met Die U hun nooden kla- gen; liefde bij en be 6. Dat wijsheid hier haar majesteit, Gelukkiger benijden. Vaderhart, Vertroost bedrukten in hun GenoegeEn laat ons In onzen lande Ous zij overheden En wil, o God! met Gelijk BegunDat godsvrucht en tewoo- ne; schragen. En' t regt Dat Dit, lieve Vader VAVAVAVAU TAVAVAHVA GEZANG 159, 160. der! bidden wij uwen Zone. 160. OP HET NIEUWE JAAR. WIJZE: Gezang 21. In Christus hem niet alleen; VAUBURUA ren, dagen, maanden, jaren Vliegen als een schaduw heen; Ach! wij vinden, waar wij staren, Niets bestendigs hier beneên! Op den weg, dien wij betreden, Staat geen voetstap, die beklijft: Al het heden wordt verleden, Schoon' t ons toegerekend blijft! 2. Voorgeslachten kwijnden henen, En wij bloeijen op hun graf; Ras zal' t nakroost ons beweenen:' t Menschdom valt als blaadren af.' t Stof, door eeuwen zaamgelezen, Houdt het zelfde graf bewaard: Buiten U, o eeuwig Wezen! Ach! wat was de mensch op aard! 3. Maar door U aan' t niet onttogen, Godlijk licht 307 Liet uw gunst omscheen zijn oogen, En zijn nietigheid verdween: 497 nadeleiding Wordt hem deze levensbaan Slechts ontwikkling, voorbereiding 4. Dat de tijd hier' t al verover', Aan geen tijdperk 20 hangt Onder uw geTot een eindeloos bestaan. HURVAVA MANANIMIVIVANHAAVANHWANIVIN 308 GEZANG 160, 161. hangt mijn lot; Gij, Gij blijft mij altijd over, blijft eindeloos mijn God: nader',' k Vind in U mijn rustpunt weer; 5. Vader, onder al mijn nooden, Welk een ramp mij hier ook uw' Zoon mijn Vader, Wat verander', wat verkeer'. in' t zwijgend graf; straf, Vader, ook in' t rijk der dooden, Gij, o God! houdt eeuwig stand: rust op uw trouwe, F 6. Snelt dan, jaren, snelt vrij henen schap en verdriet; Vader, onder heil en Waar ik ooit verandring schouwe, God, mijn God, verandert niet: uit dit nietig leven, 161. verloren ga! Sluimert in uw Gij Gij blijft in dat van mijne levensdagen Vader, ook Welk een ramp ik moog beweenen, Blijft mij alles hier begeven, Voortgeleid door zijne hand hart door naberouw te spa'. Ook mijn stof Vaderhand! In mijn eeuwig vaderland. OP HET NIEUWE JAAR. WIJZE: Gezang 17. Met uw blijdSchouw ik, Verloren uren, zij doorknagen Geen uur geheel Het Elk levensuur, daar vliegt vliegt het heen, GEZANG 161, 162. HUFUFUA VA 2. Dat ieder oogenblik van' t leven Mij boven alles dierde nacht, ' t Keert nooit terug op ons geween! baar zij! Geen uur, mij tot mijn nut gegeven, Ga immer ongebruikt voorbij. Nog is het dag; straks komt Wie Mijn taak zij voor zijn komst volbragt. 3. Ik zie mijn' tijd daar henen snellen, O Heer van tijd en eeuwigheid! Leer mij mijn oogenblikken tellen, En houd mij tot uw komst bereid: Elk stipje van mijn levenstijd Zij U geheel, alleen gewijd! 4. Leer mij naar mijn volmaking streven, En in mijn roeping al den dag Steeds waakzaam door' t geloove leven, Tot ik U daar aanschouwen mag, Waar eens de mensch te rijker maait, Hoe meer hij hier op aarde zaait. 162. OP HET NIEUWE JAAR. WIJZE: Psalm 118. ij treên een nieuwen tijdkring in, In uwen 309 naam zij ons begin, Getrouw' Behoeder van ons leven! Wat onheil in dit jaar ons beid', Gij zult ons nooddruft, URURURORVAURUTURURURUDIA HVVIVAAH 310 druft, veiligheid, Gij zult in Christus alles geven. 2. Gij, Gij verandert nimmermeer; GEZANG 162. trouw, o Heer! Bestuurdet G' onze lotgevallen; Met wijsheid hadt Gij die bepaald, En nimmer heeft uw raad gefaald: Uw alziend oog waakt over allen. 3. Uw liefd', Ontfermer! kent geen peil, Gij zorgdet teeder voor ons heil, Gij, die ons uwen Zoon woudt geven, *** Die eens voor onze zonden stierf, Uw Vadergunst voor ons verwierf, En ons hier vormt voor' t hemelleven. Met vaderliefd' en 4. Welzalig hij, die op U bouwt, dus, vertrouwt, En dag aan dag op U blijft wachten, Die gesterkt in U zijn' God, toekomst niet, Geheel zijn lot aan U uw rein gebod In zijne roeping blijft betrachten. 5. Wanneer' t geloofsoog op U ziet, Dan kwelt de donkre Dan juichen w' op oneffen paân, Ook kinderlijk Dan is geen nacht voor ons te duister; En zien, bij d' uitkomst van uw daân, Uw liefd' en wijsheid in haar' luister. 6. Gord AVAVAVAVA GEZANG 162, 163. 5 6. Gord Gij ons aan met nieuwen moed, Gij, Gij almagtig, wijs en goed! Blijf ieder' avond, ieder' morgen Ons uitzigt, ook in bangen nood; Al trof dit jaar ons zelfs de dood, Gij kunt, Gij zult voor eeuwig zorgen. 7. Dat ieder dan het zorgen staak, Geen' kommer voed', maar Liddend waak, Zijn' pligt betracht', U blijv' gelooven, Dan schrikt ons hart voor geen gevaar; En niets zal, in' t vernieuwde jaar, Uw gunst, o Vader! ons ontrooven. 163. O P DE LENTE. WIJZE: Allein Gott in der Höh sey Ehr! ooft God! laat ons, zijn' naam ter eer, Een' blijden lofzang zin-gen; Looft God! daar is de lente weer Met al haar zegenin- gen; Looft God, die, wat Hij schiep, bewaart, En alles zegent naar zijn' aard; Looft, looft Hem al zijn wer- ken! 2. De grond, die lang verstorven lag, Ontwaakt ten leven we- der; Daar stroomt, met elken nieuwen dag, Een nieuwe zegen ne- der: De rups, 311 die HAA RURURURVRORUTURURU HVIVIVANT 812 die op een blaadje GEZANG 163. lucht doorzweeft, Verheugt zich in zijn leven. 3. Den mensch verkwikt een zachter lucht; leeft, bloemen, rijk in kieu- ren, Doorwasemen die lacht ons te- gen, De vogel, die de zachter lucht Met zoete balsemgeu- ren; Het vee, vreugd, ontweken aan de stal, Vindt jeugdig groen langs berg en dal, En huppelt door de vel- den. 4.' t Gelaat van' t aardrijk is verheugd,' t Geboomte zijne En groeit bij' s Hemels ze- gen: De groenend' akker juicht van God, wiens hand aan al wat leeft Het aanzijn en het leven geeft, Betoont zich allen gun- stig. 5. Looft God! want Hij is ons nabij, ons hart en mond; De hei- ren! De Heer is Want Zingt alle ons alom nabij In heemlen, aarde, mei- ren: U looft, o God! G' omringt ons, waar wij zija zijn in' t rond, velden hand GEZANG 163. 6. Gij roept de wolken over' t land, Dat zij de Met uwe gunst en lief- de. dren- ken, En ons de gaven van uw HOPUPURVAMAA In rijken voorraad schenken; Dauw, regen, wind en zonneschijn, Die dienaars van uw almagt zijn, Verkondigen uw goed- heid. 7. Daar stroomt zelfs uit uw donderlucht, Als al uw schepslen be- ven, Versterking, wasdom, rijke vrucht, Gezondheid, voorspoed, le- ven; Dan breekt de zon op nieuw weêr door, En mensch, en vee, en vooglenkoor Zijn weder in U vro- lijk. 8. Gij geeft al wat ons hier verheugt, Gij, Gever aller ga- ven! Maar wil ons eens met hooger vreugd, Uit Jezus volheid, U ook eens daar, la- ven: looft U der Englen schaar, En och! Omhoog dat wij 313 Als zij onsterflijk, lo- ven. 164, OP MANIMIVIVAHA $ 14 164. GEZANG 164. OP DEN ZOMER. WIJZE: Gezang 17. LES aat ons van uwe voorzorg zingen, O God! in' t zoele jaarsaizoen; Dat wij, dat al uw stervelingen Uw mildheid dankbaar hulde doen; d' opgang tot den nedergang Verheff' U aller lofgezang. 2. Waarheen in' t rond onz' oogen weiden, Maakt Gij uw wondre goedheid groot; Der kudden geeft Gij ruime heiden, En uwen menschenkindren brood; Gij zorgt voor ten gloed, Van elk: de rups, de bij, Den kleinsten worm verzadigt Gij. 3. Met uwe zomerzon stroomt leven In elke borst, in elke plant; De vreugd gaat door de dalen zweven, Het rundvee dartelt op het land; Bezield door haren zachVermaakt de visch zich in den vloed. Tot zwelling hunner airen drenkt; 4 4. Onz' akkers juichen van uw' zegen, verfrissching schenkt, Of hen na droogt' een malsche regen Als hun de dauw De beek, die door de dalen zwiert, Verkwikt den wandlaar en' t gediert'. 5. 200 MAAVAA loflied aan; 5. Zoo heffen dalen, wouden, velden, Vereenigd U het FURVAVARURAHVANA GEZANG 164, 165. Le Het groeijend ooft, het rijpend graan; Wat plantje, Daar staan ze, die uw eer vermelden, dat Gij niet voorziet? Het kleinste zelfs vergeet Gij niet. 6. Wij blijven op uw voorzorg bouwen, En, met den landman, bij zijn vlijt, Den oogst aan uw bestel vertrouwen: Bewaar ons zijn' gezetten tijd, Uw heil verblijd' ons! nooit veracht Gij' t hart, dat op uw' zegen wacht. 7. Wat leeft en ademt loov' den Heere! Zingt nu deez' aard reeds zulk een lied, Hoe zal zij juichen Hem ter REC 315 eere, Als zij zich eens herschapen ziet! Eerst dan rijst, Vader! uit het stof, Voor uwe goedheid, hooger lof. 165. OP DEN HERFST. WIJZE: Gezang 119. eeds daalt, met een omwolkt gezigt, zon vroegtijdig neder, En later toont haar zwakDe ker licht Zich aan den hemel weder: Het schoon saizoen is heengesneld, En reeds wordt op het dor. FURORORVRORUTUR HVIVI AHAMAV 316 dorre veld De ruwe storm verno- men; TIIVIVIV ste bloempje neigt ter aard, GEZANG 165. den herfst ontblaârt De schaduwrijkste boomen. 2. Zoo wijkt de zomer met zijn pracht, Der winterrust reeds tegen; God! uw zegen: Neen, boom en weid' en akker smacht God in aller nood voorziet; wen groei gereed, Ook loont de dorschvloer' s land3. Uw voorraadschuren opent Gij, mans zweet: Geen spijs zal ons ontbreken, de vooglen niet, Om spijs, in menigmaal En d'adem van nooit uw zorg vermindren; Het laatons, dat w', Maar niet, o Die rust maakt nieugen dag aan dag, schenkindren, De ruwheid van het jaargetij Zal Of leidt Hij zelfs Daar warmer streken? Door 0 haal, Gij wilt die schuld verge- ven: O God! voor menAl wierd uw liefde ons miskend bij' t mildst ontOch! geef in ons gedrag, U vruchten draEn dankbaar voor U leven. AA 4. U, die ons steeds ten vader zijt, Al slijten onze krachten; des levens zal wij verwachten, Al nadert' s levens wintertijd, GEZANG 165, 166. den G HAUFFRANK val, Niet vruchtloos op U bou- wen: Gij blijft eer. U blijven ouderdom ten staf, Gij blijft tot aan, tot over' t graf, In Christus, ons vertrouwen. 166. OP DEN WINTER. WIJZE: Gezang 54. Ook in dien herfst Ons hart, bij smart of ongepers luister, od wenkt, daar storten regenvloeden veld en akker daaglijks neêr; De storm, de stroomen in hun woeden, De droeve nevel meldt zijn 2. Hij riep de zon De zon, ons zijdlings en van verren Op 317 ' t kortst der dagen, maan en sterren Bij heldren, langen winternacht, digd aan haar kluister, Verkondigen des SchepIn De zeên, ontwelVerheffen zijne liefd' en magt. en sprak: keer weder Terug op IVINVIV VARVATAV 318 op uwe wijde baan! vroeger neder, meer aan. Le GEZANG 166. De sneeuwwolk, en haar vlokken vulden grond, en jaagden rustloos bij. vergaarde, Hij riep de winden, en zij bruiden: stroomen stolt! zij stolden; wekt: De VIV En lacht ons halfrond schaars trouwd aan Zij ging, zonk daaglijks per waakt ijlings rolden Hun golven, ijlings bruisten zij. 3. Van haren arbeid rust onz' aarde, Zij sluimert, door Gods hand bedekt, Opdat zij nieuwe kracht Tot dat ook daar, de zon zal' t leven de Hij sprak: gij Gij meiren woedt! en landman heeft het late koren haar geploegde voren, boo over' t graan; lent' op Den en afgemat, in d' aard, nieuw haar 4. Zoo zinken wij in' t eind ook mede, VerDe SchepDood ligt het Bij haar terugkomst wedergeven, En bloeijend zal' t op d' akker staan. Vermoeid En sluimren daar in stil GEZANG 166, 167. stillen vrede, Door Hem, die nimmer slaapt, bewaard. Opdat ons stof herrijz' in waarde, Geeft Hij het afgeteld aan d' aarde, En eischt bo het eens van d' aard weer af: Zijn eeuwge lentedag zal komen, Dan, dan verlaten zijne vromen Vol nieuwe levenskracht het graf. 5. O dag des levens, dag der weelde! Hoe wenscht mijn hart uw heil nabij! Verrijsniszon! wier hoop mij streelde, Wanneer zult g' opgaan over mij? ' k Moet eerst verrotting nog aanschouwen,' t Verganklijk' eerst aan' t stof vertrouwen, Het zaad by moet sterven, eer' t ontspruit: Zou ik, ten,' t sterven vreezen? Neen welkom, zalig zal 00 een Chris' t mij wezen, Het loopt in eeuwig leven uit! 167. IN DEN 00GST. WIJZE: Gezang 136. wijd op aarde schepslen Gij hun' t aanzijn, Heer! gegeven, leven, Hebt En le$ 19 ven IVINVIVIVAL 320 vloed wijze, yen zij uit uwe hand; Die schenkt hun over2. Om zij JAV hebt van in ons Gij ons volle korenairen, ons 4. Gij, len zwaar en groot; Het GEZANG 167. spijze, Zoo dat zich elk, Vive Gelukkig vindt bij' t leven die ons laven; bewijzen; schenken, Doet zomerlucht, warme te bewaren, Wie naar zijnen heid denken, Die, die alleen verleent ons brood. 3. Gij schept de vrucht van struik en boomen, de knopjes voort doen komen, is, ons aan 0 Maakt Gij haar korvoedzaam brood, helpt, Gij sterkt, Gij begenadigt len door uw grensloos rijk; werken prijzen, Wilt Gij U De malsche op zijne Wat boomgaard, weid' en heid' ons gaven, Van U is' t al, en vee, Heer! schenkt alles; Gij verzadigt, God! Schenkt stand. groot aan uwe goedwaar dat Gij Gestoofd vruchten, U en vrucht. Uw schepsGij U uwe en goed gelijk P 5. Laat HAAR 5. Laat ons die weldaan uit uw handen Ontin Christus vangen, als gewisse panden Van uwe gunst de smaken, GEZANG 167, 168. ken HURUFOUR bloed, Waarin W' uw VaderliefEn in die liefde tot U blaDie Gij ten dank ontvangen moet. 168. IN DEN 00GS T. WIJZE: Gezang 8. 0 Vader! die uw kindren voedt, Wie is als Gij, zoo mild, zoo goed? W' erkennen uwen zegen; Erkennen? neen! w' erkennen' t niet! waren: en koud is' t lied, Onrein is' t hart, Al stroomt uw gunst ons tegen. 2. Ontfermer! Gij, Gij geeft ons brood, De graankorl, die haar kiemtje schoot, Woudt G' in den grond beBij regen, dauw en zonneschijn Doet Gij haar' halm geladen zijn Met vette korenairen. 3. Verzorger! God van al wat leeft, Die ons zelfs boWie moet uw naam niet prijzen? ven bidden geeft, Och! mogt de teon van' t staamlend lied, Het welk D 21 321 ons URVAURURURURURURUBURUVAIDIU VIVIVIV 322 *** ons zondig hart U biedt, ¢ º 4. Dat steeds ons hart op U vertrouw', Steeds op uw Vaderzorge bouw', En nooit U moog verdenken: Gij schonkt ons uwen eigen' Zoon; van uw' troon 169. D GEZANG 168, 169. ons O P Tot U ten hemel rijzen. #L Ons met dien Zoon niet schenken? Wat zult Gij, Vader! EENE N WIJ ZE: Psalm 58. ons op, met Land en Kerk, Tot diep ootmoedig biddagswerk; Komt, openen wij hart en ooren, Belijden w' elk ons snood bestaan, Bij' t roemen van Gods groote daân. Gij hebt 2. Wij juichen, BEDE DAG. aar laat Gods liefdestem zich hooren, Zij eischt Heer! om met uw heilig woord, uwe daden, Land en Kerk gespaard, bewaard, En met uw welda ân ov.rladen, Bevoorregt Ons boven duizenden Met uw gena', alom gehoord. 3. Ons land ligt in geen' vloed bedolven, Nog tiert op heid' en weid' ons vee, God hoedt de scheepvaart op de zee, En leidt ze door de woeste golven, Hij schenkt der Bij TAVAVAV nijverheid het brood, En maakt alom zijn goedheid groot. 4. Laat ons zijn trouw, zijn gunst verheffen, Hij keerde zware rampen af, Hij mengde zoet in bittre straf; En, welke smart ons ooit mogt treffen, Zijn roede bleef een vaderroe', God wordt het weldoen nimmer moe'. 5. Maar ach! men bleef zijn goedheid tergen, Hoe schaars GEZANG 169. erkende' t Vaderland In alles zijne goede hand; De zonde steeg tot hooge bergen, Zijn dienst werd roekeloos vertreên, Zijn waarheid schandelijk bestreên. co 6. O ja! dat moeten wij belijden Voor U, o God! die alles weet, E zijn' pligt, Och! dat het elk in waarheid deed, Elk U' t verslagen hart mogt wijden, En pleiten om vergiffenis, Die in uw' Zoon oneindig is. 7. Leer elk, hoe hij is afgeweken, Bekeer ons ieder tot 323 Och! treed met ons niet in' t gerigt: Wil F3 tot ons hart van vrede spreken, Stort uwen Geest op Neêrland neêr, Opdat het tot U wederkeer'. 8. Dan 21 INVIVAHARVATAV 324 GEZANG 169, 170. 8. Dan zult Gij' t Vaderland verschoonen, Dan blijft ons d'oude zegen bij, Dan roemen, ja, dan juichen wij: » Der vaadren God blijft bij ons woonen, Wij zijn een » volk, een erfenis, Wiens God de Heer der heeren is." 170. OP EENEN BEDED A G. WIJZE: Psalm 51. k zal dan, op deez' statelijken dag, Eenstemmig met de duizenden van zielen, Door' t gansche land, voor uwen zetel knielen Met beed en dank, met boet' en diep ontzag; Grootmagtig' God! die ons daartoe ontboodt, Vergun ons, naar uw heilig welbehagen,' t Vereend gebed, uit allen onzen nood, In Christus U geloovig op te dragen. 2. Gij ziet mij bij de zaamgevloeide schaar, Maar diep beschaamd om mijn ondankbaarheden;' k Heb duizendmaal uw wetten overtreden, Mijn zondenschuld maakt mee de landsschuld zwaar: Geef, dat ik die, met In' t hart gevoel', en openlijk allen hier vergaard, be AVAVARVAV GEZANG 170. belijde, Opdat uw gunst dat hart, met schuld beAUFUFA zwaard, Door uwen Geest, door uwen troost verblijde. 3. Ontferm, ontferm, o Heer! ontferm U toch! 0 Regter, zoo genadig als regtvaardig!' t Is waar, wij zijn uw straffen dubbel waardig, Maar onverdiend spaart uwe hand ons nog: Geef, dat die hand ons tot bekeering leid'; Och. geef! och geef, dat wij, in die verschooning, Den Vaderwenk van uw langmoedigheid Erkennen met opregte dankbetooning. 4. Zoo mogen wij, naar' t voorschrift van uw woord, Uw gunsten en kastijding regt betrachten, Uw' wil ons heil, uw' dienst ons hoofddoel achten, Door uw deslaan, geduld en weldoen aangespoord: Zoo mogen wij in uwe vrees voortaan Den besten weg, dien Gij ons wijst, betreden, En uw bevel eerbiedig gaAls d' eerste wet voor volk en overheden. 5. Ja, dan alleen, dan llen wij gewis Een volk $ 25 van HVAL NEALA INVIVIVAHVA 926 ****** van U bemind, gezegend wezen; F die U in waarheid vreezen, uw beloftenis: vaart en geluk en druk, GEZANG 170. IN Dan zult Gij Rondom tijd', ons 6. Verlicht daartoe genadig ons verlengen; Dan zullen wij, bevrijd van ramp kerk, in vaderland; Aan hen, o God! God der vaadren, niet vergeten U offers, die U welgevallen, **** ons hart, verteeder ons geweten! God! om Bevestigt Gij al vreed en welheen gebieden en verstand, Dat w' U, den brengen. In huisgezin, in Bestuur Dat w' aan uw eer, uwen dienst altijd' t Bijzonder en gemeen belang verbinden, En,' t zij uw hand ons zegen', of kas7. Zoo zij voor ons deez' dank- en bededag, gansche land, tot een verblijdend teeken, In uwe gunst ons waar genoegen vinden. bij U het waar boetvaardig smeeken, aan Voor' t Hoe veel Ontfermend' Jezus wil, vermag: Zoo blijk', dat Gij aan VAVAVA GEZANG 170, 171. aan schuldigen vergeeft Op smeekgebeên, in Hem U leeft, opgedragen; Zoo blijk', dat Gij, de God der vaadren, En bij ons blijft met gunstig welbehagen. 171. OP EENEN BEDEDAG. WIJZE: Gezang 17. ie ons ootmoedig tot U naadren, O God! zoo eindZ loos goed als groot, Gij waart de God van onze vaadren, 327 Gij waart hun Redder in den nood; Wij staren op het voorgeslacht, door hen volend, En zien alom uw liefd' en magt. 2. Hoe nietig klein was hun vermogen, Hoe groot de taak Wat ramp is hen voorbij gevlogen, Wat redding bleef hun onbekend! Gij waart hun steun bij ' t gruwzaamst wee; Zoo staat geen rots in' t hart der zee. 3. God! zou ons hart het ooit vergeten, Wat Gij voor onze vaadren deedt, Toen dwinglandij het vrij geweten Met al de magt der aard bestreed, Uw almagt, uw ontferming bood Hun' t eenigst uitzigt in den nood. 4. Hier moesten zij' t geweld verduren Van oorlog, hongersAVA IVAS VIVIMINAHAHA 928 GEZANG 171. VIVE gersnood en pest; Daar rezen wreede martelvuren, En moordschavotten door' t gewest; En overal doorweekt' in' t rond Het edelst bloed den bangen grond. 5. Maar Gij, Gij streedt met hunne scharen, slonken om hen heen; Pest, oorlog, honger, moordenaren En bloedgerigt werd afgestreên, En uit den zwartEn benden Isten nacht van nood Verrees het heerlijkst morgenrood. wonder redden kon; 6. Nu eens scheen zelfs de hoop verloren, Daar slechts een #E Maar Gij, Gij had hun hulp beschoren, En' t zinkend Vaderland verwon, eeuwge wetten der natuur buldren van d' orkaan, Zelfs Eerbiedigden uw albestuur. 7. Dan scheen de zee hun aan te wrokken, En dreigd', op' t Hun' veegen erfgrond inteslokken, Of aan verwoesting aftestaan: Daar rees de noodkreet tot uw' troon, Gij wenkt, en zee en stormwind vloon. 8. O Gij, der vaadren vast vertrouwen, Hun hulp en toevlugt in' t gevaar! Waar kan ons oog deez' grond aanschou RUAR GEZANG 171, 172. 320 schouwen, Daar niet uw almagt zigtbaar waar? Geheel het oude Nederland Was steeds een wonder van uw hand. 9. Hoe diep in' t stof zonk' t nakroost neder, Sints' t U der vaadren God verliet: Och God! och God! keer tot ons weder, Wij zinken, redt uw almagt niet; Reeds oogsten w' op onz' eigen paân De wrange vruchten onzer daân. 10. Wij pleiten, Heer! op uw genade, Die nooit den boeteling verstoot: Ook zij kwam' t voorgeslacht te stade, En blijft nog altijd eindloos groot: Wij pleiten, knielend Op' t bloed van uwen lieven Zoon. 11. Red, schraag, versterk door uw vermogen Wat eens uw hand gewrocht heeft, Heer! En' t Vaderland slaat dankbaar' oogen Van nieuws op U, zijn' Redder, weer: Zoo word' door voor- en nageslacht Uw' naam de glorie toegebragt. 