до 4311 Havm Aldelsangſ Bimolten. 1874. te GEESTELIJKE GEZANGEN. AUTZEND DANIO HONDERD EN VIJFTIG GEESTELIJKE GEZANGEN. WELKE IN DE HERVORMDE KERKEN VAN CLEVE, GULIK, BERG EN MARK added a GEZONGEN WORDEN. In het Nederduitsch berijmd DOOR A. VELINGIUS, Phil. en Theol. Doct. en Predikant te Bergen op den Zoom. sol ZANGNOOTEN VERBETERD, MET GOEDVINDEN VAN DEN OVER- KERKENRAAD OP NIEUW aviore HERDRUKT, VAN TAALFOUTEN GEZUIVERD EN DE 15 naby all ab may danas go, ba NEDERDUITSCHE ** fhad buro He ten dienste van de #gluted 200bysal 1808 10000404 HERVORMDE GEMEENTEN VAN HET timbulo VIJFDE DRUK. GRAAFSCHAP BENTHEIM. TE NORDHOORN, BIJ W. BOD E. OITTUV na 643115 Nadat de Heer BODE, Boekhandelaar alhier, bij ons heeft aangevraagd, om vrijheid te mogen hebben, de » Honderd en vijftig geestelijke Gezangen, in het Nederduitsch berijmd door VELINGIUS, ten dienste van de Nederduitsche Hervormde Gemeenten van het graafschap Bentheim," te laten herdrukken en te debiteren, zoo is denzelve van ons, met toestemming van den Koninklijken Over- Kerkeraad, deze vrijheid verleend, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat in dezen nieuwen druk alle in den derden druk voorkomende fouten verbeterd worden. Hetwelk wij ondergeteekenden op aanzoek van den Heer BODE hierdoor betuigen. NORDHOORN, 4 Januarij 1841. a01 NOVIN De Predikanten der Hervormde Gemeente aldaar, ( get.) PH. TH. SCHULTZ. L. LUCASSEN. 143 Univ.- Bibl. Giessen VOORBERIGT AAN DE NEDERDUITSCHE HERVORMDE GEMEENTEN VAN HET GRAAFSCHAP BENTHEIM. 16000 Deze eze geestelijke gezangen, welke sedert eenen geruimen tijd in de Hoogduitsche gemeenten van dit Graafschap bij de openbare Godsdienst met groote stichting gebruikt worden, herinnerden de Nederduitsche gemeen. ten gedurig aan hun gemis in dezen, en maakten, toen men vernam, dat de Heer A. VELINGIUS dezelve in het Nederduitsch vertaald had, de begeerte van velen gaande, om deze keurige Liederen ook bij de Nederduitsche Gemeenten van dit Graafschap ingevoerd te zien. Alhoewel nu reeds voor verscheidene jaren, tot de invoering derzelve, zoowel van den Hooglofl. Over- Kerkenraad, als van de Eerwaarde Classis van dit Graafschap, vrijheid gegeven was; zoo is echter de dadelijke invoering door verscheidene hinderpalen belet geworden; tot dat eindelijk, door dezelve te laten drukken met volle nooten, in zulk een formaat als gepast voor een kerkenboekje is, nadat ze op nieuw overgezien, en zoowel in nooten als woorden, hier en daar gezuiverd en verbeterd zijn, de voornaamste hinderpaal uit den weg geruimd is. Vraagt men, waarom juist deze, en niet andere gezangen, die er thans niet ontbreken, gekozen zijn? Tot antwoord dient. Vooreerst, dat het noodig was, dat de Nederduitsche gemeenten daarin met de Hoogduitsche A 3 over VOORBERIGT. overeenstemden, niet alleen omdat de Hoogduitsche gemeenten, die twee leeraars hebben, slechts als half Hoogduitsche zijn aantemerken, hebbende thans elke eenen Hoogduitschen en Nederduitschen leeraar; maar ook omdat zelfs in de Nederduitsche gemeenten vele leden zijn, die de hoogduitsche taal gebruiken. VI Ook had men, ten tweeden, zoo veel te meer reden, om deze gezangen de voorkeur te geven, zoowel omdat in dezelve zulke, werkelijk Geestelijke liederen gevonden worden, die hun weêrga missen: als ook, omdat men in deze liederen zulke hartverheffende melodiën vindt, die men elders te vergeefs zoeken zal; melodiën, die door hare gemakkelijkheid en tevens aantrekkelijke lieflijkheid, voor gemeenten, in welke het grootste getal onkundige zangers zijn, die zich niet naar de nooten, maar naar den zangtoon schikken moeten, juist berekend zijn. Men ziet dit bewaarheid in de naburige Duitsche gemeenten, vooral van het Graafschap Tecklenburg, alwaar men met verrukking niet alleen het Kerkgezaug zal hooren; maar ook zelfs de jonge kinderen, die nooit nooten gezien hebben, enkel door het gezang, in kerk en scholen gehoord, op velden en weiden, de melodiën dezer liederen zoo hartstreelend zal hooren uitgalmen, dat de geheele ziel er door ingenomen wordt. Waarom zou de Nederduitsche steeds van schaamte blozen, als hij hier bij zijn, doorgaans, droog Kerkgezang vergelijkt, daar hem door middel van deze liederen de weg gebaand wordt, om de Hoogduitsche Broeders te evenaren? Vraagt iemand, waarom men niet ook te gelijk de ove VOORBERIGT. overige 224 gezangen, die ten minsten in sommige Hoogduitsche gemeenten van dit Graafschap gebruikt worden, en die door den Heer OTTERBEIN vertaald zijn, hebbe zoeken intevoeren? Tot antwoord dient, dat zulks is nagebleven, ten deele uit hoofde van kostbaarheid voor den gemeenen man, ten deele om den altegrooten ballast te vermijden. Want, dewijl men tot het drukken dezer liederen met volle nooten bij elk vers, heeft moeten besluiten, omdat de Nederduitsche gemeenten daaraan gewoon zijn, zoo zoude zulk een groot boek, als 374 liederen moesten uitmaken, een onaangenaam bezwaar zijn; te meer daar sommige gemeenten zoo ver uit elkanderen liggen, dat vele huislieden één ja bijna twee uren ver van de Kerk wonen, dien het reeds lastig valt den Bijbel mede te dragen, doch die nu deze gezangen zonder beletsel bij zich steken kunnen. VII Zoude, eindelijk, veelligt iemand vragen, waarom men die liederen, welke reeds uit het hoogduitsch vertaald, en wel zoo fraai berijmd achter de Psalmen staan, bij voorbeeld, den Bedezang lied 1, de Lofzangen lied 11 en 12, de tien Geboden lied 39 en den Avondzang lied 136, er niet uitgelaten of andere daarvoor in de plaats gesteld hebbe: zoo gelieve men te bedenken, dat soortgelijke veranderingen hebben moeten nablijven, zoo wel om' t geheele niet te schenden, als voornamelijk, om de zoo aanstonds betoogde, noodzakelijke overeenstemming met het Hoogduitsch te behouden; ook zal de verscheidenheid hier niet onaangenaam zijn. A 4 Ont VIII VOORBERIGT. Ontvangt dan, dierbare gemeenten! deze gezangen met dankerkentenis aan den grooten Verlosser, wiens aanbiddelijke Voorzienigheid u dezelve beschikt; zingt dezelve bij uwe statelijke Godsdienst, en maakt er gebruik van in uwe bijzondere bijeenkomsten en gezelschappen. Tot hiertoe heeft het God, naar den oneindigen rijkdom zijner ontferming behaagd, niet alleen de zuivere leer van het Evangelie onder u te bewaren, zoodat gij, boven vele andere landen, het voorregt moogt hebben, te roemen, dat al uwe leeraren zonder uitzondering dezelve van harten toegedaan zijn; maar onder u mag ook het innig Christendom nog bloeijen, en een aantal zielen onder u gevonden worden, die God in geest en waarheid dienen. Is er sedert eenigen tijd eenige meerdere geesteloosheid doorgebroken, mogten de ware Vereerders van God dit met schaamte gevoelen, slappe handen en struikelende knieën weder oprigten, en het overige, dat sterven zoude, versterken! De HEERE make daartoe, onder andere gezegende middelen, ook deze gezangen dienstbaar! Mogt een nieuwe lust en ijver in uwe statelijke Godsdienst herleven; en Gij opgewekt worden, om zoowel in de openbare, als bijzondere bijeenkomsten, den HEERE met Psalmen, Lofzangen en Geestelijke Liederen te verheerlijken! VAART WEL! VER VERDEELING DER LIEDEREN. chish asb diundon EERSTE DEEL, BEVA T Zon-, Bid-, Dank- en Feestdags- liederen. A. Bij den aanvang en het einde van de Godsdienst, Lied 1-4. abc2- 0.7 B. Boet- en Biddags- gezangen, 5-8. C. Dankdags- gezangen, 9, 10. D. Op Christus Menschwording en Geboorte, 11-19. E. Op Nieuwjaarsdag, 20-22. F. Op het Lijden en Sterven van den Heiland, 23-27. G. Paaschgezangen van Christus Opstanding, 28-31. H. Van Christus Hemelvaart, 32-33. I. Op het Pinksterfeest, van den Heiligen Geest en Deszelfs werkingen, 34-38. TWEEDE DEEL, WAARIN Catechismus- gezangen van de vijf hoofdstukken der Christelijke Leer. A. De tien Geboden, Lied 39-40. B. IIet Sijmbolum der Apostelen, 41. A 5 18 C. VERDEELING DER LIEDEREN. X C. Het Gebed des Heeren, Lied 42. D. Van den Heiligen Doop, 43. E. Nachtmaals- gezangen, voor, bij, en na het gebruik des Heiligen Avondmaals, 44-50. DERDE DEEL, BE HELS T Leergezangen van de voornaamste Geloofsartikelen. Mot A. Van Gods Wezen en Volmaaktheden, Lied 51. B. Van de Heilige Drieëenheid, 52-53. C. Van de Schepping, 54-56. D. Van Gods Voorzienigheid, 57-59. E. Van der Menschen Val en Ellende, 60-63. F. Van de verwerving des Heils. 1) Van de eeuwige verkiezing, 64. 2) Van den eeuwigen Vrederaad en deszelfs uitvoering, 65. 3) Van het Genadeverbond, 66, 67. 4) Van de Verlossing des zondaars, 68, 69. 5) Van den eenigen Verlosser, 70. G. Van de toeëigening des Heils. 1) Van de Roeping, 71, 72. 2) Van de Verlichting en Hemelsche Wijsheid, 73-75. 3) Van de Wedergeboorte en Vernieuwing, 76, 77. 4) Van het Geloof, 78-80. 5) Van de Vereeniging der geloovige Ziel met Christus, 81, 82. 6) VERDEELING DER LIEDEREN. 6) Van de Regtvaardigmaking door het Geloof, Lied 83-86. 7) Van de Heiligmaking en de Kenteekenen der Kinderen Gods, 87-89. XI 8) Van de bestendigheid en de oefening van het ce Goede, 90.tmall as nenitdoevos/ al 9) Van de verzekering van den Genadestaat, 91-93. ni teoor H. Van Gods woord en de Christelijke Kerk, 94-97. VIERDE DEEL, bailli WAARIN Betrachtende Godgeleerdheid. A. Van Boete en Bekeering, Lied 98-104. B. Van goede werken Christelijke deugden in het gemeen, 105-107. 1) Van de Liefde tot JEZUS, 108-110. 2) Van het vertrouwen op God, 111. 3) Van de onderwerping aan Gods wil, 112, 113. 4) Kennis van zich zelven en demoedigheid, 114 en 115.hol- aine sus 31912 OFF 5) Zelfverloochening, 116.) stail tod not 6) Verloochening van eigene wijsheid, 117. 7) Verloochening der wereld, 118. 8) Rust in God, 119. 9) Geestelijke Waakzaamheid, 120, 121. VIJF XII B. C. VERDEELING DER LIEDEREN. VIJFDE DEEL, Kruis- en Troostliederen. no bi ( 6 A. In Aanvechtingen en Droefenissen, Lied 122124. D. E. BEVAT Troost in Lijden, 125-127. Bidlied in Oorlogstijden, 128. Bidlied in tijden van Pest, 129. Bidlied voor de Vruchten des Lands, enz. Lied 130. ZESDE DEEL, Lof- en Dankliederen. A. Des Morgens, Lied 131-135. B. Des Avonds, 136-139. ZEVENDE DEEL, Van de laatste Dingen. A. Sterf- en Begravenis- Liederen, Lied 140-146. B. Van het laatste Oordeel, 147. C. Van de Eeuwigheid, en van de eeuwige Zaligheid, 148-150. IST 051 Ent MU MUZIJK- ONDERWIJS. B MOL. タタタ タタ ut re mi fa sol la ci ut ut ci la sol fa mi re ut B DUUR. 空 気 sol la ci ut re mi fa sol sol fa mi re ut ci la sol 20W2070- HURUMA J # los al im er la los d is to si im at los los el inteste in at tus GEESTELIJKE LIEDEREN. EERSTE DEEL, WAARIN ZON-, BID-, DANK- EN FEESTDAGSGEZANGEN. A. Gezangen voor en na den Godsdienst. 1. LIE D. ZONDAGS GEZANG VOOR DE MORGEN PREDIKATIE. #*==0 Vader, God en hoogste goed, In Jezus bloed! Uw goede geest thans bij ons woon', Uw licht en E regt ons leide. Ontsluit des Leeraars hart en mond, Ter dezer stond, Dat hij de leer van uwen Zoon Rein en met kracht uitbreide. Schenk ons, naar uw' weldadigheid, Een open hart en ooren; Maak Gij ons willig en bereid, Laat niets de aandacht storen: Zoo zullen wij, ter deugd geleid, Uw' lof ook steeds doen hooren. 2. 2 2. LIE D. VOOR DE PREDIKATIE. G roote God, daar wij nu zaam Zijn vergaderd om te hooren, Naar uw woord in uwen naam, Leer ons, open Gij onz' ooren. Trek ons hart tot U naar boven, Zoo zal onze ziel U loven. 2. Onze kennis en verstand Zijn beroofd van licht en stralen, Zoo niet' s Geestes goede hand Geest#*=*=*=£=*=*$$$$$ lijk licht in ons doet dalen. Goed te werken, goed te denken, Moet Gij zelf, Heer, aan ons schenken. 3. 0 Gij glans der heerlijkheid, Licht van licht uit God geboren, Maak ons allen regt bereid. Open harten, monden, ooren. Hoor ons bidden, smeeken, zingen, Laat het toch Uw' troon indringen. NA DE PREDIKATIE. 4. Hoogste God! dank zij uw' naam, Dat G' ons hebt 3. LIE D. 3 hebt uw woord gegeven: Geef genade, dat wij zaam Naar hetzelve heilig leven. Wil zoo ons geloof versterken, Dat het vruchtbaar zij in werken. 5. Onze Vader, God en Heer, Die ons onzen pligt wil leeren, Zend uw' Geest toch op ons neêr, Werk Gij in ons het begeeren, En, door uw' genade krachten, Bij het willen het betrachten. BÉ 6. Schenk ons, eer wij van hier gaan, Uwen vaderlijken zegen; Laat uw hulp steeds bij ons BREEZ staan En geleid ons op uw' wegen; Dat wij hier het goede smaken, En hier na in vreugd ontwaken. VOOR DE PREDIK ATIE. 3. LIED. Wijze: Psalm 100. G³ oedgunstig Heer! U tot ons wend, $ uwen Geest van boven zend, Ons met Uw' liefd' B en En 4 3. LIE D. en gunst regeer, En zoo den weg der waarheid leer. 2. Ontsluit tot uwen lof den mond, Maak ons aandachtig t' allen stond, Sterk het verstand,' t geloof vermeer, Dat ons uw Naam bekend zij, Heer! 3. Tot wij in' t hooge Hemelhof, Drieëenig God! U geven lof, Als wij U zien, van aangezigt Tot aangezigt, in' t eeuwig licht. 4. Eer' zij den Vader en den Zoon, En Geest JEZ op zijnen eeretroon; De heilige Drieëenigheid, Zij eeuwig lof en dank gezeid. VOOR DE CATHECHIZATIE. 4. LIE D. Wijze: Psalm 36. 2 end uwen Geest, genadig Heer! Van boven ons ter hulpe neêr, In' t hooren en in' t leeren: Vergeef de schuld, schenk ons daarbij, Dat ons ge 4. LIE D. gemoed aandachtig zij, En w' uwen naam steeds eeren.' t Geloof vermeer, de hope sterk: Maak dat de ziel, ook bij dit werk, Tot U, Heer! zij verheven, Dat wij geen' hoorders zijn alleen, Maar daders van uw' wil met een, Die naar uw woorden leven. NA DE CATECHISMUS LEER. 5 2. Schrijf in ons hart, o Heer, uw woord, ↓↓↓ Dat elk hetgeen hij heeft gehoord, Bestendig mag bewaren: Och! dat uw Geest ons zuiver houd', En wij, bij godsvrucht, ware trouw, En reine deugden paren! Behoed ons toch voor valsche leer, Verzoekingskracht zoo van ons weer, Dat niets ons kan verleiden. Ja heilig, Heer! ons in B2 uw 6 uw woord, Ter deugdsbetrachting ongestoord, Tot wij van d' aarde scheiden. HI 4. LIE D. BOET- EN BIDDAGS- GEZANGEN. B. Bedezang, tegen allen nood der Christenheid, of de DUITSCHE LITANIE. HE 5. LIED. Wijze: Onze Vader in' t Hemelrijk. eer, dien men als Jehova vreest, God Vader, Zoon en Heil'ge Geest, O Heilige Drieëenigheid, En eeuwig Oppermajesteit! Dat al hetgeen wij naar uw woord U bidden, gunstrijk zij verhoord. 1 19 11 11 1991199 2. Behoed ons door uw goede hand Voor dwaling, laster, zond en schand, Voor krijg, voor oproer, haat en nijd, Voor onweêr en voor duren tijd, Voor honger, brand en watersnood, Voor pest en onverwachten dood. 3. 5. LIE D. 7 3. Heer Zebaoth! uw Kerk bewaar, Voor druk $£$*$* t! vervolging en gevaar, Geef Leeraars, die door reine leer, Uw Rijk uitbreiden meer en meer; Werk krachtig met den Geest bij' t woord, Het blijv' en brenge vruchten voort. 4. Och roei Gij d' oproermakers uit, Den loop ÎÎÉ der ketterijen stuit; Dat hij die doolt, door uwe kracht Word' op het levensspoor gebragt; Dat met het Heidendom, ô Heer, Zich' t joodsche volk tot U bekeer'. 5. Werp neêr door uwe sterke hand Hen, die uw woord doen wederstand; Dat aan der Turken moordgeweld Nooit uwe Kerk zij blootgesteld; Verdelg het trotsche Babels rot, En maak den Antichrist ten spot. B 3 6. 8 5. LIED. 6. Der hoog' en lage magten stand Bevelen wij in uwe hand; Dat zij met Salomo's beleid, En Josaphats geregtigheid Regeren met een vroom gemoed, Dat reinen vreed' en eendragt voed'. 7. Behoud de scholen, lieve God! Dat kinders leeren uw gebod, En groeijen op in tucht en leer, Uw nooit volprezen naam ter eer; Geef hun een kuisch en rein gemoed, Om t' overwin# 60 nen vleesch en bloed. 8. Den treurigen met heil verblij, Blijf met uw' troost hen altijd bij; Geef den vervolgden, Heer! geduld, Die lijden moeten buiten schuld. Ontbind hun' banden door uw' kracht, Verlos hen uit des vijands magt. 9. 5. LIED. 9. Vergeef het hem, die ons uit haat En onverdiend steeds tegenstaat; Maak dat wij, uit een rein gemoed, Vergeven hem, die ons misdoet. Geef dat wij uwen roem en eer Met vlijt uitbreiden meer en meer. barm U onzer, 9 10. Schenk ons uit uwe milde hand, De schoone vruchten op het land, Van vorst en hagel die bewaar; Verleen aan ons een vruchtbaar jaar. Verhoor! erHeer! En met den vrede tot ons keer. BEDEZANG VOOR OVERHEDEN, LEERAARS EN HUISGEZINNEN. 6. LIE D. Wijze: Psalm 6. H eer, schenk ons' t geen wij vragen, Doe ' t gansch heelal gewagen Van uwen naam en werk. Wil door uw sterke handen Bewaren de B 4 drie 10 6. LIE D. drie standen, Het Huis, den Troon, de Kerk. 2. Ai dat wij uwe woorden Nog verder zuiver hoorden, Tot onzer zielen nut. Bewaar ons van die kwaden, Die uwe waarheid smaden, Dat ons uw' arm beschutt'. 3. Laat Leeraars ijvrig preken, Geen' hoorders ooit ontbreken, Dat beide daders zijn. Na planten en begieten Laat vruchtb'ren regen vlieten, Schenk held'ren zonneschijn. 4. Geef den Regenten zegen, Hun hart zij steeds genegen, Om Sion voor te staan; Doe hunnen stoel beklijven, En laat hun' luister blijven, Dat' t hun lang wel mag gaan. 5. Die' t zwaard, Heer, door U dragen, Dat z'U 6. LIE D. 11 z' U daarin behagen! Help ieder aan zijn regt; Dat vreed' en vreugd' daar tusschen Zich in ons land steeds kussen! Ja zegen' heer en knecht. # SEN 6. Wend af, God vol genaden, Zoo vuur- als waterschaden, Drijf storm en hagel af: Bewaar op' t land de vruchten, Laat ons' t gemis niet duchten Van' t geen uw' hand ons gaf. 7. Geef ons den lieven vrede, Het zwaard keer in de schede, Verleen gezonde lucht: Ons land wil toch bevrijden Van schraal' en dure tijden, Dat men om brood niet zucht. 8. Den hong'rigen wil spijzen, Den regten weg dien wijzen, Die langs een' doolweg dwaalt; Doe weduwen en weezen Door uwen troost B5 ge 12 6. LIE D. genezen, Als hulp van menschen faalt. 9. Wil' t kroost als Vader voeden, De zwangeren behoeden, De zogende sta bij. De teedre jeugd doe groeijen, In deugd en godsvrucht bloeijen; Maak' t hart der oud'ren blij'. 10. Schenk kranken hulp van boven; Die zwak zijn in' t gelooven Laat niet te gronde gaan. Wil ouden gunstig dragen, En doe hen hunne plagen Geduldig ondergaan. 11. Vervolgden wil beschutten, Den reizer onderstutten, De stervenden geleid Door uwer eng'len scharen, Dat zij met vrede varen, In Sions heerlijkheid. 12. Schenk, Heer! hetgeen wij vragen, Dat 6. LIED. 13 POSTÝ Dat naar uw welbehagen Door ons gebeden is. Gij zult ons niet beschamen, Wij zeggen vrolijk Amen! In Jezus zij' t gewis! BIDLIED VOOR DEN NOOD VAN GODS KERK. 7. LIED. Wijze: Psalm 42. ion zegt: ik ben verlaten, God vergeet mij in ' t geheel, In mijn' droefheid, zonder maten, Neemt Hij niet het minste deel! Maar, waar vond men ooit cen' vrouw, Die haar eigen vrucht niet zou' Koest'rend vatten in haar armen, En zich over' t wicht erbarmen? 2. Schoon men' t moederlijke harte Zag verhard gelijk een steen, Dat zij' t kind in nood en smarte, Gansch ontaard, wierp van zich heen; Ik vergete nogtans niet,' t Geen mijn vadertrouw gebiedt, Gij zijt in mijn hart gebleven, Gij zijt in mijn hand geschreven. 3. 14 7. LIED. 3. Dus, Heer, wilt Gij tot ons spreken: Dit, dit is uw eigen' taal, Die Gij nimmer zult verbreken, Uwe trouw kent perk noch paal: Daarom hoor ook nu, ô Heer! Zie hoe ramp en nood vermeer'; Zie hoe men Uw kleine kudde Telkens heen en weder schudde. 4. Velerhande hinderpalen Zet men tegen reine leer, En om and'ren te doen dwalen, Stelt men list en kracht te weer;' s Heeren vrees wordt niet geacht, Daar alleen wordt naar getracht, Hoe men zijnes harten vonden Mag vervuld zien, schoon door zonden. 5. Geen meêdoogen, geen erbarmen Is' er, daar de oorlog woedt; Men berooft en kwelt den armen, Die geen hulp of steun ontmoet; Men vernielt en neemt geheel' t Laatste van zijn sober 7. LIE D. ber deel, Even of God uit den hoogen, Zulks niet zag met alziend' oogen. 6.' Er zijn ook veel' vrome harten, Die in druk en kommer zijn, In veel' ziekten en in smarten, In aanvechting, nood en pijn: Die ontvangen tot hun loon, Haat en nijd, en spot en hoon, Als zij niet in booze zaken Zich gelijk der wereld maken. 7. Zie hen aan, verhoor hen, Heere! Die daar zuchten brengen voort. Och! dat d' oefning uwer leere Overal zij ongestoord, Dat niet d' een den and'ren haat; Dat m' uw waarheid nooit verlaat: Doe ons alleen daarnaar streven, 15 en vroom te leven. Om opregt 8. Maak den magtigen der aarde Toch genegen tot 16 7. LIE D. tot den vreê, Dat elk vorst dien ras aanvaarde, Boei het krijgszwaard in de scheê; Dat geweerd zij overal Pressing, kwelling, ongeval; Laat den armen in gebeden, Voor de magten tot God treden. 9. Die in nood, in droefheid leven, Staag bezocht door moeit' en strijd, Wil hun d' overwinning geven, Dat zij wachten op uw' tijd. Vader sta hen gunstig bij, Dat uw Sion juichend zij, Tot wij in den hemel boven, Al te zaam U eeuwig loven. BIDLIED OM BEKEERING DER ONGELOOVIGEN, DWALENDEN EN ONBEKEERDEN. 8. LIED. Wijze: Psalm 100. 0 God in Christus, zuiver Licht! Die U niet kennen, leer hun pligt; Tot Jezus schaapskooi breng hen bij, Op dat hun' ziele zalig zij. 2, 8. LIE D. ** 17. 2. Vervul met uw genade schijn, Hen die nog op den dwaalweg zijn; Ook dien, die door een' valschen waan Zich zelf het goede voor laat staan. 3. Die uwe dienst verlaten had, Geleid' weer op het regte pad,' t Gekwetst geweten gunstig heel, En geef hem aan den hemel deel. 4. Gun het gehoor den dooven weêr, Den stommen vaardig spreken leer, Die niet bekennen op wat grond, Tot hier toe hun geloove stond. 5. Die blind zijn, door den Geest verlicht; Breng hen die dwalen tot hun' pligt: Verzamel, die in' t wilde gaan, Bevestig, die in twijfel staan. 6. Zoo zullen zij met ons gelijk Op aard' en in het hemelrijk, Hier en hier na, Uw' Geest en eer 18 W 8. LIED. eer Verheffen eindeloos, ô Heer! C. Op Feest- en Dankdagen. OF HET TE DEUM LAUDAMUS. 9. LIED. ij prijzen U, o Heer! Wij zingen U ter eer! Ja U roemt het gansch heeläl, Eeuwig God! met blij geschal. D' Engelen en hemelschaar Loven U in' t openbaar. Hoe zingen zuiv're Cherubim En vlekkelooze Seraphim: 0 Driemaal Heilig God! O Driemaal Heilig God! O Driemaal Heilig God! O Heere Zebaoth! Uw groote magt en heerlijkheid Is door al' t wereld rond verspreid. D' Apost'len en ' t Profetental Vereeren U met blij geschal. De trouwe Martelaren zaam Verheffen Uwen grooten De gansche schaar van' t Christendom, Voert Naam. 9. LIE D. 19 Voert uwen roem den aardkloot om: Zij prijst U Vader op den troon, Uw eenigen en waren Zoon, Den Heil'gen Geest, die troost en leert, Zij in opregtheid dient en eert. O Jezus Christus, Vorst =====der Eer! O eeuw'ge Zoon van God den Heer! Gij hebt tot heil van' t aardsch geslacht, Maria's ligchaam niet veracht. Gij hebt den dood zijn' magt =*=*=*= ontzeid, Uw volk den hemel zelf bereid; Gij zit dr aan God in eer gelijk, Ter regter hand in' s Vaders rijk, Gij zult den mensch tot straf of loon Als regter dagen voor uw' Troon. Help ons, uw dienaars, gunstig Heer, Die door uw bloed ons kocht wel eer, Schenk ons een deel aan' t eeuwig goed, Met' t volk, dat uwen wille doet. Heer Jezus, sta C uw 20 9. LIE D. uw' kind'ren bij, Uw erfdeel zegen waar het zij; Bewaar, beveilig het, ô Heer! Tot Gij het eeuwig kroont met eer; Wij loven U, Heer, dag aan dag, En eeren U met diep ontzag. Behoed ons toch getrouwe God! Van' t misdoen tegen uw gebod; Uw gunst en goedheid blijv' ons bij, En maak van alle ramp ons vrij. Zie ons met gunstrijk' oogen aan, E Want onze hoop blijft op U staan, Op U vertrouwen wij, o Heer! Verlaat ons nu noch immermeer. A- men. HET TE DEUM LAUDAMUS, In anderen Rijm. W 10. LIED. Wijze: Psalm 100. 支 ij loven U, ô God en Heer, Wij zingen Uw roem verheft het uwen naam ter eer, gansch heeläl Oneindig God, met blij geschal. 2. De Hemelschaar en' t Eng'lendom Verbreidt 10. LIED. 21 breidt uw' naam en roem alom, Zingt met den zuiv'ren Cherubim En onbevlekten Seraphim. 3. Hoogheilig is de groote God, Jehova, Heere Zebaoth, Die driemaal Heilig, zij gevreest, God Vader, Zoon en Heil'ge Geest. 4. Uw groote magt en heerlijkheid Is door het gansch heelal verspreid:' t Apostel- en Profetental Roemt uwen Naam met vreugd- geschal. 5. Der trouwe Martelaren lof, Verheft U in het hemelhof; De gansche schaar van' t Christendom Voert uwen roem de wereld om. 6. Zij looft U, Vader, op uw' troon, Met uwen eengeboornen Zoon En Heil'gen Geest, Die troost en leert, Wordt G' als drieëenig God geëerd. C 2 7. 22 10. LIED. 7. 0 Koning, Jezus, Zoon van God, Daar' t schepsel knielt op uw gebod, Werd Gij een Knecht van elk veracht, Tot heil van Adams nageslacht. 8. Den dood hebt Gij van magt ontbloot, Opdat uw volk het heil genoot; Gij zit, in alles God gelijk, Ter regterhand in' s Vaders rijk. 2. Gij zult als Regter op uw' troon. Den mensch eens geven straf of loon. Sta Heer ons, uwe dienaars, bij, Die door uw bloed gemaakt zijn vrij. EEEEE 10. Verzegel Heer aan ons gemoed Ons deel aan ' t eeuwig hemels goed; O Jezus, help uw volk in nood, Bevrijd uw erfdeel van den dood. 11. Bescherm uw' Kerk, ô Opper Heer, Tot Gij haar kroont met eeuwig' eer; Wij roemen U met 10. LIE D. 23 met diep ontzag En prijzen U, Heer, dag bij dag. 12. Behoed ons toch van' t zondig kwaad, Dat Gij, 二路 naar uwe reinheid, haat; Weer van ons allen tegenspoed, Schenk ons uw' gunst en duurzaam goed. DE $ 13. Bewijs ons uw' barmhartigheid, En doe ons door uw' Geest geleid, Der wereld nimmer zijn ten spot, Op U betrouwen wij, ô God! D. Liederen op de Komst en Geboorte van CHRISTUS. DE LOFZANG VAN MARIA. Uit Luc. I: 46-56, 11. LIED. Wijze: Psalm 36. Il est ood Gij, mijn ziel, verhef den Heer, Geef, geef der Godheid eeuwig eer, Wil u, mijn geest verblijden; Wijl God mijn God en Heiland is, Hij trekt mij uit de duisternis Van laagheid, smaad en lijden. Hij heeft zijn gunstrijk aangezigt Tot mij C 3 ge 24 11. LIED. gewend, mij opgerigt, Ik zal zijn goedheid prijzen. Hem bid ik in zijn' tempel aan; Hij heeft een wonderwerk gedaan; Ik zal Hem eer bewijzen. 2. Zijn Naam is Heilig, en zijn' kracht, Veel hooger dan al' s werelds magt; Hij heeft hun, die Hem vreezen, Zijn' gunst en zijn' barmhartigheid, Van eeuw tot eeuw hun toegezeid, Getrouwelijk bewezen. Zijn' arm weerstaat het trotsch geweld, Daar Hij verstrooit en nedervelt, Wat zich dorst stout verheffen. Hij rukt den hoogmoed van den troon, Hij zal zijn hat'ren, hun ten loon, Door' t zwaard der gramschap treffen. 3. Het ned'rig volk, dat' s Heeren woord Hoogschat en uitbreidt zoo' t behoort, Wil God met goed ver↓↓ 11. L 1 E D. # 25 vereeren; Hij schenkt den hongerigen brood, De rijkaard moet door hongersnood, Zijn krachten zien verteren. Hij denkt naar zijn' barmhartigheên Aan ' t geen, dat Is'rel heeft geleên, In' s werelds wildernissen; Hij redt het als het Hem behaagt, Wijl hij dit volk op' t harte draagt, Zal' t zijne hulp nooit missen. 4. Dus was voorheen aan Abraham En zijnen Godgewijden stam; Beloofd en duur bezworen; Dus was den Vaderen voorspeld, Dat uit hun kroost een magtig Held Tot troost zou zijn geboren. Thans zie ik dezen blijden stond In' t heil, dat mij door' s Hemels mond Is toegezegd van boven; Mijn geest geeft nu der Godheid eer, Mijn' ziel, mijn' ziel prijs nu den Heer, En wil Hem eeuwig loven. C 4 DE 26 DE LOFZANG VAN SIMEON. Uit Luc. II: 29-31. 12. LIED. N u laat Gij Heer uw' knecht, Gelijk Gij hebt ge1111FF zegd, In vreugde henen varen; Wijl zich Uw' Zaligheid, Den volkeren bereid. Aan mij komt openbaren. 2. Een licht, wiens heerlijkheid Is door' t heelal verspreid, Dat, door zijn' held're stralen, De heidenen alom Verlicht, en' t Jodendom, Uw volk, doet eer behalen. Het oude Lied: NU KOME DER HEIDENEN HEILAND. Verbeterd. 13. LIED. HI eil der volk'ren, dat nu daagt, In het Kind der reine maagd, Doet verwonderd' t gansch heeläl, Juichen op dit vreemd geval. 2. Niet uit bloed of zaad des mans, Maar door ' s Geestes kracht en glans Is Gods Woord geworden Univ.- Bibl. Giessen 13. LIE D. den mensch, Aller volk'ren Licht en wensch. 27 3. Ziet, een' Maagd bezwangerd, baart, En blijft echter kuisch bewaard; Ja, terwijl zij baart Gods Zoon, Blinkt zij met de deugdekroon. # ¢========4. God, Die magtig was en rijk, Werd den armen mensch gelijk; Hij. der beem'len Vorst en Heer, Kwam om ons op aarde neêr. 5. Hij, Die eerst verscheen op aard, Voer ook weder hemelwaard, Hij verliet dit lage stof, En prijkt nu in' t starren- hof. #$ 6. Zijt G' Uw Vader daar gelijk, Jezus, breid dan ook uw rijk Gunstig uit, bewaar uw' Kerk, hallado En verbreek des vijands werk. 7. Dat, gelijk den donk'ren nacht Nieuwe glans C 5 word' 28 13. LIED. word' aangebragt,' t Rein geloof, door straal bij straal, In ons met meer luister praal. 8. Lof zij God op zijnen troon; Lof zij Gode, ' s Vaders Zoon; Lof zij God, den Heil'gen Geest, G₁ God Drieëenig zij gevreesd. 14. L I E D. ************ od zij eer aan allen oord, Die vervult' t beloofde woord, Die aan Zondaars troost en raad Zond door' t ware Vrouwe Zaad. 2.' t Geen der oude vad'ren schaar Wensch en hoogst verlangen waar,' t Geen zij hadden lang verwacht En voorzegd, is thans volbragt. 3. Sions Hulp en Abrams Loon, Jakobs Heil, Maria's Zoon; Vrede Vorst en Wonderheld, Heeft 14. LIE D. 29 Heeft zich bij ons daargesteld. epns nev 4. Welkom dan, mijn zalig Heil! Mijne vreugd gaat boven peil; Baan toch in mij nu uw pad: Och! dat U mijn' ziel bezat. 5. Wil, ô Koning, binnen treên, Ik behoor aan U alleen: Roei, gelijk Gij gaarne doet, Alle kwaad uit mijn gemoed. bloos 6. En, gelijk uw komst wel- eer Vol van goedheid was, o Heer, Laat mij dus ten allen tijd, ô Door uw' goedheid zijn verblijd. 50 7. Schenk Gij aan mijn harte troost, Als het, zwak van schaamte bloost, En des Satans listigheid Mij te jammerlijk misleidt. 8. Treed den Slangenkop aan stuk, Dat ik vrij van 30 14. LIED. #==van angst en druk, In' t geloof bevestigd blijf, En mijn' hoop op U beklijf. 9. Op dat, als Gij Levensheer, Heerlijk komt MIN als Regter weêr, Ik moog vrolijk tot U gaan, goodall En voor uw geregt bestaan. Een Lofzang wegens de Geboorte van CHRISTUS. Joob 15. L I ED. G eloofd zijt Gij ten allen tijd, Jezus! die geworden zijt Uit eene Maagd waarachtig Mensch, Der Eng'len vreugd, der Vad'ren wensch. Halleluja. 2 Des Eeuw'gen Vaders eenig Kind, Men in eene kribbe vindt; Met ons ellendig vleesch en bloed HEREN$$****$* Bekleedt zich' t eeuwig zalig Goed. Halleluja. 3. Dien' s werelds omtrek nooit besloot, Ligt hier in Maria's schoot; Die alles op zijn wenk verrigt, Zag 15. LIED. Zag men een Kind, een teeder wicht. Halleluja. 4. Het eeuwig Licht, al scheen het klein, Maakt de wereld licht en rein, Het schijnt ook midden in den *** 1 or 31 nacht En heeft ons' t kindschap aangebragt. Halleluja. 5. Des Vaders Zoon, God van' t heeläl, Werd vreemd'ling in' t tranendal, Hij rukt ons uit het morsig slijk, En plaatst ons in zijn hemelrijk. Halleluja. 6. Opdat Hij onzer Zich erbarm', Kwam Hij neder naakt en arm, En Hij beschenkt ons met een' kroon Als die der Eng'len voor zijn' troon. Halleluja. 7. Dus toont ons dit zijn' goedheid aan: Alles is om ons gedaan, Waarom de Christenheid nu $ juicht, En Hem voor eeuwig dank betuigt. Halleluja. lesdag eno jih boWas gives nobri let 32 Het oude Lied: EEN KINDEKEN ZOO LOVENSWAARD. In beteren Rijm. 16. LIED. 11¹ HI oogst lovenswaardig Wonder- Kind, Kwam nederig op aarde; Des Hoogsten Zoon heeft ons bemind. De hemel prijst zijn waarde. Zoo niet dit Kind geboren waar, Verloren gingen w' allegaâr; Hij wild als Borg zich stellen, Voor ons, ô welk zalig lot! Mensch geworden Zoon van God, Laat ons de hel niet kwellen. 2. Deez' dag geeft ons tot vreugde stof, Men roem' den God der goden, Nu Christus zich, uit ' t hemelhof, Aan ons heeft aangeboden. O weldaad, die geen weêrga heeft; O gunst, die ons de Godheid geeft; Een Knecht is Hij geworden, Dat wij wierden eeuwig rijk, Werd Hij ons geheel gelijk, 16. LIED. lijk, En trad in' s menschen orden. 3. Zeg dan ook dank, ô Christenheid! Opregt aan Gods genade, Smeek, dat de Hemelmajesteit, Ons schild zij vroeg en spade, En van de dwaalleer ons bewaar, Die steeds de ziel brengt in gevaar. Hij wil de U schuld vergeven. Heilig en Drieëenig Heer! Sterk 33 LIED. ' t geloove meer en meer, Laat ons in vrede leven. CHRISTUS Genaderijke Geboorte, en derzelver heilrijke Vruchten: Of zijne Ligchamelijke voor, en zijne Geestelijke Geboorte in ons. Uit Lucas II: 1-15. 17. Op vorige wijze. Z tesz ugustus, die door krijg en raad, Het roomsch gebied hielp stijven, Beval, dat ieder in zijn' staat Zich op zou laten schrijven.' t Gebod werd niet zoo ras gehoord; Of ieder moest naar' s keizers woord Zich naar zijn' stad begeven, Om als schuldig onderdaan, Die in ' s keis 34 17. LIED. ' s keizers gunst zou staan, Zijn' naam te zien beschreven. *** 2 Men zag Herodes' t Joodsche land Als koning toen regeren, Schoon hij, aan Cæsars eed verpand, Zich zelv' zag overheeren. Het Vorst'lijk Woord had alzins klem, Dus Joseph trok naar Bethlehem, Uit stor p Davids stam gesproten, En Maria, in den echt, Aan dien Joseph toegezegd, Volgd' ook haar stamgenooten. SPEED DESE*! 3. Thans kwam de tijd, dat zij den Held, Haar grooten Zoon, zou baren, Dien God ons gunstig heeft besteld, Om' t heil ons te verklaren: Die groote Heer van' s hemels troon Werd dus Maria's wonder- Zoon, Hij wild' op aarde leven.' s Hoogsten Zoon, en' t Hoogste Goed, Werd gelijk ons vleesch en bloed, Om zaligheid te geven. 4. 17. LIE D. 35 4. Het Herdertal op' t veld verspreid, Dat ' s nachts het vee bewaarde, Vernam des Heeren Majesteit, Een Engel kwam op aarde, Hij trad tot bij hun tent op' t veld, Hun hart werd door den schrik bekneld, Wien zou dit niet doen duchten? Wijl de Hemel Heerlijkheid Zich rondom hen had verspreid, Daar niemand kon ontvlugten. 5. Vreest niet,( dus sprak de hemel Geest), Maar juicht in uwe harten, God is uw hulp en troost geweest, Hij heelt uw bitt're smarten: Die vreugd is ieder een' bereid, Die regt gelooft ter zaligheid; Want Dien God had verkoren, Tot het heil van ' t aardsch geslacht, Jezus Christus lang verwacht, Is thans als Mensch geboren. D 6. 36 17. LIED. 6. Gaat in de stad, en daar zult gij In doeken zien gewonden Hem, schoon Hij zonder sieraad zij, Die weg neemt al uw' zonden, Terstond kwam uit den hemel neêr Een schaar van Eng'len, die den Heer Toejuichte boven allen: Vrede zij in' t gansche rond, God toont' t menschdom dezen stond Een gunstrijk welgevallen. 7. O Jezus Christus, tot uw lof Zij steeds van ons gezongen; Wijl Gij, gedaald uit' t hemelhof, Hebt dood en hel bedwongen. Kom Jezus, kom in mijn gemoed, Het zij uw krib mijn hoogste goed! Och wil het, ô mijn Koning, Onuitputbre Levensbron, God en Mensch, mijn schild, mijn' Zon, Bereiden tot uw woning. 8. 17. LIED. D 8. Verlicht mij gansch, kom woon in mij, Word' in m' op nieuw geboren, Dat' k naar uw beeld herschapen zij,' t Welk van ons was verloren. Dat. nooit mijn' ziel ontbloot mag zijn, Waarachtig Licht, van uwen schijn, Laat mij steeds goed bezinnen, Dat' k mijn ganschen levenstijd, U vurig, en ook altijd Mijn' naasten, mag beminnen. DE LOFZANG DER ENGELEN. Uit Luc. II: 14. 18. LIED. 37 en hoogen God alleen zij eer, En dank voor zijn genade: Wij zijn nu niet bekommerd meer Door angst of vrees voor schade. God heeft in ons zijn hoogsten lust;' t Is vreê! Zijn gramschap is gebluscht, De strijd is nu ten einde. 2. Wij danken, Hemelmajesteit, D 2 Die, naar uw' wil 38 18. LI E D. wil en wenken, Bestuurt' t geen Gij van eeuwigheid Besloot aan ons te schenken. Gansch onbegrensd is uwe magt,' t Gaat alles naar' t uw' raad bedacht: Wel ons bij zulk een' Koning! 3. O Jezus, Eengeboren Zoon Des Vaders, wil ons hooren: Breng ons als Voorspraak voor den troon Van God, wij zijn verloren. O God en Heer, o heilig Lam, Och dat ons smeeken tot U kwam, Heb deernis met ons allen. 4. O Heilige Geest, Gij hoogste Goed, Die troost in smart kunt schenken, Ons, die verlost zijn, toch behoedt, Wil Satans krachten krenken. Wij zijn bevrijd door Jezus dood, Blijf ons een' toevlugt in den nood, Waarop wij ons verlaten. N 19. 19. LIE D. Wijze: Psalm 36. 39 G₁ od lof, de tijd reeds lang verbeid,' t Begin van onze zaligheid En redding is gekomen; Des Vaders ceuwig eenig Kind, Die met het menschdom zich verbindt. Heeft' t vleesch nu aangenomen. In Bethlehem in Davids stad Is Hij, gelijk reeds Micha had Voorzegd, als mensch geboren. O groot geluk! was dit niet waar, Het gansche menschdom ging te gaar In eeuwigheid verloren. 2. Zijn groot gebrek, zijn arm bestaan, Brengt ons den grootsten rijkdom aan, In Hem zijn wij geborgen. Had Adam ons gebragt in nood, En door zijn schuld van heil ontbloot, Die Borg wil voor ons zorgen. Beschouw zijn slechte windels niet, Of' t dwaas verD 3 nuft 40 19. LIED. nuft zich daar aan stiet, Die d' uitverkoornen teeder Bemint, de Heerscher van' t heeläl, Die Held, ligt in een' beestenstal, En in een' kribbe neder. 3. Ja, Hij, die is des Vaders Woord, De Hooge God, wien' t al behoort, Op wien wij vast vertrouKomt, gansche Wereld, kom hier bij, Hier kunt gij, dat God gunstig zij En vol genaad', aanschouwen. Zij welkom, driemaal waarde Gast, Zij welkom Drager van mijn' last, Mijn Licht, mijn Troost, mijn Leven; Wat zal ik, Hooge Majesteit! Mijn zalig deel, uit dankbaarheid, Voor U ten offer geven. 4.' k Geef U mij zelven, neem mij aan, Wil deze gift toch niet versmaân: Kan ik iets anders geven? Gij, die' t heeläl hebt voortgebragt,' t Geringe offer niet 19. LIED. 41 niet veracht, 0 Springbron van mijn leven. Dat Gij dan aan mijn' ziel verschijn', Laat zij U, Heer, een' rustplaats zijn, Kom tot mij, Hemelkoning, Roei uit mijn hart all' ijdelheid, Ik heb het, door uw' Geest, bereid U tot een' heil'ge woning. E. Op den Nieuwjaarsdag. 20. LIED. Wijze: Psalm 42. Wederom een jaar verdwenen, D' eeuwigheid komt nader aan, Sneller vliegt een pijl niet henen, Dan mijn' dagen ras vergaan. O Jehova Zebaoth, Onveranderlijke God! Och met wat gepaste klanken Zal ik uwe goedheid danken. 2. Ik verschrik, ô magtig Wezen,' k Word door angst en vrees bekneld, Want mijn bidden, zingen, D 4 Ic 42 20. LIED. lezen Zijn met sluimerzucht verzeld. Heilig, Heilig, Heilig Heer! Serafijnen Kroon en Eer, Wee mij, want ik ga verloren, Niets bestaat voor uwen fooren. 3.' t Is toch schrikkelijk te vallen In de hand van zulk een' God, Die regtvaardig roept tot allen: Niemand drijv' met mij den spot! Dwaalt niet, want al wie dit doet Zal ik door mijn' ijvergloed, Die in eeuwigheid zal blaken, Straffen en te schande maken. 4. Maar Gij zijt ook, Heer, langmoedig, Gij toont ons een Vaders hart, Daar Gij in den Borg zoo goedig Ons bevrijdt van helsche smart. Ben ik niet in uwe hand Aangeteekend, als een pand, Dat Gij eeuwig wilt behoeden, Wat het helsch gespuis mag woeden. 5. Wil, mijn' ziel, U weder geven Aan den vree Be 20. LI E D. aan, 43 Bemiddelaar, Prijs Hem, dankbaar, al uw leven, Die den dag kroont en het jaar, Vang een ander leven Dat u boven zon en maan Opwaarts voert, en, na uw sterven, Doet een' Hemelkroon beërven. 6. Zal ik dan in deze woning Nog een' tijd lang zijn geplaagd, Gij zult maken, Groote Koning, Dat mijn' ziel het willig draagt. Zet ô Heer! Uw hart op mij, Jezus Christus,' k blijv' U bij,' k Zal op nieuw mij onderschrijven, Dat ik U getrouw wil blijven. 7. Dat van d'avond tot den morgen Toch uw raad steeds voor mij waak', Dat geen twijfelachtig zorgen Tusschen ons ooit scheiding maak'! Proef mijn' nieren keer op keer, Schik mij naar uw' wil, ô Heer! Zoo dat ik bestendig wake, En' t verderf mij nooit genake. D 5 21. 44 21. LIE D. Op vorige wijze. elp mij, Jezus! wil mij geven, Nu het jaar zijn' Z loop hervat, Dat mijn krachten als herleven, Om langs' t glibbrig werelds pad Voort te treden, laat al' t mijn' Aan uw' zorg bevolen zijn: Schenk ons zegen uit den hoogen, En begunstig al ons pogen. 2. Laat dit jaar uw gunst vertellen, Dat ik walg van' t zondig kwaad, Wil mijn' kranke ziel herstellen, Schenk vergeving op de daad. Laat ik, als ik overtreed', Straks tot boete zijn gereed; Want gij kunt alleen vergeven Al wat immer wordt misdreven. 二 3. Troost mij, Heer, met uwe liefde, Sla, o God, mijn schreijen ga. Zie, hoe mij de smart doorgriefde, Hoe' k vol angst en vreeze sta.' t Zij ik 21. LIED. 45 ik slaap,' t zij dat ik waak', Neem, ô Heer, toch aan mijn' zaak; Sterk m'in angsten, die mij kwellen, Laat mij dood noch zonden knellen. 4. Heer, wil mij genade geven, Dat dit jaar mij heilig zij, En ik Christelijk moog leven, Onbesmet van huichlarij; Dat ik altijd vreedzaam leef, Niemand reèn tot smarte geef, En dat ik, reeds hier beneden Deel in uwe zaligheden. 5. Laat mij vrolijk al de dagen Leven in dit nieuwe jaar; Wil mij op uw' handen dragen, Onderschraag mij in gevaar. Sta mij bij in allen nood, Wijk van mij niet in den dood; Laat mij vrolijk aan U kleven, Als ik scheid' uit' t aardsche leven. endlomall 22. 46 22. LIED. Wijze: Lied 82. W el aan, geliefde Christen schaar, Vergader zamen, help elkaar In God den Heer te prijzen! Verhef de ziel, ontsluit den mond, Dank Hem verheugd uit' s harten grond, Gij moet Hem eer bewijzen! Hij doet Zijn goed Ons aanschouwen, Wij vertrou' t Heil zal weder Uit den Hemel dalen neder. SE3 2. Hij schenkt ons weêr een ander jaar. Wij zijn behoed in veel gevaar Met vaderlijke zorgen. Uw lof, ô Jezus, zij verbreid, Dat Gij den mensch uit teederheid Geworden zijt ten Borge. Zoek zaam ↓↓↓ Zijn' Naam Door gebeden Op dit heden, En wil wenschen Een goed jaar den Christen menschen. 華 3. O nooit volprezen Hemelheer, Uw heil dit jaar 22. LI E D. 47 jaar aan ons vermeêr, Laat toch uw zegen vlieten Op uwe gansche Christen Kerk, Met uw genade krachtig werk; Laat ons voortaan genieten Vrijheid, Blijheid, Stort uw' zegen, Als een' regen, Op de landen, Dek ons door uw' magtig' handen. 4. Dat goedheid zij aan trouw gehecht, Dat waarheid groei', dat vreed' en regt Elkand'ren minzaam Į$$$$ groeten. O Heer! door uw' mildadigheid Zij' t gansche land veel heils bereid, Doe ons uw' gunst ontmoeten; Ai keer, O Heer! Tot ons weder, En daal neder Uit den hoogen, Dat w' uw' goedheid smaken mogen. Deze volgende verzen kunnen ook op Biddag en anderzins gezongen worden. 5. 0 Hooggeduchte Majesteit! Uw zegen rust op d'overheid, Schenk ons getrouwe regters; Dat zij met 48 22. LIE D. met wijsheid, vlijt en moed Beschermen' s burgers eer en goed, Schenk vrome twist beslechters. O Heer! Geef meêr Trouwe Prekers, Kwaad verbrekers, Die met gaven Van den Geest uw' waarheid staven. 6. In ieders huis en huisgezin Keer met den vreed' en zegen in, Geef liefde den getrouwden, Uw Geest bewaar de teedre jeugd In kuischheid en opregte deugd; Dek' t grijze hoofd der ouden. O Heer! Zie neêr Ook op d'armen Met erbarmen, Wil hun geven Spijs en drank om van te leven. 7. Dat waarheids held're zonneschijn Bestraal, die op den dwaalweg zijn, In dikke duisternissen. Breng EEN tot uw' Kerk en dienst, ô Heer! En leid hen in uw' reine leer, Die' t spoor der waarheid missen. Dat zij, 22. LIED. ΕΙΣ====49 zij, U blij Vader noemen, Jezus roemen, Als hun' Voorspraak, En hun heil en levens oorzaak. 8. Ach Heer, geef ons naar uw verbond, Een nieuw gemoed, een' reinen mond, Geef nieuwe kracht en leven; Opdat all' onze levenstijd Aan uwe dienst zij toegewijd, En w' ons U overgeven. Uw Geest Wil meest Ons bewerken, En versterken Onze harten, Als wij zijn omringd van smarten. 9. O Jezus, hoogste Majesteit, Uw' Kerk besta in eeuwigheid, Wil altijd voor haar strijden. Behoud ons bij uw zuiver woord, Schenk ons uw heil, dat w' ongestoord Uw Grooten Naam belijden, Tot wij, Eens vrij Van de banden, Zond en schanden U, hier boven, Eeuwig voor uw' goedheid loven. 10. 50 10. Zingt Halleluja al' gelijk, Zegt: onzen God behoort het rijk, Hem moet men eeuwig eeren; Hij heeft het alles wel gedaan, Hij bragt de zaligLof zij den Heer der Heeren. heid ons aan, 22. LIED. Krachtig, Magtig, Wonderbaarlijk Is Hij waarlijk, Wil Hem prijzen, En met lofzang eer bewijzen. F. Lijdens- Gezangen. ZUCHTEN TOT DEN GEKRUISTEN HEILAND. 23. LIED. 0 Lam Gods, dat onschuldig, Aan' t kruishout hebt geleden, Gij droegt geheel geduldig Uw haat'支 ren bitterheden; Wij waren wis verslonden, Had Gij 0 niet voor de zonden Betaald, ô Jezus, sta ons bij. DE GESCHIEDENIS EN DE HEILVRUCHTE VAN CHRISTUS LIJDEN. Of het oude Lied: O MENSCH BEWEEN UW ZONDEN GROOT. Verbeterd. 24. LIED. Wijze: Psalm 36. Jezus! Gods geliefde Zoon! Gij zijt van' s hemels hoo 24. LIED. 51 hoogen troon Op aarde neêrgekomen; Gij hebt ons' t zalig rijk bereid, En enkel uit barmhartigheid De menschheid aangenomen. Door zelf te worden arm en naakt Hebt Gij ons eeuwig rijk gemaakt, En steeds in smart gewandeld. Een ieder bood G' uw' dienst, Heer, aan, En Gij, als hadt Gij kwaad gedaan, Werd staâg van elk' mishandeld.com 2. Gij leed ook buiten in den hof Voor onze zonden, daar G' in' t stof Door angst werd neêrgeslagen; Op dat wij, al ons zondig kwaad, Niet zouden zonder troost en raad In eeuwigheid beklagen. Daar streedt Gij tegen' s doods geweld, Schoon U het bloedig zweet, ô Held! Door angst werd uitgedrongen, Op dat de doodsangst onze ziel In' t sterfuur niet te E bit 52 24. L 1 ED. de bitter viel, Hebt Gij den dood bedwongen. 3. En Judas, die zich noemd' uw' vrind, Heeft, door geldgierigheid verblind, U schandelijk verra. den; Op dat Gij naamt in vriendschap aan, Ons, die zoo vaak door gruweldaân De trouw met voeten traden. En daar op werd Gij gansch en gaar Omringd door uwer haat'ren schaar, Gebonden en gevangen. Op dat w' uit' s duivels strik geleid, De ware vreugd en zekerheid Door uwe kracht erlangen. 4. Uw Jong'ren vloden van U heen, Ook Petrus, door de vrees bestreên, Die, eer de haan nog kraaide, U driemaal loochend', ons ter leer', Om vast te hou den aan U, Heer, Schoon' t ook een stormwind waaide. Doch als uw oog op Petrus zag, Daar hij in angst ge 24. L 1 E D. 53 gedompeld lag, Waart Gij hem, Heer, genadig. Op dat geen' schuld, hoe zwaar en groot, Een die tot uwe liefde vlood, In eeuwigheid beschadig'. 5. Gij werdt, verheven Majesteit! Tot vele Regters. heen geleid, Niet zonder moeilijkheden. Op dat wij door des duivels magt Niet wierden in de hel gebragt, Daar duld'loos pijnen leden. Gij werd, oneindig Groote God! Gehoond met schimp en smaad en spot, Geslagen en bespogen, Op dat G' ons, vrij van smaad en schand, Met God verzoend, ter eerestand Eens eeuwig zoudt verhoogen. 6. Men heeft bij al dien hoon geen woord, O Heer! uit uwen mond gehoord, Hoe wreed men U mogt plagen. Op dat wij niet voor Gods gerigt Verstomd, 76ad92 E 2 54 24. LIED. stomd, beroofd van alle licht, Voor eeuwig straffe dragen. Eerst gaf Pilatus U die eer, Dat Hij in U, 三 onschuldig Heer! Geen' misdaad had gevonden, Zoo dat ons hart erkent en roemt, Dat Gij ten onregt zijt gedoemd, Alleen om onze zonden. 7. Der Joden haat zoo bitter was, Dat zelfs de moorder Barabbas Werd boven U gekozen. Op dat wij eens in' t Hemelrijk, Het Serafijnendom gelijk, Uw' roem en lof doen hooren. Men geesseld' U,( ô euvelmoed!) Zoo dat, ô Borg! uw dierbaar bloed Is uit uw lijf gevloten; Dus hebt G', op dat wij, vrij van pijn, Van smart en striemen mogten zijn, Uw kost'lijk bloed vergoten. 8. Pilatus, die' t geduld verloor, Steld' U der Joden bmola schaar 24. LIE D. 55 schaar dus voor: ,, Wilt hier den mensch aanschouwen!" Op dat, wanneer het boos geweld Des Satans ons ten schouwspel stelt, Wij op uw hulp betrouwen. Nog groeit der Joden gramschap aan, Al hebt Gij God noch mensch misdaan,' t Doods vonnis wordt gestreken; Op dat G' ons in den jongsten dag, Hoe zeer de helvorst woeden mag, Voor eeuwig vrij kond spreken. 9. Eer U de boosheid bragt ter dood, Heeft z' U van kleederen ontbloot, Tot meerdring van uw lijden; Op dat G' uw volk eens mogt bekleên, En met uw' Borggeregtigheên Bedekken en bevrijden. Men drukt en pijnt tot meerder hoon Uw' schedel met een' doorne kroon; Dus woud G' aan ons bewijzen, Hoe gij de kroon der heerlijkheid Ons hadt door E 3 uwen 56 24. LIE.D. uwen dood bereid, Waarvoor w' U eeuwig prijzen. 10. Gij moest, schoon moed' en afgemat, Het vloekhout zelf door Salems stad En naar den kruisberg dragen; Op dat wij konden henen gaan Verlost van zonden, onbelaan Van wel verdiende plagen. Gij moest naar hunnen boozen raad, U tusschen moorders, ô wat smaad! Aan' t kruishout laten hangen; Op dat wij van den vloek bevrijd, Als d'uitverkorenen verblijd, De zaligheid erlangen. 11. Den moorder aan uw regterhand Gaaft Gij uw woord ten onderpand, Hij zoud' uw rijk bewonen; Op dat men hopend' tot U ga, En niemand denk, het is te spa Om mijn berouw te toonen. Den andren Moordenaar gingt Gij Vrijmagtig met uw gunst 24. LIED. 57 gunst voorbij; Hij moest in zonden sterven; Opdat men zijn berouw vervroeg', En nimmer denk, ' t is tijd genoeg Genade te verwerven. boob 12. Men gaf, ô groote Levensvorst! U gall' en edik in uw dorst, En deed U schier verstikken; Opdat Gij aan uw volk in nood Een dronk der lafeniss' aanbood, Die zielen kan verkwikken. Gij gaaft, als mensch, waarachtig God, Den Geest op ' t bloedig moordschavot, Op dat G' ons zoudt verwerven Een eeuwig leven, en wij zijn Bevrijd van alle helsche pijn, En van het stervend sterven. 13. Naar luid der Profetie, ô Heer! Werd uwe zijde met een speer, Na uwen dood doorsteken: Op dat, als uit een heil fontein, Uw' gunst uw' kind'ren in' t E 4 ge 58) gemein Zou zijn als waterbeken. Men zag de graven open gaan, Veel' Heiligen zijn opgestaan, En uit den 24. LIE D. 街 M dood verrezen; Zoo zullen w' ook van doods geweld Bevrijd, in' tlevenslicht gesteld, Bij onzen Heiland wezen. 14. Wie zoud' U dan niet dankbaar zijn, Daar G'U voor ons in zulk een' pijn Gewillig hebt begeven. Wij willen, schuw voor' t zondig kwaad, Met God verzoend, naar zijnen raad En zijn geboden leven, En roemen uw Barmhartigheid, Die Gij, ô HemelMajesteit! Getoond hebt door uw lijden. Beschouw, doemschuldig Adams zaad, Hoe d' Opperheer de zonden haat, En tracht ze te vermijden. Godvruchtige betrachting van CHRISTUS lijden. 25. LIED. Wijze: Psalm 51. mijn Levensvorst! mijn uitverkoren goed! Hoe kan 25. LIED. 59 安 kan mijn' ziel met dankbaarheid vergelden Uw liefdegloed? en ooit genoeg vermelden Het heil voor mij verworven door uw bloed? Och! dat mijn hart, als t'uw, ook smelten kon, En tot U mogt in dankerkentnis vlieten; Dat ik de vrucht, die' k door uw lijden won, Gelijk een' stroom mogt voor U nedergieten. 2. Bij donk'ren nacht viel U het lijden aan, Om mij den nacht der zonden weg te vagen; Ik zie U, ' t kruis bij Salems poorten dragen, Op dat mij wierd de heilpoort opgedaan. Door' t duister dal van Kedron trad Gij heen, Op dat ik wierd uit zondig slijk geheven; D' Olijfberg zag uw' ziel met angst bestreên, Op dat ons wierd de vreed' olijf gegeven. 3. Het dood'lijk ooft was in een' hof geplukt; E 5 Het E 117 60 25. LIED. Het hoogste Goed was in een' hof verloren: Dus hebt G' een' hof ten strijdperk uitverkoren, Daar Gij mij hebt aan' t wraakzwaard Gods ontrukt. Hier zonkt Gij gansch in treurigheid ter neêr, Van allen kant met vrees en schrik bevangen, Op dat ik, van al' t geen mij drukt, ô Heer! Door uwe smert bevrijding mogt erlangen. 4. Het levenssap verbrak der ad'ren band, En is met kracht uw leden doorgedrongen; Gij werd in' t stof ter aarde neêrgewrongen, En kroopt gelijk een worm door' t bloedig zand: Op dat ik niet zou in den BEN helschen gloed, Beroofd van hulp, wanhopig neêrge# smeten, In' t ak'lig hol des afgronds eeuwig bloed, Door' t bliksemvuur van uwe gramschap zweeten. 5. 25. LIIE D. 61 5. Der boozen schaar drong woedend op U aan, In grammen moed, met fakkels, zwaarden, stangen, Alleen om U, onnoozel Lam! te vangen; Niet anders zou ' t met mij ook zijn gegaan, Wijl Belials verwoede draken schaar, Mij, dwalend schaap, gansch weerloos had besprongen, Had gij niet, ô mijn herder in' t gevaar Den wolf zijn prooi, als uit den klaauw, ontwrongen. 6. Ook liet Gij uw genadevollen mond Door een' geveinsden Judaskus bevlekken, Om d' ontrouw van mijn hart dus toe te dekken, Ten blijk, dat nooit Uw' trouwe weergâ vond. Uw Jongers vloôn, op dat G'ô Vorst! alleen, Zoudt zonder hulp de pers der gramschap treden, Voor hen, wier schuld hen band' in' t helsch geween, Op dat zij E ま 62 25. LIED. zij daar verdiende straffe leden. 7. Men voert U naar den bloedraad, daar begon ** 7 Men U te snood met valschheid aan te klagen, Nog spraakt Gij niets, wat zij ook mogten vragen, Om dat ik ook niet één antwoorden kon Op duizenden: want, Heer! ik had uw' naam Met mond en daan gelasterd en geschonden; Hierom werdt Gij veroordeeld met die blaam, Als had men U op lastertaal bevonden. 8. Den slag gepaard met speeksel, dien U' t rot Der boozen gaf in' t aanzigt, was ik schuldig, Gij leedt dien hoon en bitt'ren smaad geduldig, Op dat ik nooit den Satan wierd ten spot. Als Leeraar ging men U met smaad te keer, U, mijn' Profeet, heeft d'euvelmoed weersproken, Op dat dit kwaad aan uwe reine leer 25. LIED. 63 leer Door mij begaan, mogt blijven ongewroken. 9. Heeft Petrus U, daar hem de vrees bestreed, Driemaal verzaakt, en dus uw' hart doorsteken: Ach! hoe veel meer dorst ik de trouw verbreken; Doch' t is mij ook, gelijk aan Petrus, leed, En hebt gij Heer! nog dien trouwloozen knecht Aanhoudend doen Uw' liefd' en gunst ervaren, Och, breng ook mij, wanneer ik dwaal, te regt, Laat toch uw Geest mij zwakke riet bewaren! 10. Men sleept U naar Pilatus regterstoel; Wijl Gij ook leed voor die de voorhuid dragen; Men liet U door een' Heiden ondervragen. Men schreeuwde, dat Gij oproer had ten doel. Gij, Vrede Vorst, en Heerscher van' t heeläl, Heer! ik beken mijn schuld, ik 64 25. LIED. ik was verloren, Wijl ik mij bij uw' haters groot getal Gevoegd had, en mijn' lust ten Heer verkoren. 11. 0 onregt, dat Gij met een' moorder staat, Een Barabbas, een fielt wordt opgewogen! O gruwel, dat hij U wordt voorgetogen; O razernij, ô meer dan Kaïns haat! Maar, wat doem ik der Joden euvelmoed, Ik heb ook zelf dit hoogste kwaad be脚 dreven,' K heb d' ijdelheên voor God, het hoogste goed, Ik heb den dood gekozen voor het leven. 12. Het moordgeschrei, dat tot den hemel, klom, Was niet zoo sterk als mijne zonden riepen; De stroo men bloeds, die van uw ligchaam liepen, Waar in het, door Pilatus geesel zwom. Die toonen mij, Heer, mijn' bloedroode schuld, De helsche pijn en die gewe 25. LI E D. 二 wetens priemen, Die Gij voor mij leedt met een taai geduld, Om mijne wond te heelen door uw' striemen. 13. Het purper dekt tot smaad den eere Vorst, Op dat ik mogt versierd ten voorschijn komen; Een doorne kroon doet' t bloed langs' t aanzigt stroomen, Op dat mijn hoofd de kroon der eere torst. Men treedt den glans der hoogste Majesteit Vol wreev'len moed in spotternij met voeten: Ten eind' ik dus niet mijn' weerbarstigheid Door strenge straf in d' eeuwigheid zou boeten. 65 、 14. O God'lijk Lam, hoe willig draagt Gij daar Het vloekhout, op dat mij geen vloek zou krenken, Dat hout, dat mij moest levensvruchten EZ schenken, Zoo dat ik in zijn' schaduw veilig waar. Gij ziels sieraad, Gij hangt hier ongedekt, Op dat njis Gij 66 25. LIE. D. Gij zoudt mijn naaktheids schande dekken; Men heeft van d' aard' aan' t kruis U uitgerekt, Om mij daardoor der zonden dienst t' onttrekken. 15. O Golgota! gij zijt het treurtooneel, Waarop de Heer, de Schepper wilde lijden, De kampplaats, daar het Vrouwe zaad wou strijden, De schouwplaats, die dit Wonder viel ten deel. Hier zal de Borg, der off'ren 鼓 表 tegenbeeld, Met dierbaar bloed voor mij' t rantsoen betalen, Terwijl Gods toorn met scherpe schichten speelt, En die op' t schild van mijn geloof deed dalen. 16. Die tusschen aard' en hemel vrede bragt, Zie' k tusschen aard' en lucht ten schouwspel hangen, Op dat ik wierd in' t Englen koor ontvangen, Werd Hij gelijk de moordenaars geacht. Zijn gansch gewaad, zijn 25. LIE D. 67 zijn kleed, door' t lot verspreid, Moest hij ten buit den krijgsknecht overlaten, Op dat het kleed van zijn geregtigheid Zoud' overal den uitverkoor'nen baten. 17. Daar toonde het verbondsbloed' t eerst zijn' kracht, Den moordenaar, die, even voor zijn sterven, Door waar geloof en boet mogt heil verwerven; Voor alle schuld was nu' t rantsoen ge#*=*=*=*= bragt. Doch is aan een' uit duizend dit gedaan, Dit geeft het vleesch geen' grond tot zorg'loos sluimen, Want d'and'ren fielt zag men verloren gaan, Wacht u dan toch den heiltijd te verzuimen.com 18. De duistre nacht voor Jezus was m'een dag, Die' t zonlicht schiep wordt door geen licht beschenen, Die Helper moet, als nu verlaten, weeF nen, 68 25. LIED. nen, Het schepsel staat versteld op zijn geklag! Wie siddert niet? de Leeuw uit Juda brult En huilt, den Zoon treft' s Vaders strenge roede? Wat *** wonder, dat natuur zich zelf verschuilt? 0 Ziele. licht! hoe schijnt Gij mij ten goede![ ord 19. Dit weet ik, dat de nacht der duisternis Verdwenen zij, schoon ik met zwakke schreden Moet radeloos door duister dalen treden, Van troost ontzet, mijn' hoop blijft toch gewis! Eer zal de zon, beroofd van gloed en schijn, In's afgronds poel ter ↓↓↓↓↓ ま neder zijn gesmeten, Dan ik ontbloot van Jezus gunst zou zijn, Dan Hij zijn trouw en liefde zou vergeten. 20. 0 Levensbron! Gij werdt door dorst verteerd, ↓↓↓ ' t Is edik, daar men U meê tracht te laven, Op dat 000 van 25. LI E D. van mij, door stroomen uwer gaven, De zieledorst voor eeuwig zij geweerd. Gij geeft op' t laatst Uw leven in den dood, Dringt door den dood in る 普林 ' t Paradijs ten leven, Op dat Gij mij in mijnen jongsten nood, Genadiglijk de levenskroon zoudt geven. 69 ( 31 ) 21. Des zal, zoo lang een' ader in mij slaat, Mijn hart het beeld uws doods in zich besluiten; Ook zal mijn mond in lofgezang zich uiten, Daar ik aan U mij ganschlijk overlaat. De zonde Heer, die U deed ondergaan, Dien zwaren last, zal ik met ernst vervloeken; Voor' t geen Gij hebt aan mijne ziel gedaan, Vergelding in getrouwe liefde zoeken. 22. Die zijde, die men met een' taaije speer Door↓↓↓↓ 支 stak, zal mij een' toevlugt zijn en blijven, Als Belial F 2 mij 70 25. LIE D. mij met zijn rot wil drijven, Kleef ik U aan, Gij zijt mijn God en Heer; Uw bloed zij mij een' open heilfontein, En doe mijn' schuld in' t diepst des afgronds dalen, Uw Geest maak mij geheel van smarten rein, Dat ik ook met uw heilig beeld moog pralen. 23. Komt Gij met bloed en water dan tot mij, Ik wil U bloed en water wedergeven; Ik wil gerust door ' t open voorhang streven, En tot U gaan, van slaafsche vreeze vrij.' K zal, als de dood mij aangrijpt, zijn gerust, Mij troosten in uw heil, niets zal mij roeren.' K zie door uw bloed de helvlam uitgebluscht, Ook zal uw Geest mij naar den hemel voeren. 26. LIED. -1000-10 Wijze: Psalm 42. 鼓 。 。 Dat, ó Jezus! uwe wonden, Uwe smart en bitt're dood, 26. LIE D. dood, Aan mij geven t' allen stonden Troost in lijf en ziele nood. Als mijn zin verkeert zou zijn, Doe mij denken aan uw' pijn, Dat ik moog' uw angst en smarte Altijd dragen op mijn harte. 2. Wil in wellust zich verblijden, Mijn verdorven vleesch en bloed, Laat mij denken dat uw lijden Heeft gebluscht den helschen gloed; Niet, op dat ik naar mijn' E 71 lust, Leven zoud' in' t kwaad gerust; Maar, dat ik door kruis en plagen, Hier in ook uw beeld zou dragen. 3. Wil de wereld mij doen dwalen Langs het breede zonden pad; Laat uw Geest mij zoo bestralen, Dat ik dan te regt bevat, Wat al smart met schand' gepaard Gij geleden hebt op aard', Om mij van den dienst der zonden Vrij te maken door uw' wonden. F 3 4. Univ.- Bibl. Giessen 72 26. LIE D. 4. Wil de Satan mij verschrikken, En mijn' schuld mij doen verstaan, Laat die troost mijn' ziel verkwik ken, Dat gij hebt voor mij voldaan; Dringt hij brullend tot mij in, Geef, dat ik hem overwin Door uw' wonden, zoo zal' t blijken, Dat hij van mij af moet wijken. 5. Geef in al wat mij kan krenken Uit uw' dierbre wonden kracht; Wil mij levens sappen schenken, Als mijn hart door smart versmacht. Dat uw troost mijn geest bewerk', En in alle nooden sterk', Wijl Gij hebt mijn heil verworven, Toen gij voor mij zijt gestorven. 6. Laat ik op uw' dood vertrouwen, O mijn God en toeverlaat! Laat ik vast'lijk daar op bouwen, Dat de dood mij nimmer smaad'. Laat uw doodsangst aan mijn hart Laaf'nis geven in mijn smart, Heer! laat toch uw 26. LIE.D. 73 uw dood mij geven Op te staan tot heil en leven. 7. Dat ô Jezus! uwe wonden, Uwe smert en bitt're dood, Aan mij geven t' allen stonden Troost in lijf en ziele nood. Geef, dat ik in' t levensend Mij geloovig tot U wend', Uit uw lijden troost mag halen, En vol heerlijk zegenpralen. 27. LIED. Op vorige wijze. any era 9 TV2 Heiland! oorzaak van ons leven, Die voor veler menschen schuld, U hebt in den dood gegeven, En zoo smert'lijk met geduld Worstelde met ongemak, Op dat ons het zonde pak Niet geheel zoud' onderdrukken, En ten afgrond nederrukken. 2. Groote Heiland, die de roede Van Gods wraak hebt afgeweerd, En de donderende woede Van de F 4 wet 74 27. LIED. wet gansch afgekeerd, En haar vloek te niet gemaakt, Zoo dat ons geen' ramp genaakt, En wij voorts noch helsche plagen, Noch haar straffen zullen dragen. 3. Wij, ô dierbre Jezus! wijden Uwer trouw een danklied toe; Wij erkennen al uw lijden, Geef maar, dat wij, blij te moê, U geloovig dankbaar zijn; Wijl G' ons van de helsche pijn Door uw lijden, dood en wonden, Zoo gewillig hebt ontbonden. 4. Satan dreigd' ons felle slagen, Had om ons te straffen lust; Dacht ons eeuwiglijk te plagen, Op dat wij van zielen rust Gansch beroofd, in helschen brand, Onder zijne wreede hand, Eeuwiglijk in duisternissen' s Heeren aanschijn zouden missen. 5. Doch dit kondt Gij geenszins dulden, Jezus! die uw 27. LIE D. 75 uw volk bevrijd; Liever woudt Gij onze schulden, Wijl Gij ons een Goël zijt, Op U nemen, door rantsoen Aan den eisch der wet voldoen, Om door lijden, angst en sterven Heil en leven te verwerven. € 6. Welk een heer zoud' immer slagen Lijden voor zijn' boozen knecht? Wie zoud' ooit de boete dragen, Zijnen vijand opgelegd? Gij, ô Jezus! woudt alleen, Voor ons in de bresse treên, En uw leven zelf niet sparen, Schoon wij uwe haters waren. 7. Moet dit niet een wonder heeten? Dat Gods Zoon komt van den stoel, Waar Hij was als God gezeten, Om ons uit den helschen poel, Op te voeren naar dat oord, Daar wij zullen ongestoord' t Allerdierbaarst heilgoed smaken, Duurzaam ons in vreugd vermaken. F 5 8. 76 27. LII E D. 8. Ja! Hij dulde wreede slagen, spot, kruis en dood, Om ons uit de helsche plagen Doornekroon, En den nooit volleden nood Uit te rukken: nimmer zal Mijne ziel in dit geval Naar den eisch haar dank betuigen, En zich voor U nederbuigen. 9. Wil mij die genade geven, Dat het moge t'allen tijd, Diep zijn in mijn hart geschreven, Dat Gij mijn Verlosser zijt. Gij ô Jezus! zijt geheel Mijn beschermer, schat en deel. Wijl die banden, die U knelden, Mij hier in de ruimte stelden. 10. Laat mij uwen dood betrachten: Dan, als mij de dood genaakt, Laat mij boven U niets achten, O dat dan mijn ijver blaakt', En uw wonden, smert en bloed( 0 onblusbre liefdegloed!) Van mij wierden 27. LIED. 77 den ondervonden, Dan blijf ik aan U verbonden. 11. Breng mijn' ziel, die' k U bevele, Over in uws Vaders hand, Als ik door den dood ten deele Neêr zal storten in het zand. Dan zal, ô mijn God! uw dood, Wijl G'uw bloed voor mij vergoot, Mij het leven na mijn sterven In den hemel doen beërven. G. Paasch- Gezangen. VAN JEZUS CHRISTUS OPSTANDING. ad cov 28. LIED. D e Christus, die besloten lag, In' t graf voor onze zonden, Is opgewekt den derden dag, En heeft den dood verslonden. Hij heeft' t leven. aangebragt, Dus loven wij Gods groote magt, En zingen: Halleluja! Halleluja! 2. Geen sterveling kon ooit op aard'' t Geweld des doods verhind'ren; Dat onheil heeft het kwaad ge 78 gebaard, Dit deed ons heil vermind'ren; Dus de dood ons aanstonds bragt In zijn geweld, en hield met magt Ons in zijn rijk gevangen, Halleluja! 28. LIED. $$ 3. Doch Jezus Christus, Godes Zoon, Is voor ons ingetreden; Hij droeg voor ons der zonden loon, Hij heeft den dood bestreden, En beroofd van heerschappij, Zoo dat hij steeds een' schaduw zij; Zijn prikkel is genomen. Halleluja! 4. Het was een wonderlijk gevecht, Toen dood 脚 支 en Leven streden; Doch eind'lijk werd de strijd beslecht, De dood lag gansch vertreden; Want dit is te boek gesteld, Dat Jezus dood des doods geweld Geheel heeft weggenomen, Halleluja! 辛 辛 ます 5. Hij is dat heilig Offerlam, Waar bij men' s Heeren 28. LIED. ren daden Bemerkt, Hij is aan' s kruises stam, In liefde gloed gebraden. Onze deur is met zijn bloed Besprengd, dit toont' t geloof vol moed Den 1 dood, en doet hem wijken. Halleluja! 6. Zoo vieren wij dat hooge feest, Door God aan ons geschonken; Wij zingen, zeer verheugd van geest, Nu wij die Zon zien pronken, Die ons ' t licht en leven biedt, En haar genade stralen schiet, De nacht is nu verdwenen. Halleluja! 1 79 LILL RI 7. Wij eten dan, nu ons de Heer Wil aan zijn' disch verzaden; Het oude zuurdeeg zal niet meer Het woord der waarheid schaden. Christus zal de Medicijn, En spijs voor onze zielen zijn, Daar bacial zal' t geloof door leven. Halleluja! beog 29. 80 29. LIED. Die Jezus, die ons heil aanbragt, Brak' s doods geweld en magt, En heeft, verrezen, Geen' doodschrik meer te vreezen: Erbarm U over ons! 2. Die nimmermeer had overtreên, Gods gramschap heeft geleên, En heeft verkregen, Dat God ons schenkt zijn zegen. Erbarm U over ons;! 3. Dood, leven, duivel, hel en schand Zijn alle in zijn' hand; Hij redt den genen, Die regt vlugt tot Hem henen. Erbarm U over ons! 30. LIE D. sto i aar is uw prikkel nu, ô dood! Waar uw triomf, ô helle, Waar Satans magt en list, hoe snood, Hoe gruwzaam hij zich stelle! God zij gedankt, die ons bevrijdt, En door des Heilands dap 30. LIED. M 81 dapp'ren strijd, De zege heeft gegeven. eno 2. Hoe kromde zich de oude Slang, Toen zij dien kamp moest wagen, En, trots haar listen, kracht en drang, Door Christus werd verslagen! Schoon zij hem in de versnen steekt, Geen nood! wijl Hij haar kop verbreekt, Ligt zij gansch overwonnen. 3. Vorst Jezus neemt weer' t leven aan, De magt der hel moet wijken; Zij moet haar roof, haar prooi ontslaan, En' s Hemels erf verrijken; Wat is' er, dat in grootheid haal', Bij deez' doorluchte zegepraal,' t Ligt alles overwonnen. 4. De helangst, doods vergif en pijn, Heeft onze Borg geleden: Wat schaadt ons Satans boos fenijn, De list die hij wil smeden, Al klaagt hij ons E 82 30. LIED. ons gedurig aan, Zijn boosheid kan niet verder gaan, Dan d' Almagt wil gedoogen. 5. Gods regterhand is zeer verhoogd, Zijn arm moet zegepralen; Wat ooit zijn' magt te stuiten poogt, Kan niets dan schand behalen; Dood, duivel, hel, al wat ons deert, Of haat, heeft Jezus overheerd, Zij zullen krachtloos woeden. 6. Al zwicht de Heiland voor den dood, Zijn' magt doet hem herleven, En wijl ons hoofd het graf ontvlood, Zal Hij ons' t leven geven. Wie ooit geloof aan Christus gaf, Blijft nimmermeer in' t aklig graf, Maar leeft, zelfs na zijn sterven. 7.00 Wie, schoon hij daaglijks schuld belijd, Met Christus is verrezen, Is van den tweeden dood be 30. LIE D. 83 bevrijd, Die kan hem niet doen vreezen; De dood is gansch beroofd van magt, Gena en heil bis aangebragt, En' t onverganklijk leven. 8. Die rijkdom kent geen maat noch peil, Die aan ons wordt gegeven, Geregtigheid, en vreê en heil, En in en na dit leven. Al wand'len wij in ' t aardsche slijk, Wij wachten, dat wij eens gelijk Aan Christus ligchaam worden. 9. De draak met zijn rampzalig rot, Heeft zijn verderf te vreezen; Hij ligt ter neêr met schimp en spot, Nu Christus is verrezen; Daar' t hoofd reeds met de zege praalt, Het ligchaam ook triomf behaalt, Geen Satan kan ons schaden. 10. Waar is uw prikkel nu, ô dood! Waar uw G tri 84 30. LIED. triomf, ô Helle! Waar Satans magt en list, hoe snood, Hoe wreed hij zich aanstelle. God zij gedankt, die ons bevrijdt, En door des Heilands sedapp'ren strijd, De zege heeft gegeven. ZUCHTEN OM DE KRACHT DER OPSTANDING VAN JEZUS CHRISTUS. M 31. LIED. A Wijze: Lied 76. ijn rots is sterk bevonden, De draak ligt krachtloos neêr, De helsche magt verslonden, De zonde kan niet meer Mij door de wet verdoemen, Daar Jezus, wien' k zal roemen, Haar wraakvuur heeft gebluscht 2. Wil dan uw' vreugd bewijzen, Mijn' ziel, zing ' s Heeren lof; Verdrijf de vrees, wil rijzen Ge loovig uit het stof: Werp uw gewetens knagen, De zorgen, die u plagen, In Jezus ledig graf. 3. 31. LIE D. 85 3. Is' s levens Vorst verrezen, Met heerlijkheid vereerd, Wat hebt gij dan te vreezen? De dood is overheerd: Geen vloek is meer gebleven, De losbrief is geschreven, Wijl alles is betaald. 4. Geef mijn geloove klaarheid, Op dat ik, Heer, belijd. Dat gij de weg, de waarheid, En' t zalig leven zijt. Wil in mijn harte schijnen, Doe twijfeling verdwijnen, Versterk mijn zwak geloof. 5. Laat mij niet langer beven, Gelijk een teeder riet Wordt ginds en weer gedreven, Zoo Gij mij rustloos ziet, Breng rust in mijn' gedachten: Gij schenkt genaad en krachten, Die bij U ruste zoekt. 40.6 Hebt Gij den dood bedwongen, Verslind hem 静 ook in mij, Daar Gij zijt doorgedrongen, Blijf G 2 ik 86 31. LIED. ik steeds aan uw' zij; Vervul Gij mijn verlangen; En laat de kop dier slange, In mij vertreden zijn. ニ 7. Den Afgod, d' eigenliefde, Dat schad'lijk ziele gift, Dat mij zoo dikwerf griefde, Verdrijf, laat zonde drift, Dat schand'lijk overtreden, Waar voor Gij hebt geleden, Zijn door uw dood vernield. 8. Leef Gij, laat ik ook leven, In U, Heer! ingelijfd, Als ranke aan U kleven, Die in den Wijn. stok blijft. Geef geest'lijk sap ter voeding, Geef sterkte ter behoeding, Aan uwe teère plant. 9. Wil als Profeet mij schenken Verstand in uw' geboôn, Als Priester aan mij denken, Bij den genadetroon; Rigt op in mij, als Koning, Uw troon en uwe woning: Leef Christus! leef in mij. H. 43135.66 H. Van CHRISTUS Hemelvaart. 32. LIED. hristus snelde weder Ten hemel, en zond neder De gaven van den Heilgen Geest, Die' t Christenvolk door troost geneest, Halleluja! 2. d' Oorzaak van ons leven, Op' s Vaders troon verheven, Treedt in voor' t menschelijk geslacht, 1 En heeft ons heil te weeg gebragt, Halleluja! 3. Waar Hij hier gebleven, De Geest was nooit 87 gegeven, Maar toen Hij opvoer hemelwaart, Zond Hij den Trooster neêr op aard, Halleluja! 33. LIED. 0 Held, ô zegenrijke Vorst, Die' s werelds zonden hebt getorst, Gij hebt U zelf verheven Aan uwes Vaders regterhand, Den vijand bondt. Gij aan den band, Ontrukt hem zelfs het leven. G 3 Mag 88 53 33. LIED. Magtig, Prachtig, Zegepraalt Gij, Eer behaalt Gij, Dood en leven Zijn in uwe hand gegeven. 2. U dienen, Heer! de Cherubim, Veel duizend Heil'ge Serafim, Met al de Hemelscharen, Wijl Gij, die ons het heil aanbragt, Met groote maje steit en pracht Ten hemel zijt gevaren. Juicht vrij, Zingt blij Eere psalmen, Vreugde galmen, Nu de Koning Opvaart naar zijn' hemelwoning. 3. Gij zijt ons Hoofd, en wij, wij zijn Uw' leden, zelfs in druk en pijn, Schenkt Gij ons troost en leven, Heil, vrede, licht, vreugd, nieuwe kracht, En wat een' ziel, door druk versmacht, Verkwikt, wil ons toch geven: Leer mij, Keer mij, Naar uw' wille, Dat ik stille U moog' prijzen, En met lofzang eer bewijzen, 4. 33. LIE.D. # 89 4. Trek, trek ons, ô genadig Heer! Geef, Jezus, dat wij meer en meer Naar uw' gemeenschap trachten; Godvruchtigheid stuur onze daân, Laat ons in ootmoed tot U gaan, En dartelheid verachten. Nooit spreid' Trotsheid Ons haar lagen, Dat w' in plagen, Christ'lijk zwijgen, Trachten uw gena te krijgen. 105. Zij, Jezus! onze schild en schat, Zij onze roem en sterke stad, Waarop wij ons verlaten; Ons hart zij hemelwaarts gekeerd, Terwijl trouwloosheid hier regeert;' Er is op alle straten Loosheid, Boosheid, Angst en plagen, Die steeds knagen, Dreigen, knellen En het Christendom ontstellen. 6. Kom, Jezus! kom van uwen troon, O Vrede vorst, Held, Davids Zoon, Verhoor uws volks gebeG 4 den; 90 33. LIE D. den; Want Gij, Gij zijt ons eenig goed, En met uw onwaardeerbaar bloed In' t heiligdom getreden Kom neêr, Help, Heer, Laat uw stralen Op ons dalen, Dan zoo danken Wij U steeds met vreugdeklanken. I. Op het Pinkster- Feest. BIDLIED OM DE ZENDING VAN DEN HEILIGEN GEEST IN DE HARTEN DER UITVERKORENEN. otr 34. 34. LIED. God Schepper, Heilge Geest, ai geef, Ai geef, genaad uws volks gemoed, Maak dat uw schepsel voor U leef, En altijd reine deugden voed'. 2. Men noemt U Trooster, Groote God! En ' s Allerhoogsten morgen gift, De ziele balsem, wiens genot Ons leven geeft en liefde drift. 