172. IN GROOTE DROOGTE. WIJZE: Psalm 51. voor uw troon, et aardrijk dorst, het zucht tot God omhoog, -Zijn vrucht verdort, het graan verdroogt in d' airen; En AVAVA ANAVIIVINVIHAA 330 GEZANG 172. En, hoe het oog den hemel aan moog staren, wolkje toont zich aan zijn' effen' boog: Heer! zie, hoe het alles kwijnt, Les alles draagt en zegent, Die met uw zon de boozen zelfs beschijnt, En over hen, en over goeden regent. 2. Gij, Gij behoudt natuur in haren stand, Och Heer! och wordt bestaat door uwe hand: Het zucht tot U, die nieuw, daar rijst haar schoonheid weder; God! Gij wenkt, daar zinkt zij neder, Gij wenkt op Geen Almagtig' is uw naam altijd geweest: oppermajesteit, Wat ons ook treff', uw oordeel is om uws Zoons wil, Heer! Wat is en W' erkennen, Heer! uw regtvaardig; Wij pleiten steeds op uw meedoogendheid, Al zijn wij zelfs uw zwaarste slagen waardig. 3. Gij toch, o Heer! die slaat, en ook geneest, waart van ouds een toevlugt onder smarte, tuchtigt ons, maar plaagt ons niet van harte; Gij Gij Ontfermer Och! om uws naams en Verkwik het land door ee AVAR eenen milden regen, Zie niet op ons, maar op zijn En geef, o God! onwaardigen uw' zegen. 173. BIJ OVERVLOEDIGEN REGEN. WIJZE: Wo Gott der Herr nicht bey uns hält. offer neêr, die kers ons voorspel- den; waterplas God! bewaar het veldgewas, Dat d' GEZANG 172, 173. 2. Ontsluit Op onze onzen kommer ziet, onze da- len, dat zij niet Des landmans Met warme aan, Het drassche uw zegenrijke hand, 3.' t Is waar, den aan ons vee, Gebied ligt als in een' En deel vel- den. O Gij! hoop ak331 de wolken, zonnestralen: Geef drooge verwoesten. Eens weer het halfverdronken land Verkwik, in een' rijken wij hebben zwaar misdaan, raad mee Van voedzaam brood voor men- schen. weivoorAltijd gehecht aan' t kwa- de; Maar zie ons in ontferming Verleen ons, Heer! gena- de: Zoudt Gij, die ons het hemelsch brood, In uwen Zoon, zoo gun VANIMIVIVAHA 392 H gunstig boodt, 4. Och! hoor ons, HV ven, blij gemaaid, oogst en zijne tij- den; 174. ΙΝ gaan! GEZANG 173, 174. pe weêr Dat w' ons in U verblij- den, Als' t F graan, met zoo veel zorg gezaaid, In volle schoRedder Ons' t aardsche brood onthou- den? E en bewaar ons, vloed groeit immer aan, elp God! de nood uit gevaren, 3. Beveilig onze Schraag onze wankle hoGevoerd wordt in de sehu-ren. WATERSNOO D. WIJZE: Psalm 31. Heer! Den uwe hand, Och! wil ons toch genadig wezen, Gij, is hoog gerezen, 2. Ontfermer! zie ons biddend knielen Voor uw' genadetroon, Aanschouw ons in uw' Zoon; zou de vloed ons land vernielen, Behoed ons, wij verGij kunt alleen bewaren. vastigheden, De velds doen sterven, En haav en vee verderven? De vrucht des Schraag die Ach! Houd dijk en dam in stand, door Bestraf, HAVAR straf, o Hoorder der gebeden!' t Geweld van men; GEZANG 174, 175. wind en stroomen, Een wenk zal die betoomen. 175. NA STORM EN WATERSNOOD. WIJZE: Psalm 38. at nu elk d' Algoedheid prijze,' t Loflied rijze! Zingen wij nu God ter eer, Looft Hem, die, en wind, en baren Deed bedaren, Knielt voor Hem aanbiddend neêr. 2. Door der stormen loeijend woeden, Stortten vloeden, Hoog gestegen, plotsling neêr; Wij, door d' ongetemde golven Schier bedolven, Zagen nergens uitkomst meer. 3. Maar Gij Heer! woudt U ontfermen, Op ons kerOp ons roepen, wij vergaan! zwegen, gen FUFUFU 333 alvermogen: Opgetogen Zien wij onze redding aan. 4. IJlings woudt Gij uitkomst schenken; Op uw wenken Toonde' t al gehoorzaamheid: Gij geboodt, de winden Ja, zij zwegen Straks bewogen, Toondet Gij uw 5. Nu, nu juichen onze harten, Vrij van smarten; Heer! wat zijt Gij goed en groot! Gij, door eindloos mededooVoor die stem der majesteit. Schenkt ons leven uit den dood. 6. Wil AVR AMANIMIVINAHARAVI 334 6. Wil nu aan verleegnen denken, Hulpe schenken, Waar men nog geen uitkomst ziet, Leer ook daar uw redding wachten: Donkre nachten Worden licht, als Gij' t gebiedt. 176. I N OORLOG. WIJZE: Singen wir aus Hertzen Grund! GEZANG 175, 176. ie erbarmend op ons neêr! ANE God en Heer! Om erbarming smeeken wij. Heer! wie is een God als Gij, den nood! goed, ZOO groot? Hoor ter Overal dreigt 2. D' oorlogsvlam stijgt in de lucht, dert niet, 3. Ach! daar onregt en geweld ten krijg verzelt Om erbarming, Wie een God, zoo ons, smijt het in zijn vaart, Als een > kant, Als een zondvloed, over' t land, zwaard en zegen vlugt:' t Krijgsheir stroomt aan alle ook ware heldenmoed ons red en Vrede, vreugd aard; Bloed en dood begeert zijn zwaard. uit Wie, 0 God! dood. hagelstorm, wie Als hij aan all' oorden ziet, Alles Ook den bessidDat Straks uit heete wraakzucht AAAAA zucht woedt! ten wij vergaan! 4. Zien wij al die gruwlen aan, vervult; niet aan de schuld, GEZANG 176. Een erbarmend God zijt Gij! Och! gedenk Wat vergiet hij? broederbloed! 5. Allen, volk en overheên, rigt wilt gaan, staan? 6. Jezus gebeên: Wat is onze uw geduchte kracht? schenmin Om erbarming smeeken wij: Red ons spoedig! schenk geduld! FURVA snoode zondaars boet, smeeken wij; Siddrend moeDie ons hart met schrik Christus! met het bloed, Dringen tot U met zwakke magt Tegen Zoo Gij in' t geAch! hoe zouden wij beWij vergaan! ach! wij vergaan! # daar onze Voorspraak, Gij! Dat voor Treedt G' uit loutre men335 Voor hen bij den Vader in: Wees Om erbarming Och! om redding smeeken wij. 7. Schenk ons uwen Geest, wiens kracht' t Hardst gemoed als was verzacht, Van den vijand broedren IVIVANS Vivivi VARVAVIHFAV 396 dren maakt, dien Geest ons schreijend oog GEZANG 176, 177. In wier hart de liefde blaakt; onze bee 8. Gij, almagtig' God! wiens wil van omhoog! Allen slaan wij' t dan men spreekt: weest stil! Smeekend tot U naar omhoog! Spreek nu tot de tweedragt: wijk! oorlog uit uw rijk! Spreek nu ook op Tot het zwaard: keer in de schee! # 9.' t Menschdom om die gunst verheugd uwen naam vol vreugd; God zijt Gij! 177. Want de wereld is uw rijk. ons! hoor ons! smeeken wij: Tot de storZend de hand Dankt U' t volk van ieder land. Weer het ooft God met verrukten geest! Met de harpen in ΙΝ VREDE. WIJZE: Psalm 150. les is in vreed en rust. Looft Och om vrede smeeken wij. Een ontfermend Hoor klanken, Met de stem, en met het hart. Looft Hem op ons vredefeest! D' oorlogs vlammen zijn gebluscht, AlLaat ons zaam met jubelBoven al AAAA alle vrees en smart, Onzen Redder juichend danken. GEZANG 177. 2. Loof Hem, dierbaar Vaderland! Dank ootmoedig, dank de hand, Die aan' t woedend krijgsgeweld Eindlijk perk en palen stelt! ontrukte, Aan den last, voor ons zoo bang, Aan den baren Die ons aan den last last, die nu zoo lang Onze zwakke schouders drukte! pre 3. Looft Hem, visschers aan het strand! Steekt gerust en blij van land! Vreest geen onrust op de zee, Alles, alles is in vreê! Loof Hem, zeeman! langs de Kunt gij weêr, uit ieder oord, Oost of west 837 of zuid of noord, Voorraad voor uw land vergâren. schapen op de hei', 4. Land- en veeman! looft nu God, Juicht in uw gezeweldig mee; gend lot. Zendt uw rundren in de wei', Drijft uw ' s Vijands hand sleept thans uw vee Gaat gerust uw akkers zaaijen: 5. Stedelingen! looft den Heer! 22 Langer niet geGij zult zelv' uw koren maaijen. Hoopt op d' oude welvaart JAMINAN NA NANZNIMIVIHAAVIIVA 338 D IVAVIN vaart weer; Voor den koopman druk vertier, Nering GEZANG 177, 178. voor den winkelier, En, voor schamel' armen, brood: God, die ons lang! den vreê gebood, Wil zijn heil daartoe gebieden! 6. Mogt vooral ons hart van dank Bezigheid voor handwerkslieden, sche jeugd, Mogt voorvaderlijke deugd Gloeijen al ons leven Met den Godsdienst, weêr herleven! Mogt hier spaarzaamheid en vlijt In de Nederland7. Schenk daartoe uw' Geest, bekeer, vroeger' tijd! Dat zou hoop op welvaart geven. Woonen, als in vredes, onze God! volk, uw volk weleer; Geef aan d' Evangeliestem, Op de harten, kracht en klem. Och, dat velen die geHeer! dit looven! Dat zal ons, na bangen druk, Zegenen met dat geluk, Dat geen oorlog ons zal rooven. 178. ΙΝ VREDE. WIJZE: Wie schön leuchtet der Morgenstern! e Heer is God, de Heer is God! De God des Juich' elk van blijder harte. Roemt, MTAAARVA Roemt, volken! d' Oppermajesteit; Zijn almagt sprak, en vrolijkheid Vervangt de bangste smarte: Geeft GEZANG 178. eer Dien Heer! Halleluja! Halleluja! Dat uw klanken Hem, den God des vredes, danken! 2. Heft aan! God geeft ons juichensstof; Wat juichen E kan verheff' zijn' lof! Heft aan! Hij geeft ons vrede; Hij heeft de vlam des krijgs gebluscht,' t Keert alles op zijn' wenk tot rust, Het zwaard keert in de schede. Uit nood En dood Heeft Hij' t leven Ons hergeven! Steden, velden, Alles moet zijn heil vermelden. gen, 3. Keer, handlaar! zee- en landman! keer Nu dankend tot uw ruste weêr: God zelf heeft z' u geschonken: Bij vlijt en godsvrucht zal ons land Herleven, als in vroegren stand, Hoe diep ook nu gezonken. Zoo groeij' En bloeij', Bij Gods zegen, AllerweDoor den vrede, Neêrlands welvaart op uw bede! 4. Ja, God des vredes! blijf ons bij: 22* Uw vreed, $ 39 uw VA NEALA Vivivi HAHAHAVAATIV 340 uw gunst in ler vreugde. Zich, bij dit VIVIN GEZANG 178, 179. MILES Christus zij Dat elk, dat jeugd en ouderdom vredefeest, leen verheugde! Dat nu Ons uitzigt, alalom, H ' t Halleluja Hooger rijze! Halleluja! U ten prijze. 179. MORGENZAN G. WIJZE: Was mein Gott will das g'scheh allzeit! Eerbiedig tot U nader': In U alTot U' t Halleluja, ijn eerst gevoel zij dankbaarheid, Waar' k mee tot God genake, Daar' t morgenlicht zijn stralen spreidt, En ik verkwikt ontwake. Tot Hem verheft zich hart en stem, Voor zijne gunstbewijzen; Ik leef, beweeg m' en ben in Hem, Zou ik mijn' God niet prijzen? 2. Ja, Schepper van dit wereldrond, Maar in uw' Zoon mijn Vader! Duld, dat ik in deez' ochtendstond Deez' dag zij heel aan U gewijd, Dat blijven al mijn dagen! door uw gunst verblijd, 3. Is voorbereiding' t groote Dan zal ik, Mijn' onspoed vrolijk dragen. doel Van dit kortston AAAA dig leven, niet weer, die taak gegeven! Och! dat ik vlijtig woekren leer Met d' afgewogen uren; flet eens vervloogne keert treên, est GEZANG 179. 4. Ik ken' t verderf, dat in mij woelt, En mijne kleine Dat ik den prijs des tijds gevoel', Mij tot krachten; Maar als mijn hart zijn' pligt bedoelt, Durf ik uw' bijstand wachten. Ach! zou ik angstig voorwaarts En bij uw heilwoord vreezen? Gij wilt mijn * Waar' k feil, mijn Vader wezen. aan, leidsman hier beneên, Maar wat het wrocht blijft duren. 341 5. Met U verzoend in Jezus dood, En door zijn bloed geheiligd, Is, en in voorspoed, en in nood, Mijn pad door U beveiligd. ' k Treed dus op mijn bestemming Door lief en leed te gader, En ook de stil geweende traan zegen, ontzag, 6. Door uwen goeden Geest geleid, En moedig door uw' Brengt mij haar telkens nader. deez' dag weer tegen: * Voel ik mij tot mijn taak bereid, Juich ik Dat ik, met kinderlijk Slechts aan uw wetten hange, En een, mijn roe AVIVAN INTINVAHAVATARA 342 ' k W roeping waard, gedrag Mijn morgenlied vervange! 180. AVOND ZANG. WIJZE: Gezang 9. VIVEN GEZANG 179, 180. zen in mijn avondlied; Het zonlicht moge nederU, o God! mijn' dank betalen, U prijdalen, Maar Gij, mijn Licht! begeeft mij niet: zegeningen! Gij woudt mij met uw gunst omringen, I dan een vader zorgdet Gij, ren, en voor geest. Zulk een mij, na mijn zorgen, 2. Uw trouwe zorg wou mij bewaren, # mij gevoed, geleid; Gij waart nabij in mijn bezwaNabij in elke moeilijkheid: Deez' avond roept Meer Gij, milde Bron van ontfermer waart Gij mij. zulks, ik zondaar? neen! Uw hand heeft Heb dank! reeds van den vroezonden gade., Waar bergd' Tot rust voor ligchaam gen morgen Zijt Gij mijn heil en hulp geweest. 3. Dank, Vader! dank voor die genade! Verdiend' ik Sloegt Gij naar' t regt mijn mij, waar vlugtt' ik heen? heen? Maar neen! ik mag, ik wil niet vreezen, GEZANG 180, 181. spreekt mij vrij om Jezus bloed: hart genezen, Zoo smaak ik rust voor mijn gemoed. 4. Laat uwe hand mij nu ook dekken,' k Verlaat m' op U, ook in den nacht; Eens, Dit zal' t verslagen aan den Gij weer zult wekken, Op nieuw mijn lofzang toegebragt: En zoo ik nooit weer mogt ontwaken, beveel ik dan mijn' geest, Om voor den troon die rust te smaken, Die hier mijn uitzigt is geweest. 5. Ik weet, aan wien ik mij vertrouwe, len ook dag en nacht; Ik ken de rots, waarop ik bouwe, Hij feilt niet, die uw heil verwacht. word', als Gij mij 349 avond van mijn leven, Al wisse181. OP DEN DOOD. WIJZE: Gezang 178. oe zal' t mij dan, o dan eens zijn! Aan U Breng ik, van zorg en strijden moe' Voor elken dag, U hooger, reiner loflied toe. mij hier gegeven, DOOD EN EEUWIGHEID. Als ik, verlost /\/\/\ HVIVAHARA 344 lost van smart en pijn, Viv GEZANG 181. Ontwaak tot hooger waarde, Door geene zonde meer misleid, Ontheven van de Van dat leven, sterflijkheid, Niet meer de mensch van aarde: Wees blij In mij, Voel, tot sterking, Ziel! dat God u daar zal geven. Hier de werking 2.' k Verheug m', en echter beeft mijn hart, versterkt zich door den druk, mij nog het juk der smart, De vloek der zonde neL der: Maar God, God zelf verligt mijn juk, Mijn hart weder. Jezus Christus! Wil mij geven, Zoo drukt Gelooft, verheft zich 3. Veracht den doodschrik dan, mijn geest! wen: Die rust, Gods rust U te sterven,' t Rijk uws Vaders eenmaal t' erven. U te leven, De donkre doodsweg, dien gij vreest, Is' t pad tot blij aanschouwen; Wat beeft, wat ijst gij voor uw lot? De donkre doodsweg voert tot God, Hij voert tot blij aanschouGaat ons denken, Al ons denken En gelooven Onuitspreeklijk ver te boven. 4.' k Weet THAAR 4.' k Weet niet, wat uur het wezen moog, Heer! bij' t breken van mijn oog, Mij tot uw dooden zamelt; Veelligt omgeeft mij ook hun nacht, GEZANG 181. Eer ik deez' bede heb volbragt, Uw' lof heb uitgestameld. Vader! Vader! Ik bevele, Ik bevele Dat, In uw handen Nu mijn' geest in uwe handen. 5. Ligt breekt dat uur nog lang niet aan,' k Ben ligt blinken; nog ver van' t eind der baan, Waar d' eerekroonen Maar zal, terwijl ik U verbeid, De hutte mijner sterflijkheid Eerst laat in d' aarde zinken: Wil daar volgen, Gij Dan mij, Vader! sterken; Dat mijn werken Mij lost van de, 6. Hoe zal' t mij dan, o dan eens zijn! Als ik, versmart en pijn, Hem beter loof naar waarVolmaakt in onbesmette deugd, Een deelgenoot Voor den troon des Regters volgen. der hemelvreugd, Niet meer de mensch van aarde: 945 Heilig, Heilig, Heilig zingen W' U daar, zingen Prijs VIVINS AVIVAVAN HAHAHAVAAVIA 346 #E SE Prijs en eere, U, die waart en zijn zult, eere. OP DEN DOOD. WIJZE: Gezang 21. VIN 182. GEZANG 181, 182. tille rustplaats van Gods dooden! met zoete vreugd, Eindpaal van verdriet en nooden, Rustplaats na den strijd der deugd! Zouden wij voor' t sterven beven, Siddren voor dien jongsten nood? JeJezus overwon den dood. zus liet voor ons zijn leven, zen, 2. Jezus leeft! Hij is verrezen, ' k Denk aan u Jezus leeft in eeuDat heeft wigheid! Ik zal eeuwig bij Hem wezen, Hij mij toegezeid; Eens zal ik als Hij verrijJuichend opstaan uit mijn graf, Heiland eeuwig prijzen, Die mij' t eeuwig leven gaf. 睡 3. Zou ik naar die kroon niet streven, En dien Naar die kroon, die nooit vergaat?' k Wil alleen voor Jezus leven, Wereld, ach! wat is Die mijn hoop geheel verzaadt: uw waarde Bij' t volzalig hemelhof? Wijk, ja wijk, o nietig' aarde! Wijk al wat mij boeit aan' t stof. 4. Vrome, vroeg gestorven vrinden! Slechts zijt gij mij wat vooruit, W ons Jezus' t graf ontsluit; Eerlang zal ik met u rusten,' k Rijp al vast voor d' eeuwigheid,' k Staar vast op die blijde kusten, Daar mij' t hoogst geluk verbeidt. OP DEN DOOD. WIJZE: Psalm 119. 183. alleen, GEZANG 182, 183. ' k Zal u allen wedervinden, Als ijk aardsch geluk vol wisselvalligheên, Ontwijk ons oog! wat heil kunt gij ons geven? Al wat ons hart nog aantrekt hier beneên Is ijdle damp, waar dwazen slechts naar streven: Niets houdt hier stand, niets dan de dood na verwacht, 347 Het zeker eind van' t nietig menschlijk leven. 2. Oneindig' God! wiens onbegrensde magt Der menschen tijd zoo juist heeft afgemeten, Och! dat ik steeds aan mijne broosheid dacht', Och! dat ik nooit mijn sterfuur mogt' vergeten: Zoo ijl ik' t lot, dat mij hierBlijmoedig toe met een gerust geweten. 3. Om Jezus wil maak ons van schulden vrij, De band is sterk, die ons aan' t stof blijft knellen, De zondedienst is d' ergste slavernij, Hij knelt te meer, hoe meer A /\/\.. INAXANINV AHAHAVIAUTIVA 348 voorbij, meer de jaren snellen; Zoo vliegt de dag der zaligheid En ijlings zal de zeis des doods ons vellen. VI 4. Vorm tot uw' dienst ons hart, o heilig' God! GEZANG 183, 184. komstig lot, 184. zal in ons een vuur van ijver branden; Uw dienst alleen geeft onvermengd genot, Is ik, droeve zondenbanden: Dan juichen wij in ons toeEn stellen ons blijmoedig in uw handen. OP DEN DOO D. WIJZE: Gezang 23. wanneer mijn sterfuur slaat, des doods betrede, toevlugt steeds geweest, toeverlaat, Met uw genade mede: En maakt ons vrij van U mijn' geest, dat doet mij niet sagen: Dan gaat Gij, Heer mijn Gij zult 2. Mijn schuld is zwaar, en veel, en groot, lijk offerbloed Dan hem aan uw' dood zal mijn gemoed, Het pad Zijt Gij mijn Ook dan beveel ik laatsten nood, Nog veel gewetensslagen: wel bewa- ren. Ik vrees wel, in den Maar Maar En aan uw god3. It Dan nog met vreugd geden- ken. TAAAR 3. Ik ben uw lid, Gij zijt mijn Hoofd, Noch Engel, dood, noch leven, Niets, dat mij ooit aan U Gij hebt m' uw woord gegeven; En sterf ontrooft, ik nu, ik sterf den Heer, het leven weer GEZANG 184, 185. 4. Omdat Gij uit het graf erfdeel weest, ook eens verrijzen, kom ik bij U U onsterfelijk; af, Na zoo Door uwen dood verworven. Gij zelf hebt mij door uwe kracht, verreest, En, waar Gij mij een Verheerelijkt U prijzen: Dan zus! niet begeven; in uw rijk, doodslaap eens volbragt, Zal 5. Waar, waar is dan uw prikkel, zonden! Hier leggen wij de wapens veel strijd en wonden; En is de En leef met uw roof, o graf! ik Daarop ontslaap ik blij- de.. Waar dan 949 185. OP DEN DOOD. WIJZE: Gezang 23. Dan wekt Gij ons il mij, wanneer mijn sterfuur naak, Jezus! voor den he- mel. O JeGeef, dat mijn hart dan naar U baak, /\/\ VIVINTAHAVIVAVTAGAVA 350 haak, Veelmeer, dan in dit leven: ziel door U behoed, dierbaar bloed GEZANG 185. ons leven, 2. O Heiland! dood van onzen dood, zoo bitter leedt, Aan' t kruishout hebt vergo- ten. dan alles, wat Gij deedt, Die ziel, waarvoor G' uw Indien mijn schuld, zoo zwaar, zoo groot, Mijn hart dan nog doet beven, laatsten strijd, Dan wordt mijn voor de laatste snikken, De En leven van 3. Zoo' t hart dat nog voor sterven vreest, dat zwaar verdriet, Tot mijnen troost geden- ken. Wat Gij voor mij goede Geest Met heil en vreugd verkwikken: allen bangen angst dan wijd, Laat mij land! och! verlaat mij niet, Och! mogt mij dan uw zege weg moog En Opdat ik, in den Weer dra- gen. 4. Verkwik mij, in den laatsten nood, * uwe laatste pijne, Uw ziel, voor mij bedroefd ten dood, Vertrooste dan de mijne: Wanneer ik, Met Mijn Heiin Daar lig van elk verla- ten. 5. Men ' t stof, 5. Men zag uw bloedzweet in den hof Op d' aarde nederdruipen, En U, gelijk een worm in GEZANG 185. Vol bittren zielangst kruipen: Geef, dat mij dit tot sterkte zij, En, dekt het kouAVAUHUA de doodzweet mij, Ik dan nog op U ho- pe. 6. Het vleesch is zwak; doch doet Gij maar Den geest gewillig wezen, gevaar, Hoe schriklijk ook, ooit vreezen: Hoe donker' t dal des doods ook zij, Gaat Gij maar Dan zal ik, zelfs in geen met en nevens mij, Dan kom ik ras ten ein- de. 7. Uw vreê, bij mijnen laatsten snik, Bewaar mijn hart en zinnen,' k Zal dan kloekmoedig allen ' s Vaders hand, schrik En smart des doods verwinnen; Geef mij, dat ik, met vol verstand, Mijn' geest beveel in eeuwig goed, Uw' troost gevoel' in' t harte. 8. Laat zorg of liefde mijn gemoed Aan' t aardsche niet doen hangen, Doe mij naar U, mijn Met alle kracht verlangen; Dan 951 roep AVIVIVAN VILI HAUHAUHAVIA 352 roep ik onophoudelijk, Kom, haal m' zus! in uw rijk, Ja, Amen! ja, kom spoe- dig! OP DEN DOOD. WIJZE: Gezang 68. 186. poedig zal het uurtje komen, jamren haalt; GEZANG 185, 186. geklaagd, de rust mij reeds bepaald: die gelooft, 3. Onze 2. Treurig' oogenblikken lijdens Bij Gods zacht ontslapen vromen o JeDat mij uit deez' Is Waarom dan zoo bang Daar mijn heil in' t sterven daagt? en vreugd; Weinig oogenblikken strijdens Leevren mij de kroon der deugd, Die de Heer Zelf eens drukken zal op' t hoofd. korte, droeve dagen, Vol van jamren en geween, Snellen spoedig onder' t klagen Ongemerkt als droomen heen; Want ons leven en ons leed Zijn een hand, een hand slechts breed. Brengen mij in rust 4. Heiligen van vroeger' jaren van kruis: Nu zijn zij, bij d' Englenscharen, elk' Kwijnden hier, gedrukt Eeuwig MAAAR wig bij hun' Vader t' huis; Schoon hun vleesch, in ** ' t graf verteerd Reeds tot stof is weêrgekeerd. GEZANG 186, 187.. 