3. Rijk zijt G' in gaven naar uw' magt, Gij vinger van Gods regterhand, Des Vaders woord zeer groot KEELE 34. LIED. # groot van kracht Krijgt door U roem aan allen kant. 4. Ontsteek in' t duister hart uw licht, Een liefde vlam in ons verstand; Gij kent ons vleesch, hoe vaak het zwicht, Sterk Gij' t in gunst als met uw' hand. 5. Verstoor des Vijands listigheid, Genadig ons den vrede schenk: Dat w' U te volgen zijn bereid, En mijden' t geen de ziele krenkt. 6. Maak ons den Vader regt bekend, En Jezus Christus zijnen Zoon, Dat onze ziel U lofzang zend', 0 Geest, met beiden op den troon. 7. God Vader zij in eeuwigheid Geroemd, en regt van ons gevreesd; Uw' eer, ô Jezus, zij verbreid, Met die van God den Heil'gen Geest. 91 G 5 35. 92 W 35. LIED. ij bidden U, ô Heilige Geest! Om regt te gelooven allermeest, Ai wil ons toch ons levenlang geleiden, Tot de dood van d' aard ons doet *** verscheiden. Erbarm U over ons! 2. O Gij Godlijk licht, geef ons uw' schijn, Maak dat Jezus ons bekend mag zijn, Dat wij aan onzen Die ons deel aan' t HemelHeiland altijd kleven, rijk wou geven. Erbarm U over ons! 3. Stort uw' gunst ô Geest! in ons gemoed, Geef dat in ons brand' een liefde gloed, Doe ons elkaâr opregtlijk steeds beminnen, In rust en vrede vereend van zinnen. Erbarm U over ons! 4. O Gij Vertrooster in allen nood, Maak ons onbevreesd voor smaad en dood; Dat ook ons hart mag 35. LI LE D. 93 mag nimmermeer versagen, Als Satan om dood dois en straf wil vragen. Erbarm U over ons! VAN DE WERKINGEN DES HEILIGEN GEESTES. 36. LIED. -10 18001 Wijze: Lied 82. Heilge Geest, U tot ons keer! Maak in ons uwe woning, Heer! O Heilzon, schiet uw' stralen: O hemels Licht! kom, laat uw schijn In onze zielen werkzaam zijn, Zoo kent de vreugd geen' palen. Geef Gij, Dat wij U ons leven Overgeven, En met beden Tot uw' troon gedurig treden. 2. Geef kracht en nadruk aan uw woord, O laat die gloed steeds ongestoord In onze zielen branden; Dat wij den Vader en den Zoon En U, ô Geest op eenen troon, Als God doen offeranden. Blijf Gij Ons bij, Wil toch werken En ons sterken In 94 36. LIE D. in' t geloove, Dat het niemand van ons roove. 3. Gij bron die staag van wijsheid vliet, En zich in' t hart der vromen giet, Laat ons geen' troost ontbeeren;' t Geloof door eendragt aangespoord, Doe ons ook anderen uw woord En uw getuignis leeren. Hoor Heer, En leer' Hart en zinnen, U te minnen, U te prijzen, Hulp den naasten te bewijzen. 4. Verzel ons steeds met uwen raad, Wijs ons het pad dat opwaarts gaat, Wij kennen hier geen' wegen; Geef ons standvastigheid, dat wij Getrouw in druk U blijven bij, Al zijn wij neergezegen. ' t Geen Heer! Ligt neêr, Regt dat spoedig, Leer ons moedig Te betrouwen, En op U alleen te bouwen. 5. Laat ons uw balsem in zijn' kracht Ervaren, schenk 36. LIED. 95 schenk ons nieuwe magt, Doe ons kloekmoedig wezen, Op dat wij onder uw beleid, Wat strikken ons de vijand spreidt, Zijn' hoogmoed nimmer vreezen. Ai wil Toch stil Dalen neder, Dat wij weder Troost ontvangen, En de zegepraal erlangen. 6. 0 Hemeldauw! zoo honigzoet, Vereenig U met ons gemoed, Dat ons uw' liefde roere; Op dat ons hart, van valschheid vrij, Den evenmensch genegen zij, Den liefdepligt volvoere. Geen nijd, Geen strijd Geef U smarten; Onze harten Wil toch geven, Liefd' en ootmoed daar beneven. 7. Geef, Heer, dat onze levenstijd Der heiligheid zij toegewijd, Wil onzen geest versterken; Geef dat wij voortaan zijn bewust, Hoe ijdel zij des 96 36. LIJE D. des vleesches lust En al zijn booze werken. Roer Gij, Voer Gij Ons vermogen Naar den Hoogen, Tot wij boven U als uwe kind'ren loven. 37. LIED. hobow( w tl soon K* om o Geest, Gij bron van leven, Ware God van eeuwigheid, Wil ons uwen invloed geven, Ons zij steeds uw' gunst bereid: Zoo zal Geest ja glans en schijn In ons hart geboren zijn. 12. Geef in onze ziel en zinnen Wijsheid, eerbied, raad en licht; Dat wij anders niets begin. nen, Dan, wat naar uw' wil zich rigt. Geef dat wij U kennen meer, En de dwaling van ons weer. 3. Wil ons met uw licht bestralen, Leid ons ons op regte baan; Laat ons nooit van Jezus dwalen; Maar de 37. LIE D. 97 Maar steeds in' t geloove staan. Struiklen wij eens, dwaas te moê, Voer ons straks weer naar Hem toe. 4. Doe gevoelen onze harten, Dat wij' s Heeren kind'ren zijn, Die, in' t woelen van de smarten, ===== TERZ Bij Hem zoeken medicijn; Want des Vaders liefde roê Brengt ons niets dan welzijn toe. 5. Trek ons, dat wij tot Hem treden Met een vrij en blij gemoed; Bid in ons, aan onze beden Geef uw leiding klem en gloed: Dan wordt ons gebed verhoord, En' t vertrouwen aangespoord. 6. Wordt ons hart om troost zoo bange, Dat het dikwerf roepen moet; Ach mijn God! mijn God! hoe ****** lange? Maak' bij d' uitkomst haast en spoed. Spreek de ziel dan troost'lijk aan, Dat zij moedig blijve staan. 7₁ 98 37. LIED. 7. Gij, ô Geest! Die ons kunt sterken, En altoos dezelfde zijt, Sterk Gij' t geen G' in ons woudt werken, Als de Satan ons bestrijdt; Schenk ons wapens in den strijd, Overwinning t' allen tijd. 8. Laat ons steeds wel vast gelooven, Dat geen duivel, dood noch spot Ons die Hemelgaaf kan rooven, Zij Gij ons ten schild en God: Wil het vleesch ons tegengaan, Laat uw woord te vaster staan. 9. En, als wij eens zullen sterven, Zoo verzeker ons, ô Heer! Dat wij eeuwig zullen erven' s He mels heerlijkheid en eer, Die ons God heeft toepod gezeid, En geen tonge regt verbreidt. 38. LIED. donne Sleek. You ack ader vol genade, Ik een worm en made, Lig voor uwen 38. LIE D. REJEST ( 99 uwen troon: Hoor toch mijne bede, Nu ik tot U trede, Hoort z' in uwen Zoon; Want Gij laat ons niets ontberen, Wat w' in zijnen Naam begeeren. 2.' t Is geen schat op aarde, Lust of eer of waarde, ' t Geen ik smeekend vroeg; Heb ik' s Geestes gaven, Die de ziele laven,' k Heb voor mij genoeg, En die wilt Gij toch verleenen Hun, die daarom kermen, weenen. 3. Sloot ik van te voren Voor den Geest mijn' ooren, Heb ik Hem weèrstreefd;' k Wil vergiff'nis vragen, Dat ik al mijn' dagen Heb ontrouw geleefd. Wil mij door uw' gunst verblijden, Die opregt komt schuld belijden.10 4. Nader, Hartenroerder, Heil en rust aanvoerder, Heilige Geest, met kracht, Dwing mij in H uw 100 38. LIE D. uw' banden, Doe mijn hart ontbranden, Dat ik roem uw' magt: Hemelduiv', ai daal van boven, Schenk mij, dat ik mag gelooven. 5. Aller geesten Vader! Levensbron en ader, Stort mij leven in; O Gij zondenhater, Wel van levend water, Reinig hart en zin: Wasch mij wel, delg uit de vlekken, Die mijn lijf en ziel bedekken. 6. Spiegel vol van klaarheid, Zegel van Gods waarheid, Mijn verstand verlicht; Dat op' s Heeren grootheid En mijn eigen blootheid Staag mijn oog zich rigt'! Leer mij uw' genade schatten, Die het vleesch nooit kan bevatten. 7. Breek des Satans werken In mij, door den sterken Hamer van uw woord; Doe mij aan U hangen, Rigt tot 38. LIED. 101 tot U mijn' gangen. Zoo, als' t regt behoort; Dat ik mij aan U mag geven, En naar uwen wil kan leven. 8. Hebt Gij aan die tongen, Die Gods werken zongen, Wonderen gedaan; Blijf nu niet verholen, Roer met altaar kolen, Mijne lippen aan; Dat zoo lang ik adem hale, Ik mijn' God den lof betale! 9. Als ik treurig zitte In verzoekings hitte, Troost * mij door uw' raad: Laat uw' stroomen vlieten, En zich in mij gieten Met een ruime maat. Wil mijn dorstig harte laven Met de rijkste hemelgaven. 10. Ik kan alles dragen, Ik durf alles wagen, Wijl Gij zijt mijn pand. Ai! wil bij mij blijven, Allen nood verdrijven, Leid mij bij de hand: Wil uw werk in mij voltrekken,' t Zal uw' Naam tot roem verstrekken. Igord H 2 11. 102 38. LIED. 11. Dit mijn lijf der zonden, Waar uw's tempels gronden In geankerd staan, Zal wel eerst verteren, Maar met luister keeren, Van het graf ontdaan; Dan zal ik voor deze dingen Uwe magt en sterkte zingen. GEESTELIJKE LIEDEREN. *. 120011 TWEEDE DEEL. TA€ CATECHISMUS GEZANGEN, over vijf Hoofdstukken der Christelijke Leer. WAARIN I. De tien Geboden Gods. oi das 39. LIED. noveglomed ste Wijze: Psalm 140. ef op uw hart, ontsluit uw ooren, Verstokte, die uw' pligt ontvliedt, Merk op, en wil aandachtig hooren, Naar' t geen de Heer, uw God gebiedt. 2. Ik ben uw God, dus spreekt uw Koning, lk bragt 39. LIED. 特製 103 bragt u uit de slavernij, En trok u uit Egyptens woning, Erken geen' Godheid nevens mij. doo 3. Gij zult u nimmer beelden maken, Wat ook uw oog als schoon waardeer, Om die godsdienstig te genaken, Want God is ijvrend voor zijn' eer! 4. Gij zult zijn' Naam niet ijdel noemen: Draag zorg dat gij niet valschlijk zweert, Want God zal dien als schuldig doemen, Die zijn' geduchten Naam onteert. 5. Zes dagen zult g' uw werk verrigten, De zevende zij God gewijd, Die na het gansch heeläl w te stichten, Gerust heeft op gelijken tijd. 6. Uw' ouders zult gij altijd eeren, Op dat gij lang voorspoedig leeft, En God uw' dagen doe vermeeren In' t land, dat u zijn' goedheid geeft. H 3 7. 104 39. LIED. 7. Wacht u, uw' evenmensch te moorden. Vlied echtbreuk en onkuische min. Steel niet, Breng nimmer valsche woorden Tot nadeel van uw naasten in. 8. Wil nooit uws naasten huis begeeren, Noch vrouw, noch knecht, noch maagd, noch vee, Noch iets dat hem de hand des Heeren, Naar hare vrijmagt deelde meê. 9. O God, uw onweerstaanbre woorden Weergalmen meer, dan' t schelst metaal, Trek ons door uw genade koorden, Om die te houden allemaal. GEBED OM ONDERHOUDING VAN GODS GEBODEN. 40. LIED. Inleed doens 10 Wijze: Lied 65. bod is abnet W ilt toch uw wetboek en Gebod, Waar naar wij moeten leven, Waarachtig en getrouwe God, In mijne ziele geven: Op dat ik van geveinsdheid vrij, Tot goed doen altijd willig zij, En' t geen gij wilt, betrachte. 2. 40. LIED. 105 2. Geef, dat ik U alleen betrouw, U lieve, vrees en eere, Op menschen magt en hulp niet bouw, Geloovig hier verkeere: Dat hovaardij of menschengunst, Lust, rijkdom, eer of eige kunst Mij niet ten afgod worden. 3. Maak, dat ik U, opregt van aard, Steeds eer en hulde biede, Naar' t geen Gij zelf ons openbaart, En valsche Godsdienst vliede; Waar in men zich voor steen en hout Eerbiedig buigt, en zich verstout De Godheid af te beelden. 4. Laat mij uw' Naam en uw verbond En woord in ootmoed roemen, En nimmer U met mijnen mond Dan diep eerbiedig noemen. Dat ik bedenke t' allen tijd, Hoe' k U ben door den doop gewijd, Om U getrouw te dienen.live H 4 5. 106 40. LIE D. no 5. Doe m' op den vier- en predikdag In demoed voor U treden; Dat ik dien tijd besteden mag In aan. dacht en gebeden; Dat ik uw woord godvruchtig hoor, Opregt bewaar en U ook voor Al uwe goedheid danke. 6. Mijn' ouders, leeraars, overheid, Door U tot eer verheven, Zij staag mijn eerbied toege zeid, Zoo zal ik vrolijk leven. Voor hunne trouwe zorg' laat mij, Al zijn zij niet van fouten vrij, noblead Hun altijd dankbaar blijven. dois no 7.00 Geef, dat ik nooit in euvelmoed Mij zelven zoek te wreken, Maar met hem, die mij kwaad aandoet, Moog liefd' en eendragt kweeken; Dat ik m' in' s naasten heil verblij', En tot zijn' dienst wilvaardig zij, Met innig ziels genoegen. 8. 40. LI E D. 107 8. Laat mij het werk der duisternis Mijn gansche leven mijden, Op dat ik nooit uw aanschijn mis, En helsche smert moet lijden. Schep mij een rein gemoed, ô God! Op dat ik ijdelheids genot En Isis' njim ish overdaad mag haten. 9. Geef, dat ik van mijn daaglijksch brood Steeds wel te vreden leve; Niet gierig zij, noch zelfs in nood Tot rooven mij begeve: Dat ik met mijner handen werk Den armen ondersteun' en sterk', astovlov En' t niet tot pracht bestede. 10. Gun, dat ik mijnes naasten eer Bewaar naar mijn vermogen, Den smaad en schande van hem keer, Doch waarheid hou' voor oogen, d' Opregtheid zij in mijn gemoed, Op dat het altoos afkeer H 5 voed' 108 40. LIED. odeany of voed' Van lasteren en liegen. 11. Laat mij des naasten huis en goed Niet wenschen of begeeren; Maar' t geen' k tot nooddraft hebben moet Laat mij dat nooit ontberen; Doch dat het niemand schadlijk zij, En dat mijn' ziel van onrust vrij, Daar onder rein mag blijven. 12. Och Heer!' k zou gaarne naar uw regt En heilig welbehagen, Gelijk een graag getrouwe knecht, Mij onbesmet gedragen; Maar ik gevoele, wat ik mis, Wij in mij geen vermogen is, Om' t minste te volvoeren. 13. Wil dan, God Vader! van uw' troon Genaad en sterkte geven: O Jezus! Gods geliefde Zoon, Help mij, om vroom te leven; Laat mij opregt, ô Heilge Geest! Den naasten, maar U hoov ' t al 40. LIED. ta't allermeest, Beminnen, helpen, dienen. II. De XII Artikelen des Geloofs. 41. LI E D. Wijze: Psalm 9. 109¹ kG eloof hartgrondig in dien God, Den Vader, Die, door zijn gebod En onweerstaanbaar alvermogen, Schiep' t aardrijk en de hemelbogen! 2.' k Geloof in Jezus, die Gods troon Bezit, als ' s Vaders eigen Zoon, Die tot ons is als Borg gekomen, En vleesch en bloed heeft aangenomen. 3. Hij werd, door' s Geestes wonderkracht, Gansch rein en vlekloos voortgebragt, En uit Maria's vleesch geboren; Zoo gaan zijn broeders niet verloren. 4. Hij heeft voor hunne gruweldaân De bittre kruisstraf ondergaan, Zich willig in den dood gegeven, Om hun te schenken' t zalig leven. 5, 110 41. LIE D. 5. Een ak'lig graf besloot den Heer, Ook daalde Hij ter helle neêr, Om zoo des Satans magt te krenken, En ons het hemelrijk te schenken. 6. Hij klom den derden dag uit' t graf, Hij nam den dood zijn' prikkel af, En is de starren doorge varen, Bij' t juichen van Gods eng'len scharen. 7. Daar zit Hij in verhoogden stand Aan Gods des Vaders regtehand, Van waar Hij zal als Regter komen, Zoo van godloozen als van vromen. 8.' k Geloof ook in den Geest, als God, Wiens invloed is ons heilgenot, Die onzen geest wil kennis geven, Dat wij als' s Heeren kind'ren leven. 9.' k Geloof een' Kerk, die christlijk leeft, En 1 x!= Jezus tot haar' Leidsman heeft; Die Hij voor d' ceuwen 41. LIE D. wen uitverkoren, En in den tijd heeft weêrgeboren. 10. Die ook met Hem gemeenschap heeft, En zaam Pod t 0 vereenigd, in Hem leeft, Die voor verdorvenheid en zonden, In Hem vergeving heeft gevonden. 11.' k Geloof mijn ligchaam zal in d'aard' Niet blijven eeuwiglijk bewaard; Maar eens tot heerlijkheid verheven, Deelachtig worden' t eeuwig leven. 12. Dit is het, dat ik onderschrijf, Geef, Heer! dat zulks aan mij beklijf, En laat m'in dit geloof letoch sterven, En uwe zaligheid beërven. III. Het Gebed des Heeren. 42. # LIED.med 111 Wijze: Lied 5. 経 Vader, die in' t hemelrijk Gezeten, zegt, dat ==== 1= tetett wij, gelijk Het kind'ren past, met smeekgebeên Voor uwen zetel moeten treên; Geef dat wij niet slechts met 112 42. LIED. met den mond U bidden, maar uit' s harten grond. 2. Geheiligd zij uw Naam, ô Heer! Uw woord blijf zuiver, U ter eer: Ons leven zij bevrijd van blaam, Tot roem van uwen grooten Naam; Beveilig ons van valsche leer, Geef dat zich' t dwalend volk bekeer. 191 19 11: 3. Uw koningrijk word' uitgebreid, En blijve tot in eeuwigheid; Schenk ons de gaven van den Geest, Zoo wordt Gij regt van ons gevreesd; Verbreek des Satans sterk geweld; In ruimte zij uw' Kerk gesteld. 4. Uw wil geschied' op aard', gelijk Die wordt vol bragt in' t hemelrijk, Geef ons geduld in tegenspoed, Gehoorzaamheid in zuur en zoet; Verbreek in ons, het geen Gij haat, En uw bevelen wederstaat. es 5. Geef heden ons ons daag'lijksch brood, Vervul al 西 42. LIED. 1 1 al onzen ligchaams nood. Behoed ons toch van twist en strijd, Van ziekte, honger, duren tijd; Laat ons in vreed en voorspoed staan, Door slaafsche zorg noch vrees belaân. 6. Vergeef ons onze schulden, Heer! Dat zij ons niet bedroeven meer; Gelijk wij ook uit' s harten grond Vergeven, die ons schuldig stond. Tot Uwe dienst maak ons bereid, In regte liefd' en eenigheid. 7. Stel ons niet aan verzoeking bloot, Als ons de Satan brengt in nood; Help ons, ter regt' en linkerhand. Heldhaftig bieden tegenstand, Door' s Geestes troost bij' t groot st gevaar In ons geloof onwankelbaar. 113 ** 8. Ach help ons tegen alle kwaad En' s Vijands list en wreden haat: Verlos ons van den tweeden dood ,. 114 42. LIED. dood, En troost ons in den jongsten nood: Geef ons een zalig eind, ô Heer! Neem onze zielen op in eer. 9. Want U, ô Vader! is het Rijk; Wie is aan U in magt gelijk? Geef, dat wij luister'n naar uw wil, En in uw heil berusten stil: Door ons uw' kracht noen heerlijkheid Zij nu en eeuwig uitgebreid. 10. Ons Amen zegt, het worde waar! En' t zal zoo, zijn, ô dat wij maar In ons geloove zeker staan! Dat Gij neemt onze smeeking aan! Wij zeggen Amen wijl uw woord Verzekert, dat Gij ons verhoort. IV. De Instelling van den Heiligen Doop. 43. LIED. Ablall boot Wijze: Psalm 36. ます oen Christus, onze Heer en God, Verrezen T was, den dood ten spot, Eer Hij ten hemel spoede, Werd Hij aan zijner Jongren schaar In Galilea , boob open 43. LI E D. 115 openbaar, En sprak dit hun ten goede: Ik heb mijn werk geheel volbragt, Mij is gegeven alle magt Zoo boven als beneden: Gaat heen, leert langs het wereld rond; Nu moet mijn woord met hart eben mond. Geloofd zijn en beleden! 2. Leert hen den heilweg regt verstaan, En kondigt mijn verbond hun aan: Besprengt hen in de Namen, Van Vader, Zoon en van den Geest, Die wordt als God Drieëen gevreesd; Zegt dan geloovig, Amen! Want die gelooft en door den doop M' is ingelijfd, heeft wisse hoop, Om zaligheid t' erlangen; Maar hij, die' s Heeren woord versmaadt, En ook den Doop veracht en haat, Zal nimmer heil ontvangen. 3. God Vader, ware heilfontein! Ai doop Gij I ons 116 43. LIED. ons en maak ons rein Van onze vuile vlekken Door Jezus uitgestorte bloed, Die zielen zuiverende vloed Laat ons ter wassching strekken; En wijl ook bij dit waterbad Wij reeds in het verbond be vat, U hebben trouw gezworen, Zoo geef, dat door een goed gedrag Het in ons zigtbaar blijken mag, Dat wij zijn weêrgeboren. V. Gezangen bij het gebruik des Heiligen Avondmaals. sobe 790? A. Voorbereidings- Gezangen. HONGER EN DORST NAAR DE GENADEGOEDEREN Theat Toolog VAN CHRISTUS. 44. LIED. Wijze: Psalm 51. 0 Menschenvriend! ô Jezus, levenswel! Onpeilbre Bron van heil, ô mijn Beschermer! Treed voor mij in, Verlosser en Ontfermer, Gedenk aan mij, ô mijn Immanuël! Ik sta met vrees en angst hier zeer beJaan, 44. LIED. 117 laân! Ik klaag het U, ô proever mijner nieren! Gij zijt een arts, die kranken bij wilt staan, Een herder, die zijn' kudde wil bestieren. 2. Ik ben bedroefd, ik voel wel wat mij deert; Ten hemel is mijn oog met angst geheven; Ik sta van ver en zucht naar' t eeuwig leven, Naar U mijn heil, TESZ dat mijne ziel begeert. Ik sla demoedig op mijn harde borst, Daar ligt het kwaad, dat mij van U kon scheiden! Ik schaam mij, om het geen mijn' ziel be# 6 ¢ morst, En mij zoo vaak in' t heimlijk kwam verleiden. 3. Waar zal ik heen, tot U, ô Levens God! Nu zal mij niets van mijnen rotssteen drijven,' k Wil, spijt de hel, mijn Jezus eigen blijven, O dood! 6 hel! uw prikkel is geknot. Ik ben een lid van dat zeegdows 12 haf 118 44. LIED. HOVEREEN haftig Hoofd, Dat duivel, dood en hel heeft neerge. stooten: Ik ben door Hem der zonde magt ontroofd, Door Hem, dien Held uit Davids stam gesproten. 4. Ik koom alleen tot U, Genadebron! Mijn' ziel verlangt naar frissche waterstroomen: Ik wil, ô Heer! aan uwe tafel komen: Verstoot mij niet, Gij zijt mijn licht en zon. O Hemelsbrood, ô Manna, blijf mijn deel! Gij open stroom kunt ras mijn dorst verdrijven: Mijn Herder, aan wiens zorg ik mij be veel, Laat hart en tong aan U gehoorzaam blijven. B. Nachtmaals- Gezangen bij de Bediening can het Heilig Avondmaal. 45. LIED. Wijze: Psalm 36. M aakt Christnen, dat gij hier verschijnt, Die als van dorst en honger kwijnt, Hier kunt g'uw' ziel verkwik 45. LIED. 119 kwikken: De Heer heeft voor uw aangezigt Een' vetten maaltijd aangerigt, Hij zal u heil beschikken. Treedt toe! hier vindt gij brood en wijn, Die' t ligchaam tot verkwikking zijn, En tijd'lijk voedsel geven; Zoo geeft ook Jezus vleesch en bloed Een geest'lijk voedsel aan' t gemoed, En' t eeuwig zalig leven. 2. Gelijk het lijf naar voedsel tracht, Op dat het krijge nieuwe kracht, Om hier op aard' te leven; Zoo moet de ziel, door schuld en smet Gansch magt'loos, zich naar Christus met Al haren nood begeven. Des Allerhoogsten Wonderzoon Werd ons een broeder, liet zijn' troon, Om voor ons te betalen; Hij leed al' t geen Gods Majesteit En wraak ons had ter straf bereid, Den dood en helsche kwalen. 13 3. 120 45. LIED. 3. Wijl nooit een mensch aan God' t rantsoen Voor onze zonden kon voldoen, Zoo waren wij verloren; Maar Christus door des Hoogsten kracht Uit eene maagd in' t vleesch gebragt, Werd vlekloos rein ge #E boren; En schoon Hij bleef waarachtig God, Leed Hij nogtans het bitterst lot, Hij werd aan' t kruis geslagen; Op dat zijn volk, door zijnen dood, Gods grimmigheid en wraak ontvlood, Die nooit een mensch kon dragen. 4. Zoo heeft aan den vervloekten stam. De Christus,' t heilig offerlam, Der zonden straf gedragen: Hij heeft voor al zijn volk betaald, Zoo dat hen ' s Vaders gunst bestraalt, Wie zou dan meer versagen? Als u dan' t pak der zonden drukt, En uwe ziel daar onder bukt, Ai denk aan Christus lijden! Uw 45. LIED. 121 Uw troost zij, dat Hij door zijn' dood U, die gelooft, van allen nood Volkomen wou bevrijden. 5. Gelooft gij dus, dan smaakt gij' t goed, Dat Jezus door zijn dierbaar bloed Heeft aan het kruis gevonden; Zoo wordt uw' ziel door Christus lijf En bloed gelaafd, op dat zij blijf Geheel aan hem verbonden.' t Is Christus ligchaam, dat ons geeft Een' spijs, daar' s menschen ziel bij leeft, En eeuwiglijk zal leven; De regte drank voor ons gemoed Is Jezus uitgegoten bloed, Dat ons kan krachten geven. 6. Begrijpt gij nu, hoe' t vleesch en bloed. Van Jezus onze zielen voedt, Als wij geloovig eten; Zoo moet gij ook, dat brood en wijn Van deze beide teekens zijn In' t heilig Nachtmaal, weten. Zijn I 4 vleesch 122 45. LIED. vleesch wordt ons verbeeld door brood, Door wijn het bloed, dat Hij vergoot, Tot zoen van onze zonden: Als dan uw mond die teekens smaakt, Zoo zegt Hij: ziel, die naar mij haakt G' hebt mij gewis gevonden. 7. Doch als' t geloof op Hem niet ziet Ontvangt men Christus Jezus niet, Maar slechts het enkel teeken. Alleen dat Jezus zij zijn deel, Zijn vleesch en bloed, ja Hij geheel' t Geloovig hart mag spreken. Daarom, gelijk naar brood en wijn Uw oog en mond begeerig zijn, Ter voeding van uw leven, Zoo moet uw ziel naar Christus gaan, En hem bestendig kleven aan, Dan zal Hij zich u geven. 8. Geeft verder acht, dat brood en wijn Niet enkel bloote teekens zijn Van Christus en zijn' gaven; 0 neen! 45. LIED. 123 neen!' t zijn zegels van dat goed, Waar door ons God verzek'ring doet, Dat Hij de ziel wil laven. Denkt nimmer, dat in brood en wijn Zou Christus lijf verborgen zijn, Gods woord zal' t u niet leeren. Gelooft geen broods verandering In Christus lijf, ' t is beuzeling, Men moet de dwaasheid weren. 9. Maar, Christus zegt, dat brood en wijn Zijn vleesch en bloed in' t Nachtmaal zijn, Hoe zal men dit verklaren? Hij heeft een sacrament gemeld, Zijn taal is naar de zaak gesteld, Dit kan geen mensch bezwaren. Dus is de aard van' t sacrament, Dat men het zigtbaar element Een hoog'ren naam doe dragen; En wel van' t goed, waar van' t gewis Een teeken en een zegel is, Dat kunt gij Paulus vragen. 15 10. 124 45. LIED. 10. Begeert dan niet met uwen mond Des Heeren vleesch en bloed terstond In' t Avondmaal t' ontvangen. Gij krijgt hem niet op zulk een' wijs, Want Christus is der ziele spijs, Hij laat naar zich verlangen. Als gij dit doet, en God betrouwt, Hij, die ' t geloof in gunst aanschouwt, Schenkt u dan' s Hemels gaven. Zoo wis als brood en wijn u voedt, Zoo zeker zal zijn vleesch en bloed Uw ziel gedurig laven. 11. 0 Jezus! waarlijk mensch en God! Door uwen dood deedt Gij ons lot In vreugde zijn en leven: Ten zegel van dit gunstbewijs, Hebt Gij aan ons den drank ↓↓↓ en spijs In' t Avondmaal gegeven. Wek Gij ons op door uwen Geest, Dat onze zielen allermeest Het hemelsch よく 、 ますます よ brood begeeren: Och dat in dit uw Avondmaal! Het heil in 45. LIED. M 125 in onze zielen daal, Op dat w'uw' Naam vereeren! DE GENADERIJKE NOODIGING TOT HET HEILIG AVONDMAAL EN DESZELFS VRUCHTEN. 46. LIED. oet van' s Heeren gunst gewagen, Heet dat niet weldadigheid, Dat ons Jezus heeft doen vragen, Aan den disch, dien hij bereidt? Jezus noodigt ons te gast, Op dat wij, van slaafschen last, Van de zond' en smert ontheven, In den hemel zouden leven. 2. Hij, de Heiland wil ons spijzen, Hij wil zelf de spijze zijn; Heet dat niet gena bewijzen, Is Hij nu niet uw' en mijn? Hij geeft ons zich zelf ten deel, Op dat Hij de ziele heel' Van haar pijnelijke wonden, Die nog bleven onverbonden. 3. Heer! Gij hebt U zelf gegeven, Voor ons in den bitt'ren dood, Om ons weêr te doen herleven, Vrij 126 46. Li ED Vrij van zonden, straf en nood. Ja! door uwer liefde kracht, Zijt Gij, Heer! daar toe gebragt, Dat Gij op een wond're wijze Gaaft U zelf ter Ziele spijze. 4. Nu kom ik, ô Heiland, treden Voor U, hemel Majesteit! Hoor, ai, hoor mijn smeekgebeden! Gij hebt toch voor mij bereid Uw' genaderijken disch, Op dat zich mijn' ziel verfrisch, Gij wilt haar door spijs verkwikken, En een levensstroom beschikken. 5 Och! Gij wilt, ô Heer! mij laven Met het ware Hemelsbrood, En mij door uw' rijke gaven Troost verschaffen in den nood. Maak geheel en al mij rein In uw' zuivre heilfontein, Drenk mij met genadebeken,' k Zal dan t' uwer eer steeds spreken. * 6. Heere! maak mij tot uw woning, Maak mijn ziel 46. LIED. 127 Ziel van zonden vrij; Heersch daarin, ô groote Koning! Dat zij' s Geestes tempel zij. Och! laat nooit dit brood en wijn Mij tot zwaarder oordeel zijn, Daar G'U hebt tot heil en leven. En verlossing mij gegeven. 7. Leid mij, stuur mij steeds ten goede Door den Trooster, uwen Geest, Dat ik mij van zonden hoede, En moog zoeken allermeest,' t Geen U welgevallig zij; Dat ik' s Werelds woestenij, Door Godvruchtigheid ontvliede, Booze lusten weerstand biede. 8. Geef mij ook geduld in' t lijden, Maak mij in' t geloove vast; Doe mij waan en hebzucht mijden, Dat mij gramschap nooit verrast, En als iemand mij misdoet, Blusch de wraaklust, laat mij zoet Met hem in verzoening leven, Wijl Gij hebt mijn schuld vergeven. 9. 128 46. LIE D. 9.' k Wil mij naar uw' wetten schikken;' k Geef aan U mijn kracht'loos hart; Laat het door uw heil verkwikken; Maak het vrij van alle smart. Och, of mijn' bedrukte ziel U ter woning wel geviel! Wil in haar voor eeuwig leven, Heer, zij zij aan U gegeven! VAN DE INSTELLING DES HEILIGEN AVONDMAALS. 47. LIED. Wijze: Psalm 91. T oen Jezus lijden wou den dood Voor onze gruweldaden, En Judas Hem om' t geld zoo snood En schand'lijk dorst verraden; Heeft Hij met zijner Jongren schaar Eenparig aangezeten, Denzelfden nacht in' t openbaar Het Pascha neg gegeten. 2. En sprak, ik heb begeerd heel zeer Dit Pascha met u t' eten, Want' k zal voortaan' t niet eten meer, Tot dat ik ben gezeten Op mijnen troon, in 47. LIE D. 129 in' t eeuwig rijk, Dat' s Vaders gunst zal geven. Aan mij en hen, die, mij gelijk, In zijne liefde leven. 3. Hij nam het brood en dankte God, Zoo dat zijn' jong'ren' t hoorden: Hij brak' t, en gaf' t hun daar Hij ** EVENEZ boz tot Hen sprak met deze woorden: Dit is mijn Ligchaam, dat ras zal Door lijden zijn gebroken, Op dat Eerstvader Adams val Nooit word' aan u gewroken. 4. Hij nam den beker in de hand, Hij dankte, gaf zijn' gasten, Ook van dit teeken,' t regt verstand Met woorden die hier pasten, En sprak: drinkt allen, dat ' s mijn bloed, Dat voor u neêr moet stroomen, Zult g' in den onderaardschen gloed Niet eeuwig ommekomen. 5. Dat bloed,' t welk in het oud verbond Bij' t off'ren werd vergoten, Bragt geen genezing voor uw' wond Daar 130 47. LIE D. pod ple Daarom heeft God besloten, Dat ik met U het Nieuw Verbond Zou sluiten door' t vergieten Van dit mijn bloed, en g' op dien grond Zoud' wis Gods heil genieten. 6. Gebruikt dan vaak dit brood en wijn, Op dat gij moogt gedenken, Hoe ik door d'allerzwaarste pijn U spijs en drank wou schenken: Denkt, had ik niet den dood gesmaakt, Dat gij had moeten sterven; Gelijk dien vast de dood genaakt, Die spijs en drank moet derven. 7. Zoo dikwijls gij dan van dit brood Zult in het Nachtmaal eten, Moet gij gedenken aan mijn' dood, En nimmer dien vergeten; Gij moet dan maken openbaar Mijn sterven en mijn lijden, En hoe ik d' uitverkooren schaar. Wil van den dood bevrijden. EJ 8. Mijn bloed laaft dien, die nederzinkt, Mijn vleesch 47. LIED. 131 vleesch zal hem versterken; Zoo hij maar geest'lijk eet en drinkt, En oefent geestes werken. Die regt gelooft, dat' k in den dood Mij heb voor hem gegeven, Is vrij van dorst en hongersnood En heeft het eeuwig leven. 9. Ik blijf in hem, hij blijft in mij, Mijn' Geest zal ik hem geven, Zoodat hij God gehoorzaam zij, En naar zijn' wet wil leven;' k Heb hem als lid en eigendom Voor eeuwig aangenomen Met mijn gena vat ik hem om, Als ik zal wederkomen. 10. O Jezus, Gods geliefde Zoon! Laat ons dien troost erlangen; Zoo zullen wij voor uwen troon De vrijspraak' wis ontvangen. En schoon de wereld ons verdoemt, Dit geeft ons geene zorgen, Wijl ons geloof in' t heilgoed roemt, Dat Gij ons hebt verworven. K 11. Z 132 47. LIED. 11. Heer, dat uw woord waarachtig zij, Gelooven wij van harten. Doe ons naar onzen pligt steeds blij Gedenken uwer smarten. Laat ons in liefde langs de baan Van uw' geboden wand'len, En zoo, als Gij ons hebt gedaan, Met onze naasten hand'len. AANDACHTS- LIED BIJ HET HEILIG AVONDMAAL. 48. LIED. Wijze: Lied 82. 0 Rots des Heils! ô godlijk Lam! Die U aan den vervloekten stam Van' t kruis voor mij liet slagten, Uw dood en allernaarste pijn Zal mij een bundel mirre zijn, En op mijn' borst vernachten, Waar bij Ik mij In mijn lijden Kan verblijden, Ja ver kwikken, En dat mij kan vreugd beschikken. 2.0 Uw vleesch is voedsel voor' t gemoed, Gij wascht de zonden door uw bloed, Uw kruisdood kan mij 4420 strek 48. LIED. 133 strekken Ten steun, wanneer ik ben vermoeid, Een wel, daar levenssap uit vloeit, Een schild, dat mij kan dekken. Laat vrij Op mij Bliksemstralen Nederdalen, ' t Kan niet breken, Pijlen kunnen' t niet doorsteken. 3. Hoe lief'lijk is uw liefdedisch! Daar zie ik tot wat droeffenis De liefd' U heeft gedreven; Daar wordt mij uit uw goede hand Een gadeloos genadepand Tot mijnen troost gegeven; Wanneer Gij, Heer, Uit erbarmen, U den armen Mensche schenken, En aan uwen eed wilt denken. 4. Wie ben ik, ô Bloedbruidegom? In zonden slijk zit ik rondom, En Gij wilt gunst bewijzen, Aan mij, die eeuwig helsche pijn En vloek moest onderworpen zijn, Mij wilt Gij goedig spijzen: Daar bij K 2 Wilt 134 48. LIED. >______ Wilt Gij Met uw' gaven Ganschlijk lavan Mijn verlangen, Dat, al hopend, lag gevangen. 5. lk, die' t bezworen trouverbond Zoo menigmaal vermetel schond, Ben niet getrouw gebleven; Mijo schuld is groot,' t Geloof is teêr; Nogtans zijt Gij mijn Borg, ô Heer! Gij wilt mij nooit begeven: Uw woord Steeds voort Blijft bestendig, Hoe ellendig Ik moog wezen, Gij wilt mij op nieuws genezen. 6. Dus zinkt voor U een ledig hart, Dat niets U brengt dan zondesmart, In zelfsverlooch'ning neder: ' k Heb in mij zelven wrang verdriet, Dat ik mijn schat zoo vaak verliet, Ik keer demoedig weder: Van nu Wil' k U, Mijnen Heere, Trouw en eere Harl lijk zweren, Zoo uw Geest mij maar wil leeren. 7. 48. LIED. ELEKT¶¶_<=-*_ ¶¶¶? 7. Ai kom tot uwen lusthof dan, Ik zal U geven wat ik kan,' t Geen' k aan U heb te danken. En 135 wilt Gij meer? zoo geeft het mij, Op dat ik het U weder wij'. O wijnstok, doe uw ranken Groeijen, Bloeijen, Wil van binnen Hart en zinnen Uitwaarts jagen, Dat z' U rijpe vruchten dragen. 8. Maak m' in' t geloove regt bereid, Om' t kleed van uw geregtigheid Vrijmoedig aan te trekken; Ik koom, en ik betrouw het vast,' t Bondzegel aan mij toegepast, Kan mij ter waarborg strekken. Want Gij Gunt mij Toe te treden, Ik heb heden In uw wonden Toegang tot den troon gevonden. 9. Gij maakt mij Priester, en hierom Mag ik in' t binnenst heiligdom Zelfs zonder deksel komen.' t VoorhangK 3 136 48. L 1 E D. hangsel scheurdet Gij van een', Als bondgenoot mag ik thans treên En nadren zonder schromen.' k Schrik niet,' k Beef niet, Vrij van banden, Wijl die handen Zijn doorgraven, Die voor mij het losgeld gaven. 10. Hier is de liefde, mijn' banier! Hier brandt op ' t altaar liefdevuur, Gij hebt mij' t hart genomen, Daar Gij mij' t brood des levens schenkt, En mij uit Edens stroomen drenkt; Daar G' eerlang zelf zult komen, En mij, Dan blij U hier boven Steeds doen loven, Eeren, prijzen, En volop met Manna spijzen. * 11. Geef maar, dat zoo als mijn gemoed Thans uit uw volheid wordt gevoed, Het ook in U mag blijven. Mijn' keus, waardoor' k op' t nieuw mij gaf Aan U, kan alle vrees voor graf En helsch geweld verdrijven. Ik 48. LIED. 137 Ik wil Nu stil Aan U kleven, In U leven, Duizend rijken Moeten voor uw' gunsten wijken.nl 12. Laat mij door dit, uw honigsap, Versterkt in deze vreemdlingschap Blijmoedig voorwaarts treden. O hemelsbrood, nooit scheide mij Van U Egyptens lekkernij, Of zijn aanlok'lijkheden. Heer hou' Uw' trouw Aan uw' tortel, Jesses wortel! Geef G daar boven,' t Geen uw woord en pand belooven. DE BETEEKENIS DER BEIDE SAKRAMENTEN. 49. LIED. U dodol Wijze: Psalm 77. een de schriften ons verkonden, Dat van Duis vel, dood en zonden, Wij door Christus dood en pijn Heugelijk ontbonden zijn; Even dat kan' t volk des Heeren Uit de Sakramenten leeren, Die de Heer in' t Nieuw Verbond Ons ten dezen einde zond. K 4 2. 138 49. II ED. 2. Uit het doopen kunt gij leeren, En het als uw' troost waarderen, Dat uw' ziel door Christus bloed Als door eene liefdevloed, Zoo als' t lijf door waterplassen Wordt van alle smet gewasschen, Ja! dal Christus bloed alleen U bevrijdt van vuiligheên. 3. Als g'in' t Nachtmaal zult erlangen, En uit' s Dienaars hand ontvangen Brood en uitgegoten wijn, Zal het u ten teeken zijn, Dat zich Christus heeft doen breken, En met eene speer doorsteken, Om door Zijn vergoten bloed U te schenken' t eeuwig goed. 4. Want gelijk ons tijd'lijk leven, Als de krachten ons begeven, Wordt gesterkt door brood en wijn, Die den mensch tot spijze zijn; Even zoo in onze zielen, Die door zonden gansch vervielen,' s Heilands vleesch en t 49. LIE D. 139 en bloed volstrekt Nieuwe levenskracht verwekt. 5. Doch tracht teffens te bedenken, Christus moet u' t aandeel schenken Aan zijn vleesch en bloed, denk niet Door den dienaar zulks geschied: Neen, die kan slechts' t brood u breken, En den wijn u als een teeken Geven van het vleesch en bloed, Daar u Christus zelf meê voedt. 6. Doch met zulke hemelgaven Kan alleen de ziel zich laven, Die gelooft, van valschheid vrij, Dat haar heilgoed Jezus zij, Met al' t geen Hij heeft verworven, Toen Hij is aan' t kruis gestorven, Daar Hij' s Vaders gunst ons gaf, En' t rantsoen voor schuld en straf'. 7. Maar die niet geloovig nad'ren, Kunnen hier geen voedsel gad'ren Voor hun krachteloos gemoed Uit des K5 140 49. LIE D. des Heeren vleesch en bloed.' t Bloote teeken wordt genomen, Doch de ziel zal niets bekomen, Tot haar daalt geen voordeel af; Maar zij eet haar zelfs tot straf. 8. Lieve Jezus, wil mij geven, Nimmer teekens aan te kleven, Dat mijn hart, tot U gerigt, Stel op U zijn toeverzigt. Wil mij die gena bewijzen, Met uw vleesch mijn' ziele spijzen, En die drenken met uw bloed; Heer! dit smeekt U mijn gemoed. 9. Lof zij Geest en Zoon en Vader, Aller volheids Bron en Ader, God Drieëen, die door Zijn' magt ' t Gansch heeläl heeft voortgebragt: Dat Hij ons naar ' t eeuwig leven Heeft een effen pad gegeven, Door de If tì 个 zegels en het woord. Eeuwig zij zijn lof gehoord! 10 bomey downlod 1007 to buy to bear C. C. Dankzegging na het Heilig Avondmaal. 2olos fied nim is jis 50. LIED. Wijze: Psalm 103. 141 pop, mijn geest! verhef u tot den hemel, Ontruk u d'aard', ontwijk al haar gewemel, Waar door zij vaak den sterveling verblindt. Ik heb op nieuw het hemelsch Man' gegeten, Ik was als gast aan Jezus disch gezeten, Geen Satans list nu mijn geloof verwint. 2.' k Wil niet naar eer, naar goed, noch wellust trachten: Een levenstroom verfrischt mij, geeft mij krachten; De dorst is weg; hoe ben ik zoo verkwikt? Nu wordt mijn' ziel in zoeten wellust dronken, Gij hebt mij hier den voorsmaak reeds geschonken. Maak mij, o God, meer naar uw' wil geschikt. 