5. Word ik ook bij mijne vaadren In het graf ter neêrgeleid; God zal eens mijn stof vergaadren, HUFUFUFUA Leven doen voor d' eeuwigheid: Daar verwacht geven, Bij mijn' Heiland eu mijn' God. mij vol genot 187. DE DOOD VAN DEN CHRISTEN. WIJZE: Nun ruhen alle Wälder. oe zacht zien wij de vromen Den dood hier zonder schroomen Blijmoedig tegengaan! Waar al de vreugd van' t leven Den zondaar moet beDaar vangt de vreugd des Christens aan. 2. De dood verbreekt zijn banden, Hij heft zijn Tot God, zijn' steun en hoop, dankbre handen Die hem geen' troost laat derven, Maar vreugNa eenen welvolbragten loop. devol leert sterven 3. Zijn kalm, een gereten gerust geweten Wordt niet 353 van Door bange vrees voor straf; Het 23 licht AVANZAN FAUHUH 354 licht van Gods genade Komt stade, ne tranen 4. Niets doet zijn heilzon tanen; leven, Zijn hart, tot God verheven, En zielrust En glanst hem voor zegen, GEZANG 187. gen stroomt hun tegen, vangen, Van angst, hier En Christlijk 5. Hij troost en leert de zijnen, Die 6. Nu dalen, onder zangen, nings hooren, stemt in hunne koren, leger kwijnen In tranen en verdriet; Zijn zewijkt ook Gods Englen leven, ge sterven, de schudt zijn sterfbed zacht! zijnen nacht te tot En over' t graf. Hier vlieten geeSchouwt in het eeuwig 7. Leer mij, o God! hier streven steent geen klagt: Opdat ik, na dit zwerven, Dat zulk om van de zijnen niet. Om zijne ziel t'ontheen: hem om zijn God vervult dien Doet d' eer huns KoDoor hem als Redder aangebeen. Naar Hij dat regt een eind verwerft, Ook eenmaal moZoo als de ware Christen sterft! 188, HET TAVAVARU GEZANG 188. 188. HET TEGENWOORDIGE EN TOEKOMENDE LEVEN. WIJZE: Gezang 163. k ben een vreemdling op deez' aard, En kort VAURORA zijn mijne da-gen, En last op last, die mij bezwaart, Vermeert mijn stof tot kla- gen: Maar eeuwig heil, voor' s Vaders troon, ten heerlijk' loon, En geeft mij moed in lij- den. 2. Thans nog gedrukt door' t zwaar gewigt, Door' t Verstrekt mij eens lastig pak der zon- den, Vergeet ik telkens mijnen voor ons gestor- ven, pligt; Wie kent, wie telt mijn zon- den? eens word ik van zonden vrij, Eens heilig, zalig, Regter zitten zal, Maar Heer! als Gij, Wat troost voor mij in' t le- ven! 3. De spotter smaadt uw' Zoon, o God! Den Zoon, 355 Versmaadt, om' t nietig aardsch genot, Het heil, door Hem verwor- ven: Maar eens, eens heeft der spottren tal, Daar Hij als En wij, wij eeuwig jui- chen. 4. Hier HVIVAHAAAAA 356 4. Hier klaag ik zelfde klagt, GEZANG 188. vaak U, dag AVING tranen mijne zor- gen, En' t hart herhaalt dewaar dan kracht, Een blik ten hemel troost mijn hart, mijn lasten ligt, Bij' t licht van elken mor- gen; vergeet ik alle smart In' t eeuwig zalig le- ven. en nacht, maakt een blij vooruitgezigt 5. Denk ik, wat ramp mij hier nog wacht', smart in verre da- gen; En vraag ik, ach! van Met Om al dien last te dra-gen? Dan mijne sponde na- dert, 6. Wanneer de dood,' t zij traag of ras, overwint, zijn' loon, En eens En geeft mij moed en krach- ten. sterf ik blij: voor Jezus troon 7. Heer! wat Gij over Wat Op d' eeuwigheid dren asch God ook mijn asch verga- dert, Dan Wanneer tot mijner vaaons bescheidt, Tot Vindt elk, die Ook ik zal dien daar vin- den. Schenk ons dien AAAAAA d'eeavzigheid GEZANG 188, 189. dien troost in' t har- te; Zoo sterk' de hoop op UFUF Ons in onz' aardsche smar- te: zij mijn hcil, wanneer ik ste.f, Het deel, dat ik 00 blij de landman moe' voor eeuwig erf, Voor eeuwig, ja, voor eeu- wig! 189. DE HOOP DER ZALIGHEID. WIJZE: Psalm 66. al ons zwoegen, denken Dit ' t ploegen van neigend' avondschaduw groet; Zoo blij zien wij bij De 357 Dat onze dag ten einde spoedt: Niet eeuwig zal die hope kwijnen, Die naar het uur der ruste smacht; Die oogenblik zal haast verschijnen, Hoe lang ook hijgend ingewacht. 2. Eens zuilen wij met Jezus leven, Dan voelt, dan kent men geen verdriet; Dat uitzigt moet ons nooit begeven: Zij die gelooven haasten niet. dood zal ons die ruste schenken, Dies stappen wij met vreugd naar' t graf; Blijmoedig aan het graf te Is ook een vrucht, die' t kruis ons gaf. 3. Z nkt De AUD HVIVIVA 358 VAVINGINVA 3. Zinkt haast ons vleesch in' t graf ter neder, ' t graf is geen vermoeijing meer; Eens hooren wij volzalig ingeleid de wekstem weder Tot hooger heil bij onzen Heer: En dan, dan worden w' al te gader Vader; GEZANG 189. VIV 4. Nooit kan' t geloof te veel verwachten, lands woorden zijn gewis; den vaak aan krachten, als Jezus is:wil bewerken, 9 Daar heeft Hij zelf ons plaats bereid. In In' t eeuwig huis van zijnen Door Hem blijden, Wat zou ooit zijne magt beperken? ' t Heelal staat onder zijn gebied, Wat zijne liefde Des Hei' t Faalt aardschen vrien5. Die hoop leert wijs en heilig leven, Maar nooit een' vriend Ontzegt Hem zijn vermogen niet. Zij lenigt D zelfs den zwaarsten druk, Zij zal aan' t hart voldoening geven, Dat smachtend uitziet naar geluk; Als' t kwaad ons Zij geeft gelatenheid in' t lijden, aangrijpt of belaagt, Zij leert in boeijen zich verAls d' onschuld die om Jezus draagt. 6. Die 6. Die hoop moet al GEZANG 189, 190. genooten!' t hoofd omhoog! ons leed verzachten: vergeten; En des Heeren wachten, Zijn bergen vlak droog. O zaligheid niet aftemeten! Voor hen, die' t heil Komt reishalen, die alle smart verbant! Daar is de vreemdlingschap en zeeën 0 vreugd, in wij, wij zijn ' t vaderland! 359 190. HET VERLANGEN NAAR DEN HEMEL. WIJZE: Psalm 79. oe hijgt ons' t hart, om, van dit vleesch ontbonden, Ontbonden van de lasten onzer zonden, vrije lucht, in' t vaderland daar boven, God voor zijn' troon t' aanbidden en te loven: Geen wachter, die bij In nacht Met meer verlangen smacht Naar' t licht, eer ' t aan komt breken; Geen moe' gevloden hert, ooit met grooter smert Verlangt naar waterbeken. 2. Och of ons God haast derwaarts t' huis wou Dat In' s Vaders huis, het eind van alle kwalen, Waar Hij ons zelf de tranen van onz' ogen, Hier rood ge FAUHAUHAVIAUFVA AVANING $ 60 GEZANG 190. geschreid, teêrhartig af zal droogen; Daar, waar wij vrij van pijn, Bevrijd van moeite zijn, En eeuwig vrij van klagen: Daar, waar wij voor altijd, Als winnaars van den strijd, De zegekroonen dragen: 3. Daar zal na' t licht geen duisternis meer komen, Daar wordt geen vreugd door droefheid weggenomen, Daar heeft men voor geen krankheen ooit te vreezen, De zwakste zelfs zal daar heldhaftig wezen; Daar heeft geen schoonheid vlek, Genoegen geen gebrek, De liefde geen verkoeling; Daar vreest de roem geen' nijd, Daar kent men geen verwijt Van lage zelfsbedoeling. 4. Armzalig' aard! verblijf van leed en rampen, mee wij hier, zoo lang wij leven, kampen, u moe'; och! wierden w' eens ontslagen WaarWij zijn Van' t zware juk, dat gij ons hier doet dragen: Verlos ons van dit kruis, Heer! haal ons spoedig t' huis, Die hijgend naar U smachten; Maar neen! leer Gij ons stil, Ge Gelaten in uw' wil, Met lijdzaamheid U wachten. 191. DE OPSTANDING. WIJZE: Gezang 29. ou mij dood en graf doen beven? zal leven, GEZANG 190, 191 ik weet op wien ik bouw: Jezus leeft, en ik zijn leen, Jezus leert den dood verachten, Jezus overWon zijn krachten, Hij is' t Hoofd van al gij bedekt: Eeuwig blijft zijn woord getrouw. Neen, 2. Neem dan vrij mijn stof, o aarde! staven, Zijne zeeg' is ook mijn harte hun gemeen. Tot het stof, dat F Fr 0 Eens herrijs ik weêr in waarde, Door Gods almagt opgewekt. Jezus zal zijn woord dan Hij beheerscht het stof der graven: Wie in 7000 Hem gelooft, verbeidt Leven en onsterflijkheid. 3. Dierbre Heiland! die mijn smarte, Die mijn schulden hebt getorscht, Dierbre Heiland! Eert U als den LevensYorst. Zouden uw beloftenissen, Uwe Woor381 den i\/\\/ i TNANANINION 362 den den 4. Op de staat het uw immer uw dood zal heen, liefde op ken in graf: 6. Och! met stem, smart of pijn zijn bestraalt, missen? gij wisselt in loope, ' t zijn liefde mij dan den GEZANG 191. Moedig nieuwe staat dooden! versterk Leven, leven, Neen, miljoenen kwijntrouw uw op zeeg' U af; Op als op Zal in eeuwigheid meer zijn. 5. Kon' t geloof aan uwe liefde Mij hier sternood, Kon' t geloof gij in Rijst aanschouwen, dooden! Mij doen juichen in den dood, het eeuwig leven mijn vertrouwen mij die 11W stem, leven alleen. geven, En geen zónde, wensch Daar geloof noch Staat aan Eens uit Zal uwe Wat verEn een liefde mij kracht, Juichend mijne loopbaan Aan wier eind de kroon mij wacht: Met het oog op U geslagen, Kan geen last mijn' bij haalt! hope, Opdat ik, mijn' loop vertragen; Wat is' t leed, *** hier ons beidt, Bij de vreugd der eeuwigheid? NEE 192. TROOST DES EEUWIGEN LEVENS. WIJZE: Gezang 17. a eene GEZANG 191, 192. ons een eeuwig heil bereid; tevredenheid: verandert al ons klagen 2.' t Is waar, de 3. Nu CHORUR OF VAV kort van duur: daardst gemoed eens dat proef van weinig dagen Is deugd, Die d' eeuwigheid bekroont met vreugd. Daar, daar Voor eeuwig in menig blij, ja zalig uur; Maar al die blijdschap, van wat waarde, Hier oefent zich der vromen vrame smaakt op aarde Reeds Is onvolmaakt en Hij blijft een mensch,' t beIs wisselbaar als eb en vloed. 363 plaagt hem veege ligchaamssmarte; Dan kwelt hem' s werelds woest gerucht; Nu kampt binnen in zijn harte Een vijand, die meer wint, dan vlugt; Dan zinkt hij weer door' s naasten schuld, In kommer en in ongeduld. 4. Hier / i\/ i\/\\/ i AVIVAH 364 4. Hier, AVV Waar d' ondeugd vaak op rozen treedt, zich de welvaart ziet benijden, waar de godsvrucht vaak moet lijden, bedrukten ligt vergeet; Hoe kan $ ✩ vrij van pijn, zullen wij, in' t heiligst licht, liefde schoon der deugd doorgronden, GEZANG 192. Hoe vrij van eigen zwakheid zijn? 5. Hier zoeken wij,' t wordt ginds gevonden, Daar Al' t godlijk wige ringt, zien, andre schoonheid zwicht, Als wij den God der En eeuwig, eeuwig hulde bien. 6. Daar zal Gods heilige beschikking verspreid; heilwinst mij 7. Daar zal' k in zijn, en mijn zaligheid; Daar vind ik eeuWaar' t hart een derbaar en verkwikking, In al wat mij Daar doet mensch hier hier op aarde donker scheen; Waar Waarvoor al heilig achten, Mijn wil steeds helder licht betrachten, Gevoelen, dat ik eeuwig zij. Wat omnieuwe Wat Daar wonniemand door AVAJA doorzag hier beneên; lofgezang, 8. Daar heilig zingen op aard; God zich heerlijk openbaart, Het heilig, heilig, GEZANG 192. zullen wij den troon omringen, Waar Gods schikking in haar' zamenhang. *** Daar eert mijn ziel, met Juicht, prijst Hem al de heemlen door. omtegaan; 9. Daar zal ik met de blijde scharen, Gelijk in zelfs Hem die voor ons eens stierf En heel dér Englen zalig koor licht en reinheid, staan, stoord geluk ervaren **** En' t nooit geDaar wordt, tot eeuwige geneugt, Hun heil mijn heil, mijn vreugd hun vreugd." 10.' k Zal daar den vriend mijn' dank betalen, Met heilgen heilig Die mij den heilweg wijzen wou millioenen malen, " En hem, Nog zeegnen voor 835 zijn liefd' en trouw; Daar vind ik bij mijn' God en Heer, Dien trouwsten vriend op aarde weer. 11. Daar ORVRUTOR INAVINAHANI 366 11. Daar roept, o mogt mij God dit geven! Veelligt een zalig' ook tot mij,» Wees welkom, gij hebt mij het 五 GEZANG 192. » leven, De ziele mij behouden, gij!" L 0 God! wat zaligheid, hoe groot! Een ziel te redden van den dood. 12. Wat zijt gij, ondermaansche kwalen, Bij al den glans der majesteit, Die ons daar boven zal omstralen, Door aller eeuwen eeuwigheid? Wat is een oogenblik van druk, Bij zulk een eindeloos geluk? THAVARA HAVINAHANA AFSNIJDEN. let go toolog ON AVAIR sken VAN GOD EN ZIJNE VOLMAAKTHEDEN. Gez. 1. Aan God. 2. 3. 4. Gods Volmaaktheden. 7. EVANGELISCHE GEZANGEN. 11. 12. 13. LIJST heid. 18. 19. Grootheid. Eeuwigheid. OveraltegenwoordigOnveranderlijkheid. Alwetendheid. Almagt. Heiligheid. Goedheid. Getrouwheid. 2. Gez. 14. Lof des Scheppers. 15. DER VAN DE SCHEPPING EN VOORZIENIGHEID. 16. Gods Voorzienigheid. 17. schikking. 196 22. De beste keuze. 20. Rust in Gods bestuur. 21. Tevredenheid in Gods be111004 Gez. 23. Tegen onmatige zorgen. 24. Bemoediging. 25. Onder rampen. 26. 100135 27. 28. Troost in twijfelmoedigheid. Gez. 31. Onze bestemming. $ 32. Staat der regtheid en val. 29. Danklied. 30. Blijdschap in God. 3. ELLENDE EN VERLOSSING. 33. Zedelijk bederf. 34. 590 35. Belijdenis van zonden. 36. Het Evangelie. 37. Zonde en genade. 38. Alles is genade. 39. Verlossing. 40. 24 41. De Ontfermer. 42. Troost der verlossing. 43. Zielverheffing tot Jezus. 44 Aan Jezus. 45. 46. Jezus grootheid. 47. Jezus lof op aarde. 48. Aan den Verlosser. 49. Aan Jezus den Verlosser. 50. Aan Jezus. 51. Jezus trouwe. A GE TNTVINGAHARI LIJST DER EVANGELISCHE GEZANGEN. A. Gez. 82. Dagelijksch gebed. GELOOF EN VERTROUWEN. 83. Bede om geloof en heilig heid. · 84. Zucht om meerdere heiliGez. 52. De Geloofsartikelen. 53. Geloof aan God. 54. Noodzakelijkheid des geloofs in Jezus Christus. 55. Vaste grond der hoop. 56. Opwekking tot kinderlijk vertrouwen. 57. Blijdschap des geloofs. 58. Geloofsroem. 5. HET DANKBAAR LEVEN VAN DEN CHRISTEN. asgos og lepres Gez. 59. Werkdadig geloof. 60. Bron van goede werken, 61. Wet van God. 62. Jezus voorbeeld. 63. Liefde tot God. 64. Liefde tot Jezus. 65. 66. Afmaning van de zonde. 67. Ootmoed. 68. Zelfs verloochening. 69. Broederliefde. 70. Liefde tot vijanden. 71. 72. Mededeelzaamheid. 22 73. Waakzaamheid. 74. Geestelijke strijd. 75. Toevlugt in verzoekingen. 76. Om bijstand van Gods ge19 6.14 den. OEFENING EN VOORDEELEN DES GEBEDS. ging. 85. Gebed in verzoekingen. 86. Tegen verstrooijng van ge dachten. 87. Amen. 7. BIJ DE VIERING VAN DEN OPENBAREN GODSDIENST. Gez. 88. Voortreffelijkheid der Openbaring boven de Rede. 89. Voortreffelijkheid van Jezus leer. 90. Vóór de Predikatie. 91. 92. 93. 94. 95. Na de Predikatie. 96. 97. Bij den Doop. 98. Na den Doop. 99. Bij de Belijdenispredikatie 100. Bij de Voorbereiding tot nade. 77. Christenpligt. 78. De ware Christen de beste 108. burger. 109. 110. het Avondmaal. 101 Bij het Avondmaal. 102. 108. 104. 105. 106. 107. Dankzegg. na het Avondm. OP CHRISTELIJKE FEESTDAGEN. kisstoors Gez. obres go lol 79. Nuttigheid des gebeds. 80. Kinderlijk toeverzigt. Gez. 81. Om opgewektheid tot bid- 111. Jezus vrijwillige vernede ring. A. Ge LIJST DER EVANGELISCHE GEZANGEN. A. Gezangen op Jezus Gez. Geboorte. 144. 145. Gez. 112. Op Jezus geboorte. 113. 114. HVALA 115. 116. 117. Engelenzang. Gez. 118. Op het lijden van Jezus. 119. 120. Jezus liefde in zijn lijden. 121. Jezus grootheid in zijn lijden. B. Lijdensgezangen. 126. Jezus op Golgotha. 127. Het is volbragt. 128. 129. De stervende Jezus. 130. 122. Jezus onschuld.! 123. Zie den mensch. 124. De Verlosser aan het kruis. 156. Bewaring der Kerk. 125. Kruislied. 133. Menschelijke zwakheid. 184. Op Jezus begrafenis. 138. 139. C. Gezangen op Jezus Opstanding. 140. 141. 142. 146. 147. 148. E. Gezangen op de uitstorting van den H. Geest, en verdere gevolgen van Jezus verhooging. 181. Geduld naar Jezus voorb. OP BIJZONDERE TIJDEN EN 132. GELEGENHEDEN. Gez. 149. De uitst. v. den H. Geest. 150. 151. 152. 153. Gez; 159. Op het nieuwe jaar. 160. 161. 162. 163. Op de Lente. Gez. 164. Op den Zomer. 135. De opstanding van Jezus. 165. Op den Herfst. 136. 166. Op den Winter. 137. 167. In den Oogst. D. Gezangen op Jezus Hemelvaart. 154. Uitbreiding der Kerk. 155. 157. Om bekeering v. zondaars. 158. Het laatste oordeel. 9. 168. 169. Op eenen Bededag. 170. 171. 172. In groote droogte. 173. Bij overvloedigen regen. 174. In watersnood. 175. Na storm en watersnood. 176. In Oorlog. 177. In Vrede. 178. Gez. 179. Morgenzang. 143. De hemelvaart van Jezus. 180. Avondzang. 24* 10. DOOD \/\/\/\ ATA AHAUHAVIAUGAVA LIJST DER EVANGELISCHE GEZANGEN: 10. DOOD EN EEUWIGHEID. Gez, 181. Op den dood. 182. 183. 184. 185. 186. 000d.02 40 08281 boonestaer as miola's 296417 Gez. 187. De dood van den Christen. POSLO 40 188. Het tegenwoordige en toekomende leven. 189. De hoop der zaligheid. 190. Het verlangen naar den hemel. 191. De opstanding. 192. Troost des eeuwigen le vens. poibpedago poulantoll y trecylomata A TAVAARAA LIJ S T VAN DE A. EVANGELISCHE GEZANGEN, NAAR RANG VAN HET A, B, C. Aarde! zucht niet meer, Ach! hoe dwaas is' t met vertrouwen Alle roem is uitgesloten! Almagtig' God! door waar berouw bewogen Als de nacht van bange zorgen Als ik, wanneer mijn sterfuur slaat, Al wie Gods woord niet houdt, en zegt, B. Broeders, komt! de Heiland noodt, D. Daar laat Gods liefdestem zich hooren, Dat nu elk d' Algoedheid prijze ,. Dat w' U deez' dag, o Jezus! wijden, Deez' aarde zij een tranendal, De Heer is God, en niemand meer; De Heer is God, de Heer is God! De Heer is waarlijk opgestaan, Den hoogen God alleen zij eer! Diep, o God! in' t stof gebogen, Dit is de dag, dien God ons schenkt, E. Een ander zij vervuld met schrik, G. Geef, Jezus! dat ik in mijn' nood Geen dwaze vrees beklemm' uw harte; Gij Jezus! die ten troon verheven, God, enkel licht, God heeft ons zijn woord gegeven; God is mijn lied, God! oneindig in gena'," God sprak( men stell' op berg en rots God wenkt, daar storten regenvloeden UFVEVEN 1061071 Well 103 201 Gez. 143 133 38 35 24 184 59 sell snit 101 169 175 90 30 4 178 149 2 130 112 2017 99 80 389832828= ch.1hele 25 58 45 les 82 55 16 70 18 166 H. li\/ i\/\ NEST TVANANIVAIHAVVAVIFAA LIJST VAN DE EVANGEISCHE GEZANGEN. H. Halleluja! eeuwig dank en eere, Halleluja! lofgezongen Halleluja! lof zij den Heer! Halleluja! looft den Heer. ' k Heb aan' s Heilands disch gezeten, ' k Heb Jezus lief! Hij is mijn licht en kracht, ' t Heelal getuig' van Jezus lof! Heer! uw schepping, aard en hemel, Heilge Jezus! mij ten leven, Heilig' God! voor wien steeds waarheid, Heilig, heerlijk Opperwezen! Helaas, dat zwerven der gedachten! Help God! de nood is hoog gerezen, Herinner u met vreugd, mijn geest! Het aardrijk dorst, het zucht tot God omhoog, Het hart omhoog! wij vieren' t heuglijkst feest, Het heuglijk tijdstip nadert weer, Heugelijke tijding, Hier ben ik, om aan uwe smart, Hier is het nog beproevingstijd, Hoe blinkt uw majesteit alom buo 1sin b1009! Hoe hijgt ons' t hart, om, van dit vleesch ontbonden, Hoe naauw ik mij aan U verbind', Hoe zacht zien wij de vromen Hoe zal' t mij dan, o dan eens zijn! half obmo Hoog, omhoog, het hart naar boven! Houdt Christus zijne Kerk in stand, Ja, Amen! Jezus is in' t leven! Ja, Amen! Vader, ja! bacisin 500 Jezus leeft, en wij met Hem, Jezus neemt de zondaars aan! Bab el 2001 ob Ja, Halleluja!' t is volbragt! Ja, Halleluja! wat verkeere, Ja! Jezus sterft, aan' t kruis geklonken, lala Jezus, die voor doemelingen, 200 rib Jezus is mijn Heer en Koning, Ik ben een vreemdling op deez' aard, Ik geloof in God den Vader, Ik nader voor uw heilig' oogen, Ik vind mij, Heer! zoo broos, zoo zwak van aard, » Ik wil niet, dat de zondaar sneev"," Ik zal dan, op deez' statelijken dag, Immanuël! o doelwit onzer zangen! In welken oord men vromen vindt, Is dat, is dat mijn Koning! ' t Is God, die' t licht heeft voortgebragt, Juich nu, Christenschaar! Juicht, Christnen! juicht tot God omhoog! Juicht heemlen op een' hoogen toon, Gez. 元 9 ²1 17 10 61 例 與 118 14 12 12 15100 5100 41 班 4 158 SEM 93 50 122 32 62 21 gason date material and set wit Iasi bigthoed da ist 135 38 105 75 187 181 43 621 12 日 團 18 19 100 品 18 128SS1712018131818134K 136 87 51 137 39 52 61 76 97 170 69 159 K. THAAR NAAR RANG VAN HET A, B, C. K. Knielt, Christnen, voor uw' Redder neêr, Kom, Christenschaar! kom, knielen wij, Komt, Christnen! laat ons Jezus loven, Komt, Christnen! toont met woord en daad, Komt, heffen w' ons eerbiedig hemelwaart! Komt, heffen w' onzen lofzang aan! Komt, knielen wij voor Jezus zamen, L. Laat ons, Heer! uw' dood gedenken, s Laat ons van uwe voorzorg zingen, Leer mij, o Heer! uw lijden regt betrachten, w Leer ons, Vader! U verbeiden, Liefdevolle Hemelvader! Lieve Jezus! zie ons zaam Lof en dank en heerlijkheid Looft den Koning, alle volken! Looft God! laat ons, zijn' naam ter eer, Looft God met verrukten geest! Looft Gods Zoon, den doodvertreder! M. Middelpunt van ons verlangen, Mij naar alles stil te voegen, Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid, Mijn God! hoe krachtloos, hoe ontaard Mijn God! wat ooit in mij verdoov'. Mijn Heiland, Davids Zoon en Heer! Mijn Verlosser hangt aan' t kruis, tais attit Moet gij steeds met onspoed strijden, N. 104 1164 118 53 postd 1960ox 27 #soobstant for 10 o 18 120 67 179 O! dat van mijne levensdagen O denkbeeld, dat ons leven geeft! O eindelooze Majestelt! 0 Geest van Vader en van Zoon! O Gij! die mijn ellende, O God! bewaar het veldgewas, O God! die, eindloos goed en groot O God! eer'' t aardrijk was gegrond, O God! gelijk Gij ons het leven O God! hoe zalig is' t voor' t hart 24* Gez. 121 46 148 78 102 139 127 400 40% siglent Na eene proef van weinig dagen Neen!' k heb den prijs nog niet verkregen, Nog juicht ons toe die zaalge nacht, Nooit viel mijn' Heiland kruis te zwaar, 0. 