3. Gebied als Heer uw kind zoo duur verkregen: In U 142 50. LIED. U, mijn Vorst, zij al mijn heil gelegen: Zij mijn Profeet door God'lijk onderwijs: Zij Gij mijn Gids, om 三 我 、 mij den weg te leeren; Zij Gij mijn Man, dan zult Gij mij regeren; Als Priester is m' uw offer duur in prijs. 4. Wat wil ik meer, dan' t Hoofd van alle vorsten; Ik zal voortaan in eeuwigheid niet dorsten, Wijl' t leven zelfs mij met genade drenkt; Geen honger zal mijn' ziele smerte geven, Zij kan genoeg van' t hemelsch Manna leven, Dat Jezus is, en Jezus aan haar schenkt. 5. Ik leef en wil aan God mij overgeven; Doch niet meer ik, maar Christus is mijn leven. Leef dan in mij, 6 Gods geliefde Zoon! Zoo mag ik mij Gods gunsten 眼 hier beloven, En dat ik, door' t Lams bloed gekocht, hier boven In ceuwigheid zal leven voor den troon. GEES GEESTELIJKE LIEDEREN. LEER- EN 1. DERDE DEEL. GELOOFS- GEZANGEN. In de vorige Deelen niet begrepen. BEVATTENDE 143 Van Gods Wezen en Volmaaktheden. 51. LIED. Wijze: Psalm 27. ehova is een' Zon vol licht en leven; Jehova is volmaakt in Majesteit; Jehova is' t Die zielen troost kan geven, Jehova is de Bron van heiligheid. In Zijnen glans kan ik veel' wond'ren zien: Zijn' Algenoegzaamheid is mijne rust; Die Zielevreugd verkwikt mijn hart met lust, Wanneer ik slechts in heiligheid Hem dien. DININ 2. Jehova is een onbegrijplijk Wezen, Waar mijn verstand zich willig in verliest. Men kan, in' t woord der E \ 144 51. L I ED. der Bijbelwaarheid lezen, Wat wonderweg Gods wijze raad verkiest. Wien is de zin des Hoogsten uitgeleid? Wie gaf Hem raad, die reeds voor d' eeuVETER wen leeft. Sta stil, vernuft, die zee geen gronden heeft, Z' is u te diep! hier past onwetendheid. KEE 3. Jehova, grond en oorzaak aller dingen, Gij, Gij bewoont een ontoegangbaar licht. Och, dat uw licht mij altoos moog' omringen! Geleid mij toch steeds met Uw Aangezigt! Gij zijt een Licht, ja niets dan Majesteit; Gij haat hem, die de duisternis bemint; Gij lieft hem, die in' t licht zijn leven vindt, Geef, dat uw glans zich steeds om mij verspreid'! 4. Jehova God, niets kan mij van U scheiden, Nu ik met U mag in gemeenschap staan; Gij zult mij met Uw 51. LIED. Uw toeziend oog geleiden, En eind'lijk eens ten hemel in doen gaan. O Wereldling, verblind door valschen schijn, Vlugt gij voor' t licht, kiest gij de duisternis?' t Gaat vast, dat dan uw ziel verloren is, Wijl licht en regt mij nabij God doen zijn. II. Van de Heilige Drieeenheid. LIED. 52. Wijze: Lied 40. 145 Heilig en Drieëenig Heer! Omringd met glans en stralen, Hoe kan het Christendom uw' eer, # 4 Elt Zoo als het past, verhalen? Gij zijt verhoogd in Majesteit; Uw Naam is een' Verborgenheid: Uw Wezen kent geen' palen. 2. W' erkennen Uwe gunst, ô Heer! Dat Gij ons in dit leven Uw woord, ten grondslag onzer leer, Genadig hebt gegeven: Waar door men U regt 146 52. LIE D. regt kent en vreest, God Vader, Zoon en Heilge Geest, Drieëenig hoog verheven! 3. O Vader! oorzaak van' t heeläl, Men moet U dankbaar prijzen, Wijl uwe werken zonder tal Uw groote Magt bewijzen. Gij, Vader, gaaft gelijk Gij leeft, Het leven aan uw' Zoon, die' t heeft Van eeuwigheid ontvangen. 4. Gij hebt den aardkloot voortgebragt, Geschikt naar uw behagen; Die moest, tot roem van uwe magt, Veel' duizend menschen dragen: Het gansch heeläl blijft ongestoord, Gegrondvest op uw krachtig woord;' t Wacht op uw welbehagen. 5. Daarom, ô Vader! sta ons bij, Maak ons tot uwe kindren; Dat onze schuld vergeven zij, Dan zal ons nicts 52. LIE D. 147 niets verhind'ren. Wij treuren om ons zondig kwaad, Zij onze hulp en toeverlaat, Gelijk Gij ons beloofdet. 6. O Jezus Christus,' s Vaders Zoon! Van eeuwigheid geboren, Den menschen, reeds in' s hemels troon Ten Middelaar verkoren. Door U wordt alles uitgerigt, Waarachtig God! waarachtig Licht! Uit God en licht gesproten. 7. Gij zijt, schoon met den Vader één, Van uwen troon gekomen; En, als de regte tijd verscheen, Hebt Gij vleesch aangenomen. Gij bebt voor onze schuld betaald, Zoo dat ons nu Gods gunst bestraalt, Om uw onschuldig lijden. 8. Nu zit G' aan' s Vaders regtehand, In Majesteit verheven, Gij heerscht met magt aan allen L kant, Univ.- Bibl, Giessen 148 52. LI I. E D. kant, Gij doet uw haters beven. O Godmensch! red ons uit den nood, Wij zullen U voor uwen dood En uwe goedheid danken. 9. O God de Geest! Die zaam bestaat In' t Eeuwig INTEL I Opperwezen; Van Vader en van Zoon uitgaat, Willichten en genezen. O eeuwig en almagtig Heer! Ons toch geloovig werken leer, Hier toe wordt Gij gezonden. 10. Heer, Gij verzegelt door den Doop Het KindHE schap aan ons harte, En, na voleinden levensloop, Geeft Gij ons rust voor smarte; Op U vast ons betrouwen staat; En schoon al' t schepsel ons verlaat, Blijft Gij in onze zielen. 11. Wij bidden in demoedigheid, Dat Gij ons wilt verhooren; Als onze ziel in nooden schreit, Neem ons ge 52. LIE D. 149 geroep ter ooren: Geef, dat wij in den jongsten nood. Om onzes Heilands Jezus dood Getroost en zalig sterven. 12. God Vader, Zoon en Heilge Geest! Voor uw' weldadigheden Moet Gij' geloofd zijn en gevreest, En eeuwig aangebeden! Het hemels heer nooit zingens moê, Galmt U het driemaal Heilig toe: Dat doen wij ook op aarde. 53. LIED. Wijze: Psalm 8. D rieëenigheid! Aanbidlijk Opperwezen, O Licht van Licht, verheerlijkt en geprezen! Wiens Almagt zich tot' s werelds eind uitstrekt. En' t gansch heeläl met zijnen glans bedekt. 2. Wij loven U, zoo ras de zon haar stralen Uit ' t Oosten schiet, en als z' in' t West gaat dalen! L 2 AI 150 53. LIED. Al wat' er leeft, ô Hemel Majesteit!' t Is alles steeds tot uwe dienst bereid. 3. O rijke schat, ô onbegrijpbaar Wezen! Wat Schepsel kan die Gods geheimen lezen? O diepe bron, ô onnagaanb're kracht! Hoe groot, ô God! hoe groot is uwe magt! 4. Wie heeft toch hier uw' wegen uitgevonden? Hoe kan een mensch ooit uwen raad doorgronden? Weg aardsch vernuft, het diepst doordringend oog Vindt dit geheim oneindig ver te hoog. 5. Wat poogt gij toch, vermeet'le stervelingen, In Gods bestaan en wijsheid door te dringen? Zoo God niet Zelf u onderwijzen wil, Gij raakt verBhab doold, of staat onkundig stil. 6. 53. LIE D. ま 151 6. Leer ons, ô Heer! leer ons ten allen tijden In Eénen Drie en Drie in Eén' belijden; O Vader, Zoon en Geest, leert ons altijd, Dat Gij Eén God Bo tom nolds in Drie Personen zijt. 7. Laat ons verheugd dit woord gedurig zingen, Uit Hem, door Hem, tot Hem zijn alle dingen. Gods lof en eer word' eeuwig uitgebreid! Ja! Amen! in doseja! zegt al de Christenheid.#isogno 8. Uw Naam zij groot; Uw Rijk moet in ons wonen; Uw wil buig ons, wil onze schuld verschonen; Verzoek ons niet, red ons uit' s boozen magt; Uw is het Rijk, de Heerlijkheid en Kracht! b 1000 sede afges basblad moeild brod 110sqfrd neeq us dlow L 3 III. 152 III. Van de wondermagtige Schepping. A. BETRACHTING VAN GODS SCHEPSELEN IN HET GEMEEN. Kunnende ook dienen tot een Reislied te Water en te Lande. 54. LIED. Wijze: Psalm 136. emel, aarde, zee en lucht Melden met een H schel gerucht Hunnes Scheppers Heerschappij, amb alle Ziel voeg uwen lof daarbij. 2. Zie het groote zonnelicht, Brengt den dag voor EEEEE ons gezigt; Zelfs der maan en starren pracht Juianotechen God bij stillen nacht. 3. Zie des aardrijks ronden bal; God versiert dien overal; Bosschen, velden, al het vee Leeren, wat Gods vinger deê'. 4. Zie, hoe vliegt der vog'len schaar Door de wolken paar bij paar! Donder, bliksem, buld'rend weer 54. L 1 E D. 153 weer, Zijn ten dienste van den Heer. 5. Zie het schuimend water aan, Zie de woeste golven slaan; Door haar ijsselijk geweld Wordt des Scheppers roem verteld. 6. Och, mijn God! hoe wonderbaar Wordt mijn ziel Uw' magt gewaar! Geef mij, dat ik steeds erhoole kenn', Wat Gij zijt, en wat ik ben. B. Betrachting van Gods Schepselen in de Lente. LIED. Wijze: Psalm 74. 55. 0 God! uw magt wordt mij hier openbaar: Ik sta verbaasd door uwe groote werken, Die Gij mij laat zoo menigvuldig merken, k Word uwe liefd' op' t duidelijkst gewaar. 2. Hoe opent zich de hard bevroren grond, Dien kortst de sneeuw als witte wol bedekte! Dat dit, L 4 Ô 154 55. LIED. ô God! mijn trage ziel opwekte, Dat z' ook uw dow of lof vermeld aan' t gansche rond! 3. Hoe schittren daar de bloemen door haar pracht! ' k Zie rood en geel door purpre bladen zwieren: Hoe pronken daar narcissen, violieren; U zij door abeste mij ook reukwerk toegebragt. U bis 4. De zon vernieuwt het Al door haren gloed: De bij vliegt uit, om honig te vergaren. Wil ook, mijn Licht! uw' glans mij openbaren, Hem vloekt $ Gij toch, die uwen wil niet doet. 5.' t Gevogelt' meldt met wildzang' s Heeren lof; De Leeuwrik streeft al zingend naar den hemel; Wel aan, mijn' ziel! rijs uit het aardsch gewemel; Zing al wat kan; gij hebt tot zingen stof. 6. 55. LIE.D. 155 6.' k Ontving hiertoe een' redelijken Geest, Hier toe ben ik van eeuwigheid verkoren: En tot uw' eer ben ik, mijn God, geboren: Ja dit is' t doel van Jezus dood geweest. C. Betrachting van Gods Schepselen in den Zomer en Herfst, gelijk ook op de Reize te Water en te Lande. 56. LIED. Wijze: Psalm 81. tome sobni& 二 0 nbevatbaar Goed! Eenig God en Vader! Heer, Die wond'ren doet, Driemaal Heilig God! Sterke Zebaoth, Dien' k eerbiedig nader.. 2. Wil eerbiedigheid Aan mijn' ziele schenken: Maak Gij mij bereid, Dat, terwijl ik zing,' t Hart naar boven dring' Op uw' wil en wenken. 3. Voegt u met mij zaam, Hemel, lucht en aarde; Dat des Ileeren Naam Met een blij geschal, L 5 Hier 156 56. LIE D. Hier en overal Zij geroemd naar waarde! 4.' t Helder blinkend licht, Als de zon komt rijzen, Werkt op mijn gezigt: Geef dat' k gade sla En uw' magt versta, Die m' uw' werken wijzen. 5.' k Zie het starren dak Als een' spiegel prijken, Zonder smet of vlak; Doe als van het goud, Dat de proef uithoudt, Valschheid van mij wijken. 6. In de lucht, ô Heer! Galmen duizend klanken, Tot uw' roem en eer;' k Voeg mijn' stem' er bij, REFERE ' t Geen ontbreekt aan mij, Geef'tmij,' k zal u danken. 7. D' aarde toont: ô Heer! Uwe groote daden; B O hoe groent zij weer, Pronkt met nieuwe pracht, Praalt en juicht en lacht, Is met vrucht beladen. 8. O God! tot uw' lof, Geven rotsen, klippen, En 56. LI E D. 157 二 En de bergen stof: Daarom U, mijn Heer! U! mijn rots en eer! Juichen ook mijn lippen. 9. Heer! hoe ruischt de vloed In de diepe gronden! Dit streelt mijn gemoed, Bron van zaligheid! Dat Uw' Majesteit Zij van mij gevonden. 10.' t Groot en klein gediert' Eert, ô Hemelkoすすすす ning! U, die' t al bestiert; Al wat zich verroert; Wordt door U gevoerd; Leid mij tot uw' woning. **! 11. Veel en groot en goed Vind ik uwe werken; In al' t geen Gij doet, Zie ik maat noch paal: Och dat w' allemaal Hierop mogten merken! 12. Wondre wijsheidskracht Maakte deze dingen: d' Aard is vol van pracht En vervuld met goed; Op! mijn' ziel! gij moet Halleluja's zingen. IV. 158 IV. Van de Goddelijke Voorzienigheid, Onderhouding en Regering. 10. Tol aj 57. LIED. Wie maar den Hoogen God laat werken, En altijd op zijn' goedheid hoopt, Zal zijn genade ras bemerken, In alles, wat hem tegen loopt: Wie op den sterken God betrouwt, Heeft op geen zand zijn huis gebouwd. 2. Wat helpt ons toch het angstig zorgen? Wat baat ons treurig Wee en Ach? Wat baat het, dat wij alle morgen Ons zelf doen smelten in geklag? Door treurigheid doen wij ons hart, Nog meer gevoelen onze smart. 3. Laat elk zijn lot in stilheid dragen, Men zij toch in zich zelf verg'noegd, Zoo als des Heeren welbehagen En zijn' Alwetendheid het voegt. God, Die het alles aan ons geeft, Weet wat het schepsel noodig heeft. 4. 10 57. LIED. 159 4. Hij kent de regte vreugdestonden: Hij weet, wanneer het nuttig zij, Als Hij ons heeft getrouw bevonden, En niet besmet met huichlarij; Zoo komt God onverwacht met goed, En zegent ons met overvloed. 5. Denk niet in uw verzoekingstijden, Dat God u met zijn' gunst verlaat: Dat elk zich mag in Hem verblijden, Die zich in weeld' en wellust baadt. ' t Verloop des tijds verandert veel, En geeft aan ieder mensch zijn deel. 6. Het zijn voor God geringe zaken,' t Is alles voor den Heer gelijk, Den rijken klein en arm te maken, PRES Den armen weder groot en rijk. Wie doet' er wond'ren, dan de Heer, Die ras verhoogt, ras ploft ter neer. 7. Zing, bid en wandel op Gods wegen, Verrigt 160 57. LIED. rigt uw werk met trouwe vlijt, Steun op des Hemels milden zegen, Zoo wordt die nieuw en blijft altijd. Wiens hoop op zijnen God bestaat, Vindt, dat Hij nimmer hem verlaat. 58. LIED. Wijze: Lied 105. Wilt gij u, ô mijn' ziel! Daar over kwelling maken, Dat niet te andren is? Beveel God alle zaken: Dat ik niet vatten kan, Is aan den Heer bekend, Die alles wat gij ziet, Ter zijner eere wendt. 2. Zal dan d' ellendeling, Ten hoogen hemel rijzen? Zal' t arme schepsel dan Aan zijnen Schepper wijzen, Wat Hij verrigten moet? Behoeft Hij iemands raad, Door wien het gansch heeläl Reeds zoo veel eeuwen staat? 3. 58. LIED. 161 3. Ach neen, ô Groote God, U zij het opgedragen! Maak Gij het, zoo Gij wilt, Doe naar uw welbehagen. Ofschoon het zeldzaam schijnt, Het is toch eindlijk goed, Al wat uw wondermagt, En hoogste wijsheid doet. =========4. O Vader! wil daarbij Mij met uw' gunst vereeren, Op dat zoo alles moog Voor mij ten besten keeren: Bewaar de plaats daar' k leef, Dat nergens zij geklag, Dat hij voor mij en' t volk Verdraaglijk wezen mag! 5.' t Geloof is wel zeer zwak, Doch schenk mij uit genade, Dat het opregt zij, Heer! Dat het mijn ziel niet schade. Hoe wonderlijk' t ook ga, ' t Staat alles in uw' magt, U zij daar ook alleen De lof voor toegebragt. tel 6. God Vader, U, niet ons, Niet ons zij eer bewezen! 0 162 58. LIED. O Jezus, uwe lof, Uw Naam zij steeds geprezen! U, God den Geest, zij roem, Zij heerlijkheid daar voor, Wat Gij gestadig doet De gansche wereld door! De voor Gods goedheid Dankende. biodegrado 59. 59. LIED. k vertrouw in al mijn' wegen Op den levendigen God; Hij is mij een bron van zegen, En mijn hulp in' t droevigst lot. Hij alleen Is de geen, ik met mijn harte meen. 2. Zeg mij, wie kan toch vertrouwen Op een nie# Dien tig adamskind? Wie kan toch een' sterkte bouwen In de lucht en in den wind? Niets bestaat, Maar vergaat, Wat hier ook het oog verzaadt. 3. Maar uw' goedheid zal beklijven, O mijn God! in eeuwigheid; Hier doet Gij de schepsels blijven, 59. LIED. 163 ven, Om dat Gij ze voedt en leidt: Al wat leeft, Gij steeds geeft, Alles wat het noodig heeft. 4. Geeft hij niet een' rijken zegen, En in grooten overvloed? Zijn genaad' is als een' regen, 三个 要 gelijk een watervloed. Aard en lucht Hij bevrucht, Als men om zijn bijstand zucht. 5. Dankt den Schepper boven maten, In zijn' Zoon met lofmuzijk, Die ons heeft als aarden vaten Zaamgekneedt uit stof en slijk: Groot van raad, Sterk pat van daad, Is Hij, Die' t heeläl verzaadt. VAN DER MENSCHEN ZONDENVAL EN ELLENDE. De door Adam gevallene, en door CHRISTUS weder opgerigte Zondaar. 60. LIED. oor Adams val is' t gansch geslacht Der menschen heel verdorven; Dit gif is voort in ons gebragt, Nooit waar' er hulp verworven, Was Adams kroost M Door EZ 164 60. LIED. Door' s Heeren troost Niet vrij gemaakt van schaden; Die Satans magt Op Eva bragt, En op haar had geladen. 2. De slang had haar daartoe bekoord; Zij viel en deed ook vallen Haar' man; dus werd veracht Gods woord, Waar door zij ook ons allen Bragt in den dood; Doch in dien nood Heeft God ons willen geven Zijn lieven Zoon Uit zijnen troon, In wien wij kunnen leven. 3. Gelijk wij dan door Adams kwaad Gods gram. schap moesten lijden: Zoo wil ons Jezus in der daad Van schuld en straf bevrijden. En daar' t heelal Door #****** N Adams val Was geestelijk gestorven, Zoo heeft de Heer Door Christus weer Zijn erfdeel heil verworven. 150 4. Schonk God aan ons zijn' eigen Zoon, Toen wij nog zondaars waren, Die stervend hong aan 7000 ' t kruis 60. LIE D. 165 ' t kruis ten toon, Doch weer is opgevaren: Daar door wij zijn, Verlost van pijn, En in Gods gunst gekomen, Naar' s Vaders woord, Die ons verhoort, bedt Wie zou den dood dan schromen? id mod 5. Hij is de weg, het licht, de poort, De waarheid en het leven, Des Vaders Raad en eeuwig Woord, Van Hem aan ons gegeven Ten toeverlaat, Die open staat, In wien wij vast gelooven. Geen ramspoeds nacht, Noch' s vijands magt, Kan ons aan Hem ontrooven. 6. Die mensch is god'loos en vervloekt, Die zal geen heil aanschouwen, Die niet bij God vertroosting zoekt, Maar op het vleesch wil bouwen. O, arme ziel! Die' t ooit geviel Een andren troost te wachten, Dan bij God is, Gij zult gewis Door's duivels list versmachten. M 2 7. 166 60. LIED. 7. Wie hoopt op God en hem vertrouwt, Wordt nooit in smaad gedompeld; Wie op dien vasten Rotssteen bouwt, Wordt nimmer overrompeld. Wat tegenspoed hem hier ontmoet, Hij zal ten val niet komen: Wie God geheel Kiest tot zijn deel, Want Hij bewaart de vromen. 8. Ik bid U, Heer! uit' s harten grond, Ai! wil toch nimmer weeren Uw heilig Woord van mijnen mond; Dan zal geen schuld mij deren. In schand en scha, Op uw gena Zal steeds mijn' hope wezen; Die op U bouwt, En vast betrouwt, Zal and2001rov Voor den dood niet vreezen. 9. Uw Heilig Woord is voor mijn voet Een licht, dat met zijn' stralen Mij op den levensweg behoedt Voor' t onverstandig dwalen. Zoo ras dat licht Het 60. LIE D. 167 Het ziels- gezigt Beschijnt, kent men dien zegen, Dien God hem geeft. Die daar naar leeft, En hoopt in al zijn' wegen. 61. LIED. Wijze: Psalm 38. ch wat ben ik, mijn Ontfermer! En Beschermer, Bij uw ongenaakbaar licht? Zie, ik lig in mijnen bloede, Wijl ik' t goede, Dat ik wil, toch niet verrigt. 2. Ach! wat ben ik, mijn bloedwreker, Zwakker zeker, Dan een stroohalm voor den wind. ' s Menschen daden, vol ellenden, Zijn in' t wenDrity den Als een weverspoel gezwind. 3. Wat ben ik, mijn Borg en Vader, Daag'lijks kwader, Wordt mijn' ziel in haren stand. Laat m'Uw afzijn niet bedroeven; Wil niet toeven, M 3 Reik 168 Reik mij Uw' genadehand. 4. Ach, wanneer zult Gij mij geven' t Zalig leven? Kom, ô kom, ai help mij, Heer; Onz' ellend' kan U bewegen, Enkel zegen, Zult Gij op ons storten neer. 5. Zondig zijn, Heer, onze harten; Dat geeft smarten,' k Ben' t met schaamte wel bewust. Zie-93 61. LIED. lenarts, aanschouw mijn plagen, Hoor mijn kladagen, Schenk mijn' matte ziel weêr rust. 6. Geef, dat mij de dood niet schade, Schenk genade, Laat mij zijn uw troetelkind. Werk gestadig in mij kleinheid, En ook reinheid, Dat' k genaad' en ruste vind'. 62. LIED. eaid'gest nobe Wijze: Psalm 30. ↓↓ W ie ben ik zondaar, aardsche worm, O allerhoog ste Hemelheer? Wie ben ik, die door fellen storm, Ge dish lijk 62. LIE D. 艺 169 lijk een schip, sla heen en weer? Wie ben ik, dat Gij mij wilt leiden, En als een goede herder weiden? 2. Wie ben ik stof en slijk en asch? Verheven God, Gij kent mijn' staat: Hoe mij de dood beschoren was, Geheel bemorst, besmet en kwaad; En nogtans komt Gij mij genaken, Om mij goedgunstig vrij te maken. 3. Wie ben ik, Heer, mijn zieleschat? Ik lag te went'len in mijn bloed: Maar Heer, uw mededogen had Een' rustplaats voor mijn bang gemoed. Wie ben ik, dat gij, Heer der Heeren, Wilt in mijn lage hut verkeeren? $ 4 4. Wie ben ik? wat mijn huis? ô Heer; Wat is toch mijner Oudren stam?' k Lag zonder hoop en red'loos neer;' t Is zondig zaad, waar uit ik kwam. Het lijf des doods blijft daaglijks kwellen, En wil M 4 m'in 170 62. LIED. jo bm' in zonden kluisters knellen. Je nes 5. En echter zaagt Gij uwen knecht, ô Jezus! met erbarming aan; Gij brengt hem wederom teregt, Om eeuwig voor uw' troon te staan. Wie ben ik? Heer, wat is mijn woning, Dat Gij mij leert en leidt als Koning? 6. Ik ben niet waardig, Davids Zoon, Dat Gij U tot mij zondaar wendt. Waarom verlaat Gij uwen troon En geeft m' U zelf in mijn ellend? Wat is mijn huis, door U verkoren? Ik ben die zoon, die was verloren. De, in erkentenis van zijne onmagt en onbeSasa kwaamheid tot God schreijende.b 63. LIED. Wijze: Lied 128. 0 God, wil toch mijn' ziel verkwikken, Door Uw genade zonneschijn: Wil, Menschenvriend! mij troost beschikken, En laat uw hart mij gunstig zijn; Kom, wil U 63. LIE D. N 171 U mijner toch erbarmen, Als eenes radeloozen armen. 2. Gij zijt het, Die mij troost kunt geven, Een God, Die wonderwerken doet, Door wien wij zondaars kunnen leven; De Schenker van het zalig goed, Die wegneemt allen nood en schaden, Door zondenschuld op ons geladen. 3. De blinde kan de zon aanschouwen, Een doove hoort het spreken aan; De lamme durft zijn' voet vertrouwen, Melaatschheid wordt gansch weggedaan; De dooden krijgen geest en leven, Den treurigen wordt troost gegeven. 4. Hebt Gij wel eer die wonderdaden, O Heer! door uwe hand verrigt; Zoo kunt G' ook weeren al die kwaden, Waar voor de Ziel zoo angstig Ho M 5 zwicht. 172 63. LIED. zwicht. Ai! laat ons uwe krachten merken Door onverdiende goedheids- werken. 5. Gij kent, ô Heer! ons onvermogen, Wij zijn regt: **** verblind in' t ziels gezigt: Och Heer! verlicht Gij zelf mijn' oogen, Door stralen van uw zalig licht. Dan zal ik zien d' onzigtb're dingen, Bedekt voor wufte stervelingen. doff 6. Ontsluit, ô God! ontsluit mijn' ooren, En maak mij, Heer, tot uwen knecht! Hier ben ik, wilt Gij die doorboren, Dat ik U trouw dien' en opGehoorzaam op uw woord moog letten, Iso Om daar mijn' gangen naar te zetten. 7. Ik wankel op mijn kreuple voeten, Dan struikel ik, dan val ik neer: Laat ik in zwakheid kracht ontmoeten, 63. LIED. 173 ten, Op dat ik wandel U ter eer, En mijne treden nooit bijzijden Van' t pad der waarheid mogen glijden. 8. Wie stuit melaatschheid in haar woeden, Die kwaal zoo vol rampzaligheid? Mijn Arts! wil mij ter hulpe spoeden; Heel mij, zoo is mijn' hulp bereid. Laat' uwe wonden, ô mijn leven! Genezing voor mijn' wonden geven. 9. Ik ben gansch dood en al mijn krachten, Verstand en wil zijn zonder magt; Zal ik, ô Heer! uw' wet betrachten, Schenk mij dan nieuwe levenskracht; Dat ik gelijk een' boom moog bloeijen, Aan und wien veel duizend vruchten groeijen. 10. Ik zie mijn' armoed' en ellenden, Mijn' eigen roem in' t hart doorboord, Wil mij die vredeboodschap 200 58 zen= 174 63. LIE D. zenden, Uw zalig Evangeliewoord; Op dat ik dus, reeds hier beneden, Den voorsmaak heb' der zaligheden. V. Van de Verlossing en verwerving des Heils. A. VAN DE EEUWIGE VERKIEZING. 64. LIED. Wijze: Lied 82. 0 Zoon des Vaders, eeuwig Woord! Door Wien God in' t begin bragt voort Al, wat Hij heeft geschapen; Gij zijt het, die het raadsbesluit Der Godheid voert zoo heerlijk uit; Wie zal dien troost mij rapen? Want Gij Kunt mij Nu in' t lijden Steeds verblijden, En mij laven Met de rijke hemelgaven. 2. Gij zijt de grond der zaligheid, Want, eer de wereld werd bereid, Was' k in U uitverkoren. Dank zij des Vaders wijs besluit, Waar uit mijn eeuwig welzijn spruit, Waardoor m' is heil beschoren! Buig, Heer, 64. LIE D. 175 Heer, Nog meer Mij genadig, Om gestadig t' Onderschrijven, Dat' k U steeds getrouw zal blijven. 3. Gij God en Mensch, zijt A en 0: In U juich ik volvrolijk zoo; Wijl Gij ras weer zult komen. Ja kom, ô Heer! de tijd is boos,' t Naamchristendom is liefdeloos,' t Geloof heeft afgenomen. Schenk raad En daad, Mijn Ontfermer En Beschermer, Wil mij geven Hulp tot' t einde van mijn leven! B. Van den eeuwigen Vrederaad, en deszelfs uitvoering door CHRISTUS. Sew: 65. Chots noge dom LIED.te Wijze: Lied 40. erheugt U, Christenen, te zaam, Dat wij van vreugde springen: En wel getroost in' s Heeren naam 夜 。 Met lust en liefde zingen, Hoe God aan ons heeft welgedaan Door wond'ren, die nu voor ons staan, Zoo duur door Hem verworven. 2. 176 65. LIED. 2. Ik lag, geboeid in' s duivels magt En in den dood verloren; Mijn zonde trof mij dag en nacht, Waar in ik was geboren. Ik zonk steeds dieper in het kwaad; Ja nooit deed ik een' goede daad, Door zonde gansch gevangen. 3. Mijn' werken hadden geen gewigt; Ik was geheel verdorven; Mijn vrije wil kon in' t gerigt, Niet staan, en was gestorven. De wanhoop riep met open mond, Dat mij de dood te wachten stond, En' k moest ter helle zinken. 4. Maar God had reeds van eeuwigheid Mijn jammer gaad'geslagen, En mij genade toegezeid, Door gunstrijk welbehagen; Hij toond' zijn Vaderlijk gemoed, En gaf aan mij het grootste goed, Dat Hij tktkt 65. LIE D. 177 Hij mij ooit kon schenken.leo us, and 5. Hij sprak tot zijnen lieven Zoon,' t Is tijd om ons t' erbarmen! Vaar heen uit onzen Hemeltroon, En zij het Heil der armen! Red hen uit hunnen zondenood, Verslind voor hen den bittren dood, neb En laat hen met U leven.com 6. De Zoon voldeed aan' s Vaders woord, Hij kwam tot mij op aarde, En uit een zuiv're maagd hervoort, Die dus mijn' Broeder baarde; Hij wend' zijn' magt in stilheid aan, Als Knecht kwam Hij ten dienste staan, Om' s duivels magt te breken. # 7. Hij sprak: houd u aan mij, ô ziel! Dan zult gij u verblijden, Wijl ik voor u in smerte viel, En nu voor u. zal strijden. Ik ben voor u, gij zijt voor mij, Daar ik ben, 1008 178 65. LIE D. ben, zult ook wezen gij, Geen vijand zal ons scheiden. # 8.' k Voeldoe voor u en stort mijn bloed, Men zal mij' t leven rooven, En uit dit lijden spruit u' t goed', Dit moet gij vast gelooven. Ik geef mijn leven in den dood, Mijn' onschuld redt u uit den nood, Dus zult gij zalig worden! 9. Ik keer tot mijnen Vader weer;' k Verlaat dit sterflijk leven, En, als ik heerlijk triomfeer, Zal ik den Geest u geven, Die u in smart met troost verkwikt, U maakt tot mijne dienst geschikt. En zal ter waarheid leiden. alang 10. Al wat ik deed en heb geleerd, Moet gij ook doen en leeren, Op dat Gods rijk zoo word' vermeerd, En men Zijn Naam moog' eeren. Ai volg geen 65. LIE D. geen menschelijk gebod; Dit voert en trekt U af van God; Deez' zijn mijn laatste lessen. C. Van het Genadeverbond. 66. LIED. Wijze: Lied 65. DE BOND- GOD. **=*£=*=£ 179 k ben uw God en hoogste Goed, Ik ben met U bevredigd, Doch' t kost een onwaardeerbaar bloed, Zoo vaak door schuld beledigd. Den Goddeloozen geef ik' t regt, Schoon dat hij was des duivels knecht, Om als mijn kind te erven. DE BOND- GENOOT. 2. Ach Vader' k ben geheel onwaard' Zoo groote gunstbewijzen. Mijn laster ging met haat gepaard, Daar ik uw' Naam moest prijzen. Wie ben ik? wat mijn huis? Heer! Regtvaardig werpt Gij mij ter neêr, Verstoten door uw' wrake. N DE 180 66. LIED. DE BOND- GOD. 3. Neen, neen! mijn vrij Genåverbond Is vol van vreed' en zegen; De Borge, die in' t midden stond, Maakt mij tot u genegen, Ik ben eens zondaars zalig God, Zoo Christus is zijn deel en lot, Doch gij moet zonden mijden. 2010 DE BOND- GENOOT. 4. Schep dan in mij een zuiver hart, O Schepper aller dingen! Verbreek mijn' trots, door rouw en smart, Den ouden mensch bedwinge. Niets kan ik zonder U, o Heer! Zend mij, mijn Bondgod, sterkte neêr! Gij zijt toch Groot en Magtig. DE BOND- GOD. 5. Ik heb alreeds aan u gedacht, In eindeloos erbarmen;' t Gena besluit geeft Jezus kracht, Loop, loop maar in zijn' armen. Ter wijsheid en geregtigheid, Ter 66. LIE. D. 181 Ter heiliging is Hij bereid, Hij is' t rantsoen geworden. VAN HET GENADEVERBOND. 67. LIED. Wijze: Psalm 27. liefdegloed, die d' aard en hemel paarde! O wonderzee! ô afgrond voor mijn geest! Dat God zijn heil voor snoode zondaars spaarde, En gunstig aan zijn haters is geweest. Hoe diep Hij mij in vloek en bloed bevond, Hij' t eenig Al schenkt zich mijn lege ziel; Wijl ik, een worm, Zijn goedheid wel geviel, Word ik gelokt tot zijn genâverbond. 2. Hier staat het Geestenheer, de Serafijnen, Hier dekken zij met vleug'len hun gezigt; Hier op'nen zich de eeuwigheids gordijnen, De gansche Raad der Godheid komt aan' t licht. Mijn roem, Gods beeld, door bondsbreuk weggedaan, HerN 2 neemt 182 67. LIED. neemt zijn' glans, de goude levenspoort Ontsluit zich, ja de Godheid neemt het woord, En biedt zich zelf tot heil des Zondaars aan. 3. O middelpunt van Gods Genadewegen, Dit sluit de hel, dit' s d' Evangelie leer; Hier druipt het Heil, gelijk een' milden regen, De Morgenstar praalt hier in glans en eer; Hier wordt mijn' ziel verbaasd en weggerukt; Hier dwaalt mijn geest in dezen wonderweg, En schoon ik moeit' en vlijt te koste legg; ' k Zie naauwlijks iets, mijn poging is mislukt. 4. O eeuwig licht! laat toch uw heldre stralen Mij leiden op der wijsheids effen pad: En voor mijn oog die bondsgeheimen malen, Die vleesch en bloed nooit naar den eisch bevat. Zij d' oogenzalv', ô Geest! voor mijn 67. LIE D. 183 mijn gezigt, Op dat ik,' t geen noch mensch noch Engel denkt, Al wat uw Woord van uw Verbond ons schenkt, Gansch duid'lijk zie, bij Uw Genadelicht. 5. Doch neem met een verstand en wil gevangen. desde$ do *** ² Daar ik mij leg aan uwe voeten neêr, Om U alleen mijn Bondgod, aan te hangen, Span mij het net der liefd' en trek mij, Heer! Trek mij tot U, dan volg ik; ai dan nu, Daar Gij U zelf gansch aan mij overgeeft, Mijn' ziel geheel aan U zij vastgekleeft, Trek, Jezus, trek mijn hart en ziel tot U. D. VAN DE VERLOSSING DES ZONDAARS. De Ellendige reikkalzende naar Verlossing. YOUT# 68. LIED. ie red mij toch? waar zal ik heen? Wie brengt mij weer ten leven? Tot niemand, dan tot U alleen, Zal ik m' ô Heer, begeven. Gij zijt het, N 3 die 184 68. LI LIE.D. die verloornen zoekt; Gij zegent zelfs,' t geen was and vervloekt; Help, Jezus,' k ben ellendig! # 2.00 Het vleesch in zonden geest'lijk dood, En schul den mij steeds plagen! O Levensgod help m' uit den nood, Ai stil mijn wroegend knagen.' t Is U bekend, wat mij ontbreekt; Ook weet ik' t, schoon mijn mond niet spreekt, Help, Jezus, den bedroefden! 3. Gij roept mij toe: zij niet bevreesd, Gij zegt, ik ben het leven. Dus hoopt op U mijn matte geest; Mij kunt gij alles geven. In' t sterven kunt Gij bij mij staan, In nood als Leidsman voor mij gaan: hand of Help, Jezus,' k ben verslagen! 4. Zijt Gij' t, die kranken onderschraagt? Tot U wil ik mij keeren. O Herder! die de zwakken draagt, 68. LIE D. 185 draagt, Laat mij geen heil ontberen.' k Ben zeer ellendig, zonder kracht, Verbind, genees mij, hoor mijn klacht, Help, Jezus! sterk den zwakken. * 5. Mijn' dwaasheid, Heer! mij struiklen doet, En baart mij ziele smarte; Wasch, reinig Gij mij door uw bloed, En troost mijn treurig harte. Ik arme mensch, wie maakt mij vrij Van' s doods en zonde slavernij? Ik dank U, God, door Christus. lemand, die om het geestelijk leven zucht. 69. LIED. inprololois kB en ellendig naakt en bloot: God, Die't menschdom kunt behoeden, Wil mij nemen in uw' schoot, 油 En met hemels Manna voeden. Zie, hier lig ik in mijn bloed; Neem mij op, mijn Hoogste Goed! 2.' s Hoogsten Vaders groote Zoon, Eenig Leven N 4 van 186 van mijn leven, Daal van uwen starren troon: Kom! ik wil m' U overgeven. Ga toch van mij niet voorbij, Hoor, o Jezus! hoe ik lij. 3.' k Acht geen goud of zilver, neen! Dat zijn kinderbeuzelingen; Mij ontbreekt maar een, maar ' t Doel van al mijn' oefeningen;' k Zoek Maria's beste deel, Dit begeert mijn ziel geheel. 4. Wijl ik ben in zonden dood, Zucht ik naar het zieleleven. Jezus! help mij uit mijn' nood, Help des duivels list weerstreven; Want hij steekt mij naar de kroon, Help m' ô Davids sterke Zoon! 5.' k Stel het alles uit mijn' zin, Als ik U maar mag genieten; Weg met' s werelds vuil gewin, Steunsels, die ons ras ontschieten. Mijn Verlosser is een, 69. LIED. # 53 69. LIE D. 187 is mijn schat En mijn goud, nooit ruil ik dat. 6. Hij zal niet voorbij mij gaan, Schoon ik lag in bloed te baden; Want zijn' trouw zal vast bestaan, 。。。 En mij leiden in zijn' paden. Ik zal leven, zegt mijn Heer, Wereld,' k vraag naar u niet meer. Erkentenis van JEZUS als den eenigen Verlosser. at 70. L I E D. les p U alleen, volzalig Heer! Vertrouw' ik hier beneden. Een Heiland zijt Gij, niemand meer Stelt ooit mijn' ziel te vreden. Geen sterveling heeft zoo veel' magt; Geen Engel zelfs bezit die kracht, Dat hij m' in nooden bij kan staan: U roep ik aan; Heer! voer mij op een effen' baan. 2. Mijn' zonden zijn zoo zwaar en groot, Dat zij mij' t hart doorsnijden. Och! red mij Heer! uit deN 5 zen 188 70. LIED. zen dood, Door Uw voldoen en lijden. Ai! toon het uwen Vader aan, Dat Gij hebt voor mijn' schuld voldaan; Zoo word ik vrij van zondenlast, Ik houd mij vast Aan' t woord, dat G' op uw' kindren past. 3. Sterk mij door uw' barmhartigheid, Dat ik mag regt gelooven; Geef, dat des satans loos beleid Mij dat niet kan ontrooven. Stort in mijn hart uw' liefde, Heer! Mijn' naasten regt beminnen leer; En dat ik in mijn laatsten strijd, Door U verblijd, Van' s duivels listen zij bevrijd. 4. God zij geloofd op zijnen troon, De Vader van al' t goede: En Jezus,' s Vaders lieve Zoon, Die ons altijd behoede! Den Geest zij lofzang toegebragt! Hij geef ons hulp door zijne kracht, Op dat 70. LIED. 189 dat wij, tot zijn' dienst bereid, Gods Majesteit labaid Hier prijzen en in eeuwigheid. VI. Van de toeëigening des Heils. A. VAN DE GODDELIJKE ROEPING. 71. LIED. rek, ô trek mij met de handen Uwer groote vriend'lijkheid! Laat uw liefd', ô Jezus, branden! Help mijn bange ziel, die schreit! Wilt Gij mij niet tot U leiden, Ach, dan moet ik eeuwig scheiden! 2. Groote Herder, red mijn leven; Zoek, ai zoek uw dwalend schaap! Waar zal ik mij heen begeven? Wek mij uit den zondeslaap. Goede Meester, doe mij komen, Tot U zonder zondig schromen. 3. Even als de wreedste dieren Brullen bij den duist'ren nacht, Gaat de satan rond mij tieren, Als een 190 71. LIE D. een leeuw die roof verwacht: Heer, hij wil uw kind verslinden; Mogt ik door' t geloof hem binden! 4. Oude draak en zielemoorder,' k Vrees niet tooverkunstenaar; Schaam u, wrede rustverstoorder; Jezus troost mij in' t gevaar. Ik moet komen op zijn wenken, Hij wil mij zich zelven schenken. 5. Trek mij met uw' liefde banden, Trek mij door uw' kracht, ô God!' k Voel mijn' ziel verlangend branden: Haast U toch, Heer Sebaoth! Red mij die in bange nooden, Hopend is tot U gevloden. 6. Moet een moeders hart verbreken, Door haar zuig'lings bittre smart; Gij zult U aan mij niet wreken, Gij hebt meer dan moeders hart. Trek mij uit der boozen hoopen,' k Wil, o Jezus, tot U loopen. NO G NODIGING DOOR GODS WOORD. 72. LIED. Wijze: Psalm 42. 191 od, wiens scepter, kroon en woning Is vol glans en majesteit; G' hebt uw' Zoon tot een betooning Uwer liefd' een feest bereid. Mijn verpligting kent geen' paal, Wijl Gij tot dit liefdemaal Uit de heggen, van de straten, Mij hebt willen roepen laten. 2. Heer, wie ben ik, en daartegen Wie zijt Gij, zoo groot van pracht? Ik een wormtjen steeds verlegen, Gij een Koning, groot van magt. Ik ben stof en asch en slijk, Gij de Heer van' t hemelrijk, lk snel heen met rassche schreden, Gij blijft tot in eeuwigheden. 3. Ik ben onrein, gansch verdorven, Gij zijt enk'le heiligheid; Ik verduisterd en verstorven, Gij een Licht dat glansen spreidt; Ik een schamel bedelkind, Lam 192 72. LIED. Lam en kreupel, doof en blind, Gij het hoogst volzalig Wezen, Gansch volkomen, nooit volprezen. 4. Nogtans laat Gij, Heer! mij vragen Tot dit heerlijk bruiloftsmaal. O genadig welbehagen! Ik == zal in des hemels zaal Zamen met dit God'lijk Lam, Dat mijn' ziel ten brui'gom nam, Met het Koor der TREN heilig' Eng'len, Mijne vreugdetoonen mengen. 5. Wie nu dorst heeft kan zich laven Uit die bron van zaligheid; Die nu hongert, vindt hier gaven, Spijs voor zijne ziel bereid; Zoete maaltijd, zalig' oord, Daar Gij, Heer, uw hart en woord Wilt den bruiw hart DESEN 麺 支 loftsgasten geven, Tot een voedsel voor hun leven. 6. 0 Gij groote God en Koning, Die daar roept: kom herwaarts aan!' k Ben onwaardig de betooning and Uwer 72. LIE D. 193 Uwer trouw', aan mij gedaan. Och! hoe kan ik immermeer, Voor uw' groote gunst zoo zeer, Als ik wil en moet, U loven! Ach! dit gaat mijn' kracht te boven! 7. Wil mij tot Uw' maaltijd trekken, Hef mijn Geest uit stof en slijk. Laat die stem mijn ziele wekken, Die nu roept zoo minnelijk: Koom, ô mensch! ai haast U, koom, Tot die levensbron en stroom: Neem het brood, dat u het leven, Kan voor uwe zielen geven. 8. Laat toch in mijn' ooren dalen, Heer, uw' stem, die' t harte roert, Die tot uwe vreugde zalen, O Jeruzalem! mij voert. Laat mij, door gena' bevrijd, Door den doop U toegewijd, Met de zwijnen niet meer leven, Noch mij tot den draf begeven. 9. Nooit trek mij het aardsch gewemel, Dat als zwar 194 72. L II E. D. zwarte damp verdrijft, Van dien maaltijd in den hemel, Die in eeuwigheden blijft. Maak, ô Jezus, mij gereed, Laat een zuiver bruiloftskleed Mij op aarde reeds versieren, Tot ik' t eeuwig feest zal vieren. 73. LIED. New clars Wijze: Lied 31. Jezus, Heer der Heeren, O God van eeuwigheid! Een zondaar wil zich keeren Tot U, maak hem bereid. Gij waarheid, weg en leven, Gij moet hem krachten geven, Die anders niets vermag. 2. Gij, in den tijd geboren, Rein, schoon eens menschen Zoon, Van eeuwigheid verkoren Ten schild en hoogsten loon; Ter zaligheid der genen, Die U van harten meenen, En lieven boven al. 0 lola lie 3. Helaas! ik ben gevallen, Door Adam in den dood, 73. LIED. 195 dood, Die heerscht nog over allen, Door blindheid, angst en nood. De wijsheid is verloren, De zondaar wordt geboren In duister onverstand. 4. Helaas! U niet te kennen, Als' t eeuwig, zalig Goed, Noch zich aan U te wennen, Zoo als het wezen moet: Als' t licht en regt des Heeren, Geschikt om ons te leeren' t Genadig Erfbestel. 5. Gij, die mij zijt geworden Tot wijsheid van den Heer, Wil mij met kracht omgorden, Dat mij geen' smaadheid deer': Wil door uw licht mij voeren, Daar op mij staat te loeren De wolf in' t schapevacht. Bidlied om hemelsche Verlichting. 74. LIED. Wijze: Psalm 38. 9100 10 II eer, Gij zijt mijn Zon, wier stralen In mij dalen, Gij verlicht mij door uw' gloed; Niets dan 0 smert 196 smert en duisternisse Heeft' t gewisse, Als' t uw of concler gunst ontberen moet. 2. Laat uw glans de donkre vlagen gen, Ja verdrijf den duistren nacht. licht en liefde vonken Zijn geschonken, hart blijgeestig lacht. 3. Zon, wier altijd heldre luister Nooit in ' t duister Sehuilde, schenk mij steeds uw' gloed; Doe uw' lieve minnestralen Op mij dalen, Dat 13150V 74. LIED. Henen jaLaat mij Dan mijn ' k U kennen kan en moet. Dama 4. Doe Gij zelf mijn' ingewanden, Heer, ontbran# 50 ytte den Door opregte hemelmin! Laat uw' kracht mijn ziele wekken En mij trekken, Dat ik dankbaar U bezin. 5. Wil de reine levenssappen, Eigenschappen Storsi szma ten 74. L I E D. 197 ten in mijn' ziele neêr;' k Zal dan naar uw welbehagen Mij gedragen En U lieven, Hemelheer! 6. Denk niet meer aan mijne zonden, Maak m'ontbonden Van die drift, die in mij woedt; Laat uw eindeloos erbarmen, Mij omarmen, Om des Heilands dierbaar bloed. 7. Dat ik van de regte palen Nooit moog dwalen, Leef en werk, ô Heer! in mij. Niets zij bij mij hier op aarde, Groot van waarde, Dan dat ik U eigen zij! Gebed en ware wijsheid, als een' vrucht en uitwerksel der verlichting. 75. LIED. Wijze: Psalm 140. b elfstandig Woord, van God gezonden, Gelijk een straal van' t Godlijk licht, Zoo vaak men raadloos wordt bevonden, Geeft Gij den blinden zielsgezigt. 02 2. 198 75. LIED. 2. Ik zink voor uwe voeten neder:' t Vernuft is niet dan duisternis; Ik word geslingerd heen en weder, En blijf nog even ongewis. 3. Ik durf naar eigen raad niet luistren; De list van ' t vleesch is mij bekend, Dat zich door valschheid laat verduistren, En zich aan ijd'len schijn gewent. 4. Gij zijt de bron van alle waarheid, Tot wijsheid ons van God gebragt; En in uw leer is niets dan klaarheid, Uw Geest verdrijft den valen nacht. 5. Mijn Leeraar! mij van God geschonken, Geef mij een hart, dat, wel bedacht, Steeds moog' in leerzaamheid ontvonken, En op uw' lessen geven acht. 6. In' t geen Gij mij wilt openbaren, Stel daar mij altoos in gerust; Leer mij ook vrolijk zamen pa ren, 75. LIE D. 199 Beren ,, Standvastigheid, geduld en lust. 7. Maak mij een werktuig uwer eere, Waartoe, zoo, waar het U behaagt: Op dat het alles tot U 9 kere Wat in mij door U vruchten draagt. 8. Nooit doe mij' s menschen vonnis schrikken, Wijl niemand uw' besluiten zag, Gij zult toch eind'lijk alles schikken,' t Verholen brengen aan den dag. C. VAN DE WEDERGEBOORTE EN VERNIEUWING. 01 Gebed om Wasdom in de kennis en liefde Gods. 76. LIED. Wijze: Lied 31. ad and D S hulp voor onze zonden! O Jezus Godes Zoon! Naar' t God'lijk woord gezonden Uit' s hemels hoogen troon! O Morgenstar, wier luister Maakt andre starren duister, Uw glans is wondergroot. no 2. Gij zijt, als mensch geboren In dezen laatsten tijd 03 200 76. LIED. tijd. Uw Moeder bleef als voren Een' Maagd, van blaam bevrijd; Gij hebt den dood verstooten, Den hemel ons ontsloten: En' t leven weergebragt. 3. Laat ons in kennis groeijen, U lieven meer en meer, En in' t geloove bloeijen, Godsdienstig U ter eer. Uw Gunst zij ons geschonken, Wil onze ziel ontvonken, Dat zij naar U verlang. alle 4. O Schepper aller dingen! O vaderlijke kracht! Gij kunt het alles dwingen,' t Geen Gij hebt voortgebragt; Heer, wil ons tot U wenden, En uwen Geest ons zenden, Dat wij U kleven aan. 5. Doe' t zondig vleesch toch sterven, Wek leven in ons, Heer! Laat d'oude mensch verderven, Zoo leeft de nieuwe weer. Laat ons toch hier beneden, Met bpi mond labbia sood 76. LIED. mond en hart gebeden Opzenden naar uw troon. GEBED OM VERNIEUWING. 77. LIED. Wijze: Lied 31. by 201 辛辛 WW: 1007 God, Gij zon vol klaarheid, Waarachtig levenslicht! Laat leven, licht en waarheid Mijn schaamrood aangezigt, Door uwe gunst, verblijden, En mij van angst bevrijden; Ai, treed niet in' t gerigt! 2. Vergeef mij mijne zonden, En werp die verre heen; Uw' gramschap zij verslonden Door uw' barmhartigheen. Och laat uw' vredegaven, Mijn' arme ziele laven! O Heer, hoor mijn' gebeên. 3. Wil uit mijn hart verdrijven Het aangeboren kwaad; Laat ik het onderschrijven, Dat ik zal met der daad Mij in uw' dienst begeven, En U ter cere o leven, Wijl Gij mij gadeslaat. Oslov 04 4. 202 77. LI E D. 4. Ai wil uw werk verrigten, En zetten in mij voort; Wil mijn verstand verlichten Door middel van uw woord: Wil mij geloove geven, Dat ik aan U moog kleven, Spijt Satans menschenmoord. 5. Drenk mij uit uwe stroomen, Dood zonden in mij, Heer! Mijn' lusten wil betoonen, Op dat ik meer en meer Der wereld af moog sterven, En naar het vleesch verderven, Maar leven U ter eer. 6. Uw liefd' aan mij geschonken, Kweek in mijn boezem aan. Wil mij te meer ontvonken, Om daarin vast te staan. Om naar uw welbehagen, Standvastig mij te dragen Op' s levens regte baan. 7. O Heer! wil mij versterken, Mij kracht en moed verleen; Dit zijn genadewerken, Die schenkt Uw Geest 7.7. LIE D. 203 Geest alleen; Want mijne wufte zinnen, Mijn laten en beginnen Zijn vol weerspannigheên. 8. Dus, bronâar van genade. Getrouwe Hemelheer! Bevrijd mijn' ziel van schade Vernieuw mij meer en meer. Laat mij naar uwe wetten Gestaâg mijn' gangen zetten, Help mij, Uw' Naam ter eer! Inngy D. VAN HET GELOOF. Gebed om geloof, hoop, liefde, bestendigheid en zegepraal in aanvechtingen. mo 78. LIED. Zalig God! U roep ik aan, Verhoor mijn angstig klagen; Zij met mijn' smert, ô Heer! begaan, Laat mij toch niet versagen. Heel door' t geloof mijn' zielepijn, Wil mij door' t zelve geven U te leven, Den naasten nut te zijn, En voor uw woord te beven. 2.' k Begeer nog meer, ô magtig God! Gij kunt 05 het bgota 204 58. LIED. het aan mij geven, Dat ik in' t zalig gunstgenot Van U steeds moge leven; Op dat ik, als de dood genaakt, Vrijmoedig moge bouwen, En vertrouwen, Dat Jezus ' t goed gemaakt, U in den Zoon aanschouwen. 3. Geef dat ik, uit mijns harten grond, Mijn' hat'ren moog vergeven: Vergeef mij ook ter dezen stond, Schenk mij' t vernieuwde leven. Uw woord zij spijze voor mijn' Geest, Om hem daarmee te voeden, En te hoeden, Als ramp mij maakt bevreesd, Laat die niet lange woeden. 4. Dat vrees, noch vreugd mij van U scheid', Hoe ' s werelds rad moog keeren; Geef mij, o Heer! standvastigheid, Gij kunt het al regeren. Gij geeft het hoogste goed om niet; Want niemand kan ' t 53. LIE D. 205 ' t verwerven, Noch beërven, Dan dien' t uw goedheid biedt, Die ons bevrijdt van sterven. 5. Ik worstel, Heer, en wederstreef, Laat mij toch niet versmachten, Wijl' k slechts aan uw' ge著 nade kleef; Van U zijn al mijn krachten. Word' ik bestreden, ai bewaar, En red m' uit' s vijands kaken, Gij kunt maken, Dat ik raak uit gevaar; Nooit zult G' uw trouw verzaken. Het verlangen des Geloofs naar CHRISTUS. 79. LIED. Shibodi Wijze: Psalm 100. 10 ijn hoogst en onbegrijplijk Goed, Waaraan ik kleef met mijn gemoed, Ik dorst naar U, ôlevensbron! Och, dat ik U bereiken kon! 2. Ik ben een hert, dat zonder kracht, Van dorst en hitte ligt versmacht; Dit hert zijt Gij een' koele drank! 206 79. LI IE D. beodrank! O Jezus; laaf mij, ik ben krank. 3. Ik roep U, Heer! in stilheid aan, Wil toch mijn' zuchten gadeslaan: 0 Jezus, uw genadevloed Verfrisch en laaf mijn dor gemoed! in doo 4. Mij mangelt, Heer! een frissche dronk, Och! dat uw' goedheid mij dien sehonk: Een sterke dorst mij naar uw drijft, Och was ik in U ingelijfd! 5. Waar zijt Gij, ô mijn Bruidegom! Waar weidt Gij, God'lijk Lam, och kom! Zeg mij, aan welke bron gij rust, Breng mij tot U,' k heb drinkens lust. 6. Hier lig ik hulploos voor U neer, Ik schrei, ik dorst, ik roep O Heer! Verkwik mij uit uw' heilfontein, Ik ben toch d' uw', en Gij zijt mijn'. abot no pd jus De naar JEZUS dorstende. morab naib- tor 80. LIED. Wijze: Psalm 143. 207 ijn ziel bezwijkt schier van verlangen, Gij weet wat smerten dat haar prangen, Gij kent den lust van mijn gemoed; Doe mij uw' liefd' en trouw ontvangen, Ik dorst naar U en naar uw goed. 2.' k Zal naar geen' aardsche schatten trachten; Gij zijt mijn schat, vrij waarder t' achten, Dan' t goud dat' t magtig Ophir geeft. Mijn hoop kan veilig heil verwachten, Wanneer mijn' ziel aan Jezus kleeft. 3. Weg diamanten met uw stralen; Hier kan uw luister niet bij halen,' k Bouw op een kostelijker' steen! Een hoeksteen, sterker dan metalen, Mijn Rots is Jezus, Hij alleen! 4.' k Wil Hamans glorie niet begeeren, Een worm kan 208 80. LIED. kan die wel ras verteren; Weg met dien droom, weg met dien schijn!' k Zal door uw' goedheid niets ontberen, Gij zult mijn roem, ô Jezus, zijn! 5. Gij wellust, kunt mij niet vermaken, beter nooit tot u te naken, Gij zijt de lust van ' t domme vee: Ik moet in Jezus liefde blaken, Daar # 10 ' t Is is alleen mijn zielevreê. 6. Gelijk des aardrijks dorre streken, Zoo is voor waar mijn hart bezweken, Door dorst naar U, o ziele drank! Ik sterf bijna, laat niet ontbreken Uw' hulp, ik ben ter dood toe krank. De Verbondsverpligting en volle overgifte aan ZUS of het aan JEZUS gegeven Jawoord. nolstom neb181. LIED. ste JEerlicht mij, Heer, mijn Licht! Mijn toestand is verborgen, Voor mijn bezwaard gezigt, Ik merk hel 81. LI E D. 209 het echter ras, Ik ben niet die ik was; Doch' k voel, dat mijn gemoed Nog beter wezen moet. 2.0 Ik was wel eer gerust, En leefde zonder zorgen, Doch nu ben ik bewust Van zonden, schuld en last, En zit dus raad'loos vast.' t Geen vreugde gaf aan' t hart, Baart mij thans bitt're smart. 五 3. Geen tijdelijk gemis, Doet mij angstvallig klagen, 五 三三三 三 街 Geen dierbre hartvriend is,( Mijns wetens) mij ont国 rukt:' k Wordt door geen mensch verdrukt; Mijn vleesch geniet zijn' rust, Gezondheid, vreed' en lust. 4. Het is een zielestrijd, En pijn, die ik moet dragen, Die merg en been doorsnijdt; Dit's d'oorzaak van mijn leed, Dat ik niet zeker weet, Of ik wel! Christus kenn', En waarlijk in hem ben.Joy 5. 210 81. LIED. 5. Zij zijn juist in der daad, Geen Christ'nen, die dus heeten; Het Christendom bestaat,( Dit ben ik wel bewust) Daarin, dat m' eigen lust, Opregt Bloverlochend heeft, En niet zich zelven leeft. 6. Hij is met ijd'len schijn En zelfbedrog bezeten, Die' t denkt een blijk te zijn, Dat men geloovig zij; Als m' is van gruw'len vrij: Daar zelfs een heiden' t kwaad, Uit vrees voor schande laat. 7. Hij neemt regt Christus aan, Die zonder vast te hangen Aan eigen kracht, dien waan, Van' t vleesch verwerpt, zijn' raad, Goed, eer, ja' t al verlaat, En zegt: Gij Jezus, zijt, Mijn licht, dat mij verblijdt. 8. Dus spreekt het waar geloof, Dit zal' t altijd verlangen. O Jezus, mij ontroof Den vijand, zij mijn 54 81. LIED. mijn schild, En voer mij, zoo Gij wilt. Ik hoor aan U geheel; Blijf Gij mijn heil en deel! 9. Die dit niet hart'lijk zoekt, Gelooft ook niet waarachtig; Hij blijft bij God vervloekt, Zijn' hoop rust slechts op zand, En houdt op' t laatst geen' stand,' t Geloof heeft nergens grond, Dan in' t Genaverbond. 10. Dit, vrees ik, mangelt mij, Mijn' drift is niet 200 krachtig, Dat die gansch tot U zij; Ik ben nog niet geheel, Een Christen, wijl' k te veel De wereld dien', en meer, Mijn' lust zoek, dan uw eer. 11. Mijn' Ziel! ai staak uw' klagt. Ik moet het immers wagen, Wijl' k eer geen rust verwacht. Verwerp gansch d'aardsche weeld, En wat het vleesch ook F 211 streelt; Neem Christus Jezus aan, Dan is de zaak gedaan. tore P 12. 212 81. LIED. 12. O aardworm! zoudt gij niet, Dien Koning ' t hart opdragen, Die al het heil gebiedt? Hij' s al genoegzaam rijk, Ja alles te gelijk; Meer dan uw hart ooit dacht, Heeft Hij in zijne magt. 13. Als alles zal vergaan, Dat aard en lucht doet blijven, Dan zal Hij vast bestaan, Zijn Wezen sterft niet af; De Godheid kent geen graf. Dien God in gunste kent, Diens welstand heeft geen end. # 50 14. Maar, die het vreêverdrag Hier weigert t'on Of derschrijven, Blijft eeuwig in geklag. Ver van den Hemeltroon, Omringd met straf en hoon; schoon hij in dat wee Vergiet een tranenzee. 15. O wensch'lijk heilverbond,' t Geen' t Jawoord ons doet sluiten! Zeg nu, mijn hart en mond: 81. LIE D. 50 213 mond: Ja Jezus! ja mijn Heer! Ik geef U' t al, mijn' eer, Mijn Geest, mijn lijf, mijn bloed, Mijn wensch, mijn huis, mijn goed! 16. Doe wat Gij wilt met mij, Als ik, mijn gansche leven, Uw' Naam ter eere wij, Een vat ter Heerlijkheid, In uwe gunst bereid, Geheiligd meer en meer; Dan is het wel, ô Heer! Van de Vereeniging en geestelijke Ondertrouw der geloovige Zielen met CHRISTUS. LIED. sit nodillen 82. at pronkt die morgenstar met glans, Vol heil aan' s Hemels hoogen trans, Uit Jesse voortgekomen! Gij Davids Zoon uit Jacobs stam, Dien ik ten Heer en Bruigom nam, Gij hebt mijn hart genomen. Hoe goed, Hoe zoet, Schoon en heerlijk, Hoe begeerlijk, P 2 214 82. LIED. lijk, Hoog verheven Zijn de gaven U gegeven! 2. O, mijn onschatbre Zielekroon! Gods en Maria's Wonderzoon! O Hooggeboren Koning! Met vreugde zing ik U ter eer: Uw heilig woord, Uw reine leer, Is meer dan melk en honig: Dus zal lk al Uw' Genaden, En uw' daden Vrolijk prijzen, En uw werk in mij bewijzen. ht U 3. Heer! stort zeer diep in mijn gemoed Uw Goddelijken liefdegloed, Wil mij genade schenken, ik standvastig in U blijf, Dat mij geen onheil van drijf, Noch mijne ziel moog krenken. Laat, Heer, Nog meer Vreugde bloeijen, Liefde groeijen; Laat solons beiden Zelfs de felle dood niet scheiden. 14. Van God komt mij een vreugdelicht, Als Gij aljpl mij Dat 82. LIE D. mij met uw aangezigt Genadig aan wilt blikken. 0 Jezus! ô mijn beste goed! Uw woord, Uw Geest, uw vleesch en bloed Mijn' ziel geheel verkwikken. E 3 215 Maak mij, Heer blij, Help mij armen, Uit erbarmen, Help genadig; Op uw woord koom ik gestadig. 5. God Vader, Die mij hulp bereidt, Gij woudt mij reeds van eeuwigheid, In uwen Zoon beminnen; Uw Zoon is zelf mijn Bruidegom, Ik ben zijn' bruid, zijn eigendom, Geen smert ontrust mijn' zinnen; Wijl Hij Aan mij' t Hemels leven, Eens zal geven: 0! daar boven Zal mijn hart Hem eeuwig loven. 6. Zingt, zingt met eerbied onzen Heer, Doet ' t snarenspel ter Zijner eer, Met gulle vreugde hooren: Prijst Jezus op een' blijden toon, Mijn BruideP 3 gon, 216 82. L I E D. gom, zoo wonderschoon; Dit zal Hem wis bekoren. Ja zingt, En springt; Wilt uw' reijen Vrolijk leiên; Dankt den Koning, Die den hemel heeft ter woning. 7. Wat of mijn hart zoo juichen doet! Het is om dat mijn grootste goed Geen aanvang kent noch palen: Hij zal mij, Zijnen Naam tot prijs, Opnemen in het paradijs; Dus mag ik zegenpralen. Och ja, # 3 Kom dra, Kroon zoo heerlijk, Onwaardeerlijk! Met verlangen Wacht ik, om U ras t' ontvangen. F. Van de Regtvaardiging des Zondaars. 83. LIED. 五 季 三个 G ij wilt uit vrij' ontferming, Heer! Ons' t heilgoed mededeelen, Wijl eigen' werken nimmermeer De schade konden heelen:' t Geloof neemt Jezus Christus aan, Die heeft voor onze schuld vol daan, 83. LIE D. 217 idaan, Hij is de Borg geworden. also 2. Door ons was' t geen Gods wet gebood Geheel en al verbroken; Wij raakten dus in grooten nood, Gods gramschap was ontstoken. Gekluisterd was door' t vleesch de geest, Schoon God dien vordert allermeest; Wij waren gansch verloren. Vier 3. Men streelde zich met ijd'len waan, Als waar Gods wet gegeven, Om dat wij konden, welberaân, Volkomen daar naar leven, Daar z' ons slechts tot een spiegel strekt, Die ons den eigen aard ontdekt, ln' t zondig vleesch verborgen. 4. Het was niet moog'lijk, om dit kwaad Door eigen' kracht te laten; Al zocht men dikwerf daartoe raad, De schuld groeid' uittermaten, En nam een' P 4 oor 218 83. LIED. oorzaak aan' t gebod; Dus was voor eeuwig vast mijn lot, De dood, wijl' k zonden diende. 5. De wet moest echter zijn vervuld, Of' t heil werd nooit verworven; Gods Zoon is dus voor al de schuld, Van al zijn volk gestorven; En heeft vervuld den eisch der wet, En' s Vaders gramschap neergezet, Die' t gansche menschdom dreigde. 6. En wijl de wet dus is voldaan Door Hem, die haar kon houden, Zoo kunnen zij voor God be staan, Die vast op Hem betrouwden: Z' erkennen, dat die Borg en Heer Hun door zijn' dood gaf' t ledo 100 ven weêr, Dat Hij voor hen betaalde. 7. Geen zondig twijf'len blijft mij bij, Uw woord kan niet bedriegen. Gij wilt, dat er geen wan. hoop 83. LIED. 219 hoop zij; Dit kunt Gij nimmer liegen. Dus spreekt Gij, al die wordt gedoopt, En door' t geloove tot mij loopt, Zal eeuwig zalig worden. 8. Regtvaardig is voor God alleen, Dien dit geloof mag sterken; En' t schiet dan schijnsel om zich heen, Als' t vruchtbaar is in werken.' t Geloof is wel aan God gewijd, Doch, zoo g' uit God geboren zijt, Moet g' ook uw naasten lieven. 9. De schuld wordt door de wet ontdekt, En slaat ' t gewisse neder; Daar' t Evangelie troost verwekt, En sterkt den zondaar weder. Het spreekt, loop gij naar Jezus heen! De wet stelt niemands ziel te vreên, Met al haar doen en werken. 10. Het werk dat voor den Heer bestaat, Moet P 5 uit 220 83. LIED. uit' t geloove spruiten; Doch hij gelooft niet met der daad, Die' t niet vertoont naar buiten,' t Ge loof regtvaardigt wel alleen, Doch uit de werken blijkt met een, Dat wij opregt gelooven. 11.' t Geloof omhelst des Heilands bloed, Verdiensten, kruis en sterven, Waardoor de zonden zijn geboet; Wij kunnen niets verwerven; Want schoon de ziel iets deugdzaams deed, Die heilig heid is als een kleed Met vlekken gansch bezoedeld. 12. Maar heeft men door' t geloof van God Geregtigheid verkregen, Men moet dan goed doen naar' t gebod, En gaan op regte wegen; Wijl hij, die' t kwaad met lust bedrijft, In' t waar' geloove geenszins blijft, Maar' t met der daad verloochent. 13. 83. LIED. 221 13. Die deel verkreeg aan Gods gena', Moet Hem steeds voor zich stellen, Hem bidden: Heer! ai bij mij sta! En zijnen roem vertellen. Dat men in' s Heeren vreeze leef, En' s vleesches lusten wederstreef, Dat is de weg ten leven.com. 14. Doch die gerust daar heenen gaat, En naar zijn lasten handelt, Ja doet, al wat zijn vleesch hem raadt, En dus in zonden wandelt; Den Heer niet bidt dat Hij hem leer, En door zijn woord en Geest regeer, Die loopt den weg ter helle. 15. Doch die gelooft, bewaart met vrees Het pand De wereld schuwt hij, doodt aan hem gegeven, zijn vleesch, En tracht naar' t eeuwig leven: Hij dus' t geloof door deugd bewijst, Zijn naasten lieft, den 222 83. LIED. den Schepper prijst, Wat hem ook moog gebeuren. # 60 16. De hoop verbeidt den regten tijd, Dat zij zal zegepralen, En worden naar Gods woord verblijd, Zij zet den Heer geen' palen; Hij weet, wanneer het nuttigst zij, Hij is geheel van valschheid vrij, Wij kunnen' t Hem vertrouwen. 二 17. En schijnt het eens als wild' Hij niet,' t Moet u geen schrik verwekken; Dewijl Hij vaak zijn bijstand biedt, Schoon Hij' t niet wil ontdekken! En daar Zijn Woord verzeekring geeft, Moet Gij, hoewel uw hart weerstreeft, Nooit zijn met schrik bevangen. 18. Uw Naam zij overal gevreesd, Uw Goedheid zij geprezen, God Vader, Zoon en Heilge Geest, Wil ons genadig wezen! Bewaar het werk nob in PER 83. LIED. 223 in ons bereid, Tot roem van uwe Majesteit; Uw Naam zij steeds geheiligd! com out 19. Uw rijk toch koom', Uw wil geschied Om hoog en hier beneden; Uw' hand ons daaglijksch brood ons bied', Vergeef, dat wij misdeden, lijk wij doen den schuldenaar; Leid ons niet in W Geverzoeking, maar Red van den satan. Amen! CHRISTUS onze Geregtigheid. 84. LIED. Wijze: Lied 83. ie kan voor U, o Heer bestaan? Wij zijn euble, nevjild geheel verloren, Zoo Gij wilt in' t gerigte gaan Met ons in schuld geboren; Op duizend kan geen mensch een woord, Ten blijk van onschuld brengen voort; Het is: gij zijt vloekschuldig. ano 2. Het onderhouden uwer wet Gaat boven on 224 84. LIED. onze krachten; Zij is nogtans ons ingezet, Haar moeten wij betrachten. Die niet volmaakt in alles blijft, Die is vervloekt, want Mozes donde schrijft: Doet dat, zoo zult gij leven. gol 3. Nu hebben wij het werkverbond In Adam overtreden. Uw Regt wordt nog met hart en mond, Door ons gestaag bestreden. Wij blijven aldus in den dood, Kan niet een Borg in dezen nood Een godlijk middel vinden. 4. Waarachtige Geregtigheid Is jammerlijk te voren b Van' t eerste paar, te snood misleid Door' s duivels list, verloren. O Jezus! neem ons gunstig aan, Gij zijt een God, Die bij kunt nered staan, En daarom mensch geworden! 5. W 5. Gij zijt, Heer, die geregtigheid, Die ons bij God kan baten; Uw' gunst en hulp is hun bereid, Die zich op U verlaten. Mijn' ziel neemt U geloovig aan; Ai! laat mij nimmer raad'loos dono staan, Als mij' t geweten pijnigt. 84. LIED. 225 verstaat, aar zal ik henen gaan? Ik voel mij gansch belaân Met schrikkelijke zonden. Waar wordt er heil gevonden? Schoon' t gansch heeläl wou ol 85. LIED. bold ail sa komen, Mij wierd geen smert ontnomen. 2.0 Jezus! op uw' raad, Dien' t angstig hart Kom ik met smeekgebeden Tot U, ootmoedige treden. Ai! laat mij troost genie$ ten, Laat heilverkwikking vlieten! ONEY 3. 226 85. LIED. 3. Ik, gansch met smart vervuld, Werp al mijn' zware schuld, Die ik ooit heb bedreven, En die mij thans doet beven, In uwe diepe wonapofbeen den, Daar heb ik heil gevonden. 4. Wil door den purpervloed Van uw onschuldig bloed, Mijn' schuld en smet afwisschen. Wil mij door troost verfrisschen; Gedenk niet mijner zonden, Och wierden die verslonden! po 5. In U ben ik verblijd, Wij Gij mij hebt bevrijd: Al, wat ik had misdreven, Is in uw graf gebleven; Daar hebt Gij' t ingenomen, Waar' t nimmer uit zal komen. 6. Al is mijn boosheid groot, Ik heb nogtans geen' nood; Uw bload kan mij genezen En mijn 26 vertrouwen wezen. Die naar U heen komt loo 85. LIED. 227 loopen, Kan vrolijk op U hopen. 7.' t Is veel, dat ik ontbeer, Doch al wat ik begeer, Hebt Gij, voor mij gestorven, Heer! door uw bloed verworven; Daar door zie ik verslonden, Dood, duivel, hel en zonden. 8. En schoon des satans magt Mij dreigt met al haar' kracht, Nog zal ik niet versagen;' k Zie haar door U verslagen;' k Hoef slechts uw bloed te toonen, Zoo stuit ik al haar honen. 9. Uw bloed, dat edel vocht, Heeft zoo veel heil gewrocht, Dat al uw volk zijn zonden Daar door ziet gansch verslonden: Uit' s duivels wreede kaken, Uw Borgtogt vrij kan maken. 10. Dus stel ik, hoe bestreên, Op U mijn' hoop Q al 228 85. LIED. alleen, Niets kan mij thans verderven, Ik moet Uw Rijk beërven, Dat hebt Gij mij verworven, Wanneer Gij zijt gestorven. 二 二 目 11. Voer mijn genegenheên Door uwen Geest daarheên, Dat niets mij moog verleiden, mij van U zou scheiden. Laat mij een Uwer leden Zijn, tot in eeuwigheden. 12.' t Zij zoo! dus spreekt mijn mond Gestaag uit' s harten grond: Gij zult mij, Heer! gelei den, En nimmer van mij scheiden, Op dat wij U te zamen, Eens eeuwig prijzen. Amen! Bidlied om vrijspraak van schuld en straf der zonden. 86. LIED. Wijze: Psalm 8. Dat * erschoon mij toch, menschlievende Beschermer! Och straf mij niet, genadevol Ontfermer! Rigt 64. LIED. 229 Rigt met mij niet! wie kan voor U bestaan? Ontsteek U niet, dat ik wil tot U gaan. 2. Ontsteek U niet, in Jezus wil ik komen, Hij immers heeft de straf gansch weggenomen? Hij is aan' t kruis een' vloek voor mij geacht; In mijne plaats heeft Hij het al volbragt. 3. Rigt met mij niet, op duizend moet ik zwijgen;' k Val voor uw' troon, laat mij genade krijgen. Op mijnen mond de hand ik leggen wil, En als een kind ootmoedig zwijgen stil. 4. Verterend vuur, wil mij toch niet verderven; Want, als Gij brandt, moet ik vergaan en sterven; Daar is uw Zoon, die in de bresse treedt! Daar is de Borg, die voor mijn' schuld voldeed. Q2 5. 230 86. LIED. 5. Verschoon mij toch, ik ben maar asch en aar五 二 〇 二 〇î de, Een nietig blad, ik ben gering van waarde. Wat voordeel geeft het treden op een bloem? Wat ben ik, Heer, gedenk aan uwen roem! GOD'LIJK ANTWOORD. 6. Ik kan, mijn kind, U nimmer laten varen, Mijn' liefd en trouw zal eeuwig u bewaren. Zij maar getroost, houd altijd goeden moed: Uw Jezus gaf betaling door zijn bloed. G. Van de Heiliging en de Kenteekenen der Kinderen Gods. BEDE OM VORDERING DER HEILIGMAKING. 87. LIED. Wijze: Psalm 42. Levenszon, die door het duister Met uw' stralen schittert heen! Alle glans is bij den luister Uwer heerlijkheid te kleen; Bij u is de gouden pracht Van 87. LIED. 231 Van de starren enkel nacht, Zon en maan, die groote lichten, Moesten voor Uw' luister zwichten. 2.' t Zijn verkwikkelijke stralen, Die het zonlicht neder schiet, Alles moet in vreugde pralen, Wat Uw gunstrijk licht geniet. Gij hebt midden uit den nacht Licht en leven weergebragt, Toen Gij leedt in' t ak'lig duister, En de zon verborg haar' luister. 3. O hoe scheen daar in het donker, Daar Gij tusschen moorders hingt,' t Liefdevuur met hel geflonker, Daar G'uw' kindren meê omringt, Toen Gij' s afgronds helschen damp, Doofde, door uw zwaren Kamp! Anders deden helsche strikken, Rook en zwavel, ons verstikken. 4. Kom dan, Jezus, dat uw' klaarheid Schepp' uit Q 3 ' t zon 232 87. LIED. ' t zondig donker licht. Toon aan mij den weg der waarheid, Toon uw glansrijk aangezigt; Drijf het duister uit mijn' ziel, Die ter woning U geviel, Laat de Satan nooit verwerven, Dat ik dit uw licht moet derven! 5. Heer! Gij ziet ik lig in' t duister, Dwaling heerscht in mijn gemoed; Wijl mijn' ziel nog mist dien luister, Die haar helder schijnen doet. Wanneer zal mijn Geest dien glans Krijgen uit den hemeltrans? Och! dat alles eens mogt sterven, Wat uw schijnsel wil bederven. 6. Waart Gij' t niet, die uit het donker, Daar de wereld eerst in lag, God'lijk riept het hel geflonker? En hoe schielijk werd het dag? Sterke God, daar' t al voor zwicht, Zeg nog eens: het worde licht! Laat zich nooit des 87. LIED. 233 des vleesches lusten. Tegen U ten strijd uitrusten. 7. Laat mij in uw licht steeds wandlen, Morgenstar vol heerlijkheid! Laat mij zoeken zoo te handlen, Als uw woord mij heeft gezeid; En gelijk Gij zijt geteeld, Naar uws Vaders heerlijk beeld, Laat ook alzoo toch uw' stralen In mij uw' gelijknis malen. 8. Ik moet heilig zijn en maken, Dat ik U ken, als Gij mij:' k Moet, als Gij, in liefde blaken; Geef dat' k daartoe magtig zij! Scheen uw God'lijk licht wel eer, In den engen tempel, Heer! Waarom zoudt G'U weig'rig toonen, Om in mijnen Geest te wonen? 9. Woon en heersch, bestraal en heilig Mij, die geef u't gansch gemoed; Maak mij door uw sterkte veilig; Zend in mij uw licht en gloed: Eene zon is' s Werelds vreugd; 04 234 87. LIIE D. vreugd; Eene Zon mijn hart verheugt! Zou die warmte mij verlaten, Wat zou mij dan' t leven baten? De Eigenschappen van Gelukzaligheden van CHRISTUS ware Leerlingen, volgens MATTHEUS V: 3-11. 88. LIED. Wijze: Psalm 42. omt, ontsluit uw hart en ooren, Komt, op dat Gij moogt verstaan, Wat van hen, die regt behooren Tot de Christnen, dient gedaan. Zij belijden met den mond, En gelooven uit den grond Van hun hart, ter wijl zij trachten, Goed te doen met al hun' krachten. 2. Zalig zijn die nedrig leven, Arm zijn in hun' geest en oog! Nimmer eer zich zelven geven, God danken, Die om hoog Praalt in volle majesteit; Hun is' t hemelrijk bereid, God zal hen met glorie kroonen, Die zich hier ootmoedig toonen. Maar 3. 88. LIE D. 235 3. Zalig die in' t hart verslagen, Heilig zijn met smert vervuld, Die beseffen en beklagen Hunn' en hunner naasten schuld; Die derhalve met geween Telkens naar den Heer gaan heen; Hun zal God, en in dit leven En hierna, vertroosting geven! 4. Zalig zijn zij, die zachtmoedig Dragen' t kwaad hun aangedaan, Die, schoon vaak gehoond, toch goedig Nooit den smader tegengaan, Door te zoeken eigen wraak, Maar bevelen God hun zaak, Zulken doet zijn' hulp verwerven, Dat zij' t aardrijk zullen erven. 5. Zalig zijn, die telkens streven Naar geregtigheid en trouw, Zoo dat nooit hun doen en leven Op geweld noch onregt bouw'. Die aan billijkheid en regt Zijn onwrikbaar vastgehecht, Geldzucht en beQ 5 drog 236 88. LIE D. drog versmaden, Zal God met zijn goed verzaden. 6. Zalig zijn, die zich erbarmen Over' s naasten jammerlot; Die, meêdoogend voor den armen, Smeekend naderen bij God; Die hen bijstaan met hun' raad, En, is' t mooglijk, met der daad, Zullen we der hulp ontvangen, En barmhartigheid erlangen. 7. Zalig zijn, die rein bevonden, Toonen, dat zij zijn bereid, Gansch afkeerig van de zonden, Tot opregte heiligheid; Wier gebaarden, woorden, daân Met geen' vlekken zijn belaân; Die het kwaad met ijver mijden, Zullen zich in God verblijden. 8. Zalig zijn, die vrede maken, En ook zoeken met der daad, Dat men steeds in alle zaken Vliede tweedragt, strijd en haat. Die niet slechts aan and'ren raân, Dat 88. LIE, D. 237 Dat men vriendschap aan moet gaan; Maar ook zelf naar vrede trachten, Zal God als zijn kind'ren achten. 9. Zalig zijn, die moeten dulden Smaad, vervolging, angst en pijn, Daar zij nogthans buiten schulden Hieromtrent bevonden zijn; Schoon hun kruis zij zwaar en veel, God bepaalt hun maat en deel, Hij zal hen hierna beloonen, En met eeuwig' eer bekroonen. 10. Heer! bestuur Gij steeds mijn treden, Sta mij hier op aarde bij, Dat ik al die zaligheden Uit genâ deelachtig zij; Dat ik, ned'rig van gemoed, U vaak klagend val te voet; Graag mijn hatren wil vergeven, En opregt godzalig leven. 11. Laat mij d'armen staag verkwikken, En steeds zuiver zijn van hart; Hun, die twisten, vreê beschikken, 238 88. LIED. ken, Bij U zijn in vreugd en smart. Vader schenk mij van uw' troon Het geloof in uwen Zoon; Wil mij door den Geest versterken, Dat ik jaag naar goede werken. Beproeving en Kenteekenen van den Genadestaat. LIED. -ill be 89. Wijze: Psalm 42. Londaar! door wat dikke schellen Is uw zielenoog verblind? Durft g' u bij Gods kindren tellen, Daar gij zijt tot kwaad gezind?' t Is vergeefs, dat gij u vleit; God is enkel Heiligheid, En kan dus niet zijn verbonden Met beminnaars van de zonden. 2. Zijt gij uit het ak'lig donker En der zonden zwarten nacht, Door het liefelijk geflonker Van' t geloof in' t licht gebragt: Heeft dat uwe ziel bekoord? Gaal gij in dien glans nu voort? Volgt g' in' t geen g wilt verrigten, Hem, die hier u voor wou lichten? 3. 89. LIE D. 239 3. Moet gij bukken voor de zonden, Of hebt gij haar overmand? Wordt gij door het kwaad gebonden Met geringen wederstand? Heerscht de wereld in uw' zin, Volgt gij haar bevelen in? Kan z'u in haar netten halen? Of moogt g' op haar zegepralen? 4. Voelt gij liefd' en tucht van binnen? Is er kracht in u gewrocht? Werkt de Geest op uwe zinnen? Dringt in u zijn levensvocht? Maakt Hij u een' boom gelijk, Die in goede vruchten rijk, Strekt tot heil van zwakke menschen, En wiens bladen nooit verflensen. 5. Kan u Christus woord behagen? Zijn u zijn' bevelen zoet? Kan niets uwe vlijt vertragen, Als Hij werkt in uw gemoed? Hebt g' in' s Heeren volk uw' lust? Zijt gij bij uw zelf bewust, Dat u niets meer vreugd |||| 240 89. LIED. vreugd kan geven, Dan met hen vereend te leven? 6. Christus vriendschap en het lijden, Moeten onafscheidbaar gaan, Zoekt gij zijnen smaad te mijden, Of biedt gij uw rug Hem aan, Als Hij uw met kruis belaad? Als de wereld kwelt en slaat, Wilt gij liever alle plagen, Dan' t gemis van Christus dragen? 7. Voelt gij door een sterk verlangen Naar Hem ' t hart wel aangedaan; Om door smerten, die u prangen, Tot den Vader heen te gaan? Houdt gij zelf in uwen zin' t Sterven voor een groot gewin? Kunt Gij naar d' ontbinding haken, Om de hemelvreugd te smaken? 8. Vindt gij hier van nog geen teeken, Bij' t beproe ven van uw hart? Blijf niet in uw blindheid steken: Ai! geloof het eens met smart, Dat gij ver van Chrisfus 89. LIED. 241 tus zijt! O' t is nog genadetijd! Kom, verlaat den staat der zonden, Zoo wordt Hij aan u verbonden. H. Opwekking tot Standvastigheid in het Lijden, Geloof, Liefde, Hope, en vordering der Heiligmaking. 90. LIED. Wijze: Psalm 42. B lijf, ô Christen! trouw in' t lijden; Nimmer moeten tegenheên U van uwen Jezus scheiden, Mor niet door verkeerd geween: Denk maar eens, hoe langen tijd, Hij zijn' hulp u had gewijd; Daar gij hield uw hart gesloten, En toch u niet heeft verstooten. 2. Wijk nooit van het pad ter zijden, Bouw' t geloof op vasten grond, Niet op steunsels die ontglijden; Breek de trouw, in het verbond Van den Doop, aan uwen Heer Toegezworen, nimmermeer: Schik u om uw gansche leven Uwen God ten dienst te geven. 3. 242 90. LIED. 3. Nooit moet uwe liefde wijken Van dien God, die u bemint; Geef uw naasten vriendschapsblijken, Schoon gij hem vijandig vindt. Stortte Christus zijn' gebeên Voor hen, die Hem smarte deên, Zoo moet g' ook die les betrachten, Wilt gij zelf vergeving wachten. 4. Zij standvastig in u hopen; Heb een weinig tijds geduld, Ras krijgt gij de deuren open, En gij ziet uw' wensch vervuld; Hoop op God, Hij staat bereid, En biedt u barmhartigheid; Hij zal voor uw welzijn waken, En uw' hoop nooit ijdel maken. 5. Zij getrouw in stervensnooden, Strijd vol moeds den laatsten strijd; Zelfs, al zou de Heer u dooden, ' t Is het laatste, dat gij lijdt: Die den strijd met God begint, En met Jacob hem verwint, Zal door bidden 90. LI E D. In 243 goden zegepralen, En de levenskroon behalen. 6. Blijf gestaag standvastig strijden; Draag u manlijk in den kamp, Schoon gij smert op smert moet lijden, Schoon hier volgen ramp op ramp; Niets is' t lijden hier beneên, Bij des Hemels heerlijkheên; Die u Jezus eens zal geven, In het ceuwig zalig leven. 7.' k Wil dan lijden, lieven, hopen, En gelooven zonder rouw, Tot mijn tijd zal zijn verloopen, Wijl mijn Heiland blijft getrouw Dien, die telkens aan hem kleeft, En in' t kruis zich willig geeft; Hem beveel ik all' mijn zaken, Jezus zal' t voor mij wel maken. I. VAN DE VERZEGELING EN VERZEKERING lánsvolley DES GENADESTAATS.la di ooda Een Verzekerde. 91. LIED. Wijze: Psalm 25. nad si iste ezus zal mij wel behoeden, In zijn' gunst berust R ik 244 91.3 L I E D. ik stil; Laat de satan woelen, woeden, Alles volgt des Heeren wil. Schoon de hemel mogt vergaan, Nogtans blijft dit woord waarachtig; Al kon' t aardrijk niet bestaan, Jezus blijft getrouw en magtig. 2. Laten al de wereldstoffen Smelten in den laatsten gloed; Laten door elkander ploffen Trotsche ber gen, zee en vloed; Als de wereld uit zijn' stand Schokkend, alles zal doen beven, Houdt mij Jezus bij de hand, Wel hem, dien dit is gegeven! 3. Gij hebt mij in' t hart geschreven, Groote Vorst van' t Hemelrijk, Dat Gij nooit mij zult begeven, Schoon ik stof ben, asch en slijk. O verheven Maje steit! Wie kan Uwe trouw uitspreken? Niets komt bij die teederheid, Die U't gunstig hart doet breken. 91. LIED. 245 4.' t Goede werk hebt G'aangevangen In mijn' geest, ai! zet het voort, Dat ik vrolijk word' ontvangen Binnen' s hemels enge poort, Daar Gij mij gunt in le gaan, Gij de weg, de deur, het leven, Gij zult mij geheel verzaân, Als G' U zelven mij zult geven. 