85 93 116 144 163 177 140 125 124 28 asami moi moitt 33 53 1,092eb x Ub67 192 oil on Mon 73 114 132 161 42 14 pyoobsbom 067 for 2 151 notahir) ad 26 # 15/9573 173 E66 8 19 81 9 AVTY / ۱۱/ ۱۱/ ۱۲/ ۱/ ۱۰/ NE INANANINIVAHAHAVINFA AVING LIJST VAN DE EVANGELISCHE GEZANGEN, O goedheid Gods! nooit regt geprezen! O groote God, die t' aller tijd O Heer! hoe heuglijk is het lot, O hoe blij te moede, O Jezus! dat ik nooit vergeet O mensch, geloof aan uwen God! Oneindig' God! het nietig stof Oneindig, onbegrijplijk Wezen! Oneindig Wezen! door geen' tijd Ons hart verheugt zich, dat bij God Ontsluit, o Heer! ontvlam ons hart, Op bergen en in dalen, Op, nu op, het hart naar boven! O sterveling! gevoel uw waarde, O Vader! die uw kindren voedt, O zonde! bron van al d' ellende, R. Reeds daalt, met een omwolkt gezigt, Rust, mijn ziel! uw God is Koning, S. Sla, o God vol mededoogen! Spoedig zal het uurtje komen, Stijg nu mijn loflied! daar de Heer Stille rustplaats van Gods dooden! T. Treed nu toe, verloste ziele! Triomf, Halleluja! triomf! Triomf! triomf! Immanuel Twijfling zwijg, zwijg bange smarte! U. U, God en Heer! U loov' en dank' wat in ons is, Uren, dagen, maanden, jaren U, Vader! U zij lof en prijs Uw dankbre Christenschaar, Uw Heiland wordt in' t graf geborgen, ' V. Vader, vol van mededoogen! Verheft u, Christnen! boven' t stof, Verhef, verhef uw zegezangen, Verhoogde Heiland! trek ons hart Verlosser, Vriend! o hoop, o lust Vier, blij van geest, Vloei nu, laat u niet bedwingen, 1901 Gez 04 2 12 82 119 7 154 168 37 165 22 Blon lead 94 186 145 182 106 146 141 58 97 110 160 95 152 134 81 147 153 103 49 115 29 W. NAAR RANG VAN HET A, B, C. W. Waak, Christen! waak, blijf in' t geloof, Waartoe toch al dat angstig schroomen? Waar zijn de wijzen, die mij zeggen Wat bitter zielverdriet, Wat zwoegt een handvol stofs, tot mensch Wat zwoegt g', o mensch! naar goud of eer, Wel hem, die zich verstandig draagt, Wie blijft U geen liefde schuldig, Wie maar den goeden God laat zorgen, Wij, allerhoogste Majesteit! Wij danken U, barmhartig' God en Vader! Wij hebben zaam aan Jezus disch gezeten, Wijk aardsch geluk vol wisselvalligheên, Wij knielen voor uw' zetel neêr, Wij loven U, o God! wij prijzen uwen naam! Wij treên een nieuwen tijdkring in, Wij werpen ons voor U ter neêr Wij wijden, gunstrijk' Opperheer! Wil, groote God! in onze lofgezangen Wil mij, wanneer mijn sterfuur naak, ' k Wil nimmer iemands nadeel zoeken, ' k Wil U, o God! mijn' dank betalen, Z. Zal een kind zijn' vader minnen, Zalig, zalig, niets te wezen, Zie erbarmend op ons neêr! Zie ons ootmoedig tot U naadren, Zie ons te zaam uw' naam belijden, Zing, Christenschaar! de schoonste stof, Zingt, gij afgelegen landen! Zingt, zingt blij te moe' Zoo blij de landman moe' van' t ploegen Zoo brak' t gewenschte tijdstip aan, Zoo gij, in ijver tot uw' pligt, Zoo slaat G' uw oog, Zoo wijd op aarde schepslen leven. Zou mij dood en graf doen beven? mails L 40 nom mo andst eplem andsi Swell to 4 Gez. 做 ¥ 明器 即时 订 射 射 伏 娜 4;§ 游 18 瓯 10 77 54 9 23 89 72 64 17 92 98 44 3 162 34 91 71 63 68 176 171 99 47 155 48 189 142 60 40 167 191 LIJST AVARRA VIVIVINA iviviviv ATA AVAA IVINEN LIJST DER shinybly EVANGELISCHE GEZANGEN. DIE OP EENERLEI WIJZE GEZONGEN WORDEN, EN DER OORSPRONGLIJKE ZANGWIJZEN. bes mas 1990 No. 1. Nieuwe zangwijze. 3, 14, 15, 47, 58, 113, 141, 146, 147. Ps. 36. 3. Ps. 89. 4, 6, 25, 33, 72. Mein Hertzens Jesu! 5, 12, 90, 99, 128, 153, 189. Ps. 66. 7. Nieuwe zangwijze. 8, 145, 149, 168. Fransche Cant. 65.( verand.) com 9, 127, 180. O süsser Stand! 860 3/0 m Cas 10. Preis, Lob, Ehr, Ruhm! 11, 43, 55, 130. Ps. 42. 13. Nieuwe zangwijze. 16. Gott ist mein Lied. Jaile 17, 73, 161, 164, 171, 192. Wer nur den lieben Gott. 18. Fransche Cant. 86.( verand.) s 19, 45. Auf dich, mein Vater!( verand.) 20, 114. Ps. 134. 21, 52, 120, 160, 182. O gesegnetes regieren! 22. Glück zu, Creutz, von gantzem Hertzen! #BY obav 23, 81, 184, 185. Wenn mein Stündlein vorhanden ist. 24. Nieuwe zangwijze. 26. Ps. 130. 27, 64. Ps. 77. 28, 84. 104. Nieuwe zangwijze. 29, 58, 67, 191. Jesu, meines Lebens Leben! 80. Ps. 35. 31, 71, 129. Ps. 65. RW FW is baid on k iles 28 TAAAR LIJST DER EVANGELISCHE GEZANGEN. No. 32, 62, 144. Wachet auf, ruft uns die Stimme. 34. Ich ruf zu dir. 35. Nieuwe zangwijze. 36, 57. Jesu, meine Freude! 37. Nieuwe zangwijze. 38, 50, 63. Sollt ich meinem Gott nicht singen? 39, 101, 137. Jesu, meine Zuversicht! 40, 97, Ach Gott und Herr! 41. Mir nach, spricht Christus.( verand.) 42. Ich danck dir schon.( verand.) 44. Die Wanderschaft in dieser Zeit. 46. Ich danck dir schon, durch deinen Sohn. 48, 143. Ps. 81. 49. Nieuwe zangwijze. 51, 85, 94, 133, 175. Ps. 38. 54, 61, 166. Nieuwe zangwijze. 56. Nieuwe zangwijze. 59. Mir nach, spricht Christus. 60. Wenn zur Vollführung deiner Pflicht. 65. Ps. 116. 68. Die Seele Christi heil'ge mich! 68, 154, 155, 186. Liebe, die du mich zum Bilde. 69. Ps. 21. 70. Abglantz aller Majestät! 74, 75, 157. Gebed des Heeren. 76, 102, 170, 172. Ps. 51. 77, 89, 91, 151, 158. Ps. 84. 78. Ps. 100. 79. O Ewigkeit! du Freudenwort! 80. Nieuwe zangwijze. 82. Herr Jesu Christ! dich zu uns wend 83. Fransche Cant. 104. 86. Nieuwe zangwijze. 87, Simeons Lofzang. VFURNA 88, 162. Ps. 113. 92, 110, 121, 139. Ps. 24. 93. Liebster Jesu! wir sind hier. 95, 103, 126. Ps. 138. 96. Herr und Aeltster deiner Creutz- Gemeine! 98, 108, 111. Ps. 103. 100. Mein Hertzens Jesu!( verand.) 105. Was Gott thut, das ist wohlgethan. 106. Schmücke dich, o liebe Seele! VIVIVIA Vivivivi ATA VININ LIJST DER EVANGELISCHC GEZANGEN. No.. 107. Nieuwe zangwijze. au 07 30s 1945) 109. Sieh, hie bin ich, Ehren- König! 112, 185. Vom Himmel hoch. 115. O Jesu Christ! dein Kripplein ist. 116, 117, 177. Ps. 150. 118. Hertzliebster Jesu! 119, 165. O Jesu, Quel der Gütigkeit! 122. Mein Hertzens Jesu!( verand.) n 123. o Haupt, voll Blut und Wunden! Nieuwe zangwijze.( basis) Ps. 17. 124. 125. 131. Maria's Lofzang. 132. Ps. 73. 134. Nieuwe zangwijze. 186, 167. Nieuwe zangwijze. 138. Ps. 47. 140. 142. Nieuwe zangwijze. 148. Ps. 105. 150. Ps. 22. 152. Ps. 19. 156. Ein veste Burg.( verand.) 159. Es ist das Heil. Sollt ich meinem Gott.( verand.) 163, 188. Allein Gott in der Höh sey Ehr! 109. Ps. 58. EST 178. Wo Gott der Herr nicht bey uns hält. 174. Ps. 31. 176. Singen wir aus Hertzen Grund! 178, 181. Wie schön leuchtet der Morgenstel 179. Was mein Gott will. 183. Ps. 119. 187. Nun ruhen alle Wälder. 190. Ps. 79. oid bana siw sms 0- stust) homish selfs bar ( basa) atsiitsgidow dat asb tudi 1100 W slose adsl odib sumde CATECHISMUS, OF ONDERWIJZING IN DE CHRISTELIJKE LEER, DIE IN DE NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERKEN EN SCHOLEN GELEERD WORDT. De eerste Zondag. 1. Vraag. Welke is uw cenige troost, beide in leven en sterven? Antwoord. Dat ik met ligchaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers, Jezus Christus, eigen ben: die, met zijn dierbaar bloed, voor al mijne zonden volkomenlijk betaald, en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft; en alzoo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelschen Vaders, geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet. Waarom hij mij ook door zijnen Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en om voortaan voor hem te leven, mij van harte gewillig en bereid maakt. 2. Vr. Hoe vele stukken zijn u noodig te weten, opdat gij in dezen troost zalig leven en sterven moogt? HET EERSTE DEEL. VAN DES MENSCHEN ELLENDE. De 2. Zondag. ellende? 3. Vr. Waaruit kent gij uwe Antw. Uit de wet Gods. 4. Vr. Wat eischt de wet Gods van ons? in eene hoofdsom: Matth. XXII: Antw. Dat leert ons Christus 37, 38, 39, 40. Gij zult liefhebben den Heer uwen God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het groote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, [ is]: gij zult uwen naaste liefhebben als u zelven. Aan. deze twee geboden hangt de gansche wet en de Profeten. komenlijk houden? 5. Vr. Kunt gij dit alles volAntw. Neen ik: want ik ben van nature geneigd God en mijnen naaste te haten. Antw. Drie stukken: ten eerste, hoe groot mijne zonde en ellende zij ten andere, hoe ik van al mijne zonde en ellende verlost worde; ten derde, hoe De 3. Zondag. 6. Vr. Heeft dan God den ik Gode voor zulk eene verlos- mensch alzoo boos en verkeerd sing zal dankbaar zijn. geschapen? 1 Antw. AVIVING WW/ Y! ATS TINANANIVAIVI HARVAVA 2 CATECHISMUS. ZONDAG 3, 4, 5. 11. Vr. Is dan God ook niet barmhartig? Antw. Neen hij; maar God heeft den mensch goed en naar zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware geregtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijnen Schepper, regt kennen, Hem van harte lief hebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen. 7. Vr. Van waar komt dan zulk een verdorven aard des menschen? Antw. Uit den val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het Paradijs, waar onze natuur alzoo verdorven is geworden, dat wij allen in zonden ontvan gen en geboren worden. 8. Vr. Maar zijn wij alzoo ver- verdiend hebben; is er eenig dorven, dat wij ganschelijk on- middel, waardoor wij deze straf bekwaam zijn tot eenig goed, en ontgaan mogen, en weder tot geneigd tot alle kwaad? genade komen? Antw. Ja wij, tenzij wij door Antw. God wil, dat aan zijne Antw. God is wel barmhartig, maar Hij is ook regtvaardig: daarom eischt zijne geregtig heid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste Majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf, aan ligchaam en ziel gestraft worde. HET TWEEDE DEEL. VAN DES MENSCHEN VERLOSSING. De 5. Zondag. 12. Vr. Aangezien wij dan, naar het regtvaardig oordeel Gods, tijdelijke en eeuwige straf den Geest Gods wedergeboren geregtigheid genoeg geschiede; worden. daarom moeten wij aan dezelve, of door ons zelven, of door eenen anderen, volkomenlijk betalen. De 4. Zondag. 9. Vr. Doet dan God aan den mensch geen onregt, dat Hij in zijne wet van hem eischt, wat hij niet doen kan? 13. Vr. Maar kunnen wij door ons zelven betalen? Antw. In geenerlei wijze; maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder. Antw. Neen hij: want God heeft den mensch alzoo geschapen, dat hij dat kon doen, maar de mensch heeft zich zelven en bloot schepsel gevonden wor al zijne nakomelingen, door den, hetwelk voor ons betaalt? 14. Vr. Kan ook ergens een het ingeven des duivels en door moedwillige Antw. Neen: want, ten eerongehoor- ste, wil God aan geen ander zaamheid van die gaven be- schepsel de schuld straffen, wel roofd. ke de mensch gemaakt heeft; 10. Vr. Wil God zulk een ten andere, kan ook geen bloot ongehoorzaamheid en afval on- schepsel den last van Gods ewigen toorn tegen de zonde dragestraft laten? Antw. Neen Hij geenszins; gen, en andere schepselen daar van verlossen. maar Hij vertoornt zich schrikkelijk, beide over de aangeborene en werkelijke zonden, en wil die; door een regtvaardig oordeel, tijdelijk en eeuwiglijk straffen, gelijk Hij gesproken heeft: 15. Vr. Wat moeten wij dan voor eenen Middelaar en Verlosser zoeken? Antw. Zulk eenen, die e en regtvaardig waarachtig niet blijft in al wat er ge- sterker dan alle schepselen, vervloekt zij een iegelijk, die mensch is, en nogtans ook schreven is in het boek der dat is, die ook waarachtig wet, dat' ij dat doe! God is. DI SORVAVARVA CATECHISMUS. De 6. Zondag. 16. Vr. Waarom moet hij een waarachtig en regtvaardig mensch zijn? Antw. Omdat de regtvaardigheid van God vorderde, dat de menschelijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde, en dat een mensch, zelf een zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen. 22. Vr. Wat is dan eenen Christen noodig te gelooven? 17. Vr. Waarom moet hij zamen ook waarachtig God zijn? Antw. Opdat hij, uit kracht Antw. Al wat ons in het Evanzijner Godheid, den last des gelie beloofd wordt, hetwelk ons toorns Gods aan zijne menschde Artikelen van ons algemeen heid dragen, en ons de gereg- loof in ééne hoofdsom leeren. en ongetwijfeld Christelijk getigheid en het leven verwerven en wedergeven mogt. 23. Vr. Hoe luiden die Artikelen? 18. Vr. Maar wie is die Middelaar, die zamen waarachtig God en waarachtig regtvaardig mensch is? Antw. Onze Heer Jezus Christus, die ons van God tot wijsheid, regtvaardigheid, heiligmaking en tot eene volkomene verlossing geschonken is. 19. Vr. Waaruit weet gij dat? Antw. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerst in het Paradijs geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten heeft laten verkondigen, en door de offeranden en andere plegtigheden der wet laten voorbeelden, en ten laatste door zijnen eeniggeboren' Zoon vervuld. De 7. Zondag. 20. Vr. Worden dan alle menschen weder door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden. Antw. Neen zij, maar alleen degenen, die hem door een opregt geloof worden ingelijfd, en al zijne weldaden aannemen. 21. Vr. Wat is een opregt geloof? ZONDAG 6, 7, 3. 3 in zijn woord geopenbaard heeft; maar ook een zeker vertrouwen, het Evangelie, in mijn hart hetwelk de Heilige Geest, door werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij, vergeving der zonden, eeuwige geregtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdiensten van Christus. Antw. Een opregt geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houde, wat ons God Vader, den Almagtige, SchepAntw. Ik geloof in God, den per des hemels en der aarde: En in Jezus Christus, zijzen Heer; die ontvangen is van nen eeniggeboren' Zoon, onden Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Piven en begraven, nedergedaald latus, is gekruisigd, gestorter helle, ten derden dage weder opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel, zittende ter regterhand Gods, des almagtigen Vaders; van waar hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden. Ik geloof in den Heiligen Geest. Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke Kerk, vergeving der zonden, wederde gemeenschap der heiligen, opstanding des vleesches, en een eeuwig leven. De 8. Zondag. tikelen verdeeld? 24. Vr. Hoe worden deze Arste is van God den Vader, en Antw. In drie deelen: het eerGod den Zoon, en onze verlosonze schepping; het andere, van sing; het derde, van God den Heiligen Geest, en onze heiligmaking. 1. 25. Vr. VAATA! VINANIMIV HAMVAT UHUHUHU CATECHISMUS. ZONDAG 8, 9, 10, 11, 12 dat wij weten, dat God alles geschapen heeft, en nog door zij ne Voorzienighoid onderhoudt? Antw. Dat wij in allen tegen spoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, wat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzigt hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van zijne liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzoo in zijne hand zijn, dat zij, tegen zijnen wil, zich nog roeren noch bewegen kunnen. 25. Vr. Aangezien er maar een eenig Goddelijk wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest? Antw. Omdat God zich alzoo in zijn woord geopenhaard heeft, dat deze drie onderscheidene personen, de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn. VAN GOD DEN VADER. De 9. Zondag. 26. Fr. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God, den Vader, den Almagtige, Schepper des hemels en der aarde? VAN GOD DEN ZOON. De 11. Zondag. 29. Vr. Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Zaligmaker genoemd? Antw. Dat de eeuwige Vader van onzen Heer, Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, die ook dezelve nog door zijnen eeuwigen raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christus wil, mijn God en mijn Vader is; op wien ik alzoo vertrouw, dat ik niet twijfele, of Hij zal mij Antw. Omdat hij ons zalig maakt, en van onze zonden ver lost; daar benevens, dat bij nie mand anders eenige zaligheid te zoeken of te vinden is. 30, Vr. Gelooven dan die ook aan den eenigen Zaligmaker Je met alle nooddruft des ligchaams zus, die hunne zaligheid en wel en der ziel verzorgen, en ook al vaart bij de heiligen, bij zich het kwaad, hetwelk Hij mij in zelven, of ergens elders zoeken? dit jammerdal toeschikt, mij ten Antw. Neen zij, maar zij ver beste keeren; omdat Hij zulks loochenen met de daad den eenidoen kan als een almagtig God, gen Heiland en Zaligmaker Jeen ook doen wil als een ge- zus, ofschoon zij hem met den trouw Vader. mond roemen: want van twee één, of Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, of die de 27. Vr. Wat verstaat gij door zen Zaligmaker met een waar de Voorzienigheid Gods? geloof aannemen, moeten alles Antw. De almagtige en alom- in hem hebben, wat tot hunne tegenwoordige kracht van God, zaligheid noodig is. door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, als met zijne hand nog onderhoudt, De 12. Zondag. 31. Vr. Waarom is hij Chrisen alzoo regeert, dat loof en tus, dat is, een Gezalfde, ge De 10. Zondag. gras, regen en droogte, vrucht- noemd? bare en onvruchtbare jaren, Antw. Omdat hij van God, spijze en drank, gezondheid en den Vader. verordend, en met krankheid, rijkdom en armoe- den Heiligen Geest is gezalfd, de, en alle dingen, niet bij ge- tot onzen hoogsten Profeet en val, maar van zijne vaderlijke Leeraar, die ons den verborgen hand ons toekomen. 28. Pr. Waartoe dient ons, raad en wil van God aangaande open onze verlossing volkomenlijk ge CATECHISMUS. ZONDAG 12, 13, 14, 15, 16. 5 openbaard heeft; en tot onzen| Heiligen Geestes, eenigen Hoogepriester, die ons heeft; opdat hij ook het ware aangenomen met de eenige offerande zijns lig- zaad van David zij, aan zijne chaams verlost heeft, en ons met broeders in alles gelijk, uitge zijne voorbidding steeds voor- nomen de zonde. treedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn woord en Geest regeert, en ons bij de verworvene verlossing beschut en behoedt. 32. Vr. Maar waarom wordt gij een Christen genoemd? 36. Vr. Wat nuttigheid overkomt u door de heilige ontvanging en geboorte van Christus? Antw. Dat hij onze Middelaar volkomene heiligheid, mijne is, en met zijne onschuld en zonden, waarin ik ontvangen en geboren ben, aangezigt bedekt. voor Gods De 15. Zondag. Antw. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus, en alzoo aan zijne zalving deelachtig ben; opdat ik zijnen naam bekenne, en mij zelven tot een levend dankoffer hem offere, en met een vrij en goed geweten, in dit leven, tegen de zonde en den duivel strijde, en hier namaals in eeuwigheid met hem over alle schepselen regere. De 13. Zondag. 33. Vr. Waarom is hij Gods eeniggeborenen Zoon genoemd, zoo wij toch ook Gods kinderen zijn? Antw. Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zoon van God is; maar wij zijn om zijnen wil, uit genade, tot kinderen Gods aangenomen. 34. Vr. Waarom noemt gij hem onzen Heer? Antw. Omdat hij ons, ligchaam en ziel, van al onze met zonden. niet met goud of met zilver, maar met zijn dierbaar bloed, gekocht, en van alle geweld des duivels verlost, en ons alzoo zich tot een eigendom gemaakt heeft. HUFUFUF VAVAVA De 14. Zondag. 35. Vr. Wat is dat gezegd: die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria? Antw. Dat de eeuwige Zoon van God, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, de ware menschelijke natuur, uit het vleesch en bloed van de maagd Maria, door de werking des het woordje, geleden? 37. Vr. Wat verstaat gij bij Antw. Dat hij aan ligchaam en ziel, den ganschen tijd zijns derheid aan het einde zijns lelevens op aarde, maar inzondervens, den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menscheopdat hij met zijn lijden, als lijke geslacht gedragen heeft; met het eenige zoenoffer, ligchaam en ziel van de eeuwige verdoemenis verlossen, ons en ons Gods genade, geregtigheid en het eeuwige leven verwerven zou. 38. Vr. Waarom heeft hij ontus geleden? der den Regter Pontius PilaAntw. Opdat hij, onschuldig, veroordeeld zijnde, ons daaronder den wereldlijken Regter mede van het strenge oordeel van God, dat over ons gaan zou, bevrijden zou. 39. Vr. Heeft het iets meer in, dat hij gekruisigd is geweest, dan of hij met een anderen dood gestorven ware? Antw. Ja het: want daardoor ben ik zeker, dat hij de vervloeking, die op mij lag, op zich geladen heeft, omdat de vloekt was. dood des kruises van God verDe 16. Zondag. tus zich tot in den dood moe43. Vr. Waarom heeft Christen vernederen? Antw. AVAVAVivivivivivivIVINIVIVANS ATXANANHVV VAVAUHVAVAU 3 CATECHISMUS. ZONDAG 16, 17, 18. Antw. Daarom, dat van wege, worden wij ook door zijne kracht de geregtigheid en waarheid opgewekt tot een nieuw leven; Gods, niet anders voor onten derde, is de opstanding van ze zonden kon betaald worden, Christus een zeker pand van dan door den dood van Gods onze zalige opstanding. Zoon. 41. Vr. Waarom is hij begraven geworden? De 18. Zondag. Antw. Om daarmede te betuigen, dat hij waarlijk gestorven is. 46. Vr. Wat verstaat gij daarmede, opgevaren ten hemel? Antw. Dat Christus voor de oogen zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat hij ons ten goede dáár is, tot dat hij wederkomt, om te oordeelen de levenden en de dooden. 