5. Doe mijn' zielelamp ontbranden, Vol met olie van geloof; Zoo grijp ik U met mijn' handen, Brui'gom! op uw' komst niet doof, Als Gij klopt ter middernacht, En wij de bazuinen hooren. Zalig Hij, die waakt en wacht, Dan als alles gaat verloren. 6. Na, ik weet, God laat nooit varen,' t Werk, dat Hij begonnen heeft: Jezus zal mij wel bewaren, Door zijn' Geest, die in mij leeft, Tot dien dag, dat boven al,' t Driemaal heilig heerlijk Wezen, Mijn JeR 2 ho 216 91. L I ED. hova wezen zal; Dan, dan wordt mijn' ziel genezen! De Christen in God vergenoegd en vrolijk. 92. LIED. Wijze: Psalm 24. Wat kwelt u toch; ontroerde geest, Beveel uw' we gen onbevreesd Aan uwen God, Hij zal' t wel maken. Geloof maar, Gij zult alles zien Naar zijn bepaalden wil geschiên, Gij zult de grootste blijdschap smaken. 2. Niets is Hem immers onbekend, Wijl Hij het alles keert en wendt, Wat kan zijn raadsbesluit toch hind'ren? Geen engel, koning, hel noch dood, Geen afgrond, hoogte, smert, of nood, Kan in Gods raad een' stip vermind'ren. 3. Vorst Davids heilgoed zal bestaan, Nooit zal HEREDES het zoutverbond vergaan;' t Is vast gemaakt door 童 舞 Jezus wonden. Een mensch bedriegt zijn' naasten 92. LIED. 247 ten wel, Doch nooit de God van Israël;' t Is uit met dood en hel en zonden! 4. Wel hem, die in het heilverbond Als bondgenoot met hart en mond, Den grooten God wil hulde zweren; Die in opregtheid voor Hem leeft, Geloovig aan den Heiland kleeft, En and'ren zoekt Gods weg te leeren. 5. Wel u, gij hebt het hoogste goed, Die alles uit geloove doet, En wilt in liefd' opregt verkeeren; U is bestendig heil bereid: Zelfs midden in de tegenheid, Zal u uw vijand moeten eeren. 6. Wel dan, is u de weg bewust, Heb in den Heer uw' hoogsten lust, Gij moogt u aan Hem overgeven. Schep moed, dewijl Hij in u is, Zulk een geweten baart gewis Een eeuwigdurend zalig leven! R 3 De IZ 248 De in het Geloof vrolijke. 93. LIED. ezus, die mij' t leven Hebt uit gunst gegeven, 0 mijn vreugd en eer! Hoe lang zal' t verlangen **===Mijn gemoed nog prangen,' t Zucht naar U, ô Heer! Lam Gods kom, Mijn Bruidegom, Niets is voor mijn' ziel op aarde Buiten U van waarde. 2. Onder uwe hoede Ben ik van de woede Mij ner haatren vrij; Laat de Satan razen, Niets kan mij verbazen, Jezus staat mij bij; Schoon' t Heelal mij dreigt ten val, Zond en hel mij schrik ver wekken, Jezus zal mij dekken! 五 3. Trots des Satans pogen En des doods vermogen, 爷爷 爷 Trots des vleesches lust; Laat de wereld woelen, ' k Zal geen vrees gevoelen,' k Zing hier wel gerust. ' s Hee 93. LIED. 249 ' s Heeren magt Geeft op mij acht, Aard en afgrond zie' k verstommen, Schoon zij woedend brommen. 4. Weg met alle schatten! U zal ik omvatten, Jezus, al mijn' lust!' k Zal geen' eer bejagen, Ik blijf al mijn dagen! Daar van onbewust. Ramp en nood, Ja kruis en dood, Zal mij, schoon het mij moog drukken, Nooit van Jezus rukken! 5. Al de vreugd der aarde Heeft bij mij' geen' waarde, Hoe ook aangebeen. Weg vervloekte zonden, Laat mij ongeschonden, Wijkt, wijkt van mij heen! Praal en pracht Heb ik veracht,' k Heb aan ' t los en schand'lijk leven' t Afscheid reeds gegeven. $ 6. Wijk angstvallig klagen,' k Zie mijn' heilzon dagen In mijn zwak gemoed; Die Jehova eeR 4 ren, 250 93. LIE D. ren, Zien wel ras verkeeren Bittre gal in zoet. Is E mijn lot Hier hoon en spot, Jezus zal mij vreugd # beschikken, En mijn' ziel verkwikken. VII. Van Gods Woord en de Christelijke Kerk. A. VAN DE HEILIGE SCHRIFT. 94. LIED. Wijze: Psalm 77. G'hebt ons niet voor niet gegeven, Woorden van het eeuwig leven, In den Bijbel, daar uw' Kerk Vindt den regel van haar werk; Maar Gij wildet ons gene zen, En door hooren en door lezen, Als de ziel schier was versmacht. Door der zonden groote magt. 2. Maar helaas! aan duizend oorden, Heeft men van die levenswoorden,( Wijl men volgt' t geen ' t vleesch gebiedt), Enkel afkeer en verdriet; Daar wil' t schemerlicht der oogen Naarstig le zen 94. LIE D. 251 zen niet gedoogen, Ginds hoort niemand, schoon Gij klopt, Wijl hun' ooren zijn verstopt. 3. En door die verkeerde wegen Heeft de zielespijs geen' zegen, Wijl zij zelden in' t gemoed Ingang vindt, en dus niet voedt;' t Zaad valt deels in doorne hagen, En kan dus geen' vruchten dragen, Deels wordt het, zoo ras als' t groeit, Door den satan uitgeroeid. 4. Toon ons, Heer! Uw mededoogen, Stuit den duivel in zijn pogen; Nooit ontruk hij ons het zaad Schoon hij daar gereed toe staat. Ai, vergeef, dat ons de zonden Dikwerf meer aan zich verbonden, Dan uw woord en hooge wet, Die G'aan ons ten rigtsnoer zet. 5. Wil ons nieuwe harten geven, Dat w' ons heil niet zelf weerstreven, Maar in' t God'lijk woord alleen R 5 ZoeE 252 94. LIED. Zoeken onze zaligheên. Laat in' t lezen en in' t hooren,' t Zondig vleesch ons nimmer storen; Trek U onze zwakheid aan, Laat uw woord in ons bestaan. 6. Wil ons onverstand verlichten, Doe de slaafsche vreeze zwichten, Als de wil wordt aangespoord, Om te wand'len naar uw woord. Dat wij naar uw welbehagen, Ons in al ons doen gedragen, Laat het goede zaad, ô Heer! Vruchten dragen U ter eer. 7. Dat wij nimmer mogen letten Op verkeerde menschen- wetten, Nooit naar zulke boeken gaan, Die de waarheid tegenstaan; Maar dat wij met ijver zoeken Naar die Goddelijke boeken, Waarin Vader, Geest en Zoon Wijst den weg naar' s hemels troon. 8. Nu, wij zuchten, bidden, schreijen, Vader, wil niet 94. LIE D. 253 niet van ons scheiden, Dat wij, Heer! van nu voortaan Nooit' t gepredikt woord versmaân, Laat ons uwe wetten lezen, Als het zonlicht komt gerezen; En eer wij ter ruste gaan, Zien, of wij de Schrift verstaan. また B. VAN DE CHRISTELIJKE KERK. 95. LIED. Wijze: Psalm 66. KZ al uwen lof alom doen hooren, Om dat G'U zelf, ô zalig Heer! Op aard' een' Kerk hebt uitverkoren, Uw' Goddelijken Naam ter eer; Waarin een schare wordt gevonden Verëend door ware heiligheid, Aan wie vergeving harer zonden In Jezus zoenbloed is bereid. 2. Gij noodigt ook nog alle dagen, En roept, dat elk voor U verschijn; Men hoort U onophoud'lijk 254 95. LIE D. lijk klagen: Zal dan mijn' huis steeds ledig zijn? Dus zend G'U boden op de straten, Die roepen ieder' tot den disch, Gij wilt zelfs dien niet achterpa laten, Die blind of lam of kreupel is. 3. Gij, God hebt U uit vele tongen Der Volken eene Kerk gesticht; Waarin uw lof wordt opgezongen, En alles U ter eer verrigt; Een' Kerk, En dienen als bun' Vorst en Hoofd, En in gemeenschap steeds betrachten,' t Geen ieder Christen regt gelooft. 4. Die op hun werk zich niet verlaten, Wijl toch geen mensch is zonder schuld, Want doet hij goed, ' t zal hem niet baten, Hij heeft alleen zijn' pligt vervuld. Wij moeten in geloof ontvangen,' t Geen Chriswier leden Christus achten 95. LIED. 255 Christus voor ons heeft bereid, Wij moeten door geloof erlangen Der zielen heil en zaligheid. 5. Ai, heilig ons in' t nieuwe leven! Laat ons op' s Heeren wegen gaan; Dat wij steeds naar het goede streven, En booze lusten tegenstaan! Ai, wil die rimpelen en vlekken, Dat zondig vuil, dat aan ons kleeft Door die geregtigheid bedekken, Die Christus ons genadig geeft. 6. Bewerk ons, dat wij regt gelooven Tot onzen laatsten levensstond, Niets moet ons ooit uw woord ontrooven, Noch ook de zegels van' t verbond: Vervul de zielen uwer kindren Met uw genaad' en broedermin: Laat nooit hun' rust en vreugd vermind'ren, Doe hen zijn een van hart en zin. C. 256 C. Bidlied om behouding der reine Leer en der ware Kerk. 96. LIED. 0 Heer, behoud ons bij uw woord, Dat' s vijands moordlust word' gestoord, Die Jezus Christus, uwen Zoon, Wil stooten van zijn' hemeltroon. 2. Toon Jezus, dien ons hart belijdt, Dat Gij de Heer der Heeren zijt; Bescherm uw' arme Christenheid, Dat z' eeuwig uwen lof verbreid'. 3. 0 Geest, die troost en blijdschap geeft, Maak, dat uw volk in eendragt leeft, Versterk ons in den laatsten nood, Schenk ons het leven uit den dood. 4. Och Heer! Uw volk met smart belaân, Beveelt uw liefdezorg zich aan; Sterk ons geloof, behoud, ô Held! Ons van des vijands wreed geweld. 5. Doe zijnen raad in rook vergaan, Het zwaard zijn 96. LIE D. E zijn eigen meester slaan; Werp hem met almagt in dien kolk, Dien hij gemaakt heeft voor uw volk. 6. Zoo zal hij zelf erkennen, Heer, Dat Gij nog 257 leeft, die ons wel eer Hebt uitgered, en niet verlaat Dien, wiens betrouwen op U staat. D. De hoop der Geloovigen op Sions opbouw en Babels val. 97. LIED. Wijze: Psalm 125. anneer zult Gij Sion bouwen, Sion, Heer, dat de pet! Gij bemint, Dat in U zijn' Koning vindt? Zal het nimmermeer aanschouwen Zijne muren weer voltooid? Ja want Gij verlaat het nooit. 2. Wanneer zal die stem eens klinken? Wanneer zal dat vreugdgeschal Zich verheffen overal: Babels hoer moest nederzinken, Al haar' pracht, hoe lang - 258 97. LIED. lang geëerd, Is in vuilen stank verkeerd. dd 3. Hoor, ô Heer! uw Sion klagen Onder Babels dienstbaarheid, Daar uw licht geen' glansen spreidt. Doch Gij zult hen, die het plagen, Nedervellen door uw' magt, En verdelgen Babels pracht. 4. Geef, ô Jezus, dat wij waken, Dat wij in ' t geloof staan pal, Tot Gij met bazuingeschal, Zult al donderend genaken, Ter verlossing uwer Bruid; Naar het eeuwig raadsbesluit. 5. Wil uw heilig zegel drukken Op ons hoofd en op de hand, U ter eer en ons ten pand, Dat w' op arends vleuglen rukken Door' t geloove hemelwaart, Daar ons niemand onheil baart. to po' y Jezus, zielen6. Zet op ons een heilig teeken, brui 97. LIED. 时 bruidegom, Want wij zijn uw eigendom; Straks is Satans magt bezweken,' t Zondig kwaad verliest zijn' pijn, Wijl wij uw' verlosten zijn. 7. 0! hoe zal uw volk U eeren, Als eens Babels list en magt Met het beest verliest zijn' kracht; Dan zoo zal uw roem vermeeren, Dan zal het in 259 eeuwigheid, U te loven zijn bereid! 8. Wel dan, Sion! wil niet treuren, Uw verkwikkingstijd is daar, En des Heeren hulp is klaar. Zalig, dien dit mag gebeuren, Die op zoo verhev'ne wijs, Zijnen Heiland zingt ten prijs. e S GEES. 260 GEESTELIJKE LIEDEREN. Pinboard VIERDE DEEL. GEZANGEN, WELKE TOT DE BEOEFENING DER GODGELEERDHEID BEHOOREN. I. VAN DE BOETE EN BEKEERING. A. Belijdenis en Betreuring der Zonden. 98. LIED. Wijze: Psalm 91, Ach wee! ach wee!' k ben gansch bevreesd, Waar vlugt ik voor mijn zonden? Waar wordt ' er voor mijn' dooden geest Het leven weer gevon den? Hoe boet ik best mijn' zondenschuld Met heete tranenplassen? Hoe word' ik met berouw vervuld? Wie zal mijn' ziele wasschen? 2. Mijn' ziel, des Scheppers kostlijk beeld, zoedeld' ik met vlekken; Zij kan zich' t kwaad, dat haar nog streelt En opvult, niet onttrekken. Be Ik 98. LIED. 261 Ik deed mijn' heerelijken stand In smaad en spot verkeeren; Ach wee mij! ach moest ik, ô schand! De Godheid dus onteeren? 3. Ach wee, ik ben van mijnen God, Dat hoogste goed, geweken!' k Heb door mijn' schuld, rampzalig lot! 者 Mij van mijn goed versteken!' k Heb nimmer, zoo ik moest ô Heer! U hart en trouw gegeven, Noch' t goed', uw' grooten Naam ter eer, Gelijk Gij wilt, bedreven. 4. Ik heb de dienst van mijnen Heer Nooit ijv'rig waargenomen; Nooit boog ik mij in ootmoed neer, 卒 Om vrijspraak te bekomen: Ik wees de Godsvrucht van de hand, Gods Naam wild' ik niet eeren;' k Zocht nooit het mij gegeven pand Gestadig te vermeêren. 5. Ik ging, als een weerspannig kind, Mijn's Vaders S2 hart 162 98. LIE.D. hart versmaden; Ik ben geloopen wild en blind Langs goddelooze paden; Ik heb, ô knagend naberouw! Mijn' pligt nooit regt bewezen, Noch voor zijn' Vaderlijke trouw Zijn' grooten Naam geprezen. 6. O snood vergift! ô vuile zond! Hoe hebt gij mij vertreden? Door u is' t God'lijk Lam gewond, Om u heeft het geleden; Dit heilig en onnoozel Lam Moest zelfs aan' t kruishout sterven, Wijl Hij de zonden op zich nam, Die ons Gods gunst doen derven. 7. Wien zal ik nu mijn' groote smart, Mijn ziels leed openleggen? Wien zal ik' t treuren van mijn ***======= Ã ±====hart En eeuwig onheil zeggen? Ik zelf, ik heb het zielvenijn! Als vijand mij gegeven, Dat mij nu treft, 客家. waaraan ik kwijn,' k Benam mij zelven' t leven. ik 98. roep LIED. 8. O hoogste Goed, ô groote God! Tot U wend ik mij weder, Aan U klaag ik mijn deerlijk lot, Voor U werp ik mij neder; Ik schrei tot U, U roep ik aan, Vergeef mij mijne zonden! Doe mij in Uw gerigt bestaan In Jezus dierbre wonden. 9. Het is mij leed,' t geen ik misdaan, En heb zoo dwaas gehandeld; Het smert mij, dat ik op de baan Der zondaars heb gewandeld: Foei, dat ik dus mijn hart en zin Van U durfd' henen keeren, Om aan de wereld en haar min, Mijn zielslust te vereeren. 10. Het is mij leed; Ik ben niet waard, Uw kind en knecht te heeten; Veeleer verdien ik, Heer! dat d' aard Word' onder mij gespleten. Maar och vergeef! U aan; Vergeef uit mededoogen! Vergeef mij S. 3 Heer, 263 264 98. LIED. Heer, mijn euveldaân! Ai! word met mij bewogen! 11. Zoo Gij woudt in' t gerigte gaan, En naar verdiensten spreken, Wie zou er ooit voor U bestaan? Nooit werd uw toorn ontweken; De Heem'len zijn voor u niet rein, Noch zelfs de hemelingen; Veelmin de menschen groot of klein, Geneigd tot kwade dingen. 12. Zie aan uw' eengeboren Zoon, Hij droeg mijn euveldaden, Hij heeft mijn' smert en zondenloon, Zich zelven opgeladen. Zie hoe Hij werd met schimp en smaad Aan' t kruishout vastgeslagen, Daar liet Hij zich voor al mijn kwaad, O groote liefde! plagen. 13. Och laat mij voortaan nimmermeer Den weg bezijden treden! Ai laat mij, tot Uw roem en eer, Al mijne vlijt besteden! Laat mij U lieven meer 98. LIE D. 265 meer dan mij, Laat mij mijn lijf en leven, Zoo ras ' t uw welbehagen zij, Gewillig overgeven. B. Boetvaardige belijdenis en afbidding der Zonden. 99. LIED. Wijze: Lied 70. k sta beschaamd voor uwen troon, Gij proever aller harten; Verschoon mij toch, ô menschenZoon! Ik ben vol zonden smarten; Erbarm, U, Heer! en neem mij aan, Door U alleen kan ik bestaan, Dat mij voor regt genâ geschied! Verstoot mij niet: Mijn' ziel bezwijkt schier van verdriet. 2. Als ik terug denk aan den tijd, Van mijne kindsche jaren, Dan treft mijn' ziel een felle spijt, Wijl die zoo 11 ijdel waren; Ik ben als zinloos voortgerend, Uw wil was aan mij onbekend, In' t booze was ik uitgeleerd, En S4 gansch 266 99. LIED. gansch verkeerd, Ik heb mijn' schulden staag vermeerd, 3. Als mij de tucht in mijne jeugd Dwong tot een beter leven;' k Werd door geen' liefde tot de deugd, Maar vrees voor straf gedreven; Ik moest in X1 deugd en kennis, Heer! Alleen opwassen t' uwer eer, Op dat mij dus de zaligheid Zou zijn bereid; Maar Heer! Gij weet mijn dwaas beleid. 4. Ik trachtte mijne boosheid nog Met leugens, te bedekken, Mijn jeugdig hart was vol bedrog, Niets kon van' t kwaad mij trekken; Ik tergde steeds uw' Majesteit, Mijn eigen hart heeft mij verleid, ' k Heb telkens kwaad tot kwaad gedaan, Van jongs af aan, Ging ik op gansch verloorne paân. 5. De zonde brak al verder los, Als snelle watervloe den, 99. LIE D. 0 den, Of als een ongebreideld ros, Dat sporen acht noch roeden, Ik werd vervoerd van tijd tot tijd Tot hardheid, hovaardij en nijd Ik leefde zorgloos en gerust Naar mijnen lust; Och! dat uw gramschap zij gebluscht! 6. Gedenk niet aan die gruweldaân, In mijne jeugd bedreven; Genadig Heer! U loop ik aan, Gij kunt verlossing geven. O Jezus! los mij door uw bloed, En maak het schuldregister goed; Want uw gena ons aangebragt, Heeft grooter' kracht, Dan al het kwaad door ons bedacht. C. Toevlugt tot den Genadetroon. 100. LIED. 267 God, hoe groot, Hoe zwaar en snood Zijn mijn' begane zonden! Hier wordt voorwaar In dit gevaar Voor mij geen' hulp gevonden. S5 2. 268 100. LIED. 2. Liep ik met vlijt Mijn' ganschen tijd Tot' s werelds verste palen, Om van mijn pijn Bevrijd te zijn,' Er was geen' hulp te halen. 3. Ik vlugt tot U; Ai! wil mij nu Niets afslaan om mijn' zonden! Ai! toorn niet meer! Ai rigt niet, Heer, Uw Zoon heeft heil gevonden! 4. Doch moet het zijn, Dat straf en pijn Het zondig kwaad, verzellen; Laat pijn en straf Mij slechts tot' t graf, Maar niet hier namaals knellen. 5. Geef mij geduld, Vergeef mijn' schuld, Geef een gebogen harte; Op dat ik niet,' t Geen vaak geschiedt, Mijn heil verlies in smarte. 6. Doe naar uw' wil,' k Zal lijden stil, Ik zal uw' hulp verbeiden; Wat mij ook scha, Zoo' k maar hier 100. LIED. 269 hier na Van U niet zij gescheiden. 7. Gelijk wel ras Naar' t digt gewas Een' vogel heen gaat vlugten; Op dat hij vrij Van' t onweer zij, Dat mensch en vee doet zuchten: 8. Zoo vlugt alleen Mijn' ziel nu heen Naar Jezus bloed en wonden, Toen zond en dood Mij bragt in nood, Heb ik daar hulp gevonden. 9. Dit' s mijn verblijf, Schoon ziel en lijf Hier van elkander scheiden, Blijf mij bij God Een zalig lot In hemel- vreugd bescheiden. 10. U zij dus eer, Drieëenig Heer, Zoon, Geest en Vader zamen! Ik steun nu voort Op Christus woord:' t Geloof maakt zalig. Amen! 101. 270 101. ** LIED. Wijze: Lied 68. Jezus Christus, hoogste goed! O bronwel van genade! Zie toch hoe ik in mijn gemoed Met smerten ben beladen! Veel' pijlen steken in mijn hart, Zoo dat ik zondaar heel benard, Door druk ben neêrgeslagen. 2. Ruk Gij die pijlen uit mijn' ziel, Doe mij niet langer klagen; Aan' t kruis, daar' t U zoo smert# lijk viel, Hebt Gij mijn' straf gedragen; Op dat ik in mijn' euveldaan, Niet eeuwig zou' verloren gaan En helsche pijnen lijden. 3. Ach God! als ik bedenk met smart De snoodheid van mijn' gangen, Dat valt mij als een steen op' t hart, Ik word met vrees bevangen; Ik wist geen' uitkomst uit mijn' pijn, En zou gewis verlo. ren 101. L I E. D. uw' ren zijn, Had Gij m' uw woord onthouden. 4. Doch Heer! uw woord verzekert mij, Dat hun, die waarlijk treuren, De schuld geheel vergeven zij, En' t leven zal gebeuren; Dewijl het gena belooft, Dien, die opregt in U gelooft, Verbrijzeld in mijn harte. 5. Dewijl ik dan mij schuldig ken, En U opregt moet klagen, Dat ik een treurig zondaar ben, Dien zijne zonden knagen; Wijl ik zoo gaarn mijn vuil gemoed Zag afgewasschen in uw bloed 271 Met David en Manasse. 6. Zoo kom ik ook tot U, o Heer! In mijnen nood getreden; Ik val voor uwe voeten neêr, Ai hoor mijn zielsgebeden! Ai scheld mij uit genade kwijt! Al ' t geen 272 101. L I ED. ' t Geen ik in mijn' levenstijd Heb tegen U misdreven. 7. Mijn God en Heer! vergeef het mij, Uit loutere Genade; Maak mij van' t juk der zonden vrij, Dat die mij nooit meer schade. Ach! dat mijn' ziel in stilheid, Heer! In alles leve tot uw' eer, En als uw kind U diene! 8. Och! dat uw Geest mij sterk' en voed'; Genees mij door uw' wonden, Wasch met uw doodzweet mijn gemoed, In mijne laatste stonden. Voer mij, als' t U behaagt, van d' aard, In' t waar geloove hemelwaart Bij al uw uitverkoornen. 102. LIED. [ Wijze: Lied 101 of 68. 国 Vader der barmhartigheid!' k Val voor uw voeten neder; Verstoot hem niet die tot U schreit, En 102. LIED. 273 En keert, hoe laat ook, weder. Vergeef mij ' t geen ik heb begaan, Vergeef mij al mijn euveldaân, Door uwe menschenliefde. 2. Dat toch uw' almagt met de daad Mij redde van mijn' kwalen; Uw' wijsheid geef mij goeden raad, Want anders moest ik dwalen. Geef lust, geef midd'len, sterkt' en kracht, Zoo zal ik ' t al door uwe magt, Beginnen en voleinden. 3. O Jezus! Die met taai geduld, Aan' t Kruishout hebt gedragen, Mijn' zondenlast, mijn vloek en schuld, Help mij, die ben verslagen! 0 ware God en Davids Spruit, Erbarm U, delg mijn' zonden, uit, Verhoor mijn klagend roepen. 4. Laat, Heer! Uw' wonden en uw bloed, Uw dood 274 102. LIED. dood en smert'lijk lijden Een balsem zijn voor mijn gemoed, En mij geheel bevrijden. Bid uwen Vader, dat Hij mij Geen streng en wrekend Regter zij, Schoon dit mijn schuld verdiende. 조 5. O Geest! wiens licht de ziel verblijdt, Wil mijnen geest geleiden, Op dat, als mij het vleesch bestrijdt, Ik nooit mag van U scheiden. Geef dat noch nu noch immermeer Een lust naar wellust, geld of eer In mijne ziel moog heerschen! 6. En als de doodsangst mij beknelt, Laat mij dan niet verlegen, Op dat ik' s duivels snood geweld Verwinn' door Christus zegen; Op dat mij krankheid, angst en nood, Die laatste vijand, zelfs de dood, Een' deur zij tot het leven. D. W D. VERLATING VAN DE ZONDEN. 103. LIED. Wijze: Psalm 42. 275 eg, ga weg gij ijdelheden! Blijft mij voortaan onbekend;' k Heb berouw, dat ik mijn' treden Heb zoo vaak naar u gewend. Als ik eens te rugge ga, ' t Vorig leven gade sla, O! dan sla' k mijn' oogenleden Treurig, schaamrood naar beneden. 2. Wat ik moest met ijver haten Als een gif, dat mij verstikt, Wat ik billijk moest verlaten, Daaraan heb ik mij verkwikt:' k Vond in duisternis het licht: ' k Week halstarrig van mijn' pligt:' k Liep met gansch verkeerde zinnen, Om het kwaad te gaan beginnen. 3. Zijt vervloekt, gij vuile zonden!' k Heb helaas! mij zelf vergist, Toen' k mij heb aan u verbonden, d'le schaduw, ijd'le mist! Zijt vervloekt, wijkt heen T en 276 103. 評 LIED. en keer Nimmer voor mijn' oogen weêr;' k Wil die lusten af doen sterven, Die mijn' arme ziel verderven. 4. Vuile wellust! dartel leven! Oogenlust en hoog. moed vlied:' k Had mij wel aan u gegeven, Maar vlied heen, verdwijn tot niet! Oogen, hart en zin en hand, Grijpt, ai grijpt een ander pand, Dat geen tijd # noch leed kan schaden, Maar u eeuwig zal verzaden. 5. Wijk van mij voor eeuwig henen, Wereld met uw tooi en pracht: Gij kunt nimmer heil verleenen, In uw' dienst is' s duivels magt. Zoetste Jezus, van goed, Kom, ai kom in mijn gemoed! Laat een drop van uw genade Heelen mijner ziele schade. 6.' k Wil mij nu niet meer verblijden In het geen de bron wereld heeft;' k Denk, Heer! aan uw smert'lijk lijden, Dat 103. LIED. 277 Dat mijn' ziel vertroosting geeft. Laat toch in mijn hart voortaan Uw gedacht'nis eeuwig staan:' k Wil het zondig kwaad vervloeken En alleen mijn' Jezus zoeken. 7. Och of' t hart, U opgezonden, Als een offer U geviel! Dat ik in uw diepe wonden, Ruste vond voor mijne ziel! Och! vergeet mijn euveldaân, Zie mij met ontferming aan, Denk aan mij als aan een' armen, En wil mijner U erbarmen! E. Nieuw Voornemen. 104. LIED. Wijze: Psalm 42. p mijn geest, genoeg geloopen Langs der zonden glibberpaân! Ach! de hel staat voor u open, Loopt gij niet ten hemel aan. Jezus noodigt u, Hij geeft Heil, waar' s menschen ziel bij leeft; Alles wat u kan verkwikken, Zal zijn' volheid u beschikken. T2 2, 278 104. L 1 ED. 2. Wel ik kom, ik voel de schaden, Die ik lijd' in mijn gemoed; Kond' ik mij in tranen baden, Och! dat waar mijn' ziele goed! Zij vervloekt, ô ijdelheid! Die mij hebt te vaak verleid! Aard en wellust met uw gaven, Weg, gij kunt mijn hart niet laven! 3. Mijne zonden, drukken, plagen Mij, gelijk een felle vloed;' k Word door duizend harde slagen, Gansch beroofd van hoop en moed. O! mijn' ziel is zeer bedrukt, En in weedom weggerukt. Jezus! wil U tot mij keeren, Eer mij d' angsten overheeren. 4. Want voor U val ik thans neder,' k Zweer U, dat ik ben uw knecht.' k Gaf' t vertrouwde pand U weder, Zonder woeker, al te slecht. Wilt Gij in' t gerigte gaan, Hoe zoud' ik voor U bestaan? 0, 104. LIED. 279 0, gij bergen, wilt mij dekken! Heuvels, mij ter schuilplaats strekken. di fremt 5. Doch uw' goedheid kent geen' palen, Niet voor hem, dien niet ontbreekt, Maar voor hem, die ' t zondig dwalen Kent, en om genade smeekt. Dat de donder uwer wet Mij dan toornig niet verplett! Om uw' eed, zoo duur gezworen, Stuit mijn' angst, wil mij verhooren. 6. Kan een' moederhart niet haten Haar, in smerte zuchtend kroost, Gij zult zeker niet verlaten Hem, die zonder hulp of troost, Angstig klagend tot U schreit: Toon dan, dat Gij zijt bereid, Om U over mij t' erbarmen, En te troetlen in uw' armen. 7. Och! hoe zalig zijn die stonden, Die' k tot boeT 3 te 280 104. LIED. te mogt besteên; Aan mijn Jezus weer verbonden, Smaak ik duizend zaligheên; Nu' k uit Sodom ben gebragt, Heeft mijn' ziel geheel veracht' t Dwalend leven, zonden werken: Wil m', ô Jezus, daartoe sterken! II. Van het leven der Bondgenooten Gods. A. VAN DE GOEDE WERKEN EN CHRISTELIJKE DEUGDEN IN HET GEMEEN. Gebed om eenen voorzigtigen wandel in alle godzaligheid en eerbaarheid. 105. LIED. Wijze: Lied 58. God, zoo groot van magt, O bron van zegeningen! Die' t al hebt voortgebragt, Van Wien wij' t al ontvingen, Zij mij naar' t ligchaam goed, Dat in' t gezonde lijf Een onbevlekt gemoed En rein geweten blij 2. Geef dat ik altijd snel, Dat alles moog verrigten, Waar toe mij uw bevel, En mijn beroep verplig ten; Dat ik ter regter tijd Ook daartoe vaardig zij: En # 105. LIED. 281 En als ik mij wel kwijt, Dat zulks mij dan verblij'. 3. Laat ik met ijdelheên Mij nimmermeer bemoeijen; Dat geen onnutte reên Van mijne lippen vloeijen. En, eischt mijn ambt van mij, Dat ik eens spreken zal, Geef, dat zulks krachtig zij, En ieder wel geval! 4. Raak ik in tegenspoed, Laat mij dan niet versagen; Schenk mij een heldenmoed En help mij smerten dragen; Dat ik door zachtheid, Heer! Verwin hem, die mij haat, En als ik raad ontbeer, Schenk mij dan goeden raad. 5. Laat mij toch vergenoegd Met elk in vriendschap leven, Zoo ver' t een Christen voegt; En wil uw' hand mij geven Een deel in tijd'lijk goed, Zoo schenk mij ook daarbij, Dat nooit eens anders T 4 bloed, 282 105. LIED. bloed, Of zweet daar onder zij. 6. En zal ik hier beneên, Een reeks van jaren tellen, En zullen bitterheên, Mijn' levensloop verzellen, Geef mij geduld, ô Heer! Dat ik geen kwaad bejaag, Maar dat ik eens met eer De kroon der grijsheid draag. 7. Laat mij op Christus dood, Gerust en willig sterven; Mijn' ziel in Abrams schoot, Het eeuwig heil beerven. Mijn zielloos ligchaam zij Bij vromen in het graf, Zoo rust ik eind'lijk blij, Van zorgen zonder straf. 8. Als Gij de dooden weer, Uit hunnen slaap zult wekken, Laat dan uw' hand, ô Heer! Zich naar mijn' grafsteê strekken: Wek dan door uw ge luid Mijn ligchaam uit het stof, Verheerlijkt, naar ' t besluit, In' t zalig homelhof. 9. 105. LIED. 283 9. God Vader! U zij eer, Op aard' en ook hier boven; God Zoon, mijn Borg en Heer! U zal ik altijd loven. Door al de wereld heen, Wordt' s Geestes lof verbreid: Zoo zij U, God Driečen! De prijs in eeuwigheid! Gebed om wasdom en voortgang in de Heiligmaobleking en de Christelijke deugden. 106. LIED. Wijze: Lied 105. ijn God! Gij zijt geweest, De Bronwel van mijn leven, Een redelijken Geest, Heeft mij uw' gunst gegeven; Bestuur Gij mijne paân; Uw Geest geleide mij, Dat mij in al mijn daân Uw invloed blijve bij. 2. Doe' t vleesch, dat mij verleidt, Van mij ver henen wijken, En mijne naarstigheid, In' t geestlijk leven blijken. Geef, Heer! dat mijn gemoed Bevecht het zondig kwaad, En ik in tegenspoed, T 5 284 106. LIE D. spoed, Zoek bij U hulp en raad. 3. Laat ik, als Christen, Heer! Mijns Heilands woord ontvangen, En aan zijn' wijze leer Met aandacht blijven hangen. Sterk het geloof in mij, Dat ik het spoor verlaat' Des wereldlings, als hij Mijn' ziel uw woord ontraadt. 4. Ontsteek een' liefdegloed Tot U, in hart en zinnen: En laat ook mijn gemoed, Den naasten teêr beminnen. Verleen mij lijdzaamheid, In wrange smerten pijn, En als' t geluk mij vleit; Laat mij dan nedrig zijn. 5. Laat mij kloekmoediglijk Om' t eeuwig rijk hier ===strijden, Op dat ik zegerijk, Moog op de hoogte rij. den. Wie naar de zaligheên Voor alle dingen tracht, Wordt ook wel met het geen, Dat tijdlijk is bedacht. boona 6. 106. LIED. 285 6. Laat nimmer huichlarij, O Heer! mijn' ziel besmetten; Laat valschheid, hoovaardij, Of haat mij nooit bezetten; List, wrevel, gierigheid, Heersch nooit in mijn gemoed, Geen haat'lijk onbescheid Word' in mijn hart gevoed. 7. Dat mij uw regterhand Gelei ten allen tijden; Hoed mij aan allen kant', Zoo zal mijn voet niet glijden; Zij Gij in tegenspoed Mijn' hulp, die mij verlost, En mij gestaag behoedt, Als' k sta op mijnen post. 8. Verlos mij eindlijk dan, Van' t geen mij kan bezwaren; Wanneer ik eenmaal van Dit aardrijk heen zal varen, Sta mij dan gunstig bij, Met uw' genadehand, En voer mij eindloos blij, In' t eeuwig Vaderland. olanogas no Gen 286 HI Gebed om Geloof, Liefde, Hoop, Zachtmoedigheid, Demoedigheid en Bestendigheid. 107. LIED. Wijze: Psalm 91. elp mij, mijn God! help, dat mijn hart Naar U steeds moog verlangen, En tot U zuchten, als mij smart En wroegend' angsten prangen! Ai! geef, dat ik elk oogenblik, U in mijn kruis moog vinden: Dat mij voortaan geen euveldaên, Met snoode strikken binden! 2. Geef, dat ik met berouw bedeest, Mij U moog overgeven, En steeds met een' gebroken Geest, In ware boete leven: Voor U moog treên, Mijn schuld beween'; Geef dat ik mij der armen In hunnen nood, Van hulp ontbloot, Milddadig moog erbarmen. 3. Laat, Heer! de lust van' t zondig vleesch Op mij nooit zegepralen, Geef, dat ik U regt lief en vrees, Uw 107. LIED. 时 287 Uw Geest laat mij bestralen! Laat mij in nood, Tot in den dood, U en uw woord belijden; Geen' tijd'lijk goed, Trek mijn gemoed, Dit zalig spoor bezijden. 4. Maak mij van felle gramschap vrij, Laat zachtheid mij bestieren; Ontsla mijn' ziel van hovaardij, Laat ootmoed haar versieren. Wil' t heimlijk zaad, Van' t zondig kwaad, Uit mijnen boezem trekken; Wil uw genâ Mij vroeg en spa, Door troost en vreugd ontdekken. 5. Sterk mijne liefde, sterk' t geloof, Laat nooit mijn' hoop bezwijken; Dat niets mij mijn vertrouwen roof, Nooit moet ik van U wijken. Bewaar mijn mond, Dat 产 三 hij geen' grond Van vreeze moog verwekken; Voed gij mijn lijf, Maar dat het blijf Bevrijd van geile vlekken. 6. Geef dat ik trouw en vlijtig zij, In' t geen ik moet be 288 beschikken; Dat eerzucht, stoutheid, huich'larij, Mij nimmermeer verstrikken. Dat nimmer haat, Of eigenbaat, Of wulpschheid mij beheeren, Een wreevle 107. LIED. ま zin, Of boos gewin, Moet nooit mijn' ziel onteeren! 7. Doe mij steeds volgen trouwen raad, Vliên dwaling en gebreken; Den armen bijstaan met de daad, Voor vriend en vijand smeeken; Een ieder man Zoo veel ik kan, Verpligten:' t booze haten, Naar Uw * gebod, O groote God! Tot ik zal d' aard verlaten. B. Van JEZUS Liefde. 108. # LIED. Wijze: Lied 78. Zielelicht! volzalig Heer! Wiens liefd' aan mij gebleken, Zoo groot is, dat ik nimmermeer Daar van naar eisch kan spreken; Geef dat ik' t hart U we derom In liefde moge geven, U mag leven, 0 En als 108. LIED. 289 als uw eigendom Alleen aan U blijf kleven. 2. Geef, dat' er niets in mijn gemoed, Dan uwe liefde wone; Dat ik uw' teedre liefdegloed Acht' als mijn schild en kroone. Wil al' de boeijen, die mijn hart Nog knellen, gunstig slaken, Want zij maken, Dat ik, tot mijne smart, Niet in uw' min kan blaken. 3. Hoe vriend'lijk, zalig, lief en schoon Zijn uwe liefdeblijken! Als ik die smaak, ô Davids Zoon! Moet alle droefheid wijken. Welaan! laat mij dan nimmermeer, lets denken of beminnen, En bezinnen, Dan uwe liefd', ô Heer! Die alles kan verwinnen. 4. Om mij zijt Gij, mijn toeverlaat! In nood en dood getreden. Gelijk een moorder hebt G', ô smaad! Aan ' tkruis om mij geleden; Bespot, verguisd en zwaar gewond, 290 108. LIED. wond, Och! mogt ik aan uw' wonden. T'allen stonden, Gedenken, en uit grond Mijns harten die verkonden. 5. Hoe kost'lijk, goed en rein is' t bloed, Het geen Gij hebt vergoten! Maar ach! hoe boos is mijn gemoed, En als een steen gesloten! Och! mogt uw bloed, 200 vol van kracht, Mijn steenen hart verbreken, En doorweeken, Op dat het door die magt, Wierd in uw' min ontsteken. 6. Och! dat mijn hart geopend werd', En al die droppen gaarde, Die Gij vergoot, toen U de smert, Zoo kruipen deed op d' aarde! Och, dat mijn' oogen nu een' vloed Van heete tranen gieten! Dat zij vlieten, Als bij hen, wier gemoed, Mag teed're min genieten. 7. Trek mij, o Liefste! dan zal mij, Het loopen niet brown ver 108. LIED. treden, 291 verdrieten: Ik haak naar uwe lekkernij, U wil ik, Heer! genieten.' k Verlang, dat Gij dat troost'rijk woord, Zult aan mijn' ziel verkonden, Dat de zonden, En alles, dat mij stoort, Zijn door uw' kracht verslonden. 8. Mijn troost, mijn schat, mijn heil, mijn licht, Mijn eenig goed, mijn leven! Toon mij uw' gunst'rijk aangezigt,' k Heb mij aan U gegeven; Want buiten U is' t enkel pijn, Ik vind, waar ik moog Bitterheden, Niets kan mij troost'lijk zijn, Niets lust mij hier beneden. 9. Maar Gij, Gij zijt de regte rust, In U is vreugd te vinden; Geef, dat ik Heer met nieuwen lus Mij moog aan U verbinden. Zij Gij mijn vlam en brand in mij, Mijn balsem, die mijn pijnen Doet verdwijnen, V De 292 108. LIED. De smerten, die ik lij', En mij doen dikwerf kwijnen. 10. Zou niet uw' liefd' een' volheid zijn, Van allerhande gaven; Zij is mijn star, mijn zonneschijn, Mijn' bron, die mij kan laven, Mijn zoete wijn, mijn hemelsch brood, Mijn kleed, dat mijne vlek ken, Zal bedekken, Mijn kroon, mijn schild nood, Mijn huis, daar' k in kan trekken. 11. Wat voordeel is' t mij, als Gij wijkt, Heer, dat ik ben geboren? Wanneer mij uwe gunst niet blijkt, al dat goed verloren. Geef dus, dat ik, mijn waarde Gast! U met mijn' liefdebanden, Ziel en handen, On scheidbaar houde vast, Wat mij ook aan moog randen. 12. Uw' goedheid zag mij telkens aan, Gij deed mij tot U komen; Eer dat ik had iets goeds gedaan, Hebt Is G 108. LIED. Gij mij aangenomen. Laat toch Uw licht, ô zalig Heer! Zich over mij verspreiden, En mij leiden! Uw' trouw laat nimmermeer, O Jezus! van mij scheiden. 13. Laat mij uw' liefd' in mijnen stand; O Heer! gestaag verzellen: Wijk ik ter regt' of linkerhand, Wil mij in' t spoor herstellen. Geef mij toch altijd uwen raad, Wil mij het goed doen leeren, Zonden weren, En val ik in het kwaad' Wil mij dan ras bekeeren. 14. Uw liefde' geef mij vreugd' in pijn, In zwakheid kracht en leven, En als ik, als' t voleind zal 支 zijn, Mij ga ter rust begeven, Wil dan uw' trouw, 16 Heer! aan mij, Genadig openbaren, Mij bewaren, Dat ik getroost en blij, Ten hemel in moog varen. 293 V 2 di 18b 4590 De 294 De Zaligheid van hem, die JEZUS lief heeft. 109. LIED. Wijze: Lied 82. Jezus, Jezus!' s Vaders Zoon, Mijn Broeder, 0 mijn genadetroon, Mijn' blijdschap uit den hoogen; Dat ik Gij weet, dat ik niets valschs verdicht,' t Is klaarder voor u, dan het licht Aan' s Hemels ruime bogen: Niets Heer! Is meer, Hier op aarde, Mij van waarde; ' k Zal beminnen, U met al mijn hart en zinnen. 2. Dit krenkt mijn' ziel, dit baart mij smart, niet meer met al mijn hart In liefdevuur kan gloei jen; Want ik vind dag aan dag, ô Heer! Hoe iku min, dat nog veel meer, Mijn' liefdedrift moest groeljen Zij mij, Steeds bij, Laat uw zegen, Als een regen Mij besproeijen, Zoo zal mijne liefde groeijen. 3. Geef, dat ik regt dit doel beschiet, Dat ik, 200 veel 109. LIED. 295 veel mijn pligt gebiedt, U naar mijn' lust moog lieven; Want niets, dat d' aard in zich bevat, Van pracht, van wellust, eer of schat, Kan mijne ziel gerieven; Of mij, Als Gij, Mij wilt haten, Immer baten, Uwe liefde Trooste mij, als smert mij griefde. RE 4. Gij hebt, ô Heer! uw grootsten lust Aan die u mint, Gij schenkt hem rust, Vervrolijkt zijn geweten; Het ga hem, zoo als' t wil, op aard, Hij zal na ' t Kruis, dat nu bezwaart, Zijn rampen haast vergeten. O ja! Hier na, Zal zijn lijden, In verblijden Eens verkeeren; Dan zal hem geen smart meer deren. 5. Geen oor heeft immer dat gehoord, Geen oog gezien of opgespoord, Geen mensch kan ooit beschrijven, Wat vreugd, wat hemelheerlijkheid, V 3 Hun 296 109. LIED. ENTER Hun bij en van U zijn bereid, Die in uw' liefde blijven. Wie kan lets van Al die schatten, Ooit bevatten, Of waarderen, Die Gods Gunst ons zal vereeren? 6. Dus zal, ô Jezus! mij voortaan Die zorg alleen ter harte gaan, Dat ik U moog beminnen, En alles, dat aan u behaagt, En daar uw heilwoord van gewaagt, Betracht' met hart en zinnen; Tot Gij, Eens mij, Na dit leven Heer! zult geven, Daar te komen, Daar nooit onheil wordt vernomen. 7. Daar zal ik uwe zoetigheid, Dat hemelsman', voor mij bereid, In reine liefde smaken: Daar REP zal' k uw lieflijk aangezigt Aanschouwen in een helder licht, Geen' vrees zal mij genaken. Vro lijk Juich ik Dan na' t strijden, In verblijden: Eerekroo 109. LIED. 297 kroonen, Zullen mijnen strijd beloonen. De vereerder van JEZUS, verslaaft zich niet aan het zinnelijke. 110. LIED. Wijze: Psalm 140. eg! spreekt mij niet van goud noch schatten, Van pracht en schoonheid dezer aard: Al wat de wereld moog' bevatten, Is in mijn oog geen' blijdschap waard. 