47. Vr. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk hij ons beloofd heeft? Antw. Christus is waarachtig mensch en waarachtig God; naar zijne menschelijke natuur Antw. Dat door zijne kracht is hij niet meer op aarde, maar onze oude mensch met hem ge- naar zijne godheid, majesteit, kruisigd, gedood en begraven genade en geest wijkt hij nimwordt; opdat de booze lusten mermeer van ons. van het vleesch in ons niet meer 48. Vr. Maar zoo de menschregeren, maar dat wij ons zel- heid niet overal is, waar de ven hem tot eene offerande der dankbaarheid opofferen. godheid is, worden dan die twee 44. Vr. Waarom volgt er, nedergedaald ter helle? naturen in Christus niet van elkander gescheiden? Antw. Ganschelijk niet: want mitsdien de godheid onbegri pelijk en overaltegenwoordig is, zoo moet volgen, dat zij Antw. Opdat ik in mijne hoogste aanvechtingen verzekerd zij, en mij ganschelijk vertrooste, I dat mijn Heer Christus, door zij- wel buiten hare aangenomene ne onuitsprekelijke benaauwd- menschheid is, en nogtans ook heid, smarten, verschrikkingen in dezelve is, en persoonlijk met en helsche kwalen, in welke hij, haar vereenigd blijft. in zijn gansche lijden, maar inzonderheid aan het kruis gezonken was, mij van de 49. Vr. Wat uut ons de hemelvaart van Christus? 2 Antw. Ten eerste, dat hij in helsche benaauwdheid en pijn den hemel voor het aangezigt verlost heeft. 42. Vr. Zoo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten sterven? Antw. Onze dood is geene bevoor onze zonden, maar alleen eene afsterving der zonden, en een doorgang tot het eeuwige leven. taling 43. Vr. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en dood van Christus aan het kruis? zijns Vaders onze Voorspreker is: ten andere, dat wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, dat hij, als 45. Vr. Wat nut ons de op- het Hoofd, ons, zijne lidmaten, standing van Christus? ook tot zich zal nemen; ten der Antw. Ten eerste, heeft hij de, dat hij ons zijnen Geest tot door zijne opstanding den dood een tegenpand zendt, door wiens geregtigheid, die hij door zijnen ven is, waar Christus is, zitoverwonnen, opdat hij ons de kracht wij zoeken wat daar bodood ons verworven had, kon tende ter regterhand Gods, en deelachtig maken; ten andere, niet wat op de aarde is. De De 17. Zondag. 1 CATECHISMUS. ZONDAG 19, 20, 21, 22. De 21. Zondag. De 19. Zondag. 50. Vr. Waarom werd daarbij gezet, zittende ter regterhand Gods? Antw. Dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat hij zich zeiven dáár bewijze als het Hoofd zijner Christelijke Kerk, door hetwelk de Vader alle dingen regeert. 51. 7r. Wat nuttigheid brengt ons nu deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? 54. Vr. Wat gelooft gij van de heilige, algemeene, Christelijke Kerk? Antw. Dat de Zoon van God, uit het gansche menschelijke geslacht, zich eene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijnen Geest en woord in eenigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven. 55. Vr. wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen? Antw. Eerstelijk, dat alle en elk geloovige, als lidmaten, aan den Heer Christus en aan al zijne schatten en gaven gemeenschap hebben; ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven, ten nutte en tot zaligheid der andere lidmaten, gewillig en met vreugde aan te leggen. Antw. Dat ik in alle droefenis en vervolging, met een opgerigt hoofd, even denzelfden, die zich te voren om mijnen wil voor Gods gerigt gesteld, en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot eenen Regter uit den hemel verwachte; Antw. Dat God, om het gedie al zijne en mijne vijanden noegdoen van Christus, aan al in de eeuwige verdoemenis wer- mijne zonden, ook mijnen zonpen, maar mij, met alle uit- digen aard, waarmede ik al mijn verkorenen, tot zich in de he- leven lang te strijden heb, nimmelsche blijdschap en heerlijk- mermeer wil gedenken, maar heid nemen zal. 56. Vr. Wat gelooft gij van de vergeving der zonden? mij uit genade de geregtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gerigt van God kome. De 22. Zondag. 57. Vr. Wat troost geeft u de opstanding des vleesches? Antw. Eerstelijk, dat hij zaAntw. Dat niet alleen mijne men met den Vader en den ziel, na dit leven van stonden Zoon, waarachtig en eeuwig aan, tot Christus, haar Hoofd, God is; ten andere, dat hij zal opgenomen worden; maar ook aan mij gegeven is, op- dat ook dit mijn vleesch, door dat hij mij, door een opregt de kracht van Christus opgegeloof, aan Christus en al zij- wekt zijnde, weder met mijne ne weldaden deelachtig make, ziel vereenigd, en aan het heermij trooste, en bij mij eeu- lijk ligehaam van Christus gewig blijve. lijkvormig zal worden. 58. Vr. Antw. Eerstelijk, dat hij door zijnen Heiligen Geest, in ons, zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgiet; daarna, dat hij ons met zijne magt tegen alle vijanden beschut en bewaart. HURUFORMAVA 52. Vr. Wat troost u de wederkomst van Christus, om te oordeelen de levenden en de dooden! VAN GOD DEN HEILIGEN GEEST. De 20. Zondag. 53. Vr. Wat gelooft gij van den Heiligen Geest? 7 NALALALALA VANAVANIN i\/\/ CAMAHAV 8 CATECHISMUS. ZONDAG 22, 23, 24, 25, 58. Vr. Wat troost schept gij| alleen door het geloof, aanne uit het Artikel van het eeuwi- men en mij tocëigenen kan. ge leven? De 24. Zondag. 62. Vr. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de ge regtigheid voor God, of een stuk van dezelve zijn? Antw. Daarom, dat de gereg tigheid, die voor Gods gerigt bestaan kan, gansch volkomen en aan de wet van God in alle stukken gelijkmatig zijn moet; en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen e met zonden bevlekt zijn. Antw. Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoele, ik na dit leven volkomene zaligheid bezitten zal, welke geen oog gezien, en geen oor gehoord heeft, en in geens menschen hart gekomen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen. VAN DE REGTVAARDIGING. De 23. Zondag. 59. Vr. Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft? Antw. Dat ik in Christus voor God regtvaardig ben, en een erfgenaam van het eeuwige leven. 60. Vr. Hoe zijt gij regtvaardig voor God? Antw. Alleen door een opregt geloof in Jezus Christus: alzoo, dat, al is het, dat mij mijn geweten beklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd, en van dezelve geen gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nogtans God, zonder eenige mijner verdienste, uit loutere genade, mij de volkomene genoegdoening, geregtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, even als had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik ook al de gehoorzaamheid volbragt, welke Christus voor mij volbragt heeft, zoo 63. Vr. Hoe, verdienen onze goede werken niet, welke God nogtans in dit en in het toeko mende leven wil beloonen? Antw. Deze belooning ge niet uit verdienste, schiedt maar uit genade. 64. Vr. Maar maakt deze leer geen zorgelooze en goddelooze menschen? Antw. Neen zij: want het is onmogelijk, dat, zoo wie Chris tus door een waarachtig geloo ingeplant is, niet zou voort brengen vruchten der dankbaarheid. VAN DE SACRAMENTEN De 25. Zondag. 65. Vr. Aangezien dan alleen het geloof ons aan Christus en al zijne weldaden deelachtig maakt, van waar komt zulk een geloof? Antw. Van den Heiligen Geest, werkt, door de verkondiging van het heilig Evangelie, hetzelve sterkt door het ge bruik der Sacramenten. 66. Vr. Wat zijn de Sacramenten? Antw. De Sacramenten zijn maar daarom, dat alleen de heilige, zichtbare waarteekenen met een geloovig hart aanneem. verre ik zulk eene weldaad die het geloof in onze harten 61. Vr. Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof regtvaardig zijt? Antw. Aiet, dat ik van wege de waardigheid van mijn geloof Gode aangenaam ben, genoegdoening, geregtigheid en heiligheid van Christus mijne opdat Hij ons, door het ge en zegelen, van God ingezet, derzelve, de beloften geregtigheid voor God is, en bruik dat ik dezelve niet anders, dan van het Evangelie des te be ter MAAARA CATECHISMUS. ZONDAG 25, 26, 27. 9 ter te verstaan geven en ver-| gestort heeft; daarna ook door zegelen zou: namelijk, dat Hij den Heiligen Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoelanger hoe meer der zonden afsterven, en in een godzalig, onstraffelijk leven wandelen. ons, van wege het eenig slagtoffer van Christus, aan het kruis volbragt, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt. 67. Vr. Zijn dan beide het Woord en de Sacramenten daarhenen gerigt, of daartoe verordend, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzen? Antw. Ja zij toch: want de Heilige Geest leert ons in het Evangelie, en verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is. 68. Vr. Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het Nieuwe Verbond of Testament ingezet? Antw. Twee, namelijk den heiligen Doop en het heilig Avondmaal. VAN DEN HEILIGEN DOOP. De 26. Zondag. 71. Vr. Wáár heeft ons Christus toegezegd, dat hij ons zoo zeker met zijn bloed en Geest wässchen wil, als wij met het doopwater gewassehen worden? Antw. In de inzetting des Doops, welke aldus luidt: gaut henen, onderwijst alle volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. En: die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift den Doop het bad der wedergeboorte, en de afwassching der zonden noemt. De 27. Zondag. 72. Vr. Is dan het uiterlijk waterbad de afwassching der zonden zelve? Antw. Neen het: want alleen het bloed van Jezus Christus, en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden. 69. Vr. Hoe wordt gij in den heiligen Doop vermaand en verzekerd, dat de eenige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt? 73. Vr. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop, het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden? Antw. Alzoo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet, en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zeker met zijn bloed en Geest Antw. God spreekt alzoo niet van de onreinheid mijner ziel, zonder groote oorzaak, namedat is, van al mijne zonden, lijk: niet alleen om ons daargewasschen ben, als ik uitwen- mede te leeren, dat gelijk de dig met het water, hetwelk de on- onzuiverheid des ligchaams door zuiverheid des vleesches pleegt het water, alzoo ook onze zonweg te nemen, gewasschen ben. den door het bloed en den Geest 70. Vr. Wat is het, met het van Jezus Christus weggenomen bloed en den Geest van Chris- worden; maar veel meer, opdat tus gewasschen te zijn? Hij ons door dit goddelijk pand en waarteeken wil verzekeren, dat wij zoo waarachtig van onze zonden geestelijk gewasschen zijn, als wij uitwendig met water gewasschen worden. 74. Vr. Antw. Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben, om het bloed van Chrishetwelk hij in zijne offerande aan het kruis voor ons uittus, ANAVANANIVINS HAHAVAT 10 CATECHISMUS. ZONDAG 27, 28. 74. Vr. Zal men ook de jon-| hand ontvang en mondelijk g ge kinderen doopen? niet. Antw. Ja; want mitsdien zij zoo wel als de volwassenen in het verbond van God en in zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus bloed de verlossing van de zonden, en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook, door den Doop, als door het tecken des verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd, en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor welke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is. 76. Vr. Wat is dat te zeggen, het gekruisigde ligchaam Christus te eten en zijn ver goten bloed te drinken? Antw. Het is niet alleen, met een geloovig hart, het gansche lijden en sterven van Christus aan te nemen, en daardoor ver geving der zonden en het ee wige leven te verkrijgen, maar ook daar benevens door den Hei ligen Geest, die zamen in Chris tus en in ons woont, alzoo met zijn heilig ligchaam hoe langer hoe meer vereenigd te worden, dat wij, al is het dat Christus in den hemel is en wij op aarde zijn, nogtans vleesch van zijn vleesch, en been van zijne hee nen zijn, en dat wij door éénen Geest( als leden van één li chaam door ééne ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd worden. 77. Vr. Wáár heeft Christus beloofd, dat hij de geloovigen alzoo zeker met zijn ligchaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken brood elen en van dezen drinkbeker drin ken? in den nacht, in Antw. In de Inzetting des Avondmaals, welke aldus luidt: ( 1 Kor. XI: 23-26) Onze Heer Jezus nam, van dit gebroken wellen hij verraden werd, brood te eten, en van dezen het brood; en als hij gedankt drinkbeker te drinken bevolen had, brak hij het, en zeide: heeft, en daarbij ook belooft: eerstelijk, dat zijn ligchaam zoo zeker voor mij aan het kruis geofferd en gebroken, en zijn neemt, eet! dat is mijn lig chaam, hetwelk voor u broken' wordt; doet dat tot mijne gedachtenis. Des bloed voor mij vergoten is, als lijks[ nam] hij ook den drinkik met oogen zie, dat het brood beker na het eten des Avonddes Heeren voor mij gebroken, maals, en zeide: deze drinken de drinkbeker mij medege- beker is het Nieuwe Testament in mijn bloed; doet dat, dat hij zelf mijne ziel, met zijn zoo dikwijls als gij[ dien] zult gekruisigd ligchaam en vergo- drinken, tot mijne gedachte deeld wordt; en ten andere, ten bloed, zoo zeker tot het eeu- nis. Want zoo dikwijls als wige leven spijst en laaft, als ik gij dit brood zult eten, en de het brood en den drinkbeker des zen drinkbeker zult drinken, Heeren( als zekere waarteeke- zoo verkondigt den dood des nen van het ligchaam en bloed Heeren tot dat hij komt. van Christus) uit des dienaars Deze toezegging wordt ook her. haald VAN HET HEILIG AVONDMAAL VAN ONZEN HEER JEZUS CHRISTUS. De 28. Zondag. 75. Vr. Hoe wordt gij in het heilig Avondmaal vermaand en verzekerd, dat gij aan de eenige offerande van Christus, aan het kruis volbragt, en aan al zijn goed gemeenschap hebt? Antw. Alzoo, dat Christus aan mij en alle geloovigen, tot zijne gedachtenis, HAVA HUFURU HARU CATECHISMUS. ZONDAG 28, 29, 30. 11 haald door den heiligen Apostel deelachtig worden, als wij dePaulus, waar hij spreekt: 1 Kor. ze heilige waarteekenen met X: 16, 17. De drinkbeker der dankzegging, welken wij [ dankzeggende] zegenen, is die niet eene gemeenschap aan het bloed van Christus? Het brood, hetwelk wij breken, den ligchamelijken mond tot zijne gedachtenis ontvangen; en dat al zijn lijden en gehoorzaamheid zoo zeker ons eigen zijn, als hadden wij zelven in eigen persoon alles geleden, is dat niet eene gemeenschap en Gode voor onze zonden geaan het ligchaam van Chris- noeg gedaan. De 30. Zondag. tus? Want één brood[ is het], [ 200] zijn wij velen één liqchaam, dewijl wij allen aan één brood deelachtig zijn. 80. Vr. Welk onderscheid is er tusschen het Nachtmaal des Heeren en de Paapsche Mis? Antw. Het Nachtmaal des Heeren betuigt ons, dat wij volkomene vergeving van alle zonden hebben, door de eenige offerande van Jezus Christus, welke bij zelf éénmaal aan het kruis volbragt heeft, en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd, die, naar zijne menschelijke natuur, niet op de aarde, maar in den hemel is, ter regterhand Gods, zijns Vaders, en dáár van ons wil aangebeden zijn. Maar de Mis leert, dat de levenden en de dooden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij zelven van de Mispriesters geofChristus nog dagelijks voor deferd worde; en dat Christus ligchamelijk onder de gestalte van het brood en den wijn is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden. En alzoo is de Mis in den grond anders niet, dan eene verloochening van de eenige offerande en het lijden van Jezus Christus, en eene vervloekte afgoderij. 81. Vr. Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld? De 29. Zondag. 78. Vr. Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijke ligchaam en bloed van Christus? Antw. Neen; maar gelijkerwijs het water in den Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt, noch de afwassching der zonde zelve is,( waarvan het alleen een Goddelijk waarteeken en verzekering is) alzoo wordt ook het brood in het Avondmaal niet het ligchaam van Christus zelve, hoewel het, naar den aard en de eigenschap der Sacramenten, het ligchaam van Christus Jezus genoemd wordt. 79. Vr. Waarom noemt dan Christus het brood zijn ligchaam, en den drinkbeker zijn bloed, of het Nieuwe Verbond door zijn bloed, en Paulus de gemeenschap aan het ligchaam en bloed van Christus? Antw. Christus spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak, namelijk niet alleen om ons daarmede te leeren, dat, gelijk brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzoo ook zijn gekruisigde ligchaam en vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden; maar veel meer, om ons door deze zigtbare teekenen en panden te verzekeren, dat wij Zoo waarachtig aan zijn waar ligehaam en bloed, door de werking des Heiligen Geestes, Antw. Voor degenen, die zich zelven van wegen hunne zonden mishagen, en nogtans vertrouwen, dat dezelve hun om Christus wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met zijn lijden en sterven bedekt zij; en die ook begeeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken, en hnn leven te SNEALALALALAL ANANANAN VIVIVAVIVAHAHAY CATECHISMUS. ZONDAG 30, 31, 32. 12 te beteren. Maar de geveinsden, en die zich niet met ten waar hart tot God bekeeeten en drinken zich zelren, Pen het oordeel. 82. Vr. Zal men ook tot dit Avondmaal laten komen, die zich met hunne bekentenis en leven als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen? 85. Vr. Hoe wordt het He melrijk toegesloten en ontslo ten door den Christelijken ban? Antw. Alzoo, als achtervol gens het bevel van Christus, degenen, die onder den Christe lijken naam, onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij me nigmaal broederlijk vermaand zijnde, van hunne dwalingen en schandelijk leven niet afstaan willen, aan de gemeente, of degenen, die van de gemeente daartoe verordend zijn, aange bragt worden; en zoo zij naar de vermaning niet vragen, van henlieden, door het verbieden der Sacramenten, uit de Chris en van God telijke gemeente, zelven uit het rijk van Christus gesloten worden, en wederom als lidmaten van Christus en van zijne gemeente aangeno men, wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen. Antw. Neen: want alzoo wordt het verbond van God ontheiligd, en zijn toorn over de gansche gemeente verwekt; daarom is de Christelijke Kerk schuldig, naar de ordening van Christus en zijne Apostelen, zulken( tot dat zij betering huns levens bewijzen) door de sleutelen des Hemelrijks uit te sluiten. De 31. Zondag. 83. Vr. Wat zijn de sleutelen des Hemelrijks? Aniw. De verkondiging van het heilig Evangelie en de Christelijke ban, of uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het Hemelrijk den geloovigen opengedaan, en den ongeloovigen toegesloten wordt. HET DERDE DEEL. VAN DE DANKBAARHEID. De 32. Zondag. 86. Vr. Aangezien wij uit on 84. Vr. Hoe wordt het Hemel- ze ellende, zonder eenige onzer rijk door de prediking van het heilige Evangelie ontsloten en toegesloten? verdiensten, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waar om moeten wij dan nog goede werken doen? Antw. Alzoo, als achtervolAntw. Daarom, dat Christus, gens het bevel van Christus, aan allen en aan een' iegelijk nadat hij ons met zijn bloed ge geloovige verkondigd en open- kocht en vrijgemaakt heeft, lijk betuigd wordt, dat hun( zoo ook door zijnen Heiligen Geest dikwijls zij de beloften van het tot zijn evenbeeld vernieuwt, Evangelie met een waar geloof opdat wij met ons gansche leven aannemen) waarachtig al hunne Gode dankbaarheid voor zijne zonden van God, om de verdien- weldaden bewijzen, en Hij door Isten van Christus, vergeven ons geprezen worde: daarna ook, geloovigen, en die zich niet van loof uit de vruchten verzekerd zijn; daarentegen aan alle on- dat elk bij zich zelven van zijn ge harte bekeeren, verkondigd en zij, en dat door onzen godzalibetuigd wordt, dat de toorn gen wandel onze naaste ook voor Gods, en de eeuwige verdoe- Christus gewonnen worde. 87. Vr. Kunnen dan zij niet menis op hen ligt, zoo lang zij zich niet bekeeren; volgens wel- zalig worden, die in hun godke getuigenis van het Evangelie, deloos ondankbaar leven voortGod, beide in dit en in het toe- varende, zich tot God niet be komende leven, oordeelen wil. keeren? VAVA CATECHISMUS. ZONDAG 32, 33, 34. Antw. In geenerlei wijze:| beeld, noch eenige getjkenis want de Heilige Schrift zegt: maken,[ van hetgeen] boven dat geen onkuische, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronk aard, lasteraar, noch roover, noch dergelijke, het rijk van God beërven zal. in den hemel is, noch[ van hetgeen] onder op de aarde is, noch[ van hetgeen] in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hun dienen: want Ik, de HEER, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde[ lid] dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en mijne geboden onderhouden. De 33. Zondag. 88. Vr. In hoe veel stukken bestaat de waarachtige bekeering des menschen? Antw. In twee stukken: in de afsterving van den ouden, en in de opstanding van den nieuwen mensch. 89. Vr. Wat is de afsterving van den ouden mensch? Antw. Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en dezelve hoe langer hoe meer haten en vlieden. 90. Vr. Wat is de opstanding van den nieuwen mensch? Antw. Het is eene hartelijke vreugd in God door Christus, en een lust en liefde om naar den wil van God in alle goede werken te leven. 91. Vr. Maar wat zijn goede werken? 2 Antw. Alleen die uit een waar geloof, naar de wet van God, Hem ter eere geschieden, en niet, die op ons goeddunken of menschen inzettingen gegrond zijn. VAN DE WET. De 34. Zondag. 92. Vr. Hoe luidt de wet des Heeren? Antw. God sprak alle deze woorden: Exod. XX: 2-17. Deut. V: 6-21. Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypteland, uit het dienst huis uitgeleid heb. Het eerste Gebod. Gij zult geen andere Goden voor mijn aangezigt hebben. Het tweede Gebed. Gij zult u geen gesneden 13 Het derde Gebod. Gij zult den naam des HEEREN, uws Gods, niet ijdelijk gebruiken; want de HEER zal niet onschuldig houden, die zijnen naam ijdelijk gebruikt. Het vierde Gebod. Gedenkt aan den Sabbatdag dat gij dien heiligt: zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de Sabbat des HEEREN, uws Gods,[ dan] zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch nwe dochter. [ noch] uw dienstknecht, noch uwe dienst.ruagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is; want in zes dagen heeft de HEER den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles, wat daarin is, en Hij rustte te zevenden dage; daarom zegende de HEER den Sabbatdag, en heiligde denzelven. Het vijfde Gebod. Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de HEER, uwe God, geeft. Het zesde Gebod. Gij zult niet doodslaan. Het zevende Gebod. Gij zult niet echtbreken. Het achtste Gebod. Gij zult niet stelen. Het XAVINIVAS NANANIVINVIHRVAVHUHUHU 14 CATECHISMUS. ZONDAG 34, 35, 36. Het negende Gehod. Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen naaste. uwe eene andere wijze vereeren, dan Hij in zijn woord bevolen heeft. 97. Fr. Mag men dan ganschelijk geene beelden maken? te schuldig zijn. 94. Vr. Wat gebiedt God in het eerste Gebod? Antw. God kan noch mag op eenigerlei wijze afgebeeld wor den; maar al is het dat de schepselen, kunnen afgebeeld worden, zoo verbiedt toch God hunne beeldtenis te maken en te hebben, om die te vereeren, of Gode daardoor te dienen. 98. Vr. Maar zou men de beelden in de Kerken als boeken der leeken niet mogen lijden? Het tiende Gebod. Gij zult niet begeeren uws naasten huis: gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienst knecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets, dat van uwen naaste is. 93. Vr. Hoe worden deze tien geboden verdeeld? Antw. In twee tafelen: waarAntw. Neen; want wij moeten van de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden, de niet wijzer zijn dan God, die andere, wat wij aan onzen naas- zijne Christenen, niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging zijns woords, wil onderwezen hebben. Antw. Dat ik, zoo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, tooverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroepen van heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede; en den eenigen waren God regt leere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle oot- eed, maar ook met onnoodig moedigheid en lijdzaamheid mii zweren, den naam van God De 36 Zondag. 99. Vr. Wat wil het derde gebod? tweede gebod? Antw. Dat wij God op geeAntw. Dat wij niet alleen met vloeken of met eenen valschen niet lasteren noch misbruiken, noch ons, met ons stilzwijgen en toezien, aan zulke schrikkelijke zonden deelachtig wi ken en in een woord, dat we den heiligen naam van God ne anders dan met vreeze en van bied gebruiken, opdat pen aan Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganscher harte liefhebbe, vreeze en eere: alzoo dat ik' eer van alle schepselen afga en die varen laat, dan dat ik in het allerminste tegen zijnen wil doe. 95. Vr. Wat is afgoderij? Antw. Afgoderij is, in de plaats van den eenigen waren God, die zich in zijn woord ons regt bekend, aangeroepen en in al onze woorden en werken geprezen worde. 100. r. Is het dan zoo groote geopenbaard heeft, of bene- zonde Gods naam met zweren Ivens denzelven iets anders te zich ook over hen vertoornt, en vloeken te lasteren, dat God versieren of te hebben, waarop de mensch zijn vertrou- die, zoo veel als hun mogelijk wen zet. De 35 Zondag. is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden? Antw. Ja gewisselijk: want er is geen grooter zonde, noch 96. Vr. Wat eischt God in het die God meer vertoornt, dan nerlei wijze afbeelden, noch op/ dood te straffen bevolen heeft. de lastering zijns naams, waar om hij ook dezelve met den De AAAA UUNIVU CATECHISMUS. ZONDAG 37, 38, 39, 40, 41. De 37. Zondag. 101. Vr. Mag men ook Godzaliglijk bij den naam van God eenen eed zweren? Antw. Ja, als het de Overheid van hare onderdanen, of anderzins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eer en des naasten zaligheid: want zulk eedzweren is in Gods woord gegrond, en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament regt gebruikt geweest. 102. Vr. Mag men ook bij de heiligen of bij eenige andere schepselen eenen eed zweren? Antw Neen: want een' regten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, als die alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffen, indien ik valschelijk zweer, welke eer aan geene schepselen toebehoort. 15 liefde en trouw bewijze, en mij aan hunne goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hunne zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hunne hand te regeren. De 40. Zondag. 105. Vr. Wat eischt God in het zesde gebod? Antw. Dat ik mijnen naaste noch met gedachten, noch met woorden, of eenig gelaat, veel minder met de daad, door mij zelven, of door anderen onteere, hate, kwetse of doode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge, ook mij zelven niet kwetse, of moedwillig in eenig gevaar begeve: waarom ook de Overheid het zwaard draagt, om weren. den doodslag te 106. Vr. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken? Antw. God, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid haat, en zulks alles voor eenen doodslag houdt? 107. Vr. Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, gelijk gezegd is, niet dooden? Antw. Neen: want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als ons zelven, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmheid bewijzen, zijne schade, hartigheid en alle vriendelijkzoo veel ons mogelijk is, afkeeren, en ook aan onze vijanden goed doen. De 41. Zondag. De 38. Zondag. 103. Vr. Wat gebiedt God in het vierde gebod? Antw. Eerstelijk, dat de Kerkdienst of het Predikambt, en de Scholen onderhouden worden; en dat ik, inzonderheid op den Sabbat, dat is, op den Rustdag, tot de gemeente van God naarstiglijk kome, om Gods woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken, God, den Heer, openlijk aan te roepen, en den armen Christelijke handreiking te doen: ten andere, dat ik al de dagen mijns levens van mijne booze werken viere, den Heer door zijnen Geest in mij werken late, en alzoo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvange. De 39. Zondag. 104. Vr. Wat wil God in het vijfde gebod? zevende gebod? 108. Vr. Wat leert ons het Antw. Dat ik mijnen vader en Antw. Dat alle onkuischheid mijne moeder. van God vervloekt is; en dat en allen, die over mij gesteld zijn, alle' eer, vijand zijnde, kuisch en tuchwij daarom, derzelver van harte te AVANS Vivivi ANANIMIVIVARAUFH CATECHISMUS. ZONDAG 41, 42, 43, 44, 45. 16 telijk leven moeten, hetzij in den heiligen huwelijken staat, of buiten denzelven. 109. Vr. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schanden? Antw. Dewijl ons ligchaam en onze ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zoo wil Hij, dat wij die beide zuiver en heilig bewaren daarom verbiedt Hij alle onkuisehe daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten, en wat den, mensch daartoe trekken kan. laden wil: insgelijks, dat ik in het gerigt en alle andere handelingen, de waarheid lief hebbe, opregtelijk spreke en be kenne: ook mijns naasten eer en goed gerucht, naar mijn vermogen, voorsta en bevordere. De 44. Zondag. 113. Vr. Wat eischt van ons het tiende gebod? Antw. Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod van God in ons hart nimmermeer kome; maar dat wij, te allen tijde, van ganscher harte, aller zonden vijand zijn, en lust tot alle geregtigheid hebben. 114. Vr. Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden? Antw. Neen zij: want ook de allerheiligsten, zoo lang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel' van deze gehoor zaamheid; doch alzoo, dat zij met een ernstig voornemen, niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven. De 42. Zondag. 110. Vr. Wat verbiedt God in het achtste gebod? Antw. God verbiedt niet alleen het stelen en rooven, hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij, alle booze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed aan ons denken te brengen, hetzij met geweld of schijn van regt, als met onregt gewigt, elle, maat, ware, munt, woeker of door eenig middel 115. Vr. Waarom laat God ons van God verboden: waarbij ook alle gierigheid, alle misbruik dan zoo scherpelijk de tien ge en verkwisting zijner gaven. boden prediken, indien toch 111. Vr. Maar wat gebiedt niemand dezelve' in dit leven God in dit gebod? houden kan? Antw. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere, met hem alzoo handele, als ik wilde, dat men met mij handele: daarbij ook, dat ik getrouw arbeide, opdat ik den nooddruftigen helpen mag. De 43. Zondag. Antw. Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer lee ren kennen, en des te begee riger zijn om de vergeving der zonden en de geregtigheid in Christus te zoeken: daarna dat wij zonder onderlaten ons benaarstigen, en God bidder de genade des Heiligen Geestes, opdat wij langs zom meer naar het evenbeeld van God vernieuwd worden, totda om Antw. Dat ik tegen niemand valsche getuigenis geve, nieImands woorden verkeere, geen wij tot deze voorgestelde volko menheid na dit leven geraken 112. Vr. Wat wil het negende gebod? achterklapper of lasteraar zij niemand ligtelijk en onverhoord oordeele, of helpe verdoemen: maar allerlei leugen en bedriegen, als eigene werken des Duivels, vermijde, tenzij ik den zwaren toorn van God op mij VAN HET GEBED De 45. Zondag. 116. Vr. Waarom is het gebe voor de Christenen noodig? Anti THRVARAAAA CATECHISMUS. ZONDAG 45, 46, 47, 48. De 46. Zondag. 120. Vr. Waarom heeft Christus ons geboden God alzoo aan te spreken: Onze Vader? Antw. Opdat hij van stonden aan, in het begin van ons gebed, in ons de kinderlijke vreeze en toevoorzigt tot God verwekken zou, het welke de grond onzes gebeds is; namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal, hetgeen wij van Hem met een regt geloof bidden, dan onze vaders ons aardsche dingen ontzeggen. 121. Vr. Waarom wordt hier toegedaan: die in de hemelen [ zijt]? Antw. Omdat wij van de hemelsche Majesteit Gods niet aardschelijk gedenken, en van zijne almagt alle nooddruft des ligehaams en der ziel verwachten zouden. De 47. Zondag. Antw. Daarom, dat hetzelve het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke God van ons vordert; en dat God zijne genade en den Heiligen Geest alleen aan hen geven wil, die Hem, met hartelijke zuchten, zonder ophouden, daarom bidden, en daarvoor danken. 117. Vr. Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is, en van Hem verhoord wordt? Antw. Eerstelijk, dat wij alleen den eenigen waren God, die zich in zijn woord geopenbaard heeft, om al hetgeen Hij ons geboden heeft te bidden, van harte aanroepen: ten andere, dat wij onzen nood en onze ellende regt en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezigt van zijne Majesteit verootmoedigen: ten derde, dat wij dezen vasten grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christus wil, zekerlijk wil verhooren, gelijk Hij ons in zijn woord beloofd heeft. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren; VANE VANAVAN En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze! 118. Vr. Wat heeft God ons Antw. Uw naam worde gebevolen van Hem te bidden? heiligd, dat is, geef ons eerAntw. Alle geestelijke en lig- stelijk, dat wij U regt kennen, chamelijke nooddruft, welke de en Ü in al uwe werken, in welHeer Christus begrepen heeft in ke uwe almagt, wijsheid, goedhet gebed, dat hij zelf ons ge- heid, geregtigheid, barmbartigheid en waarheid klaarlijk schijnen, heiligen, roemen en prijzen: daarna ook, dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken alzoo schikken en rigten, dat uw naam om onzen wil' niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde. leerd heeft. 119. Vr. Hoe luidt dat gebed? Antw. Onze Vader, die in de hemelen[ zijt]! Uw naam worde geheiligd; Uw Koningrijk kome; Uw wil geschiede op aarde, gelijk ook in den hemel; Geef ons heden ons dagelijksch brood; d Want uw is het koningrijk, en de kracht, en de heerlijk heid in de eeuwigheid. Amen! 2. 17 122. Vr. Welk is de eerste bede? De 48 Zondag. 123. Vr. Welk is de tweede bede? Antw. Uw koningrijk kome, dat is, regeer ons alzoo door uw woord en uwen Geest, dat wij ons langs zoo meer aan U onderwerpen: bewaar en vermeerder uwe Kerk, verstoor de werken des duivels', en alle ge2 weld IVIVANS AVIVA AVAN MIXINAHAN 18 CATECHISMUS. ZONDAG 48, 49, 50, 51, 52. weld, hetwelk zich tegen U| ook de boosheid, die ons altijd verheft, mitsgaders alle booze aanhangt, om het bloed van raadslagen, die tegen uw heilig Christus niet toerekenen, alzoo woord bedacht worden, tot dat wij ook de getuigenis uwer gede volkomenheid uws Rijks toe- nade in ons bevinden, dat ons waar in Gij alles zult gansche voornemen is, aan onze naasten van harte te vergeven. De 52. Zondag. 127. Vr. Welk is de zesde bede? kome, zijn in allen. De 49. Zondag. 124. Vr. Welk is de derde bede? Antw. Uw wil geschiede op aarde, gelijk in den hemel; dat is, geef, dat wij en alle menschen onzeu eigenen wil verzaken, en uwen wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn; opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroep zoo gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, ais de Engelen in den hemel doen. IN Antw. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze; dat is, dewijl wij van ons zelven zoo zwak kunnen bestaan, en daartoe onzijn, dat wij niet een oogenblik ze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch niet ophouden ons aan te vechten: wil ons toch behoeden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, tot dat wij eindelijk te eenemaal de overhand behouden. De 50. Zondag. 125, Vr. Welk is de vierde bede? 128. Vr. Hoe besluit gij uw gebed? Antw. Geef ons heden ons dagelijks brood; dat is, wil ons met alle nooddruft des ligchaams verzorgen, opdat wij daardoor bekennen, dat Gij de eenige oorsprong van alle goed zijt, en dat noch onze zorg, noch arbeid, noch uwe gaven, Antw. Want uw is het Koningrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid; dat is, zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen zonder uwen zegen, ons gedijën magtig, den wil en het vermoen dat wij derhalve ons ver- gen hebt, om ons alles goeds te trouwen van alle schepselen af- geven, en dat alles, opdat daar trekken, en op U alleen stellen. De 51. Zondag. 126. Vr. Welk is de vijfde bede? door niet wij, maar uw heilige naam eeuwig geprezen worde. 129. Vr. Wat beduidt het woord, Amen. Antw. Amen is te zeggen; het zal waar en zeker zijn, want mijn gebed veel zekerder van God verhoord is, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer. Antw. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren; dat is, wil aan ons, arme zondaren, al onze misdaden, en CHRIS AAAA CHRISTELIJKE GEBEDEN, DIE IN DE VERGADERING DER GELOOVIGEN EN ELDERS GEBRUIKT WORDEN. www O eeuwige God, en allergenadigste Vader! wij verootmoedigen ons uit grond des harten voor uwe hooge Majesteit, tegen welke wij zoo menigmaal en gruwelijk gezondigd hebben, en bekennen, zoo Gij met ons wilt in het regt gaan, dat wij niet anders dan den eeuwigen dood verdiend hebben. Want boven dien dat wij allen door de erfzonde voor U onrein en kinderen des toorns zijn, ontvangen uit zondig zaad, en in ongeregtigheid geboren, waardoor allerhande booze lusten, tegen U en onze naasten strijdende, in ons wonen; zoo hebben wij met de daad uwe geboden nog menigmaal en zonder einde overtreden, nalatende wat Gij ons geboden had, en doende wat ons klaarlijk verboden was. Wij hebben als schapen gedwaald en hebben grootelijks tegen U gezondigd, hetwelk wij bekenbekeere en leve, en dat uwe barmhartigheid oneindig is, die Gij bewijst aan degenen, die zich tot U bekeeren, roepen wij U van harte aan, in vertrouwen op onzen Middelaar Jezus Christus, die het Lam Gods is, dat de zonden der wereld is wegnemende, en bidden U, dat Güj wilt medelijden hebben met onze zwakheid, ons om Christus wil al onze zonden vergevende. Wasch ons in de zuivere fontein zijns bloeds, opdat wij rein en sneeuw wit worden. Dek onze naaktheid met zijne onnoozelheid en geregtigheid, om de eer uws naams. Reinig ons verstand van alle blindheid, en onze harten van allen moedwil en hardnekkigheid. Open thans den mond uws Dienaars, en vervul dien met uwe wijsheid en kennis, opdat hij uw woord rein en vrijmoedig verkondige. Bereid ook ons aller harten, opdat wij hetzelve hooren, verstaan en bewaren mogen. Schrijf uwe wetten( naar uwe beloften) de tafelen onzer harten nen daarin te wandelen, tot prijs en het is ons van harte in leed: ja wij belijden ter onze en geef ons lust en kracht kleinigheid, en ten prijze uwer ontferming te onswaarts dat onze zonden het getal van de haren onzes hoofds te boven gaan, en dat wij tien duizend pond schuldig zijn, waartegen wij niet hebben om te betalen. Waarom wij ook niet waardig zijn uwe kinderen genoemd te wezen, noch onze oogen op te slaan ten hemel, en onze gebeden voor U uit te spreken. Nogtans, o Heere God, en barmhartige Vader! wetende dat Gij den dood des zondaars niet begeert, maar dat hij zich wij bekennen bij ons zelven, en des Zondags na de Predikatie. Almagtige, barmhartige God! 2* beGebed des Zondags voor de Predikatie. en eer uws naams, en tot stichting uwer gemeente. Dit alles, o genadige Vader! bidden en begeeren wij in den naam van Jezus Christus, die ons alzoo heeft leeren bidden: Onze Vader, enz. EEN GEBED VOOR ALLEN NOOD DER CHRISTENHEID. iviviviviviviviviviVAVINAVINNS KANVIVIVA CHRISTELIJKE GEBEDEN. 