2. De wereld met haar ijdelheden, Vergaat; de schoonheid raakt te niet; De tijd, die nimmer wordt verbeden, Vernielt het alles, wat men ziet. 3. In Jezus vind ik al mijn' vreugde, Mijn goud, mijn schat, mijn hoogste lust; In Hom mijn oog zich vaak verheugde, In Hem vindt mijne ziele rust. 4. Hij is alleen mijn licht en leven, De waarheid zelf, het eeuwig woord, De boom, die mij zal voedV 4 sel 298 E 110. LIED. sel geven, Mijn rots, mijn steunsel, dat mij schoort. 5. Hij is de Koning aller eeren, Hij is de Heer der Heerlijkheid; Hij kan mijn' smart in vreugd verkeeren, Hij heeft mij eeuwig heil bereid. 6. Geen' magt kan zijne sterkte dwingen, Zijn rijk zal door geen' tijd vergaan, Zijn troon kent geen verwisselingen, Maar zal in eeuwigheid bestaan. 7. Nooit is zijn rijkdom te doorgronden; Zijn schoon gelaat, al wat men ziet, En al wat aan Hem wordt gevonden, Verandert of veroudert niet. 8. Door Hem kan ik ten hemel streven En wor den aan zijn' glans gelijk; Hij zal mij zoo veel' schatten geven, Dat ik word onuitputbaar rijk. 9. Al moet ik dan hier veel ontberen, Zoo lang ik treed 110. LIED. 299 treed in' t aardsche stof; Geen nood! Hij zal mij mild vereeren, Met heil in' t heerlijk hemelhof. C. Van het Vertrouwen op GOD. 111. LIED. ele Wijze: Lied 85. p God, zoo goed als groot, Vertrouw ik in mijn' nood; Hij kan mij wel bevrijden, Uit droefheid, angst en lijden; Hij kan mij voorspoed schenken,' t Gaat alles naar zijn wenken. 2. Schoon mij mijn schuld beticht, Mijn' hoop niet ganschlijk zwicht; Ik zal op Christus bouwen, Op Hem alleen vertrouwen; Ik zal in dood en leven, Mij aan Hem overgeven. 3. Daal ik ter grafsteed' in, De dood is mij gewin; Want Christus is mijn leven,' k Heb mij aan Hem gegeven; Al sterf ik nu of morgen, V 5 Hij 300 111. LIED. Hij zal mijn ziel verzorgen. 4. O Jezus, die mijn' schuld Zoo lijdzaam hebt vervuld, En zijt aan' t kruis gestorven, Die mij hebt heil verworven, Ja al uw volk bij' t sterven, Het hemelrijk doet erven: 5. Hoor mij, genadig Heer!' k Val aan uw' voeten neêr; Help mij, als ik bezwijke, Uw opzigt dan niet wijke: Wil mij ten hemel leiden,' k Zij zalig bij' t verscheiden. 6.' k Zeg Amen t' allen stond;' k Vertrouw uit ' s harten grond, Gij zult ons nooit begeven; Zoo lang w' op aarde leven, Op dat wij eens te zamen, U eeuwig prijzen, Amen. 13013 Van 301 Van de Gelatenheid en Vergenoeging in God. 112. LIED. D Wijze: Psalm 91. N iets zij' er, dat Gods raad belett', Zijn wil is hoogst te prijzen, Die zijn vertrouwen op Hem zet, Dien zal Hij hulp bewijzen. God helpt uit nood, Zijn troost is groot, Zijn bijstand boven $ 3 maten; Die God vertrouwt, En op Hem bouwt, Wordt nooit van Hem verlaten. 2. God is mijn troost, mijn toeverzigt, Mijn' hoop, mijn' vreugd, mijn leven; Werwaarts de Heer mijn' gangen rigt', Ik zal niet tegenstreven: Zijn woord is waar, Hij heeft mijn haar Geteld, niets kan ons deren! Hij houdt de wacht, Bij dag en nacht, Om' t kwaad van ons te weren. 3. Al moet ik zondaar grafwaarts heen, Naar ' t God 302 112. LIED. ' t God'lijk welbehagen, Ik zal mij zonder naar geween, In God gerust gedragen;' k Beveel aan God; mijn eeuwig lot, In mijne laatste stonden: O magtig Heer! Gij hebt wel eer, Schuld, hel en dood verslonden. 4. Nog eens, ô Heer! ik roep U aan, Gij zult mij MUZ gunstig wezen; Als mij de booze geest wil slaan, Och laat mij dan niet vreezen! Bestraf hem, Heer! uw ** naam ter eer, Ai, wil hem toch beschamen! Uw heilrijk woord Blijft ongestoord, Dus zeg ik vrolijk: Amen. Overgeving aan Gods wil. 113. LIED. Lalig zijn, die hunne harten, Wat hen dreigt aan allen kant, Stellen in des Hoogsten hand; Die niet, door verborgen' smarten,' t Kwaad vermeerd'ren, dat hun ziel Overviel. 2. 113. LIED. 303 2.' t Kan toch nimmer voordeel geven, Dat de broze sterveling Zich verteert door pijniging, Wijl de schenker van ons leven, Al het geen ons moet geschien, Heeft voorzien. 3. Schenkt de Hemel u zijn zegen, Dan zal d' aarde vruchtloos woên, Zij zal u geen' hinder doen; Maar, treedt gij op duist're wegen, Gij kunt' t onheil, door weerstaan Niet ontgaan. 4. Worstelt gij met ongelukken, Zorg dat gij niet hooploos klaagt; Hij, die zorg voor alles draagt, Zal u' t onheil weêr ontrukken; Gij wordt noch ter regter tijd; Eens verblijd. 5. Is een ander meer gegeven, Schoon hij op de zondenbaan, Voortrent, denk, des Heeren paân Zijn 304 113. LIED. Zijn zeer ver van ons verheven, En het is toch alles goed, Wat Hij doet. 6. Vreest Gij voor der boozen lagen, Hunne boosheid heeft geen' kracht, Z' is bepaald door' s Hoogsten magt; Hebt gij nood en dood te dragen, Is ' t geweld van hel en aard t' Zaam gepaard: 7. Hij, dien d' Almagt wil behoeden, Wordt door donder niet geveld, Schoon de wolken met geweld, Branden, schoon de bliksems woeden, Ja, schoon ' t gansche wereldrond, Gaat te grond. 8. Geef u vrolijk in Gods handen, Wacht van d' Oppermajesteit,' t Geen Hij u heeft toegeleid; Schik u zelfs tot pijn en banden, Zwijg gerust in alles stil, Wat God wil. 9. 113. LI E D. 305 9. God weet alles wel te maken; Hij die onbezweken staat, En zich op Zijn' hulp verlaat, Die zich gaarn, in alle zaken Naar Zijn welbehagen voegt, Leeft verg'noegd. D. Van de Zelfkennis en Demoedigheid. 114. LIED. Wijze: Lied 71. > W for at wil d' aarde zich verheffen? Wat roemt toch der wormen spijs? O mogt ieder eens beseffen Nedrigheids onschatb'ren prijs: Han, hun past alleen te roemen, Die God hunnen Heiland noemen. 2. Roem dan vrij, maar houd voor oogen, 0 gij nietig menschenkind! Dat slechts hij in Gods vermogen, Stof tot heilig roemen vindt; Die zich mag als nietig kennen, En aan ootmoed zoekt te wennen. 3. Val aan Jezus voeten neder; Volg Maria's voorbeeld 306 114. LIED. beeld na; Ween en zucht en kus Hem teeder, Smeek Hem nedrig om gena. Zoek zijn' liefde dus te -stelen, Dat gij in zijn' gunst moogt deelen. 4. Dan, dan zult gij eerst ontvangen, Onbepaalde roemensstof; Zalig zijn, die dat erlangen! Gij ô Heer, zijt al mijn lof! Gij, ô Jezus! zult het wezen, Dien' k zal roemen, lieven, vreezen. 5. Wat kan eigen roem toch baten? Die hier in zijn' grondslag vindt, Ziet zich eerlang gansch verlaten, Die vervliegt, gelijk de wind. Zij, zij mogen zich beroemen, Die de Heer zijn volk wil noemen. 6. O mijn Schepper en mijn Voeder! Van U zij mijn roem en eer, Blijf mijn Heiland, mijn behoeder, Tot in eeuwigheid, ô Heer! Mij deert hel noch We 116. LIE. D. werelds pogen, Als ik gunst vind' in Gods oogen. De hovaardigheid hatende Christen. 115. LIED. Wijze: Psalm 140. 307 ENERERE al dan het stof, ô schand! noch pralen? Het stof, dat weg stuift voor den wind, Dat ras de schuldstraf moet betalen, Wanneer' t de felle dood verslindt. 2. O dwaasheid! meenen teere bloemen Nog lang te prijken met die pracht, Daar z'in den ochtenstond op roemen? Helaas! zij sterven voor den nacht. 3. O blindheid! meent een damp te blijven, En in de vrije lucht te staan? Het zonlicht zal het ras verdrijven, Een oogenblik ziet hem vergaan. 4. O zwakheid! wanen leeme hutten, Dat haar de tijd niet sloopen zal? Helaas! niets kan haar onderstutten, Zij neigen, eer men' t weet, ten val. X 5, 308 115. LIED. 5.000 traagheid! mensch, wilt gij niet weten, Dat gij zijt schaduw, rook en wind? Gij kunt met regt een niets u heeten, O teeder blad! ô magt'loos kind. 6. O ramp! Gods gramschap zal u knellen, neer uw hoogmoed rijst ten top! God zal den trotsaard nedervellen; Och zondaar! zondaar! merk hier op. E. Van de Zelfverloochening. 116. LIED. Wijze: Psalm 100. beolenoidso nab EFFE Wandon magtig God! Die zielen sterkt, En in haar ' t geest'lijk leven werkt; Wat moet ik doen? wat is uw wil? Gebied mij, Heer! ik volg u stil. 2. Ik kan niets doen,' t is u bekend; Ik weet niet waar ik mij heên wend, Maar uwe magt onbepaald, En uwe wijsheid nimmer faalt. 3. Gij zijt de raad, de kracht. de Held, Bij IS is 116. I IE D. W 309 is raad en lust besteld, Gij zijt de kracht in' t droevigst lot; Uw Naam is Held, ô Wondergod! 4. Gij heilrots! red mij; zie ik lij'; Gij levensstroom! bevochtig mij, Besproei mijn' ziel, ô Heiland! keer, Keer tot mij armen zondaar weer. 5. De tijd is boos en vol bedrog, Ik weet niet hoe ' k zal leven, doch Gij zijt een Heer, die groot van raad, Een God, die magtig is van daad.d 6. Doe mij, ô God! uw' wil verstaan, Ik klop, och, wierd mij op'gedaan! Gij hoort het wel, ik roep al weer; Wat moet ik doen? volzalig Heer! F. Verloochening van eigene wijsheid. 117. LIED. Wijze: Lied 71. eg met waan en ijdelheden, Daar de wereld roem op draagt, Dat mij van Hem af doet treden, Aan X 2 310 117: LIED. Aan wien' t nedrig hart behaagt, Nimmer in zijn magt volprezen, Onbevatbaar in zijn Wezen. 2. Wat mij, zeg ik, niet kan voeren; Tot den Allerhoogsten Heer, Zal mijn' lust voortaan niet roeren, Enkel vuilnis is' t, niet meer. Dit is wijsheid, hoog te schatten, Dat mij Jezus doet bevatten. 3.0 Vraagt Gij, wat het toch moog wezen, Dat mijn hart zoo zeer begeert?' t Is, wanneer men God mag vreezen En den grooten Schepper eert: Dit is wijsheid, dit is' t leven, Hemelburgeren gegeven. 91 4.' t Kwaad te mijden,' t goed te zoeken, Jagen naar Godzaligheid;' s Werelds ijdelheên te vloeken En al, wat eens van ons scheidt; Dit is wijsheid, dat zijn' gaven, Die en ziel en ligchaam laven. 5. 117. LIED. E 5. Wilt gij dit nu niet gelooven, 0 gij valsch beroemde kunst? Wis! gij wordt als stof verstoven; Waar, waar blijft dan menschen gunst? Ach, hoe ras is' t al verslonden! Wat wij niet op Christus gronden. G. Verloochening en Verachting van de Wereld. LIED. Op vorige wijze. 311 118. i wat vraag ik naar de aarde, Als maar Jezus bij mij is? Hij slechts staat bij mij in waarde; Niets vergoedt mij zijn gemis. Dierbre Jezus! ô mijn Koning! Maak in mijne ziel uw woning. 2. Ei wat zou' mij rijkdom baten? Rijk ben ik in God, mijn schat; Wat vraag ik naar hooge staten? Boven is de gloriestad. Daar erlang ik alle schatten, Die mijn' ziele kan bevatten. 3. Ei wat vraag ik naar den hemel? Jezus liefd' is X 3 ho 312 118. LIED. hemelvreugd. Weg gij,' s werelds snood gewemel! Gij verdooft, dat mij verheugt. Schatten nu bedekt voor d' oogen, Zijn bij mij van meer vermogen. 4.0 Ei, wat vraag ik naar het smalen, Als mijn' ziel het kwade mijdt?' s Heeren wil kan' t al bepalen, Logens zwichten door den tijd; Eindlijk zal de waarheid leven En haar' held'ren luister geven. 5. Ei, wat vraag ik naar het loven, Wijl mijn' deugd ' er niet door blijkt? Ware lof komt maar van boven, Van Hem, Die het hart doorkijkt. Zoo hoog is de deugd slechts t'eeren, Als God zelf die wil waarderen. 6. Ei, wat vraag ik naar u allen, Hemel, Aarde, geld en eer? Als ik God mag welgevallen, Ei, wat wil, wat wil ik meer?' k Hang aan God met al mijn' 118. LIED. 313 mijn' krachten, Als mijn lijf en ziel versmachten. H. Een Christen, welke zich losrukt van de d wereld en zijne rust in God zoekt. 119. LIED. Wijze: Psalm 25. ↓↓↓ 19906792 verdierbaar zieleleven, Aan zoo weinigen bewust, Als de Geest mag opwaarts streven Naar d' onschatbre hemelrust! Ach! hoe ijdel is de waan, Daar zich' t vleesch door laat verblinden!' t Kleeft vergangbre schatten aan,' t Tracht zijn heil in rook te vinden. 2. Ach! langs welke kronkelpaden Dwaald' ik in dien duist'ren nacht, Toen ik neigingen en daden Niet zorgvuldig hield in acht? Ach, hoe vaak moest mij de tijd, Mijne dwaasheid duid'lijk leeren, Toen ik, Heer!( ik klaag' t in spijt) Mij in onrust ging verteren? 3.' k Heb wel vaak' t besluit genomen, Om te X 4 bre 314 119. LIED. breken uit dat net; Maar als' t tot de daad zou komen, Vond ik mij van kracht ontzet.' k Ben gevangen, wee mij, ach! Ach! wie breekt dat net aan stukken? Rots des heils, hoor mijn geklag! Kom, m' uit' s duivels strikken rukken. 4. Jezus, sterkte der versaagden! die Gij geeft den matten rust; Ware toevlugt der geplaagden, Neig mijn hart en geef mij lust, Dat ik' t geen mijn oog hier ziet, Als een enkel Niet moog achten, En, hoe' k best uw' gunst geniet, Moog met al mijn hart betrachten. 5. Och verban het snood verlangen! Dat nog aan de wereld kleeft; Neem die booze lust gevangen, Die zich U niet overgeeft; Laat de wereld, eer of geld, Nooit mijn' zorgen waardig achten, Wijl gij mij ond hier 119. L I E D. 315 hier hebt gesteld, Om naar beter goed te trachten. 6. Laat uw' goedheid in mijn' oogen Schijnen, geef bij dat gezigt Mij ook krachten, dat mijn pogen Naar den hemel zij gerigt. Maak U Zelf bekend aan mij, Doe mijn hart in liefd' ontbranden; Dat mijn' ziel U eigen zij, Knoop m' aan U met vaste banden. 7. Wijkt, wijkt ijdele gedachten, Stoort niet verder mijne rust; Ik wil heen met al mijn' krachten Naar mijn Jezus, al mijn lust; Hem alleen, Hem geef ik eer,' k Wil mij zelf in Hem verliezen, Niets behaagt m' op aarde meer,' k Wil alleen zijn' liefde kiezen. I. VAN DE GEESTELIJKE WAAKZAAMHEID. Opwekking tot waken en bidden. 120. LIED. u is het uur voorhanden; Rijst, rijst ten rustbed uit; Doet uwe lampen branden, O Christnen! hoort, X 5 ' t ge 316 120. LIE D. ' tgeluid Verspreidt zich wijd en zijd, Gij moet U vaardig maken Met bidden en met waken In dezen laatsten tijd. 2. Daar roepen van de tinnen De wachters Gods, ontwaakt! Ontwaakt gij trotsche zinnen! De hovaardij verzaakt; Vernedert U voor God: De hel met open kaken Dreigt hun, die God verzaken, bigy Join for Een allervreeslijkst lot. 3. Waakt op! Waakt op! het woeden Van' s Satans legermagt Zal basilisken broeden, Hem, die Gods wet veracht; Zijn' gramschap gaat al voort: Dat w' ons dan vaardig maken, Door bidden en door waken, Naar' s Heeren raad en woord. bo 4. Ontwaakt uit' svleesches lusten! Waak op, ô huichelaar! Ei wil niet zorg'loos rusten, Ontvlied het doods 120. LIED. 317 ਜਦ doods gevaar, Dat u uw schuld bereidt; Ei rigt al uwe zaken, Tot bidden en tot waken, Ter uwer zaligheid. 5. Gij, die daar ligt te ronken, In zorgeloos vermaak, Van weeld' en wellust dronken, Waakt terr op, ducht' s Hemels wraak! Ach! wilt gij die ontgaan, Gij moet u vaardig maken, Tot bidden en tot waken, En zoo gewapend staan. and 6. Ai! ziet toch alles streven Naar zijnen ondergang; De vromen doet men sneven, Het onregt gaat in zwang; Het kwaad heerscht wijd en zijd, Niets kan de gruw'len staken; Komt laat ons biddend' waken, In dezen boozen tijd., bin 7. Ai! wilt met aandacht letten, Op wondren zonder tal, Wilt daar uw hart op zetten: Waakt op! geen 318 120. LIED. geen blind geval Brengt al die dingen voort: God wil ons wakker maken Tot bidden en tot waken, Eer Hij' t Heeläl verstoort. 8. De wereld wordt verbroken, Dit vonnis heeft de mond Der waarheid zelf gesproken, Doch niemand weet den stond, Wanneer dit wezen zal; Dus moeten w' ons met waken, En bidden vaar$ dig maken, Eer ons dit overvall'. 9. Wel hem dan, die wil hooren, Die noodstem, die hem wekt, En zich aan' s Hoogsten tooren, Door waar berouw onttrekt! Die zich aldus be reidt, Zal eens, na biddend waken, Volzalig or goed smaken, In' t rijk der eeuwigheid. heilOp 319 Opwekking tot Waakzaamheid wegens de toekomst van CHRISTUS. 121. LIED. Ich waakt, ai waakt toch op! Het eind begint te naken; Och waakt, ai waakt toch op! Zoekt u toch vaardig maken! God komt met bliksemstralen, Om zondaars te betalen. 2. Och waakt, ai waakt toch op! Hoe kunt gij zorgloos slapen? Och waakt, ai waakt toch op! Komt aan, grijpt' t ziele wapen! De lampen nu genomen! De Bruidegom zal komen. 3. Och waakt, ai waakt toch op! Gij hoort bazuingeschallen. Och waakt, ai waakt toch op! Zoekt biddend neer te vallen! Roept, Vader wil ons sparen, En om uw Zoon bewaren. He 4. Och waakt, ai waakt toch op! In deze bange # 117 320 121. LIED. ge tijden! Och waakt, ai waakt toch op!' t Is nu een tijd van strijden; Want wereld, duivel, go dozonden, Zijn nu helaas! ontbonden. 5. Och waakt, ai waakt toch op! Zijt nuchter'n, bidt gestadig, Och waakt, ai waakt toch op! Dat God ons zij genadig! De wereld is aan' t kraken; Haar val moet ras genaken. 6. Och waakt, ai waakt toch op! Nog staat Gods gunst u open. Och waakt, ai waakt toch op! Nog moogt g' op vrede hopen. Vliedt van uw snoode zonden, Zoo wordt er heil gevonden. 7. Och waakt, ai waakt toch op! Gij hard versteende zinnen! Och waakt, ai waakt toch op! Wat wilt gij toch beginnen? Sluit gij, helaas! UW #****** 121. LIE D. boog uw' oogen En ooren onbewogen. 8. Och waakt, ai waakt toch op! Hoe kunt g' u zoo verstokken? Och waakt, ai waakt toch op! Wijl God u nog wil lokken. God zal eens wrekend komen, Al' t heil is dan benomen.1960 GEESTELIJKE LIEDEREN. on plass VIJFDE DEEL. 321 BEVATTENDE KRUIS- EN TROOST- GEZANGEN IN MENIGERLEI GEESTELIJKE EN LIGCHAMELIJKE NOODEN. A. Van lijden en droefenis in' t gemeen. 122. LIED. Ja nalle Wijze: Lied 5. ch God! wat moeit' en bitterheid Is in dit leven mij bereid! Hoe smal, hoe moeilijk is het pad, Naar d'eind'loos zaal'ge hemelstad! Hoe lastig is' t voor vleesch 322 122. LI E D. vleesch en bloed, Te staan naar' t onverderflijk goed. 2. Waar wend' ik best mijn schreden heen? Tot U, ô Jezus! U alleen: Gij zijt mijn troost, mijn hart vond raad, Bij U, mijn' hulp en toeverlaat! Geen mensch heeft ooit vergeefs betrouwd, Vergeefs op U in nood gebouwd. 3. Gij zijt die groote Wonderheld: Dus hebt G'U zelf ons voorgesteld. O wondre zaak, nooit meer gehoord! God kwam gelijk een sterv'ling voort, En voerd' ons door zijn smert en dood, Gansch wonderbaar uit allen nood. 4. Mijn Jezus! God en Heer! hoe zoet Is deez uw Naam aan mijn gemoed! Wat droefenis mij prang' of deer', Uw zoete Naam verheugt mij meer; 122. L I ED. ### 323 meer; Mijn smert mag allerbitterst zijn, Uw vail troost geeft zachte medicijn. tbg0017 5. Ofschoon mijn lijf en ziel versmacht', Geef mij, Heer! dat ik' t niet acht'; Als ik U heb, heb ik het al, Dat eeuwig mij verkwikken zal. Aan u behoort, mijn gansch gestel, Ik vrees geen' zonden, dood of hel. 6. Geen beter trouw is hier beneên, Dan bij U Jezus, U alleen: Ik weet, dat Gij mij nooit verlaat; Dat uwe waarheid eeuwig staat. Gij zijt mijn Herder, die mij leidt, En mij behoedt in eeuwigheid. 7. Mijn' zielevreugd, mijn roem en eer, Mijn Jezus! schat, dien ik begeer; Ik kan niet melden, wat al zoet Uw Naam verschaft aan mijn gemoed; Een zoet, dat ieder ondervindt, Die regt gelooft en regt bemint. Y 8. 324 122. LIED. 8. Dus zeid' ik dikmaals: Zoo mijn' ziel, Van U geen vreugd' te beurte viel, Wenscht' ik veel liever naar den dood, Ja dat ik nooit het licht genoot; Want die U in zijn hart niet heeft, Is waarlijk dood, terwijl hij leeft. 9. O Jezus, Bruigom mij zoo waard! Mijn eenig heil, mijn troost op aard; In U alleen vindt mijn gemoed Veel meer, dan in het aardsche goed. Zoo vaak mijn ziel aan u gedenkt, Voelt zij geen droefheid, die haar krenkt. 10. Steun ik op u in tegenspoed, Dan voel ik vreugd in mijn gemoed; Als ik in nooden bid en zing, Dan voelt mijn ziel verademing; Uw geest getuigt, dat zulks in mij, Van' t eeuwig heil de voorsmaak zij 11. Dus volg ik willig U op' t spoor En draag mijn Kruis dit leven door. Mijn God! maak mij daartoe bereid, 122. LIED. 325 reid, Het strekt mij toch ter zaligheid: Beschouw mij met een gunstig oog, Dat ik mijn' loop voleinden moog. 12. Leg Gij mijn vleesch en bloed aan band; Behoed mij toch voor zond en schand; Doe mij geloovig voorwaarts treên, Zoo leef en sterf ik U alleen. Mijn troost, mijn Jezus! hoor mij nu; Mijn Heiland! och was ik bij U! Bidlied in Zielsangst en Kleinmoedigheid. 123. LIED. Wijze: Lied 63. DE ZONDAAR. elp mij, o Heer! ik ben bedolven Door ' t zondenslijk, aan allen kant Dreigt mij een berg van woeste golven, Reik mij, o god'lijk Lam! de hand. Ik ga te grond, daar' s niets te hopen; Help mij, leer mij den dood ontloopen. Y 2 2. 326 123. LIED. 2. Help mij, of ik moet haast bezwijken, De E Satan prangt mij meer en meer; Hoe kan ik, zijne magt ontwijken? Mijn' ziel zijgt door verzoet king neêr. Hoe klopt mij' t hart! mijn handen beven, Gij weet, het, ô mijn Zieleleven! CHRISTUS. 3. Schep moed, mijn kind! blijf in' t gelooven. Klaag niet uit twijfelmoedigheid. Wie zal u uit mijn' handen rooven? Hier, hier is ware rust be reid: Ik ben uw Heiland, wees te vrede, ik des duivels kop vertrede. DE ZONDAAR. Wijl 4. Ja Heer, maar ach! Gij doet mij wachten, Mijn vleesch vermag en wint op mij; Ik lig ter neder zonder krachten, Mijn Zieleschat, och, sta 123. LIED. 327 not dib 10 = sta mij bij! Laat mij niet langer vruchtloos kermen, Kom eind'lijk mijner U ontfermen! 5. Het schijnt, als of Gij stopt uw' ooren, Erbarm U toch, ô Davids Zoon!' k Laat U niet los, voor Gij zult hooren, Voor mij uw hulp met heil bekroon. Help mij!' k zal aan uw' zijde kleven, Tot Gij m' uw' zegen hebt gegeven. CHRISTUS. 6. Gij roept, mijn kind! met vurig smeeken, Gelijk de Kananeesche vrouw: Uw smeekstem doet het hart mij breken,' k Erbarm mij uwer! blijf getrouw; Volhard den strijd hier voort te zetten, Ik zal in U den Satan pletten. Bild 5) knood novoolag Hoon di Y 3 Bid 328 Bidlied om hulp in den Nood. LIED. Wijze: Psalm 77. 124. G oedheid, nimmer te beseffen, t' Uwaarts zal ik ' t hart verheffen, U roept mijne ziele na, Sla haar bitt're klagten ga'. Niemand kent mij van mijn' vrinden, Niemand, niemand kan ik vinden, Die mij redt en staat mij bij, Eenen vind ik, Die zijt Gij. 2. Gij, mijn Vader, mijn bevrijder, Mijn be schermer, mijn verblijder, Mijn verlosser en mijn man, Die alleen mij helpen kan. Laat uw kind uw' hulp ontvangen.' k Weet geen raad of troost t' erlangen; Toef niet, Heer! mij bij te staan, Kom, of' t is met mij gedaan. 3. Zou de Vadermin verdooven? Dit, dit kan ik nooit gelooven. Neen! Gij blijft, dus zegt bi uw 124. LIED. 329 uw woord, Mijn Verlosser altijd voort. Kom dan haastig, mijn Beschermer! Spoed U t' mijwaarts, mijn Ontfermer! Mijn Verlosser, wacht niet meer, Gij, Gij leeft nog, zalig Heer! 4. Heer, mijn Herder en mijn Voeder! Trouwe Bondgod, mijn Behoeder! Weid en voed en hoed Gij mij, Dat ik eeuwig d' uwe zij Ai! Gij kunt mij niet begeven,' k Zucht naar U toch al mijn leven; Zoek niet van mij heen te gaan, U kleef ik geloovig aan. Troost in' t Lijden. 125. LIE D. ch! hoe zal ik zondaar' t maken? Wat is' t best voor mij gedaan? Mijn' geweten klaagt mij aan, Het begint nu op te waken; Dit' s mijn troost, die nooit ontvliedt: Ik verlaat mijn Jezus niet. + bguony Y 4 2. 330 125. LI IJE D. 2. Dikwijls hebben mijne zonden Mijnen Jezus zwaar doorgriefd,' k Weet nogtans, dat Hij mij lieft; ' k Heb Hem door zijn' gunst gevonden, Al baart mij mijn schuld verdriet; Ik verlaat mijn Jezus niet. 3. Schoon een storm van tegenheden, Die Gods volk te wachten staat, Tegen mij aan' t woeden slaat, Tot Hem rigt ik mijne schreden; Jezus in mijn so ziel gebiedt, Ik verlaat mijn' Jezus niet. 4.' k Weet wel, dat ons gansche leven Enkel damp en nevel is, Dat w' elk oogenblik gewis Zijn met doodsgevaar omgeven; En wie weet, wat straks as geschied? Ik verlaat mijn' Jezus niet. 5. Komt de dood mij ijlings halen,' k Wordt bevrijd van ongeneugt;' k Rust en wacht op' s hemels vreugd, 125. LIE.D. vreugd;' k Weet, dat Jezus zijne stralen, In mijn donk're grafstee schiet; Ik verlaat mijn Jezus niet. 6.' k Zal door zijne kracht herleven, Hij zal $ mij de zaligheid, Die Hij mij heeft toegezeid, Op zijn' tijd genadig geven; Schoon, mijn oog eerst ' t oordeel ziet; Ik verlaat mijn' Jezus niet. 7.' k Zal aan U standvastig kleven, Tot ik aanland in dien oord, Daar men gaat door' s hemelspoort. Laat uw licht zijn stralen geven, In mijn' ziel uw heil gebiedt; Ik verlaat mijn' Jezus niet. Troost tegen den smaad en de verachting der Wereld. LIED. 126. Mosbogen foort bis Wijze: Lied 5. 括 支 331 alt mij dan nog meer uit te staan? O Jezus! moet ik met U gaan, Langs dezen weg, dien Gij woudt treên, Zoo vol van kruis en tegenheên? Help mij dan draY 5 gen, 332 126. LIED. gen, help in nood, Op dat ik leef zelfs in den dood. 2.' t Is ijdelheid, al wat men ziet; De mensch let op het einde niet; Hij leeft gerust, hoewel de tijd Elk oogenblik daar henen glijdt; De Zondaar is helaas! zoo blind, Dat hij in' t kwaad zijn' wellust vindt. 3. O valsche vreugd! ga heen,' t genot, Van U is mij ' t onzaligst lot, O valsche lof! verkeerde lust! Ik ben van beter' lof bewust; Schoon die op aard' in schand en smaad, In haat en bit'tren nijd bestaat. 4. Dit is altijd het deel geweest, Van hem, die waarlijk God gevreesd, En d'eeuwigheid heeft nagedacht; Die steeds met ijver heeft getracht, Om' t beeld van Jezus, zijnen Heer, Staag te vertoonen meer en meer. 5. Wel aan, mijn' ziel! stel u dit voor! Dit is het regte 126. LIED. 333 regte deugdenspoor; Gij moet van ieder zijn gehaat, Die u vijandig tegengaat Niet slechts, maar zelfs uw naaste bloed, Verwijdert u van' t hoogste Goed. 6. Nu dan, mijn' ziel! wil rustig treên Door doornen en door distels heen; Uw Heiland ging u lijdzaam voor, Hij stierf voor u, kom volg dit spoor! Vaar voort dan wereld! haat mij vrij, Zoo lang' t u welgevallig zij. Troostlied wegens de overwinning van al het Lijden. 127. LIED. Stone W blowize: Psalm 42. Toob oil bloo 1 mijn zorgen, angst en plagen Worden eind'lijk, 將 自 afgewend; Al dat zuchten, al dat klagen, Dat mijn Heer alleen maar kent, Zal, God lof! niet eeuwig zijn, Neen, een stage zonneschijn, Zal eens na dien regen blikken, En mijn' matten geest verkwikken. 2.' t Zaad, dat ik in droefheid zaaide, Zal ik vrolijk op 334 127. LIED. op zien gaan; Hij, die eerst de distels maaide, Mag zich met de vrucht verzaân! Als het onweer is bedaard, Is de lucht weer opgeklaard, Na het kampen, na het strijden, Komen weder vreugde tijden. 3. Als men rozen af wil breken, Voelt men billijk ook met een, Dat de doorentjes wat steken, Weest maar met Gods wil te vreên: Hij heeft ons een' loon gesteld, Die door strijden met geweld, Wordt verkregen, Zegepralen Moet men, wil men dien behalen. 妻 4. Onze weg loopt naar de starren, Maar men vindt er kruisen staan; Laat u dit maar niet verwarren, Schoon gij vaak door bloed moet gaan. Strijd op strijd is u bereid, Op den weg naar d'eeuwigheid; Die in Salems muren wonen, Toonen hunne doorne kroonen. 5. 127. LIED. 335 5. En voorzeker! alle vromen, Stonden vele smart ten doel, Eer z' in Sion zijn gekomen; Hierom staan zij voor den stoel; Van het Lam voor Godes troon, Pronkend' met een' eere kroon, Daar hen groene PETE palmen sieren, Wijl zij mogten zegevieren. 6. Niets kan Gods besluit verbreken, Het bestaat YEN in eeuwigheid; Hun, die strijdend niet bezweken, Is de zaligheid bereid. Israël werd eerst verblijd, Met den zegen na den strijd; Kanaän werd niet betreden, Eer de oorlog was volstreden. 7. Draag uw' banden, wil dan strijden, O mijn' ziel! blijf moedig staan; God zal u gewis bevrijden,' t Onweer is wel ras gedaan: Op een' fellen donderslag Volgt een aangename dag, Op den avond volgt t 336 197. LIED. volgt de morgen, Vreugde volgt op angstig zorgen. C. Bidlied in Oorlogstijden. 128. LIED. doch nol Wijze: Psalm 42, Geef,& God! het land den vrede, Daar Gij hebt uw woord geplant, Deel ons heil en voorspoed mede, Zegen ons aan allen kant. Demp het blakend oorlogsvuur, Schenk ons vreê, die eeuwig duur; Geef, dat wij standvastig strijden, En uw woord gerust belijden. 2. Doe uw Kerk den vreê beërven, Die U voor haar' Koning houdt, Die alleen op' s Heilands sterven Hare heilverwachting bouwt. Blijf Gij onze burg en rots, Breek der volk'ren magt en trots, Die uw volk en Kerk bestrijden, Dek ons, Heer! aan alle zijden. 3. Heer! schenk vreed' in alle streken, Daar uw woord zich heeft verspreid, Laat dat nimmer ons ont 128. LI E D. 337 ontbreken; Dus wordt toch uw lof verbreid. Stuit de dwaalleer, die de kracht Van uw Godlijk woord veracht; Laat uw' waarheid ons verlichten, En uw woord uw' kind'ren stichten. 4. Heer! geef vreed' in onze tijden, Dat uw erf niet nederstort'! Gij, ô God! moet voor ons strijden, Menschen magt schiet veel te kort. Jezus Christus! Die altijd, Onze Vorst en Veldheer zijt, Strijd voor ons, uw bondgenooten, Wil den vijand nederstooten. 5. Geef den vreê, spaar onze landen, Zie hoe fel de vijand woedt; Zie hem moorden, plund'ren, branden, Hoor der zuigelingen bloed, Dat om wraak ten hemel schreit; Toon, Heer! uw regtvaardigheid, Doe den vijand voor die plagen, 338 128. LIED. gen Zijn verdiende straffe dragen. londine 6. Schenk ons, Heer! den vreê van boven, Die geen booze wereld geeft, Wijl z' om eer en goed te rooven, Steeds in krijg en onrust leeft. Vredevorst! genadig Heer! Geef G' aan ons den vrede weer, U, U zullen w' eer bewijzen, En uw' alind) ansol Naam in vrede prijzen.smetons D. Biddend Gezang in tijden van pest en doodelijke krankheden. 129. LIED. astostarobon booty Wijze: Lied 68. R egtvaardig God, wij klagen U, Dat onze booze daden De red'nen zijn, waarom wij nu Met straffen zijn beladen; Waarom het pestvuur hevig brandt, En wij, helaas! aan allen kant Dien fellen gloed gevoelen. 2. Uw wraakvuur woedt op ons al voort, En blijft ons Y 129. LIED. 339 ons steeds verteren, Wijl wij nog weig'ren naar uw woord, Opregt ons te bekeeren. Wij hadden lang geen' lust daaraan, En daarom zien w' ons nu versmaân, Van hen, die ons aanschouwen. 3. Men hoort in menig huis geween, De lucht weergalmt van klagen, Men draagt bij hoopen lijken heen, Als waren zij verslagen; De pest, dat dood'lijk gift, ô schrik! Treft velen in een' oogenblik; Geneeskunst staat verlegen. 4. Wij komen dus tot U, ô Heer! W' erkennen onze zonden. Wij vallen voor uw voeten neêr: 0 Arts! heel onze wonden. Weer Gij de plagen van ons af; Geef ons gena, ô God! bestraf, Bestraf den slaanden engel. Z 5. 340 129. L I E D. 5. Dat ons uw' gunst, ô Heer! behoedt, Laat ons voor U nog leven, Zij Gij ons deel, eenig goed, Wil ons gezondheid geven. Lief ons als d'appel van uw oog, Dat ons uw heil verzellen moog, Op dat wij zeker blijven. 6. Beveel uw' englen, dat z' ons voort Op hunne handen dragen, Dan wandlen wij hier onge stoord, Dan zijn wij vrij van plagen. Bewaar ons voor gevaar en nood, Hoed ons voor een zoo snellen dood, Ons, die op U vertrouwen. 7. Doch is het, Heer, uw vrije wil, Dat wij ## ons van d' aarde scheiden, Geef dan, dat wij gelaten, stil, Ons tot dien stap bereiden, En heengaan met verheugden zin; Het sterven is ons toch gewin, Ons 129. LIED. 341 Ons, die uw heil verwachten. 8. Hem, die den Heiland, aan het hout, Op Golgotha geslagen, Met een geloovig oog beschouwt, Zal het vergiftig knagen Der schuifelende slang niet schaân, Wijl God zijn' schuld heeft uitgedaan; Hij leeft, al moet hij sterven. 9.' t Is ver het best, om vroeg en spâ, In' s Heeren hand te vallen, Hij is bereid, om zijn gena, Te schenken aan ons allen. Maar wee hem! die in' s menschen hand Zich stelt, hij vindt geen' onderstand, Hij vindt' er geen ontferming. 10. Nu Vader! doe, zoo' t U behaagt, Wij willen,' t overgeven; Die' t al toch aan U overdraagt, Hoeft in geen' zorg te leven. Een kleine musch Z 2 is 342 129. LIED. is weinig waard, En nogtans valt die niet op aard, Zoo Gij' t niet wilt gehengen. 11. Gij hebt ons hoofdhaar zelfs geteld: Wie zou BET U niet vereeren? Al wat uw raad heeft vastgesteld, Moet ons ten besten keeren. Gij zult uw' kindren, klein of groot, Hun levenlang tot in den dood, Het best' en zaligst' schenken. 12. Sta hun, ô Heer! genadig bij, Die reeds door smert versmachten, Dat' t waar geloof toch bij hen zij; Laat hen dan lijdzaam wachten Op U ge nâ, die hen gewis, Verlossen zal van droefenis, Wat hen dan ook mag drukken. 13. God vader, Zoon, en Heil'ge Geest! Die Gij van alle tijden, Een sterkt' en toevlugt zijt ge 129, LIE D. 343 geweest, In' t allerbitterst lijden, Help ons ook uit barmhartigheid, Op dat uw lof hier zij verbreid, Voor al uw' gunstbewijzen. Biddendlied, om Vrede, goed Weder, Regen en Zonneschijn. 130. LIED, Wijze: Lied 31. In Vader aller vromen! Uw Naam ontvang steeds E eer; Geef dat uw rijk moog komen; Uw wil geschied', Heer! Geef brood; vergeef de zonden; Weer af verzoekingsstonden; Red ons van' s boozen magt. 2. Geef' t land uw' gunst te smaken, En maak' t geploegde nat; Wil' t week en vruchtbaar maken Uit uwen waterschat, Op dat het vrucht moog geven Tot nooddruft voor dit leven; Wij zullen dankbaar zijn. 3. Schiet warme zonnestralen Op' t zwanger aardrijk neer; Doe geenen regen dalen, Die onze Z 3 vruch 344 130. LIED. vruchten deer', Op dat w' ons mogen laven, En U voor uwe gaven, Den lof betalen, Heer! 4. O Heer! wil voor ons waken; Zij ons een vaste muur, Wanneer de donders kraken, Als' t gloeit van bliksemvuur; Wil ons uw' gunst vereeren, Laat ons uw vuur niet deren, Wend' t onweer van ons af. 5. O God, geef uit genade, Den vreed' in onzen tijd; Dat ons geen vijand schade, Verjaag hem uit den strijd. Versmeed de felle klingen Ten dienst der veldelingen; Beschut uw' Kerk, ô Heer! GEES GEESTELIJKE LIEDEREN. ZESDE DEEL. 345 BEVATTENDE MORGEN- EN AVOND- GEZANGEN. I. Dank- en Bidliederen des Morgens. 131. LIED. Wijze: Lied 120. k zal uw trouw verhalen In dezen morgenstond, Ja!' k zal U steeds betalen Mijn dank met hart en mond; O God, voor uwen troon, Mijn' ziel U staag vereere Door Jezus onzen Heere, Uw' eengeboren Zoon! 2. Wijl Gij mij uit genade In den verloopen nacht, Voor ziels- en ligchaamsschade Bewaard hebt door Wil uw' magt,' k Val smeekend voor U neer, mij mijn' schuld vergeven, Waardoor ik al mijn Z4 le 346 131. LIED. leven U heb vertoorend, Heer! 3. Wil uit gena' t zoo schikken, Dat ik blijf dezen dag, Bevrijd van snoode strikken, Van smaad en wangedrag, Van vuur en watersnood, Van armoed' en van schanden, Van boeijen en van banden, En een te snellen dood. 4. Bewaar mijn' ziel, mijn leven, Mijn lijf, mijn goed en eer:' k Wil' t in uw' handen geven, Nu en voor altijd, Heer!' t Geen' k door uw' gunst geniet, Mijn overheên en magen, En die mij vriendschap dragen, Al wat mijn oog hier ziet. 5. Laat mij uw engel hoeden, Al waar ik ga of sta: Hij stuite' s duivels woeden, Dat mij geen vijand schaa Of in dit jammerdal, Mij doe zijn magt beproeven, Of moog 131. LI E D. GF 347 moog mijn' Ziel bedroeven, Of immer breng' ten val. 6.' k Wil stil in God verblijven, Door Wien het al bestaat, Hij zegen' mijn' bedrijven, Mijn overleg en raad. In Hem berust ik stil, Met lijf, met ziel en leven, En wat Hij mij moog geven, Doe Hij naar zijnen wil! 7. Hier op zeg ik dan, amen! Ik twijfel niet, de Heer Zal al mijn' zaken t' zamen, Uitrigten tot zijn' eer; Des strek ik uit mijn' hand, Met vreugd, en zal verrigten, Naar' s Heeren wil de pligten, Van mijn beroep en stand. 132. LIED. Wijze: Lied 37. od Drieëenig! alle dingen Worden van U voortgebragt: Zons- en maans- verwisselingen, Nacht en dag zijn door uw' magt; En door uwe sterke Z 5 hand 348 132. LIED. hand, Houdt Gij' t alles in zijn stand. 2. U zij dank, die mij genadig Hebt in dezen nacht gespaard, En mijn leven zoo weldadig Hebt voor ongeval bewaard, Dat des vijands snood ge weld, Mij niet heeft ter neêr geveld! 3. Laat de nacht van mijne zonden, Ook met dezen nacht vergaan. Laten uwe dierbre wonden, O mijn Heiland! openstaan; Daar toch kan ik hulp en raad, Vinden in mijn jammerstaat. 4. Geef, dat ik met dezen morgen Geestelijk Leer mij voor mijn' ziele zorgen, herleven mag; Op dat in dien grooten dag, Als Gij' t oordeel houden zult, Ik niet zij met schrik vervuld. 5. Leid mij, Heer! en stuur mijn gangen Naar uw woord 132. LIED. 349 woord in' t regte spoor; Laat mij op deez' dag ontvangen Uwe gunst, en ga mij voor; Gij ô Heer! ja Gij alleen, Dekt mij voor de tegenheên. 6.' k Geef mijn lijf en zielsvermogen,' k Geef mijn' zinnen en verstand Aan U over, sla uw' oogen Op mij neer, reik mij de hand. Zij mijn schild, mijn roem en lot, Maak m' uw eigendom, ô God! 7. Wil aan mij uw' engel zenden, Laat hem' s vijands booze magt, List en aanslag van mij wenden, Voor mij houden ook de wacht: Neem mij, naar uw' raad geleid, Op in hemelheerlijkheid: 8. Wil mijn nedrig smeeken hooren, Zalig en Driečenig God! Neig naar mijn gebed uw' ooren, ' k Roep U aan naar uw gebod; Zoo meld ik, met rui 350 0 132. LIED. ruime stof, Hier en namaals uwen lof. De opwakende Christen. 133. LIED. Wijze: Psalm 140. p, op mijn' ziel! naar uw Ontfermer, Uw Rots en Burg in tegenheen! Beveel U vroeg aan dien Beschermer, Door wien uw vijand is vertreên. 