20 belijden voor U, gelijk de waarheid is, dat wij niet waardig zijn onze oogen op te slaan ten hemel, en ons gebed voor U te brengen, indien Gij aanzien wilt onze verdiensten en waardigheid; want onze gewetens beschuldigen ons, en onze zonden geven getuigenissen tegen ons. Wij weten ook, dat Gij regtvaardig Regter zijt, straffende de zonden dergenen, die uwe geboden overtreden. Maar, o Heer! naardien Gij ons bevolen hebt, U in allen nood aan te roepen, en uit uwe onuitsprekelijke barmhartigheid beloofd hebt onze gebeden te verhooren, niet van wege onze verdiensten die geene zijn, maar om de verdiensten van onzen Heer Jezus Christus, dien gij ons tot een' Middelaar en Voorspreker voorgesteld hebt; zoo verzaken wij alle andere hulp, en hebben onze toevlugt alleen tot uwe barmhartigheid. ook, o Heer! bij die kastijdin gen, die Gij ons dagelijks zij toeschikkende, dat Gij u te regt over ons vertoornt. Want aangezien dat Gij regtvaardig zijt, zoo straft Gij niemand zonder oorzaak; en wij zien ook nog uwe hand verheven, om ons nog meer te straffen. Maar al ware het, dat Gij ons nog veel harder straftet, dan Gij tot nog toe gedaan hebt, ja al vielen al de plagen over ons, waarmede Gij de zonden van uw volk Is raël bezocht hebt, zoo zouden wij nogtans moeten bekennen, dat Gij ons geen onregt doen zoudt. een Maar, o Heer! Gij zijt onze God, en wij zijn maar aarde en stof; Gij zijt onze Schepper, en wij zijn het werk uwer handen Gij zijt onze Herder, en wij zijn uwe schapen; Gij zijt onze Verlosser, en wij zijn het, die g verlost hebt; Gij zijt onze Va der, en wij zijn uwe kinderen en erfgenamen. Daarom, straf Eerstelijk, o Heer! benevens ons toch niet in uwen toorn, de ontelbare weldaden, die Gij maar kastijd ons genadiglijk. En in het gemeen aan alle menschen onderhoud veel meer het werk, op aarde bewijst, hebt Gij ons dat Gij in ons door uwe barminzonderheid zoo vele genade hartigheid begonnen hebt, opdat gedaan dat het ons onmogelijk de gansche wereld wete en be is, die te bedenken of uit te kenne, dat Gij onze God en Za spreken namelijk, dat gij ons ligmaker zijt. Uw volk Israel verlost hebt uit de jammerlijke heeft U zoo menigmaal ver dienst des duivels en alle afgo- toornd, en Gij hebt hen te reg derij, waarin wij gevangen la- gestraft, maar zoo dikwijls zu gen, en hebt ons gevoerd tot het bich wederom tot U bekeerden, licht uwer waarheid, en tot de hebt Gij hen altijd in genade aankennis van uw heilig Euange- genomen. En hoe zwaar ook lium. hunne zonden en misdaden wadoor onze ondankbaarheid deze ren, zoo hebt Gij nogtans die uwe weldaden vergeten, wij plagen, welke hun toebereid wa zijn van U afgeweken, en heb- ren, afgewend van wege het ver ben onze eigene begeerlijkheden bond, hetwelk Gij gemaakt hebt gevolgd, U niet eerende, ge- met uwe dienaren, Abraham, lijk wij schuldig waren. Daarom Izak en Jakob, en hebt alzoo hebben wij gruwelijk gezondigd, het gebed uws' volks nooit van o Heer! en U grootelijks ver- U verstooten. Nu hebben w toornd, dat wij, zoo Gij met ons door uwe genade even dat zelf wildet handelen, naar dat wij de verbond, hetwelk gij in de verdiend hebben, niet anders hand van Jezus Christus onzen zouden hebben te verwachten, Middelaar tusschen U en alle dan den eeuwigen dood en de geloovigen hebt opgerigt: ja Ja wij merken het is nu zoo veel heerlijker en Verdoemenis. hiach AAAA CHRISTELIJKE GEBEDEN. krachtiger, nadat Christus, met zijn heilig lijden en sterven en zijnen ingang in zijne heerlijkheid, hetzelve bevestigd en vervuld heeft. Daarom, o Heer! verzakende ons zelven, en alle menschelijke hulp, hebben wij onze toevlugt alleen tot het zalige genadeverbond, door hetwelk onze Heer Jezus Christus ( tot eene volkomene offerande zijn ligchaam éénmaal aan het kruis voor ons overgevende) ons met U in eeuwigheid verzoend heeft. Daarom, o Heer! zie aan het aanschijn uws Gezalfden, en niet onze zonden, opdat uw toorn door zijn voorbidden gestild worde, en dat uw aanschijn over ons lichte tot onze vreugde en zaligheid. 21 roeijen alle valsche leeraars, grijpende wolven en huurlingen, die hunne eigene eer en nuttigheid zoeken, en niet de eer uws heiligen naams alleen, noch der armen menschen welvaart en zaligheid. Wil ook al uwe Christelijke gemeenten, die Gij overal geroepen hebt, genadiglijk bewaren en regeren, in eenigheid des waarachtigen geloofs en godzaligheid des levens, opdat uw Rijk dagelijks toeneme, en des satans rijk te niet ga, tot dat uw Rijk volkomen worde, als Gij alles in allen zijn zult. Inzonderheid bidden wij U voor de Overheden, die het U beliefd heeft over ons te stellen; voor de Hoog Mogende Heeren Staten Generaal van deze Vereenigde Nederlanden, en voor den Raad van Staat, voor N. onzen getrouwen Gouverneur, voor mijne Heeren de Staten van dit Land, en de Heeren Gecommitteerde Raden, voor mijne Heeren van den Hove Provinciaal; en voor den achtharen Magistraat, Schout, Burgemeesteren Schepenen en Raad dezer Stad. Verleen hun allen uwe genade en gaven, een iegelijk in zijn beroep en staat, waarin hij van U gesteld is, opdat zij het volk, dat Gij hun toevertrouwd hebt, wijs regeren, kloek beschermen, uwe dienst getrouw handhaven, en de justitie aan hunne onderdanen regt bedienen. Wil met uwen Heiligen Geest in hunne zamenkomsten, opdat zij in alle zaken, niet anders dan hetgeen goed en behoorlijk is, besluiten, en daarna hetzelve ook gelukkig uitvoeren mogen; ten einde deze Landen de kwaaddoeners gestraft, en de van hunne vijanden bewaard naam daardoor geëerd, en het vromen voorgestaan zijnde, uw ningen, Christus Jezus, beRijk van den Koning der Kovorderd moge worden, en wij een gerust en stil leven leiden moWil ons ook voortaan in uw heilig geleide en uwe bescherming aannemen en ons regeren met uwen Heiligen Geest, die dagelijks meer en meer ons vleesch met al zijne wellusten doodende, ons vernieuwe tot een beter leven, en in ons voortbrenge waarachtige vruchten des geloofs, waardoor uw naam in eeuwigheid geloofd en geprezen worde, en wij met vurige begeerte alle vergankelijke dingen verachtende, alleen aan de hemelsche mogen gedenken. En overmits het U behaagt, dat men bidde voor alle menschen, wij bidden U, dat Gij uwen zegen strekken wilt over de leer van uw heilig Evangelium, opdat het overal verkon- voorzitten digd en aangenomen worde, opdat de gansche wereld vervuld worde met uwe zaligmakende opdat de onwetende bekeerd, de zwakke gesterkt worde. en een iegelijk uwen heiligen naam, niet alleen met woorden, maar ook met de daad grootmake en heilige. kennis. Wil tot dat einde getrouwe Dienaars in uwen oogst zenden en die zelf alzoo begaven, dat zij hunne dienst getrouw mogen bedienen. Daarentegen wil uit VivivivivAVAVIVINAVIVANS iVivi KATHAHAR GEBEDEN. Om alle deze dingen bidden wij U, gelijkerwijs onze getrouwe Heer en Zaligmaker Jezus Christus ons zelf geleerd heeft: Onze Vader, enz. 22 CHRISTELIJKE mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. Verder bidden wij U voor onze medebroeders, die onder den Paus of Turk vervolging lijden. Wil hen met uwen Heiligen Geest troosten, en genadig daaruit verlossen; laat niet toe, dat Christenheid ganschelijk uwe verwoest, en de gedachtenis uws naams op aarde uitgeroeid worde, dat niet de vijanden uwer waarheid zich beroemen tot uwe oneer en lastering. Maar indien het uwe Goddelijke wil is, dat de gevangene Christenen met hunnen dood der waarheid getuigenis geven, en uwen naam prijzen, zoo geef hun troost in hun lijden, dat zij zulks van uwe Vaderlijke hand opnemen, en daarom uwen wil volgende, volstandig blijven, hetzij in leven of in sterven, tot uwe eer, tot stichting uwer gemeente en tot hunne zaligheid. O hemelsche Vader! uw woord Wij bidden U ook voor allen, is volkomen en bekeert de ziedie Gij kastijdt met armoede, len, eene waarachtige getuigegevangenis, krankheid des lig- nis, den ongeleerden wijsheid chaams of aanvechting des gees- gevende, en der blinden oogen tes. Troost hen allen, o Heer! verlichtende, een krachtig midnaar dat Gij weet, dat hun nood del ter zaligheid voor allen, die Maar overmits wi is eischende. Geef, dat hunne gelooven. kastijding hun diene tot kennis van nature niet allen blind, hunner zonden, en betering huns maar onbekwaam zijn tot eenig levens. Wil hun ook geven vol- goed; en dat Gij ook niemand standig geduld, verzoet hun lij- helpen wilt, dan die ootmoedig den, en verlos hen eindelijk; en verslagen zijn van hart; bid opdat zij zich over uwe goed- den wij U, dat Gij ons verstand heid verblijden, en uwen naam wilt verlichten met uwen Heilieeuwiglijk prijzen. gen Geest, en ons geven een Eindelijk, o Heer! wil ons en de zachtmoedig hart, van hetwelk onzen, mitsgaders alles wat ons alle opgeblazenheid en vleescheaangaat, in uwe bewaring ne- lijke wijsheid geweerd is: opdat men. Geef, dat wij in ons beroep naar uwen wil mogen leven, en de gaven, die wij van uwen zegen ontvangen, alzoo gebruiken, dat zij ons niet verhinderen, maar veel meer tot het eeuwig ieven bevorderlijk zijn. Sterk ons ook in alle aanvechtingen, opdat wij, in het ware geloof strijdende, overwinnen mogen, en hier namaals met Christus het eeuwige leven bezitten. wij, uw woord hoorende, hetzelve regt verstaan mogen, en ons leven daarnaar aanstellen. Wil ook genadiglijk bekeeren allen, die nog van uwe waarheid afdwalen, opdat wij allen te zamen U eendrachtiglijk dienen, in waarachtige heiligheid en ge regtigheid al de dagen van ons leven. Dit begeeren wij alleen om Christus wil, die ons in zij nen naam aldus heeft leeren bidden Daarna wordt de gemeente verlaten met den gewonen zegen. Ontvangt den zegen des Heeren! DE HEER ZEGENE U, EN BEHOEDE UI DE HEER DOE ZIJN AANGEZIGT OVER U LICHTEN EN ZIJ U GENADIG! DE HEER VERHEFFE ZIJN AANGEZIGT OVER U ΕΝ GEVE U VREDE! Amen. Een gebed vóór de leer van den Catechismus. TAVAVAR VAHAUFNAUFVE OF VAVA CHRISTELIJKE GEBEDEN. den, en ook belooft te verhoo-| wij hebben berouw en leedweren: Onze Vader, enz. zen, dat wij u vertoornd hebben, wij beschuldigen ons zelven, en beklagen onze misdaden, begeerende, dat Gij genadiglijk onze ellendigheid wilt aanzien. Wil U over ons ontferEen gebed na de leer van den Catechismus. 23 O genadige, barmhartige God men, o allergoedertierendste God en Vader! wij danken U, dat en Vader; en ons vergeven al Gij niet alleen ons in uw veronze zonden, om het heilig lijbond genomen hebt, maar ook den van uwen lieven Zoon Jezus onze kleine kinderen, hetwelk Christus. Wil ons ook verleeGij hun niet alleen verzegeld nen de genade van uwen Heilihebt door den heiligen doop, gen Geest, die ons onze ongemaar ook dagelijks bewijst, als regtigheden van ganscher harte Gij uwen lof volmaakt uit hun- leere kennen, en ons zelven regt nen mond, om alzoo de wijze mishagen: opdat de zonde in ons wereld te beschamen. Wij bid- moge gedood worden, en wij in den U, vermeerder in hen uwe een nieuw leven opstaan, in hetgenade, dat zij in Christus, uwen welk wij opregte vruchten der Zoon, altijd toenemen en was- heiligheid en geregtigheid voortsen, tot dat zij hunnen volkomen mannelijken ouderdom in alle wijsheid en geregtigheid erlangen. Geef ons ook genade, dat wij hen in uwe kennis en vreeze, gelijk Gij ons bevolen hebt, onderwijzen, opdat door hunne godzaligheid' het rijk des satans verstoord worde, en het Rijk van Jezus Christus in deze en andere gemeenten versterkt worde, tot eer vau uwen heiligen naam, en tot hunne eeuwige zaligheid, door Jezus Christus. Amen. Dat ook onze brengen, die U door Jezus Christus mogen aangenaam zijn. Wil ons ook uw heilig woord naar uwen Goddelijken wil te verstaan geven, dat wij daaruit al ons vertrouwen op U alleen leeren stellen, en van alle schepselen aftrekken. oude mensch met al zijne begeerten van dag tot dag meer en meer gekruisigd worde, en dat wij ons U opofferen tot een levend offer, ter eere van uwen heiligen naam, en tot stichting van onzen naaste, door onzen Heer Jezus Christus, die ons heeft geleerd en Een kort gebed vóór de Pre- bevolen alzoo te bidden; Onze dikatie in de week. Vader, enz. Hemelsche Vader, eeuwige en barmhartige God, wij bekennen en belijden voor uwe Goddelijke Majesteit, dat wij arme ellendige zondaren zijn, ontvangen en geboren in alle boosheid en verderf, geneigd tot alle kwaad en onnut tot eenig goed; en dat wij met ons zondig leven, zonder ophouden uwe heilige geboden overtreden waardoor wij uwen toorn tegen ken, en naar oordeel, op ons Een kort gebed na de Predikatie in de week. Heer, almagtige God! laat uwen heiligen naam om onzer zonden wil niet gelasterd worden; want wij hebben op menigerlei wijze tegen U gezondigd, mitsdien wij uw heilig woord niet gehoorzaam zijn, zoo als het betaamt; ons verweken met onwetendheid en murmuuw regtvaardig reren uwen toorn dagelijks tegen laden de eeuwions verwekken: daarom straft ge verdoemenis. Maar, o Heer! gij ons te regt. Maar, o Heer! zijt ge AVIVA AN!!! ///// A NE42 VOIVATNAR CHRISTELIJKE GEBEDEN. gedachtig aan uwe groote barm-, belofte, vergeven al onze zonhartigheid, en ontferm U over ons. Geef ons kennis en leedwezen over onze zonden, en betering onzes levens. Sterk de Dienaars uwer Kerken, opdat zij getrouw en standvastig uw heilig woord mogen verkondigen; en de Overheid uws volks opdat zij het wereldlijke zwaard met geregtigheid en bescheidenheid mogen voeren. Bewaar ons voor alle valschheid en ontrouw. Verstoor alle booze en listige raadslagen, die tegen uw Woord en Kerk overdacht worden. O Heer! onttrek ons niet uwen Geest en uw Woord, maar geef ons vermeerdering des geloofs en in alle kruis en tegenspoed lijdzaamheid en standvastigheid. Kom uwer Kerk te hulp, verlos haar van allen overlast, bespotting en tirannij. Sterk ook alle zwakke en bedroefde harten, en zend ons uwen vrede, door Jezus Christus, onzen Heer, die ons deze zekere belofte gegeven heeft voorwaar, voorwaar, ik zeg u, al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam,[ dat] zal Hij u geven, en heeft ons alzoo bevolen te bidden: Onze Vader, enz. den, om het heilig lijden en bloedvergieten van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus: want zij zijn ons van harte leed. Verlicht ook onze harten, opdat wij, alle werken der duisternis afgelegd hebbende, als kinderen des lichts, in een nieuw leven mogen wandelen, in alle Godzaligheid. Geef ook uwen zegen tot de verkondiging van uw Goddelijk woord. Verstoor alle werken des duivels. Sterk all Kerkendienaars en Overheden uws volks. Troost alle vervolgde en benaauwde harten, door Jezus Christus, uwen lieven Zoon, die ons beloofd heeft, dat Gij ons alles, wat wij in zijnen naam bidden, zekerlijk geven zult, en daarom ons alzoo heeft leeren bidden: Onze Vader, enz. 24 Het Avondgebed. Het Morgengebed. O barmhartige Vader! wij danken U, dat Gij dezen nacht zoo getrouw voor ons gewaakt hebt, en bidden U, dat Gij ons wilt sterken met uwen Heiligen Geest, die ons voortaan geleide, dat wij dezen dag, mitsgaders al de dagen onzes levens, mogen besteden tot alle geregtigheid en heiligheid en wat wij in handen nemen, dat onze oogen altijd zien; om uwe eer te verbreiden, O barmhartige God, eeuwig licht, schijnende in de duisternis, Gij, die verdrijft den nacht der' zonden en alle blindheid des harten! naardien gij den nacht verordend hebt om te rusten, gelijk den dag om te arbeiden; bidden wij u, geef, dat onze ligchamen in vrede en stilheid rusten, opdat zij daarna be kwaam zijn mogen te lijden den arbeid, dien zij dragen moeten. Matig onze slaap, dat die niet onordelijk zij, opdat wij aan ligchaam en ziel onbevlekt mogen blijven, ja dat onze slaap zelfs geschiede tot uwe eer. Verlicht de oogen van ons ver stand, dat wij in den dood niet ontslapen, maar altijd verwachten onze verlossing uit deze ellendigheid. Bescherm ons ook voor alle aanvechting des duialzoo dat wij al den voorspoed vels, ons in uw heilig geleide onzer voornemens van uwe milde dag En hoewel wij denemende. zen niet doorgebragt hebben, zonder tegen U grootelijks gezondigd te hebben, hebben wij U₁ hand alleen verwachten. En op dat wij zulk eene genade van U verkrijgen, ons, naar uwe AAR CHRISTELIJKE GEBEDEN. U, wil onze zonden bedekken met uwe barmhartigheid, gelijk Gij alle dingen op aarde met de duisternis des nachts bedekt, opdat wij daarom van uw aanschijn niet verstooten worden. Geef ook rust en troost aan alle kranken, bedroefde en aangevochtene harten, door onzen Heer Jezus Christus, die ons alzoo heeft leeren bidden: Onze Vader, enz. Een gebed vóór het eten. Ps. CXLV: 15, 16. 15. Aller oogen wachten op U; en Gij geeft hun hunne spijs te zijner tijd. 16. Gij doet uwe hand open, en verzadigt al wat er leeft, [ naar uw] welbehagen. Heer, almagtige God, Gij, die alles geschapen hebt, en' nog door uwe Goddelijke kracht onderhoudt, en het volk Israël in de woestíjn gespijzigd hebt! wil uwen zegen strekken over ons, we arme dienaars, en ons heiligen deze gaven, die wij van uwe milde goedheid ontvangen, opdat wij ze matig en heilig naar uwen goeden wil mogen gebruiken, en daardoor bekennen, dat Gij onze Vader, en de Oorsprong van alle goed zijt. Geef ook, dat wij altijd, en vóór alle dingen, zoeken het geestelijke brood uws woords, met hetwelk onze ziel gespijzigd worde ten eeuwigen leven, hetwelk Gij ons bereid hebt door het heilig bloed van uwen lieven Zoon, onzen Heer Jezus Christus. Amen. Onze Vader enz. Alzoo vermaamt ons onze Heer Jezus Christus. Luk. XXI: 34, 35. 34. Wacht u zelven, dat uwe hurten niet te eeniger tijd bezwaard worden met brasserij FUFUFUFAFAEVAV 25 en dronken sehap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens [ over] kome. 35. Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den ganschen aardbodem gezeten zijn. Een gebed na het eten. Alzoo spreekt de HEER in het vijfde Boek van Mozes, Deut. VIII: 10, 11. 10. Als gij dan zult gegeten hebben en verzadigd zijn, zoo zult gij den HEER, uwen God, loven over dat goede land, hetwelk Hij u, zal hebben gegeven. 11. Wacht u, dat gij den HEER uwen God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden zijne geboden, en zijne regten, en zijne inzettingen, die ik u heden gebiede. Heer God, hemelsche Vader! wij danken' U voor al uwe weldaden, die wij zonder ophouden van uwe milde hand ontvangen, dat uw Goddelijke wil is, ons te onderhouden in dit tijdelijke leven, en ons te verzorgen met al onze nooddruft: maar inzonderheid, dat Gij ons herboren hebt tot de hoop op een beter leven, hetwelk Gij ons geopenbaard hebt door uw heilig Euangelium. Wij bidden U, barmhartige God en Vader! dat Gij niet toelaat, dat onze harten hier in deze aardsche en vergankelijke dingen zouden geworteld zijn; maar dat wij altijd mogen opwaarts zien ten hemel, verwachtende onzen Zaligmaker Jezus Christus, tot dat hij op de wolken verschijnen zal tot onze verlossing. Amen. Onze Vader, enz. FOR AVAVA AVIVAVAVAVAVAUVAV VOINNINA 26 FORMULIER VAN DEN H. DOOP. FORMULIER, om den heiligen Doop te bedienen aan de kleine kinderen der geloovigen. De hoofdsom van de leer des heiligen Doops is in deze drie stukken begrepen: Eerstelijk, dat wij met onze kinderen in zonden ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns zijn, zoodat wij in het rijk van God niet mogen komen, tenzij wij van nieuwsgeboren worden. Dit leert ons de ondergang en besprenging met het water, waardoor ons de onreinheid onzer zielen wordt aangewezen, opdat wij vermaand worden, een mishagen aan ons zelven te hebben, ons voor God te verootmoedigen, en onze reinigmaking en zaligheid buiten ons zelven te zoeken. Ten tweede betuigt en verzegelt ons de heilige Doop de afwassching der zonden door Jezus Christus. Daarom worden * wij gedoopt in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade oprigt, ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of te onzen beste keeren wil. En als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat hij ons wascht in zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap zijns doods en zijner wederopstanding inlijvende, alzoo dat wij van al onze zonden bevrijd, en regtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig Sacrament, dat hij bij ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zonden, en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden. Ten derde. Overmits in alle verbonden twee deelen begrepen zijn, zoo worden wij ook weder van God door den Doop vermaand en verpligt tot eene nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden, en in een nieuw godzalig leven wandelen. En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zoo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ongetwijfelde getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben. En hoewel onze jonge kinderen deze dingen niet verstaan, zoo mag men dezelve nogtans daarom van den Doop niet uitsluiten, aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzoo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden, gelijk God spreekt tot Abraham, den Vader van alle geloovigen, en overzulks mede tot ons en onze kinderen: Gen. XVII; 7, zeggende: Ik zal mijn verbond oprigten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond om voor u te zijn tot eenen God, en voor uw zaad na u. Dit AAAAA FORMULIER VAN DEN H. DOOP. 27 Dit betuigt ook Petrus, Hand.