2. Mijn goed, voor alle ding te stellen, Mijn hulp, Jehova Sebaoth! Ik zal uw lof alom vertellen, O Gij bevredigt zondaars God! 3. Ik heb aan uw' goedgunstigheden, Te danken, dat ik' t licht geniet. Bevestig, Gij o Heer! mijn' schreden, Blijf bij mij in mijn zielsverdriet. 4. Gij weet mijn doen, ja mijn gedachten Zijn U bekend, Gij weet wie' k zij; Bij mijn ontwaken alle nachten, Ben ik bij U, Gij zijt bij mij. 5. 133. L I E D. 0 351 5. Ik lei mij voor uw aanschijn neder, Als mij de slaaplust overviel: Gij zelf ontsluit mijn' oogen weder; O zoete rust van mijne ziel! 6. Waak op mijn hart, waak op mijn zinnen, Zijt lustig wilt op dezen dag Met vreugd een nieuwen zang beginnen, Tot lof van Hem, Die' t al vermag. Een Christen zingende in den morgenstond. 134. LIED. Wijze: Psalm 5. God, die slaat het menschdom gade, 0 onbegrijp'lijk hoogste Goed! U, U, wijd ik mijn gansch gemoed, Prijst Hem met mij, Die met genade, Ons hart verzaadde! 2.' k Heb aan uw' kracht gansch toeteschrijven, Dat ik mijn adem nog voel gaan; Gij trekt U mijner gunstig, aan, 0 Vader wil mij niet verdrij 352 134. LIED. drijven, Maar bij mij blijven. 3. U Isrêls Heer! is' t niet verborgen, Ik onderwerp aan U mijn' zin; U, U alleen ik teeder min', Dit wensch ik in den vroegen morgen, Wil voor mij zorgen. 4. Laat mij uw aanschijn heilig leiden, Uw oog sla mij gedurig ga, Het zij ik reis of zit of sta, Wil mij ter eeuwigheid bereiden, Voor mijn verscheiden. 5. Laat ziel en lijf, door u gegeven, In uwe vrees steeds zijn bereid, Als wapens der geregtigheid, En in den dood nog aan U kleven, O zieleleven! 6. Och zegen' mij op mijne wegen! In' t geen doen of laten zal; Zij Gij mijn rust in ongeval, Tot ik mijn einde heb gekregen In vreed' en zegen. ik -197 fotgan liwtober 0 Het Het Morgenoffer van eene geloovige Ziel. 135. LIED. Wijze: Psalm 77. 353 Wil, mijn' ziel! de Godheid prijzen, Wil uw PREZ Schepper dank bewijzen, Wijl Hij snoode list en magt, Van u weerde dezen nacht.' k Zal ô God! met blijde klanken, U voor uwe goedheid danken, En in dezen morgenstond, U verheffen met mijn' mond. 2. U, ô God van alle Goden! Mijn verlosser uit mijn' nooden! Mijn Ontfermer in verdriet! Loof ik met dit morgenlied; Wijl Gij woudt mijn lijf en leven, In der Eng'len hoede geven, En mij uit den duistren nacht Hebt gezond in' t licht gebragt. 3. Wij zijn arme stervelingen, Die zoo menig kwaad begingen. Nogtans schenkt G' aan ons gemoed Zoo veel heil en zalig goed. Laat ons dan uw' goedheid roe 354 135. # LIED. roemen, En U onzen Vader noemen, Die de zijnen nooit verlaat, Wier vertrouwen op Hem staat. 4. Zie niet' t geen ik heb misdreven, Wil mij al mijn schuld vergeven, Denk de mensch is onbekwaam, Denk dat, Vader! is uw naam! Vader, wil uw kind vergeven,' t Geen het heeft zoo snood bedreven, Mijne zonde prangt mij zeer, Toon mij uw' genade, Heer! 5. Kan' k mijn schulden niet betalen, Niets stelt uw genade palen.' k Neem, ô Heer! uw grooten Zoon Tot mijn' voorspraak bij den troon, Hij wou door zijn bloed mij koopen En in zijnen dood mij doopen, Jezus heilgeregtigheên Zijn mijn losgeld maar alleen. 06. Doe m'uw' Geest met kracht ontvangen, Zoo zal ik een' schrik erlangen Van al ongeregtigheid; Dan ben ' k tot 135. LIED. 355 ' k tot uw' dienst bereid. Doe mij Christ'lijk moedig strijden, En den lust van' t vleesch besnijden, Dat na' t einde van den strijd Mij het eeuwig heil verblijdt. 7. Sterk mij, Heer! in het geloove, Op dat nooit de Satan roove Uwen troost uit mijne ziel, Zoo de smart mij overviel. Laat mij nooit in naauwe strikken, Hoogste Goedheid! gansch verstikken; Wil ter regter tijd mijn druk Doen verwiss'len in geluk. 8. Laat mij toch in vrede leven, Dat ik moge gaarn vergeven Aan mijn' naasten al zijn' schuld, Wijl Gij hebt met mij geduld. Wil mij medelijden schenken, Om der armen te gedenken; Liefde, hoop en nedrigheid; Zoo dat niemand door mij schreit. 9. Mijne ziel, mijn lijf en leven, Allen dien uw' A a raad 356 135. LIED. raad wou geven, Deelgenootschap aan mijn bloed, Allen, die in hun gemoed, Mij beminnen, ja die allen, Die mij wrev'lig overvallen, Wensch ik, dat uw' gunst behoedt; Ja; Heer! doe ons allen goed. 10. Geef het ligchaam spijs en kleêren: Wil de krankheid van ons weren; Doch is' t anders naar uw' wil, ' k Geef het op en houd mij stil. Gij zult Heer! in alle zaken, Alles mij ten besten maken, Doen het geen mij nuttig zij; In uw' hand beveel ik mij. II. Lof- en Bidliederen des Avonds. 136. LIED. Wijze: Psalm 100. 0 Christus, helder middaglicht! Wij zijn ontdekt aan uw gezigt, Uw licht en vaderlijke schijn, Leer in het waarheidsspoor ons zijn. RESERVEREN 2. Laat uwe goddelijke magt, Ons overdekken de 136. LIED. 357 dezen nacht; Dat uwe goedheid van ons weer Al wat ons schaden zou, ô Heer! 3. Geen zware slaap sluit ons het oog, Dat ons geen vijand schaden moog'; Bewaar ons vleesch van vuilen lust, Op dat geen' zorg de ziel ontrust! 4. Wanneer de slaap ons oogen dekt, Ai! maak ons hart dan opgewekt, Bescherm ons door uw' regte hand, Ontsla ons van der zondenband. 5. Beschermer, Heer der Christenheid! Uw bijstand zij ons steeds bereid; Help ons, ô God! uit allen nood, Door uw' geregtigheid en dood. 6. Gedenk aan ons in zwaren tijd, Sta bij ons in gevaar en strijd; Hun, dien uw bloed heeft heil bereid, Zij nooit, ô Heer! uw troost ontzeid. A a 2 7. 358 136. LIED. 0 7. Men looft den Vader en den Zoon, In eeuwigheid op hoogen toon, Dat nimmer de weldadigheid, Des Heil'gen Geestes van ons scheidt. 137. LIED. p mijn geest, gij moet ontwaken!' t Lust mij tot den troon te gaan, Om Gods Naam nu groot te maken, Voor het goed' aan mij gedaan; Wijl Hij mij door zijne hand Voor bedroefdheid, schå, en schand, En voor velerlei gevaren Wou den ganschen dag bewaren. 2.' k Zal uw' lof alom doen hooren, Vader der barmhartigheid! Wijl geen onheil mij kon storen In het werk, mij opgeleid; Wijl uw' goedheid mijn gemoed, Heeft voor menig kwaad behoed, En mijn vij 137. LIED. 359 vijand wou verjagen, Zoo dat' k vrij ben van zijn' slagen. 3. Zou een' menschentong verhalen, Uwe liefd' en wonderkracht? Neen! geen stervling kan beWat uw' hand te wege bragt.' t Goed, palen, daar Gij mij meê verzaad', Is ver boven tal of maat; Gij woudt mij uw' hulp zoo schenken, Dat geen onheil mij kon krenken. 4.' t Daglicht wijkt van' s hemels transen, Wijl de nacht het aardrijk dekt;' k Wacht op U, Heer! door uw' glansen, Wordt mijn' ziel weer opgewekt. Sta mij toch, ô Vader bij, Dat uw licht steeds voor mij zij, En in' t duister mij moog leiden; ' k Wil alleen uw' hulp verbeiden. 5. Heer! vergeef mij al mijn' zonden, Toon mij uw A a 3 barm 360 137. LIE D. barmhartigheid, Want zij slaan mijn' ziel met wonden, Kwetsen uwe Majesteit. Drijf des Satans list en magt, Rugwaarts, door uw' sterke kracht; Nimmer moet het hem gelukken, Dat hij mij in nood doe bukken. 6. Schoon ik ben van U geweken,' k Stel mij voor uw aanschijn bloot;' t Bloed uw' s Zoons zal voor mij spreken,' k Heb vergiff'nis door zijn' dood.' k Loochen mijne schulden niet, Maar de gunst, die Gij mij biedt, Is veel grooter, dan de zonden, Die Gij in mij hebt bevonden. 7. Flonkerlicht der eeuwigheden! Glans die' t vrome volk verblijdt!' k Zoek uw' hulp door mijn' gebeden, In dees nacht en t'aller tijd: Blijf bij mij, zoo lang ik zal, Wand'len in dit duister dal; Laat uw' liefde mij 137. LIED. 361 mij verzellen, Zoo zal mij geen' ramp ontstellen. 8. Laat mij, God! in Satans netten, Nimmer hangen vast verward; Laat hij nimmer mij verpletten, Of belaån met angst en smart. Laat mij U, ô zuiver Licht! Nooit verliezen uit' t gezigt, Wie toch leeft in uw nabijheid, Die geniet van smarten vrijheid. 9. Als mijn daag'lijks werk zal maken, Dat slaapzuchtig wordt mijn oog, Geef dan, dat mijn hart moog waken, En gerigt moog zijn omhoog. Mijn' gedachten doe geheel, Zijn gestrekt naar U, mijn deel! Dat mij niets van u afdrijve, Dat ik slapend d' uwe blijve. 10. Dat een zachte rust mijn leden In dees nacht herleven doe; Weer van mij toch moeilijkheden, Uw' genade dekk' mij toe. Dat mijn' ziel en mijn geA a 4 moed, 362 137. LIED. moed, Dat mijn lijf en tijdlijk goed, Vrienden, gen, huisgenooten, In uw opzigt zijn besloten. 11. Laat geen' schrikken mij genaken, Hoed mij, Heer! voor overval, Doe mij niet door ziekt' ontwaken, Weer het ijs'lijk krijgsgeschal, Vuur en hoogen watersnood, Pest en al te snellen dood, Laat mij niet in zonden sterven, En naar lijf en ziel verderven. 12. Och verhoor, o Heer der Heeren! Hoor het smeeken van uw kind. Jezus! dien ik steeds zal eeren, Blijf mijn Schutsheer, Raad en Vriend. Heilge Geest! ai! zij mij goed; Sterk Gij toch mijn zwak gemoed. Och! neem dit gebed ter 00ren:' t Zij zoo, ja Gij zult mij hooren. * +* 1 ma138 363 4381 138. LIED. Wijze: Lied 37. ' kal U hartlijk dank betalen, Wijl Gij, Heer! mij hebt behoed, Dat geen' ziels- of ligchaamskwalen, Kommer, angst of tegenspoed, Mij in dezen ganschen dag, Oorzaak gaven tot geklag. 2. Och! als' k eens ga overwegen, Wat ik heden heb bestaan, En ik reken eens daartegen, Wat de Heer mij heeft gedaan, Met wat liefd' en teederheid Zijne gunst mij heeft geleid: 3. Dan kan' k U naar eisch niet prijzen, O mijn God, mijn burg en rots! Welk een' dank zal ik bewijzen, Dat Gij van des duivels trots, En uit ' s werelds listig net, Hebt mijn lijf en ziel gered? 4. Dat mij nog zijn bij gebleven Mijn geheugen A a 5 en 364 138. LIED. en verstand; Dat ik frisch mij mogt begeven Tot het werk van mijne hand, Dat ik nog mijn oor en oog, Ongekrenkt gebruiken moog. 5. Dat Gij mij en al de mijnen, Hebt naar lijf en ziel gevoed, Mij woudt met uw oog beschijnen; 0 wat is' t een heerlijk goed, Dat Gij uwe trouw, ô Heer! Mij betoond hebt meer en meer! 6. Uwe liefde nooit te peilen, Schonk m' ô Jezus! al dat goed; Dat uw Geest mij hoedt voor feilen! Zijne kracht bestuur mijn' voet. Tot' k aan' t einde mijner paân, Mag ten Hemel binnen gaan. 7. Zal ik dan nog langer leven, Naar uw' vastgestelden raad, Laat ik steeds aan U toch kleven, Onafscheidbaar vroeg en spaad. Leef ik dan zoo zijt 138. L 1 E D. D zijt Gij mijn, Sterf ik,' k zal dan d' uwe zijn. 8. Wil m'ô Heer! intusschen schenken, Uwe liefd' in dezen nacht; Wil mijn' zonden niet gedenken, Breek des vijands booze magt; Dat hij mij niet schaad' of stoor, Wijl ik u toch toebehoor. 9. Och! laat toch uw Engel waken, Heer! ter mijner veiligheid; Laat in' t midden mijner zaken, Ik tot sterven zijn bereid; Zoo slaap ik van zorg bevrijd, Tot mij' t morgenlicht verblijd'. 139. LIED. leb jim Wijze: Psalm 8. bos }}}<< 365 e dag is heen, bij mij, ô Jezus, blijve! O Zie*** lelicht! der zonden nacht verdrijve; Och, dat uw glans, ô Heilzon! mij verblijd'; Verlicht mijn' ziel, o Heer!' t is meer dan tijd, 2. 366 139. LIED. 2. U zeg ik dank, mijn God! in al mijn' we日本 全国 gen, In al mijn doen schonkt Gij mij uwen zegen; Uw wil, o Heer! schoon ik dien niet versta, Is altoos regt, het ga dan hoe het ga. 3. Dit maar alleen, dit maakt mij nog ellendig, Dat ik in' t goed zoo vaak ben onbestendig: Dit weet Gij wel, Gij, die de nieren proeft, Ik struikel als een kind, dat hulp behoeft. 4. Vergeef mij' t kwaad, in mijne ziel verholen, De wereld, zond' en duivel doet mij dolen; Ik heb berouw, daar is mijn hand, ô Heer! Zijt Gij we de mijn', zoo ben ik d' uwe weer! 5. O Isrêls heil! mijn Herder! mijn Ontfermer! Gord aan uw zwaard, mijn Trooster! mijn Bescher 139. L 1 E D. 367 schermer! Bewaar mij door uw' onverwinbre magt, Als Belial op mijne ziel maakt jagt. 6. Al rusten wij, geen slaap kan U bevangen; Laat in den slaap mijn' ziel het goed' erlangen, Och, dat uw licht, ô Heilzon! mij omscheen!' k Verlaat U niet, mijn Rots! de dag is heen. GEESTELIJKE LIEDEREN. ZEVENDE DEEL. Van de laatste Dingen, den Dood, de Opstanding en Eeuwigheid. I. STERF- EN BEGRAFENIS- LIEDEREN. A. De bij de overdenking der sterflijkheid op CHRISTUS Verdiensten Betrouwende. doo 140. LIED. ' k Beveel mijn' zaak den hoogen God, Zijn raad alleen bepaal mijn lot; Zoo Hij mijn leven rekken wil, Ik 368 140. LIED. Ik houd mij stil, En treed' met God niet in geschil. 2. Hij heeft mijn levenstijd geteld, Hem zij door mij geen perk gesteld; Mijn' haren zijn geteld, ja geen, ' t Zij groot of kleen, Valt zonder zijnen wil daar heen. 3. De wereld is een tranendal, Angst, nood en droef'nis overal; Wij zijn hier wel een' korten tijd, Maar wijd en zijd, Zijn wij gestaag in nood en strijd. 4. Wat is de mensch? een aardenkluit; Naakt komt hij' s moeders ligchaam uit; Hij brengt niets meê van goed of geld, Ligt hij geveld, Hij wordt berooid in' t graf gesteld. 5. Hier baat geen rijkdom, geld noch goed, Geen' kunst, geen' gunst, geen dappre moed; De dood wordt door geen heilzaam kruid, O mensch! gestuit, 140. I IE D. ## 369 stuit, Wij allen zijn hem zekre buit. pede 6. Nu zijn wij frisch, gezond en sterk, Maar straks dekt ons de donkre zerk; Nu zijn w' als rozen, blozend rood, Straks bleek en dood, Intusschen drukt ons angst en nood. 7. Men volgt elkaar ter grafsteê' in; Zij zijn uit ' t oog en uit den zin;' t Zij oud en grijs, of jong en frisch, De duisternis Bedekt ons eer, hoe groot die is. 8. Heer! leer ons denken vroeg en laat, Dat ons de dood te wachten staat, Wiens schicht, hoe schoon wij staan te prijk, Hoe wijs, hoe rijk, Hoe jong wij zijn, elk velt in' t slijk. 9. De zonde bragt, Getrouwe God! Op ieder" mensch dit bitter lot! De dood velt ieder menschen 370 140. LIED. schenkind, Waar' t zich bevindt, Hij vraagt naar eer noch staatsbewind. 10.' k Heb weinig vreugd hier dag aan dag, Ik eet mijn brood steeds met geklag, Wil God, dat ik van d' aarde scheid', Ik ben bereid; De dood is toch mijn' zaligheid. no 11. En schoon mijn' schuld mij baart verdriet, す Ik wankel in mijn' hope niet: Ik weet, dat mijn getrouwe Heer, Zijn Zoon wel eer Zond tot mijn heil op aarde neêr. 12. Mijn Jezus heeft mij door zijn' dood Van schuld bevrijd, gered uit nood; Zijn opstaan is mijn' ziele goed, Zijn dierbaar bloed, Heeft uitgebluscht den helschen gloed. 13. 140. LIED. 371 13. Hem leef en sterf ik eeuwiglijk. Wijl' k door den dood niet van hem wijk.' k Betrouw in leven en in dood, In angst en nood, Hem, die alleen mij bijstand bood. 14. Dit is de troost, dien ik geniet, In kruis, gevaar, en zielsverdriet, Dat ik gerust den jongsten dag Verwachten mag, Om op te staan vrij van geklag. 15. Mijn God bewaart na mijnen dood, Mijn beenderen in' s aardrijks school. O Ja!' t gaat zeker, dat geen een,' t Zij groot of kleen, Ver1o loren gaat in eeuwigheên. 16. Dan zal ik' s Heeren aangezigt Aanschouwen in het helder licht, Als Hij mij in de vreugde leidt, Mij toebereid; Hem zij de lof in eeuwigheid. Bb # 17. 372 140. LIED. 17. O Jezus Christus!' s Hoogsten Zoon, Die ons verwierf de gloriekroon. Geef mij verzoening door uw' dood: Alleen uw schoot, Strekt mij een schuilplaats in den nood. 18.' t Zij zoo! getrouwe God! gun mij, Dat toch mijn einde zalig zij! Geef, dat wij rijzend uit het stof, In' t Hemelhof, Eens met u leven tot uw' lof! Een Christen die zijne Dagen telt. 141. LIED. 1941 Op vorige wijze. Hoe oe ijlt de mensch met vlugge schreên, Naar een ontzagg'lijk Eeuwig heen! Hoe weinig denkt men aan dien stond, Uit' s harten grond! Hoe an zwijgt hiervan de trage mond. 2. Het leven is gelijk een' droom, Als' tschuim van eenen snellen stroom, Dat slechts een' oogenblik bestaat, En 141. LIED. 373 En straks vergaat; Elk uur vertoont dit met der daad. 3. Maar Gij, mijn God!' k betrouw altijd, Op U, Gij blijft Die, die Gij zijt: Al stort dan berg en heuvel in, ' t Is mij gewin, Zoo' k slechts blijf smaken Jezus min. 4. Och! leer mij, die mijn beste weet, Zoo lang ik deze hut betreed', Dat ik mijn' dagen tell', en meer, Moog waken, Heer! Lang voor mijn' be doodsnik sterven leer'! ovolji 15. Wat baat de wereld in dien nood, Haar eer, haar rijkdom in den dood? Gij hebt, ô mensch! in schaduw lust; Wordt dies bewust, Of nimmer smaakt Gij ware rust. gibalap boo 6. Weg ijdelheid! der dwazen vreugd! Het hoogste Goed is mijn geneugt,' t Geen ik begeer is, dat alBb2 374 141. LIED. alleen,' t Gaat niet weer heen; Heer! trek mijn 000 bt hart hier van beneên. 7. Wat vreugd zal' t zijn, als u mijn oog, Zal zien voor uwen troon om hoog. Leer mij intusschen, Heer! dat ik, Elk oogenblik, Mij zelf, chom u te zoeken, schikk'. Een Christen, die naar de Eeuwigheid snelt. LIED. njim, 100 grs. Wijze: Psalm 84.OM 142. M₁ ijn leven is een vreemdlingsstand, Ik ben op reis naar' t Vaderland, Naar het Jeruzalem hier boven, Die stad, die God heeft vast gegrond, Op ' t bloed van' t eeuwig heilverbond; Daar zal' k mijn' God gestadig loven. Mijn leven is een vreemdlingschap, Naar' t Vaderland doe' k stap op stap. 2. Zoo ras' t geen ik aanschouw, zoo ras, En schich948 tig 142. LIED. 375 tig loopt mijn levensglas; Niets keert te rug, als ' t is vervloten, Ik ijle zoo naar d' eeuwigheid. 0 Jezus, maak mij toch bereid! Och! word' mijn oog door U ontsloten, Geef, dat ik' t aardsche draf veracht', En naar' t bestendig heilgoed tracht'. 3. Geen reis kan zonder moeite zijn, De levensweg baart ook wel pijn, Men wandelt niet langs rozendreven, De weg is eng, en hun getal, Is groot, die doelen op mijn' val;' k Moet vaak door scherpe doornen streven, Door dorre wildernissen gaan, Daar' k zelfs geen uitweg in kan slaan. 4. Hoe vaak verdwijnt voor mijn gezigt, Die Zon, door wier genadelicht, De ziel der vromen wordt beschenen; Vaak treft m' een regenbui en wind, Bb 3 Zoo 376 142. LIED. Zoo, dat mijn geest geen' stilte vindt; Maar al die smert is ras verdwenen, Wijl ik, wat leed mij ook gebeur', Mag staren op de hemeldeur. 5. 0 Gij, die Israël behoudt! En zelfs een vreemd'ling worden woudt, Toen Gij ons vleesch hebt aangenomen, Toon mij in' t woord uw gangen aan; Laat mij, hoe verder ik zal gaan, Steeds nader aan uw heilgoed komen. Mijn tijd vliegt heen, in bitt're smart, Kom herwaarts, troost' mijn treurend hart. 6. Geleid mij heilig door uw' Geest, Maak mij geduldig, onbevreesd, Laat mij niet wank'len in mijn schreden; Ik val gestadig, help mij dra; Trek mij, dan loop ik, Heer! U na; Zij Gij mijn schild in tegenheden, Geef, dat ik nooit in duisternis 5 攤 142. LIED. nis Het licht van uw' genade miss. 7. 0 Heilfontein, zoo groot van kracht! Wanneer mijn hart door dorst versmacht Laat mij dan lafenis ontvangen; En als mijn' ziel van' t ligchaam scheidt, Voer mij dan in de zaligheid, Daar strijd of ramp ons nooit zal prangen, Laat mij daar zijn in Abrams schoot, Uw lieveling en huisgenoot.enov 8. Ben ik dan hier in Mesegs tent, Der blinde boot wereld onbekend, Mijn echte vrienden zijn hier boven; Daar zal ik met die zaal'ge schaar, U, met geheiligd vreugdgebaar, Ten blijk van reine liefde loven. Mijn Bruidegom vertoef niet lang! ' t Valt mij in Kedars hutten bang, foot lens 377 Bb 4 ria' or 1907 B. 378 B. Zuchtingen om een zalig sterven. 143. LIED. ll ます 0 eguJezus, ware mensch en God! Die hebt verdragen pijn en spot, Ja zelfs aan' t kruishout zijt gedood, Op dat Gij' s Vaders gunst mij boodt. 2. Ik bid, om dees uw' bittre pijn, Wil mij, een' zondaar, gunstig zijn, Wanneer ik kom in stervensnood, En lig te worstlen met den dood. 3. Als mijn gezigt geheel vergaat, En' t oor geen enkel woord verstaat, Wanneer mijn spraaklid niet meer spreekt, En mij het hart door doodsangst breekt. 4. Als mijn verstand geen' kracht meer heeft, En menschen hulp mij gansch begeeft, Kom dan, ô Jezus! toch tot mij, Sta m' in mijn laatste tijdstip bij. 5. Voer m' uit dit dal, vol angst en nood; Verkort de 143. LI E D. -100W 379 de smarten van den dood, Verdrijf den boozen geest van mij; Uw Geest blijf mij gestadig bij. 6. Breekt eens de ziel en ligchaamsband, Ai neem mijn' geest dan in uw' hand! Dat toch mijn ligchaam rusten mag, In d' aarde tot den jongsten dag. 7. Geef, dat ik vrolijk op moog staan, Trek in' t gerigt mijn' zaak U aan; Gedenk niet aan mijn snood beleid, Schenk uit gena de zaligheid. 8. Gelijk Gij zegt met eigen mond, In' t woord, waar op mijn' hoop zich grondt: Voorwaar, voorwaar, ' k beloof aan hem, Die acht geeft op mijn wil en stem; 9. Hij komt door' t oordeel niet in nood, Hij blijft niet eeuwig in den dood, Wijl hij, schoon hij hier tijd'lijk sterft, Niet in het ak'lig graf verderft. Bb 5 10. 380 143. LIED. 10. Ik zal hem uit den ijz'ren band Des doods ver lossen met mijn' hand, Ik zal hem nemen in mijn en rijk, Op dat hij zij aan mij gelijk. 11. En eeuwig leef in vrolijkheid! Uw' gunst zij hier toe ons bereid, O Heer! vergeef ons onze schuld, En leer ons wachten met geduld. 12. Dat ons geloof blijf vast gegrond, Ja zelfs tot in den laatsten stond, En nimmer van uw' woorbeden wijk', Tot wij ontslapen zaliglijk. 144. LIED. W anneer mijn uur voorhanden is, Dat ik van hier zal scheiden, Wil dan in deze duisternis, O Jezus! mij geleiden.' k Beveel mijn' geest, dat dierbaar pand, Bij' t sterven, Heer! in uwe hand, Gij 144. LIED. 881 Gij zult dien wel bewaren. 2. Mijn' zonden doen mijn' ziele wee, Ik voel ' t geweten knagen; Zij zijn toch meer dan' t zand der zee,' k Zal echter niet versagen. Ik zal gedenken aan uw' dood, Aan' t bloed, dat uit uw' wonden vlood, Uw' striemen mij genezen.co 3.' k Ben een der leden van uw lijf, Dus troost ik mij van harte; Wijl ik aan U verbonden blijf, In doodsgevaar en smarte. Schoon ik dan sterven moet, geen nood! Ik sterf toch U, door uwen fastech dood, Ontvang ik' t eeuwig leven. Todell KEBERKE 4.' t Gaat vast, wijl Gij verrezen zijt, Zal ik ook eens herleven; Uw opstaan maakt mijn' ziel verblijd, Geen doodsangst doet haar beven; Dus ik 382 144. LIED. gerust van d'aarde vaar, Wijl' k eeuwig bij de Hemelschaar Met u vereend zal leven. 5. Zoo vaar ik naar mijn' Jezus heen, Naar Hem strek ik mijn' handen; Ik rust en slaap dan wel te vreên, Geen mensch breekt deze banden; Want Jezus min en gunstigheid Mij eens ten hemel binJegos nen leidt, Om eeuwig daar te leven. C. Troost tegen den Dood. apid nobnedrev 145. LIED.nd sy M ijn ziel wacht met verlangen Op een volzalig end, Wijl ik hier ben ontvangen, Met droefheid en ellend. Ik haak om maar te scheiden, Uit dezen zondestaat, Och Jezus! wil niet beiden; Naar u mijn hart uitgaat. 2. Wijl gij mij vrij woudt koopen, Van zonden, dood en hel, En door uw bloed mij doopen, Waar ik 145. LI E. D. 383 ik mijn hoop op stel; Zal ik' t geweld niet vreezen, Van helle, zond' en dood; Gij wilt mijn steenrots wezen, Dus ben ik buiten nood. 3. Hoe zoet mij dan het leven, Hoe wrang de dood mij zij, Ik zal niet tegenstreven, Ik sterf gerust en blij; Mijn' ziel weet, dat na strijden, Bij' t Hemels hofgezin Zij zich zal steeds verblijden; De dood is mij gewin. 4. Mijn lijf zal wel verstrekken Tot spijs van worm en maad', Maar Christus zal' t weer wekken, In eer, die nooit vergaat.' t Zal als de zon dan schijnen, En leven buiten nood, Bij' t heer der Serafijnen; Wat schaadt mij dan de dood? 5. De wereld wil mij trekken, Dat ik hier blijf, zij meldt, En wil aan mij ontdekken, Haar sie[ bo]) raad 384 145. LIED. raad, eer en geld: Doch' k wil dit gansch verachten, Wij' t schichtig zal vergaan;' k Wil naar het hemelsch trachten, Dat eeuwig zal bestaan. 6. Schoon ik mij af zie scheuren, Van al mijn naaste bloed, Dat hen en mij doet treuren; Dit troost toch mijn gemoed, Dat Gij ons zaam zult voegen, Zoo, dat ons nooit iets scheidt, Met innig nev zielsgenoegen, In' t rijk der heerlijkheid. 7. God doe uw heil verwerven, Mijn' Vrienden! die ik lief! Och! dat u toch mijn sterven, Niet al te smert'lijk grief! Blijft vast in dat vertrouwen, Dat wij in korten tijd, Elkander weer aanldsinschouwen, In eeuwigheid verblijd. 8.k Wend' mij in dit mijn sterven, Tot U, mijn bear God! 145. L I ED. 385 God! ai doe M' een zalig eind' verwerven! Zend mij uw' Englen toe; Voer mij in' t eeuwig leven, Dat Gij bragt aan het licht,' k Word door uw heil verheven, Daar zondemagt voor zwicht. 9. Och! laat mij nimmer wijken, Van U, mijn' Borg en Heer! Nooit mijn geloof bezwijken, Versterk het meer en meer. Help mij kloekmoedig strijden, Troost mijne ziel met kracht, Dat ik mij moog verblijden, En zingen:' t is volbragt! 146. LIED. Wijze: Psalm 42. mijn' ziel! wil u verblijden, Denk aan leed noch ongeval, Christus wil u thans bevrijden Van dit droevig tranendal; Uit uw smerten en geween Vaart gij naar die vreugde heen, Nooit gehoord van men 386 146. LIED. menschen ooren, Nooit door droefenis te storen. 2. In mijn kruis en tegenheden, Heb ik God bij dag en nacht, Op het ijverigst gebeden, En op uitkomst staag gewacht; Even als een reizend man, Die het eind bereiken kan, Blijd' is, zoo was al mijn hopen, Dat mijn weg ten eind mogt loopen. 3. Want gelijk de purper rozen, Rondom in de doornen staan, Moet Gods volk ook zoo bij poozen, Door geyaar en droefheid gaan; Even als een storm het meer, Drijft geweldig op en neêr, Zoo is' t leven loochier beneden, Vol beroert' en tegenheden. Jib 4.5Y Wereld, duivel, dood en zonden, Ja ons eigen vleesch en bloed, Plagen ons, en geven wonden, En benemen al den moed, Angst en wee vervult ons hart, 146. L 1 ED. 387 hart, Elke dag is vol van smart, Naauwlijks zijn wij nog geboren, Of wij zien ons druk beschoren. 5. Bij het lichten van den morgen, Als de slaap mijn oog ontvliedt, Zie ik mij omringd met zorgen, Kommer angst en zielverdriet; Tranen, die ons oog vergoot, Zijn voorwaar ons daag'lijksch brood, En als' t zonlicht is verdwenen, Blijft ons niet dan klagend weenen. 6. Dus, ô Morgenstar! wier stralen, Nimmer, nimmer ondergaan; Laat mij nooit in' t duister dwalen, Heer! Gij hebt voor mij voldaan. Geef, dat ik van hier beneên, Vrolijk vaar ten hemel heen; Laat uw licht niet van mij wijken, Laat mij hulpauteloos niet bezwijken. 7. Op uw lijden zal ik hopen, Als de dood mij Сс over 388 146. LIED. overmant; Door uw' wonden zal ik loopen, Naar het hemelsch Vaderland, Voer mij in het Paradijs, Dat Gij uwen Naam ten prijs, Deedt den moordenaar 15 verwerven, Laat mij daar een' eerkroon erven. 8. Of' t gezigt mij dan moog breken, Of ' t gehoor dan gansch verga, Of mijn tong dan niets kan spreken, Of' t verstand dan niets versta; Gij zijt mij, schoon dit gebeur', Licht en leven, weg en deur, Gij zult door uw' hand mij leijën enashi Bij de zaal'ge hemelreijen. 9. Voer mij op Elias wagen, Hemelwaarts met d' englen schaar; Dat mijn' ziel, het stof ontdragen, Zij bij Lazarus, ja daar, Laat haar rusten in uw' schoot, Vol van vreugde, buiten nood, Tot mijn stoflijk deel 146. LIJE D. deel verrezen, 389 T Weer met haar vereend zal wezen. 10. O mijn' ziel! wil u verblijden, Denk niet meer aan ongeval; Christus roept u uit dit lijden, Uit dit smert'lijk tranendal; Gij zult zonder eind verheugd, Deelen in de hemelvreugd, Daar gij met de hemellingen, Eeuwiglijk triomf zult zingen. II. Van het laatste Oordeel. absorbit 147. LIED. Wijze: Lied 40. bao blonow 在 三个 oen Christus d' eerstemaal, op aard, Als Godmensch was gekomen, Heeft Hij getrouw zijn ambt aanvaard, Tot nut en troost der vromen; Hij heeft genaad' en liefderijk, Ja zelfs ten hoogsten broederlijk De zondaars aangenomen. 2. Maar als Hij wederkomen zal, En voor ons Cc 2 00g 390 147. LIED. oog verschijnen, Zal Hij als Regter van' t heelal, Verzeld met Cherubijnen, De wereld dagen voor zijn' troon, Dan zingt zijn volk op baie blijden toon, Terwijl de boozen kwijnen. 3. De Heer zal regten iedereen, Die leeft of is gestorven; Zij zullen eerst ten voorschijn treên, Die reeds de rust verworven. Die leven op het wereldrond, Zal men zien in zeer korten stond, Veranderd, niet verdorven. 4. Geen mensch gaat van dit oordeel vrij, Van ' s werelds eerste stonden, Moet elk, hoe groot of klein hij zij,' t Zij krank of frisch bevonden,' t Zij rijk of arm, of laag of hoog, Verschijnen voor des ano Regters oog; Niets blijft hier van ontbonden. 5. 147. LIED. 391 5. Dan zal Gods Zoon met wond'ren glans, Verzeld met Eng'len Koren, Zich laten zien aan' s hemels trans: Dan klinkt die stem in d' ooren: Staat op, gij dooden, komt voor' t licht, Dit is de dag, dat g' in' t gerigt Uw vonnis aan zult hooren. 6. Dan zal m' aan Jezus regterhand, De reine schapen zetten, De bokken aan den andren kant, Die schenders van zijn wetten: Den schapen is de zaligheid, Den bokken' t eeuwig wee bereid; Niets zal hun straf beletten. 7. Wee dan, ja wee dan eeuwig dien, Die schaamrood uit moet komen! Hij zal de straf dan niet ontvlien, Voor' t kwaad hier ondernomen. Al wat men heim'lijk heeft verrigt, Zal daar dan komen Cc 3 aan 392 147. L I E D. aan het licht; Mogt dit het kwaad betoomen! 8. O wereld! zweer uw boosheid af, Ontsluit uw hart en ooren, Op dat de Heer niet tot uw' straf, U doe het vonnis hooren In dat ontzaglijk oordeels uur: Gaat heen vervloekten in het of vuur, U eeuwiglijk beschoren! 9. Mijn Jezus! och bewaar Gij mij! En al uw volk te zamen, Dat nooit ons hart zoo ijdel zij, Om spottaal te beramen. Laat ons ter regterhand eens staan, En in de hemelvreugde gaan, Als Gij zult komen. Amen! os III. III. Van het eeuwig leven. 148. LIED. 300m A lle menschen moeten sterven, Alle vleesch vergaat tot niet; Al wat leeft moet eerst verderven, Eer 393 148. LIE D. 我 Eer het zich veranderd ziet; Ja, dit ligchaam moet verteren, Zal' t vernieuwd terugge keeren, die groote heerlijkheid, Die den vromen is bereid. 2. Daarom wil ik ook dit leven, Als het mijnen God gelieft, Straks gewillig overgeven, Zonder, dat mijn' ziel dit grieft; Want in mijnes Heilands wonden, Heb ik toch mijn heil gevonden. Ja, in Jezus bitt'ren dood, Vind ik troost in levensnood. Tot 3. Jezus is voor mij gestorven, En zijn dood is mijn gewin; Hij heeft mij het heil verworven,' k Stap verheugd mijn doodperk in;' k Vaar toch uit dit aardsch gewemel, In den glorierijken hemel, Daar ik d' Oppermajesteit, Loven zal in eeuwigheid. 4. Daar zal zijn dat zalig leven, Daar veel duizend', Cc 4 met 394 148. LIED. met een' kroon, Als van hemellicht omgeven, God vereeren voor zijn' troon, Daar de zuiv're hemel#==========lingen, Op onvolgb're toonen zingen: Driewerf Heilig, hoog gevreesd, Is God Vader, Zoon en Geest. 5. Daar de Patriarchen wonen En Profeten, daar de schaar, Van Apost'len op hun troonen, Glansrijk zit te prijken, daar, Van zoo vele duizend jaDE ren,' s Heeren volk is heengevaren, Daar het Hallel' s hemelshof, Eeuwig vult met' s Hoogsten lof. 6. Heerlijk Salem! hoe verheven, Is uw luister, met wat lust, Wordt der Godheid eer gegeven, Binnen u, in stille rust; O die vreugde kent geen' palen! Nu, nu schiet die zon haar stralen, Nu, nu breekt dat daglicht aan, Dat nooit weêr zal ondergaan. J17 7. 148. L 1 ED. # 7. 0! ik zie die heerlijkheden, Van dien wonder schoonen staat, Nu, nu zie ik om mijn' leden, Golft een hagelwit gewaad,' k Zie mij voor den troon als pronken, Met een' kroon uit goud geklonken;' k Voel een' vreugde, die de maat, Van' t verstand te boven gaat. 8. Hier, hier wil ik eeuwig wonen!' k Schei, mijn' vrienden wel moog' t gaan; Uw God zal aan u beloonen,' t Geen g' aan mij hier hebt gedaan. Allen, die mij dierbaar waren, Wensch ik hart'lijk wel te varen; Wel te sterven, goeden nacht! God zij lof, het is volbragt. 149. LIED. -Jasseng neid 395 TUNEEN zondig mensch bedenk, Gij loopt naar d' eeuwigheid. Ai! neem uw tijd in acht, Zij ieder uur bereid. Cc 5 Die 396 149. LIED. Die hart en nieren kent, Gods en des menschen Zoon, Komt als uw Regter straks, Op zijn' geduchten troon. 2.00 dolle zekerheid! Vervloekte slapenslust Waak op! waak op! ô mensch, Uit uwe diepe rust, Werk tot uw' zaligheid Met beving in' t gemoed, Op dat g' uw grootsten schat, Uw eedle ziel behoedt. 3. De magt der duisternis, Wordt naauwlijks hier gezien, De booze stond genaakt; Wie kan, wie zal ontvliên? Och zie!' t verterend vuur Breekt reeds uit Sion aan; Wie kan toch voor den glans, Van' s menschen Zoon bestaan? 4. Verduurt een stroohalm dan, Dien ongenaakb'ren gloed? Bestaat een zandgrond voor, Een opgepersten vloed? Zal dan een stoppel, zal, Een blad, 149. LIE, D. blad, dat ras verzwindt, Het buld'ren wederstaan ooh and Van zulk een wervelwind? 397 it! doon 5. Waak op dan, ô mijn' ziel! En zoek in Jezus rust, Wijl gij zijt van dien vloed, En gloed en wind bewust, Vlugt met de tortelduif, Naar dezen Rotssteen heen: Daar leeft g', in eeuwigheid, Gerust en wel te vreên. noob sin 6. Mijn naasten!' k roep u toe, Bereid u en besef, Wat gij betrachten moet, Eer u de doodschicht treff', Gij weet niets van dien stond, Dat gij dit ondergaat, God komt eer gij' t verwacht, Beproef dan uwen staat. IV. Van de eeuwige verdoemenis.£ 150. LIED. Eeuwigheid! ontzaglijk woord, O zwaard, dat ' s zon 398 150. LIED. ' s zondaars hart doorboort, O aanvang zonder eind noch palen, O Eeuwigheid, tijd zonder tijd, Dat droefheid vrij die ziel doorsnijdt, Die hier bij God geen troost kan halen. Zulk een door schrik en vreeze beef, Zijn' tong hem aan' t gehemelt kleef. no 2.0 Geen storm treft ons zoo fel op aard', Dat hij niet door den tijd bedaart, Hier komt men' t onheil 五 三 二 家 weer te boven, Maar d'Eeuwigheid is zonder end, Zij heeft geen' perk, waar zij zich wendt, Of ons een uitkomst zou' beloven: Er is, gelijk de Heiland zeid, Uit haar geen' redding ooit bereid. 3. 0 Eeuwigheid! wat valt gij bang! Dat Eeuwig, Eeuwig is zoo lang, Hier gelt geen spotten, schertsen, schimpen, Wanneer ik dus dien langen nacht, Die 150. LIED. * 399 Die nooit volleden pijn bedacht, Voeld' ik mijn hart van vreeze krimpen. Zoo ver de Zon haar' stralen spreidt, Is niets zoo naar als d' Eeuwigheid. 4. Zou nog der doemelingen pijn, Zoo lang als al die eeuwen zijn, Die van' t begin zijn afgeloopen; Al waren dan hun smerten meer, Dan' t nooit getelde starrenheer Of' t kruid der aard, dan mogt men hopen, Dat voor hen uit die helsche pijn sw Nog eind'lijk zoud' een uitkomst zijn. 5. Maar nu, als die verdoemde schaar, Veel honderd duizend duizend jaar, Die pijn zal hebben ondervonden, Terwijl des duivels wreed geweld, Haar op het ijs'lijkst heeft gekneld, Zijn nog haar banden niet ontbonden, Dat lot zal nimmer van hen 400 150. LIED. hen gaan, Dat eindigt nooit, vangt immer aan. 6. O God! hoe heilig is uw regt! Hoe straft Gij, Heer! den boozen knecht, Zoo vreeselijk door helsche smarten.' t Kortstondig kwaad op aard' begaan, Is met een eeuw'ge straf belaân, Och zondaars! neemt dit wel ter harten; Betracht dit toch, ô menschen kind! De tijd is kort, de dood gezwind. 7. Ai vliedt toch uit des duivels strik! De wellust kan een' oogenblik, En langer niet U wat verblijden: Zoudt gij dan kiezen, dat uw' ziel Daar voor in' s duivels boeijen viel, Om zonder einde smert te lijden? O dwaze keus, beklagenswaard, go Die namaals eeuwig jamm'ren baart! 8. Zoo lang een God hier boven leeft, En om zijn volk ↓ 150. LIED. 401 volk in gunste zweeft, Kan niets die pijnigingen keeren: Daar zal men lijden op den duur, Angst, honger, schrik en bliksemvuur, Dat brandt, maar nimmer zal verteren.' Er kan geen eind zijn aan ob die pijn, Of' s Heeren regt zou eindig zijn. b 9. Waak op uit uwen zondenslaap, 0 mensch! keer weer, verloren schaap! Verbeter ras uw zondig leven! Waak op!' t is tijd! maak U bereid, Gij nadert vast aan d' eeuwigheid, Die u verdienden loon zal geven: Veelligt is deez' uw laatste dag; Wie weet, hoe lang men leven mag? 10. O gij, verbijsterd menschen kind! Hoe is uw oog en hart verblind? Wil toch de wereld niet meer lieven! Helaas! zal dan de helsche pijn, Daar meer 402 150. LIED. meer dan duizend beulen zijn, U eeuwig, eeuwig moeten grieven? Waar leeft die mensch, waar is die man, Die dit naar eisch beschrijven kan? 11. 0 Eeuwigheid! ontzaglijk woord! O zwaard, dat' s zondaars hart- doorboort! O aanvang zonder eind noch palen! 0 Eeuwigheid, tijd zonder tijd! Dat droefheid vrij de ziel doorsnijdt, Die hier bij God geen' troost kan halen! Breng mij, na' t dienen van uw' raad, O Heer! in' s hemels vreugdestaat! elsins! wn' soub 21 Juillo! novsy lix nool rob Igem novel nom 2nd ood, low of W Ε Ι Ν D E. wo ei soll bailandoanom brotajidier is toin blarow ob del IV Shoild sy had no goo. 550njig oddalad ob nab les lassloll! ngvoll abera Inches 1 Centimetres Blue ¹2 3 4 Cyan 2 5 3 +1+420 6 Farbkarte# 13 Green Yellow 9 110 111 Red 12 5 13 Magenta 14 ( O 6 15 White 16 17 7 3/ Color 18 19 B.I.G. Black 8