| lijk dragen mogen, hem aanII: 39 met deze woorden: Aan hangen met waarachtig geloof, u komt de belofte toe, en aan vaste hoop en vurige liefde, uwe kinderen, en aan allen, dat zij dit leven;( hetwelk die verre zijn, zoo velen als toch niet anders is dan een geer de Heer, onze God, toe stadige dood,) om uwen wil, roepen zal. getroost verlaten, en ten laatsten dage voor den regterstoel van Christus, uwen Zoon, zonder verschrikken mogen verschijnen, door denzelven, onzen Heer, Jezus Christus, uwen Zoon, die met U en den Heiligen Geest, één eenig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Amen. Daarom heeft hen God voormaals bevolen te besnijden, hetwelk een zegel des verbonds en der geregtigheid des geloofs was gelijk ook Christus hen omhelsd, de handen opgelegd en gezegend heeft. Mark. X: 16. Dewijl dan nu de Doop in de plaats der Besnijdenis gekomen is, zoo zal men de jonge kinderen, als erfgenamen van het rijk van God en van zijn verbond doopen en de ouders zulien gehouden zijn hunne kinderen, in het opwassen, hiervan breeder te onderwijzen. Opdat wij dan ook deze heilige ordening van God, tot zijne eer tot onzen troost en tot stichting der gemeente uitrigten mogen, zoo laat ons zijnen heiligen naam aldus aanroepen: Vermaning aan de Ouders, en die mede ten Doop komen. Geliefden in den Heer Christus! gij hebt gehoord, dat de Doop eene ordening van God is, om aan ons en aan onze kinderen zijn verhond te verzegelen; daarom moeten wij denzelven tot dat einde, en niet uit gewoonte of bijgeloovigheid gebruiken. Opdat het dan openbaar worde, dat gij alzoo gezind zijt, zult gij van uwent wege hier op ongeveinsd antwoorden: Ỏ almagtige, eeuwige God! ( Gij, die naar uw streng oordeel Eerstelijk, hoewel onze kindede ongeloovige en onboetvaar- ren in zonden ontvangen en gedige wereld met den zondvloed boren zijn, en daarom aan algestraft hebt, en den geloovigen lerhande ellendigheid, ja aan Noach met hun achten, naar de verdoemenis zelve onderuwe groote barmhartigheid be- worpen, of gij niet bekent houden en bewaard; Gij, die dat zij in Christus geheiligd den verstokten Farao, met al zijn, en daarom, als lidmaten zijn volk, in het Roode meer zijner gemeente, behooren geverdronken hebt, en uw volk Is- doopt te wezen? raël droogvoets daardoor ge- Ten andere of gij de leer, leid, door hetwelk de Doop die in het Oude en Nieuwe Tesbeduid werd!) wij bidden U, tament, en in de Artikelen des bij uwe grondelooze barmhar Christelijken geloofs begrepen tigheid, dat Gij deze kinderen is, en in de Christelijke Kerk genadig wilt aanzien, en door alhier geleerd wordt, niet beuwen Heiligen Geest uwen Zoon kent, de waarachtige en volJezus Christus inlijven; opdat komene leer der zaligheid te zij met hem in zijnen dood be- wezen? graven worden, en met bem mogen opstaan in een nieuw leven; opdat zij hun kruis, hem dagelijks navolgende, vro- gekomen zijn, een iegelijk de Ten derde, of gij niet belooft en u voorneemt, deze kinderen, als zij tot hun verstand zullen zij AVIVAAHVAT 28 zijnen, waarvan hij vader( moeder) of getuige is, in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen, of te doen en te helpen onderwijzen? FORMULIER VAN DEN H. DOOP. Antw. Ja wij. Daarna in het doopen spreekt de Dienaar des goddelijken woords aldus: N, IK DOOP U IN DEN NAAM DES VADERS, EN DES ZOONS, EN DES HEILIGEN GEESTES. Dankzegging. Almagtige, barmhartige God en Vader! wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen, door het bloed van uwen lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door uwen Heiligen Geest tot lidmaten van uwen eeniggeboren' Zoon, en alzoo tot uwe kinderen aangenomen hebt, en ons hetzelve met den heiligen Doop verzegelt en bekrachtigt. Wij bidden U ook, door denzelven uwen lieven Zoon, dat Gij deze gedoopte kinderen met uwen Heiligen Geest altijd wilt regeren, opdat zij Christelijk en godzalig opgevoed worden, en in den Heer Jezus Christus wassen en toenemen, opdat zij uwe Vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hun en ons allen bewezen hebt, mogen bekenen in alle geregtigheid, onder onzen eenigen Leeraar Koning en Hoogepriester, Christus Jezus, leven, en vromelijk tegen de zonde, den duivel en zijn gansche rijk strijden en overwinnen mogen, om U, en nen, uwen Zoon Jezus Christus, mitsgaders den Heiligen Geest, den eenigen en waarachtigen God, eeuwig te loven en te prijzen. Amen. FORMULIER, om het heilige Avondmaal te houden. Geliefden in den Heer Jezus Christus! hoort aan de woorden van de inzetting van het heilige Avondmaal van onzen Heer Jezus Christus, welke ons beschrijft de heilige Apostel Paulus, 1 Kor. XXI: 23-29. Want ik heb van den Heer ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heer Jezus in den nacht, in welken hij verraden werd, het brood nam: en als i gedankt had, brak hij het, en zeide: neemt, eet, dat is mijn ligchaam, hetwelk voor u gebroken wordt: doet dat tot mijne gedachtenis! Desgelijks [ nam] hij ook den drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide: deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijn blocd: doet dat, zoo dikwijls als gij[ dien] zult drinken, tot mijne gedachtenis! Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, tot dat hij komt! Zoo dan, wie onwaardig dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het ligchaam en bloed des Heeren. Maar de mensch be proeve zich zelven, en ete at zoo van het brood, en drinke van den drinkbeker: want die onwaardig eet en drinkt die eet en drinkt zich zelven een oordeel, niet onderschei dende het ligchaam des Heeren. Opdat wij nu tot onzen troost des Heeren Avondmaal mogen houden, is vóór alle dingen noodig; eerstelijk, dat wij ons te voren regt beproeven; ten an dere, dat wij het tot dat einde rigten, waar toe het de Heer TAAAAA FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL. 29 Heer Christus verordend en in-| Christus en den Apostel Paulns gezet heeft, namelijk, tot zijne gedachtenis. allen, die zich met deze navolgende ondeugden besmet weten, vermanen: van de tafel des Heeren zich te onthouden; en verkondigen hun, dat zij geen deel in het Rijk van Christus hebben: als daar zijn alle afgodendienaars; allen, die verstorvene heiligen, Engelen of andere schepselen aanroepen; allen, die den beelden eere aandoen; alle toovenaars en waarzeggers, die vee of menschen, mitsgaders aandere dingen zegenen, en die aan zulke zegeningen geloof geven; alle verachters van God en zijn woord, en van de heilige Sacramenten; alle Godslasteraars; allen, die tweedragt, sekten en muiterij in Kerken en wereldlijke regeringen begeeren aan te rigten; alle meineedigen; allen, die hunnen ouderen en Overheden ongehoorzaam zijn; alle doodslagers, kijvers en die in haat en nijd tegen hunnen naaste leven; alle echtbrekers, hoereerders, dronkaards, dieven, woekeraars, roovers, spelers, gierigaards, en al degenen, die een ergerlijk leven leiden; deze allen, zoo lang zij in zulke ondeugden blijven, zullen zich van deze spijze( welke Christus alleen voor zijne geloovigen verordend heeft) onthouden, opdat hun gerigt en hunne verdoemenis niet des te zwaarder worde. Maar dit wordt ons, zeer geliefde Broeders en Zusters in den Heer! niet voorgehouden, om de verslagene harten der geloovigen kleinmoedig te maken, als of niemand tot het Avondmaal des Heeren gaan mogt, dan die zonder eenige zonde ware. Want wij komen niet tot dit Avondmaal, om daarmede te betuigen, dat wij in ons zelven volkomen en regtvaardig zijn; maar in tegendeel, aangezien wij ons leven buiten ons zelven in Jezus Christus zoeken, zoo bekennen wij daarmede, dat wij midDe waarachtige beproeving van ons zelven bestaat in deze drie stukken: de toorn Ten eerste, bedenke een iegelijk bij zich zelven zijne zonden en vervlocking, opdat hij zich zelven mishage, en zich voor God verootmoedige: aangezien van God tegen de zonde zoo groot is, dat Hij die( eer Hij dezelve ongestraft liet blijven) aan zijnen lieven Zoon Jezus Christus, met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft. Ten andere, onderzoeke een iegelijk zijn hart, of hij ook deze gewisse belofte van God gelooft, dat hem al zijne zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus; vergeven zijn; en de volkomene geregtigheid van Christus hem als zijne eigene toegereen geschonken zij; ja zoo volkomen, als of hij zelf in eigen persoon, voor al zijne zonden betaald, en alle geregtigheid volbragt had. kend Ten derde, onderzoeke een iegelijk zijn geweten, of hij ook gezind is, voortaan met zijn gansche leven, waarachtige dankbaarheid jegens God, den Heer te bewijzen, en voor Gods aangezigt opregt te wandelen: insgelijks, of hij zonder eenige geveinsdheid, alle vijandschap, haat en nijd van harte afleggende, een naarstig voornemen heeft, om van nu voortaan in waarachtige liefde en eenigheid met zijnen naaste te leven. Allen, die dan alzoo gezind zijn, wil God gewisselijk in genade aannemen, en voor waardige medegenooten van de tafel zijns Zoons Jezus Christus houden. Daarentegen die deze getuigenis in hunne harten niet gevoelen, die eten en drinken zich zelven een oordeel. Waarom wij ook, naar het bevel van VALAVAVAVA AA! A! /\/\/ VINAVINAAH 30 FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL. midden in den dood liggen.| re smaadheden geleden heeft, Daarom, al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk, dat wij geen volkomen geloof iebben, dat wij ons ook met zulken ijver om God te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof, en de booze lusten van ons vleesch te strijden hebben nogtans des niettegenstaande, overmits ons( door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken leed zijn, en wij van harte begeeren tegen ons ongeloof te strijden, en naar alle geboden van God te leven; zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geene zonde noch zwakheid, die nog( tegen onzen wil) in ons overgebleven is, ons kan hinderen, dat God ons niet in genade zou aannemen, en alzoo deze hemelsche spijze en drank waardig en deelachtig zou maken. Ten andere, laat ons nu ook| overdenken, waartoe ons de Heer zijn Avondmaal heeft ingezet, namelijk, dat wij zulks doen zouden tot zijne gedachtenis: Maar aldus zullen wij aan hem daar bij gedenken: Eerstelijk, dat wij ganschelijk in onze harten vertrouwen, dat onze Heer Jezus Christus,( naar de beloften, die aan de voorvaderen in het Oude Testament van het begin af geschied zijn) van den Vader in deze wereld gezonden is, ons vleesch en bloed aangenomen, den toorn van God ( onder welken wij eeuwig hadden moeten verzinken), van het begin zijner menschwording tot het einde zijns levens, op de aarde voor ons gedragen en alle gehoorzaamheid der Goddelijke wet, en geregtigheid voor ons vervuld heeft, voornamelijk, toen hem de last van onze zonden, en van den toorn van God het bloedige zweet in den hof uitgedrukt heeft; waar hij gebonden werd, opdat hij ons zou ontbinden; daarna ontelbaopdat wij nimmer te schande zouden worden; onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het gerigt van God zouden vrijgesproken worden: ja zijn gezegend ligchaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat hij het handschrift onzer zonden daaraan zou hechten; en heeft alzoo de vervloeking van ons op zich geladen, opdat hij ons met zijne zegeningen vervullen zou; en heeft zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel, met ligchaam en ziel, aan het hout des kruises, toen hij riep met luide stem: mijn God, mijn God! waar om hebt Gij mij verlaten? opdat wij tot God zouden genomen, en nimmer van Hem verlaten worden; en heeft eindelijk, met zijnen dood en zijne bloedstorting, het Nieuwe en eeuwige Testament, het Verbond der genade en der verzoening besloten, als hij zeide het is volbragt! nam En opdat wij vast zouden gelooven, dat wij tot dit Genadeverbond behooren, nam de Heer Jezus in zijn laatste Avondmaal het brood, dankte, brak het en gaf het aan zijne jongeren, en sprak: neemt, eet, dat is mijn ligchaam, hetwelk voor u gegeven wordt: doet dat tot mijne gedachtenis! Desgelijks na het Avondmaal, hij den drinkbeker, zeide dank, en sprak: drinkt allen daaruit: deze beker is het Nieuwe Testament in mijn bloed, hetwelk voor u en voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden; doet dat, zoo dikwijls als gij daarvan drinkt, tot mijne gedachte nis! dat is: zoo dikwijls güj van dit brood eet, en uit dezen beker drinkt, zult gij daardoor, als door eene gewisse gedachtenis en pand, vermaand en verzekerd worden van deze mijne hartelijke liefde en trouw je AAAAA 7 FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL. 31 Jegens u, dat ik voor u( daar zullen wij allen, die door het gij anders den eeuwigen dood waarachtig geloof Christus ingehadt moeten sterven) mijn lig- lijfd zijn, door broederlijke liefchaam aan het hout des kruis- de. om Christus, onze lieven ses in den dood geve, en mijn Zaligmakers wil, die ons te vobloed vergiete, en uwe honge- ren zoo uitnemend heeft liefgerige en dorstige zielen met dit had, allen te zamen één ligmijn gekruiste ligchaam en ver- chaam zijn, en zulks niet alleen goten bloed tot het eeuwige le- met woorden, maar met de daad ven spijze en lave, zoo zeker, jegens elkander bewijzen. als een iegelijk dit brood voor zijne oogen gebroken, en deze beker hem gegeven wordt, en gij dezelve tot mijne gedachtenis met uwen mond eet en drinkt. Daartoe helpe ons de almagtige God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, door zijnen Heiligen Geest! Amen. Uit deze inzetting des heiligen Avondmaals van onzen Heer Jezus Christus zien wij, dat hij ons geloof en vertrouwen op zijne volkomene offerande( die cenmaal aan het kruis geschied is) als op den eenigen grond van onze zaligheid wijst, daar hij onze hongerige en dorstige zielen tot eene waarachtige spijze en drank des eeuwigen levens geworden is. Want door zijnen dood heeft hij de oorzaak van onzen eeuwigen honger en kommer, namelijk, de zonde, weggenomen en ons den levendmakenden Geest verworven; opdat wij door dien Geest( die in Chirstus als in het Hoofd, en in ons als zijne lidmaten, woont) met hem waarachtige gemeenschap zouden hebben, en aan al zijne goederen, het eeuwige leven, de geregtigheid en heerlijkheid deelachtig worden. Daarbenevens, dat wij ook door dien Geest onder elkander, als lidmaten van één ligchaam, in waarachtige broederlijke liefde verbonden worden, gelijk de heilige Apostel spreekt: een brood[ is het, 200] zijn wij velen één lig- kenende, en met alle dingen chaam, dewijl wij allen aan naar ligchaam en ziel verzorgenéén brood deelachtig zijn. de, als uwe lieve kinderen en Want gelijk uit vele graankor- erfgenamen. Verleen ons ook rels één meel gemalen, en één uwe genade, dat wij getroost ons brood gebakken wordt, en uit kruis op ons nemen, ons zelven vele bezien, zamengeperst zijn- verloochenen, onzen Heiland bede, één wijn en drank vliet, en kennen, en in alle droefenis met zich onder een vermengt; alzoo een opgeheven hoofd onzen Heer JeOpdat wij dan dit al mogen verkrijgen, laat ons voor God ons verootmoedigen, en Hem met waarachtig geloof om zijne genade aanroepen. " Barmhartige God en Vader! wij bidden U, dat Gij in dit. Avondmaal, waarin wij oefenen de heerlijke gedachtenis van den bitteren dood van uwen lieven Zoon Jezus Christus, door uwen Heiligen Geest in onze harten wilt werken, dat wij ons met waarachtig vertrouwen aan uwen Zoon Jezus Christus hoe langer hoe meer overgeven, opdat onze bezwaarde en verslage ne harten met zijn waarachtig ligchaam en bloed, ja met hem waarachtig God en mensch, dat eenig hemelsche brood, door de kracht des Heiligen Geestes gespijzigd en gelaafd worden; en dat wij niet meer in onze zon den, maar hij in ons, en wij in hem leven, en alzoo waarachtig aan het Nieuwe en eeuwige Testament en Verbond der genade deelachtig zijn mogen. Dat wij niet twijfelen, of Gijzult eeuwig onze genadige Vader zijn, ons onze zonden nimmermeer toere9 ALE Vivivi NAXANINAT FAUHURU 32 FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL. Jezus Christus uit den Hemel| zul men stichtelijk zingen, of verwachten, waar hij onze ster- sommige Hoofdstukken lezen ter gedachtenis van het sterfelijke ligchamen aan zijn vervan Christus dienende, klaard heerlijk ligchaam gelijk Jes. LIII, Joh. XIIImaken, en ons tot zich nemen XVIII, of dergelijke. zal in eeuwigheid. Amen. ven als Onze Vader, enz. Wil ons ook door dit heilige Avondmaal sterken in het algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof, waarvan wij bekentenis doen met mond en hart, sprekende: Ik geloof in God, enz. Opdat wij dan met het waarachtig hemelsche brood Christus gespijzigd mogen worden, zoo laat ons met onze harten niet aan het uiterlijke brood en den wijn blijven hangen; maar dezelve opwaarts in den hemel verheffen, waar Christus Jezus is, onze Voorspraak, ter regterhand zijns hemelschen Vaders, waar heen ons ook de artikelen van ons Christelijk geloof wijzen; niet twijfelende, of wij zullen zoo waarachtlg door de werking des Heiligen Geestes met zijn ligchaam en bloed aan onze zielen gespijzigd en gelaafd worden, als wij dat heilige brood en dien drank tot zijne gedachtenis ontvangen. In het breken en uitdeelen des broods zal de Dienaar spreken: Na de voleinding der Communicatie, zal de Dienaar spreken; En als hij den drinkbeker geeft: Geliefden in den Heer! dewijl de Heer nu aan zijne tafel onze zielen gespijzigd heeft, zoo laat ons al te zamen zijnen naam met dankzegging prijzen, en een iegelijk spreke in zijn hart aldus: 1. Loof den HEER, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, zijnen heiligen naam? 2 Loof den HEER, mijne ziel! en vergeet geene van zijne weldaden! 3. Die al uwe ongeregtigheid vergeeft, die al uwe krankheden geneest; 4. Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden. HET BROOD, DAT WIJ BREKEN, IS DE GEMEENSCHAP AAN HET LIGCHAAM VAN CHRISTUS. DE DRINKBEKER DFR DANKZEGGING, WAARMEDE WIJ DANKZEGGEN, IS DE GEMEENSCHAP AAN HET BLOED VAN CHRISTUS. 8. Barmhertig en genadig is de HEER, langmoedig en groot van goederlierenheid. 10. Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongeregtighe den. 11. Want zoo hoog de he mel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vreezen. 12. Zoo ver het oosten is van het westen, zoo ver doet Hij onze overtredingen van ons. 13. Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zieh de HEERE over degenen, die Hem vreezen. Welke ook zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven, en ons alles met hem geTerwijl men communiceert, schonken. Daarom, bewijst God AARAAVAANA FORMULIER VAN HET H. AVONDMAAL. 33 daarmede zijne liefde jegens ons| tot een' Middelaar en offer voor dat Christus voor ons gestorven onze zonden, en tot eene spijze is, als wij nog zondaars waren: en drank des eeuwigen levens zoo zullen wij ook veel meer door geschonken hebt; en dat Gij hem behouden worden voor zij- ons geeft een waarachtig genen toorn, naardien wij door zijn loof, waardoor wij aan zulke bloed geregt vaardigd zijn. Want uwer weldaden deelachtig worzoo wij met God verzoend zijn den. Gij hebt ons ook tot sterdoor den dood zijns Zoons, toen king daarvan, uwen lieven wij nog vijandig waren: veel Zoon Jezus Christus zijn heimeer zullen wij zalig worden lig Avondmaal laten instellen door zijn leven, naardien wij en verordenen. Wij bidden U, met Hem verzoend zijn: Daarom o Getrouwe God en Vader! dat zal mijn mond en hart des Hee- Gij, door de werking van uwen ren lof verkondigen van nu aan Heiligen Geest, de gedachtenis tot in eeuwigheid. Amen. van onzen Heer Jezus Christus en de verkondiging van zijnen dood, ons tot dagelijks toenemen in het regte geloof, en de zalige gemeenschap van Christus wilt laten gedijen: door denzelven uwen lieven Zoon Jezus Christus, in wiens naam wij onze gebeden aldus besluiten; Onze Vader, enz. Zoo spreke een tegelijk met aandachtige harten: VANAVEVAXE O Almagtige, barmhartige God en Vader! wij danken U van ganseher harte, dat Gij, uit grondelooze barmhartigheid, ons uwen eeniggeboren' Zoon AVAVAVAVAVIVAVIV VIVVIVAAMAAVTALFA GEDRUKT BIJ JOHANNES ENSCHEDE EN ZONE 1875. N. ViViViV LAVAVAVAVIVA ATVAKANINAVIHARVAVTAFA iViViViViVIVINAVIVANCE NAXANIMIVIHAAVIAUFA Apr VALST Inches 1 Centimetres Blue 2 1 3 Cyan 2 4 6 15 Farbkarte# 13 Green 7 3 8 Yellow 19 4 Red 11 12 5 13 Magenta 14 6 15 White 16 17 7 3/ Color 18 19 B.I.G. Black B